CConstaterende datBaarn
Koppel je AI →
Document · PDF

191869 Tweede wijziging Algemene Plaatselijke Verordening Baarn 2019 bijlage 3 Tekst APV Baarn 2019 inclusief wijzigingstekst (1)

Besluit in de Raad 27 januari 2021, gemeente BaarnBij agendapunt: Tweede wijziging Algemene Plaatselijke Verordening Baarn 201922.543 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Tekst in zwart is de ongewijzigde tekst Tekst in rood is tekst die komt te vervallen Tekst in groen is tekst die nieuw is

ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING BAARN 2019 De raad van de gemeente Baarn; gelezen het voorstel van college van burgemeester en wethouders van 14 januari 2020 8 december 2020 gelet op artikel 149 van de Gemeentewet;

besluit •

vast te stellen de eerste tweede wijziging van de Algemene plaatselijke verordening Baarn 2019:

Vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Baarn op 19 februari 2020 27 januari 2021. Dit besluit is gepubliceerd op 26 februari 2020 3 februari 2021 en treedt in werking op 27 februari 2020 4 februari 2021.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1:1 Definities In deze verordening wordt verstaan onder: -

bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de

Wegenverkeerswet 1994; -

bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een

omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; -

bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1, eerste lid van de Bouwverordening

Baarn 2012 daaronder wordt verstaan; -

bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e van de

Wegenverkeerswet 1994; -

college: het college van burgemeester en wethouders;

-

gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Woningwet;

-

handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd

wordt een commercieel belang te dienen; -

motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en

verkeerstekens 1990; -

openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn;

-

openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties;

-

rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt

recht of persoonlijk recht; -

voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en

verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, en kinderwagens, en rolstoelen; -

weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet

1994.

Artikel 1:2 Beslistermijn 1.

Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag.

2.

Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verlengen.

3.

In afwijking van het eerste en tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing als beslist wordt op een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 2:10, vierde lid, of vergunning als bedoeld in artikel 2:10, eerste lid (varianten 2 en 3) een vergunning als bedoeld in artikel 2:11 tweede lid, of een vergunning als bedoeld in artikel 4:11.

Artikel 1:3 [Vvervallen].

Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen 1.

Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.

2.

Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.

Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald.

Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing

De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als: a.

ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;

b.

op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;

c.

de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;

d.

van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of

e.

de houder dit verzoekt.

Artikel 1:7 Termijnen 1.

De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.

2.

De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft.

Artikel 1:8 Weigeringsgronden 1.

2.

Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van: a.

de openbare orde;

b.

de openbare veiligheid;

c.

de volksgezondheid;

d.

de bescherming van het milieu.

Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.

HOOFDSTUK 2 OPENBARE ORDE EN VEILIGHEID, VOLKSGEZONDHEID EN MILIEU

Afdeling 1 Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden

Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden 1.

Het is verboden op een openbare plaats of in een voor het publiek toegankelijk gebouw op enigerlei wijze de orde te verstoren, zich hinderlijk te gedragen, personen lastig te vallen, te vechten, deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden.

2.

Degene die op een openbare plaats a.

aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan;

b.

aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of

c.

zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing;

is verplicht op bevel van een toezichthouder zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. 3.

Het is verboden zich te begeven naar of zich te bevinden op openbare plaatsen die door of vanwege het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet of afgesloten.

4.

De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het derde lid.

5.

Dit artikel is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.

6.

Het is verboden om in het geval van wanordelijkheden of indien er ernstig gevaar voor het ontstaan daarvan dreigt, op de in het eerste lid bedoelde openbare plaatsen of in de in dat lid bedoelde gebouwen een voorwerp of stof, kennelijk meegebracht om de orde te verstoren, bij zich te hebben.

7.

Het is verboden een voorwerp dat door het bevoegde gezag ter afzetting of afsluiting van een openbare plaats of gebouw als bedoeld in het derde lid is aangebracht, te verplaatsen, te verwijderen of omver te halen.

8.

De verboden in dit artikel gelden niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2:2 Betreden van afzettingen Het is verboden zich te begeven op terreinen, wegen of weggedeelten die door het bevoegde bestuursorgaan zijn afgezet vanwege de openbare orde of veiligheid, de verkeersveiligheid of een ander algemeen belang.

Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen 1.

Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan vóór de openbare aankondiging en ten minste achtenveertig uren voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester.

2.

De kennisgeving bevat: a.

naam en adres van degene die de betoging houdt;

b.

het doel van de betoging;

c.

de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging;

d.

de plaats en, voor zover van toepassing, de route;

e.

voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; en

f.

maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.

3.

Degene die de kennisgeving doet ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.

4.

Als het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk op de werkdag die aan de dag van dat tijdstip voorafgaat vóór 12.00 uur.

5.

De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een kennisgeving in behandeling nemen buiten deze termijn.

Artikel 2:4 [Vvervallen]

Artikel 2:5 [Vvervallen]

Artikel 2:6 Verspreiden geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen 1.

Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden op door het college aangewezen openbare plaatsen.

2.

Het is verboden handelsreclame in de vorm van gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden.

3.

Het college kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren.

4.

Het verbod is niet van toepassing op het huis-aan-huis verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen.

5.

Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

6.

Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2:7 [vervallen]

Artikel 2:8 Maken van filmopnamen 1.

Het is verboden zonder vergunning in de openbare ruimte een filmopname te maken voor andere dan privédoeleinden.

2.

Geen vergunning voor het maken van filmopnamen is vereist als: a.

de opnamen plaatsvinden tussen 08.00 uur en 22.00 uur;

b.

wordt gewerkt met maximaal 35 personen aanwezig op de set (film- en opnamecrew) en drie

camera’s vanaf de schouder of op statief; c.

geen objecten op de rijbaan of fietspad worden geplaatst;

d.

voetgangers niet worden gehinderd en maximaal zes attributen (elk maximaal 1m2, geen

voertuigen) op het voor voetgangers bedoelde deel van de weg worden geplaatst; e.

geen omleidingen of afzettingen worden geplaatst;

f.

parkeerplaatsen alleen worden gebruikt door auto’s en busjes die noodzakelijk zijn voor de

opname en elk een normale parkeerplaats innemen;

g.

geen geweldsscènes of scènes met speciale effecten plaatsvinden;

h.

niet meer dan twee aaneengesloten dagen wordt gefilmd, met een maximum van tien dagen

per kalenderjaar; i.

de organisator ten minste vier weken voorafgaand aan de opnamen daarvan melding heeft

gedaan aan het college met een door deze vastgesteld meldingsformulier. 3.

Indien binnen drie weken na ontvangst van het meldingsformulier door het college geen tegenbericht is verzonden, kunnen de opnamen - zoals gemeld - plaatsvinden.

4.

Het college kan binnen drie weken na ontvangst van de melding besluiten filmopnamen te verbieden, indien er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.

5.

Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op het eerste lid.

Artikel 2:9 Vertoningen op openbare plaatsen 1.

Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest, straatfotograaf of tekenaar op te treden op door de burgemeester in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu aangewezen openbare plaatsen.

2.

De burgemeester kan het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren.

3.

De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod.

4.

Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Afdeling 2 Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen

Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan openbare plaatsen; algemene regel met ontheffingsmogelijkheid 1.

Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als dat gebruik: a.

schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg; of

b. 2.

niet voldoet aan redelijke eisen van welstand.

Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake wanneer niet ten minste een vrije doorgang van 1,5 strekkende meter wordt gelaten op voetpaden en van 4 strekkende meter op de rijbaan voor fietsers of gemotoriseerd verkeer.

3.

Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen voor uitstallingen, reclameborden en spandoeken.

4.

Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod.

5.

De ontheffing wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag als het eerste lid bedoelde gebruik, voor zover dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of k, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

6.

Het verbod is niet van toepassing op: a.

evenementen als bedoeld in artikel 2:24;

b.

standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17;

c.

terrassen binnen openbare inrichtingen als bedoeld in artikel 2:27; en

d.

overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend.

7.

Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, of de provinciale wegenverordening.

[vervallen]

Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1.

Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.

2.

De vergunning wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, als de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit.

3.

Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht.

4.

Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wegenwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Wegenverordening provincie Utrecht 2010, de waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuren 2015 gemeente Baarn (AVOI).

5.

Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

[vervallen]

Artikel 2:12 Maken of veranderen van een uitweg 1.

Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.

2.

In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 wordt de vergunning slechts geweigerd: a.

ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg;

b.

als de uitweg naar het oordeel van het college zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;

c.

als door de uitweg naar het oordeel van het college het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast, of

d.

als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen.

3.

Het college kan het maken of veranderen van de uitweg verbieden indien a.

het gebruik van de uitweg tot gevolg kan hebben dat kan worden geparkeerd in een voortuin van een woonhuis, of

b.

de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente dat vereist.

4.

Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de waterschapskeur of de provinciale wegenverordening.

[vervallen]

Artikel 2:13 [vervallen]

Artikel 2:14 Winkelwagentjes 1.

Een winkelier die winkelwagentjes ter beschikking stelt is verplicht deze a.

te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken, en

b.

terstond te verwijderen of te doen verwijderen uit de omgeving van dat bedrijf.

2.

Het is verboden een winkelwagentje na gebruik onbeheerd op een openbare plaats achter te laten.

3.

Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer.

Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat. [vervallen]

Artikel 2:16 Openen straatkolken en dergelijke Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken. [vervallen]

Artikel 2:17 Kelderingangen en dergelijke 1.

Kelderingangen en andere lager dan de aangrenzende weg gelegen betreedbare delen van een bouwwerk mogen geen gevaar voor de veiligheid van de weggebruikers opleveren.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 427, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht.

[vervallen]

Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen 1.

Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan:

a.

te roken gedurende een door het college aangewezen periode;

b.

voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.

2.

De verboden zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht.

3.

Het verbod in het eerste lid, onder a, is voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.

[vervallen]

Artikel 2:19 [vervallen]

Artikel 2:20 [vervallen]

Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1.

De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet of de Belemmeringenwet Privaatrecht.

[vervallen]

Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn 1.

Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand houtgewas of andere objecten, die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben.

2.

Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als de elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat.

3.

Het verbod is niet van toepassing op objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn.

[vervallen]

Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs 1.

Het is verboden: a.

voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen;

b.

bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a. bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren.

2.

Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de provinciale vaarwegenverordening.

[vervallen]

Afdeling 3 Evenementen

Artikel 2:24 Definities 1.

In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a.

bioscoop- en theatervoorstellingen;

b.

markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h g, van de Gemeentewet en artikel 5:22;

2.

c.

kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;

d.

het in een inrichting in de zin van de Drank- en Horecawet gelegenheid geven tot dansen;

e.

betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;

f.

activiteiten als bedoeld in de artikelen 2:8, 2:9 en 2:39.

g.

sportwedstrijden, niet zijnde vechtsportevenementen, als bedoeld in het tweede lid, onder f.

Onder evenement wordt mede verstaan: a.

een herdenkingsplechtigheid;

b.

een braderie;

c.

een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3;

d.

een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg;

e.

een straatfeest of buurtbarbecue;

f.

sportevenementen in gebouwen, zoals free fight gala’s, kooigevechten of daarmee gelijk te stellen activiteiten, uitgezonderd sportwedstrijden en – toernooien georganiseerd onder auspiciën van een bij de NOC*NSF aangesloten sportbond.

3.

In deze afdeling wordt onder klein evenement verstaan een eendaags evenement waarbij: a.

het totaal aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan honderdvijftig personen;

b.

de activiteiten plaatsvinden tussen 07.00 en 23.00 uur;

c.

geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 07.00 uur of na 23.00 uur, dan wel in dit tijdsbestek het maximaal toelaatbare geluidsniveau van 50 dB(A) tussen 07.00 en19.00 uur of 45 dB(A) tussen 19.00 en 23.00 uur op de gevels van omringende woningen niet wordt overschreden;

d.

de activiteiten niet plaatsvinden op de rijbaan, (brom)fietspad of parkeerplaats of anderszins een belemmering vormen voor het verkeer en de hulpdiensten; en

e.

slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan tien vierkante meter per object.;

f.

geen eten, (alcoholhoudende) drank of andere goederen worden verkocht.

Artikel 2:25 Evenementenvergunning 1.

Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.

2.

Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd voor zover voor het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2:1, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen.

3.

Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, als de organisator ten minste drie weken voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester.

4.

De burgemeester kan binnen tien dagen na ontvangst van de melding besluiten een klein evenement te verbieden, als er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.

5.

Het verbod is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin voorzien wordt door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet 1994.

6.

Het derde lid is niet van toepassing op een krachtens artikel 2:24, tweede lid, aanhef en onder f, aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s.

7.

Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning voor een vechtsportevenement als bedoeld in artikel 2:24, tweede lid, aanhef en onder f, weigeren als de organisator of de aanvrager van de vergunning in enig opzicht van slecht levensgedrag is.

8.

Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

9.

De burgemeester kan nadere regels stellen.

Artikel 2:25a Bijzondere weigeringsgronden evenementenvergunning Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning weigeren als naar zijn oordeel: a.

het evenement gevaar oplevert voor de openbare orde, de gezondheid, de veiligheid, de brandveiligheid of voor het ontstaan van wanordelijkheden;

b.

een onevenredig groot aantal bezoekers te verwachten is;

c.

het evenement zich niet verdraagt met het karakter of de bestemming van de plaats waar het evenement wordt gehouden;

d.

het evenement een onevenredig groot beslag legt op de beschikbare ruimte of tijd dan wel de inzet van hulpdiensten;

e.

het evenement een belemmering vormt voor het verkeer;

f.

van het evenement een onevenredige belasting voor het woon- of leefklimaat in de omgeving te verwachten is;

g.

het evenement verontreiniging tot gevolg heeft, afbreuk doet aan het uiterlijk aanzien van de omgeving dan wel schade toebrengt aan groenvoorzieningen of voorzieningen van openbaar nut;

h.

de organisator onvoldoende waarborgen biedt voor een goed verloop van het evenement, gelet op de hiervoor genoemde belangen of

i.

de organisator onvoldoende waarborgen biedt om schade aan het milieu als gevolg van het evenement te voorkomen of te beperken.

Artikel 2:26 Ordeverstoring Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.

1.

Het is verboden bij evenementen onnodig op te dringen, door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden of deze te veroorzaken.

2.

Het is verboden bij een evenement zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een doel of werkzaamheid in strijd met de openbare orde.

3.

Het verbod in het tweede lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht

4.

Het is verboden bij evenementen messen, knuppels, slagwapens of andere voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt, op zodanige wijze mee te voeren dat de openbare orde of veiligheid in gevaar komt of kan komen.

5.

Het in het vierde lid gestelde verbod geldt niet voor wapens die behoren tot de categorie I, II, III en IV Wet wapens en munitie.

6.

Een ieder is verplicht bij evenementen alle aanwijzingen van ambtenaren van politie en brandweer in het belang van de openbare orde of veiligheid terstond en stipt op te volgen.

Afdeling 4 Toezicht op openbare inrichtingen

Artikel 2:27 Definities In deze afdeling wordt verstaan onder: a.

openbare inrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie – al dan niet ter plaatse - worden bereid of verstrekt. Onder een openbare inrichting wordt in ieder geval verstaan: een hotel, restaurant, pension, café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis, clubhuis, fastfood- en maaltijd- afhaalpunten of bezorging;

b.

terras: een buiten de besloten ruimte van de inrichting liggend deel van de openbare inrichting waar zitgelegenheid wordt geboden en waar tegen vergoeding dranken worden geschonken of spijzen voor directe consumptie worden bereid, verstrekt of genuttigd;

c.

exploitant: natuurlijke persoon of rechtspersoon voor wiens rekening en risico een openbare inrichting wordt geëxploiteerd op grond van het bepaalde in artikel 2:28;

d.

leidinggevende: de natuurlijke persoon, die algemene leiding of onmiddellijke leiding geeft aan de openbare inrichting alsmede de bestuurder van een rechtspersoon voor wiens rekening en risico de openbare inrichting wordt geëxploiteerd.

Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting 7.

Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

8.

Het is verboden de aard van de openbare inrichting te wijzigen zonder een daartoe strekkende vergunning van de burgemeester.

9.

In afwijking van artikel 1:7 wordt een exploitatievergunning verleend voor de duur van vijf jaar, tenzij bij de vergunning anders is bepaald.

10. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een: a. winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit; b. zorginstelling; c. museum; d. school, of e. bedrijfskantine of -restaurant. 11. In afwijking van het bepaalde in artikel 2:10 2:1 van de Verordening fysieke leefomgeving gemeente Baarn beslist de burgemeester in geval van een vergunningaanvraag die ook betrekking heeft op een of meer bij de openbare inrichting behorende terrassen voor zover deze zich op de weg bevinden over ingebruikneming van die weg ten behoeve van het terras. 12. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning en de vrijstelling.

Artikel 2:28a Indieningsvereisten 1.

De aanvraag om een vergunning voor het exploiteren van een openbare inrichting geschiedt door middel van een door de burgemeester vastgesteld formulier.

2.

In de aanvraag om vergunning wordt in ieder geval vermeld dan wel bijgevoegd: a. een schriftelijk stuk waaruit de juridische relatie van de exploitant met het desbetreffende perceel tot uitdrukking komt, zoals een huurovereenkomst, pachtovereenkomst of eigendomsbewijs; b. een ondernemingsplan met informatie over de aard van het horecabedrijf, de exploitatievorm, en de beoogde doelgroep en waaruit blijkt welke maatregelen worden genomen om overlast in en voor de omgeving tegen te gaan; c. schriftelijke bescheiden, waaronder een verklaring van de Belastingdienst, waaruit blijkt dat de exploitatie op deugdelijke wijze zal plaatsvinden en deugdelijk is gefinancierd; d. een recente (maximaal drie maanden oude) verklaring omtrent het gedrag; e. een op grond van de wet Bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (wet BIBOB) vastgesteld en volledig ingevuld vragenformulier met de daarbij behorende bijlagen en bescheiden; f. indien de aanvraag een terras betreft, een locatietekening met afmetingen.

3.

Indien de burgemeester dat voor de beoordeling van de aanvraag nodig acht kan hij de overlegging van aanvullende documenten en gegevens verzoeken.

Artikel 2.28b Buiten behandeling laten vergunningaanvraag De burgemeester laat de aanvraag om vergunning buiten behandeling als de aanvraag niet voldoet aan de in artikel 2.28a gestelde indieningsvereisten.

Artikel 2:28c Weigeringsgronden 1.

Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 weigert de burgemeester de vergunning als: a. de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan en hiervan niet bij of krachtens de Wet ruimtelijke ordening en/of de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is afgeweken;

b. de exploitant en/of de leidinggevende van een openbare inrichting onder curatele of bewind staan; c. de exploitant en/of leidinggevende van een openbare inrichting de leeftijd van eenentwintig niet heeft bereikt; d. de exploitant en/of leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is. 2.

Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, als: a. naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; b. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; De burgemeester kan de vergunning voorts weigeren dan wel onverminderd het bepaalde in artikel 1.6 intrekken in het geval en onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob.

3.

Onverminderd het gestelde in het eerste en tweede lid kan de burgemeester de in artikel 2.28 vijfde lid bedoelde ingebruikneming van die weg ten behoeve van een of meer bij de inrichting behorende terrassen weigeren als: a. het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan; b. dat gebruik een belemmering kan worden voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg.

Artikel 2.28d Intrekkingsgronden 1.

Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 wordt een exploitatievergunning ingetrokken als: a. de vergunning is verleend op grond van door de exploitant verstrekte onjuiste of onvolledige informatie en een ander besluit op de aanvraag zou zijn genomen indien bij het nemen daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest; b. een exploitant/leidinggevende niet langer voldoet aan de eisen, zoals die zijn vermeld in artikel 2:28c, eerste lid; c. zich in of in de nabijheid van de openbare inrichting feiten hebben voorgedaan, die - naar het oordeel van de burgemeester – de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar zou opleveren voor de openbare orde, de veiligheid, de volksgezondheid, het woon- en leefklimaat of de zedelijkheid; d. voor de exploitatie van een openbare inrichting tevens een vergunning op basis van de Dranken Horecawet is vereist en deze vergunning is ingetrokken.

2.

Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan een exploitatievergunning ingetrokken worden: a. als is of wordt gehandeld in strijd met de verleende vergunning en/of de daaraan verbonden voorschriften; b. als niet langer wordt voldaan aan de eisen die bij of krachtens deze verordening zijn bepaald; c. als in een openbare inrichting de functie van leidinggevende wordt uitgeoefend door een persoon, die niet op de vergunning met betrekking tot dat bedrijf als zodanig is vermeld; d. op verzoek van de exploitant.

3.

Ten aanzien van openbare inrichtingen waarvan de exploitatievergunningen ingevolge het eerste lid onder c wordt ingetrokken kan tevens worden bepaald dat een exploitatievergunning voor de desbetreffende locatie gedurende een bepaalde termijn van maximaal vijf jaar zal worden geweigerd.

Artikel 2:28e Vervallen vergunning De exploitatievergunning vervalt wanneer: a.

de exploitatie van de openbare inrichting feitelijk is beëindigd of (gedeeltelijk) is overgedragen;

b.

zes maanden zijn verlopen na het onherroepelijk worden van de exploitatievergunning, zonder dat van deze vergunning gebruik is gemaakt;

c.

gedurende één jaar anders dan wegens overmacht geen gebruik is gemaakt van de exploitatievergunning.

Artikel 2:29 Sluitingstijd 1.

2.

Openbare inrichtingen zijn gesloten a.

op maandag tot en met vrijdag tussen 00.00 uur en 07.00 uur, en

b.

op zaterdag en zondag tussen 01.00 uur en 07.00 uur.

Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na sluitingstijd.

3.

Het is de exploitant verboden het bij een openbare inrichting behorend terras voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers op dat terras te laten verblijven tussen: a.

00.00 uur en 07.00 uur van de daarop volgende dag; of

b.

01.00 uur en 07.00 uur op zaterdag of zondag wanneer de dagtemperatuur op respectievelijk vrijdag of zaterdag 25 graden Celsius is of hoger.

4.

De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd.

5.

Voor een openbare inrichting, zijnde een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit, gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel.

6.

Het eerste en het derde lid zijn niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer is voorzien.

7.

Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

8.

De sluitingstijden, genoemd in lid 1, zijn niet van toepassing op horecaondernemingen, die het convenant Veilig Uitgaan hebben ondertekend.

Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting 1.

De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet.

Artikel 2:31 Verboden gedragingen Het is verboden in een openbare inrichting: a.

de orde te verstoren;

b.

zich te bevinden na sluitingstijd, tenzij het personeel betreft, of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:30, eerste lid;

c.

op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen, die geen gebruik maken van het terras

d.

dranken en eetwaren voor directe consumptie ter plaatse te verstrekken, of te doen verstrekken, buiten dat deel van de weg dat volgende de vergunning als terras mag worden geëxploiteerd;

e.

bezoekers te hebben, indien niet in deze inrichting aanwezig is: - een leidinggevende, die als zodanig op (het aanhangsel bij) de vergunning staat vermeld, dan wel - een persoon, wiens bijschrijving op grond van artikel 2:31a is gemeld en de ontvangst van die melding is bevestigd, zolang niet op die melding is beslist.

Artikel 2:31a Melden leidinggevende 1.

De vergunninghouder meldt aan de burgemeester welke persoon hij verzoekt als leidinggevende bij te schrijven.

2.

De ontvangst van de melding wordt onverwijld bevestigd.

3.

Direct na bevestiging van ontvangst van de melding mag de leidinggevende als zodanig werkzaam zijn.

Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar, aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt.

Artikel 2:33 Het college als bevoegd bestuursorgaan Als een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van de artikelen 2:28 tot en met 2:30 op als bevoegd bestuursorgaan.

Artikel 2:34 [vervallen]

Afdeling 5 Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit Drank- en Horecawet

Artikel 2:34a Definities In deze afdeling wordt verstaan onder: - alcoholhoudende drank,

- horecabedrijf, - horecalokaliteit, - inrichting, - paracommerciële rechtspersoon, dat wat daaronder wordt verstaan in de Drank- en Horecawet.

Artikel 2:34b Regulering paracommerciële rechtspersonen 1.

Het is verboden in paracommerciële inrichtingen, die zich voornamelijk richten op het organiseren van activiteiten van sportieve aard, alcoholhoudende drank te verstrekken buiten de in onderstaand schema opgenomen schenktijden:

2.

o

Maandag tot en met vrijdag 19.00 uur tot 24.00 uur,

o

Zaterdag 13.00 tot 21.00 uur,

o

Zon- en feestdagen 13.00 uur tot 19.00 uur.

Het is verboden in paracommerciële inrichtingen, die zich voornamelijk richten op het organiseren van sociale activiteiten, alcoholhoudende drank te verstrekken buiten de in onderstaand schema opgenomen schenktijden:

3.

o

Maandag tot en met vrijdag 13.00 uur tot 24.00 uur,

o

Zaterdag, zon- en feestdagen 13.00 uur tot 22.00 uur.

De burgemeester kan ontheffing verlenen van de schenktijden van alcohol als bedoeld in de leden 1 en 2 tot een maximum van zes per kalenderjaar per paracommerciële rechtspersoon.

4.

Ter voorkoming van oneerlijke mededinging is het verboden in een paracommerciële inrichting alcoholhoudende drank te verstrekken: a.

tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard, zoals bruiloften en partijen, of

b.

tijdens bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de beherende paracommerciële rechtspersoon zijn betrokken.

5.

De burgemeester kan ontheffing verlenen voor bijeenkomsten als bedoeld in lid 4 onder a. en b. tot een maximum van drie per kalenderjaar per paracommerciële rechtspersoon.

Artikel 2:34c Verbod ‘happy hours” of prijsacties 1.

Ter bescherming van de volksgezondheid of in het belang van de openbare orde is het verboden bedrijfsmatig of anders dan gratis alcoholhoudende dranken te verstrekken voor gebruik ter plaatse tegen een prijs die voor een periode van 24 uur of korter lager is dan 60% van de prijs die in de betreffende lokaliteit of op het betreffende terras gewoonlijk wordt gevraagd.

2.

Ter bescherming van de volksgezondheid of in het belang van de openbare orde is het verboden bedrijfsmatig of anders dan gratis alcoholhoudende dranken aan te bieden voor gebruik elders dan ter plaatse tegen een prijs die voor een periode van één week of korter lager is dan 60% van de prijs die in het betreffende verkooppunt gewoonlijk wordt gevraagd.

Afdeling 6 Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf

Artikel 2:35 Definitie In deze afdeling wordt onder inrichting: verstaan elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft.

Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht daarvan binnen drie dagen daarna daarvan schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester.

Artikel 2:37 [vervallen]

Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, woonplaats, betrekking, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken.

Afdeling 7 Toezicht op speelgelegenheden

Artikel 2:38a Definities 1.

In deze afdeling wordt onder speelgelegenheid verstaan een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren.

2.

In deze afdeling voorkomende begrippen die in de Wet op de kansspelen zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in die wet.

Artikel 2:39 Speelgelegenheden 1.

Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren.

2.

Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet op de kansspelen.

3.

Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester weigert de vergunning als: a.

naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of

b.

de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met een geldend bestemmingsplan.

4.

Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:40 Kansspelautomaten 1.

In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee kansspelautomaten toegestaan.

2.

In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan.

Afdeling 8 Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade

Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal 1.

Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.

2.

Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.

3.

Deze verboden zijn niet van toepassing op personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal of een daarbij behorend erf wegens dringende reden noodzakelijk is.

Artikel 2:42 Plakken en kladden 1.

Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende of roerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.

2.

Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende of roerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is: a.

een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;

b.

met kalk, teer of een kleur of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.

3.

Het verbod, bedoeld in het tweede lid, is niet van toepassing voor zover gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.

4.

De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage te geven.

5.

Het college wijst aanplakborden aan voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.

6.

Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.

7.

Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud daarvan.

Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap en dergelijke 1.

Het is verboden op de weg of openbaar water enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur of verfstof of verfgereedschap te vervoeren of bij zich te hebben.

2.

Het verbod is niet van toepassing als de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:42.

Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen 1.

Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben.

2.

Het verbod is niet van toepassing als de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.

Artikel 2:44A Vervoer geprepareerde voorwerpen 1.

Het is verboden op de weg of in de nabijheid van winkels te vervoeren of bij zich te hebben een voorwerp dat er kennelijk toe is uitgerust om het plegen van (winkel)diefstal te vergemakkelijken.

2.

Het verbod is niet van toepassing als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het voorwerp niet bestemd is voor de bedoelde handelingen.

Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen en dergelijke 1.

Het is verboden zonder ontheffing van het college zich te bevinden in of op bij de gemeente in onderhoud zijnde parken, wandelplaatsen, plantsoenen, groenstroken of grasperken, buiten de daarin gelegen wegen of paden.

2.

Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht.

Artikel 2:46 Rijden over bermen en dergelijke 1.

Het is verboden met voertuigen die niet voorzien zijn van rubberbanden te rijden over de berm, de glooiing of de zijkant van een weg, tenzij dit door de omstandigheden redelijkerwijs wordt vereist.

2.

Dit verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Wegenverordening provincie Utrecht 2010.

Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen 1.

Het is verboden op een openbare plaats: a.

te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hek, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair;

b.

zich op te houden op een wijze die voor andere gebruikers of omwonenden onnodig overlast of hinder veroorzaakt.

2.

Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de artikelen 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 2:48 Verboden drankgebruik 1.

Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.

2.

Het verbod is niet van toepassing op: a.

een terras dat behoort bij een horecabedrijf als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet; en

b.

een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank en Horecawet.`

3.

Het is verboden op openbare plaatsen en op of aan het openbaar water of in een voor publiek toegankelijk gebouw alcoholhoudende drank te nuttigen als dit gepaard gaat met gedrag dat de openbare orde verstoort, het woon- en leefklimaat aantast of anderszins overlast veroorzaakt.

Artikel 2:48A Kunststof drinkgerei De burgemeester kan, in het belang van de openbare orde, openbare veiligheid of in het geval van bijzondere omstandigheden, voor de gehele gemeente dan wel voor een of meer horecabedrijven en openbare plaatsen tijdelijk het gebruik van drinkgerei en flessen, bedoeld voor gebruik ter plaatse, anders dan van kunststof materiaal verbieden.

Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen 1.

2.

Het is verboden zonder redelijk doel: a.

zich in een portiek of poort op te houden;

b.

in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.

Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een flatgebouw, appartementsgebouw of een soortgelijke meergezinswoning of van een gebouw dat voor publiek toegankelijk is, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw.

Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten Het is verboden zich zonder redelijk doel en op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze ruimten worden in elk geval verstaan: portalen, telefooncellen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen.

Artikel 2:50a Messen en andere voorwerpen als wapen 1.

Het is verboden op de weg of in voor publiek toegankelijke gebouwen messen of andere voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt, openlijk bij zich te hebben.

2.

Het verbod geldt niet met betrekking tot voorwerpen die zodanig zijn ingepakt, dat zij niet voor onmiddellijk gebruik gereed zijn.

3.

Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het onderwerp daarvan wordt voorzien bij of krachtens de Wet wapens en munitie.

Artikel 2:50b Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties 1.

Het is verboden op openbare plaatsen of in voor het publiek toegankelijke openstaande gebouwen en daarbij behorende erven zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een werkzaamheid of doel in strijd met de openbare orde.

2.

Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen of bromfietsen Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw of in de ingang van een portiek als dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek, of als daardoor die ingang versperd wordt.

Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein en dergelijke Het is verboden zich op door het college of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen met een fiets of een bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid wordt gehouden die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.

Artikel 2:53 Bespieden van personen 1.

Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon of een gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met de kennelijke bedoeling deze persoon of een persoon die zich in dit gebouw, deze woonwagen of dit woonschip bevindt, te bespieden.

2.

Het is verboden door middel van een verrekijker of enig ander optisch instrument een persoon die zich in een gebouw, woonwagen of woonschip bevindt te bespieden.

Artikel 2:54 Hinderlijk lachgasgebruik Het is verboden op een openbare plaats of openbaar water binnen de bebouwde kom lachgas te gebruiken of tanks, ampullen en dergelijke met lachgas bij zich te hebben.

Artikel 2:55 Sluiting van voor het publiek openstaande gebouwen 1.

De burgemeester kan een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, of voor het publiek openstaande gebouwen en/of de daarbij behorende erven in een bepaald gebied, in het belang van de openbare orde,

veiligheid, gezondheid of zedelijkheid of als er naar zijn oordeel sprake is van bijzondere omstandigheden voor een bepaalde duur geheel of gedeeltelijk sluiten. 2.

Onverminderd hetgeen in artikel 5:24 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald omtrent de bekendmaking, wordt het bevel tot sluiting tevens bekend gemaakt door een schrijven, waaruit van dat bevel tot sluiting blijkt, aan te brengen op of nabij de toegang(en) van het gebouw of het erf.

3.

Een sluiting kan op aanvraag van belanghebbenden door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.

4.

Het is de rechthebbende op het gebouw en/of het erf, verboden om, nadat het bevel tot sluiting bekend is gemaakt op de in het tweede lid aangegeven wijze, daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven.

5.

Het is een ieder verboden om, nadat het bevel tot sluiting openbaar bekend gemaakt is op de in het tweede lid aangegeven wijze, in een bij dit bevel gesloten gebouw en/of erf als bezoeker te verblijven.

6.

Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het onderwerp van de regeling van het eerste lid elders wordt voorzien in deze verordening of in artikel 13b van de Opiumwet.

Artikel 2:56 Slapen op of aan een openbare plaats Het is verboden – al dan niet met gebruikmaking van enige vorm van beschutting, waaronder in ieder geval begrepen het gebruik van een auto, of caravan en dergelijke – op of aan een openbare plaats tussen zonsondergang en zonsopgang te slapen.

Artikel 2:57 Loslopende honden 1.

Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: a.

op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats;

b.

binnen de bebouwde kom op de weg een openbare plaats indien de hond niet is aangelijnd;

c.

buiten de bebouwde kom op een door het college aangewezen plaats als de hond niet is aangelijnd; of

d.

op de weg indien die hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.

2.

Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

3.

Het eerste lid, aanhef en onder a tot en met c, is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden of die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.

Artikel 2:58 Verontreiniging door honden 1.

Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

Artikel 2:59 Gevaarlijke honden 1.

Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander.

2.

De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijngebod is opgelegd, is verplicht de hond kort aangelijnd te houden, met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter

3.

De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijn- en muilkorfgebod is opgelegd, is naast de verplichting bedoeld in het tweede lid verplicht de hond voorzien te houden van een muilkorf die: a.

vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen;

b.

door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en

c.

zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.

4.

Onverminderd artikel 2:57, eerste lid, aanhef en onder d, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de minister, die het aangaat, op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.

Artikel 2:59a Gevaarlijke honden op eigen terrein 1.

Het is de eigenaar of houder van een hond verboden deze hond op zijn eigen terrein zonder muilkorf te laten loslopen als de burgemeester heeft meegedeeld dat hij de hond gevaarlijk acht, dan wel als de hond is opgeleid voor bewakings-, opsporings- en verdedigingswerk.

2.

Het verbod geldt niet als: a.

op een vanaf de weg zichtbare plaats een naar het oordeel van de burgemeester duidelijk leesbaar waarschuwingsbord is aangebracht;

b.

het mogelijk is een brievenbus te bereiken en aan te bellen zonder het terrein te betreden; en

c.

het terrein voorzien is van een zodanig hoge en deugdelijke afrastering dat de hond niet zelfstandig buiten het terrein kan komen.

Artikel 2:60 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren 1.

Het is verboden op door het college ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren:

2.

a.

aanwezig te hebben;

b.

aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels;

c.

aanwezig te hebben in een groter aantal dan in het aanwijzingsbesluit is aangegeven; of

d.

te voeren.

Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen plaats, ontheffing verlenen van een of meer verboden.

Artikel 2:61 [vervallen]

Artikel 2:62 Loslopend vee De rechthebbende op herkauwende en eenhoevige dieren of varkens die zich bevinden in een weiland of op een terrein dat niet van de weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken.

Artikel 2:63 [vervallen]

Artikel 2:64 Bijen 1.

Het is verboden bijen te houden: a.

binnen een afstand van dertig meter van woningen of andere gebouwen waarin overdag mensen verblijven;

b. 2.

binnen een afstand van dertig meter van de weg.

Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing indien op een afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger als noodzakelijk is om het laag uit- en invliegen van de bijen te voorkomen.

3.

Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing voor de bijenhouder die rechthebbende is op de woningen of gebouwen bedoeld in dat lid.

4.

Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder b is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de provinciale wegenverordening.

5.

Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

6.

Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2:65 Bedelarij Het is verboden om op of aan de weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw een openbare plaats te bedelen om geld of andere zaken.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9558909/1