CConstaterende datBaarn
Koppel je AI →
Document · PDF

279913 Bestemmingsplan Troelstralaan bijlage 1 Toelichting

Debat in de Raad 13 oktober 2021, gemeente BaarnBij agendapunt: Bestemmingsplan Troelstralaan11.514 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bestemmingsplan | Toelichting

Baarn, Troelstralaan

Gemeente Baarn

Datum: 16 april 2021 Projectnummer: 200285.02 ID: NL.IMRO.0308.BP0094-ON01

INHOUD TOELICHTING

1

Inleiding

3

1.1 1.2 1.3 1.4

Aanleiding Ligging en begrenzing plangebied Vigerend bestemmingsplan Leeswijzer

3 3 4 5

2

Planbeschrijving

6

2.1 2.2

Huidige situatie Toekomstige situatie

6 7

3

Beleid en regelgeving

9

3.1 3.2 3.3 3.4

Rijksbeleid Provinciaal beleid Regionaal beleid Gemeentelijk beleid

9 10 12 13

4

Milieu- en omgevingsaspecten

16

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11

Milieueffectrapportage Bodem Geluid Luchtkwaliteit Bedrijven en milieuzonering Externe veiligheid Water Natuur Archeologie Cultuurhistorie Verkeer en parkeren

16 17 17 18 19 21 23 26 30 31 31

5

Wijze van bestemmen

33

5.1 5.2

Algemeen Dit bestemmingsplan

33 34

6

Uitvoerbaarheid

37

6.1 6.2

Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid

37 37

Bijlagen           

Bijlage 1: toets aan de ladder voor duurzame verstedelijking Bijlage 2: vormvrije m.e.r.-beoordeling Bijlage 3: verkennend bodemonderzoek Bijlage 4: akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 5: akoestisch onderzoek industrielawaai Bijlage 6: quick scan externe veiligheid Bijlage 7: digitale watertoets Bijlage 8: quick scan natuur Bijlage 9: stikstofonderzoek Bijlage 10: nader soortenonderzoek Bijlage 11: bomen effect rapportage

1

Inleiding

1.1

Aanleiding 2

Aan de Troelstralaan in Baarn bevindt zich een locatie van ruim 6.000 m die in de huidige situatie 24 sociale huurwoningen herbergt. De rijwoningen voldoen niet meer aan de hedendaagse kwaliteits- en duurzaamheidsstandaarden. Het voornemen bestaat om de huidige bebouwing te slopen en hiervoor in de plaats nieuwbouwwoningen te realiseren, passend bij de ruimtelijke en functionele kenmerken van de omgeving. Het beoogde programma bestaat in totaal uit 39 woningen in de sociale huursector Deze ontwikkeling is niet mogelijk binnen de kaders van het geldende bestemmingsplan ‘Baarn Noord’, aangezien de beoogde woningen grotendeels buiten de bouwvlakken vallen. Om de beoogde ontwikkeling alsnog mogelijk te maken moet er een nieuw bestemmingsplan worden opgesteld. Voorliggend document voorziet hierin.

1.2

Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied bevindt zich aan de Troelstralaan binnen de bebouwde kom van de 2 Baarn. Het perceel heeft een oppervlakte van circa 6.000 m en grenst aan de noord-, oost- en zuidzijde aan woningbouw. Ten westen zijn maatschappelijke voorzieningen gesitueerd. Op de navolgende afbeeldingen zijn de globale ligging in Baarn en de globale begrenzing van het plangebied weergegeven. Voor de exacte begrenzing wordt verwezen naar de verbeelding, behorende bij dit bestemmingsplan.

Globale ligging plangebied (rode cirkel) in relatie tot de kern Baarn (bron: pdok.nl)

3

Globale begrenzing plangebied (rood kader) bron: pdok.nl

1.3

Vigerend bestemmingsplan Het plangebied maakt deel uit van het bestemmingsplan ‘Baarn Noord’, zoals vastgesteld door de gemeenteraad van Baarn op 25 september 2013. Het plangebied heeft daarbinnen de enkelbestemmingen ‘Groen’, ‘Tuin’, ‘Verkeer’ en ‘Wonen’. Binnen de laatstgenoemde bestemming gelden bouwvlakken met een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 3 en 7 meter.

Verbeelding van het vigerend bestemmingsplan , met daarop het plangebied globaal rood omlijnd (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

4

Groen De voor ‘Groen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen, paden, speelvoorzieningen, parkeerstroken, waterhuishoudkundige voorzieningen en daarbij behorende voorzieningen. Op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd ten dienste van de bestemming, met dien verstande dat de bouwhoogte niet meer dan 3,5 meter mag bedragen en het perceel niet 2 meer dan 10 m bedraagt. Tuin De voor ‘Tuin’ aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen woningen, met daarbij behorende andere bouwweken en paden. Op deze gronden mogen uitsluitend worden gebouwd bouwwerken, geen gebouwen zijnde (onder voorwaarden). Verkeer De voor ‘Verkeer’ aangewezen gronden zijn bestemd voor ontsluitingswegen en straten, waarbij gestreefd wordt naar een inrichting hoofdzakelijk gericht op de afwikkeling van het verkeer, met daarbij behorende groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, parkeervoorzieningen, carpoolplaatsen en andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Ter plaatse van deze bestemming mogen enkel worden gebouwd bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van de bestemming, anders dan rechtstreeks ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer, met dien verstande dat de bouwhoogte niet meer dan 9 m mag bedragen.

Wonen De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor het bestaande aantal woningen en aan huis verbonden beroepen (onder voorwaarden), met daarbij behorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tuinen en erven. Een hoofdgebouw mag enkel worden gerealiseerd binnen een bouwvlak en dient te voldoen aan de maximale goot- en bouwhoogte. De dakhelling mag niet meer bedragen dan 60 graden. Verder gelden afzonderlijke bouwregels voor aan- en uitbouwen, bijgebouwen, overkappingen en overige bouwwerken. Onder voorwaarden kan worden afgeweken van de bouwregels. De beoogde woningbouw is grotendeels geprojecteerd buiten de huidige woonbestemmingen. Daarmee past het initiatief niet binnen de gebruiks- en bouwregels van het geldende bestemmingsplan. Daarom is het opstellen van een nieuw bestemmingsplan noodzakelijk. Voorliggend document voorziet hierin.

1.4

Leeswijzer Dit bestemmingsplan is opgebouwd uit zes hoofdstukken. Na het inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de bestaande situatie en de toekomstige situatie. In hoofdstuk 3 wordt het beleidskader geschetst. Hoofdstuk 4 omvat de toetsing aan de planologische haalbaarheidsaspecten en milieuaspecten. De toelichting besluit met hoofdstukken over de opbouw van de planregels (hoofdstuk 5) en de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid (hoofdstuk 6).

5

2 2.1

Planbeschrijving Huidige situatie Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom, aan de noordzijde van de kern Baarn. Het noordelijk deel van Baarn bestaat uit negen deelgebieden, die elk hun eigen dynamiek, stedenbouwkundige opzet en een daarmee verbonden uitstraling kennen. Onderhavig plangebied maakt deel uit van het Staatsliedenkwartier. Het Staatsliedenkwartier wordt aan noord- en zuidzijde onder meer begrensd door gestapelde bebouwing uit de jaren '60 en kleinschalige bedrijfsbebouwing. Het Staatsliedenkwartier bestaat uit een rechthoekig stratenpatroon van voornamelijk aaneengebouwde woningen, veelal bestaande uit twee lagen met kap. Binnen het plangebied bevinden zich in de huidige situatie 24 verouderde sociale huurrijwoningen (seniorenwoningen). In totaal bestaat de bebouwing uit zeven rijen, waarvan drie rijen van vier woningen (diagonaal gericht aan de Troelstralaan) en vier rijen van drie woningen (haaks gericht op de Nolenslaan). De woningen kennen één laag met kap en kennen elk dezelfde verbijzonderingen. Zo zijn alle woningen voorzien van rode deuren en rood-witte kozijnen Ook de dakkappelen zijn van deze kleurschakering voorzien. De diagonaal georiënteerde woningen zijn verder voorzien van rode banken naast de voordeur en hagen tussen de woningen in. De haaks georiënteerde woningen aan de Nolenslaan kennen zowel een voor- als achtertuinzone.

Naast de bebouwing wordt het plangebied in de huidige situatie gekarakteriseerd door groen. Daarmee onderscheidt het plangebied zich van de rest van het Staatsliedenkwartier. De openbare ruimte rondom de woningen bestaat uit gazon met daardoorheen wandelpaden. Verder is de bebouwing aan de Nolenslaan ingepast door hagen en wordt de Troelstralaan begeleid door sierkersen. Ten slotte staan er aan de zuidzijde van het plangebied twee grote eikenbomen. Navolgende afbeeldingen tonen de huidige situatie gezien vanaf de Troelstralaan en de Nolenslaan.

Impressie huidige situatie plangebied Troelstralaanzijde (bron: Google Maps)

6

Impressie huidige situatie plangebied Nolenslaanzijde (bron: Google Maps)

2.2

Toekomstige situatie Aangezien de huidige woningen binnen het plangebied niet meer voldoen aan de huidige kwaliteits- en duurzaamheidseisen bestaat het voornemen om de bestaande bebouwing te slopen en hiervoor in de plaats 39 nieuwe woningen te bouwen, in de vorm van zes eengezinswoningen, 19 appartementen, acht kleine woningen en zes rugaan-rugwoningen. Dit betekent een toename van 15 woningen ten opzichte van de huidige situatie. Het uitgangspunt van de ontwikkeling is voorzien in betaalbare woningbouw (sociale huur). Het voorgenomen functionele programma ziet er als volgt uit:  Appartementen: circa de helft van het beoogde programma bestaat uit apparte2 menten. De appartementen kennen een oppervlakte van circa 50 m , zijn allemaal bereikbaar met een lift en zijn rolstoeltoegankelijk. Daarmee zijn de appartementen levensloopbestendig van karakter en zijn ze mede geschikt voor de seniorendoelgroep. Gelet op de grootte en de prijsklasse zullen ook starters en overige kleine huishoudensgroepen tot de doelgroep behoren. De appartementen zijn elk voorzien van een balkon c.q. terras. Het appartementencomplex is beoogd in vier lagen zonder kap;  Rug-aan-rugwoningen/kleine woningen: Deze compacte woonvormen zijn beoogd met twee slaapkamers en zijn met name gericht op de startersdoelgroep. Deze woningen zijn beoogd in één laag met kap en hebben elk een eigen berging.

De kleine woningen zijn beoogd met voor- en achtertuinen. De rug-aan-rugwoningen enkel met voor-/zijtuinen; 2  Eengezinswoningen: De woningen kennen een oppervlakte van circa 100 m . De woningen zijn beoogd met drie (slaap)kamers en kennen twee lagen met kap. Ook zijn de woningen voorzien van bergingen en een voor- en achtertuin.

7

Het voornemen bestaat om zo min mogelijk parkeerplaatsen te realiseren binnen het plangebied, maar deze te voorzien als langsparkeerplaatsen rondom de omliggende wegen. Ook wordt laanbeplanting toegevoegd aan alle zijden van het plangebied. Met het plan worden verouderde seniorenwoningen vervangen door een gevarieerd, toekomstbestendig woonprogramma, waarbij de reeds aanwezige groene kwaliteiten verder worden ontwikkeld en de ambitie bestaat om rekening te houden met klimaatadaptatie, hittestress en biodiversiteit. Het plan is - passend bij de ruimtelijke en functionele kenmerken van de omgeving - kleinschalig van aard, waarbij veel ruimte wordt gegeven aan een groene invulling van het plangebied. Het openbaar groen krijgt een parkachtig karakter inclusief wandelpaden en mogelijk een speelplek, waarin de bestaande eik een centrale plek inneemt. Zo ontstaat een divers en toekomstbestendig woningbouwplan dat aansprekend groen en ruim is opgezet. Dit tezamen resulteert in de navolgende stedenbouwkundige opzet.

Impressie beoogde inrichting plangebied (bron: Weusten Liedenbaum Architecten)

8

3

Beleid en regelgeving

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) bepaalt welke kaderstellende uitspraken van het kabinet bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Het gaat onder meer om nationale belangen als Rijksvaarwegen, Defensie, Ecologische Hoofdstructuur (thans NNN), Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen en Primaire waterkeringen. Slechts daar waar een directe doorwerking niet mogelijk is, bij de Ecologische Hoofdstructuur (thans NNN) en bij de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, is gekozen voor indirecte doorwerking via provinciaal medebewind. Ten aanzien van de begrenzing van de EHS (thans NNN) is bepaald dat niet het rijk, maar de provincies die grenzen (nader) bepalen. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte.

Toetsing Het voorgenomen plan raakt geen van de nationale belangen en is niet in strijd met het bepaalde in de SVIR en het Barro.

3.1.2

Ladder voor duurzame verstedelijking (Bro 3.1.6 tweede lid) Vanuit het rijk wordt een zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte bevorderd. Hiervoor is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd en als procesvereiste opgenomen in artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en het bewerkstelligen van een goede ruimtelijke ordening, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien.

9

Toetsing Wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bro opgenomen. Een stedelijke ontwikkeling is volgens het besluit ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. SAB heeft een toets aan de Ladder voor duurzame 1 verstedelijking opgesteld. In deze toets wordt geconcludeerd dat sprake is van een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het Bro. Tevens is aangetoond dat deze ontwikkeling voorziet in een kwantitatieve en kwalitatieve behoefte voor het verzorgingsgebied. Deze behoefte kan worden gerealiseerd binnen bestaand stedelijk gebied. Daarmee wordt geconcludeerd dat het plan de toetsing aan de Ladder positief heeft doorlopen. Conclusie Voorliggend plan is niet in strijd met het rijksbeleid.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 2013-2028 (herijking 2016) en Provinciale de Ruimtelijke Verordening (PRV) (herijking 2016)/2 partiële herziening Op 12 december 2016 is de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 2013-2028 (herijking 2016) (PRS) vastgesteld door de Provinciale Staten van Utrecht. De structuurvisie is opgesteld om te zorgen voor een blijvend aantrekkelijke provincie. Via haar ruimtelijk beleid draagt de provincie bij aan een kwalitatief hoogwaardige fysieke leefomgeving, waarin het ook in de toekomst plezierig wonen, werken en recreëren is. De PRS geeft de ruimtelijke ambities weer van de provincie Utrecht. Hierin staat welke doelstellingen de provincie van provinciaal belang acht, welk beleid bij deze doelstellingen hoort én hoe dit beleid uitgevoerd wordt. Deels loopt deze uitvoering via de Provinciale Ruimtelijke Verordening (herijking 2016) (PRV) die tegelijk met de PRS is opgesteld. De PRS is een structuurvisie onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Op grond van de Wro heeft de PRS alleen een zelfbindende werking. Het is bindend voor de provincie, niet voor andere partijen. De PRV zorgt voor doorwerking van het beleid en is bindend voor de gemeenten. In paragraaf 3.2.1 wordt nader ingegaan op de verordening. In de PRS is het ruimtelijk beleid voor de periode tot 2028 beschreven.

De provincie geeft aan welke doelstellingen van provinciaal belang worden geacht, welk beleid bij deze doelstellingen hoort en hoe uitvoering wordt gegeven aan dit beleid. De PRS richt zich op de volgende vier pijlers:  duurzame leefomgeving;  vitale dorpen en steden;  beschermen kwaliteiten;  dynamisch landelijk gebied.

1

SAB (2020). Toets Ladder voor duurzame verstedelijking. Baarn, Troelstralaan. Projectnummer: 200285.02. 23 oktober 2020. 10

Deze pijlers leiden tot twee belangrijke beleidsopgaven, namelijk het accent op de binnenstedelijke opgave en het behouden en versterken van de kwaliteiten van het landelijk gebied. Dit zijn opgaven die nodig zijn om Utrecht aantrekkelijk te houden als vestigingsplaats. De Provinciale Ruimtelijke Verordening 2013 Provincie Utrecht (herijking 2016) is op 12 december 2016 vastgesteld door Provinciale Staten van Utrecht. De PRV bevat algemene regels die gemeenten in acht moeten nemen bij het opstellen van hun ruimtelijke plannen. In de PRV staan geen regels die direct doorwerken naar de burgers. In de PRV zijn alleen de algemene regels opgenomen, die noodzakelijk zijn voor het waarborgen van de provinciale belangen zoals opgenomen in de structuurvisie. de

In december 2018 is de 2 partiële herziening van de PRV vastgesteld, waarin voor een drietal onderwerpen nieuw/gewijzigd beleid is vastgesteld. Het gaat om het Natuurnetwerk Nederland, geitenhouderijen en technische (beleidsneutrale) wijzigingen. Toetsing Raadpleging van de digitale kaarten van de provinciale structuurvisie en verordening wijst uit dat het plan verschillende provinciale belangen raakt. Navolgend worden de thema’s besproken. Stedelijk gebied Voor het plangebied zijn de regels ten aanzien van het stedelijk gebied van toepassing. De gronden binnen het stedelijk gebied zijn bestemd voor verdere verstedelijking: van verstedelijking is sprake als een ruimtelijk besluit ten opzichte van het vigerende planologische regime nieuwe mogelijkheden biedt voor vestiging of uitbreiding van stedelijke functies. Daarnaast schrijft de verordening voor dat beschreven moet worden hoe rekening is gehouden met energiebesparing en het toepassing van duurzame energiebronnen. Met voorliggend plan is sprake van een toename van het aantal wooneenheden ten opzichte van de huidige situatie. Het gaat om betaalbare woningbouw waarvoor binnen de provincie Utrecht veel vraag is. Daarnaast is er aandacht voor duurzaamheid binnen dit plan, aangezien verouderde bebouwing wordt vervangen door eigentijdse en duurzame bebouwing.

Er is immers sprake van betere isolatie en gasloze woningen, waarbij ambities bestaan om klimaat adaptief te bouwen. Ten slotte is de versterking van groene kwaliteiten een belangrijk uitgangspunt in de stedenbouwkundige opzet van het plan. De ontwikkeling is dan ook in lijn met de provinciale ambities binnen het stedelijk gebied. Landschap Utrechtse Heuvelrug Voorliggend plan behoort tot het landschap Utrechtse Heuvelrug. De provincie wilt de volgende kernkwaliteiten behouden:  robuuste eenheid;  reliëfbeleving;  extreme historische gelaagdheid. De provincie vraagt gemeenten en initiatiefnemers om bij ontwikkelingen gebruik te maken van deze kernkwaliteiten. Gezien de kleinschalige aard en schaal van de ontwikkeling worden geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt die van (negatieve) invloed zouden kunnen zijn op de kernkwaliteiten van het landschap ‘Utrechtse Heuvelrug’.

11

Conclusie Onderhavig plan is in lijn met het gestelde in het provinciaal beleid.

3.3

Regionaal beleid

3.3.1

Regionale Ruimtelijke Visie Regio Amersfoort De negen gemeenten (Amersfoort, Baarn, Barneveld, Bunschoten, Eemnes, Leusden, Nijkerk, Soest en Woudenberg) binnen de regio Amersfoort hebben een visie opgesteld die de voorwaarden formuleert voor de toekomstige ontwikkeling van de regio. Doel van deze visie is om de regio vitaal en aantrekkelijk te laten blijven. De visie is vastgesteld in januari 2018. Uit een analyse van de regio blijkt dat er groei op de regio afkomt. Dat maakt dat er keuzes nodig zijn om aan die groei tegemoet te komen. Vanuit de overtuiging dat niets doen leidt tot negatieve effecten als prijsopdrijving, verdringing van lagere inkomens, een teruglopend voorzieningenniveau enz. is de keuze om deze groei te accommoderen, maar wel onder voorwaarden. De regio kiest daarom voor concentratie van de groei in het regionale hart en daarnaast ruimte voor groei in de vitale dorpen. Daarbij zijn twaalf kwalitatieve voorwaarden voor die groei geformuleerd rondom de vier thema’s: van nature aantrekkelijk, het kloppend hart van Nederland, lokaal vitaal samen sterk en denkers en doeners. Het gaat om de volgende kwalitatieve voorwaarden, uitgesplitst per thema: Van nature aantrekkelijk: 1 Het watersysteem wordt ingezet als drager voor klimaatadaptie, regionale identiteit en ruimtelijke ontwikkelingen. 2 Het waardevolle landschap wordt behouden en versterkt.

Kloppend hart van Nederland: 3 Verbeter de (inter)regionale bereikbaarheid. 4 Bereikbaarheid is het sturend principe voor ruimtelijke ontwikkelingen. 5 Zet in op de fiets. Lokaal vitaal samen sterk: 6 Versterken van de bestaande centra. 7 Versterk Amersfoort als regionaal centrum. 8 Versterking regionale recreatieve structuur. Denkers en doeners: 9 Realiseer onderscheidende woon- en werkmilieus die gebruik maken van de specifieke kwaliteit van de locatie. 10 Schep condities voor interactiemilieus waar denkers en doeners elkaar kunnen ontmoeten. 11 Zet in op een duurzame circulaire economie & regionale energietransitie. 12 Kies voor twee sporen in de landbouwsector; schaalvergroting en regionalisering.

12

Toetsing Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom van Baarn en wordt binnen de regionale visie gezien als (centrum) dorps woonmilieu. Baarn is sterk verbonden met de woningmarkt en economie van de Noordvleugel van de Randstad. Baarn is al honderd jaar geleden sterk gegroeid als forensendorp. Door de ligging tussen de beschermde landschappen van de Heuvelrug en de Eemvallei is de ruimtelijke ontwikkeling van Baarn de afgelopen decennia nagenoeg stilgevallen. De voorgenomen ontwikkeling als geheel voorziet in de realisatie van 39 woningen in een gevarieerd programma, waarmee met het plan een bijdrage wordt geleverd aan het bereiken van een aantal van de pijlers uit de Regionale Ruimtelijke Visie voor de regio Amersfoort. Conclusie Voorliggend plan is in lijn met het regionale beleid.

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1

Toekomstvisie en Structuurvisie Baarn in 2030 Op 10 juli 2013 heeft de gemeenteraad de Toekomstvisie / Structuurvisie Baarn in 2030 vastgesteld. Met deze visie is de gemeente beter in staat om plannen te toetsen en sturing te geven aan ontwikkelingen. Centraal hierbij staat de vraag hoe de Baarnse identiteit en kwaliteit te behouden en te versterken. De kernkwaliteiten van de gemeente zijn onder andere het afwisselende landschap, de extensieve recreatie, de overal aanwezige cultuurhistorie, de bereikbaarheid en het hoogwaardig wonen. In de Structuurvisie wordt ingezet op 'hoogwaardig wonen'. Dit is één van de kernkwaliteiten waar Baarn op bouwt. De gemeente wil deze identiteit verder ontwikkelen om Baarn zo ook voor komende generaties een prettig en leefbaar dorp te laten zijn. Inbreidingen zullen in typologie en architectuur moeten aansluiten bij de omgeving en de dorpse identiteit versterken. Bij de kwalitatieve invulling van het woningbouwprogramma gaat het om de juiste woningen voor verschillende doelgroepen en om een aantrekkelijke omgeving waar wonen, werken, spelen en recreëren hand in hand gaan. Om dit te bereiken zet de gemeente in op de volgende thema's:  kwaliteit van wonen en woonomgeving;  inzet voor jonge huishoudens op de woningmarkt;  senioren;  wonen met zorg.

Toetsing De voorgenomen ontwikkeling draagt nadrukkelijk bij aan de ambities volgend uit de Toekomstvisie/Structuurvisie van de gemeente Baarn. Zo worden verouderde seniorenwoningen vervangen door een gemengd woonprogramma, gericht op zowel oude13

ren, als starters en kleine huishoudensgroepen. Ook wordt ingezet op hoogwaardigheid. De groene kwaliteiten en kleinschaligheid van de locatie worden verder versterkt, waarbij hoge ambities gelden voor wat betreft groenbeleving en klimaatadaptatie. Ten slotte nodigt het plan uit tot ontmoeting gelet op het parkachtige karakter en de mogelijke speelvoorziening. 3.4.2

Visie Wonen 2019 De Visie Wonen 2019 is door de raad vastgesteld op 25 september 2019. De Visie Wonen bouwt voort op de eerdere visie uit 2016. Daarin stonden vier ambities centraal: het werken aan een evenwichtiger bevolkingsopbouw, een toegankelijker en comfortabeler woningvoorraad, verduurzaming van die woningvoorraad en ruimte voor het segment tussen huren en kopen (middenhuur en goedkope koop). Deze vier ambities staan nog overeind. Wel zijn ze iets aangescherpt, passend bij de huidige tijd. Daarnaast is er een vijfde ambitie: het ruimte bieden aan alternatieve woonwensen. Resumerend zijn de 5 ambities: 1. Evenwicht in de bevolkingspiramide 2. Toegankelijk comfortabel wonen 3. Verduurzaming van woningen 4. Ruimte in sociale huur en tussen huur en koop 5. Kansen voor het verwezenlijken van alternatieve woonwensen Door middel van een woningmarktanalyse heeft de gemeente Baarn de actuele stand van zaken rond de ambities opgemaakt en vastgesteld aan welke opgaven nu prioriteit gegeven moet worden. Dit heeft geleid tot het opstellen van een 13-tal opgaven:  Toevoegen van woningen voor jonge huishoudens die zich willen vestigen in Baarn, met aandacht voor het rustige en ruimtelijke woonmilieu waar zij in Baarn voor kiezen.

Dit moet niet alleen op nieuwbouwlocaties als Baarnsche Zoom, maar ook in andere meer groene woonmilieus door toevoeging van middenhuur tot € 950 en koop tot € 300.000. Daarmee vullen we het gat tussen huur en koop, en maken we doorstroming op de woningmarkt makkelijker mogelijk;  Faciliteren van een betere benutting van het bestaande vastgoed in de gemeente: door a) splitsen van grote woningen; b) toepassen van het afwegingskader transformatie kantoorpanden;  Inzet op realisatie van woningen, door prioriteit te geven aan woningbouwprojecten die op korte termijn gerealiseerd kunnen worden;  Bestaande woningvoorraad kwalitatief beter laten aansluiten bij de veranderende woonwensen gericht op het langer zelfstandig kunnen wonen van ouderen en andere huishoudens met een (intensieve) zorgvraag;  Toevoegen van woonvormen voor ouderen en mensen met een zorgvraag;  Voor de reguliere huisvestingsvraag inzetten op meer toegankelijke huur- en koopwoningen. Bij locaties nabij voorzieningen geldt als wens levensloopgeschiktheid;  Als onderdeel van de vraag naar ‘toegankelijke woningen’ inspelen op de behoefte aan geclusterd wonen op locaties nabij voorzieningen, waarbij tot 2025 de opgave

14

 

 

minimaal 25 sociale huurwoningen betreft en na 2025 dergelijke woonzorgontwikkelingen op centrumlocaties de voorkeur hebben; Ten behoeve van de uitstroom uit Beschermd Wonen en Jeugdzorg jaarlijks circa 10 (zeer) betaalbare sociale huurwoningen; Inzet op energietransitie binnen de bestaande woningvoorraad gericht op verduurzaming van de woningvoorraad tegen aanvaardbare kosten, via een combinatie van collectieve maatregelen (bijvoorbeeld een warmtenet) en individuele maatregelen (bijvoorbeeld warmtepompen en isolatie). Dit vraagt bovendien dat mensen meer bewust zijn van de noodzaak van verduurzaming van hun woning; Inrichting van een klimaatbestendige woon- en leefomgeving; Toevoegen van sociale huurwoningen, gericht op 3.000 woningen richting 2025. Deze opgave in samenhang zien met de wens voor meer middenhuur (+50 tot 100 woningen tot 2030) en sociale koop (+150 woningen tot € 200.000 conform Besluit ruimtelijke ordening), en middelduur (tot € 300.000); Borgen dat nieuwbouw in de categorieën sociale huur, middenhuur en sociale koop duurzaam beschikbaar blijven voor de doelgroepen waarvoor deze woningen zijn gerealiseerd; Stimuleren en faciliteren ontwikkeling van specifieke alternatieve woonvormen met een breed maatschappelijk belang.

Toetsing De voorgenomen ontwikkeling draagt nadrukkelijk bij aan de ambities zoals genoemd in de gemeentelijke woonvisie. Het beoogde woonprogramma omvat sociale huurwoningen met als voornaamste doelgroepen de senioren, starters en overige kleine huishoudensgroepen. Daarmee wordt op segmentatieniveau beantwoord aan de prioritering van de gemeente. Daarnaast is specifiek aandacht voor het behoud van de kleinschalige structuur en de versterking van aanwezige groenkwaliteiten. Ten slotte bestaan ambities om bij te dragen aan klimaat adaptief bouwen. Conclusie Voorliggend project is in lijn met het gemeentelijk beleid.

15

4 4.1

Milieu- en omgevingsaspecten Milieueffectrapportage Algemeen Voor plannen en activiteiten, die mogelijk belangrijke nadelige gevolgen hebben voor het milieu, kan het noodzakelijk zijn dat een milieueffectrapport wordt opgesteld. In hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage is dit geregeld. Er is een m.e.r.-plicht voor plannen (planMER) en een m.e.r.-plicht voor besluiten. Een plan is plan-m.e.r.-plichtig als het plan kaders stelt voor m.e.r.-plichtige activiteiten. Toetsing Onderhavig plan betreft de sloop van verouderde seniorenwoningen en de nieuwbouw van maximaal 39 woningen in een gevarieerd programma. Het plan kan worden gekwalificeerd als de wijziging van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen als genoemd in onderdeel D.11.2 van de bijlage van het Besluit m.e.r.. Bij de uitleg van de Europese m.e.r.-richtlijn wordt immers aangegeven dat 'stedelijke ontwikkelingsprojecten' breed moet worden geïnterpreteerd en een herontwikkeling wordt als wijziging in de zin van het Besluit m.e.r. beschouwd. Bij de activiteit zijn drie relevante indicatieve drempelwaarden opgenomen, namelijk:  een oppervlakte van 100 hectare of meer;  een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen;  een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.

Het plan blijft ver onder de indicatieve drempelwaarden en daarmee kan in eerste instantie met een vormvrije m.e.r.-beoordeling worden volstaan. In de vormvrije m.e.r.beoordeling wordt beoordeeld of de activiteit belangrijke nadelige milieugevolgen kan hebben. Hierbij moet in het bijzonder worden nagegaan of er sprake is van de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de Europese Richtlijn betreffende de milieueffectbeoordeling. Daarbij dient te worden ingegaan op de volgende onderdelen:  de kenmerken van het project;  de plaats waar de activiteit plaatsvindt;  de kenmerken van het potentiële effect. 2

Er is een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. Hieruit volgt dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van het plan, die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Voor de meeste beoordeelde milieuaspecten geldt dat er geen effect optreedt. Uitsluitend voor wat betreft natuur (soortenbescherming) zijn er mogelijk negatieve milieueffecten, maar die zijn zeer gering en niet als een belangrijk negatief milieueffect te kwalificeren. De conclusie is dan ook dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten. Het volgen van een m.e.r.-(beoordelings-) procedure is daarom niet nodig.

2

SAB (2020). Vormvrije m.e.r.-beoordeling. Baarn, Troelstralaan. Projectnummer: 200285.02. 5 juni 2020. 16

Conclusie Het aspect vormvrije m.e.r.-beoordeling vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

4.2

Bodem Algemeen In het kader van de bestemmingsplanproceduremoet zijn aangetoond dat de bodem en het grondwater geschikt zijn voor het beoogde gebruik. Hiertoe is het uitvoeren van een verkennend milieukundig bodem- en grondwateronderzoek noodzakelijk. Toetsing 3 Door PJ Milieu is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van het plangebied. Op basis van de resultaten van het uitgevoerde vooronderzoek is geconcludeerd dat de onderzoekslocatie onverdacht is ten aanzien van bodemverontreiniging. Er zijn lichte sporen kwik, lood en PAK aangetroffen in de bovengrond en een licht verhoogd gehalte aan lood in de ondergrond. Deze waardes geven geen aanleiding tot het doen van nader onderzoek. Het terrein is op basis van de milieuhygiënische kwaliteit geschikt bevonden voor het voorgenomen gebruik. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

4.3

Geluid Algemeen De mate waarin het geluid onder andere het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). In het bestemmingsplan moet volgens de Wgh worden aangetoond dat gevoelige functies, zoals een woning, een aanvaardbare geluidsbelasting hebben als gevolg van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wgh de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Toetsing Met de voorliggende ontwikkeling worden geluidgevoelige objecten toegevoegd in de vorm van woningen. Door SAB is zodoende voorzien in een akoestisch onderzoek 4 wegverkeerslawaai . De resultaten van dit onderzoek zijn navolgende weergegeven: Ten gevolge van de autosnelweg A1 wordt de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van 48 dB inclusief aftrek conform art. 110g van de Wet geluidhinder niet overschreden. Er wordt voldaan aan de Wgh;

3

PJ Milieu bv (2020). Verkennend bodemonderzoek. Troelstralaan - Groen van Prinstererlaan - Nolenslaan – Talmalaan Baarn. Kenmerk: 20061801A. 15 oktober 2020.

4

SAB (2020). Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai. Baarn, Troelstralaan. Projectnummer: 200285.02. 5 november 2020. 17

 Ten gevolge van de gezoneerde 50 km/uur wegen De Geerenweg en Drakenburgerweg wordt de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van 48 dB inclusief aftrek conform art. 110g van de Wet geluidhinder niet overschreden. Er wordt voldaan aan de Wgh.  Ten gevolge van de niet-gezoneerde omliggende 30 km/uur wegen (Goeman Borgesiuslaan, Groen van Prinstererlaan, Nolenslaan, Plataanlaan, Talmalaan, Troelstralaan en Zandvoortweg) wordt de gehanteerde ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van 48 dB inclusief aftrek conform art. 110g van de Wet geluidhinder niet overschreden. Er wordt voldaan aan een goede ruimtelijke ordening. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

4.4

Luchtkwaliteit Algemeen Eisen met betrekking tot luchtkwaliteit zijn verankerd in de Wet milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2 en vormen een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. Vanaf 1 januari 2015 dient het bevoegd gezag de luchtkwaliteit ook te toetsen aan de grenswaarde voor PM2,5. Op basis van onderzoek door het Planbureau voor de Leefomgeving kan worden gesteld dat als aan de grenswaarden voor PM 10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarde voor PM2,5 wordt voldaan. Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De derogatiebeschikking van de EU is in 2015 verlopen.

De NSL is na 2015 twee maal verlengd en betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio’s om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in een gebiedsgericht programma van het NSL. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Doordat de derogatiebeschikking van de EU na 2015 niet is verlengd, dient Nederland overigens op dit moment te voldoen aan de Europese luchtkwaliteitsnormen. Plannen die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het plan tot maximaal 1,2 µg/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a.

18

woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het plan ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is een aanzienlijk deel van de dag betreft. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein. Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming. Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico’s optreden. Toetsing Voorliggend plan voorziet in de realisatie van maximaal 39 woningen. Het plan draagt daarom ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.

Raadpleging van de NSL-monitoringstool heeft aangetoond dat er geen sprake is van (dreigende) grenswaarde-overschrijdingen. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico’s. Vanuit zowel de Wet milieubeheer als vanuit een goede ruimtelijke ordening vormt het plan op het gebied van luchtkwaliteit geen belemmering. Conclusie Het aspect lucht vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.5

Bedrijven en milieuzonering Algemeen Indien door middel van een ruimtelijke ontwikkeling nieuwe, gevoelige functies mogelijk worden gemaakt, moet worden aangetoond dat een goed leefmilieu mogelijk kan worden gemaakt. Hierbij moet rekening worden gehouden met omliggende functies met een milieuzone. Anderzijds mogen omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden aangetast door de realisatie van een nieuwe gevoelige functie. Wat betreft de aanbevolen richtafstanden tussen bedrijvigheid en gevoelige functies is de VNG publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' (2009) als leidraad voor milieuzonering gebruikt. In de VNG-publicatie zijn richtafstanden voor diverse omgevings- en gebiedstypen opgenomen. Het gaat onder andere om de volgende omgevings- en gebiedstypen: 'rustige woonwijk', 'rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. In een rustige woonwijk en een rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschap19

pelijke voorzieningenhoreca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Voor gemengde gebieden kunnen de richtafstanden worden verminderd. De afstand wordt gemeten vanaf het op de verbeelding aangeduide deel voor de bedrijfsmatige activiteit tot aan de gevel van nieuwe of bestaande gevoelige functies gelegen buiten betreffend perceel. Toetsing Het plangebied ligt te midden van de woonwijk Baarn Noord. De omgeving wordt gekenmerkt door de woonfunctie, al dan niet gecombineerd met kleinschalige bedrijvigheid. De omliggende wegenstructuur wordt tevens gekenmerkt door een lage verkeersintensiteit. Dit tezamen maakt dat het plangebied gekenmerkt wordt als een ‘rustige woonwijk’. Externe werking De externe werking betreft de vraag of de nieuwe functie in onderhavig plan leidt tot hinder voor de bestaande of toekomstige hindergevoelige functies. In het plangebied worden geen nieuwe hinderveroorzakende functies mogelijk gemaakt. Er hoeft daarom niet onderzocht te worden of de functie in het plangebied hinder veroorzaakt voor omliggende functies. Interne werking Naast de externe werking moet ook de interne werking worden beoordeeld.

Met andere woorden: laat de omgeving de nieuwe functie toe? De dichtstbijzijnde bedrijvigheid is in de navolgende tabel opgenomen, inclusief de bijbehorende omschrijving uit de VNG-publicatie en de daaruit volgende grootste richtafstanden. Bedrijfssoort

Adres

Omschrijving VNG

Verpleeghuis Sportcomplex

Troelstralaan 1 Goeman Borgesiuslaan 2 Nolenslaan 6

Verpleeghuizen Sporthallen

Bouwbedrijf

Aannemersbedrijven met werkplaats: b.o. > 1000 m²

Grootste richtafstand (m) 30 (geluid) 50 (geluid)

Gemeten afstand (m) 13 40

50 (geluid)

55

Uit de voorgaande tabel blijkt dat niet kan worden voldaan aan de richtafstand van het aspect ‘geluid’ door toedoen van het verpleeghuis en het sportcomplex. Een nader 5 onderzoek industrielawaai is uitgevoerd om inzichtelijk te maken of een goed woonen leefklimaat is gewaarborgd ter plaatse van het plangebied en of de desbetreffende bedrijvigheid niet onevenredig wordt geschaad in ontwikkelingsmogelijkheden. Op basis van dit onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd:  Uit de berekeningen van het langtijdgemiddelde geluidsniveau blijkt dat de richtwaardes van stap 2 vanuit de VNG-publicatie niet worden overschreden; 5

SAB (2021). Akoestisch onderzoek industrielawaai. Troelstralaan, Baarn. Projectnummer: 200285.02. 29 januari 2021. 20

 Uit de berekeningen van het maximale geluidsniveau blijkt dat de richtwaardes van stap 2 vanuit de VNG-publicatie op een drietal rekenpunten ten gevolge van het zorgcentrum worden overschreden in de dagperiode. De overschrijding wordt acceptabel geacht. Stap 3 van de richtwaardes van de VNG-publicatie worden niet overschreden. In de nachtperiode worden op drie rekenpunten de richtwaarden van stap 2 overschreden ten gevolge van het sluiten van de portieren van auto’s. Ook deze overschrijding wordt acceptabel geacht omdat ook hier geen maatregelen aan te treffen zijn en daarnaast zijn het omgevingseigen geluiden. Ook hier wordt Stap 3 niet overschreden. Er is sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat;  Uit de berekeningen blijkt dat er geen grenswaarde van indirecte hinder wordt overschreden. Conclusie Met inachtneming van het voorgaande vormt het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

4.6

Externe veiligheid Algemeen Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire bronnen (chemische fabriek, lpg-vulpunt) en de mobiele bronnen (route gevaarlijke stoffen). Er wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Er wordt bij externe veiligheid onderscheid gemaakt in plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (of-6 wel 10 ). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Elke ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst aan het plaatsgebonden risi-6 co van 10 als grenswaarde. Het groepsrisico geeft de kans aan dat in één keer een groep mensen die zich in de omgeving van een risicosituatie bevindt, dodelijk door een ongeval wordt getroffen. Groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers.

Bij groepsrisico is het dan ook niet een contour die bepalend is, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Welke kans nog acceptabel geacht wordt, is afhankelijk van de omvang van de ramp. Toetsing 6 Door SAB is voorzien in een quick scan externe veiligheid . Uit de quick scan blijkt dat -6 de ontwikkellocatie niet binnen een plaatsgebonden risicocontour (PR 10 ) en/of

6

SAB (2020). Quick scan externe veiligheid. Baarn, Troelstralaan ong. projectnummer: 200285.02. 7 oktober 2020. 21

plasbrandaandachtsgebied van een risicobron ligt. Wel ligt de ontwikkellocatie binnen het invloedsgebied van enkele risicobronnen. Het gaat om de volgende risicobronnen:  Spoorlijn Hilversum - Baarn;  Wegvak U91: A1: afrit 10 (Soest) - afrit 12 (Bunschoten); De ontwikkellocatie bevindt zich ten aanzien van de beide risicobronnen buiten de meest relevante zone van het groepsrisico (de 200 meter zone). Conform artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes betekent dit dat het groepsrisico voor de risicobronnen beperkt dient te worden verantwoord. Er moet worden ingegaan op de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Ook moet de Veiligheidsregio in de gelegenheid gesteld worden om een advies hierover uit te brengen. Beperkte verantwoording Ten aanzien van het groepsrisico van de genoemde risicobronnen dient te worden ingegaan op de elementen van de verantwoording uit artikel 7 van het Bevt. Het heeft hier dan betrekking op zelfredzaamheid en beheersbaarheid/bestrijdbaarheid: a de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg, spoorweg of dat binnenwater, en b voor zover dat plan of die vergunning betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg, spoorweg of dat binnenwater een ramp voordoet.

Scenario’s Het scenario dat hier een rol speelt betreft een ongeluk met toxische vloeistoffen van waaruit een gifwolk kan ontstaan. Hieronder wordt de beheersbaarheid en bestrijdbaarheid van dit scenario besproken. Tevens wordt ingegaan op het aspect zelfredzaamheid. 1 Beheersbaarheid/bestrijdbaarheid De bestrijdbaarheid dient op twee aspecten te worden beoordeeld:  Bestrijden rampscenario Belangrijk bij een ongeval met toxische vloeistoffen is dat de brandweer zo snel mogelijk bij de ketelwagen is, zodat de toxische vloeistof zich niet kan ontwikkelen tot een toxische wolk. Dit kan door te koelen en/of een waterscherm aan te leggen. Essentieel is daarbij dat de brandweer voor een langere periode voldoende bluswatercapaciteit heeft ter plaatse van het ongeval. De snelheid van het ter plaatse komen is eveneens van groot belang. Aangezien het hier bestaande wegvakken betreft met daarom heen al kwetsbare objecten kan worden verwacht dat bluswater in voldoende mate aanwezig is; tevens zal de bereikbaarheid op orde zijn.  Inrichting van het gebied om bestrijding faciliteren Voor de bestrijding van een calamiteit is de inrichting van het gebied van belang. Naast het tijdig aanwezig zijn met voldoende materieel is tevens de bereikbaarheid van de ontwikkellocatie en de specifieke risicolocatie cruciaal.

De brandweer kan snel via de Plataanlaan, de Zandvoortweg en de Troelstralaan de ontwikkellocatie bereiken in geval van een calamiteit. De inschatting is dat de brandweer binnen circa 10 minuten aanwezig kan zijn. In de Handleiding bluswatervoorziening en bereikbaarheid zijn normen voor maximale opkomsttijden gesteld. Bij de Veiligheidsregio dient advies te

22

worden ingewonnen of de bereikbaarheid en daarmee de opkomsttijden voldoende zijn gewaarborgd. Voor de bestrijding is bluswater ook van belang. Hier gaat het om een beoordeling van de feitelijk aanwezige bluswatercapaciteit, zowel primair (brandkranen), secundair (geboorde putten en open water) en tertiair bluswater (aanvullende bluswatervoorzieningen). Daarbij wordt beschouwd of dit overeenkomt met de benodigde bluswatercapaciteit in het geval van een calamiteit van één van de twee scenario's. Op dit punt dient de Veiligheidsregio om advies te worden gevraagd. 2 Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting. Het zelfredzame vermogen van personen in de buurt van een risicovolle bron is een belangrijke voorwaarde om grote effecten bij een incident te voorkomen. Eén van de voornaamste handelingen bij het ontstaan van een toxische wolk is het binnen schuilen waarbij ramen en deuren kunnen worden gesloten en ventilatie kan worden stilgezet. Binnen de ontwikkellocatie moet men snel op de hoogte zijn van een eventueel ongeluk met een toxische stof op de weg en men moet op de hoogte zijn van de gevaren van deze toxische stof en weten hoe te handelen.

Primair gaat NLAlert de basis vormen voor alarmering van personen in een bepaald gebied. Daarnaast kan nog gebruik gemaakt worden van het bestaande systeem van Waarschuwings Alarmerings Systeem (WAS) palen. Naast binnen schuilen moeten vluchtroutes personen direct van de calamiteit kunnen wegleiden. Voor de ontwikkellocatie geldt dat zal worden voorzien in voldoende vluchtroutes. Conclusie p.m. advies Veiligheidsregio

4.7

Water Rijksbeleid - Het Nationaal Waterplan 2016-2021 Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is op 10 december 2015 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal:  Nederland blijft de veiligste delta in de wereld.  Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater.  Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht.  Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement.  Nederlanders leven waterbewust. Het kabinet zet de veranderingen in het waterveiligheidsbeleid voort en zal hiertoe een wetsvoorstel met nieuwe normen voor de primaire keringen voorbereiden.

23

Nieuwe normen zijn nodig, omdat de huidige eisen aan primaire keringen grotendeels uit de jaren zestig van de vorige eeuw dateren. Sindsdien zijn het aantal mensen en de economische waarde achter de dijken toegenomen. Ook is nieuwe kennis beschikbaar gekomen over de werking van de keringen en de gevolgen van overstromingen. De doelen op het gebied van waterveiligheid zijn omgerekend naar normspecificaties voor de keringen. Deze zijn niet meer gebaseerd op dijkringen, maar op dijktrajecten. Elk dijktraject krijgt een norm-specificatie die past bij de gevolgen in dat specifieke gebied. De normspecificaties zijn ingedeeld in zes klassen, waarbij de overstromingskans varieert van 1/300 per jaar tot 1/100.000 per jaar. Het Rijk onderkent het belang van verbinden van ruimte en water. Bij het aanpakken van wateropgaven en de uitvoering van watermaatregelen vindt daarom afstemming plaats met andere relevante ruimtelijke opgaven en maatregelen in het gebied, zodat scope, programmering en financiering zo veel mogelijk op elkaar aansluiten of, beter nog, elkaar versterken. Het kabinet streeft daarbij ook naar integrale combinaties, waarbij ruimtelijke inrichting een belangrijke rol speelt bij het oplossen van wateropgaven. Omgekeerd is het van belang om bij ruimtelijke opgaven vroegtijdig rekening te houden met wateropgaven en de veerkracht van watersystemen.

De gewenste betere verbinding tussen water en ruimte geldt voor alle opgaven op het gebied van waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Provinciaal beleid - Bodem-, Water- en Milieuplan 2016-2021 Op 7 december 2015 heeft de provincie het Bodem-, Water- en Milieuplan 2016-2021 (BWM-plan) vastgesteld. Dit plan legt het beleid op basis van de provinciale wettelijke taken voor bodem, water en milieu vast voor de periode 2016-2021. Het BWM-plan richt zich op vier belangrijke maatschappelijke opgaven: waterveiligheid en wateroverlast, schoon en voldoende oppervlaktewater, ondergrond en leefkwaliteit stedelijk gebied. Vanaf 2016 is al het bodem-, water en milieubeleid in één integraal plan opgenomen. De opgaven vanuit de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) maken onderdeel uit van dit plan. De provincie heeft in het plan de volgende doelen geformuleerd:  Wij streven naar een robuust bodem- en watersysteem. Dit houdt in dat onder normale omstandigheden alle functies goed uitgevoerd kunnen worden en dat extreme situaties goed opgevangen kunnen worden.  Wij streven naar bodem-, water- en milieukwaliteiten die passend zijn voor de functie van een gebied.  Wij streven naar een duurzaam gebruik van de fysieke leefomgeving, zodat de mogelijkheden die het natuurlijk systeem ons biedt ook in de toekomst gebruikt kunnen worden.

 Wij streven naar een gezonde leefomgeving, die een positieve bijdrage levert aan de economische en maatschappelijke ontwikkelingen in de regio. Om hierin een focus aan te brengen zijn vier prioriteiten benoemd: 1 Waterveiligheid en wateroverlast 2 Schoon en voldoende oppervlaktewater 3 Ondergrond 4 Leefkwaliteit stedelijk gebied

24

Beleid Waterschap Vallei en Veluwe - Waterbeheerprogramma 2016-2021 Vanaf 1 januari 2016 is het Waterbeheerprogramma van het Waterschap Vallei en Veluwe van kracht. Het is bewust neergezet als een programma en niet meer als een waterbeheerplan. De maatregelen zijn op hoofdlijnen uitgewerkt, het “hoe” volgt bij het jaarlijks vaststellen van de begroting. De zorg voor de kerntaken “beschermen tegen overstroming”, “schoon en voldoende oppervlaktewater” en “zuiveren van afvalwater” blijft voorop staan. Daarbij wil het waterschap wel meer toe naar een integrale benadering van de gezamenlijke opgave. Het waterschap wil haar ambities en doelen steeds sterker bereiken samen met de waterpartners. De ambities zijn:  We beschermen ons gebied tegen overstromingen.  We zorgen voor de juiste hoeveelheid water.  We zorgen voor de goede oppervlaktewaterkwaliteit.  Schoon en vuil water worden zo veel mogelijk gescheiden.  We halen de hoogst mogelijke waarde uit water.  We beheren afvalwaterketen en watersysteem als één geheel samen met onze partners. Samen met gemeenten wil het waterschap schoon hemelwater en afvalwater zoveel mogelijk aan de bron scheiden. Dit om de negatieve effecten van extreme buien (lagere waterkwaliteit door overstorten) en droogte (lagere waterkwaliteit door geen watertoevoer, hittestress), als gevolg van klimaatverandering, te voorkomen.

Hiertoe stelt het waterschap een beleidsplan op en voert dit uit. Binnen de verantwoordelijkheden van de waterpartners voor grondwaterbeheer wil het waterschap de samenwerking initiëren en als grondwaterloket fungeren. De start betreft het vormen van een gezamenlijk grondwaterkennisteam. Binnen de jaarcyclus wordt door het waterschap verantwoording afgelegd over de inhoudelijke doelen en resultaten. In de cyclus wordt een moment ingebouwd om op collegiale basis met de waterpartners de programmering voor het komende jaar af te stemmen. Dit is het waterplein. Toetsing 7 Voor onderhavig plan is de digitale watertoets doorlopen. Uit de digitale watertoets volgt dat het plan geen groot effect heeft op water. Per saldo is er niet tot nauwelijks een toename aan verharding te verwachten. Tevens zijn er geen specifieke waterbelangen aanwezig binnen het plangebied. Er kan worden volstaan met een standaard wateradvies van het waterschap. Vasthouden - bergen - afvoeren Een belangrijk principe is dat een deel van het hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater. Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegen gegaan en piekafvoeren in het oppervlak7

Waterschap Vallei en Veluwe (2020). Digitale Watertoets. Dossiercode: 20201013-1024494. 13 oktober 2020. 25

tewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) wordt voorkomen. Bij lozing op oppervlaktewater zal hiervan een melding gedaan moeten worden bij het waterschap. Grondwaterneutraal bouwen Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen. Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de GHG. Het structureel onttrekken / draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Het waterschap adviseert de initiatiefnemer dan ook om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heersende grondwaterstanden en GHG. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar. Om verontreiniging van bodem, gronden/of oppervlaktewater te voorkomen is het van belang dat het afstromende hemelwater niet verontreinigd raakt. Dit kan door nadere eisen of randvoorwaarden te stellen aan bijvoorbeeld de toegepaste (bouw)materialen. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

4.8

Natuur Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het plangebied. Vanaf 1 januari 2017 geldt hiervoor de Wet natuurbescherming. Deze wet beschermt bepaalde plant- en diersoorten, natuurgebieden en bossen. Voordat ontwikkelingen mogen plaatsvinden, moet worden aangetoond dat in het kader van de huidige natuurwet- en regelgeving van een negatief effect geen sprake is, dan wel dat daarvoor respectievelijk een vergunning of ontheffing kan worden verkregen. Toetsing 8 SAB heeft met een quick scan natuur onderzocht of er beschermde natuurwaarden, volgens de nu geldende natuurwet- en regelgeving, aan- of afwezig zijn in het plangebied. Naast beschermde natuurwaarden in het plangebied is ook nagegaan of de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, mogelijk negatieve effecten kan hebben op beschermde natuur buiten het plangebied. Navolgend worden kort de conclusies van de quick scan uiteengezet. Gebiedsbescherming Natura 2000-gebied ‘Oostelijke Vechtplassen’ ligt in de buurt van het plangebied. Een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van dit Natura 2000-gebied is vanwege een mogelijke toename in stikstofdepositie door de ruimtelijke ontwikkeling in het plangebied niet uit te sluiten. Nader onderzoek in de vorm van een AERIUS be-

8

SAB (2020). Quick scan natuur. Baarn, Troelstralaan. Projectnummer: 200285. 26 mei 2020. 26

9

rekening is daarom uitgevoerd (ook de Natura 2000-gebieden ‘Eemmeer en Gooimeer Zuidoever’ en ‘Arkemheen’ liggen in de nabijheid van het plangebied. Aangezien dit geen stikstofgevoelige habitattypen betreffen zijn deze gebieden buiten beschouwing gelaten). Uit het onderzoek blijkt dat zowel voor de aanleg- als gebruikswaarde geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol stikstof/ha/j op de stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden. Er zijn daardoor geen nadelige milieueffecten te verwachten op de omliggende Natura 2000-gebieden. Geconcludeerd wordt dat significant negatieve effecten derhalve worden uitgesloten. Er is geen vergunning ten behoeve van de Wet natuurbescherming benodigd. Verder blijkt uit de quick scan dat in de omgeving van het plangebied geen Natuurnetwerk Nederland of andere provinciaal beschermde natuur aanwezig is. De provinciale bescherming van deze gebieden staat de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg en nader onderzoek hiernaar is niet noodzakelijk. Soortenbescherming In en rondom het plangebied kunnen in het wild levende planten en dieren aanwezig zijn. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10563044/1