282913 Memo HBR Advocaten nav reactie college m.b.t. Paleis Soestdijk
Tekst van het document
MEMO Aan: Betreft: Datum: Van:
De raad van de gemeente Baarn Advies vragen ontwerp bestemmingsplan Landgoed Paleis Soestdijk 15 september 2021 Saskia de Boer en Bernadette Raaijmaakers - HBR advocaten Henk Hoogmoed - Twynstra Gudde
Geachte leden van de raad, U heeft ons gevraagd om aanvullend op onze eerdere beantwoording van uw vragen te reageren op het memo van wethouder Jansma, namens B en W, d.d. 13 september 2021 (“memo B en W”). In dit memo gaat de wethouder in op enkele aanbevelingen die wij hebben gedaan en geeft de wethouder aan hoe het college daarmee om zou willen gaan. Deze aanbevelingen zijn onderdeel van ons memo aan uw raad d.d. 20 augustus 2021; wij zullen dit memo hierna aanduiden als “memo HBR”. Onderstaand zullen we puntsgewijs reageren op het memo B en W. 1.
De gemeente heeft niet vastgelegd dat de opbrengsten van de woningbouw uit Alexanderkwartier ten goede komen aan de renovatie.
Reactie B en W: De opbrengsten van het Alexanderkwartier worden bij de bank in een depot gestort, van waaruit de restauratie wordt betaald. MBEG krijgt dus geen beschikking over dit geld. De heer Th. Meijer is bereid om een brief die hij over het aanwenden van de opbrengsten aan de renovatie op 1 juli 2021 aan het RVB stuurde, ook aan uw raad te sturen. Indien de raad dit nodig acht kan dit ook zo worden opgenomen in de anterieure overeenkomst van MBEG met de gemeente. Onze reactie: Dat de opbrengsten van het Alexanderkwartier bij de bank in een depot worden gestort van waaruit de restauratiekosten worden betaald, klinkt geruststellend. Echter, wij hebben geen zicht op de afspraken die MBE heeft gemaakt met de bank en wij kunnen daarom niet oordelen over dit depot, en de voorwaarden waaronder het daarin gestorte bedrag vrijvalt en daaruit betalingen worden verricht. Zo weten wij niet welke kosten uit dit depot betaald (mogen, of moeten) worden en hoe de “kosten van de restauratie” worden geduid in de afspraken met de bank over het depot. Ten aanzien van een door de heer Meijer te sturen brief aan de raad over het aanwenden van de opbrengsten aan de renovatie geldt m.m. hetzelfde als wij hebben opgemerkt over de brief van de heer Meijer namens MBE aan RVB d.d. 1 juli 2020 (zie ook pagina 10 en 11 memo HBR).
Afhankelijk van de exacte formulering kan de gemeente Baarn aan een dergelijke brief toezeggingen ontlenen over de aanwending van de opbrengsten van de woningbouw in het Alexanderkwartier ten behoeve van de restauratie van het paleis. Ten aanzien van een in de anterieure overeenkomst op te nemen afspraak dat de opbrengsten van de woningbouw uit Alexanderkwartier ten goede komen aan renovatie van het paleis, dient vermeld 1
te worden dat het voor de juiste toepassing en naleving van een dergelijke afspraak aanbeveling verdient om af te stemmen en vast te leggen wat exact onder “opbrengsten” dient te worden verstaan. Aangenomen mag worden dat het gaat om de netto opbrengsten na aftrek van kosten, zoals rente, belastingen en eventuele bouwkosten. Om de naleving van de terzake te maken afspraken goed te kunnen waarborgen, zouden ook afspraken gemaakt moeten worden over controle daarvan door bijvoorbeeld een accountant. Overigens geldt in zijn algemeenheid ten aanzien van alle in de anterieure overeenkomst nader vast te leggen afspraken dat de uiteindelijke formulering daarvan getoetst zou moeten worden, om zeker te weten dat de door u beoogde doelstellingen op de juiste wijze zijn vastgelegd. 2.
Er zijn geen afspraken vastgelegd over de openstelling en publieke toegankelijkheid van het landgoed.
Reactie B en W: In de Omgevingsvisie Soestdijk (2012) en het Ronde-Tafeladvies uit 2015 is het openstellen voor het publiek van het landgoed specifiek benoemd. De minister heeft dit opgenomen in de selectiecriteria. De vorm en omvang is vrij gelaten. Het plan Made by Holland gaat uit van het openstellen (tegen betaling) van delen van het landgoed – alleen de boszone is niet vrij toegankelijk – en het paleis. Indien de raad dit wenst, kan dit worden opgenomen in de anterieure overeenkomst. Onze reactie: De publieke toegankelijkheid wordt mogelijk gemaakt in het bestemmingsplan, maar is daarin niet onvoorwaardelijk als vereiste geborgd. Het benoemen van de wenselijkheid daarvan in een eerdere Omgevingsvisie maakt dit niet anders. Het opnemen van de openstelling in de anterieure overeenkomst geeft een betere borging voor de nabije toekomst. Op termijn, nadat de anterieure overeenkomst zal zijn uitgewerkt, en ook in geval van mogelijke overdracht, is er dan echter geen (langdurige publiekrechtelijke) waarborg omtrent de publieke toegankelijkheid. Dat zou ten aanzien van de open te stellen delen van het landgoed in de publiekrechtelijke voorschriften nog verfijnd kunnen worden. 3.
Noch in het ontwerpbestemmingsplan als in de anterieure overeenkomst zijn kwaliteitseisen over de restauratie opgenomen.
Reactie B en W: In de subsidiebeschikkingen van de provincie Utrecht en de RCE zijn kwaliteitseisen voor de restauratie opgenomen, evenals strafbepalingen als daar niet aan wordt voldaan. De eerste stap om te komen tot een monumentenvergunning voor het paleis is het vastleggen hoe het paleis gerestaureerd wordt. Namens de gemeente is de RCE daar bij betrokken. Zonder overeenstemming zal er geen positief advies aan de gemeente voor de vergunning worden gegeven. De RCE houdt tijdens de realisatie ook toezicht of de uitvoering plaatsvindt conform de verleende monumentenvergunning. Het is niet gebruikelijk, en bovenal is het niet nodig om, in het kader van een goede ruimtelijke ordening, het kwaliteitsniveau van de restauratie in het bestemmingsplan op te nemen. Het is wel denkbaar, de rol van de RCE in relatie tot de monumentenvergunning en het toezicht daarop in de anterieure overeenkomst te benoemen. 2
Onze reactie: Wij delen de visie van het college. De kwaliteitseisen zullen met name worden vastgelegd in de monumentenvergunning. Zoals ook wordt beschreven in het memo B en W, heeft de RCE nadrukkelijk een rol in het kader van de procedure voor verlening van de monumentenvergunning. Het benoemen van de rol van de RCE in de anterieure overeenkomst met betrekking tot de monumentenvergunning en het toezicht is een extra waarborg dat deze rol ook privaatrechtelijk is vastgelegd. 4.
Maatregelen natuurcompensatie nader uit te werken en in/bij bestemmingsplan niet nader omschreven.
Reactie B en W: In de overeenkomst met de provincie zijn de maatregelen voor de natuurcompensatie verder benoemd en uitgewerkt. Hier zijn ook sancties opgenomen voor het geval deze niet of niet juist worden nagekomen. Hiermee is de uitvoering van de maatregelen ons inziens afdoende geborgd. Op blz. 85 van de toelichting bij het bestemmingsplan wordt, onderaan par. 5.6.2.1 verwezen naar de natuurmaatregelen en het Beheer- en inrichtingsplan (Eelerwoude, 14 juni 2021). Onze reactie: De (concept)overeenkomst tussen MBE en de provincie is uitvoerig en bevat sancties. In het bestemmingsplan zelf bevat artikel 8.4.3 van de voorschriften, kort samengevat, de bepaling dat de natuurmaatregelen moeten worden uitgevoerd zoals opgenomen in Bijlage 7. Dat is op zichzelf een helder voorschrift. Bijlage 7 zelf bevat echter nog wat open einden en is daarmee niet precies genoeg omschreven, zodat artikel 8.4.3 daarmee evenmin voldoende precies is uitgewerkt: In Bijlage 7 wordt verwezen naar “een” beheer- en inrichtingsplan en wordt aangegeven dat de maatregelen “nader moeten worden uitgewerkt”. In de toelichting van het bestemmingsplan wordt beschreven om welk beheer- en inrichtingsplan het gaat. De toelichting bij een bestemmingsplan is echter geen afdwingbaar voorschrift.
Het verdient daarom in onze ogen aanbeveling om in Bijlage 7, die deel uit maakt van de voorschriften, letterlijk te verwijzen naar het precieze beheer- en inrichtingsplan (dus met naam en toenaam, versienummer en datum, en als bijlage bij de toelichting), en niet naar “een” plan. Daarnaast is niet bepaald hoe, wanneer, en onder wiens toezicht, de maatregelen nader moeten worden uitgewerkt en wanneer dat voldoende is. Daarom verdient het de voorkeur om in Bijlage 7 ten aanzien van de “nader uit te werken maatregelen” letterlijk te verwijzen naar de vereiste toestemming van de inhoud van die uitwerking door de provincie, en te verwijzen naar de overeenkomst met de provincie waarin deze maatregelen worden uitgewerkt. Daarmee zijn de voorschriften concreter en beter afdwingbaar via het bestemmingsplan.
5.
HBR leest het bestemmingsplan zo, dat er twee zones zijn voor evenementen, met maximaal 40 evenementen per zone.
Reactie B en W: Het is steeds de bedoeling geweest om het hele landgoed, inclusief de Parade, als één gebied te zien waar maximaal 40 evenementdagen zijn toegestaan. Het advies is de mogelijke 3
discrepantie weg te nemen door het college via een amendement op te dragen het bestemmingsplan op dit punt te verduidelijken, zodat klip en klaar duidelijk wordt dat het maximum aantal evenementdagen voor het héle landgoed 40 bedraagt. Onze reactie: Wij adviseren inderdaad verduidelijking, zowel ten aanzien van de aanduiding van de zones op de verbeelding als de verwijzing daarnaar in het voorschrift 16.1.1.
6.
Redactie voorwaardelijke verplichting renovatie irt woningbouw aanpassen.
Reactie B en W: HBR heeft bij de presentatie van het ontwerpbestemmingsplan geadviseerd om nog eens goed te kijken naar de redactie van de voorwaardelijke verplichting van de renovatie in relatie tot de woningbouw. In deze regel is o.a. bepaald dat er significante voortgang van de renovatie van het Paleis moet hebben plaatsgevonden voordat gestart kan worden met de woningbouw, maar in het bestemmingsplan is niet gedefinieerd wat onder het begrip “significante voortgang” moet worden verstaan. Gemeente, provincie en MBE zijn hierover nog in gesprek. Onze reactie: Wanneer de uitkomst van het gesprek bekend is zijn wij graag bereid daarnaar te kijken. Vooruitlopend daarop vermelden wij vast het volgende. Naast het begrip “significante voortgang” in artikel 8.4.4 is de redactie van een ander deel van het voorschrift, de term “moet plaatsvinden” niet helder. Wij bevelen een heldere omschrijving van het geheel van de voorwaardelijke verplichting in het voorschrift zelf aan.
4