CConstaterende datBaarn
Koppel je AI →
Document · PDF

191760 VOBP Drakenburgergracht Zorg 2020 bijlage 15 Onderzoek Externe Veiligheid

Besluit in de Raad 27 januari 2021, gemeente BaarnBij agendapunt: Voorontwerp bestemmingsplan Drakenburgergracht Zorg 202011.004 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Type vervolgeffecten maatgevende scenario’s per modaliteit

Effect Fakkelbrand Plasbrand Toxische gaswolk BLEVE8

Spoor    

Weg 

Buisleiding 

7.2.1.1 Fakkelbrand Door transport van LPG over het spoor (A) en de weg (GF3) kan er bij een ongeval met een ketelwagen of een tankwagen, waarbij LPG vrijkomt en direct ontsteekt, een fakkelbrand optreden. Daarnaast kan door een scheur in de buisleiding met directe ontsteking, eveneens een fakkelbrand optreden. Een fakkelbrand is zichtbaar, hoorbaar en de hittestraling is duidelijk voelbaar voor aanwezigen. De effectieve strategie voor zelfredzaamheid kan door aanwezigen juist worden ingeschat: zij moeten het gebied, afgeschermd van hittestraling, ontvluchten. Aanwezigen binnen de 135 meter, 90 meter en 80 meter van de fakkelbrand veroorzaakt door een ongeval met een spoorwagon, tankwagen en respectievelijk hogedrukaardgastransportleiding, hebben nauwelijks mogelijkheden tot zelfredzaamheid, vanwege de snelle ontwikkeltijd van het scenario en de hoge hittestraling (Scenarioboek Externe Veiligheid [9]). 7.2.1.2 Plasbrand Door het transport van (zeer) licht onvlambare vloeistoffen over het spoor (C3) kan er bij een ongeval met een ketelwagon, waarbij de wagon open scheurt en brandbaar vloeistof vrijkomt die vervolgens ontsteekt, een plasbrand optreden. 8

Boiling Liquid Evaporation Explosion

34 (41)

Een plasbrand is zichtbaar en de hittestraling is duidelijk voelbaar voor aanwezigen. De effectieve strategie voor zelfredzaamheid kan door aanwezigen juist worden ingeschat: zij dienen het gebied, al dan niet afgeschermd van hittestraling, te ontvluchten. Aanwezigen binnen de 20 meter van de plasbrand hebben nauwelijks mogelijkheden tot zelfredzaamheid, vanwege de snelle ontwikkeltijd van het scenario en de hoge hittestraling (Scenarioboek Externe Veiligheid [9]). 7.2.1.3 Toxische gaswolk Door het transport van toxische gassen (B2) en toxische vloeistoffen (D3 en D4) over het spoor kan er bij een ongeval met een ketelwagon, waarbij toxisch gas of toxische vloeistof vrijkomt en vervolgens verdampt, een toxische gaswolk optreden. Een toxische gaswolk is niet zichtbaar en niet altijd waarneembaar via de reuk voor aanwezigen. Een toxische gaswolk kan daarnaast leiden tot irritatie van huid en/of ogen en, indien niet direct wordt gehandeld, zelfs tot de dood. De effectieve strategie voor zelfredzaamheid kan door aanwezigen goed worden ingeschat: zij moeten binnen blijven, ramen en deuren sluiten en eventuele mechanische ventilatie uitzetten.

Hoewel een toxische gaswolk niet direct geconstateerd hoeft te worden (wat een risicoverhogende factor is), zijn de effecten van het in aanraking komen met een dergelijke wolk pas na verloop van tijd merkbaar (wat een risicoverlagende factor is omdat er tijd is om de symptomen te behandelen) en is het risico daardoor beter te beheersen. 7.2.1.4 BLEVE Door transport van LPG over het spoor (A) en de weg (GF3) kan er bij een ongeval met een ketelwagen of een tankwagen een BLEVE (boiling liquid expanding vapour explosion of kokende vloeistof-gasexpansie-explosie) optreden. Een BLEVE geeft zowel een drukgolf als een intense warmtestraling. Er is een onderscheid tussen warme en een koude BLEVE. Hieronder zijn beide type BLEVE toegelicht. Warme BLEVE Wanneer een tank met bijvoorbeeld LPG wordt blootgesteld aan een externe brand, zal de tank verwarmd worden. In het begin (bij een volle tank) wordt de toegevoerde warmte benut om de vloeistof in de tank te verdampen (koken). Doordat voor het verdampen van de vloeistof veel energie nodig is, houdt de kokende vloeistof de wand van de tank (nog) relatief koel. Wel zal de gevormde damp in de tank de inwendige druk doen stijgen. Wanneer de druk hoger wordt dan de instelwaarde van het overdrukventiel, zal deze (gas) gaan afblazen.

In de meeste gevallen zal deze uitgeblazen stoom gas vlam vatten, het geen voor de tank echter minder bedreigend is. Naarmate de tank langer blootgesteld staat aan de externe brand, zal er meer en meer vloeistof verdampen en het vloeistofniveau in de tank dalen. Dit betekent dat een groter deel van de tankwand niet meer gekoeld wordt door de kokende vloeistof met als resultaat dat de metalen wand warmer wordt. Het warmer worden van het metaal heeft tot gevolg dat de mechanische eigenschappen van het metaal (sterkte) afnemen. Uiteindelijk bezwijkt de tank doordat deze niet langer bestand is tegen de inwendige druk. Er zal dan plotseling een grote hoeveelheid damp gevormd worden die door het omringende vuur ontstoken zal worden. Het ontsteken van een dergelijke grote hoeveelheid damp gaat gepaard met een grote vuurbal die een groot vernietigend effect heeft in de directe omgeving, vanwege de hitte, maar ook de druk. Koude BLEVE

35 (41)

Door een botsing van de tank scheurt de tank en komt de vloeistof instantaan vrij. Door de wrijving tijdens de botsing kunnen er vonken optreden, waardoor het gas en/of vloeistof vlam vat. Er ontstaat een vuurbal, die zowel een drukgolf als een intense hittestraling geeft. De hittestraling is kort en hevig en kan daardoor leiden tot secundaire branden in de omgeving. Een BLEVE is zichtbaar, hoorbaar en de hittestraling is duidelijk voelbaar voor aanwezigen. De effectieve strategie voor zelfredzaamheid kan door aanwezigen juist worden ingeschat: Zij dienen het gebied zo mogelijk, al dan niet afgeschermd. te ontvluchten. Tenzij zichtbaar of hoorbaar is dat ’lucht’ onder hoge druk ontsnapt uit de wagon of tank. In dat geval is het verstandiger om te schuilen achter betonnen muren en uit de buurt van deuren en ramen te blijven vanwege het glas dat eruit kan springen. Aanwezigen in de nabijheid van het spoor en de weg waar de de BLEVE plaatsvind, hebben nauwelijks mogelijkheden tot zelfredzaamheid, vanwege de grote hittestraling en druk. 7.2.2 Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Het plan dient te worden voorzien van voldoende vluchtwegen van de risicobronnen af gericht.

Daarnaast is het een mogelijkheid dat het bevoegd gezag de burgers, die binnen het invloedsgebied wonen of werkzaam zijn, informeert over de mogelijkheden en onmogelijkheden om zichzelf in veiligheid te brengen bij een eventuele calamiteit. Belangrijk is om na te gaan wat de mogelijkheden tot zelfredzaamheid zijn om slachtoffers bij de diverse scenario’s te voorkomen en om na te gaan of het gebied zodanig ingericht is dat de zelfredzaamheid wordt bevorderd. Het is van belang dat duidelijk is waarheen gevlucht moet worden. Er moeten (nood)uitgangen en vluchtroutes zijn van de risicobronnen af. Er wordt geadviseerd om een calamiteitenplan op te stellen. Daarnaast is het van belang om de bewoners, werknemers en bezoekers van het plangebied erop te wijzen wat te doen bij een calamiteit. 7.2.2.1 Fakkelbrand Bij een fakkelbrand wordt geadviseerd om het gebied te ontvluchten door zich van de risicobron af te wenden. Daarom zijn voldoende vluchtroutes van belang. Daarnaast kunnen mensen zich verschuilen achter of in de gebouwen, om zich te kunnen afwenden van de hittestraling. Mensen die binnenshuis verblijven tijdens de calamiteit wordt geadviseerd om binnen te blijven. 7.2.2.2 Plasbrand Indien bij een calamiteit met brandbare vloeistoffen personen betrokken zijn, dienen zij zich in veiligheid te brengen door zich van de bron af te wenden.

Andere optie is: zoek bescherming binnen, maar niet bij een raam, want de warmte is dermate groot dat ramen kunnen springen. 7.2.2.3 Toxische gaswolk/plas Om personen goed te kunnen beschermen tegen de effecten van een toxische gaswolk, al dan niet via verdamping van een toxische plas, dienen zij zoveel als mogelijk te schuilen en ramen en deuren goed te sluiten. Voorwaarde hierbij is dat via ventilatieopeningen in het gebouw geen gas kan toetreden. Deze ventilatieopeningen dienen centraal te worden afgesloten. Deze voorzieningen zijn van bouwtechnische aard en kunnen als nadere eisen in het bestemmingsplan worden verankerd. In geval van een toxische gaswolk dienen deze installaties te worden uitgeschakeld om zodoende de luchttoevoer van buiten naar binnen af te sluiten.

36 (41)

7.2.2.4 BLEVE Na een BLEVE dienen de personen in het gebied zo snel mogelijk het gebied te ontvluchten om de effecten van secundaire branden te mijden. Tegen de warmtestraling en de overdrukeffecten van een BLEVE zijn moeilijk maatregelen te nemen. Buiten de 150 meter is het effect van een BLEVE dusdanig, dat mensen binnenshuis voldoende beschermd zijn, mits ze zich niet direct achter glas bevinden. Het advies is ook om zo min mogelijk glas, geen grote glas oppervlakten of openslaande ramen aan de risicobronzijde toe te passen. Het noodzakelijke glasoppervlak aan de risicobronzijde voorzien van een splinterwerende film of gelamineerd glas toe te passen (vanwege de overdruk is tot op 180 meter glasbreuk te verwachten). Stevige muren en blast-resistant beglazing helpen wel enigszins tegen de overdrukeffecten, maar bieden weinig soelaas tegen de warmtestraling die tot op grote hoogte en over grote afstand effecten kan sorteren. Tevens zijn dit zeer kostenintensieve maatregelen en bieden niet in ieder geval een goede bescherming. 7.2.3 Mogelijkheden van de hulpverlening In de toelichting van voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp gaat het erom hoe de hulpverlening opgestart en ingezet wordt of kan worden en wat de mogelijkheden daartoe zijn. De hulpverlening dient risicocommunicatie in te zetten ter bevordering van het juiste zelfreddende gedrag.

7.2.3.1 Fakkelbrand Een fakkelbrand zal vrijwel direct na het vrijkomen van de brandbare stof optreden. De brandweer heeft geen mogelijkheden tot effectieve bronbestrijding. Ingeval van een fakkelbrand veroorzaakt door een buisleiding, dient de beheerder van de buisleiding de toevoer af te sluiten. De inbloklengte bedraagt over het algemeen meer dan 10 kilometer. Indien het inblokken automatisch geschiedt (bijvoorbeeld bij constatering dat de nominale werkdruk afwijkt van de standaard) dan gebeurt dit direct. Bij handmatig inblokken kan dit tot enkele uren duren. Eventuele secundaire branden, die ontstaan zijn doordat het vuur is overgeslagen, zijn wel te bestrijden. De hulpverlening dient de mogelijkheid te hebben om het rampgebied snel en goed te kunnen betreden. Daarnaast dienen bluswatervoorzieningen goed beschikbaar te zijn. 7.2.3.2 Plasbrand Bij een plasbrand kan de schade beperkt worden door het verminderen van het plasoppervlak. Ook kan de schade beperkt worden door de verspreiding van brandbare vloeistof te beperken. De hulpverlening dient de mogelijkheid te hebben om het rampgebied goed te bereiken. De blusvoorzieningen dienen goed beschikbaar te zijn, daarnaast dienen de juiste blusvoorzieningen beschikbaar te zijn. Blussen met water is niet altijd de juiste optie. Daarnaast dienen vloeistofkerende voorzieningen beschikbaar te zijn.

7.2.3.3 Toxische gaswolk Bij een ongeval met toxische vloeistoffen of (zeer) toxische gassen kan de brandweer optreden door de gaswolk neer te slaan of te verdunnen/op te nemen met water. Dit geldt echter alleen voor stoffen, welke geen gevaarlijke chemische reactie aangaan met water. Bij een ongeval met toxische gassen en vloeistoffen is crisiscommunicatie ook erg belangrijk. Het invloedsgebied van stofcategorie B2 is 995 meter. Dat is dus een erg groot gebied en mede daarom is communicatie zo belangrijk.

37 (41)

7.2.3.4 Koude BLEVE Doordat bij een koude ’BLEVE’ de tank direct bij impact expandeert, is dit scenario niet te bestrijden. De secundaire branden, die ontstaan doordat het vuur is overgeslagen, zijn wel te bestrijden. De hulpverlening dient de mogelijkheid te hebben om het rampgebied snel en goed te kunnen betreden. Daarnaast dienen bluswatervoorzieningen goed beschikbaar te zijn. 7.3 Restrisico De beschouwde risicobronnen kunnen leiden tot ongevallen die onbeheersbaar kunnen blijken. De genoemde maatregelen kunnen de effecten van ongevallen mogelijk reduceren tot een omvang die beter beheersbaar wordt geacht door de hulpverleningsdiensten. Ondanks de reductie van het risico is er altijd sprake van een restrisico. Het is aan het bevoegd gezag, het college van burgemeester en wethouders, om aan te geven of zij het restrisico acceptabel achten.

38 (41)

8

Conclusie

De zorginstellingen Sherpa en Amerpoort, beide gelegen aan de Zandheuvelweg in Baarn, hebben de behoefte aan een nieuw bestemmingsplan waarmee beide woon-/zorgparken toekomstbestendig zijn in te richten. Het vigerende bestemmingsplan ‘Drakenburgergracht - Zorg’ staat de ontwikkeling van nieuwe of uitbreiding van gebouwen echter niet of slechts in zeer beperkte mate toe. Om deze ontwikkelingen mogelijk te maken, is een herziening van het bestemmingsplan nodig. Voor dit plan dient invulling gegeven te worden aan het aspect externe veiligheid. Onderstaand zijn de conclusies van deze toetsing beschreven. Risicobronnen Voor het plangebied zijn de volgende risicobronnen relevant vanuit het oogpunt van externe veiligheid: • Transport van aardgas door een aardgastransportleiding W-500-01. • Transport van aardgas door een aardgastransportleiding A-510-01. • Transport van aardgas door een aardgastransportleiding W-533-01. • Transport van aardgas door een aardgastransportleiding W-533-07. • Transport van gevaarlijke stoffen over het spoortraject Hilversum – Baarn. • Transport van gevaarlijke stoffen over de rijksweg A27. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico van de risicobronnen vormt geen belemmering voor het plangebied.

Groepsrisico • Door het plan neemt het groepsrisico van de hogedrukaardgasleidingen W-500-1, A-510-01, W-533-01 en W-533-07 beperkt toe en blijft in alle situaties onder de 0,1 van de oriëntatiewaarde. • Door het plan neemt het groepsrisico van het transport voor gevaarlijke stoffen over het spoortraject Hilversum – Baarn beperkt toe en blijft in alle situaties onder 0,1 van de oriëntatiewaarde. • Door het plan neemt het groepsrisico van het transport voor gevaarlijke stoffen over de rijksweg A27 toe. Het groepsrisico ligt beneden 1,0 van de oriëntatiewaarde en de toename van het groepsrisico is minder dan 10%. • Conform het Bevb en het Bevt dient het groepsrisico van de risicobronnen beperkt verantwoord te worden. Mogelijkheden rampenbestrijding en zelfredzaamheid De mogelijkheden voor rampenbestrijding. De mogelijkheden om een incident te bestrijden verschilt per scenario. De volgende voorzieningen hebben een positieve invloed op de rampenbestrijding: • voldoende bereikbaar voor hulpdiensten; • voldoende bluswatervoorzieningen, opstelplaatsen en (blus)middelen.

De mogelijkheden voor zelfredzaamheid De mogelijkheden voor zelfredzaamheid verschilt per scenario. De volgende voorzieningen hebben een positieve invloed op de zelfredzaamheid:

39 (41)

• • • • •

Voldoende vluchtroutes van de risicobronnen af. (Nieuwe) gebouwen in het plangebied voorzien van afsluitbare ventilatie. Opstellen van een calamiteitenplan voor de aanwezigen in het plangebied. Inzetten van risicocommunicatie ter bevordering van handelingen naar zelfredzaamheid. Het toepassen van zo min mogelijk glas, geen grote glas oppervlakten of openslaande ramen aan de risicobronzijde. • Het afsluiten van de toevoer van een buisleiding door de beheerder. Restrisico De beschouwde risicobronnen kunnen leiden tot ongevallen die onbeheersbaar kunnen blijken. De genoemde maatregelen kunnen de effecten van ongevallen mogelijk reduceren tot een omvang die beter beheersbaar wordt geacht door de hulpverleningsdiensten. Ondanks de reductie van het risico, is er altijd sprake van een restrisico. Het is aan het bevoegd gezag, het college van burgemeester en wethouders, om aan te geven of zij het restrisico acceptabel achten.

40 (41)

9

Referenties

1. Besluit externe veiligheid transportroutes. (2013, 11 november). Binnengehaald van http://wetten.overheid.nl/BWBR0034233/ 2. Besluit externe veiligheid buisleidingen. (2010, 24 juli). Binnengehaald van http://wetten.overheid.nl/BWBR0028265/ 3. Besluit externe veiligheid inrichtingen. (2004, 27 mei). Binnengehaald van http://wetten.overheid.nl/BWBR0016767/ 4. Risicokaart (z.j.). Risicokaart. Binnengehaald van http://www.risicokaart.nl/ 5. RIVM, Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (11 januari 2017). Handleiding Risicoanalyse Transport. Bilthoven. Binnengehaald van http://www.rivm.nl/Onderwerpen/R/RBM_II/Documenten/Downloads/Beleid_en_HART/H andleiding_Risicoanalyse_Transport_HART 6. Regeling basisnet. (2014, 19 maart). Binnengehaald van http://wetten.overheid.nl/BWBR0035000/2016-12-01#Aanhef 7. Regeling externe veiligheid buisleidingen. (2010, 30 december). Binnengehaald van http://wetten.overheid.nl/BWBR0029356/2011-06-01#SlotformulierEnOndertekening 8. RIVM, Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (1 juli 2014). Handleiding Risicoberekeningen Bevb. Binnengehaald van http://www.rivm.nl/Documenten_en_publicaties/Professioneel_Praktisch/Richtlijnen/Milie u_Leefomgeving/Handleiding_risicoberekeningen_Bevb 9. Scenarioboek Externe Veiligheid. Binnengehaald van http://www.scenarioboekev.nl/tankwagen-LPG-fakkelbrand/ 10.

SenterNovem (november 2006), Handleiding Besluit externe veiligheid inrichtingen 11. Relevant.nl (z.j.). BAG populatieservice. Binnengehaald van https://populatieservice.demis.nl/, geraadpleegd 27 februari 2020.

41 (41)

Bijlage 1

Rapportage QRA Spoor Hilversum - Baarn

• Huidige situatie • Toekomstige situatie

Bijlage 2

Rapportage QRA weg A27

• Huidige situatie • Toekomstige situatie

Bijlage 3

Rapportage QRA-buisleidingen

• Huidige situatie • Toekomstige situatie

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9558873/1