CConstaterende datBaarn
Koppel je AI →
Document · PDF

282913 Ontwerpbestemmingsplan Landgoed Paleis Soestdijk bijlage 2 Bijlagen bij de toelichting

Besluit in de Raad 29 september 2021, gemeente BaarnBij agendapunt: Raadsvoorstel en bijlagen21.816 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

RAAP-rapport 4142 / versie 09-06-2021

[12]

Plangebied Landgoed Soestdijk te Baarn, gemeente Baarn; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek

Geologische situatie

(Verspoelde) dekzand, behorend tot de Formatie van Boxtel, laagpakket van Wierden, op lemige stuwwalafzettingen behorend tot de Formatie van Drente

Geomorfologische situatie (Koomen & Maas, 2004)

Zie figuur 2

Ouderdom geomorfologische structuur

Saalien/Weichselien: tussen 250.000 en circa 10.000 jaar geleden

Bodemkundige situatie

In het gebied liggen veldpodzolen (code Hn21). In de stuifduinen hebben zich duinvaaggronden gevormd (code Zd21).

Verwachte diepteligging van archeologisch relevante lagen

Onder eventuele bouwvoor (30 cm). Bij de stuifduinen: onder de stuifduinen (diepte daarvan varieert, kan enkele meters bedragen)

Tabel 2. Overzicht van geraadpleegde geologische, geomorfologische en bodemkundige kenmerken van het plangebied en de directe omgeving.

2.3 Archeologische gegevens 2.3.1

Gemeente Baarn

Steentijd: Paleolithicum, Mesolithicum en Neolithicum De stuwwallen van het Gooi en de Utrechtse Heuvelrug zijn gebieden met een lange bewoningsgeschiedenis. De oudste archeologische vondsten dateren uit de Oude Steentijd (Paleolithicum, ca. 300.000-10.800 jaar geleden). Ze zijn afkomstig van jagende en verzamelende groepjes Neanderthalers (Homo sapiens neanderthalensis) die in het Midden Paleolithicum (300.000-35.000 jaar geleden) in het gebied rondtrokken. De archeologische vondsten bestaan vrijwel uitsluitend uit vuurstenen artefacten. De periode van 35.000 tot 10.800 jaar geleden (tot 8800 voor Chr.) wordt het Laat Paleolithicum genoemd. Rond 35.000 jaar geleden deden zich een aantal opvallende veranderingen voor op het gebied van technologie en materiële cultuur. Deze veranderingen hangen samen met de komst van d e moderne mens (Homo sapiens sapiens) en het verdwijnen van de Neanderthaler (Roebroeks, 1990). In kleine groepen joeg men in een open toendra - en taiga-achtig landschap op paarden en rendieren. De jagers trokken voortdurend rond en leefden in tenten. Hun kampementen hebben nauwelijks sporen achtergelaten in de bodem. Tot op heden zijn voornamelijk concentraties vuursteen door middel van (niet systematische) oppervlaktekarteringen aan het licht zijn gekomen.

Het is echter goed mogelijk dat zich binnen de stuifzandgebieden in de gemeente Baarn nog (restanten) van laatpaleolithische vondstconcentraties aanwezig zijn in overstoven oude oppervlakken. Omstreeks 9500 voor Chr. eindigde de ijstijd en begon het warmere Holoceen. Als gevolg van de klimaatsverandering maakt de open steppe- en toendravegetatie uit de ijstijd geleidelijk plaats voor een gesloten loofbos. Door de meer gesloten vegetatie en klei nere fauna ontwikkelde de mens andere voedsel- en jaagpatronen; hierin stonden vruchtenpluk, visvangst en jacht op kleinwild (zoals gevogelte) centraal. In archeologisch opzicht wordt vanaf deze periode gesproken van het Mesolithicum (8800-4900 voor Chr.). In het ritme van de seizoenen trokken kleine groepen jager -verzamelaars door het landschap en verbleven slechts tijdelijk op een bepaalde plaats. Sporen van jagerskampen, met resten van kampvuren (houtskool, verbrand bot, verbrande aarde en leem), gereeds chap en vuursteenafval worden regelmatig langs fossiele beeklopen, meertjes en op dekzandruggen en dekzandkoppen aangetroffen. Daadwerkelijk ingrijpen in de natuurlijke omgeving begon echter in de loop van het Neolithicum, toen lokale bevolkingsgroepen geleidelijk steeds meer hun bestaan op een primitieve landbouw baseerden,

RAAP-rapport 4142 / versie 09-06-2021

[13]

Plangebied Landgoed Soestdijk te Baarn, gemeente Baarn; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek

waarbij ook de eerste kleinschalige akkers werden aangelegd. In het uiterste zuiden van Nederland (het Limburgse lössgebied) vestigden zich vanaf 5300 voor Chr. de eerste boeren, terwij l in het overige deel van Nederland nog enkele eeuwen lang kleine groepen mensen in het ritme van de seizoenen rondtrokken op zoek naar voedsel. Hoe de overgang naar een economie gebaseerd op landbouw en veeteelt op de Utrechtse Heuvelrug precies in zijn werk is gegaan, is nog onbekend. Uit onderzoek elders in Nederland is wel al duidelijk geworden dat er sprake was van een lange overgangsperiode, waarin jagen en verzamelen naast landbouw en veeteelt nog geruime tijd een belangrijk onderdeel van de voedseleconomie vormden. Er ontstonden verspreid over de bewoonbare gronden kleine agrarische nederzettingen (vaak slechts één tot drie boerderijen). Men hield tevens runderen en varkens. Uit botvondsten blijkt dat de jacht (op met name edelhert) nog voor een deel van de vleesvoorziening zorgde. De akkers werden met een eenvoudig eergetouw (scheurploeg) bewerkt. Na relatief korte gebruiksperioden raakten de akkers uitgeput en werden nieuwe stukken bos ontgonnen. De kleine nederzettingen schoven mee in het landschap. Vanwege een groeiende bevolking werden steeds grotere gebieden ontgonnen. Grootschalige ontbossing heeft echter pas plaatsgevonden vanaf de Bronstijd.

Aanvankelijk vond de landbouw nog plaats op de hogere gronden (hoge dekzandruggen en stuwwalflanken). De variatie in reliëf, bodemvruchtbaarheid en de aanwezigheid van water waren belangrijke locatiekeuzefactoren in deze periode. In het begin was het effect van de landbouwers op hun omgeving nog gering en kon de natuur nog regenereren van de kleinschalige o ntginningen in de beboste omgeving. Uit de verspreiding van vindplaatsen blijkt dat in deze periode vooral de lichte, eenvoudig te bewerken zandgronden op de stuwwallen bewoond werden. In tegenstelling tot de vele opgeworpen (en relatief makkelijk op te s poren) grafheuvels, is over de nederzettingen uit het (Laat) Neolithicum in het stuwwallengebied relatief weinig bekend. Alleen bij Lage Vuursche zijn in de 19 e eeuw wat scherven aangetroffen; feitelijke bewoningssporen zijn tot dusverre nog niet aangetroffen (Gaasbeek, Van ’t Hof, & Koenders, 1994). Metaaltijden (Bronstijd en IJzertijd) en Romeinse tijd In de Bronstijd was het beeld niet veel anders, echter gedurende de Bronstijd worden grote delen van het landschap ontbost (Spek, 2004). Wel begon men geleidelijk (in Nederland waarschijnlijk nergens op grote schaal) de beschikking te krijgen over bronzen gebruiksvoorwerpen. In nederzettingscontext zijn slechts zeer zelden bronzen voorwerpen aangetroffen (Butler & Fokkens, 2005).

Uit Baarn is alleen de vondst van een losse bijl bekend, in de omgeving van Lage Vuursche. De bewoning in de Vroege en Midden Bronstijd (resp. 2000-1800 en 1800-1100 voor Chr.) vertoont grote overeenkomsten met die in de voorgaande periode. Gedurende de Bronstijd is er sprake van ee n in feite gemengd boerenbedrijf waarbij akkerbouw en veeteelt een gelijkwaardige rol speelden (Fokkens & Arnoldussen, 2008). Uit de vele grafheuvels die zich binnen gemeente Baarn bevinden wijst op de aanwezigheid van een bronstijd boeren in deze regio. Helaas zijn de bijbehorende nederzettingen uit de Vroege en Midden Bronstijd moeilijk te ontdekken omdat ze over het algemeen relatief arm zijn aan vondsten. De verwachting is dat ondanks het tot op heden geringe aantal vondsten, vooral op de flanken van d e droogdalen en in het overgangsgebied tussen de stuwwal en lagere dekzandgebieden veel nog onbekende archeologische resten uit het Laat Neolithicum, de Vroege en Midden Bronstijd voorkomen. Evenals in het Laat Neolithicum was er sprake van een verspreide bewoning in kleine gehuchten. Er werd gewoond in grote boerderijen met een inpandige stal (woonstalhuizen). Door het kappen van bossen en intensieve veeteelt ontstonden de eerste heidevelden en kleinschalige zandverstuivingen. Aan

RAAP-rapport 4142 / versie 09-06-2021

[14]

Plangebied Landgoed Soestdijk te Baarn, gemeente Baarn; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek

het einde van de Midden Bronstijd trokken veel bewoners weg. De meest waarschijnlijke reden is dat de akkerarealen uitgeput raakten. Door de komst en uitwisseling van brons werden de contacten met andere nederzettingen intensiever. Gedurende deze periode veranderde ook het grafrit ueel. In de Late Bronstijd (1100-800 voor Chr.) kwam geleidelijk de gewoonte in zwang om de doden voorafgaand aan de begrafenis te cremeren. Deze gewoonte zette zich voort tot in de IJzertijd en Romeinse tijd. Ook werden de bestaande grafheuvels voor meerdere bijzettingen gebruikt. Om deze reden hebben de grafheuvels in de gemeente Baarn, in totaal een stuk of twintig, een datering meegekregen van Laat Neolithicum t/m Vroege IJzertijd. Latere grafheuvels worden steeds vaker opgeworpen op zogenaamde ‘zichtlocaties’. Dit zijn vaak geprononceerde (markante) delen van het landschap (hellingknikken, randen van plateaus, etc.) die mogelijk langs de grenzen van de nederzettingsarealen lagen (vergelijk Houkes & Mittendorp, 1996). De (slechts gedeeltelijke) verdringing van brons door ijzer vond in de daaropvolgende IJzertijd plaats. Het gaat daarbij vooral om wapens en gebruiksvoorwerpen die in eerste instantie vanuit Centraal -Europa door ruilhandel ons land bereikten. IJzer, dat in de zandige bodem vergankel ijker is dan brons, leverde veel hardere werktuigen en wapens op.

Na de ruilhandel was de daaropvolgende stap de introductie en ontwikkeling van smelt- en smeedtechnieken in de gemeenschappen zelf. Nu konden de ijzeren voorwerpen ter plaatse vervaardigd wo rden door (waarschijnlijk veelal rondreizende) smeden. De IJzertijd laat een ongekende schaalvergroting zien, niet alleen in de landbouw, maar ook in het aantal nederzettingen, in de contacten met andere regio’s en in de sociale organisatie. In de IJzertij d werd de landbouw geïntensiveerd en geconcentreerd in complexen van kleine, omwalde akkertjes ( Celtic Fields of raatakkers). Overigens is in Baarn tot dusverre geen enkele vondst uit de IJzertijd gedaan. Formeel eindigt de IJzertijd met de komst van de Romeinen (Romeinse tijd: 12 voor Chr.-450 na Chr.) in onze streken. Circa 12 voor Chr. vestigden Romeinse militairen zich in o.a. Nijmegen. De Romeinse inspanningen in het rivierengebied waren vooral gericht op het aanleggen van een grenssysteem op de zuidoever van de (Oude) Rijn. Ten noorden van deze rijksgrens bleef de bestaanswijze uit de voorgaande IJzertijd gehandhaafd. Onderzoek heeft aangetoond dat er tussen de noordelijke’ inheemse’ bewoners en zuidelijk Romeinen contacten hebben bestaan. Deze manife steren zich overigens niet in vindplaatsen binnen de gemeentegrenzen van Baarn.

Middeleeuwen De oudst bekende schriftelijke informatie die betrekking heeft op de kern Baarn dateert van 1280. De oorsprong van Baarn ligt waarschijnlijk al veel eerder. Ter vergelijking, Soest duikt al in de 8 e eeuw in de schriftelijke bronnen op. Baarn lijkt oorspronkelijk ontstaan te zijn rond een brink, een open gebied aan de rand van het natte gebied waar ’s -nachts het vee bijeen werd gedreven en te drinken kreeg. De structuur van het dorp richtte zich op deze brink. Pas in de Late Middeleeuwen verschuift de bewoningskern langzaam in oostelijke richting. Dit hangt waarschijnlijk samen met de veenwinning langs de Eem waardoor de grondwaterspiegel daalde en lagere gebieden t oegankelijk werden (Gaasbeek, Van ’t Hof, & Koenders, 1994). In de Middeleeuwen werd het landschap in de omgeving van de huidige gemeente Baarn gekenmerkt door kleine cultuureilanden te midden van bossen, moerassen en heidevelden. Een groot deel van het land was te droog of te nat voor akkerbouw, en de zandbodems waren zo arm aan mineralen dat deze alleen door bemesting productief gemaakt konden worden. Het middeleeuwse landbouwsysteem was aangepast aan deze situatie. Er overheerste een gemengde bedrijfsvoering, waarbij grote delen van het gebied extensief werden benut om de vruchtbaarheid van de akkers - in deze omgeving ‘engen’

RAAP-rapport 4142 / versie 09-06-2021

[15]

Plangebied Landgoed Soestdijk te Baarn, gemeente Baarn; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek

(aaneengesloten akkercomplexen, bewerkt door verschillende boeren) en ‘ kampen’ (individuele ontginningen) genoemd - op peil te houden. In de loop der tijd werden de meeste bossen gekapt en hiervoor in de plaats kwamen graslanden en heidevelden. De aanwezigheid van stuifzanden wijst erop dat de heidevelden soms te intensief werden gebruikt en na begrazing of plaggensteken niet de tijd kregen om te herstellen. Als gevolg van houtkap, ontginningen en overbeweiding nam de hoeveelheid bos op de Utrechtse Heuvelrug in de loop van de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd sterk af. Tegen het einde van de 18e eeuw was vrijwel de gehele Utrechtse Heuvelrug ontbost en bestond het landschap hier uit uitgestrekte heidevelden en zandduinen. De introductie van de kunstmest aan het einde van de 19e eeuw maakte de functie van heidevelden als weidegebied en plaggengrond overbodig. Veel heidegebieden konde n nu worden ontgonnen tot landbouwgrond, maar op de Utrechtse Heuvelrug, waar de bodem minder geschikt was voor akkerbouw, werden veel heidevelden omgezet in bos, zo ook op landgoed Soestdijk. Conclusie Het is bijna overbodig om te zeggen, maar uit het plangebied zelf zijn geen archeologische vondsten bekend in de nationale databases. Ook na 2009 zijn in het gebied geen archeologische onderzoeken gedaan of vondsten gemeld.

Soestdijk was, en is nog steeds, niet openbaar toegankelijk en er heeft tot nu toe nooit archeologisch onderzoek plaatsgevonden ander dan het onderzoek in 2008/2009. Zelfs uit de directe omgeving (op een afstand van minder dan 500 m) zijn geen vindplaatsen bekend. Wanneer echter naar de gehele gemeente wordt gekeken dan valt op dat de grafheuvels op de stuwwallen liggen en naar de randen hiervan tenderen. Ook valt op dat op de stuwwallen verder amper vondsten worden gedaan. Plangebied Soestdijk ligt ‘lager’ in het landschap, op de overgan g van de gordeldekzand-welvingen naar de vlakte van ten dele verspoelde dekzanden die Baarn en Soest van elkaar scheidt. Dit gebied is leeg te noemen, in zoverre dat bij deze opmerking geen rekening is gehouden met resten van na de Late Middeleeuwen (na 1500). Wanneer in een gebied geen of amper archeologische vondsten zijn gedaan dan kan dit twee oorzaken hebben. Er is geen of onvoldoende (gericht) onderzoek gedaan of het gebied is daadwerkelijk leeg. Het is duidelijk dat landgoed Soestdijk, door de status ervan, een slecht bekend gebied is. Het veldonderzoek in 2008 betrof een verkennend onderzoek bestaande uit een veldverkenning en controlerend booronderzoek.

Doel hiervan was het opstellen van een archeologische verwachting voor het terrein, en niet het systematisch opsporen van vindplaatsen; dat vraagt een (veel) intensiever soort onderzoek. Er werden dan ook geen archeologische vindplaatsen aangetroffen. Landgoed Soestdijk is waarschijnlijk tot in de 19 e eeuw deels heideveld geweest en daarna ontgonnen ten behoeve van de bosbouw. Hierbij is met behulp van een heideploeg de oorspronkelijke bosbodem (podzol) diep omgezet. Tijdens het booronderzoek werd duidelijk dat dit in het grootste deel van het landgoed is gebeurd. Eigenlijk is alleen in het noordwesten, in de zone met stuifduinen, het oorspronkelijke landschap deels bewaard gebleven. Ook binnen het bereik van het Engelse landschapspark is de bodem zwaar verstoord, in dit geval (ook) door de aanleg van het park en eerdere oudere tuinen. In de oksel van de Willemlaan en de Koninginnelaan zijn twee ronde heuvels waargenomen met een diameter van iets minder dan tien meter en een hoogte van circa 1 m. De indruk dat dit grafheuvels zouden kunnen zijn, werd versterkt door de profielen die in een paar boringen w erden aangetroffen. Er werden echter ook een aantal totaal (door de heideploeg) verstoorde profielen in de heuvellichamen aangetroffen.

RAAP-rapport 4142 / versie 09-06-2021

[16]

Plangebied Landgoed Soestdijk te Baarn, gemeente Baarn; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek

Het onderzoek uit 2008/2009 maakte duidelijk dat het archeologische of cultuurhistorische belang dat aan landgoed Soestdijk gehecht kan worden zich hoofdzakelijk beperkt tot resten vanaf de 17 e eeuw (zie § 2.3.2).

2.3.2

Landgoed en paleis Soestdijk

Archeologische waarden van voor 1650 Bij het onderzoek van 2008 is het landgoed in geologische zin in kaart gebracht. Op basis van die informatie is een zone afgebakend in het noord(west)en van het landgoed waar mogelijk onder stuifzandafzettingen nog archeologische waarden verwacht kunnen worden : deze zone valt buiten de in het Ontwerp Bestemmingsplan beschreven interventies. Bij een aantal boringen bleek onder het stuifzand nog een intact bodemprofiel in de vorm van een podzol aanwezig te zijn, een bodemsoort die zuidelijker binnen het landgoed door bosbouw grotendeels verstoord is. Ook werden bij het onderzoek twee heuvels opgemerkt die als ‘mogelijke grafheuvels’ aangemerkt zijn en waarvoor werd aanbevolen deze nader te onderzoeken. De resultaten van het onderzoek zijn destijds samengevat op kaartbijlage 1 (Schute & Van Kempen, 2009). Alle andere aangetroffen sporen, dateerden van na 1650 en worden hieronder toegelicht.

Landgoederen en buitenplaatsen op de Utrechtse Heuvelrug In de 17e eeuw kende Nederland een periode met grote economische voorspoed, waardoor een stedelijke elite ontstond die zich een luxe buitenverblijf buiten de stad kon permitteren. Vanaf circa 1635 werd ook op de Utrechtse Heuvelrug in toenemende mate geïnvesteerd in de aanleg van buitenplaatsen en landgoederen. In veel gevallen kwamen zulke buitenverblijven tot stand door reeds bestaande boerderijen op te kopen en te verfraaien of transformeerden de middeleeuwse kastelen tot buitenplaatsen. Op Baarn heeft deze ontwikkeling een grote invloed gehad. Een belangrijk deel van de buitenplaatsen in de omgeving van Soest is gesticht door leden van vooraanstaande Amsterdamse families, de stedelijke regentenklasse. Rond 1650 liet de Amsterdamse burgemeester Cornelis de Graeff een buitenverblijf bouwen aan de Soestdijk , dat uiteindelijk is uitgegroeid tot het huidige paleis Soestdijk. De buitenplaatsen werden, vrijwel zond er uitzondering, gebouwd op lagere terreingedeeltes waar water beschikbaar was voor de aanleg van vijvers en andere waterpartijen. De effecten van deze aanleg waren enorm. Dit is vooral te wijten aan de inrichting van de bij de buitenplaatsen behorende gronden. De aanleg van bossen en tuinen transformeerden grote delen van de gemeente Baarn.

Landgoed en paleis Soestdijk Bij het onderzoek in 2008 werd duidelijk dat in een directe zone rond het paleis vele archeologische sporen en resten te verwachten zijn. Rondom het huidige paleis, maar ook in het Engelse landschapspark, kunnen diverse resten van tuinen, vijvers, andere waterpartijen, waterinfrastructuur, tuinpaden, beschoeiingen en gebouwen verwacht worden. Bijlage 2 betreft de kaartbijlage zoals gemaakt in 2009 (destijds kaartbijlage 2 van RAAP-rapport 1896; Schute & Van Kempen, 2009), en geeft een overzicht

RAAP-rapport 4142 / versie 09-06-2021

[17]

Plangebied Landgoed Soestdijk te Baarn, gemeente Baarn; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek

van alle te verwachten sporen vanaf de 17 e eeuw. 2 In de navolgende paragrafen worden deze per eeuw uitgesplitst en op hoofdlijnen beschreven. De mate van gaafheid van de verschillende elementen/structuren waarvan nog resten aanwezig worden, verschilt naar verwachting aanzienlijk. Zo werd bijvoorbeeld aangetoond dat de resten (fundamenten) van de laat 17 e eeuwse bijgebouwen, direct voor het paleis, goed geconserveerd in de bodem bewaard zijn. Vanaf de 17e eeuw kunnen in het park -met name langs de grenzen- her en der mogelijk resten aanwezig zijn van de houten afrasteringen. Het zal daarbij gaan om paalkuilen. Ook kunnen weg - en padverhardingen uit alle perioden (van park- en tuinaanleg), voorzover zij niet nog aanwezig zijn, of reeds zijn vergraven, worden verwacht. Over het algemeen zal deze verharding hebben bestaan uit schelpen en grind. Ten aanzien van de grachten (en de vijvers) kan gesteld worden dat deze in het algemeen veel en goed geconserveerde archeologische resten (zoals aardewerk, maar ook voorwerpen van hout, leer en ander organisch materiaal) kunnen bevatten. Deze resten zijn gedurende het gebruik van de gracht (en vijver) veelal als afval daarin gedeponeerd en als gevolg van de natte omstandigheden goed geconserveerd. Ook tijdens het dempen van de grachten kunnen belangwekkende archeologische resten in de grachten zijn gedeponeerd.

Voor wat betreft Soestdijk kan men denken aan het slooppuin van de beide 17e eeuwse bijgebouwen. Onder dit slooppuin kunnen zich nog belangwekkende ornamenten of muurdelen bevinden. De botanische resten in de grachten en vijvers (zaden en pollen) kunnen informatie opleveren over de beplanting van de tuinen en het park. Ook kunnen resten van de wateri nfrastructuur (bijvoorbeeld leidingen tussen watertoren en fonteinen) worden verwacht. Uit het booronderzoek werd duidelijk dat van deze grachten inderdaad (een deel van) de vulling resteert. De verwachting op bovengenoemde archeologische resten kan dan ook als hoog worden ingeschat. Opgemerkt moet worden dat met name rondom de gebouwen ook resten van kleinere erf -gerelateerde structuren zoals water- en beerputten, slootjes en kuilen verwacht kunnen worden. Deze structuren zijn vanwege hun geringe omvang en het doorgaans kleine schaalniveau van de kaarten daarop vaak niet weergegeven.

17e eeuw Mogelijk bevinden zich rondom het paleis nog resten van bijgebouwen en tuinaanleg van het huis van Cornelis de Graeff. Omdat gedetailleerde informatie niet voorhande n is, is het onbekend welke resten daadwerkelijk verwacht kunnen worden. Voor het laatste kwart van de 17e eeuw wordt het beeld duidelijker. Vóór het huidige paleis (oostelijk) kunnen de resten verwacht worden van de beide L-vormige bijgebouwen (figuur 3). Deze resten zullen hoofdzakelijk bestaan uit funderingen en/of uitbraaksleuven en (resten van) kelders. Vóór het paleis worden ook funderingen en/of uitbraaksleuven verwacht van de pilaren van de drie poorten en de kade- of tuinmuren tussen het huis en deze bijgebouwen. Het lijkt in ieder geval zeker dat er nog fundamenten aanwezig zijn op het terrein voor het huis. Direct ten oosten van het huidige paleis worden de funderingsresten verwacht van het oude bordes. Ten westen van het paleis worden funderingen en of uitbraaksleuven verwacht van de muur en de poort die de tuin achter

2

Diezelfde kaart is weer bij dit rapport gevoegd: de informatie is zeer actueel en bruikbaar.

RAAP-rapport 4142 / versie 09-06-2021

[18]

Plangebied Landgoed Soestdijk te Baarn, gemeente Baarn; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek

het huis aan de westzijde afsloten. Het merendeel van de funderingen van deze muur met poort zal echter bij de aanleg van de vijver in het begin van de 19e eeuw zijn vergraven.

Figuur 4. Gravure van B. Stopendaal (circa 1690) van de 17 e eeuwse situatie. Het latere paleis heeft nog geen colonnades, maar wel een omgracht voorhof met bijgebouwen. De tuinaanleg is nog de klassieke inrichting. Uiterst rechtsonder een bijgebouw dat nu aan de oostzijde van de N221 ligt.

In de bodem rondom het paleis worden ook de resten verwacht van de grachten die het terrein waarop het paleis lag, de zuidelijke tuin en de noordelijke tuin aan de zuid - en westzijde omsloot verwacht. Op een aantal plaatsen werden bij het verkennend booronderzoek deze grachten ook daadwerkelijk aangetroffen. Een deel van deze grachten werd bij de aanleg van de grote vijver in het begin van de 19e eeuw vergraven. Langs de grachten kunnen resten van een houten beschoeiing aanwezig zijn. Met name bij de dammen die in de grachten lagen is dit het geval. Aan de noord- en oostzijde en mogelijk ook aan de westzijde van de noordelijke tuin kunnen zich nog funderingen in de bodem bevinden van de langs het terras gelegen tuinmuur. Ook van de in deze muur gelegen stenen trappen worden nog resten verwacht. Ook van de beide natuurstenen waterbakken met fontein van de voormalige noordelijke tuin kunnen nog resten verwacht worden in de bodem. De mogelijkheid bestaat dat de eventuele verharding (schelpen of grind) van de paden van de tuinen nog in de bodem behouden is. Mogelijk bevinden zich nabij de zuidwestelijke oever van de grote vijver nog resten van de beschoeide vogelvijver en de daaromheen gelegen hou ten hokken. Het merendeel van de vogelvijver zal echter in het begin van de 19e eeuw zijn vergraven. Ten zuidoosten van de watertoren worden de resten verwacht van een houten bijgebouw.

Figuur 4 geeft een overzicht van alle te verwachten 17 e eeuwse sporen.

RAAP-rapport 4142 / versie 09-06-2021

[19]

Plangebied Landgoed Soestdijk te Baarn, gemeente Baarn; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek

Figuur 5. De te verwachten archeologische sporen uit de 17 e eeuw.

18e eeuw De omstreeks 1732 aangelegde nieuwe tuinen, ten westen van de bestaande tuinen, zijn bij de aanleg van de vijver in het begin van de 19e eeuw grotendeels vergraven. Aan de zuidwestzijde van de vijver worden nog wel de resten verwacht van de vijvers en grachten met mogelijke beschoeiing. Ook worden nog de resten verwacht van de over de meest westelijke gracht gelegen houten brug. Daarnaast zijn mogelijk nog resten aanwezig van het op de kaart van Van Staden zichtbare hek tussen de vijvers aan de zuidzijde van het park. Ook hier zijn nog mogelijk oude verhardingen van de paden in de bodem aanwezig.

RAAP-rapport 4142 / versie 09-06-2021

[20]

Plangebied Landgoed Soestdijk te Baarn, gemeente Baarn; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek

In deze periode wordt een groot aantal (bij-)gebouwen opgetrokken. Van al deze gebouwen kunnen al naar gelang deze in baksteen of hout waren opgetrokken resten van funderingen en/of uitbraaksleuven, paalkuilen en andere grondsporen verwacht worden (figuur 5).

Figuur 6. De te verwachten archeologische sporen uit de 18 e eeuw.

Het betreft ten westen van de huidige Amsterdamsestraatweg: -

de twee gebouwtjes (hertenschuren?) in het park;

-

twee bijgebouwen ten noorden en noordoosten van het noordelijke L -vormige bijgebouw op het voorplein;

RAAP-rapport 4142 / versie 09-06-2021

[21]

Plangebied Landgoed Soestdijk te Baarn, gemeente Baarn; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek

-

een bijgebouw direct ten oosten van het zuidelijke L-vormige bijgebouw op het voorplein (hier werd bij het booronderzoek een fundament aangetroffen).

Ten oosten van de huidige Amsterdamsestraatweg betreft het: -

de aanbouwen aan de zuidoostzijde van het ‘boswac htershuis’;

-

de hoeve van ‘Bicker van Swieten’ met bijgebouw;

-

de herberg met bijgebouwen.

Het is de vraag in hoeverre de resten van de herberg, het direct ten zuiden daarvan gelegen bijgebouw en de hoeve ‘Bicker van Swieten’ nog in de bodem aanwezig zijn. Mogelijk zijn zij bij de aanleg van de Amsterdamsestraatweg grotendeels verstoord. Ook de locatie van het oorspronkelijke toegangshek aan het begin van de Eultlaan ligt tegenwoordig ter plaatse van de Amsterdamsestraatweg. Ook hiervoor geldt dat het onduidelijk is in hoeverre hier nog resten aanwezig zijn. Nadat de Eultlaan werd verkort, werd er aan het ‘nieuwe’ begin van deze laan een hek geplaatst. De resten van de p ijlers (funderingen) van dit hek worden onder of direct ten oosten van de weg achter de b ijgebouwen verwacht. Nabij de huidige vijver bij de kassen en in het bos ten noorden van de tegenwoordige parkeerplaats worden de resten verwacht van een respectievelijk ovale en ronde vijver (ovale vijver: figuur 5; ronde vijver: kaartbijlage 1).

19e eeuw Ook in deze periode wordt een groot aantal (bij-)gebouwen opgetrokken. Van al deze gebouwen kunnen al naar gelang deze in baksteen of hout waren opgetrokken resten van funderingen en/of uitbraaksleuven, paalkuilen en andere grondsporen verwacht worden (figuur 6). Het betreft ten westen van de huidige Amsterdamsestraatweg: -

de kleine oranjerie ten zuiden van het paleis (hier werd bij het booronderzoek een puinlaag aangetroffen);

-

de hertenstal;

-

de menagerie;

-

het botenhuis;

-

de kassen van het Anna-Amaliaoord.

Ten oosten van de huidige Amsterdamsestraatweg betreft het: -

enkele bijgebouwen en hooibergen achter de voormalige ‘boswachterswoning’ en herberg.

De meeste in het park aangelegde bruggen dateren uit de 19e eeuw. Enkele van deze bruggen zijn in steen uitgevoerd, de overige in hout. Enkele van deze bruggen zijn in de loop der tijd vervangen. Van de voorgangers van deze bruggen kunnen dus nog resten in de bodem aanwezig zijn. Van de houten loofgang die in 1858 rondom de tegenwoordig nog aanwezige vijver ten zuiden van de kassen is aangelegd bevinden zich mogelijk nog resten in de bodem.

RAAP-rapport 4142 / versie 09-06-2021

[22]

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10409078/1