CConstaterende datBaarn
Koppel je AI →
Document · PDF

279913 Bestemmingsplan Troelstralaan bijlage 4 Toelichting bijlagen

Besluit in de Raad 27 oktober 2021, gemeente BaarnBij agendapunt: Bestemmingsplan Troelstralaan25.446 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Ladder voor duurzame verstedelijking

Baarn, Troelstralaan

Gemeente Baarn

Datum: 23 oktober 2020 Projectnummer: 200285.02

INHOUD

1

Inleiding

3

1.1 1.2 1.3

Aanleiding Het plan Leeswijzer

3 3 4

2

Toets Ladder voor duurzame verstedelijking

5

2.1 2.2 2.3

Stedelijke ontwikkeling Verzorgingsgebied Bestaand stedelijk gebied

5 6 14

3

Conclusie

15

1

Inleiding

1.1

Aanleiding Op 1 oktober 2012 is de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ toegevoegd aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Op 1 juli 2017 is een wijziging van het Bro in werking getreden, waarbij de Ladder voor duurzame verstedelijking is aangepast. De (gewijzigde) Ladder is in artikel 3.1.6 Bro lid 2 vastgelegd en luidt als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en het bewerkstelligen van een goede ruimtelijke ordening, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling.

Indien de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. Wat onder ‘stedelijke ontwikkeling’ en ‘bestaand stedelijk gebied’ wordt verstaan is in het Bro opgenomen en is verder uitgekristalliseerd in jurisprudentie. Een stedelijke ontwikkeling is volgens het Bro ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Onder ‘bestaand stedelijk gebied’ verstaat het Bro een ‘bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’.

1.2

Het plan Binnen het plangebied, gesitueerd te midden van de woonwijk Baarn Noord, bevinden zich in de huidige situatie 24 sociale huurwoningen. De rijwoningen voldoen niet meer aan de hedendaagse kwaliteits- en duurzaamheidsstandaarden. Het voornemen bestaat om de verouderde bestaande bebouwing binnen het plangebied te slopen en hiervoor in de plaats 39 nieuwe woningen te bouwen, in de vorm van zes eengezinswoningen, 19 appartementen, acht tinyhouses en zes rug-aan-rugwoningen. Dit betekent een toename van 15 woningen ten opzichte van de huidige situatie.

3

Het parkeren wordt grotendeels buiten het plangebied opgelost, zodat ruimte ontstaat voor een groene invulling. Het openbaar groen krijgt een parkachtig karakter inclusief wandelpaden en een speelplek, waarin de bestaande eik een centrale plek inneemt. Zo ontstaat een divers en toekomstbestendig woningbouwplan dat aansprekend groen en ruim is opgezet. Door het gevarieerd woonprogramma, waarbij kansen bestaan om de woningen levensloopbestendig in te richten, wordt een brede doelgroep aangesproken met onderhavig plan. De navolgende afbeelding toont een impressie van de beoogde inrichting van het plangebied.

Impressie beoogde inrichting plangebied (bron: Weusten Liedenbaum Architecten)

Op basis van het geldende bestemmingsplan is het niet mogelijk om de beoogde woningbouw binnen het plangebied mogelijk te maken, aangezien de geprojecteerde bebouwing grotendeels buiten de bouwvlakken valt. Daarom wordt voor de ontwikkeling een nieuw bestemmingsplan opgesteld. In dat bestemmingsplan moet worden aangetoond dat de voorgenomen ontwikkeling in lijn is met een goede ruimtelijke ordening. Eén van de aspecten die onderdeel uitmaakt van een goede ruimtelijke ordening is een toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. Deze toets vindt in dit rapport plaats.

1.3

Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk volgt de toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. Binnen de toets zal allereerst ingegaan worden of en waarom sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Vervolgens wordt het markt- of verzorgingsgebied bepaald. Daarna volgt de toetsing of de ontwikkeling voorziet in een kwantitatieve en kwalitatieve behoefte en wordt gekeken of de ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied plaatsvindt. Hoofdstuk 3 bevat een eindconclusie als gevolg van de toets aan de Ladder.

4

2

Toets Ladder voor duurzame verstedelijking

2.1

Stedelijke ontwikkeling

2.1.1

Algemeen Allereerst moet de vraag worden beantwoord of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Wat onder een stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bro (Besluit ruimtelijke ordening) opgenomen. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling is volgens het besluit ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Andere stedelijke voorzieningen betreffen volgen de Nota van Toelichting (2017) “accommodaties voor onderwijs, zorg, cultuur, bestuur en indoor sport en leisure”.

2.1.2

Toetsing De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van maximaal 39 woningen binnen de bebouwde kom van Baarn. Relevant is of deze ontwikkeling is aan te merken als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het Bro. Bij de beantwoording van deze vraag moet volgens de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) in onderlinge samenhang worden beoordeeld in hoeverre het plan, in vergelijking met het voorgaande plan, voorziet in een functiewijziging en welk planologische beslag op de ruimte het voorliggende plan mogelijk maakt in vergelijking met het 1 voorgaande plan. Daarnaast blijkt uit jurisprudentie dat een woningbouwplan dat voorziet in de realisatie van maximaal 11 woningen binnen een dorpskern niet hoeft te worden aangemerkt als woningbouwlocatie of een andere stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Een woningbouwplan dat voorziet in de ontwikkeling van 12 woningen wordt daarentegen wel aange2 merkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling . Aangezien het beoogde woonprogramma binnen het plan bestaat uit de realisatie van 14 woningen meer ten opzichte van de huidige situatie wordt het plan gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling, meer specifiek: een woningbouwlocatie.

2.1.3

Conclusie Gelet op het voorgaande is het woonprogramma binnen voorliggende ontwikkeling aan te merken als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid van het Bro. Daarom is een toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen. Deze toets vindt in dit document plaats.

1

Zie hiervoor de uitspraak van de ABRvS d.d. 16 september 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2921).

2

Zie hiervoor de uitspraak van de ABRvS d.d. 25 maart 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:953). 5

2.2

Verzorgingsgebied

2.2.1

Algemeen Wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling dient de behoefte aan de ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt te worden beschreven. De behoefte dient te worden bepaald binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van de ontwikkeling. De aard en omvang van de ontwikkeling zijn leidend voor het schaalniveau waarop de ruimtebehoefte moet worden afgewogen. Het verzorgingsgebied moet van geval tot geval worden bekeken en kan sterk verschillen per functie.

2.2.2

Toetsing Inleiding De provincie Utrecht heeft in haar Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 2013-2028 (herijking 2016) een indicatief woningbouwprogramma opgenomen. De voortgang van dit woningbouwprogramma wordt jaarlijks gemonitord en om de vier jaar herijkt op basis van de dan bekende gegevens en inzichten. Dit kan indien nodig leiden tot aanpassing van het programma en de uitbreidingslocaties. Het programma is in samenspraak met de gemeenten tot stand gekomen. De provincie ambieert om twee derde van het programma binnenstedelijk op te lossen en splitst het totale programma uit in verschillende regio’s. Voor de gemeente Baarn geldt dat het samen met de gemeenten Amersfoort, Bunschoten, Eemnes, Leusden, Soest en Woudenberg de woningmarktregio Amersfoort vormt. Verhuisbewegingen gemeente Baarn De kwantitatieve en kwalitatieve vraag wordt mede bepaald door de omvang van het marktgebied. Het marktgebied verschilt per ontwikkeling en valt niet per se samen met de bestuurlijke regio. Een belangrijke indicator voor de omvang van de marktregio is het aantal verhuisbewegingen binnen en naar de betreffende gemeente. Uit gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) blijkt dat bijna de helft van alle gevestigde personen in de gemeente Baarn uit de gemeente zelf afkomstig is. Tabel: Totaal aantal verhuisbewegingen gemeente Baarn in 2018

Verhuisbewegingen Baarn

Aantal

Aandeel (%)

Binnen gemeente Baarn

1.110

46,7%

Vanuit andere gemeenten

1.101

46,3%

Vanuit het buitenland Totaal aantal verhuizingen

165 2.376

7,0% 100%

Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek.

6

Tabel: Verhuisbewegingen naar Baarn naar herkomst in 2018

Gemeente

Aantal

Aandeel (%)

Amsterdam

166

15,1%

Soest

142

12,9%

Utrecht

102

9,3%

Amersfoort

74

6,7%

Hilversum

65

5,9%

Eemnes

39

3,5%

Almere

34

3,1%

's-Gravenhage

25

2,3%

Zeist

20

1,8%

Gooise Meren

19

1,7%

415 1.101

37,7% 100 %

Elders Totaal

Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek.

Uit de bovenstaande tabel volgt dat de verhuisbewegingen richting Baarn diffuus zijn. Uit de tabel blijkt dat er voornamelijk verhuisbewegingen plaatsvinden vanuit gemeenten op een korte geografische afstand, alsmede gemeenten uit de randstad. Conclusie Gelet op het voorgaande kan worden gesteld dat het marktgebied zich primair richt op de gemeente Baarn met een uitloop richting de buurgemeenten. Ook de gemeenten Amsterdam, Utrecht en ’s-Gravenhage behoren tot het secundaire marktgebied. 2.2.3

Kwantitatieve behoefte Huishoudensontwikkeling De vraag naar woningen wordt in belangrijke mate bepaald door de demografische ontwikkelingen. Voor de kwantitatieve woningbehoefte geldt dat het sterk afhankelijk is van de ontwikkeling van het aantal huishoudens. Uit de provinciale woningmarktmonitor blijkt dat het aantal huishoudens in de gemeente Baarn van 11.160 in 2020 toeneemt naar 12.020 huishoudens in 2040. Ook voor de overige gemeenten in de regio geldt een positieve huishoudensontwikkeling in de periode 2020-2040. Dit betekent voor de regio Amersfoort in totaal dat er tot aan 2040 bijna 32.000 extra huishoudens woonachtig zullen zijn ten opzichte van het jaar 2020. De prognose voor de huishoudensontwikkeling in de regio Amersfoort is navolgend weergegeven.

7

Tabel: Prognose huishoudensontwikkeling in de regio Amersfoort naar gemeenten 2020-2040

Aantal huishoudens

2020

2040

Ontwikkeling 2020-2040

Amersfoort

69.110

86.320

17.210

Baarn

11.160

12.020

860

Barneveld

22.420

26.330

3.910

Bunschoten

8.380

10.290

1.910

Eemnes

3.940

4.270

330

Leusden

13.100

15.170

2.070

Nijkerk

17.620

19.190

1.570

Soest

20.690

22.750

2.060

Woudenberg Totaal

5.160 171.580

7.070 203.410

1.910 31.830

Bron: Primos 2020, uit: woningmarktmonitor provincie Utrecht.

Provinciale woningbouwcijfers De provincie Utrecht heeft in haar Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 2013-2028 (herijking 2016) (PRS) een indicatief woningbouwprogramma opgenomen voor de gehele provincie. De voortgang van dit woningbouwprogramma wordt jaarlijks gemonitord en om de vier jaar herijkt op basis van de dan bekende gegevens en inzichten. Dit kan indien nodig leiden tot aanpassing van het programma en de uitbreidingslocaties. Het programma is in samenspraak met de gemeenten tot stand gekomen. De provincie ambieert om twee derde van het programma binnenstedelijk op te lossen en splitst het totale programma uit in verschillende regio’s. Vervolgens worden de regionale programma’s weer uitgesplitst op gemeentelijk niveau. Navolgend worden de programma’s voor de provincie Utrecht en de regio Amersfoort gepresenteerd.

Programma Woningbouw 2013 t/m 2028 provincie Utrecht (in aantallen woningen) (Bron: Provincie Utrecht).

8

Programma Woningbouw regio Amersfoort 2013 t/m 2028 (in aantallen woningen) (Bron: Provincie Utrecht)

Uit het overzicht volgt dat kwantitatief is afgesproken dat de gemeente Baarn de komende jaren (tot en met 2028) 775 woningen kan realiseren in binnenstedelijk gebied. Provinciale woningmarktmonitor De Utrechtse woningmarktmonitor biedt inzicht in ontwikkelingen die voor de woningmarkt relevant zijn. De woningmarktmonitor biedt onder andere inzicht in de voortgang van de realisatie van het woningbouwprogramma dat is afgesproken in de PRS en het planaanbod. Uit het overzicht blijkt dat het harde planaanbod achterblijft op de woningbouwopgave (10.424 woningen tot en met 2028) waar de regio Amersfoort voor staat. Tot de harde plancapaciteit behoren de onherroepelijke of door gemeenteraden vastgestelde woningbouwplannen. In de regio Amersfoort behoren zo’n 5.218 woningen tot de harde plancapaciteit. Circa 13.745 woningen maken onderdeel uit van de zachte plancapaciteit. Voor deze plannen geldt dat nog geen juridisch-planologische procedure is doorlopen en het nog niet zeker is dat deze woningen ook daadwerkelijk gerealiseerd zullen worden.

Realisatie PRS-programma in relatie tot harde en zachte plancapaciteit regio Amersfoort (Bron: Provincie Utrecht, CBS 2020 en Planmonitor 2020).

Op gemeentelijk schaalniveau geldt eenzelfde beeld: de harde plancapaciteit van de gemeente Baarn is te beperkt om in het regionale woonprogramma te kunnen volstaan. Er blijkt dan nog ruimte om 236 extra woningen in woningbouwplannen op te nemen binnen de gemeente. Opgemerkt wordt dat ook op gemeentelijke schaal tot en

9

met 2028 sprake is van een relatief grote hoeveelheid woningen binnen de zachte plancapaciteit (776 woningen). Voorliggend plan maakt onderdeel uit van deze zachte plancapaciteit.

Realisatie PRS-programma in relatie tot harde en zachte plancapaciteit gemeente Amersfoort (Bron: Provincie Utrecht, CBS 2020 en Planmonitor 2020).

Opgemerkt moet worden dat de gepresenteerde weergave van de plancapaciteit de bekende plancapaciteit betreft van de provinciale woningmarktmonitor. Deze weergave kan verschillen van de huidige stand van zaken. Woondeal Regio Amersfoort Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft in een aantal stedelijke regio’s zogenaamde ‘woondeals’ gesloten. In deze woondeals is besproken hoe de gewenste versnelling van woningbouw kan worden bereikt. Hiervoor worden onder andere afspraken gemaakt over de aanpak van knelpunten op de woningmarkt. Ook voor de Regio Amersfoort is een woondeal gesloten. In de woondeal zijn beleidsvoornemens verenigt en afspraken gemaakt over de aanpak van de woonopgave in de regio. In de woondeal wordt onder andere geconstateerd dat er een behoefte bestaat om een versnelling in de woningbouwproductie tot stand te brengen, mede omdat de huidige plancapaciteit onvoldoende is om in de regionale woonbehoefte tot 2040 te kunnen voorzien. Hittekaart woningmarkt BPD brengt jaarlijks de hittekaart uit, die inzicht geeft in de druk op de woningmarkt. Navolgende afbeelding geeft dit weer voor 2020. Hieruit blijkt dat in de gemeente een zeer hoge woningvraag aanwezig is. Hiermee lijkt een bestaande behoefte aan de woningen binnen onderhavig plan bij voorbaat niet ter discussie te staan.

Uitsnede uit Hittekaart 2020 met aanduiding gemeente Baarn (bron: BPD)

10

Conclusie Gelet op de positieve huishoudensontwikkeling binnen de gemeente Baarn, de kwantitatieve woonopgave van de gemeente, de geringe harde plancapaciteit in Baarn en de hoge druk op de woningmarkt in de regio Amersfoort, wordt geconcludeerd dat het toevoegen van woningen past binnen de kwantitatieve woningbehoefte van het marktgebied. 2.2.4

Kwalitatieve behoefte Leeftijdsspecifieke huishoudensontwikkeling Naast de kwantitatieve behoefte, bepaalt ook de kwalitatieve behoefte de woningvraag. De kwalitatieve behoefte richt zich op doelgroepen, woningtypen, prijsklassen en dergelijke. Deze behoefte is sterk afhankelijk van de bevolkingsopbouw qua leeftijd. De ontwikkeling van de huishoudenssamenstelling ziet er als volgt uit:

Ontwikkeling huishoudenssamenstelling in Baarn naar leeftijd 2015-2019 (Bron: Provincie Utrecht, CBS 2019)

Baarn is een relatief vergrijsde gemeente. 23% van de bevolking is 65 jaar of ouder in 2020. In de provincie Utrecht is dit 16%, landelijk 18%. Volgens alle prognoses vergrijst de bevolking (verder) en ontgroent enigszins: het aantal ouderen (65+) neemt fors toe richting 2050, terwijl het aantal jongeren van 0 tot 20 jaar en het aantal volwassenen van 20 tot 65 praktisch gelijk blijven In de navolgende tabel is deze prognose weergegeven.

11

Totale bevolking Baarn

x 1.000

Ontwikkeling leefstijlen Naast ontwikkelingen in huishoudens uitgesplitst in leeftijdsgroepen zijn ook ontwikkelingen in de levensstijl van huishoudens van invloed op de kwalitatieve woonbehoefte. Navolgende tabel geeft een overzicht van deze ontwikkeling in de regio Amersfoort voor wat betreft de periode 2016-2040.

Uit de grafiek is af te leiden dat het aantal mobiele kleine huishoudens in de regio Amersfoort in de periode 2016-2040 toeneemt. Ook de ontwikkeling van mobiele gezinnen kent op de lange termijn een positieve ontwikkeling. Verder valt op dat met name de ouderengroepen een positieve ontwikkeling door zullen maken. Voor de gehechte kleine gezinnen en de gehechte gezinnen geldt de verwachting dat zij zich in aantal negatief zullen ontwikkelen.

12

Toekomstvisie en Structuurvisie Baarn in 2030 De gemeente kiest voor 'Hoogwaardig wonen' in Baarn. De kwaliteit van wonen en woonomgeving bepaalt de aantrekkingskracht van Baarn voor mensen die er wonen of willen wonen. Behoud van deze kwaliteiten is dan ook essentieel. De gemeente zal met ontwikkelende partijen afspraken maken en planologische en stedenbouwkundige randvoorwaarden vastleggen over onder andere de oriëntatie, de grootte en het uitrustingsniveau en de geschiktheid van woningen volgens de principes van Duurzame stedenbouw en Duurzaam bouwen. Verder gaat inbreiding boven uitbreiding, waarbij rekening gehouden dient te worden aangesloten bij het karakter van de omgeving. Voorliggend initiatief speelt nadrukkelijk in op het gestelde in de toekomstvisie. Ten eerste is sprake van een inbreidingslocatie, waarbij verouderde seniorenwoningen worden vervangen door nieuwbouwwoningen. Daarmee wordt een toekomstbestendige en meer duurzame invulling gegeven aan een woningbouwlocatie, passend bij de karakteristieken en kenmerken zoals die veelvuldig voorkomen rondom het plangebied. Daarnaast is sprake van een hoge duurzaamheidsambitie, met betrekking tot klimaat-adaptief bouwen, hittestressbestendigheid en biodiversiteit. Tevens wordt hoog ingezet op de beleving van het groen.

Ten slotte kent het plan een intensief voortraject, waarin verschillende actoren zijn betrokken om te komen tot een passende ontwikkeling. Dit alles maakt dat nadrukkelijk wordt beantwoord aan de gemeentelijke toekomst-/structuurvisie. Woonvisie Baarn De Visie Wonen 2019 is door de raad vastgesteld op 25 september 2019. Hierin staan 5 thema’s centraal: 1. Evenwicht in de bevolkingspiramide 2. Toegankelijk comfortabel wonen 3. Verduurzaming van woningen 4. Ruimte in sociale huur en tussen huur en koop 5. Kansen voor het verwezenlijken van alternatieve woonwensen De voorgenomen ontwikkeling draagt in kwalitatief opzicht nadrukkelijk bij aan de ambities zoals genoemd in de gemeentelijke woonvisie. Het beoogde woonprogramma omvat de meer betaalbare segmenten met als voornaamste doelgroepen de senioren, starters en overige kleine huishoudensgroepen. Daarmee wordt op segmentatieniveau beantwoord aan de prioritering van de gemeente. Daarnaast is specifiek aandacht voor het behoud van de kleinschalige structuur en de versterking van aanwezige groenkwaliteiten. Ten slotte bestaan ambities om bij te dragen aan klimaat adaptief bouwen.

Conclusie Gelet op de prognoses voor leeftijdsspecifieke huishoudensontwikkeling en de ontwikkeling van levensstijlen en het feit dat de ontwikkeling voorziet in de realisatie van verschillende typologieën woningen, passend binnen de kenmerken en karakteristieken zoals die bestaan rondom het plangebied kan gesteld worden dat de ontwikkeling past binnen de (demografische) ontwikkelingen in de regio Amersfoort, en meer specifiek in Baarn. Bovendien blijkt uit het gemeentelijk beleid dat er behoefte bestaat aan de meer betaalbare woningbouwtypologieën in een duurzame, groene omgeving.

13

Dit tezamen maakt dat gesteld kan worden dat voorliggende ontwikkeling past binnen de kwalitatieve woningbehoefte van het marktgebied. 2.2.5

Conclusie De ontwikkeling van de woningen voorziet in een actuele gemeentelijke en regionale behoefte.

2.3

Bestaand stedelijk gebied

2.3.1

Algemeen Nu is gebleken dat de ontwikkeling voorziet in een behoefte, moet worden aangetoond in hoeverre die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins. Het Bro definieert het bestaand stedelijk gebied als: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Naast de criteria uit de definitie moet de geldende bestemming ook betrokken worden bij het beoordelen of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied.

2.3.2

Toetsing Het plangebied maakt onderdeel uit van de bebouwde kom van Baarn. De gronden van het plangebied kennen reeds een woon-/groenbestemming en zijn reeds in gebruik als woningbouwlocatie. De omgeving van het plangebied is vrijwel volledig gevormd door woningen en andere (hoog)stedelijke functies. Dit tezamen maakt dat, gelet op de huidige ruimtelijke structuren en bebouwing rondom het plangebied en de ter plaatse geldende bestemmingen, wordt geconcludeerd dat het plangebied in het bestaand stedelijk gebied ligt.

2.3.3

Conclusie Geconcludeerd wordt dat voorliggende ontwikkeling wordt voorzien in bestaand stedelijk gebied. De geconstateerde kwantitatieve en kwalitatieve behoefte wordt dan ook gerealiseerd in bestaand stedelijk gebied.

14

3

Conclusie Op basis van het voorafgaande kan geconcludeerd worden dat de Ladder voor duurzame verstedelijking positief is doorlopen. De ontwikkeling voorziet in een behoefte en vindt binnen bestaand stedelijk gebied plaats. Daarmee wordt de ontwikkeling als haalbaar geacht voor wat de betreft de Ladder voor duurzame verstedelijking.

15

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Baarn, Troelstralaan

Gemeente Baarn

Datum: 5-11-2020 Projectnummer: 200285.02

INHOUD

1

Inleiding

3

1.1 1.2

Aanleiding De m.e.r. –beoordeling

3 3

2

Kenmerken van het project

6

2.1 2.2 2.4

Inleiding Beschrijving van het project Overige kenmerken van het project

6 6 7

3

Plaats van het project

9

3.1 3.2 3.3

Inleiding Het bestaande grondgebruik Het opnamevermogen van het natuurlijk milieu

9 9 10

4

Kenmerken van het potentiële effect

16

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5

Inleiding Natuur Verkeer Geluid Luchtkwaliteit

16 17 19 20 21

5

Conclusie

23

Gebruikte onderzoeken/bronnen

1

Inleiding

1.1

Aanleiding 2

Aan de Troelstralaan in Baarn bevindt zich een locatie van ruim 6.000 m die in de huidige situatie 24 sociale huurwoningen herbergt. De rijwoningen voldoen niet meer aan de hedendaagse kwaliteits- en duurzaamheidsstandaarden. Het voornemen bestaat om de huidige bebouwing te slopen en hiervoor in de plaats nieuwbouwwoningen te realiseren, passend bij de ruimtelijke en functionele kenmerken van de omgeving. Het beoogde programma bestaat in totaal uit 39 woningen, zowel in de koop- als huursector. Deze ontwikkeling is niet mogelijk binnen de kaders van het geldende bestemmingsplan ‘Baarn Noord’, aangezien de beoogde woningen grotendeels buiten de bouwvlakken vallen. Om de beoogde ontwikkeling alsnog mogelijk te maken moet er een nieuw bestemmingsplan worden opgesteld. In de toelichting van het bestemmingsplan moet de haalbaarheid van de ontwikkeling worden aangetoond en in dat kader vindt toetsing plaats aan van toepassing zijn de wetgeving. Uit toetsing van de ontwikkeling aan de m.e.r.-wetgeving, blijkt dat de beoogde ontwikkeling is aan te merken als een activiteit als bedoeld in categorie D.11.2 in de bijlage van het Besluit m.e.r., namelijk ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’.

Het onderhavige project blijft onder de bij deze activiteit genoemde drempelwaarden, die in paragraaf 1.2 nader worden besproken. Vanwege het feit dat onder de drempelwaarden wordt gebleven, is een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig. Ook dient op basis van het Besluit m.e.r. en de Wet milieubeheer een m.e.r.beoordelingsbesluit te worden genomen door het bevoegde gezag voorafgaand aan het in procedure brengen van het ontwerpbestemmingsplan. Het bevoegde gezag neemt de beslissing of, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die de activiteit mogelijk voor het milieu kan hebben, een m.e.r. moet worden doorlopen. In het kader van voorgaande is voorliggende vormvrije m.e.r. beoordeling opgesteld. Deze kan tevens worden gebruikt als aanmeldingsnotitie. Op basis van deze aanmeldingsnotitie kan het bevoegde gezag de gevolgen beoordelen van het project en de beslissing nemen of er een m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is in het kader van dit project.

1.2

De m.e.r. –beoordeling Het instrument milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (hierna: m.e.r.) is een hulpmiddel om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming. De wettelijke basis voor de m.e.r. is de Wet milieubeheer. In de uitvoeringswetgeving, het Besluit m.e.r., staat wanneer een m.e.r. of (vormvrije) m.e.r.-beoordeling aan de orde is. De activiteit die het project mogelijk maakt, de omvang ervan en het besluit over de activiteit zijn daarbij bepalend. In de onderdelen C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. staat of sprake is 3

van m.e.r.-plicht of (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsplicht. Per categorie van activiteiten is een drempelwaarde voor de omvang van de activiteit gegeven.

Schema m.e.r.-plicht vanwege Besluit m.e.r. (Bron: www.Infomil.nl)

Bovenstaande afbeelding laat zien dat wanneer een besluit over een activiteit die qua omvang boven de C-drempel blijft voor dat besluit een m.e.r.-plicht geldt. Tussen de C- en D-drempel geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Onder de D-drempel moet het bevoegd gezag via een vormvrije beoordeling nagaan of een formele m.e.r.beoordeling nodig is. In een m.e.r.-beoordeling bekijkt het bevoegd gezag of een project mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Als dat zo is, moet een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Ook in de vormvrije m.e.r.-beoordeling bekijkt het bevoegd gezag of een project mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Deze beoordeling is qua inhoud vormvrij. Als belangrijke nadelige gevolgen niet zijn uit te sluiten, dan moet de formele m.e.r.-beoordelingsprocedure worden doorlopen. Uiteraard kan ook direct voor een m.e.r. gekozen worden. Sedert een wetswijziging, waarmee een herziening van de Europese m.e.r.-richtlijn is geïmplementeerd, is ook de vormvrije m.e.r.-beoordeling aan regels gebonden. De toetsingscriteria lagen al vast, maar nu zijn er ook procedureregels. Voorafgaand aan de besluitvorming over het besluit, moet een aanmeldingsnotitie worden ingediend bij het bevoegd gezag. Op grond van de inhoud van deze notitie moet het bevoegd gezag binnen zes weken gemotiveerd oordelen of voor de activiteit een MER moet worden opgesteld.

Dit besluit hoeft niet openbaar te worden gemaakt. Wel zal in het ontwerp van het besluit aan deze m.e.r.-beoordelingsbeslissing moeten worden toegelicht. Voor plannen, die een kader vormen voor een activiteit waarvoor op grond van de bijlage bij het Besluit m.e.r. een m.e.r. moet worden doorlopen dan wel een formele m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd, moet een planMER worden opgesteld. Toetsing aan Besluit m.e.r. Onderhavig project (de realisatie van 39 woningen aan de Troelstralaan te Baarn) wordt als een activiteit genoemd in bijlage onderdeel D van het Besluit m.e.r. Categorie D.11.2 betreft namelijk ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. De

4

drempelwaarde is als volgt geformuleerd: “in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1°. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2°. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of 2 3°. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m of meer.” De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van maximaal 39 woningen, zowel in de koop- als huursector. Het totale plangebied betreft circa 0,9 hectare. Gezien het voorgaande blijft onderhavige activiteit onder de drempelwaarde en kan volstaan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Doel vormvrije m.e.r-beoordeling Het doel van een vormvrije m.e.r.-beoordeling is het geven van inzicht in de milieueffecten van de voorgenomen activiteit aan het bevoegd gezag. Er wordt in een vormvrije m.e.r.-beoordeling een antwoord gegeven op de vraag of er vanwege de uitvoering van de activiteiten belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn te verwachten. In voorliggend rapport wordt inzicht gegeven in de milieueffecten en daarmee vormt dit rapport de benodigde vormvrije m.e.r.-beoordeling. Het rapport is de aanmeldingsnotitie waarmee het college een m.e.r.-beoordelingsbeslissing wordt gevraagd over het bijbehorende bestemmingsplan. Criteria voor toetsing In het voorliggend rapport wordt op de milieueffecten van het voornoemde project ingegaan, waarbij, conform artikel 2, lid 5 van het Besluit m.e.r.

juncto de leden 1 tot en met 3 van artikel 7.16 van de Wet milieubeheer, ingezoomd wordt op de volgende onderdelen:  kenmerken van de activiteit;  plaats waar de activiteit wordt verricht;  kenmerken van de gevolgen van de activiteit. Aan de hand van de behandeling van deze criteria wordt onderzocht of voor de ontwikkelingen al dan geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten zijn.

1.3

Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk volgen drie hoofdstukken waarin nader wordt ingegaan op het onderhavige project en de eventuele milieugevolgen. Navolgend wordt ingegaan op de kenmerken van het project in hoofdstuk 2, in hoofdstuk 3 wordt de plaats van het project beschreven en de kenmerken van het potentiële effect komen in hoofdstuk 4 aan bod. Het rapport wordt afgesloten met een eindconclusie in hoofdstuk 5.

5

2 2.1

Kenmerken van het project Inleiding In dit hoofdstuk worden de kenmerken van het project besproken. De aard en de omvang van het project worden in beeld gebracht, Ook wordt gekeken naar overige aspecten: cumulatie, het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, de productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder en de risico op ongevallen.

2.2

Beschrijving van het project Aangezien de huidige woningen binnen het plangebied niet meer voldoen aan de huidige kwaliteits- en duurzaamheidseisen bestaat het voornemen om de bestaande bebouwing te slopen en hiervoor in de plaats 39 nieuwe woningen te bouwen, in de vorm van zes eengezinswoningen, 19 appartementen, acht tinyhouses en zes rug-aanrugwoningen. Dit betekent een toename van 15 woningen ten opzichte van de huidige situatie. Met het plan worden verouderde seniorenwoningen vervangen door een gevarieerd, toekomstbestendig woonprogramma, waarbij de reeds aanwezige groene kwaliteiten verder worden ontwikkeld en de ambitie bestaat om rekening te houden met klimaatadaptatie, hittestress en biodiversiteit. Het plan is - passend bij de ruimtelijke en functionele kenmerken van de omgeving - kleinschalig van aard, waarbij veel ruimte wordt gegeven aan een groene invulling van het plangebied. Het openbaar groen krijgt een parkachtig karakter inclusief wandelpaden en een speelplek, waarin de bestaande eik een centrale plek inneemt. Zo ontstaat een divers en toekomstbestendig woningbouwplan dat aansprekend groen en ruim is opgezet. Het voornemen bestaat om zo min mogelijk parkeerplaatsen te realiseren binnen het plangebied, maar deze te voorzien als langsparkeerplaatsen rondom de omliggende wegen. Ook wordt laanbeplanting toegevoegd aan alle zijden van het plangebied.

Dit tezamen resulteert in onderstaande stedenbouwkundige opzet.

Impressie beoogde inrichting plangebied (bron: Weusten Liedenbaum Architecten)

6

2.3

Omvang van het project De oppervlakte van het totale plangebied bedraagt circa 0,9 hectare. Het uitgangspunt van de ontwikkeling is voorzien in betaalbare woningbouw van maximaal 39 woningen (waarvan maximaal 20% koop). Het voorgenomen functionele programma ziet er als volgt uit:  Appartementen: circa de helft van het beoogde programma bestaat uit apparte2 menten. De appartementen kennen een oppervlakte van circa 50 m , zijn allemaal bereikbaar met een lift en zijn rolstoeltoegankelijk. Daarmee zijn de appartementen levensloopbestendig van karakter en zijn ze geschikt voor de seniorendoelgroep. Gelet op de grootte en de prijsklasse zullen ook starters en overige kleine huishoudensgroepen tot de doelgroep behoren. De appartementen zijn elk voorzien van een balkon c.q. terras. Het appartementencomplex is beoogd in vier lagen zonder kap;  Rug-aan-rugwoningen/tinyhouses: Deze compacte woonvormen zijn beoogd met twee slaapkamers en zijn met name gericht op de startersdoelgroep. Deze woningen zijn beoogd in één laag met kap en hebben elk een eigen berging. De tinyhouses zijn beoogd met voor- en achtertuinen. De rug-aan-rugwoningen enkel met voortuinen; 2  Eengezinswoningen: De woningen kennen een oppervlakte van circa 100 m en kunnen eventueel in de koopsector worden ingedeeld. De woningen zijn beoogd met drie slaapkamers en kennen twee lagen met kap.

Ook zijn de woningen voorzien van bergingen en een voor- en achtertuin.

2.4

Overige kenmerken van het project

2.4.1

Cumulatie met andere projecten Cumulatie met andere projecten is niet aan de orde. Er wordt dus geen cumulatie verwacht met andere ontwikkelingen in de directe nabijheid van het plangebied.

2.4.2

Gebruik van natuurlijke hulpbronnen Natuurlijke hulpbronnen zijn alle in de natuur aanwezige stoffen die van economisch nut kunnen zijn. Naast natuurlijke grondstoffen, die in productieprocessen gebruikt worden, maken hulpbronnen (economische) activiteiten mogelijk (deze worden daarbij niet verbruikt). De toetsing in deze paragraaf blijft beperkt tot het gebruik van natuurlijke hulpbronnen die binnen dan wel in de directe nabijheid van het projectgebied voorkomen. Tijdens de realisatie van de beoogde nieuwbouw wordt tijdelijk gebruik gemaakt van brandstof, elektriciteit, eventueel spoelwater en eventueel grond bij de graafwerkzaamheden. De precieze hoeveelheden en te gebruiken bouwstoffen zijn op dit moment nog niet inzichtelijk te maken. De nieuwe functies binnen het plan maken geen gebruik van natuurlijke hulpbronnen in de directe nabijheid van het plangebied.

7

In het geheel legt het project hiermee geen bijzonder beslag op natuurlijke hulpbronnen. 2.4.3

Productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder Tijdens de tijdelijke realisatie van de nieuwbouw wordt gewerkt met stikstof- en fijnstof-emitterende materieel (machines, etc.). Hiernaast zullen de aanlegwerkzaamheden in beperkte mate gepaard gaan met afvalstoffen (zoals overtollig bouwmaterialen) en hinder (bijv. geluid). Verder vindt geen productie plaats die leidt tot gevaarlijke of milieubelastende afvalstoffen. De beoogde ontwikkeling heeft een verkeersaantrekkende functie. Er is daarom sprake van mogelijke effecten op het gebied van geluid, lucht en verkeer (bijvoorbeeld hinder, doorstroming, veiligheid).

2.4.4

Risico van ongevallen Onderhavig project vormt in algemene zin geen bijzonder risico voor de omgeving. Het project brengt geen wezenlijke risico’s met zich mee.

8

3 3.1

Plaats van het project Inleiding In dit hoofdstuk wordt gekeken naar de omgeving waarin de activiteiten plaatsvinden, alsmede de eventuele kwetsbaarheid van dit gebied voor de voorgenomen activiteiten. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar het projectgebied zelf, maar ook naar de aangrenzende gebieden.

3.2

Het bestaande grondgebruik Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom, aan de noordzijde van de kern Baarn. Het noordelijk deel van Baarn bestaat uit negen deelgebieden, die elk hun eigen dynamiek, stedenbouwkundige opzet en een daarmee verbonden uitstraling kennen. Onderhavig plangebied maakt deel uit van het Staatsliedenkwartier. Het Staatsliedenkwartier wordt aan noord- en zuidzijde onder meer begrensd door gestapelde bebouwing uit de jaren '60 en kleinschalige bedrijfsbebouwing. Binnen het plangebied bevinden zich in de huidige situatie 24 verouderde sociale huurrijwoningen (seniorenwoningen). In totaal bestaat de bebouwing uit zeven rijen, waarvan drie rijen van vier woningen (diagonaal gericht aan de Troelstralaan) en vier rijen van drie woningen (haaks gericht op de Nolenslaan). De woningen kennen één laag met kap en kennen elk dezelfde verbijzonderingen. Zo zijn alle woningen voorzien van rode deuren en rood-witte kozijnen Ook de dakkappelen zijn van deze kleurschakering voorzien. De diagonaal georiënteerde woningen zijn verder voorzien van rode banken naast de voordeur en hagen tussen de woningen in. De haaks georiënteerde woningen aan de Nolenslaan kennen zowel een voor- als achtertuinzone. Naast de bebouwing wordt het plangebied in de huidige situatie gekarakteriseerd door groen. Daarmee onderscheidt het plangebied zich van de rest van het Staatsliedenkwartier.

De openbare ruimte rondom de woningen bestaat uit gazon met daardoorheen wandelpaden. Verder is de bebouwing aan de Nolenslaan ingepast door hagen en wordt de Troelstralaan begeleid door sierkersen. Ten slotte staan er aan de zuidzijde van het plangebied twee grote eikenbomen. Onderstaande afbeelding toont de huidige situatie gezien vanaf de Troelstralaan.

Impressie huidige situatie plangebied Troelstralaanzijde (bron: Google Maps)

9

3.3

Het opnamevermogen van het natuurlijk milieu

3.3.1

Inleiding Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu heeft te maken met de gevoeligheid van gebieden voor ontwikkelingen. In het kader van deze vormvrije m.e.r.-beoordeling is een analyse gedaan naar het voorkomen van en het mogelijke effect van de ontwikkeling op zogenaamde gevoelige gebieden, zoals gedefinieerd in bijlage III van de EU-Richtlijn. Echter, behalve gebieden die op grond van de richtlijn als gevoelig worden beschouwd, zijn er ook gebieden waar krachtens nationale en provinciale regels in het kader van deze vormvrije m.e.r.-beoordeling rekening mee dient te worden gehouden. Het resultaat van de analyse wordt hierna beknopt gepresenteerd. Wanneer er een grote relevantie is voor de in deze vormvrije m.e.r.-beoordeling centraal staande ingrepen, wordt er een toelichting gegeven.

3.3.2

Overzicht gevoelige gebieden bijlage III EU-Richtlijn In de navolgende tabel is de toetsing opgenomen aan alle typen gebieden zoals genoemd in bijlage III van de Richtlijn. Type gebied

Juridisch kader

Relevantie voor de activiteit

Wetlands

Conventie van Ramsar

In of in de directe nabijheid van het projectgebied zijn geen aangewezen Wetlands aanwezig.

Kustgebieden

Het projectgebied is niet gelegen in een kustgebied.

Berggebieden en bosgebieden

Wet natuurbescherming

Het projectgebied is niet gelegen in een berggebied. Wel kent de locatie een groen karakter (zie verder onder 1).

3.3.2.1

Reservaten en natuurparken:

Nationale Landschappen zijn

Het projectgebied ligt niet in een

Nationale Landschappen

benoemd in de Nota Ruimte

Nationaal Landschap.

Nationale parken

Nationale Parken zijn onderdeel

Het plangebied ligt niet in een

van de EHS.

Nationaal Park.

Wet natuurbescherming

In de omgeving van het project-

Speciale beschermingszones, door de lidstaten aangewezen

gebied liggen Natura 2000-

krachtens Richtlijn 79/409/EEG

gebieden (zie verder onder 2).

(Vogelrichtlijn) en Richtlijn 92/43/EEG (Habitatrichtlijn) Gebieden waarin de bij com-

Europese milieurichtlijnen (o.a.

Het projectgebied ligt niet in ge-

munautaire wetgeving vastge-

kaderrichtlijn Luchtkwaliteit, ka-

bieden waar basis van commu-

stelde normen inzake milieu-

derrichtlijn water)

nautaire wetgeving reeds nor-

kwaliteit reeds worden

men worden overschreden.

overschreden Gebieden met hoge bevol-

Het projectgebied is niet gele-

kingsdichtheid

gen in een gebied met hoge bevolkingsdichtheid.

Landschappen van

Verdrag van Valletta

In het kader van het op te stel-

Monumentenwet

len bestemmingsplan is de Cul-

historisch belang

10

Type gebied

Juridisch kader

Relevantie voor de activiteit

Gemeentelijk landschaps-

tuurhistorische Atlas van de

ontwikkelingsplan

provincie Utrecht (CHS) ge-

cultureel belang o

beschermd stads- en dorpsgezicht

raadpleegd (zie verder onder 3).

archeologisch belang

In het kader van het geldende In of rondom het plangebied zijn geen rijks- of gemeentelijke monumenten aanwezig.

1. Bosgebied Het is verboden houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, zonder voorafgaande melding bij de provincie. Een houtopstand is hierbij gedefinieerd als een eenheid van bomen of struiken met een oppervlakte van ten minste 1.000 vierkante meter of een rijbeplanting die meer dan 20 bomen omvat. De Wet natuurbescherming schrijft verder voor dat wanneer een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, de grond binnen drie jaar moet worden herbeplant. Bovenstaande bescherming geldt niet voor alle houtopstanden. De regels zijn onder meer niet van toepassing op houtopstanden op erven of in tuinen en op houtopstanden binnen de, bij besluit van de gemeenteraad, vastgelegde grenzen van de bebouwde kom. Ook voor het dunnen van een houtopstand gelden de regels niet. Bij de beoogde ruimtelijke ontwikkeling wordt geen houtopstand geveld waarop het beschermingsregime van de Wet natuurbescherming van toepassing is, want de bomen en struiken die worden geveld zijn onderdeel van een eenheid bomen en struiken waarvan de oppervlakte niet groter is dan duizend vierkante meter en/of zijn onderdeel van een rijbeplanting die korter is dan 20 bomen. Wel is voor het planvoornemen 1 is bomeneffectrapportage opgesteld aangezien er (karakteristieke) bomen aanwezig zijn binnen en rondom het plangebied. In totaal zijn de effecten op 32 bomen inzichtelijk gemaakt.

Uit de navolgende tabel blijkt dat er 2 bomen zijn die duurzaam behouden kunnen blijven.

Conclusies bomen effect rapportage (bron: Vermeulen Boomadvies)

1

Vermeulen Boomadvies (2020). Bomen Effect Rapportage. Troelstralaan Baarn. Referentie: 2020128. Oktober 2020. 11

Daarnaast zijn aanbevelingen gedaan om nog enkele andere bomen te kunnen behouden en beschermen gedurende de sloop- en bouwwerkzaamheden. Dit door toepassing van bouwhekken, dan wel afzettingen, of door verschuivingen in het ontwerp. Verwacht mag worden dat voornoemde conclusies en aanbevelingen vroegtijdig worden meegewogen in het ontwerp. Gezien voorgaande zijn significante negatieve milieueffecten uitgesloten. Het aspect bosgebied wordt daarom ook niet nader beschreven in hoofdstuk 4. 2.Natura 2000-gebied Natura 2000 is het netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie, die worden beschermd op grond van de Vogelrichtlijn (1979) en de Habitatrichtlijn (1992). Deze richtlijnen geven aan welke typen natuur en welke soorten beschermd moeten worden. De lidstaten wijzen daarvoor speciale beschermingszones aan en moeten instandhoudingsmaatregelen nemen om deze gebieden te beschermen. Het plangebied ligt niet in een gebied dat in het kader van de Wet natuurbescherming is aangewezen (zie navolgende afbeelding). Wel liggen Natura 2000-gebieden “Eemmeer en Gooimeer Zuidoever” en “Arkemheen” in de omgeving van het plangebied. Deze liggen respectievelijk 6,3 en 7,3 kilometer van het plangebied verwijderd. Ten westen ligt op grotere afstand het Natura 2000-gebied “Oostelijke Vechtplassen”.

Globale ligging van het plangebied (rood omkaderd) ten opzichte van Natura 2000-gebieden. Bron: PDOK. Bewerking: SAB.

Met het plan wordt een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk gemaakt. Het is uitgesloten dat bijvoorbeeld licht of geluid afkomstig van de ontwikkeling op deze grote afstand het Natura 2000-gebied kan verstoren. Wel is met de ontwikkeling een toename van stikstofemissie te verwachten. Voor de Natura 2000-gebieden “Eemmeer en Gooi-

12

meer Zuidoever” en “Arkemheen” geldt dat geen sprake is van stikstofgevoelige habitattypen. In de “Oostelijke Vechtplassen’ is hiervan wel sprake. Dit aspect wordt daarom in hoofdstuk 4 nader onderzocht. 3. Archeologische waarden Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld, die in 2022 in werking zal treden. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. De Cultuurhistorische Atlas van de provincie Utrecht (CHS) geeft een overzicht van de cultuurhistorische kenmerken en waarden in de provincie Utrecht. De atlas bestaat onder andere uit een archeologische verwachtingskaart.

Uit de navolgende uitsnede volgt dat geen archeologische verwachtingswaarde geldt ter plaatse van onderhavig plangebied. In het geldende bestemmingsplan is dan ook geen archeologische dubbelbestemming opgenomen. Archeologische waarden zijn niet in het geding met de voorgenomen ontwikkeling.

Uitsnede Cultuurhistorische Atlas Utrecht, met daarop het plangebied globaal blauw omlijnd (bron: provincie Utrecht)

Gezien voorgaande is voor wat betreft archeologie geen sprake van een negatief milieueffect. Dit aspect wordt in hoofdstuk 4 daarom ook niet nader onderzocht.

13

3.3.3

Toetsing overige gevoelige gebieden Naast de gebiedstypen die specifiek zijn genoemd in bijlage III van de Richtlijn, is getoetst aan de gevoelige gebieden op grond van overig nationale of provinciale wetgeving of beleid. Type gebied

Juridisch kader

Relevantie voor de activiteit

Natuurnetwerk Nederland (voor-

Provinciale verordening

Het projectgebied maakt geen

heen: Ecologische Hoofdstruc-

deel uit van het Natuurnetwerk

tuur)

Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), maar er ligt wel een Natuurwerk in de buurt (zie onder 4).

Gebied geschikt voor be-

Wet natuurbescherming

schermde soorten

Het projectgebied is mogelijk geschikt voor beschermde soorten (zie verder onder 5).

Weidevogelgebied en ganzen-

Provinciale verordening

foerageergebied

Het projectgebied ligt niet in een beschermingsgebied voor weidevogels en ligt ook niet in de nabijheid van een dergelijk gebied.

Stiltegebied

Bodembeschermingsgebied

Wet milieubeheer

Het projectgebied is niet gelegen

Provinciale verordening

in een stiltegebied.

Provinciale verordening

Het projectgebied is niet gelegen in een bodembeschermingsgebied.

Grondwaterbeschermingsgebied

Provinciale verordening

Het projectgebied is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied.

4. NNN (voormalige EHS) Het Nationaal Natuurnetwerk (NNN), de opvolger van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), is een Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk. Het plangebied ligt niet binnen Natuurnetwerk Nederland (zie navolgende afbeelding). Het dichtstbijzijnde gedeelte van het natuurnetwerk bevindt zich op ongeveer 1,2 kilometer ten oosten van het plangebied. De dichtstbijzijnde Groene Contour bevindt zich op ongeveer 1,4 kilometer ten oosten van het plangebied. Het dichtstbijzijnde weidevogelleefgebied bevindt zich op circa1,5 kilometer afstand.

14

Globale ligging van het plangebied (rood omkaderd)ten opzichte van Natuurnetwerk Nederland (donker groen) en Groene Contour (lichtgroen). Bron: Provincie Utrecht. Bewerking: SAB.

De bescherming van het NNN kent in de provincie Utrecht niet het begrip externe werking. Aangezien het plangebied niet in de NNN of Groene Contour ligt, leidt de voorgenomen ingreep niet tot vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van de aanwezige natuur. De voorgenomen ingreep zal geen effect op de wezenlijke waarden en kenmerken van het Nederlandse Natuurnetwerk hebben. De bescherming van het Nederlandse Natuurnetwerk staat de uitvoering van het plan niet in de weg. Gezien voorgaande zal geen sprake zijn van negatieve milieueffecten. Dit aspect wordt in hoofdstuk 4 daarom ook niet nader onderzocht 5. Beschermde soorten Gelet op het karakter van het plangebied en haar omgeving kunnen mogelijk beschermde dier- of plantensoorten aanwezig zijn, dit aspect wordt daarom in hoofdstuk 4 nader onderzocht.

15

4 4.1

Kenmerken van het potentiële effect Inleiding In dit hoofdstuk wordt een beeld geschetst van de potentiële effecten van de activiteiten. In dit hoofdstuk gaat het om de interactie tussen beide voorgaande hoofdstukken. Hetgeen beschreven is over de kenmerken van het project en de plaats van het project zijn bepalend voor de milieuaspecten die in dit hoofdstuk nader aan de orde worden gesteld. Voor alle thema’s geldt dat conform de Europese richtlijn gelet wordt op de duur, frequentie en onomkeerbaarheid van het effect. Tevens wordt aandacht besteed aan de mogelijke cumulatieve effecten op de diverse aspecten als gevolg van de komst van de woningen. Hoofdstuk 2 laat zien dat het project de realisatie van maximaal 39 woningen aan de Troelstralaan te Baarn betreft. Dit is een herontwikkeling die zorgt voor de aantrekking van verkeer. Hoofdstuk 3 laat zien dat de omgeving van het projectgebied een beperkt aantal kwetsbaarheden kent. In de wijdere omgeving van het projectgebied bevinden zich Natura 2000-gebieden. Daarnaast kunnen beschermde dier- of plantensoorten in het projectgebied aanwezig zijn. Nader te beoordelen aspecten Op basis van de voorgaande twee hoofdstukken worden de volgende milieuaspecten in dit hoofdstuk nader behandeld:  natuur: Het project kan wat betreft soortenbescherming leiden tot negatieve milieueffecten op beschermde flora en fauna.

Ook zijn er vanuit de gebiedsbescherming mogelijk negatieve milieueffecten als gevolg van stikstofdepositie.  verkeer: De nieuwe woonontwikkeling zal leiden tot een toename van het (gemotoriseerde) verkeer. Er zal nader worden beoordeeld of sprake is van negatieve (milieu-)effecten op het gebied van doorstroming en veiligheid.  geluidshinder: Het project heeft een verkeersaantrekkende werking en leidt dus mogelijk ook tot een toename van geluidshinder (door verkeer) op de omgeving.  luchtkwaliteit: De toename van het verkeer kan leiden tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. Aspecten waarbij op voorhand geen effecten zijn te verwachten Van de overige milieuaspecten wordt op basis van de beoordeling van de kenmerken het concrete project en de bestaande situatie zoals omschreven in de voorgaande hoofdstukken op voorhand verwacht dat deze niet leiden tot betekenisvolle milieueffecten. Om alle aspecten nog kort langs te lopen:  externe veiligheid: De functies in onderhavig project leiden niet tot externe veiligheidseffecten.  cultuurhistorie: De functies in onderhavig project leiden niet tot negatieve effecten van cultuurhistorische waarden.  archeologie: De functies in onderhavig project leiden niet tot negatieve effecten van archeologische waarden.

16

 bodem: Onderhavig project bevat geen onderdelen die mogelijk bedreigend zijn voor de bodem.  geurhinder: De functies in onderhavig project leiden niet tot geurhinder.  water: Er is met het project niet tot nauwelijks sprake van een toename van de bebouwing c.q. verharding ten opzichte van de huidige situatie. Negatieve gevolgen voor de waterhuishouding zijn op voorhand niet te verwachten. De voorgaande aspecten worden daarom in deze vormvrije m.e.r.-beoordeling niet nader besproken. Opzet van de beoordeling De inhoud van de vormvrije m.e.r.-beoordeling is met name gebaseerd op algemeen beschikbare informatie, aangevuld met onderzoeken die zijn uitgevoerd ten behoeve van het bestemmingsplan.

4.2

Natuur

4.2.1

Huidige situatie De directe omgeving van het plangebied kenmerkt zich voornamelijk door de aanwezigheid van woonhuizen. Ten noorden, oosten en zuiden van het plangebied zijn rijtjeswoningen aanwezig. Ten westen van het plangebied bevindt zich een zorginstelling met een grasveld en enkele bomen Op 13 mei 2020 is door een ecoloog van SAB een veldbezoek uitgevoerd. Het plangebied bestaat uit een perceel met 24 woningen, verdeeld in 7 losstaande rijopstellingen. De overige gronden zijn grotendeels bedekt met gras en hier en daar bevindt zich een perkje met uitheemse plantensoorten. In het plangebied staan ook enkele bomen, waarbij de eik in het zuiden van het perceel vooral opvallend is. Navolgende afbeeldingen geven een impressie van het plangebied ten tijde van het veldbezoek.

Foto van de noordzijde van het plangebied.

Foto van de binnenplaats met de grote eikenboom.

17

Foto van de zuidzijde van het plangebied.

Foto van de huizen met het grasveld en enig struweel.

4.2.2

Effecten ontwikkeling 2

SAB heeft met een quick scan natuur onderzocht of er beschermde natuurwaarden, volgens de nu geldende natuurwet- en regelgeving, aan- of afwezig zijn in het plangebied. Naast beschermde natuurwaarden in het plangebied is ook nagegaan of de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, mogelijk negatieve effecten kan hebben 3 op beschermde natuur buiten het plangebied. Hiervoor is een stikstofonderzoek uitgevoerd. Navolgend worden kort de conclusies van de quick scan en het stikstofonderzoek uiteengezet. Gebiedsbescherming Het plangebied is op circa 10,8 kilometer gelegen van het Natura 2000-gebieden “Oostelijke Vechtplassen”. Dit betreft het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied van het plangebied waarin stikstofgevoelige habitattypen zijn gesitueerd. In het kader van de Wet Natuurbescherming is de stikstofuitstoot door de beoogde ontwikkeling inzichtelijk gemaakt. Uit de uitgevoerde berekeningen voor zowel de aanleg- als gebruiksfase blijkt dat de huidige grenswaarde van 0,00 mol stikstof/ha/j niet worden overschreden. Geconcludeerd wordt dat significant negatieve effecten derhalve kunnen worden uitgesloten. Soortenbescherming In en rondom het plangebied kunnen in het wild levende planten en dieren aanwezig zijn. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving.

In en nabij het plangebied kunnen ook soorten voorkomen die zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming, maar waarvoor een provinciale vrijstelling van de verboden geldt, voor werkzaamheden die men uitvoert in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Door de provinciale vrijstelling staat de aanwezigheid van deze soorten de geplande ontwikkeling niet in de weg. Daarnaast zijn mogelijk nog enkele

2

SAB (2020). Quick scan natuur. Baarn, Troelstralaan. Projectnummer: 200285. 26 mei 2020.

3

SAB (2020). Stikstofonderzoek. Baarn, Troelstralaan. Projectnummer: 200285.02. 2 november 2020. 18

essentiële elementen aanwezig, voor soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt. Zo blijkt uit de quick scan dat in en rondom het plangebied vogels kunnen broeden. Om overtreding van de wet te voorkomen wordt geadviseerd om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten. Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield. Mogelijk zijn ook nestplaatsen aanwezig van huismus en gierzwaluw. Nestplaatsen van deze soorten zijn jaarrond beschermd. Om hierover duidelijkheid te krijgen dient nader soortgericht onderzoek uitgevoerd te worden. Indien nestplaatsen of essentieel leefgebied van deze soorten aanwezig blijkt, dan moeten voor de werkzaamheden mitigerende maatregelen worden getroffen. Ook is voor de werkzaamheden dan waarschijnlijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk Verder zijn mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig. Om uitsluitsel te krij4 gen over de aan- of afwezigheid van deze soorten is nader soortgericht onderzoek uitgevoerd. Hieruit volgt dat essentieel leefgebied voor de huismussen aanwezig is. Verder is een zomer- en paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis en een zomerverblijfplaats van de laatvlieger aanwezig. Ook is er essentieel foerageergebied voor vleermuizen in het plangebied aanwezig.

Met de geplande werkzaamheden gaan de verblijfplaatsen en het essentieel leefgebied waarschijnlijk verloren. Ook is kans aanwezig op het verwonden of doden van vleermuizen bij de werkzaamheden. In dat geval is sprake van overtreding van de Wet natuurbescherming. Om de werkzaamheden toch door te laten gaan is een ontheffing Wet natuurbescherming nodig in combinatie met het treffen van mitigerende maatregelen. Daarnaast dient te allen tijde rekening gehouden te worden met broedende vogels en de zorgplicht. Andere essentiële elementen, zoals essentieel leefgebied of verblijfplaatsen, van andere beschermde soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt, zijn niet aanwezig. De bescherming van deze categorie soorten staat de ontwikkeling niet in de weg. Conclusie Gezien voorgaande, en ervan uitgaande dat voornoemde werkwijzen worden uitgevoerd, is voor wat betreft natuur op zijn hoogst sprake van een beperkt negatief milieueffect. Dit geldt enkel voor het aspect soortenbescherming. In ieder geval kan een belangrijk nadelig gevolg voor het milieu worden uitgesloten.

4.3

Verkeer

4.3.1

Huidige situatie In de huidige situatie geldt reeds een verkeersaantrekkende werking ten gevolge van de 24 gesitueerde sociale huurwoningen.

4

SAB (2020). Nader onderzoek Wet natuurbescherming. Baarn, Troelstralaan. Projectnummer: 200285.01. 26 oktober 2020. 19

4.3.2

Effecten ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van maximaal 39 woningen en een toename van het planverkeer. De ontwikkeling van onderhavig project heeft gevolgen voor het verkeer en de wegen in de omgeving van het projectgebied. Aan de hand van CROW-publicatie 381, d.d. december 2018, is de verkeersgeneratie bepaald. Op basis van de omgevingsadressendichtheid (CBS, 2019) wordt de stedelijkheidsgraad van een gemeente vastgesteld. De gemeente Baarn wordt geclassificeerd als ‘sterk stedelijk’. Onderhavige locatie wordt beschouwd als ‘rest bebouwde kom.’ Onderstaande tabel geeft de verkeersgeneratie weer van de beoogde nieuwbouw. Dit betreft geen verschilberekening met de huidige situatie, zo wordt de worstcase situatie berekend. kenmerk Koop huis tussen/hoek Huur appartement midden/goedkoop Huur, tiny houses Huur, rug aan rug woningen totaal afgerond

aantal 6 19 8 6 39

kencijfer 7,1 1,3 0,65 0,65

per woning woning woning woning

verkeersgeneratie gemiddeld 42,6 24,7 5,2 3,9 80

In het kader van het op te stellen bestemmingsplan is een akoestisch onderzoek weg5 verkeerslawaai verricht door SAB. Op de direct omliggende 30 km/uur wegen geldt een etmaalintensiteit van ten minste 255 motorvoertuigen per etmaal. De verkeersgeneratie van 80 motorvoertuigen per etmaal van onderhavig plan kunnen zonder negatieve gevolgen worden opgenomen in het heersende verkeersbeeld. De capaciteit van de omliggende infrastructuur is voldoende. Zeker gezien niet uitgegaan is van een effectieve verkeerstoename, maar een worst-case situatie. Gezien voorgaande worden voor wat betreft verkeer geen negatieve (milieu)effecten verwacht op het gebied van doorstroming en veiligheid.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10563047/1