231221 Hoofdstraat 23-23a (875237)
Tekst van het document
inlichtingen bij
Astrid Polfliet
Aan de raadsleden en steunfractieleden van de gemeente Baarn
doorkiesnummer uw kenmerk ons kenmerk
867679 / 875237
datum
21 december 2023
portefeuillehouder(s) onderwerp
Wethouder Veldhuizen Hoofdstraat 23-23a
Geachte leden van de raad en steunfractieleden, Op 15 februari 2023 heeft Becker Vastgoed BV een omgevingsvergunning aangevraagd voor de bouw van vijf appartementen. Op 31 maart 2023 hebben ze de aanvraag aangevuld om ook een uitweg te kunnen maken en het aantal appartementen te verhogen van vijf naar zes. Op 11 juli 2023 gaf de Commissie voor Ruimtelijke Kwaliteit Mooisticht (na een aantal tussenadviezen) aan dat het beoogde bouwplan er goed uitziet en voldoet aan de eisen van welstand. Op 12 juli 2023 keurde het college de aanvraag goed en gaf toestemming om de appartementen te bouwen, inclusief de uitweg. Het college verleent medewerking aan het bouwplan omdat het niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, het voldoet aan redelijke eisen van welstand en de omgevingsvergunning maakt het aannemelijk dat het bouwplan ook voldoet aan de bepalingen van het Bouwbesluit en de verordening Fysieke leefomgeving Baarn. Omdat de aanvraag via een reguliere procedure behandeld is zijn de wettelijke voorschriften na vergunningverlening gevolgd, en zijn er geen nadere voorwaarden gesteld aan inspraak. Het is aan de aanvrager op welke manier en op welke momenten hij eventuele belanghebbenden informeert.
De gemeente geeft standaard het advies om tijdig belanghebbenden te informeren om verrassingen te voorkomen, maar hoe dat wordt ingevuld is niet iets wat kan worden meegewogen bij de beoordeling van de aanvraag. Na het verlenen van de omgevingsvergunning zijn 18 bezwaren kenbaar gemaakt. Bezwaarmakers zijn direct omwonenden of andere belanghebbenden: zij kunnen het niet eens zijn met de verleende omgevingsvergunning en hebben daarom bezwaar gemaakt. Om de bezwaarschriften te behandelen is op 16 november 2023 een hoorzitting gehouden waarin de bezwaarmakers mondeling hun bezwaren hebben toegelicht aan de Adviescommissie bezwaarschriften.
1
De Adviescommissie is van mening dat de omgevingsvergunning kan worden verleend zodra de motivering in het besluit is aangepast. Daarbij is rekening gehouden met kleine veranderingen die de vergunninghouder heeft doorgevoerd. Deze veranderingen hebben te maken met een passend parkeerplan en aanpassingen aan de balkons om privaatrechtelijke belemmeringen op te lossen. Het is belangrijk om deze wijzigingen en de redenen aan te passen in het besluit over de bezwaren, omdat dit niet eerder is beoordeeld bij de originele aanvraag. Vanwege deze overwegingen zijn de bezwaren ontvankelijk verklaard en is het oorspronkelijke besluit verder toegelicht. De aanvrager kan nu, afhankelijk van andere benodigde procedures, beginnen met de werkzaamheden.
Met vriendelijke groet, burgemeester en wethouders van Baarn,
drs. C.E. Creveld gemeentesecretaris
M.A. Röell burgemeester
Bijlagen: advies adviescommissie Bezwaarschriften van 1 december 2023
2
ADVIESCOMMISSIE BEZWAARSCHRIFTEN GEMEENTE BAARN Advies aan Het college van burgemeester en wethouders van Baarn (verder: het college) Betreft de bezwaarschriften van - 18 bezwaarmakers De bezwaarschriften zijn gericht tegen het volgende besluit U besliste op 12 juli 2023 positief op een aanvraag om een omgevingsvergunning te verlenen voor het slopen van de woningen en het bijgebouw op het perceel Hoofdstraat 23 en 23A en het realiseren van zes woningen met zes bergingen en het aanleggen van een uitrit. De omgevingsvergunning werd verleend voor de activiteiten bouwen, handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening en het maken, aanleggen of wijzigen van een uitweg. Doelstelling van de bezwaarschriften is Bezwaarmakers willen bereiken dat hun bezwaren gegrond worden verklaard en dat de aanvraag om een omgevingsvergunning alsnog wordt geweigerd. Samenvatting van het commissie-advies De commissie is van oordeel dat het bestreden besluit niet ongewijzigd in stand kan blijven. Het bestreden besluit is op onderdelen niet met de benodigde zorgvuldigheid tot stand gekomen en daarmee vooralsnog onvoldoende gemotiveerd. De commissie is van oordeel dat onder verbetering van de motivering een omgevingsvergunning voor de realisatie van het gewijzigde bouwplan mogelijk is. Het advies is als volgt onderbouwd
Inleiding
Vergunninghouder vroeg op 15 februari 2023 een omgevingsvergunning aan voor het realiseren van vijf appartementen. Op 31 maart 2023 is de aanvraag aangevuld met de activiteit “het maken, aanleggen of wijzigen van een uitweg”. Ook is toen het aantal te bouwen appartementen gecorrigeerd van vijf naar zes appartementen. Deze aanpassing zou blijken uit de bij de aanvraag gevoegde bouwtekeningen. De Commissie voor Ruimtelijke Kwaliteit Mooisticht (verder: Mooisticht) oordeelde na het uitbrengen van een aantal tussenadviezen op 11 juli 2023 dat het beoogde bouwplan voldoet aan de redelijke eisen van welstand. U besliste op 12 juli 2023 positief op de aanvraag en verleende de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen, handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening en het maken, aanleggen of wijzigen van een uitweg. U overwoog dat het beoogde bouwplan in strijd is met het vigerende bestemmingsplan “Baarn Centrum” (verder: het bestemmingsplan), omdat de maximaal toegestane goothoogte wordt overschreden. De aanvraag is daarom opgevat als verzoek om te mogen afwijken van het bestemmingsplan. U hebt, alles afwegende, het standpunt ingenomen dat u in dit geval medewerking wilt verlenen aan het bouwplan. U acht het bouwplan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Het bouwplan voldoet verder aan redelijke eisen van welstand. Daarnaast blijkt uit de
1
omgevingsvergunning dat aannemelijk is gemaakt dat het bouwplan ook voldoet aan de bepalingen van het Bouwbesluit en de verordening Fysieke leefomgeving Baarn. U besloot medewerking te verlenen aan het maken of veranderen van de uitweg, omdat een al bestaande inrit alleen voorziet in een ontsluiting van een parkeerplek voor één voertuig. De nieuwe inrit is bedoeld voor de ontsluiting van de overige parkeerplekken en bergingen. Bezwaarmakers zijn direct omwonenden of anderszins belanghebbenden en kunnen zich niet vinden in uw beslissing. Zij hebben daarom bezwaar gemaakt tegen de verleende omgevingsvergunning. In verband met de behandeling van de bezwaarschriften is op 16 november 2023 een hoorzitting gehouden, waar bezwaarmakers mondeling de bezwaren hebben toegelicht. Het verslag van de hoorzitting vindt u in bijlage 1.
Het ingediende bezwaar 1. De ontvankelijkheid
De bezwaarschriften zijn tijdig ingediend. Bezwaarmakers zijn belanghebbenden. Aangezien de bezwaarschriften ook voor het overige voldoen aan de wettelijke voorschriften, adviseert de commissie de bezwaren ontvankelijk te verklaren.
2. De bezwaren die zijn aangevoerd
Bezwaarmakers voeren samengevat het volgende aan: a. Het bouwplan tast het woongenot aan, onder meer op de volgende vlakken: i. Aantasting van privacy; ii. Verlies van uitzicht; iii. Verlies van lichtinval; iv. Schaduwwerking; v. Verhoging parkeerdruk in de straat; vi. Toename verkeersdruk tijdens en na de sloop van het huidige pand; vii. Verkeersveiligheid komt in het gedrang door meer verkeersintensiteit. b. Het besluit is in strijd met de Wet natuurbescherming (verder: Wnb); c. Er is sprake van een evidente privaatrechtelijke belemmering, omdat balkons binnen twee meter van de erfgrens komen. d. Het bouwplan is in strijd met de redelijke eisen van welstand; e. Het bouwplan is in strijd met het geldende bestemmingsplan; f. Het bouwplan is in strijd met het Bouwbesluit 2012; g. Er is risico op planschade; h. Burgerparticipatie heeft niet of nauwelijks plaatsgevonden; i. De omgevingsvergunning is niet verleend voor de activiteit ‘sloop’; j. Het besluit is onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd;
3. De commissie
De commissie moet beoordelen of u terecht hebt besloten om de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen. De commissie overweegt hiertoe als volgt. De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (verder: de Wabo) verbiedt het om zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen. Een aanvraag wordt, voor zover deze betrekking heeft op de activiteit bouwen, geweigerd als de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, het Bouwbesluit, de gemeentelijke verordening of de redelijke eisen van welstand.
I. Bestemmingsplan
2
De aanvraag is getoetst aan het bestemmingsplan. In het bestemmingsplan is aan het perceel de enkelbestemming “Gemengd – 4” en de dubbelbestemming “Waarde – Archeologie toegekend. Omdat sprake is van de (uit)bouw van het hoofdgebouw, diende u de aanvraag te toetsen aan de artikelen 11.1 en 11.2 van de planregels. Op grond van artikel 11.2, sub b, onder 7, van de planregels bedraagt de bouwhoogte maximaal twaalf meter en de goothoogte maximaal negen meter. II. Kruimelgevallenregeling Tussen partijen is niet in geschil dat de aanvraag niet past binnen de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. De goothoogte van het bouwplan is hoger dan het bestemmingsplan voorschrijft. U hebt de aanvraag daarom terecht opgevat als een verzoek om van het bestemmingsplan te mogen afwijken. Omdat een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid niet van toepassing was, hebt u de omgevingsvergunning verleend met toepassing van uw bevoegdheid om af te wijken van het bestemmingsplan. Deze bevoegdheid is gebaseerd op artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2, van de Wabo, in samenhang met artikel 4, eerste lid, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (verder: het Bor). Dit is de zogenoemde kruimelgevallenregeling.
Het genoemde artikel regelt dat een omgevingsvergunning kan worden verleend voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wabo van het bestemmingsplan wordt afgeweken en het een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan betreft. Artikel 1, eerste lid, van bijlage II bij het Bor verstaat onder een bijbehorend bouwwerk: een uitbreiding van een hoofdgebouw of een functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak. In deze situatie is sprake van de uitbreiding van een hoofdgebouw. Ten overvloede merkt de commissie nog op dat het volgens vaste rechtspraak van de Afdeling niet hoeft te gaan om de uitbreiding van een al bestaand gebouw (zie de uitspraak van de Afdeling van 21 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:963). De commissie stelt vast dat sprake is van bovenstaande situatie. De vraag die partijen verdeeld houdt is of u, gelet op de belangen van bezwaarmakers, in redelijkheid tot het bestreden besluit kon komen om de omgevingsvergunning te verlenen. De commissie neemt hierbij in aanmerking dat aan u een grote mate van beleidsvrijheid toekomt bij de toepassing van de afwijkingsbevoegdheid. Dit is vaste rechtspraak.
Dit neemt echter niet weg dat bij toepassing van de bevoegdheid om gebruik te maken van de kruimelgevallenregeling u moet beoordelen of het gebruik niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Dit dient u te motiveren en alle belangen daarbij mee te wegen. Ten aanzien van de te maken belangenafweging stelt vergunninghouder zich primair op het standpunt dat deze beperkt is en alleen kan zien op dat deel van het bouwplan dat niet in overeenstemming is met het bestemmingsplan, in dit geval de overschrijding van de goothoogte met 0,2 respectievelijk 1,1 meter. De commissie volgt het standpunt van vergunninghouder niet. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat het college bij de afweging van de bij de besluitvorming betrokken belangen mag meewegen dat negatieve gevolgen van een bouwplan ook kunnen worden veroorzaakt door de fictieve realisering van een bouwplan dat in overeenstemming is met het bestemmingsplan (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 16 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1259). In de van toepassing zijnde regelgeving en jurisprudentie vindt de commissie echter geen steun voor de stelling van vergunninghouder dat andere belangen dan de overschrijding van de goothoogte, zoals de parkeernorm, in het geheel niet kunnen of mogen worden beoordeeld.
3
Toepassing van de afwijkingsbevoegdheid vraagt om een duidelijke motivering van alle betrokken belangen. De commissie is weliswaar van oordeel dat u in redelijkheid de omgevingsvergunning kon verlenen op grond van de kruimelgevallenregeling, maar dat in het bestreden besluit vooralsnog een voldoende motivering ontbreekt. Dit komt vooral omdat na het nemen van de bestreden beslissing nog wijzigingen hebben plaatsgevonden in de aanvraag en het woonprogramma. III. Woon- en leefklimaat Zoals opgemerkt moet u bij de beoordeling of de omgevingsvergunning kan worden verleend met toepassing van de kruimelgevallenregeling rekening houden met alle betrokken belangen. Diverse bezwaarmakers hebben aangevoerd dat het bouwplan een aantasting oplevert van hun woon- en leefklimaat. Het gaat bijvoorbeeld om de aantasting van de privacy, het verlies van uitzicht en lichtinval, mogelijke schaduwwerking, verhoging van de parkeerdruk en impact op de verkeersveiligheid en -drukte. Ondanks dat de commissie de stellingname van bezwaarmakers begrijpt, kon u de omgevingsvergunning in redelijkheid verlenen. De commissie merkte eerder al op dat u op grond van vaste rechtspraak bij uw beoordeling mag betrekken dat het bestemmingsplan bepaalde bouwmogelijkheden al mogelijk maakt. Het onderhavige bestemmingsplan staat ruime bouwmogelijkheden toe waar u bij uw belangenafweging rekening mee kon houden.
De commissie stelt vast dat alleen vanwege de te hoge goothoogte het bouwplan niet past in het bestemmingsplan. Daar komt bij dat de overschrijding van 0,2 meter aan de zijkanten is gesitueerd en de overschrijding van 1,1 meter in het midden van het bouwwerk. Over de bezwaargrond dat het bouwwerk door de hoogte inbreuk maakt op het uitzicht en de privacy van omwonenden merkt de commissie op dat volgens vaste rechtspraak geen blijvend recht op een vrij uitzicht bestaat, zeker niet wanneer het gaat om een stedelijke omgeving. De commissie verwijst naar een uitspraak van 25 juli 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2487). Naar het oordeel van de commissie kon u bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid komen tot het standpunt dat het bouwwerk niet zal leiden tot een onevenredige aantasting van het uitzicht en de privacy van bezwaarmakers. De commissie is van mening dat het bouwwerk weliswaar hoog is, maar weegt mee dat het uitzicht van bezwaarmakers ook beperkt wordt bij een maximale benutting van de planologische mogelijkheden uit het bestemmingsplan. De overschrijding van de goothoogte met 0,2 en 1,1 meter leidt naar de mening van de commissie niet tot de conclusie dat het beoogde bouwplan daarom een onevenredige inbreuk maakt op de belangen van betrokkenen en daarom de omgevingsvergunning niet kon worden verleend.
In aanvulling op het voorgaande merkt de commissie over het vermeende verlies van lichtinval en schaduwwerking nog op dat u bij de bestreden beslissing de uitkomsten van een extern onderzoek hebt betrokken. Niet gesteld, noch gebleken is dat de inhoud of totstandkoming van dit advies onjuist of onzorgvuldig is en daarom niet ten grondslag kon liggen aan uw beslissing. Van de kant van bezwaarmakers is geen tegenadvies ingediend die de uitkomsten van het onderzoek anders maken. Ten aanzien van de door bezwaarmakers gestelde toename van de verkeersintensiteit en de daarmee veronderstelde mogelijke toename van de verkeersonveiligheid overweegt de commissie als volgt. Ten eerste hoeft u bij uw beoordeling geen rekening te houden met toekomstig onzekere gebeurtenissen, zoals een veronderstelde toename van de verkeersonveiligheid. Bij uw weging van de verkeersbelangen kon u ten tweede rekening houden met de planologische mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. De commissie merkte al op dat
4
het bestemmingsplan het mogelijk maakt om het bouwplan op het perceel te realiseren met een iets lagere goothoogte. De bouw van zes appartementen met de daarbij behorende verkeersintensiteit zijn meegewogen en aanvaardbaar geacht bij de vaststelling van het bestemmingsplan. Voor het oordeel dat het bouwplan zal leiden tot een onacceptabele verkeerssituatie ziet de commissie in dat licht dan ook geen grond. De commissie voegt daaraan toe dat uw vertegenwoordiger aan de hand van cijfers heeft toegelicht dat de huidige en te verwachten verkeersbewegingen de maximale verkeerintensiteit in de Hoofdstraat niet zullen overschrijden. De commissie heeft geen aanleiding om te twijfelen aan deze onderbouwing.
IV. Verhoging parkeerdruk in de straat/parkeernorm
Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat bij de beantwoording van de vraag of een bouwplan wel of niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening u alle planologisch relevante omstandigheden moet betrekken. Voldoende parkeergelegenheid kan er daar één van zijn. Niet in het geding is dat het realiseren van het bouwplan leidt tot een toename van de parkeerbehoefte. De commissie stelt vast dat het onderwerp “parkeren” niet is geregeld in het geldende bestemmingsplan. Met de inwerkingtreding van de Reparatiewet BZK 2014 en het daarin opgenomen overgangsrecht is de grondslag met betrekking tot bepalingen over parkeren per 1 juli 2018 komen te vervallen in de Woningwet/bouwverordening. Hierdoor moet de parkeerregeling in het bestemmingsplan worden geregeld. Een paraplubestemmingsplan hebt u in ontwikkeling. U voert aan dat u aanvragen om omgevingsvergunningen in strijd met het bestemmingsplan op dit moment per geval toetst aan de Nota Parkeernormen 2014-2019 gemeente Baarn (verder: de Parkeernota). Deze handelswijze acht de commissie niet onjuist. Uit het bestreden besluit blijkt dat u de Parkeernota toepast op het bouwplan.
De commissie volgt de stelling van vergunninghouder dat geen parkeernorm geldt en het criterium van een goede ruimtelijke ordening voor wat betreft de afwijking van de goothoogte eveneens niet vereist dat er in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein moet worden voorzien, niet. De commissie volstaat met een verwijzing naar hetgeen eerder in dit advies is opgemerkt over het meewegen van negatieve gevolgen van een bouwplan door een fictieve realisering van een bouwplan dat in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Uit het bestreden besluit blijkt dat vergunninghouder moet voorzien in zes parkeerplaatsen op eigen terrein. In de bezwaarprocedure hebt u aangegeven dat, uitgaande van het door vergunninghouder aangegeven woonprogramma van zes dure koop- of huurappartementen, de parkeernorm niet goed is toegepast. Op grond van dat woonprogramma, in samenhang bezien met de Parkeernota, kan niet worden volstaan met zes parkeerplaatsen op eigen terrein. Om toch te voldoen aan de Parkeernota, diende vergunninghouder op 15 november 2023 een wijziging in van zijn aanvraag. Het betreft een wijziging van het woonprogramma. De wijziging houdt in dat het geprojecteerde appartement aan de Hoofdstraat 23A zal worden gerealiseerd in de dure huur en de overige vijf appartementen aan de Hoofdstraat 23, 23B, 23C, 23D en 23E in de middenhuur.
Voor dit woonprogramma zijn op grond van de Parkeernota acht parkeerplaatsen noodzakelijk. Zes parkeerplaatsen kan vergunninghouder op het eigen perceel realiseren en twee parkeerplaatsen kunnen met toepassing van een beroep op de in artikel 3.4 van de Parkeernota bepaalde beschikbare restcapaciteit worden gerealiseerd via openbaar toegankelijke parkeerplaatsen. Op grond van vaste rechtspraak kan een verleende omgevingsvergunning die nog niet onherroepelijk is geworden zonder het indienen van een nieuwe aanvraag nog worden gewijzigd, mits sprake is van een ondergeschikte wijziging. De vraag of een wijziging van
5
ondergeschikte aard is, moet per concreet geval worden beantwoord (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 21 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1587). Van een ondergeschikte wijziging is sprake als de uiterlijke verschijningsvorm en bovengrondse situering niet of nauwelijks verandert, de wijziging in verhouding tot het gehele bouwplan in relatie tot zijn omgeving van beperkte aard en omvang is, het gebruik van het bouwwerk ongewijzigd blijft, en derden door de wijziging(en) niet in hun belangen worden geschaad (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 1 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2952). De commissie is van oordeel dat de door vergunninghouder aangevraagde wijziging van het woonprogramma kan worden aangemerkt als ondergeschikte wijziging op het bouwplan. Het veranderen van het woonprogramma leidt niet tot een andere verschijningsvorm of bovengrondse situering. Ook brengt het gewijzigde woonprogramma geen verandering aan van het bouwplan in relatie tot de omgeving en wordt het gebruik van het bouwwerk niet anders. Tot slot is de commissie van oordeel dat het wijzigen van het woonprogramma derden, waaronder bezwaarmakers, niet in hun belangen schaadt. Nu sprake is van een ondergeschikte wijziging, komt de commissie toe aan de beantwoording van de vraag of de wijziging van het woonprogramma maakt dat het geprojecteerde bouwplan past binnen de normen die de Parkeernota stelt.
De commissie beantwoordt deze vraag positief. Om het bouwplan met het gewijzigde woonprogramma in overeenstemming te laten zijn met de Parkeernota, zijn acht parkeerplaatsen noodzakelijk. Uit de overgelegde tekeningen blijkt dat vergunninghouder zes parkeerplaatsen op het perceel kan realiseren. Dat is 75% van de benodigde capaciteit. De overige twee benodigde parkeerplaatsen (25% van de benodigde capaciteit) kunnen naar het oordeel van de commissie worden gerealiseerd met een beroep op beschikbare restcapaciteit. Uw vertegenwoordiger heeft tijdens de hoorzitting aangegeven dat uit onderzoek blijkt dat binnen een loopafstand van honderd meter voldoende parkeercapaciteit beschikbaar is gedurende de dag. De commissie heeft geen aanleiding om aan te nemen dat deze stelling niet juist is, te meer niet omdat geen tegenadvies is ingediend. De commissie adviseert u om dit onderdeel wel nader te motiveren in de beslissing op bezwaar. De commissie geeft u ter overweging mee om de handhaving van het woonprogramma als voorschrift op te nemen in de omgevingsvergunning. Omdat de handhaving van het woonprogramma een ruimtelijke invloed heeft op het parkeren en de parkeerdruk in de omgeving, acht de commissie dit een ruimtelijk relevant aspect.
De commissie betrekt hierbij dat woningbouwcategorieën zijn geregeld in de Wet ruimtelijke ordening (verder: de Wro), het Besluit ruimtelijke ordening en de gemeentelijke doelgroepenverordening. V. Planschade Bezwaarmakers voeren aan dat het bouwplan in de huidige vorm mogelijk zal leiden tot planschade. Voor zover bezwaarmakers hebben willen stellen dat het bouwplan financieel niet haalbaar of uitvoerbaar is vanwege de mogelijke planschade, merkt de commissie het volgende op. De enkele, niet met stukken onderbouwde, stelling van bezwaarmakers dat het bouwplan kan leiden tot planschade en het daarom financieel niet haalbaar of uitvoerbaar zou zijn, wat van die stelling ook zij, acht de commissie onvoldoende grond om aan te nemen dat u de omgevingsvergunning niet in redelijkheid kon verlenen. De commissie betrekt daarbij dat, mochten bij bezwaarmakers daadwerkelijk sprake zijn van planschade, de Wro een afzonderlijke procedure daarvoor kent en bezwaarmakers te zijner tijd die weg kunnen bewandelen. VI. Burgerparticipatie
6
Door bezwaarmakers is gesteld dat geen inspraak of voorlichtingsmogelijkheid is geboden door u of vergunninghouder ten aanzien van het bouwplan. De commissie merkt in algemene zin op dat betrokkenheid van belanghebbenden bij en communicatie over voorgenomen (omvangrijke) bouwplannen kan bijdragen aan het draagvlak ervan. Dit neemt echter niet weg dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling blijkt dat er geen juridische basis is op grond waarvan draagvlak noodzakelijk is voor het verlenen van een omgevingsvergunning en dat dit ook niet is te baseren op een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 9 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2205). Dat burgerparticipatie op grond van de Omgevingswet een belangrijkere positie krijgt, wat daar ook van zij, maakt het voorgaande niet anders, omdat de Omgevingswet nog niet in werking is getreden. Een bezwaarmaker stelt dat het niet toepassen van Burgerparticipatie in strijd is met de ‘Communicatieleidraad bij nieuwbouwprojecten’ van de gemeente Baarn (verder: de leidraad). U stelt echter dat de leidraad alleen van toepassing is bij nieuwbouwprojecten waarvoor een bestemmingsplanwijziging noodzakelijk is en/of de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure moet worden gevolgd.
Nog daargelaten of de leidraad afdwingbaar is, komt het de commissie, gelet op de verschillende fasen die u beschrijft in de leidraad waaronder de verwijzing naar een ruimtelijke onderbouwing als onderdeel van de projectprocedure of de bestemmingsplanwijziging, niet onjuist voor dat de leidraad alleen van toepassing is bij bestemmingsplanwijzigingen of de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure. In de onderhavige situatie is van deze procedures geen sprake. VII. Sloop Op grond van de Wabo is een omgevingsvergunning nodig voor het slopen van een rijksmonument, als dit in het bestemmingsplan is bepaald of in de situatie dat het bouwwerk is geprojecteerd in een beschermd stads- of dorpsgezicht. De commissie stelt vast dat geen sprake is van één van de drie genoemde situaties. Omdat wel sprake is van asbest, kon vergunninghouder daarom volstaan met een sloopmelding. Uit het bezwaardossier maakt de commissie op dat deze melding ook bij u is gedaan. De commissie is daarom van oordeel dat het bestreden besluit niet onrechtmatig is op dit punt.
VIII.
Wet natuurbescherming
Bezwaarmakers voeren aan dat in en om de woning waar het bouwplan zich bevindt, sprake is van de aanwezigheid van beschermde diersoorten. Er is geen verplicht ecologisch onderzoek in het kader van de Wnb uitgevoerd. Nu dit niet nader is onderzocht, zou u het besluit onzorgvuldig hebben voorbereid en onvoldoende hebben gemotiveerd. Op grond van artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo moet worden onderzocht of sprake is van andere activiteiten die onlosmakelijk verbonden zijn met de activiteit waarop de aanvraag in beginsel betrekking heeft. Op grond van de artikelen 3.5 en 3.10, eerste lid, aanhef en onder b, en tweede lid, onder b, van de Wnb, dient een ontheffing in de zin van artikel 3.8, eerste lid, van de Wnb te worden aangevraagd als sprake is van een beschermde diersoort in de omgeving van de bouwlocatie. Bij het ontbreken van een verplichte ontheffing of een aanvraag daarvan dient de aanvraag om die ontheffing op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wabo en artikel 2.2aa, aanhef en onder b, van het Bor te worden aangehaakt bij de aanvraag van de omgevingsvergunning voor bouwen (de zogeheten natuurtoets).
7
De commissie maakt uit de aangeleverde quickscan van 30 november 2021 op dat in het gebied van het bouwplan (beschermde) diersoorten voorkomen. Daaruit volgt dat aanvullend onderzoeken gedaan moet worden ten aanzien van de sloopwerkzaamheden van het bestaande pand. Hoewel de sloop geen onderdeel uitmaakt van de omgevingsvergunning, volgt uit de conclusie van de quickscan dat het slopen van het huidige gebouw en de garageboxen voor de nieuwbouw uitvoerbaar is. Ten aanzien van de werkzaamheden tijdens de nieuwbouw moeten volgens de quickscan enkele algemene maatregelen getroffen worden. Als de juiste maatregelen worden getroffen, wordt gesteld dat er geen reden is om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen niet verkregen zouden kunnen worden. De commissie stelt op basis van het verweerschrift van vergunninghouder vast dat vergunninghouder een ontheffing bij het bevoegd gezag, in dit geval Gedeputeerde Staten van de provincie Utrecht, heeft aangevraagd dan wel dat deze is verleend op grond van de Wnb. Hierdoor is geen sprake van een aanhaakplicht voor uw college op grond van de Wabo. De commissie is echter van oordeel dat uit het bestreden besluit niet blijkt hoe u deze eventuele aanhaakplicht hebt beoordeeld of deze hebt meegewogen. Ook blijkt niet in welke fase vergunninghouder de ontheffing heeft aangevraagd. U hebt enkel gewezen op de wettelijke zorgplicht.
Gelet hierop stelt de commissie dat u onvoldoende hebt gemotiveerd dat geen sprake was van een aanhaakplicht (vergelijk een uitspraak van de rechtbank Gelderland van 13 februari 2020, ECLI:NL:RBGEL:2020:965). De commissie adviseert u daarom om dit onderdeel nader te motiveren in de beslissing op bezwaar. Een bezwaarmaker heeft tijdens de hoorzitting, met verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 10 maart 2015 (ECLI:NL:RBOBR:2015:1250), aangevoerd dat de omgevingsvergunning niet kan worden verleend, omdat op voorhand in redelijkheid moet worden ingezien dat de Wnb aan de uitvoerbaarheid van het bouwplan in de weg staat. De commissie volgt het standpunt van bezwaarmaker niet. Gelet op de uitgevoerde quickscan kan niet op voorhand in redelijkheid worden aangenomen dat de Wnb aan de uitvoerbaarheid van het bouwplan in de weg staat. De bezwaargrond slaagt dan ook niet.
IX. Evidente privaatrechtelijke belemmering
Bezwaarmakers betogen dat sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering. Uit het bouwplan volgt dat vensters en balkons binnen twee meter van het naburige perceel zijn geprojecteerd. Hierdoor is sprake van aantasting van de privacy van omwonenden en een schending van artikel 5:50 van het Burgerlijk Wetboek (verder: het BW). Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat een privaatrechtelijke belemmering evident moet zijn wil deze in de weg staan aan het verlenen van een omgevingsvergunning. De commissie wijst bijvoorbeeld op een uitspraak van de Afdeling van 21 mei 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1814). De burgerlijke rechter is de eerst aangewezene om de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan de uitvoering van een activiteit. De commissie is van oordeel dat zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat de realisatie van het aangevraagde bouwplan leidt tot een evidente privaatrechtelijke belemmering. Uit de bouwtekeningen bij de initiële aanvraag blijkt dat de balkons zich deels bevinden binnen twee meter van de erfgrens ten opzichte van het naburige perceel. De commissie stelt vast dat het bestreden besluit op dit punt niet eenduidig is. In het advies van Mooisticht, dat u mede ten grondslag legde aan het bestreden besluit, staat dat de balkons op geringe afstand van de erfgrens komen wat mogelijk leidt tot privaatrechtelijke
8
consequenties. In het bestreden besluit merkt u echter ook op dat u privaatrechtelijke belangen die zijn opgenomen in het BW in beginsel niet betrekt bij uw besluitvorming, omdat het bouwplan zou voldoen aan de bouwregels van het bestemmingsplan. Omdat uw motivering op dit punt niet concludent is, en omdat sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering, kan uw besluit voor dit onderdeel zonder verdere motivering in beginsel niet in stand blijven. Vergunninghouder heeft echter voorafgaande aan de hoorzitting besloten zijn aanvraag te wijzigen en de situering van de twee betreffende balkons aan te passen, zodat voldaan wordt aan artikel 5:50 van het BW. Vergunninghouder verzoekt u de nieuwe bouw- en situatietekening toe te voegen aan uw beslissing op het bezwaarschrift, zodat deze onderdeel worden van het vergunde bouwplan. Ter zitting is door uw vertegenwoordiger opgemerkt dat Mooisticht inmiddels een positief advies heeft uitgebracht over de genoemde aanpassing van de balkons. De commissie moet allereerst beoordelen of de wijziging van het bouwplan kan worden aangemerkt als wijziging van ondergeschikte aard. De commissie verwijst naar de eerder in dit advies aangehaald rechtspraak van de Afdeling.
Op grond van deze rechtspraak, in samenhang bezien met de voorgestelde wijziging van de balkons, is de commissie van oordeel dat ook op dit punt sprake is van een ondergeschikte wijziging. De uiterlijke verschijningsvorm van het bouwplan verandert slecht marginaal en de functie ervan wijzigt niet. Vergunninghouder hoeft naar het oordeel van de commissie voor deze wijziging daarom geen nieuwe aanvraag in te dienen. Met het doorvoeren van de voorgestelde wijziging is naar het oordeel van de commissie niet langer sprake van een evidente privaatrechtelijke belemmering die in de weg staat aan de verlening van de omgevingsvergunning. De commissie adviseert u om dit onderdeel wel gemotiveerd aan te vullen in de beslissing op het bezwaar.
X. Redelijke eisen van welstand
Bezwaarmakers voeren aan dat u niet hebt onderzocht of het advies van Mooisticht op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Daarnaast blijkt uit het advies niet dat de Nota Ruimtelijke Kwaliteit Baarn 2014 (verder: de Nota) daarin is meegenomen. De commissie overweegt dat Mooisticht aan te merken is als deskundige op het gebied van welstand en dat hun positieve advies de onderbouwing vormt voor het standpunt dat het bouwplan voldoet aan de redelijke eisen van welstand. Hoewel u niet aan een welstandsadvies bent gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij u ligt, mag u op dat advies afgaan als u hebt beoordeeld of het advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Het overnemen van een welstandsadvies behoeft in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders als de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies van een andere deskundig te achten persoon of instantie heeft overgelegd of concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht. Het voorgaande volgt uit rechtspraak van de Afdeling (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 28 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3992).
De commissie stelt vast dat Mooisticht op 21 juni 2023, 10 juli 2023 en 11 juli 2023 advies aan u uitbracht over dit bouwplan. Na de derde aanpassing van het bouwplan concludeert Mooisticht dat het bouwplan voldoet aan de redelijke eisen van welstand. U stuurde op 29
9
november 2023 aan de commissie een e-mail met daarin een advies dat Mooisticht op 21 mei 2021 uitbracht in het kader van een vooroverleg. De commissie leidt uit de e-mail en bijlage af dat u Mooisticht in een vooroverleg over het geprojecteerde bouwplan om advies hebt gevraagd. Op 21 mei 2021 en 13 oktober 2021 bracht Mooisticht onder meer adviezen uit. In het advies van 21 mei 2021 heeft Mooisticht aangegeven dat de Nota het toetsingskader is met de daarin genoemde gebiedscriteria. Uit het advies van 21 mei 2021, in samenhang bezien met de adviezen uit 2023, blijkt naar het oordeel van de commissie dat de Nota met de daarin genoemde gebiedscriteria expliciet is betrokken bij de beantwoording van de vraag of het geprojecteerde bouwplan niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand. De commissie heeft geen aanwijzingen dat aan de adviezen een gebrek kleeft voor wat betreft de inhoud of totstandkoming ervan. Omdat voor het bouwplan een positief welstandsadvies is afgegeven, hebt u kunnen concluderen dat geen sprake is van een weigeringsgrond. Van de kant van bezwaarmakers is geen deskundig tegenadvies ingebracht waaruit blijkt dat het bouwplan in strijd is met de welstandseisen. De bezwaargrond slaagt daarom niet.
XI. Bouwbesluit 2012
Naar de mening van bezwaarmakers is de omgevingsvergunning verleend in strijd met de voorschriften uit het Bouwbesluit. Met name de artikelen 2.16 tot en met 2.20 en afdeling 3.2 /3.3 van het Bouwbesluit zouden worden overtreden. Verder stellen bezwaarmakers dat een veiligheidsplan als bedoeld in artikel 8.2 van het Bouwbesluit ontbreekt. De commissie overweegt dat u aan de hand van de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden moet beoordelen of het aannemelijk is dat het bouwplan voldoet aan het Bouwbesluit 2012. Als in bezwaar wordt betoogd dat niet wordt voldaan aan een specifiek aangegeven bepaling van het Bouwbesluit 2012, moet u onderbouwen en motiveren dat daaraan is voldaan (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 25 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3875). De commissie stelt vast dat u in het bestreden besluit aandacht besteedt aan het Bouwbesluit 2012 door een verwijzing te maken naar afdeling 2.3, 3.2 en 3.3. Alleen ten aanzien van afdeling 3.3 (beperking van galm) hebt u aangegeven dat vergunninghouder geen gegevens heeft aangeleverd. Daarbij concludeert u dat, vanwege een relatief kleine ruimte met beperkte voorzieningen, aan de voorwaarden uit het Bouwbesluit kan worden voldaan.
Gelet op het hiervoor genoemde is de commissie van oordeel dat u niet volledig duidelijk hebt gemaakt of het aannemelijk is dat het bouwplan voldoet aan de overige afdelingen van het Bouwbesluit. Daarnaast maak de commissie uit het bestreden besluit niet op dat u zich op het standpunt hebt gesteld dat zich geen strijd met het Bouwbesluit 2012 voordoet. Dit gebrek kunt u herstellen in de beslissing op het bezwaarschrift. De commissie stelt voorts vast dat bij de aanvraag geen veiligheidsplan is ingediend. Op grond van artikel 4.4, eerste lid, van het Bor, in samenhang met artikel 2.2, zesde lid, van de Regeling omgevingsrecht, dient bij de vergunningaanvraag een veiligheidsplan te worden ingediend voor zover dat naar het oordeel van het college nodig is voor het nemen van de beslissing op de aanvraag. Op grond van artikel 8.7, van het Bouwbesluit 2012 worden maatregelen die getroffen moeten worden om tijdens de bouwwerkzaamheden onveilige situaties te voorkomen en hinder te beperken, op aanwijzing van het bevoegde gezag vastgelegd in een veiligheidsplan. In het bestreden besluit hebt u opgenomen dat uiterlijk drie weken voor de aanvang van desbetreffende werkzaamheden een veiligheidsplan overgelegd dient te worden. De bouwwerkzaamheden mogen ook niet eerder starten dan dat het veiligheidsplan is goedgekeurd door de bouwinspecteur.
Naar het oordeel van de commissie kon u op basis van de Regeling omgevingsrecht bepalen dat een veiligheidsplan
10
later kan worden ingediend. U hebt in het bestreden besluit echter niet onderkend dat er geen aanleiding bestaat om te veronderstellen dat in strijd met de voorschriften gebouwd gaat worden. Hoewel u geen reden hebt gezien om in dit geval niet tot een goede beoordeling van de aanvraag te komen, verzoekt de commissie u om in het bestreden besluit nader te motiveren waarom een veiligheidsplan in dit stadium niet vereist is.
XII.
Onzorgvuldig en ongemotiveerd besluit
Het bestreden besluit is volgens bezwaarmakers genomen in strijd met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel. U zou de documenten die ten grondslag liggen aan de aanvraag van vergunninghouder niet op de juiste wijze hebben beoordeeld en/of meegenomen in het bestreden besluit. Daarnaast stellen bezwaarmakers zich op het standpunt dat niet alle belangen van omwonenden in overweging zijn genomen bij de afweging van een goede ruimtelijke ordening, zoals de parkeernormen, de Wnb en de eerder genoemde evidente privaatrechtelijke belemmering. Hierdoor zou het bestreden besluit naar de overtuiging van bezwaarmakers niet in stand kunnen blijven. Gelet op wat eerder is opgenomen in dit advies, stelt de commissie voorop dat het bestreden besluit op onderdelen niet voldoende zorgvuldig is voorbereid en op punten daarom niet goed is gemotiveerd. De commissie is van oordeel dat u dit gebrek kunt herstellen in de beslissing op bezwaar. De commissie adviseert u daarbij alle aanvullende documenten en adviezen te betrekken. XIII. Conclusie De commissie is van oordeel dat het bestreden besluit niet ongewijzigd in stand kan blijven. Het bestreden besluit is op onderdelen niet met de benodigde zorgvuldigheid tot stand gekomen en daarmee vooralsnog onvoldoende gemotiveerd.
De commissie is van oordeel dat onder verbetering van de motivering een omgevingsvergunning voor de realisatie van het gewijzigde bouwplan mogelijk is te achten. In de aangevoerde bezwaargronden ziet de commissie geen aanleiding om daar anders over te oordelen. Conclusie: Gelet op bovengenoemde overwegingen adviseert de commissie u: - Het bezwaarschrift ontvankelijk te verklaren; - Het bestreden besluit aanvullend te motiveren. Dit advies is vastgesteld door: - de heer mr. N.H.G. Beltman, voorzitter - de heer mr. C. Th. Vos, lid - de heer H. Bartelink MA LL.B, lid Baarn, 1 december 2023, de Adviescommissie bezwaarschriften gemeente Baarn, de secretaris, mw. A.S. Millerson (LLM)
de voorzitter, dhr. mr. N.H.G. Beltman
11
Bijlage 1: het verslag van de hoorzitting
12
Bijlage 2: de geldende regels Algemene wet bestuursrecht
Artikel 1:2, eerste lid:
Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
Artikel 3:2:
Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis over de relevante feiten en de af te wegen belangen.
Artikel 3:4, eerste lid:
Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit. Artikel 3:46: Een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering.
Artikel 6:7
De termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift bedraagt zes weken. Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a:
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit: a. het bouwen van een bouwwerk,
Artikel 2.7:
1. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 2.10, tweede lid, en 2.11, tweede lid, draagt de aanvrager van een omgevingsvergunning er zorg voor dat de aanvraag betrekking heeft op alle onlosmakelijke activiteiten binnen het betrokken project. In afwijking van de eerste volzin en onverminderd artikel 2.5 kan, indien één van die onlosmakelijke activiteiten een activiteit is als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, voor die activiteit voorafgaand aan en los van de overige onlosmakelijke activiteiten een aanvraag om een omgevingsvergunning worden ingediend. 2. Een aanvraag om een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, mag slechts op één inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort betrekking hebben.
Artikel 2.10:
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien: a. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 of 120 van de Woningwet; b. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij de bouwverordening of, zolang de bouwverordening daarmee nog niet in overeenstemming
13
is gebracht, met de voorschriften die zijn gesteld bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8, achtste lid, van de Woningwet dan wel bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 120 van die wet; c. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12; d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend; e. de activiteit een wegtunnel als bedoeld in de Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels betreft en uit de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden blijkt dat niet wordt voldaan aan de in artikel 6, eerste lid, van die wet gestelde norm. 2.
In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.
Artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a:
Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening: 1°.met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking, 2°.in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of 3°.in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat; Besluit omgevingsrecht
Artikel 4.4
1. Onverminderd artikel 4:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en voor zover dat naar het oordeel van het bevoegd gezag nodig is voor het nemen van de beslissing op de aanvraag, verstrekt de aanvrager bij de aanvraag de bij ministeriële regeling aangewezen gegevens en bescheiden ten aanzien van de activiteiten binnen het project waarop de aanvraag betrekking heeft. 2. De in het eerste lid bedoelde gegevens en bescheiden behoeven niet te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag reeds over die gegevens of bescheiden beschikt. 3. De gegevens en bescheiden worden door de aanvrager gekenmerkt als behorende bij de aanvraag.
Artikel 1, aanhef en onder 1 bij Bijlage 2
bijbehorend bouwwerk: uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak;
14
Artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a en b
Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking: 1. een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, wordt voldaan aan de volgende eisen: a. niet hoger dan 5 m, tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf, b. de oppervlakte niet meer dan 150 m2; Regeling omgevingsrecht
Artikel 2.2, zesde lid
In of bij de aanvraag om een vergunning voor een bouwactiviteit verstrekt de aanvrager de volgende gegevens en bescheiden ten behoeve van toetsing aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2012: 6. uit het oogpunt van het voorkomen van onveilige situaties en het beperken van hinder tijdens het bouwen: een veiligheidsplan als bedoeld in artikel 8.7 van het Bouwbesluit 2012; Bestemmingsplan “Baarn Centrum”
Artikel 11.1 Bestemmingsomschrijving
De voor 'Gemengd - 4' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. detailhandel, uitsluitend op de begane grond met dien verstande, dat ter plaatse van de Nieuw Baarnstraat nummer 37 tevens een kapsalon is toegestaan; b. wonen en in samenhang met het wonen voor de uitoefening van aan-huis-verbonden beroepen en aan-huis-verbonden kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten, met de daarbij behorende: c. tuinen, erven, terreinen en parkeervoorzieningen; d. (ontsluitings) wegen en paden; e. laad- en losplaatsen; f. waterhuishoudkundige voorzieningen; g. nutsvoorzieningen; h. bouwwerken.
11.2 Bouwregels
a. Op deze gronden mogen ten behoeve van de bestemming uitsluitend worden gebouwd: 2. hoofdgebouwen en aan- en uitbouwen; 3. bijgebouwen en overkappingen; 4. bouwwerken, geen gebouwen zijnde. b. Voor het bouwen gelden de volgende regels: 1. hoofdgebouwen zijn uitsluitend toegestaan binnen de aangegeven bouwvlakken; 2. kelders zijn alleen toegestaan binnen het bouwvlak ter plaatse van het hoofdgebouw maar dat de diepte ten hoogste 3 m mag bedragen gemeten vanaf het peil; 3. aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen zijn uitsluitend toegestaan op het bij het hoofdgebouw behorende bouwperceel, op minimaal 3 m achter de voorgevel of het verlengde hiervan en op, of op minimaal 1 m uit, de zijdelingse en achterste bouwperceelgrens; 4. de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij het hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan 50 m², met dien verstande dat de gezamenlijke oppervlakte niet meer mag bedragen dan 50 % van de oppervlakte van
15
het achter de voorgevel van het hoofdgebouw en het verlengde daarvan gelegen bouwperceel, verminderd met de oppervlakte van het hoofdgebouw; 5. in afwijking van het bepaalde onder 4 mag, indien de oppervlakte van het bouwperceel meer bedraagt dan 1.000 m², de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij het hoofdgebouw maximaal 60 m² bedragen; 6. in afwijking van het bepaalde onder 3 zijn erkers, entrees of tochtportalen op de begane grondlaag toegestaan voor de voorgevel met een maximale diepte van 1,5 m, en met dien verstande dat de breedte minder bedraagt dan 50% van de gevel; Wet natuurbescherming
Artikel 3.5
1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, met uitzondering van de soorten, bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Artikel 3.10, eerste lid, onder b en tweede lid onder b: Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden:
b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of Artikel 3.8, met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen: b. ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen;
16