217747 1e wijziging Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Baarn 2020 bijlage 2 Verordening incl. 1e wijziging
Tekst van het document
Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Baarn 2020 Inclusief 1e wijziging
De Raad van de gemeente Baarn; gelet op - het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 11 november 2019; - de artikelen 2.1.3., eerste tot en met vierde lid, en zes lid, 2.1.4a, eerste, tweede, vijfde en zesde lid, 2.1.4b, , tweede lid, 2.1.5., eerste lid, 2.1.6. 2.1.7., 2.3.6., vierde lid en 2.6.6, eerste lid van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en artikelen3.8, tweede lid en 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en 8.1.1 derde lid van de Jeugdwet, en artikel 156 van de Gemeentewet; - Het advies van de Adviesraad sociaal domein Baarn overweegt het volgende: - De inwoners van Baarn hebben een eigen verantwoordelijkheid voor de manier waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven. Van inwoners wordt verwacht dat zij elkaar daarbij helpen. - Er zijn inwoners die onvoldoende zelfredzaam zijn, onvoldoende kunnen deelnemen aan de samenleving of begeleiding nodig hebben om zelfstandig te kunnen wonen. Zij kunnen ondersteuning krijgen van de gemeente. - De eerste verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van kinderen ligt bij de ouders en het kind zelf. De gemeente regelt een goede en toegankelijke jeugdhulp. - Het is belangrijk voor de rechtszekerheid en duidelijkheid om regels vast te stellen over voorzieningen die het college kan toekennen.
- Bij elk besluit volgens deze verordening wordt rekening gehouden met de volgende visie:
Er wordt uitgegaan van de geldende wetten en regels, maar daarbij wordt gekeken naar het doel daarvan. De ontplooiing en het welzijn van inwoners is belangrijk. Zij verdienen bescherming en bijstand. Op die manier kunnen inwoners hun eigen verantwoordelijkheden binnen de samenleving dragen. Het is belangrijk dat kinderen opgroeien in een liefde- en begripsvolle gezinsomgeving. Inwoners met een beperking of een chronische ziekte hebben goede toegang tot de fysieke omgeving, vervoer, informatie, communicatie en andere voorzieningen en diensten nodig. De eigen verantwoordelijkheid van de inwoners staat centraal. Zij doen zelf wat mogelijk is voor hun zelfredzaamheid, meedoen aan het sociale leven en hun inkomen. Hierbij zetten zij waar mogelijk personen uit hun sociale netwerk in. Inwoners proberen zelf of met hulp van hun sociale netwerk knelpunten op te lossen. De gemeente, samen met partners, helpt hen de juiste weg te vinden of biedt ondersteuning. De ondersteuning is gericht op het zoveel mogelijk versterken van de eigen kracht van de inwoners, het gezin of het sociale netwerk. Ondersteuningsvragen worden integraal benaderd. De resultaten die de inwoner of het gezin wil bereiken staan centraal. Er wordt goed gekeken naar het effect van een besluit.
besluit vast te stellen de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Baarn 2020
Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Baarn 2020
1
Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Baarn 2020
2
BEGRIPSBEPALINGEN Artikel 1.
Definities
1. Deze verordening is van toepassing op het (integrale) proces rond de uitvoering van de Jeugdwet en de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). 2. In deze verordening wordt onder de niet-gedefinieerde begrippen verstaan, wat daarmee in de Jeugdwet of de Wmo 2015 wordt bedoeld. 3. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verder verstaan onder: a. aanbieder: natuurlijk persoon of rechtspersoon die jegens het college gehouden is een algemene voorziening, een individuele voorziening of een maatwerkvoorziening te leveren b. aanvraag: - een verzoek tot toekenning van een individuele voorziening in het kader van de Jeugdwet; - een verzoek tot toekenning van een maatwerkvoorziening in het kader van de Wmo 2015. c. algemeen gebruikelijke voorziening: voorziening die niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking en die algemeen verkrijgbaar is en niet of niet veel duurder is dan vergelijkbare producten, diensten, activiteiten of andere maatregelen; d. algemene voorzienig: aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning en participatie; e.
andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Wmo 2015 en van de Jeugdwet, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen; f. beschermd wonen: wonen in een accommodatie van een instelling met daarbij behorende toezicht en begeleiding nog gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen en bestemd voor personen met psychiatrische of psychosociale problemen, die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving g. bijdrage: bijdrage als bedoeld in de artikelen 2.1.4, en 2.1.4a, van de Wmo 2015; h. cliëntondersteuning onafhankelijke cliëntondersteuner met informatie en advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het verstrekken van de zelfredzaamheid en participatie i. gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid verwacht mag worden van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten j.
hulpvraag : behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo 2015 of behoefte van een jeugdige en zijn ouders in verband met opgroei en opvoedproblemen, psychische problemen en stoornissen, als bedoelt in artikel 2.3, eerste lid van de Jeugdwet; k. individuele voorziening: op de jeugdige of zijn ouders toegesneden voorziening als bedoeld in artikel 2. Tweede lid van de Jeugdwet. l. overige voorziening: overige voorziening als bedoeld in artikel 2, eerste lid van de Jeugdwet. m. voorliggende voorziening: algemene voorziening of andere voorziening waarmee aan de hulpvraag wordt tegemoet gekomen. n. Pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1. van de Wmo 2015 en artikel 8.1.1. van de jeugdwet, zijn de een door het college verstrekt budget voor een jeugdige of zijn ouders, dat hen in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele voorzieningen behoort van derden te betrekken o. wet: Wet Maatschappelijke ondersteuning 2015 en de |eugdwet
Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Baarn 2020
3
AANBOD VOORZIENINGEN Artikel 2.1
Aanbod algemene en maatwerkvoorzieningen maatschappelijke ondersteuning 1. De volgende vormen van algemene voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar: a. Algemene voorzieningen op het gebied van ondersteuning die worden geboden door maatschappelijke organisaties en door de markt. 2. De volgende maatwerkvoorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar: a. dagactiviteit, vervoer en begeleiding b. huishoudelijke hulp c. respijtzorg in een instelling d. ondersteuning bij het wonen e. ondersteuning bij deelname maatschappelijk verkeer f. beschermd wonen en opvang
Artikel 2.2
Aanbod algemene en individuele voorzieningen jeugdhulp.
1. De volgende vormen van algemene voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar: a. voorzieningen gericht op preventie van opvoed- en opgroeiproblemen. 2. De volgende vormen van (individuele) niet vrij-toegankelijke jeugdhulp zijn in ieder geval beschikbaar: a. Hulp voor jeugdigen met (ernstige) opvoed- en opgroeiproblemen die niet preventief of door het sociaal team geboden kan worden; b. Hulp voor jeugdigen met psychische klachten of stoornissen (voorkomen, behandelen, stabiliseren, genezen); c. Hulp voor jeugdigen met een verstandelijke beperking; d. Begeleiding en persoonlijke verzorging jeugdigen. PROCEDUREREGELS Artikel 3.1. Procedureregels aanvraag maatschappelijke ondersteuning 1. Het college bepaalt met inachtneming van de artikelen 2.3.1. tot en met 2.3.5 van de Wmo 2015 bij nadere regeling op welke wijze in samenspraak met de cliënt wordt vastgesteld of de cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang, in aanmerking komt. 2. Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk en wijst de cliënt op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning en op de mogelijkheid om gedurende zeven dagen na melding een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid van de Wmo 2015 te overhandigen.
Als de cliënt daarom verzoekt, zorgt het college voor ondersteuning bij het opstellen van een persoonlijk plan. 3. In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3. van de Wmo 2015 treft het college na de melding onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek. Artikel 3.2 Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts 1. Het college zorgt voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover genoemde jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is.
Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Baarn 2020
4
2. Als de jeugdige of zijn ouders hierom verzoeken, legt het college de te verlenen individuele voorziening, dan wel het afwijzen daarvan, vast in een beschikking als bedoeld in artikel 2.5. Artikel 3.3 Toegang jeugdhulp via de gemeente 1. Jeugdigen en ouders kunnen een aanvraag om een individuele voorziening schriftelijk indienen bij het college. Als de jeugdige of zijn ouders daarom verzoeken, zorgt het college voor ondersteuning bij het verhelderen van de ondersteuningsbehoefte. 2. Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk en wijst de jeugdige en zijn ouders voor het onderzoek, bedoelt in artikel 3.4, op de mogelijkheid gebruik te maken van een gratis cliëntondersteuning en op de mogelijkheid om binnen twee weken een familiegroepsplan op te stellen. Als de jeugdige of zijn ouders daarom verzoeken, zorgt het college voor ondersteuning bij het opstellen van een familiegroepsplan. 3. In spoedeisende gevallen beslist het college na een melding onverwijld tot verstrekking van een tijdelijke individuele voorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek en de aanvraag van de jeugdige of zijn ouders of vraagt het college een machtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk 6 van de wet. 4. Jeugdigen en ouders kunnen zich rechtstreeks wenden tot een overige voorziening. Artikel 3.4 Cliëntondersteuning 1.
Het college zorgt ervoor dat clienten, jeugdigen en hun een beroep kunnen doen op kosteloze cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt is. 2. Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo 2015, op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning. Artikel 3.5 Vertrouwenspersoon jeugd 1. Het college zorgt ervoor dat jeugdigen en (pleeg)ouders een beroep kunnen doen op een onafhankelijke vertrouwenspersoon. 2. Het college wijst jeugdigen en (pleeg)ouders erop dat zij zich desgewenst kunnen laten bijstaan door een onafhankelijke vertrouwenspersoon. ONDERZOEK, VERSLAG EN AANVRAAG Artikel 4 Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren 1. Het college onderzoekt in samenspraak met degene door of namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel zijn vertegenwoordiger en desgewenst familie zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes weken na ontvangst van de melding: a. De behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt; b. het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning; c.
de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven of te verbeteren, of te voorzien in zijn behoefte een beschermd wonen of opvang; d. de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit het sociale netwerk te komen tot verbeteringen van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; e. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt; f. de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijke nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, onderscheidenlijk de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;
Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Baarn 2020
5
2. 3. 4.
5. 6.
7.
8. 9.
g. de mogelijkheid om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het ook op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang; h. de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken; i. welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde of krachtens artikel 2.1.4 van de WMO 2015 verschuldigd zal zijn, en j. de mogelijkheden om te kiezen voor het verstrekken van een pgb, waarbij cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze. Als de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 3, tweede lid, aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek. Het college informeert de cliënt dan wel zijn vertegenwoordiger over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure.
Voor het onderzoek verschaft de cliënt het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover de cliënt redelijkerwijs de beschikking kan krijgen, rekening houdend met de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) Bij het onderzoek stelt het college de identiteit van de cliënt vast aan de hand van een door hen ter inzage verstrekt document als bedoelt in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. Als bij het college een aanvraag om een individuele voorziening wordt ingediend, voert het college in samenspraak met de jeugdige of zijn ouders dan wel wettelijk vertegenwoordiger, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes weken een onderzoek uit overeenkomstig het tweede tot en met zevende lid. In overleg met het college kunnen de jeugdige of zijn ouders de aanvraag lopende het onderzoek wijzigen Voordat het onderzoek van start gaat, kunnen de jeugdige of zijn ouders het college een familiegroepsplan verstrekken. Het college brengt hen van deze mogelijkheid op de hoogte en stelt gedurende twee weken na de aanvraag in de gelegenheid het plan te overhandigen. Als de jeugdige of zijn ouders daarom verzoeken, zorgt het college voor ondersteuning bij het opstellen van het familiegroepsplan.
Het college wijst de jeugdige en zijn ouders voor het onderzoek op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning. Het college onderzoekt: a. de behoefte, persoonskenmerken en voorkeuren van de jeugdigen en zijn ouders, de veiligheid en ontwikkeling van de jeugdige en de gezinssituatie; b. of er sprake is van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedproblemen van de ouders of adoptiegerelateerde problemen, en zo ja: 1) welke problemen of stoornissen dat zijn; 2) welke ondersteuning, hulp en zorg naar aard en omvang nodig zijn voor de jeugdigen om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren; 3) of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouders en de personen die tot hun sociale omgeving behoren toereikend zijn om zelf de nodige ondersteuning, hulp en zorg te kunnen bieden, en 4) voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, de mogelijkheden om met de inzet van een andere voorziening, overige voorziening of individuele voorziening te voorzien in de nodige ondersteuning, hulp en zorg;
Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Baarn 2020
6
c. hoe bij de bepaling van de aangewezen vorm van jeugdhulp zo goed mogelijk rekening kan worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders, en indien van toepassing, hoe de toekenning van een individuele voorziening zo goed mogelijk kan worden afgestemd op andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen. 10. Als de jeugdige of zijn ouders een familiegroepsplan hebben opgesteld, betrekt het college dat bij het onderzoek. 11. Het college informeert de jeugdige of zijn ouders dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger over de gang van zaken bij het onderzoek, hun rechten en plichten en de vervolgprocedure. 12. Bij het onderzoek wordt aan de jeugdige of zijn ouders dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger meegedeeld welke mogelijkheden bestaan om te kiezen voor de verstrekking van een pgb. De jeugdige of zijn ouders dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger wordt in begrijpelijke bewoordingen ingelicht over de gevolgen van die keuze. 13. De jeugdige of zijn ouders dan wel wettelijke vertegenwoordiger verschaffen het college de gegevens en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen, rekening houdend met de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) 14.
Bij het onderzoek stelt het college de identiteit van de jeugdige en zijn ouders vast aan de hand van een door hen ter inzage verstrekt document als bedoelt in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht, Artikel 5 Verslag 1. Binnen 5 werkdagen na het onderzoek verstrekt het college aan de cliënt dan wel zijn vertegenwoordiger, de jeugdige en zijn ouders een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek (het verslag). Opmerkingen of latere aanvullingen van de cliënt, dan wel zijn vertegenwoordiger, de jeugdige en zijn ouders worden aan het verslag toegevoegd. Artikel 6 Aanvraag 1. Een cliënt of zijn gemachtigde of vertegenwoordiger kan een aanvraag om een maatwerkvoorziening schriftelijk indienen bij het college. 2. Jeugdigen en zijn ouders kunnen een aanvraag om een individuele voorziening schriftelijk indienen bij het college. Een aanvraag kan worden ingediend door middel van: a. een door het college vastgesteld aanvraagformulier, of b. een door de jeugdige of zijn ouders ondertekend verslag als bedoeld in artikel 5 3. Het college geeft de beschikking binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag. BEOORDELING VAN DE AANSPRAAK Artikel 7
Criteria voor een maatwerkvoorziening maatschappelijke ondersteuningen, beschermd wonen en individuele voorziening jeugdhulp 1. Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening: a. ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen of algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. b. de maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 4 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven, en
Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Baarn 2020
7
c. een cliënt met psychische of psychosociale problemen en een cliënt die de thuissituatie heeft verlaten , al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving, voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 4 bedoeld onderzoek, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zo zich snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving. 2. Als het college van oordeel is dat een cliënt zijn hulpvraag redelijkerwijs van tevoren had kunnen voorzien en met zijn beslissing de hulpvraag had kunnen voorkomen, kan het college besluiten dat de cliënt niet in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening met betrekking tot zelfredzaamheid of participatie. 3.
Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte voorziening, wordt deze slechts verstrekt als de eerder verstrekte voorziening technisch is afgeschreven, a. tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen; b. tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de veroorzaakte kosten, of als de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning; c. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate tijdig beschikbare voorziening. 4. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate tijdig beschikbare voorziening. 5. Onverminderd dat jeugdhulp ook toegankelijk is na verwijzing door de huisarts of medisch specialist en de jeugdarts komt een jeugdige of ouder in aanmerking voor een door het college verleende individuele voorziening als het college van oordeel is dat de jeugdige of ouder jeugdhulp nodig heeft, in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn en gebruikmaking van een overige voorziening deze noodzaak niet kan verminderen of wegenemen. 6.
Als een individuele voorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate tijdig bikschikbare voorziening. 7. Het college kan de cliënt in aanmerking brengen voor beschermd wonen indien de cliënt: a. is aangewezen op een beschermde woonomgeving, gelet op complexe problematiek; en b. 24 uurs (maatschappelijke) opvang of de ambulante maatwerkvoorziening(en) begeleiding, dagactiviteit al dan niet gecombineerd met respijtverblijf in een instelling niet als passende bijdrage kunnen worden aangemerkt, en c. deze (mede) gericht zijn op het in staat stellen van de cliënt om zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. 8. Een indicatie voor beschermd wonen wordt gesteld in de vorm van een zorgarrangement. 9. De beschermde woonomgeving gaat gepaard met noodzakelijk verblijf ineen accommodatie van een instelling waar het toezicht en de aangewezen ondersteuning wordt geboden. 10. Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van criteria voor maatschappelijke opvang en beschermd wonen en in het geval de cliënt een pgb wenst te besteden bij een niet door het college gecontracteerde aanbieder voor beschermd wonen. Deze regels hebben in ieder
Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Baarn 2020
8
geval betrekking op de eisen die gelden voor de accommodatie waar de cliënt zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben voor wat betreft a. het aantal bewoners, en b. de inschrijving in de Basisregistratie personen (BRP) , en c. de eisen die gelden voor de accommoatie. Artikel 8 Advisering 1. Het college wint een specifiek deskundig oordeel en advies in, als het onderzoek of de beoordeling van een aanvraag voor een individuele voorziening of een maatwerkvoorziening dit vereist door hem daartoe aangewezen adviesinstantie. Artikel 9 Inhoud beschikking 1. In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening maatschappelijke ondersteuning en een individuele voorziening jeugdhulp wordt in ieder geval aangegeven of de voorziening in natura of als persoonsgebonden budget (pgb) wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt. 2. Bij het verstrekken van een voorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a. welke de te verstrekken maatwerkvoorziening of individuele voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is; b. wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; c. hoe de maatwerkvoorziening of individuele voorziening wordt verstrekt, en indien van toepassing; d. welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn. 3.
Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening of individuele voorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a. voor welk resultaat het pgb moet worden aangewend; b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; c. wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen; d. welke voorwaarden aan het pgb verbonden zijn; e. wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld, en f. de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb. 4. Als sprake is van een te betalen bijdrage wordt de cliënt daarover in de beschikking geïnformeerd. PERSOONSGEBONDEN BUDGET Artikel 10.1 Regels voor pgb 1. Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 8.1.1 tot en met artikel 8.1.8 Jeugdwet respectievelijk artikel 2.3.6 Wmo 2015. 2. Onverminderd artikel 2.3.6, tweede en vijfde lid, van de Wmo 2015 en artikel 8.1.1. lid 3 en 5 van de Jeugdwet verstrekt het college geen pgb voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de belanghebbende voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk was. 3. De hoogte van een pgb: a.
wordt vastgesteld aan de hand van een door de cliënt, de jeugdige of zijn ouders opgesteld plan over hoe hij het pgb gaat besteden, welke jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort de jeugdige of zijn ouders van het budget willen betrekken, en indien van toepassing, welke hiervan de jeugdige of zijn ouders willen betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk;
Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Baarn 2020
9
b. wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen, jeugdhulp en andere maatregelen die tot de maatwerk voorzieningen of individuele voorzieningen behoren, van derden te betrekken, en wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering, en c. bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate in de gemeente beschikbare maatwerkvoorziening en individuele voorziening in natura. 4. De persoon aan wie een pgb wordt verstrekt kan de jeugdhulpdiensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen onder de volgende voorwaarden betrekken van een persoon die behoort tot het eigen sociale netwerk: a.
het tarief of de prijs bedoelt in het tweede lid, onderdeel b, onder 1e, bedraagt voor jeugdhulp verleend door een derde, niet zijnde op onverplichte basis verleende jeugdhulp door een hulp uit het sociale netwerk als bedoeld in artikel 8 van de Regeling Jeugdwet, 100% van het minimum loon of zoveel meer, tot ten hoogste de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate in de gemeente tijdig beschikbare individuele voorziening in natura, als noodzakelijk is om: - 1e te verzekeren dat het budget de cliënt, jeugdige of zijn ouders in staat stelt tijdig kwalitatief goede jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning te betrekken of verlenen, en - 2e op gepaste wijze rekenschap te geven aan de gezinssituatie en van de relevante werkervaring en kwalificaties van deze persoon. b. een hulp uit het sociaal netwerk als bedoelt in artikel 8 van de Regeling Jeugdwet en artikel 2 van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015 kan voor op onverplichte basis verleende jeugdhulp enkel een tegemoetkoming per kalendermaand voor schoonmaakmiddelen, levensmiddelen, kleding of reiskosten ten behoeve van de hulp worden betaald, overeenkomstig de door het college daarvoor vastgestelde bedragen; c. deze persoon heeft aangegeven dat het leveren van de jeugdhulp voor hem niet tot overbelasting leidt, en de tussenpersonen of belangenbehartigers worden niet uit het pgb betaald. 5.
Het college stelt nadere regels ten aanzien van: a. de manier waarop een pgb kan worden aangevraagd; b. de criteria die gelden voor het toekennen van een pgb; c. de besteding van het pgb. Artikel 10.2 Regels voor de berekeningswijze van de hoogte van een persoonsgebonden budget 1. Er gelden verschillende berekeningswijzen voor de hoogte van de pgb-tarieven van producten en diensten. De verschillende berekeningswijzen leiden tot maximaal mogelijke pgb-tarieven. Het werkelijk toe te kennen pgb wordt afgestemd op de te maken kosten, die volgen uit het onder artikel 2,7 lid 3 sub a genoemde plan. 2. Het college draagt zorg voor: a. de vaststelling van de pgb-tarieven volgens de in lid 3a tot en met de e van de Wmo 2015 bepaalde berekeningswijze en opname hiervan in het Financieel besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Baarn. b. De publicatie van het financieel besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Baarn. 3. De hoogte van een pgb wordt berekend in geval van:
Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Baarn 2020
10
a. een zaak/ product: op basis van de kostprijs van de zaak/ het product die de cliënt zou hebben ontvangen als deze zaak/ dit product in natura zou zijn verstrekt en rekening houdende met een reële termijn voor de technische afschrijving en de onderhouds- en verzekeringskosten; b. hulp bij het huishouden: op basis van keuze uit twee pgb-tariefgroepen: 1.uitgevoerd door professionals in dienst van een instelling per tijdseenheid: op basis van 100% van het door het college vastgestelde zorg in natura tarief voor het betreffende product/ dienst van gecontracteerde aanbieders dan wel op basis van het laagst toepasselijke tarief van een gecontracteerde aanbieder; uitgevoerd door particulieren: op basis van een tarief dat gebruikelijk is in de markt; c.
de onderscheiden typen individuele begeleiding en te onderscheiden typen groepsbegeleiding en dagbesteding (met en zonder vervoer), voor algemeen dagelijkse levensverrichtingen (ADL) en voor respijtverblijf voor volwassenen: op basis van keuze uit drie pgb-tariefgroepen: 1.uitgevoerd door professionals in dienst van een instelling per tijdseenheid: op basis van 100% van het door het college vastgestelde zorg in natura tarief voor het betreffende product/ dienst van gecontracteerde aanbieders; 2.uitgevoerd door professionals niet in dienst van een instelling per tijdseenheid: op basis van 75% van het door het college vastgestelde zorg in natura tarief voor het betreffende product/ dienst van gecontracteerde aanbieders; 3. uitgevoerd door niet-professionals per tijdseenheid: op basis van 50% van het door het college vastgestelde zorg in natura tarief voor het betreffende product/ dienst van gecontracteerde aanbieders. d. beschermd wonen: de hoogte van het pgb beschermd wonen vloeit voort uit het voor de cliënt van toepassing zijnde zorgarrangement. De hoogte van het pgb wordt vastgesteld op basis van het aantal geïndiceerde uren, het geldende uurtarief zoals in het Uitvoeringsbesluit pgb. De hoogte van het pgb uurtarief voor professionals in dienst van een instelling wordt gebaseerd op de tarieven zoals vastgesteld bij de inkoop zorg in natura (ZIN) 2018 1.
met een functieniveau MBO € 49,66 per uur MBO 2. met een functieniveau HBO € 60,90 per uur. e. Indien sprake is van overgangsrecht geldt het uurtarief van 75% van het van toepassing zijnde zorginstellingstarief. Artikel 11 1. 2. 3. 4.
Regels voor bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen en pgb’s en bij verordening aangewezen algemene voorzieningen Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening of pgb, zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt. Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een bij verordening aangewezen algemene voorziening zolang de cliënt van deze voorziening gebruik maakt. de bij verordening aangewezen voorzieningen zijn: a. algemene voorzieningen op het gebied van ondersteuning die worden geboden door maatschappelijke organisaties en de markt de bijdragen voor maatwerkvoorzieningen of pgb en voor bij algemene voorzieningen, zijn gelijk aan de kostprijs, tot aan ten hoogste € 19,00 per maand voor de ongehuwde cliënt of de gehuwde cliënten tezamen, tenzij overeenkomstig artikel 2.1.4a, vijfde lid, van de Wmo 2015 een lagere bijdrage is verschuldigd.
Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Baarn 2020
11
5. De kostprijs van een: a. maatwerkvoorziening of bij de verordening aangewezen algemene voorziening wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie inde markt of na overleg met de aanbieder; b. maatwerkvoorzieningen in de vorm van een hulpmiddel of woningaanpassing wordt tevens bepaald door de wijze van beschikbaarstelling van de voorziening, bruikleen, huur of eigendom; c. het pgb is maximaal gelijk aan de hoogte van een voorziening in natura 6. In de gevallen, bedoeld in artikel 2.1.4a, tweede lid, van de wet, worden de bijdragen voor een maatwerkvoorziening of pgb door CAK vastgesteld en geïnd. 7. De bijdragen voor een maatwerkvoorziening of pgb ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt is verschuldigd door de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degenen tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is toegewezen, en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt. BIJDRAGEN IN DE KOSTEN Artikel 12 1. 2. 3. 4.
Bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen, met uitzondering van de bij verordenring aangewezen algemene voorzieningen Een cliënt is een bijdrage verschuldigd in de kosten voor het gebruik van een algemene voorziening, niet zijnde kosteloze onafhankelijke cliëntondersteuning De kostprijs van een algemeen voorziening wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt en na overleg met de aanbieders. Een cliënt is een bijdrage verschuldigd in de kosten voor het gebruik van collectief vervoer (regiovervoer, niet zijnde het gebruik op indicatie) en worden jaarlijks geïndiceerd volgens de ontwikkelingen van de consumentenindex. Het college draagt zorg voor de kenbaarheid van de kostprijs en de bijdragen voor de kosten voor het gebruik van het collectief vervoer. KWALITEITSEISEN, CALAMITEITEN EN VOORKOMEN MISBRUIK
Artikel 13 Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning 1. Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door: a. het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt; b. het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg en ondersteuning; c. erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard; d. voor zover van toepassing, erop toe te zien dat de kwaliteit van de voorzieningen en de deskundigheid van beroepskrachten tenminste voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de in de toepasselijke sector erkende keurmerken. 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden zoet het college toe op de naleving van deze eisen door periodiek overleggen met aanbieders, jaarlijkse cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen. Artikel 14 Meldingsregeling calamiteiten en geweld maatschappelijke ondersteuning 1. Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan.
Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Baarn 2020
12
2. Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar. 3. De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1, van de wet, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. Artikel 15 1.
2.
3.
4.
5. 6.
Voorkomen en bestrijding ten onrechte ontvangen maatwerkvoorziening en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet Het college informeert cliënten of hun vertegenwoordiger, de jeugdige of zijn ouders, dan wel zijn wettelijke vertegenwoordigers in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening of pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. Onverminderd artikel 8.1.2 van de Jeugdwet en artikel 2.3.8 van de Wmo 2015 doet cliënt of diens vertegenwoordiger, de jeugdige of zijn ouders onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een maatwerkvoorziening of individuele voorziening. Onverminderd artikel 8.1.4 van de Jeugdwet en artikel 2.3.10 van de Wmo 2015 kan het college een beslissing aangaande een voorziening geheel of gedeeltelijke herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat: a. de cliënt, de jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; b.
de cliënt, de jeugdige of zijn ouders naar het oordeel van het college niet langer op de voorziening of op het pgb is aangewezen; c. de voorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten; d. de cliënt of de jeugdige langer dan 8 weken verblijft in een instelling als bedoelt in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet; e. de cliënt, de jeugdige of zijn ouders niet voldoet aan de voorwaarden van de maatwerkvoorziening, de individuele voorziening of het pgb, of f. de cliënt, de jeugdige of zijn ouders de voorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruikt dan waarvoor het is bestemd. Als het college een beslissing op grond van het derde lid onder a, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens door de cliënt opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college bij dwangbevel van de cliënt en degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten voorziening of het ten onrechte genoten pgb. Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. Ingeval het recht op een in eigendom of in bruikleen verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd.
Artikel 16 Opschorting betaling uit het pgb 1. Het college kan de Sociale verzekeringsbank verzoeken te beslissen tot een geheel of gedeeltelijke opschorting voor ten hoogste dertien weken van betalingen uit het pgb als er ten aanzien van een cliënt een ernstig vermoeden is gerezen dat er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d of e, van de Wmo 2015 en artikel 8.1.4 lid a, d of e van de Jeugdwet.
Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Baarn 2020
13
2. Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betaling uit het pgb voor de duur van de opname als sprake is van omstandigheden als bedoelt in artikel 4, derde lid onder d van de Jeugdwet. 3. Het college stelt de persoon aan wie het pgb is verstrekt schriftelijk op de hoogte van het verzoek als bedoelt in het eerste en tweede lid. Artikel 17
Onderzoek naar kwaliteit en rechtmatigheid en doelmatigheid maatwerkvoorzieningen en pgb 1. Het college onderzoekt, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van individuele voorzieningen en maatwerkvoorzieningen en de besteding van pgb’s met het oog op de beoordeling van de kwaliteit en rechtmatigheid en doelmatigheid daarvan. WAARDERING MANTELZORG
Artikel 18 Jaarlijkse waardering mantelzorgers 1. Mantelzorgers van cliënten in de gemeente kunnen door middel van een melding bij het college voor het ontvangen van een jaarlijkse blijk van waardering in aanmerking worden gebracht. 2. De jaarlijkse blijk van waardering heeft een waarde van ten hoogste€ 200,3. Het college bepaalt bij nadere regeling op welke wijze wordt zorggedragen voor de jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers van cliënten in de gemeente. TEGEMOETKOMING MEERKOSTEN Artikel 19.1
Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen 1. Het college kan in overeenstemming met het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2 van de Wmo 2015, op aanvraag aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming in de meerkosten verstrekken ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en participatie 2. Het college stelt bij nadere regeling de hoogte van de tegemoetkoming vast.
Artikel 19.2 Tegemoetkoming kosten kinderopvang op basis van sociaal medische indicatie 1. Het college kan een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang op basis van sociaal medische indicatie verstrekken als tijdelijke oplossing om de ouder te ontlasten en de ontwikkeling van het kind/de kinderen niet te schaden. 2. Het college stelt bij nadere regeling de hoogte van de tegemoetkoming vast. VERHOUDING PRIJS EN KWALITEIT Artikel 20.1
Verhouding prijs en kwaliteit levering dienst door derden maatschappelijke ondersteuning 1. Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de Wmo 2015 en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast: a. een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan van een overeenkomst met derde; of b. een reële prijs die geldt als ondergrens voor:
Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Baarn 2020
14
2.
3.
4.
5.
1e een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde, en 2e de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a. Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast: a. overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet, en b. rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen: a. kosten van de beroepskracht; b. redelijke overheadkosten; c. kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg; d. reis- en opleidingskosten; e. indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst; f. overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen. Het college kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad.
Het college bepaalt met welke derde als bedoeld in het eerste lid hij een overeenkomst aangaat.
Artikel 20.2
Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering 1. Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, rekening met: a. de aard en omvang van de te verrichten taken; b. de voor de sector toepasselijke cao-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie; c. een redelijke toeslag voor overheadkosten; f. een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg; g. kosten voor bijscholing van het personeel. KLACHTENREGELING
Artikel 21 Klachtregeling maatschappelijke ondersteuning 1. Bij klachten over gedragingen van Baarnse ambtenaren is de gemeentelijke klachtenregeling van toepassing. 2. Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten gericht tegen de medewerkers van hun aanbieders. 3. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. Artikel 22.
Klachtregeling jeugdhulp
Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Baarn 2020
15
1. Het college stelt een regeling vast voor de afhandeling van klachten van jeugdigen en ouders die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen, verzoeken en aanvragen als bedoeld in deze verordening. OVERIGE BEPALINGEN Artikel 23
Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp 1. Aanbieders en gecertificeerde instellingen van maatwerkvoorzieningen en individuele voorzieningen die in opdracht van de gemeente jeugdhulp of maatschappelijke ondersteuning doen verlenen of hun taken laten uitvoeren door in de regel meer dan tien personen, dienen te beschikken over een regeling voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder, welke voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van alle voorzieningen, zoals bedoeld in artikel 4.2.4 tot en met 4.2.12 Jeugdwet en artikel 3.2 Wmo 2015. 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. Artikel 24 Betrekken van ingezetenen bij het beleid 1. Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp, overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend. 2.
Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 3. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning. 4. Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het tweede en derde lid.
Artikel 25 Nadere regelingen 1. Het college stelt nadere regelingen vast over de uitvoering van deze verordening in ‘Nadere regels Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Baarn 2020’ ‘Nadere regels landelijke toegankelijkheid maatschappelijke opvang Baarn 2020’ ‘Nadere regels beschermd wonen Baarn 2020’ en in het ‘Financieel Besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Baarn 2020’ Artikel 26 Intrekking oude verordening en overgangsrecht 1. De ‘Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Baarn 2018 ’ wordt ingetrokken.
Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Baarn 2020
16
2. Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de ‘Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp 2018’, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken. 3. Aanvragen die zijn ingediend onder de ‘Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Baarn 2018’ en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening. 4. Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de ’Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Baarn 2018’, wordt beslist met inachtneming van die verordening. Artikel 27 Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2020. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Baarn 2020.
Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Baarn 2020
17
Toelichting Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugd Baarn 2020 Algemeen Deze verordening vervangt de verordening maatschappelijke ondersteuning en Jeugd Baarn 2018 en geeft uitvoering aan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en aan de Jeugdwet. De verordening maatschappelijke ondersteuning en Jeugd Baarn 2020 volgt zo veel als mogelijk de Modelverordening van de VNG. De wijzigingen in de Wmo 2015 en de Jeugdwet die door de VNG zijn vertaald in de ‘was- wordt’ lijsten zijn zo veel als mogelijk integraal opgenomen. Hiermee beogen we aan te sluiten bij landelijk beleid en regelgeving. Via een verordening vult de gemeenteraad, op basis van het door haar vastgestelde beleid, haar kaderstellende rol verder in. De aanleiding tot een aanpassing van de verordening is drieledig. De eerste reden is de wijziging in de Wmo 2015 met de invoering van het abonnementstarief voor maatwerkvoorzieningen in 2019 en voor de algemene voorzieningen in 2020. De tweede reden is de wijzigingen in de verordening Jeugd. We zien dat de jeugdverordening, in navolging van de Wmo verordening meer gericht is op een procesbeschrijving. In de vorige verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugd Baarn 2018 was de procesbeschrijving niet opgenomen. Hierop is deze verordening geactualiseerd.
De derde reden is om de regels voor het beschermd wonen toe te voegen aan de verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugd. Hiervoor wordt geen aparte verordening meer gemaakt, maar maakt vanaf nu integraal onderdeel uit van de verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugd. De wetgever beoogt met zowel de jeugdwet als de Wmo 2015 (in brede zin) vergelijkbare doelen te halen voor hulp en ondersteuning aan verschillende doelgroepen. En verplicht de wetgever gemeenten om beleid in samenhang te ontwikkelen. Een integrale verordening draagt tevens bij aan het vinden van integrale antwoorden op ondersteuningsvragen. In de voorliggende verordening stelt de gemeenteraad de regels vast voor de uitvoering van het beleid door het college. De gemeentelijke verordening is daarmee een essentieel document voor de concrete uitwerking van het beleid met betrekking tot ondersteuning van zelfredzaamheid en participatie, beschermd wonen en opvang. Bij de uitwerking van de verordening is rekening gehouden met het feit dat er maatwerk geboden moet worden. Dit betekent dat het niet mogelijk en niet wenselijk is in de verordening tot in detail vast te leggen hoe de gemeente in concrete situaties zal handelen; waar een individuele cliënt in zijn situatie het meest bij gebaat is, laat zich niet vooraf vastleggen. De wet en deze verordening leggen veel bevoegdheden bij het college.
De uitvoering hiervan zal echter in de regel namens het college gedaan worden (in mandaat) door deskundige consulenten, ambtenaren of bijvoorbeeld aanbieders. Waar in deze verordening en in de wet ‘het college’ staat, kan het college deze bevoegdheid mandateren aan ondergeschikten dan wel niet-ondergeschikten op grond van de algemene regels van de Algemene wet bestuursrecht. Op grond van artikel 2.6.3 van de wet kan het college de vaststelling van rechten en plichten van de cliënt echter alleen mandateren aan een aanbieder. Zie voor de definitie van ‘aanbieder’ de toelichting onder artikel 1. Deze beperking geldt alleen voor mandatering aan niet-ondergeschikten. Het college kan de vaststelling van rechten en plichten daarnaast ook aan ondergeschikten mandateren.
Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Baarn 2020
18
Artikelsgewijze toelichting Aanhef De toepasselijke wetten in het sociaal domein vormen geen samenhangende eenheid. Wij hebben de opdracht, om tot een integrale benadering te komen voor de inwoners van Baarn. Bij het nemen van besluiten kijken we naar het doel van de wetgeving, het effect van het besluit op de andere leefdomeinen en de zorgplicht die de gemeente heeft. Waar de regelgeving lijkt te conflicteren, is onze visie van groot belang voor een te nemen besluit. Deze visie is verwoord in de aanhef van deze verordening en is gebaseerd op de eerder door ons vastgestelde visie op het sociaal domein, het Verdrag inzake de Rechten van het kind en het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. We vinden het belangrijk dat iedere inwoner jonger dan18 jaar actief kan deelnemen aan de samenleving, in staat is een bevredigend, volwaardig en behoorlijk leven te leiden en toegang heeft tot de (gezondheids)zorg, onderwijs, training en sport die hij of zij nodig heeft. Voor gehandicapten en chronisch zieken is de toegankelijkheid van het (zorg)aanbod van groot belang. Artikel 1 Definities Het aantal definities van artikel 1 zijn beperkt aangezien de wet Wmo 2015 en de Jeugdwet al een flik aantal definities kent die ook bindend zijn voor deze verordening. In deze verordening worden de wettelijke begrippen als bekend verondersteld.
De begripsbepalingen opgenomen in de verordening zijn daarom beperkt tot enkele essentiële en aanvullende begrippen. Artikel 2
Aanbod van algemene voorzieningen; maatwerkvoorzieningen en individuele voorzieningen De gemeente vindt het belangrijk dat voor iedereen duidelijk is wat het gemeentelijk aanbod aan voorzieningen is. Ook vindt de gemeente het belangrijk dat op voorhand duidelijk is welke vormen van voorzieningen alleen toegankelijk zijn na een besluit van de gemeente maatwerkvoorziening en individuele voorzieningen. Daarom zijn in dit artikel de vormen van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp die door de gemeente worden geboden opgesomd. Van verschillende van de hier genoemde vormen van maatwerkvoorzieningen en individuele voorzieningen bestaan diverse varianten. De inzet van een specifieke variant zal steeds afhankelijk zijn van de uitkomsten van het onderzoek en de betreffende situatie en de specifieke behoeften van de cliënt, jeugdige of zijn ouders. Artikel 3.1 Procedureregels aanvraag maatschappelijke ondersteuning Deze bepaling is opgenomen om een kader ten grondslag te bieden voor de door het college uit te werken procedureregels ten aanzien van de wijze waarop wordt vastgesteld of een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang. Dit kader en de te stellen procedureregels kunnen gezien worden als de grond van artikel 2.1.3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wmo 2015 verplichte uitwerking.
Het afzonderlijke vooronderzoek (artikel 4 (oud)) van de Wmo 2015 is geschrapt, vanwege de constatering van de Autoriteit Persoonsgegevens dat er daarbij veelal meer persoonsgegevens werden verwerkt dan noodzakelijk. Eerste lid. De melding is vormvrij en kan door of namens de cliënt, worden gedaan. Dit kan ruim opgevat worden. Naast de cliënt kan bijvoorbeeld diens vertegenwoordiger, mantelzorger, partner, familielid, buurman of andere betrokkene de melding doen. In het tweede lid is de verplichte ontvangstbevestiging verankert (artikel 2.3.2., eerste lid, slotzin van de Wmo 2015. Aangezien het onderzoek na een melding maximaal zes weken mag bestaan (artikel
Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Baarn 2020
19
2.3.3, eerste lid van de Wmo 2015), is registratie en ontvangstbevestiging van de melding ook in het kader va deze termijn van belang. Overeenkomstig artikel 2.3.2, derde lid van de Wmo 2015 moet de cliënt en zijn mantelzorger voor het onderzoek gewezen worden op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning. In de memorie van toelichting bij artikel 2.2.4, eerste lid. Aanhef en onder van de Wmo 2015 is vermeld dat gemeenten hiermee de opdracht hebben in ieder geval een algemene voorziening voor cliëntondersteuning te realiseren, waar burgers informatie en advies over vraagstukken van maatschappelijke ondersteuning en hulp bij het verkrijgen daarvan kunnen krijgen. Ook uitgebreide vraagverheldering alsmede kortdurende en kortcyclische ondersteuning bij het maken van keuzes op diverse levensterreinen maken daarvan deel uit. Artikel 3.2 Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts In artikel 2.6, eerste lid, onderdeel g, van de Jeugdwet is geregeld dat, naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp, ook de directe verwijzingsmogelijkheid door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar de jeugdhulp blijft bestaan. Dit laatste geldt zowel voor de vrijtoegankelijke (overige) voorzieningen als de niet vrij-toegankelijke (individuele) voorzieningen.
Na een dergelijke verwijzing staat echter nog niet vast welke specifieke behandelvorm van jeugdhulp (dus bijvoorbeeld welke therapie) een jeugdige of zijn ouder precies nodig heeft. Een jeugdige kan op dat moment terecht bij de jeugdhulpaanbieders die de gemeente heeft ingekocht. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder zelf zijn die op basis van zijn professionele autonomie na de verwijzing beoordeelt welke voorziening precies nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur). Bij deze beoordeling dient de jeugdhulpaanbieder zich te houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie. Deze afspraken zien op hoe de gemeente haar regierol kan waarmaken en op de omvang van het pakket. Deze afspraken zullen verder ook ingaan op hoe de artsen en de gemeentelijke toegang goed van elkaar op de hoogte zijn van de doorverwijzing of behandeling van een kind, zodat de integrale benadering rond het kind en het principe van 1 gezin – 1 regisseur – 1 plan, met name bij multiproblematiek, kan worden geborgd en er geen nieuwe ‘verkokering’ zal plaatsvinden, waarbij professionals niet goed van elkaar weten dat zij bij het gezin betrokken zijn. Daarnaast zal de jeugdhulpaanbieder rekening moeten houden met de regels die de gemeente bij verordening heeft gesteld.
Deze verordening regelt welk aanbod van de gemeente alleen via verwijzing of met een besluit van de gemeente toegankelijk is (zie artikel 2). Omdat de gemeente verder geen nadrukkelijke rol speelt in bij de toegang via de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist, regelt deze slechts een enkel aspect met betrekking tot het proces (zie artikel 3). Artikel 11 en verder zijn wel van overeenkomstige toepassing. Als de jeugdige of zijn ouders dit wensen of in het uitzonderlijke geval dat het college een besluit neemt dat afwijkt van het oordeel van de jeugdhulpaanbieder, legt het college de te verlenen individuele voorziening, dan wel het afwijzen daarvan, vast in een beschikking aan de jeugdige of zijn ouders. Op die manier wordt de jeugdige en zijn ouders de benodigde rechtsbescherming geboden en wordt voorkomen dat het college talloze beschikkingen moet afgeven die hetzelfde luiden als hetgeen de jeugdige of zijn ouders naar het oordeel van de jeugdhulpaanbieder nodig hebben. Artikel 3.3 Toegang jeugdhulp via de gemeente In dit artikel delegeert de raad de vaststelling voor het procedureregels van melding van een jeugdhulp tot een aanvraag voor een individuele voorziening aan het college.