18 Reactie BaarnDuurzaam
Tekst van het document
Doel is om natuurwaarden voor de aanleg vast te stellen. Indien landelijk een protocol voor biodiversiteitsmetingen in zonneparken wordt afgesproken kan zo’n protocol ook gebruikt worden voor het uitvoeren van een nulmeting voorafgaand aan de bouw. Plan omvat ecologische inrichting en beheer, afgestemd op lokale doelsoorten. Plan omvat in ieder geval de volgende onderdelen: (1) plan voor ecologische inrichting en beheer van rand van het park, (2) plan voor ecologische inrichting en beheer van het park zelf (type vegetatie en beheer
18
Verplichten bij ieder park. Protocol nog te bepalen.
Verplichten bij ieder park
Laat plan voor behoud verbetering bodemstructuur en bodemkwaliteit opstellen, met input van bodemkundige Na de realisatie/bouw Monitor biodiversiteit, ten minste insecten en vogels, volgens gestandaardiseerde methoden
daarvan, eventuele gebiedsspecifieke bijzondere habitats, configuratie en ruimte tussen panelen) Plan omvat maatregelen om bodemverdichting en erosie tegen te gaan, voorkomen van verontreiniging door zink. Onderdeel van het plan is een beschrijving van de relatie tussen eigenschappen van de zonnetafels en de mate waarin licht en regenwater de bodem bereiken.
Verplichten bij ieder park
Monitoring afstemmen op specifieke lokale doelsoorten. Monitoren broedvogels en overwinterende vogels (jaarrond monitoren). Observeren ruimtelijk gebruik door vogels. Zorg dat de data verzameld worden in landelijke databases en beschikbaar komen voor analyses.
Tijdens bouw zonnepark Minimaliseer de grootte van de bouwplaats en toegangswegen
Minimaliseren verstoring
Minimaliseer gebruik verlichting
Minimaliseren verstoring
Houd rekening met broedseizoen vogels
Alle broedende vogels beschermd
Bescherm de bodem, neem maatregelen tegen bodemverdichting
Zware machines verdichten bodem wat tot bederf bodemstructuur leidt. Volg met constructies en grondwerkzaamheden zo veel mogelijk de hoogtelijnen zodat niet bij een stortbui versnelde afstroming wordt bevorderd.
Verplicht altijd een before-after control-impact benadering om impact te kwantificeren
Niet onderzocht maar in overeenstemming met ‘algemene kennis’ Niet onderzocht maar in overeenstemming met ‘algemene kennis’
Maatregelen en aandachtspunten binnen zonnepark Algemeen
19
Niet onderzocht maar in overeenstemming met ‘algemene kennis’
Check of minimaliseren impact onderdeel van planning bouw park is Check of minimaliseren impact onderdeel van planning bouw park is Check in het geval van bouw in zomermaanden (april-juli) of dat er conflict met broedende vogels zou kunnen zijn Laat in plan opnemen hoe er wordt omgegaan met bodem tijdens de bouw (bijvoorbeeld ´grondstrippen´)
Behoud waardevolle habitats en elementen, plaats daar geen zonnepanelen
Bedoeld worden poelen, bestaand veldstruweel, etc. Houdt aardkundig waardevolle hoogteverschillen zoals kreek- en dekzandruggen, of slenken en eeuwenoude sloten in stand.
Gebruik inheemse planten
Vermijdt gebruik exoten bij aanleg kruidenrijk grasland en andere natuurlijke habitats
Minimaliseer verlichting
Lichtvervuiling
Hoofdgewas (gewas tussen en onder panelen) Algemeen: Extensief beheerde vegetaties dragen bij aan biodiversiteit. Creëer kruidenrijk grasland en/of Belangrijk om af te stemmen op doelsoorten (volgens kruidenrijke braakvegetaties biodiversiteitsbeheerplan). (inzaaien, of spontaan laten Extensief beheerde vegetaties dragen ook bij aan ontstaan d.m.v. gebruik maaisel) ondergrondse biodiversiteit en daarmee bodemkwaliteit. Daarnaast is bodem robuuster tegen verstoringen (erosie). Voor zonneparken binnen het Luzerne is gewas waarvan positief effect op akkervogels leefgebied voor akkervogels: bekend is. Luzerne heeft bovendien een positief effect op Teelt extensief gewas zoals bodemstructuur (diepe doorworteling) en bodemkwaliteit Luzerne of leg vogelakker (vorm (organische stofgehalte, vastlegging stikstof). Luzerne kan van agrarisch natuurbeheer met echter niet langer dan 3-5 jaar geteeld worden, dus zal altijd afwisseling tussen stroken luzerne binnen een gewasrotatie geteeld moeten worden. en braakstroken) aan. Vogelakkers moeten tenminste elke twee a drie jaar bewerkt en of opnieuw ingezaaid worden. Bij de planning van het park zal rekening moeten worden gehouden met het feit dat allerlei bewerkingen noodzakelijk zijn (maaien, oogsten, ploegen, zaaien). Beheer habitats extensief (lange Extensief beheerde vegetaties dragen bij aan biodiversiteit.
tijd tussen maaimomenten, laat Daarbij is het van belang dat maaibeheer in ruimte en tijd maaien, niet altijd alles maaien) gevarieerd wordt. Voor de overwintering van insecten is het
20
Niet onderzocht maar in overeenstemming met ‘algemene kennis’. Een lijst waarin waardevolle habitats en elementen gespecificeerd worden zou moeten worden opgesteld. Niet onderzocht maar in overeenstemming met ‘algemene kennis’ Niet onderzocht maar in overeenstemming met ‘algemene kennis’
Inventariseer waardevolle habitats en elementen voor bouw zonnepark, check dat deze bij planning gespaard worden
Onderzocht, ten minste tendens voor effect gevonden. Een overzicht over welke habitats voor welke soorten van belang zijn is noodzakelijk.
Laat beheerplan opstellen, check dat keuze voor gewassen/habitats is afgestemd op doelsoort.
Niet onderzocht maar in overeenstemming met ‘algemene kennis’.
Check dat als er gekozen wordt voor de teelt van een gewas dat dit een extensief gewas met meerwaarde voor akkervogels is (bijv. Luzerne).
Onderzocht, ten minste tendens voor effect gevonden.
Laat beheerplan opstellen, check dat beheer extensief is
Check dat gebruik inheemse zaden benoemd wordt Check dat zonnepark in principe ’s nachts niet verlicht wordt
van belang dat een deel van de vegetatie niet gemaaid wordt en in de winter over blijft staan. Voor insecten moeten er in de zomer altijd bloeien de planten beschikbaar blijven.
Richtlijnen moeten opgesteld worden.
Vermijd intensieve begrazing/gebruik door vee (schapen), varkens, kippen.
Begrazing kan meerwaarde hebben (ook vanuit oogpunt van kostenefficiënt beheer) maar intensieve begrazing heeft negatief effect op biodiversiteit (Raab 2015).
Laat geen begrazing toe, mits extensief.
Geen gebruik (kunst)mest en bestrijdingsmiddelen
Randvoorwaarde voor ontwikkeling en in stand houden extensieve biodiverse vegetaties. Toepassing van ruige mest kan juist meerwaarde hebben, ook voor kwaliteit bodem.
Onderzocht, ten minste tendens voor effect gevonden. Er zouden richtlijnen voor maximale dichtheden aan dieren opgesteld moeten worden. Niet onderzocht maar in overeenstemming met ‘algemene kennis’ Onderzocht, ten minste tendens voor effect gevonden
Stimuleer als er meerwaarde voor doelsoort bestaat. In overleg met ecoloog (en zoals vastgelegd in biodiversiteitsplan) Stimuleer als er meerwaarde voor doelsoort bestaat. In overleg met ecoloog (en zoals vastgelegd in biodiversiteitsplan). Stimuleer als er meerwaarde voor doelsoort bestaat. In overleg met ecoloog (en zoals vastgelegd in biodiversiteitsplan). Stimuleer als er meerwaarde voor doelsoort bestaat. In overleg met ecoloog (en zoals
Gebiedsspecifieke bijzondere habitats Creëer deelgebieden met open Variatie heeft meerwaarde voor biodiversiteit. Moet wel grond aansluiten bij doelsoorten.
Creëer deelgebieden met braakvegetatie
Variatie heeft meerwaarde voor biodiversiteit; aansluiten bij veldstruweel of andere opgaande vegetatie. Moet wel aansluiten bij doelsoorten.
Niet onderzocht maar in overeenstemming met ‘algemene kennis’
Creëer zand- en steenhopen
Variatie heeft meerwaarde voor biodiversiteit. Moet wel aansluiten bij doelsoorten.
Onderzocht, ten minste tendens voor effect gevonden
Creëer houtstapels en takkenrillen
Variatie heeft meerwaarde voor biodiversiteit. Moet wel aansluiten bij doelsoorten.
Niet onderzocht maar in overeenstemming met ‘algemene kennis’
21
Check of geen gebruik pesticiden en mest is opgenomen in beheerplan
Creëer poelen en sloten
Technische structuren Plaats nestkasten voor vogels
Variatie heeft meerwaarde voor biodiversiteit. Moet wel aansluiten bij doelsoorten. Natuurvriendelijke oevers.
Niet onderzocht maar in overeenstemming met ‘algemene kennis’
Kan soorten helpen zich te vestigen, wel goed nadenken over doelsoorten.
Onderzocht, ten minste tendens voor effect gevonden Niet onderzocht maar in overeenstemming met ‘algemene kennis’
Stimuleer plaatsing nestkasten voor bepaalde doelsoorten Stimuleer ecologische inrichting daken
Stimueer een zekere afstand boven de grond (minimale afstand van 0.8 m boven grond aanbevolen door ARGE Monitoring PV-Anlagen 2007) zodat vegetatie zich onder panelen kan ontwikkelen.
Niet onderzocht maar in overeenstemming met ‘algemene kennis’. Een urgente kennislacune betreft hoe hoogte, expositie, helling en ruimte tussen panelen en zonnetafels de vegetatieontwikkeling beinvloeden. Onderzocht, ten minste tendens voor effect gevonden. Een belangrijke kennislacune is hoe ruimte tussen panelen/zonnetafels het gebruik van zonneparken door vogels beinvloed. Niet onderzocht maar in overeenstemming met ‘algemene kennis’.
Check of panelen op zekere hoogte (aanbeveling 0.8 m) van de grond staan
Richt daken transformatorhuisjes ecologisch in
Configuratie zonnepanelen Plaats panelen niet direct op de grond
Houd voldoende ruimte tussen rijen panelen
Opteer voor een configuratie met een steilere hoek van panelen – of verticale panelen
vastgelegd in biodiversiteitsplan). Stimuleer als er meerwaarde voor doelsoort bestaat. In overleg met ecoloog (en zoals vastgelegd in biodiversiteitsplan).
NABU (2010) adviseert om slechts 50% oppervlakte te benutten. Provincie Groningen hanteert minimum van 10% aan doelgerichte beheermaatregelen. Meer licht en regenval op bodem bij meer ruimte tussen panelen wat bodemkwaliteit en vegetatieontwikkeling bevorderd (leidt ook tot minder erosie). Minder erosie door regenval
22
Verplicht bepaald minimum % aan maatregelen (nog nader te bepalen).
Laat plan voor behoud verbetering bodemstructuur en bodemkwaliteit opstellen.
Gebruik doorzichtige panelen
Deel van het zonlicht bereikt de bodem
Niet onderzocht maar in overeenstemming met ‘algemene kennis’.
Maatregelen en aandachtspunten rand zonnepark Hekwerk/beveiliging Heggen/sloten i.p.v. hekwerk gebruiken
Niet onderzocht maar in overeenstemming met ‘algemene kennis’ Niet onderzocht maar in overeenstemming met ‘algemene kennis’. Behoefte aan kennis over barrierevorming hekwerk.
Hekwerk doordringbaar maken voor kleine zoogdieren, amfibieën en reptielen
Bijvoorbeeld door onderaan ongeveer 10 cm ruimte te laten of door op diverse plekken gaten in hekwerk aan te brengen
Hekwerk ondoordringbaar maken voor grote predatoren
Binnen zonnepark ‘safe haven’ voor grondbroedende akkervogels. Bijvoorbeeld door hekwerk tot op/in grond te laten lopen
Niet onderzocht maar in overeenstemming met ‘algemene kennis’. Behoeft aan kennis over mate van predatie binnen zonneparken.
Geen bewaking met honden
Verstoring door honden sterk negatief effect op akkervogels
Onderzocht, ten minste tendens voor effect gevonden
Struiken en stuweel bieden veilige broedplaatsen en voedsel voor bepaald type akkervogels (bijv. Geelgors, Grasmus, Paapje). Versterkt het effect van struweel.
Niet onderzocht maar in overeenstemming met ‘algemene kennis’ Niet onderzocht maar in overeenstemming met ‘algemene
Habitatstructuren Aanplanten heg en veldstruweel langs gehele buitenrand Brede extensief beheerde rand rondom zonnepark
23
Check dat hierin aandacht voor erosie bestaat. Optie exploreren
Optie exploreren
Optie exploreren in het geval dat belang van opheffen barrierewerking hekwerk belangrijker is dan het creëeren van een safe haven voor broedvogels binnen het park (zie volgende punt) Optie exploreren in het geval dat het creëeren van een safe haven voor broedvogels belangrijker is dan het opheffen van barrierewerking van het hekwerk voor andere soorten (zie vorige punt) Bewaking door honden niet toestaan. Verplichten van ecologische en landschappelijke inbedding
kennis’. Belangrijke kennislacune is wat de precieze meerwaarde van bufferranden op biodiversiteit is.
24
Box IV. Voorbeelden van ecologisch beheerde zonneparken in NL Hier wordt een kort overzicht gegeven van reeds gerealiseerde zonneparken met een uitgesproken ecologisch beheer die als inspiratie voor ideeën voor een ecologische inrichting en specifieke maatregelen kunnen dienen. De Kwekerij, nabij Hengelo, Gelderland. http://nlsolarparkdekwekerij.nl/. Zie ook http://nlsolarparkdekwekerij.nl/wp-content/uploads/2017/11/Artikel-Solar-park-en-GD-in-vakbladGroen-nov17-1-2.pdf Dit relatieve kleine park van 7 ha is als een park aangelegd, en het is dan ook open voor publiek. Het streeft een combinatie van zonne-energie, natuur en recreatie/educatie na. Er is geen informatie over precieze beheermaatregelen gevonden. Maatregelen om de biodiversiteit te bevorderen omvatten onder andere extensieve begrazing, insectenhotels, nestkasten, bloemrijke randen, taluds, wadi’s (ingezaaid met inheems plantgoed), en deels Meidoorn in plaats van hekwerk. Ubbena, nabij Assen, Drenthe. https://www.trouw.nl/groen/ecologisch-zonnepark-is-geengeldmachine-maar-draagt-wel-zorg-voor-de-natuur~ae059f46/ In dit kleine park van 2 ha werkt energiebedrijf Vrijopnaam samen met wildbloemenzaad-bedrijf Cruydt-Hoek. De afstand tussen de panelen is relatief groot, 5 m. Het gehele terrein in ingezaaid met een wildbloemenmengsel. Het beheer bestaat uit maaien en afvoeren. Er vindt geen begrazing plaats.
Een medewerker van de Cruydt-Hoek verwacht "geen stormloop van weidevogels", wegens het gebrek aan uitzicht, maar verwacht wel een toename van "bodembroeders". Duiven, bij Arnhem, Gelderland. https://www.ginkelgroep.nl/actueel/zonnepark-duiven-kleurtgroen/ Dit zonnepark is ingezaaid met bloemrijke kruiden. Andere maatregelen zijn takkenrillen onder enkele panelen, en nestkasten. Het hekwerk wordt omringt door een elzenhaag. Het gebied wordt extensief begraasd.
25
Box V. Scheiden of verweven van functies In deze rapportage wordt gezocht naar de beste manier om zonneparken ecologisch in te richten. Het achterliggende idee is dat door deze verweving van functies er niet een stuk leefgebied verloren gaat bij de aanleg van een zonnepark, maar dat het leefgebied juist wordt verbeterd. Een geheel andere benadering zou zijn om het zonnepark juist zo compact mogelijk te maken en buiten het zonnepark te compenseren voor het verlies van leefgebied middels het aanleggen van hoogwaardig habitat. In dit geval spreken we dan van het scheiden van functies. Deze twee alternatieve benaderingen om biodiversiteit te verbeteren voeren terug op een oude ecologische discussie over land sharing (verweven van functies) en land sparing (scheiden van functies). Theoretische beschouwingen demonstreren dat de keuze voor land sharing of land sparing afhangt van hoe de relatie tussen biodiversiteit en intensiteit van grondgebruik er uit ziet. Is dit een holle functie dan is land sparing het alternatief dat biodiversiteit maximaliseert, is dit een bolle functie dan is land sharing het optimale alternatief (figuur 8, Phalan et al 2011, Fischer et al 2008).
Figuur 8. Theoretisch model over land sharing versus land sparing. Afhankelijk van de vorm van de relatie tussen biodiversiteit en intensiteit van grondgebruik maximaliseert een benadering van land sharing of land sparing de biodiversiteit. In het geval van zonneparken is het niet mogelijk de relatie tussen de intensiteit van grondgebruik (bijvoorbeeld uitgdrukt in het % oppervlak bedekt door panelen) en biodiversiteit omdat gegevens ontbreken. Op voorhand is het daarom niet mogelijk een uitspraak te doen of dat een ecologische inrichting (land sharing) een betere optie is dan buiten het zonnepark te compenseren (land sparing). Bij land sparing moet er een keuze worden gemaakt hoe veel er aan oppervlakte gecompenseerd zou moeten worden. Een grove inschatting is dat dit tussen de 10-20% van het oppervlak van het zonnepark zou moeten zijn. Bij een land sparing strategie kan er tevens voor gekozen worden om niet naast maar op een andere locatie te compenseren, bijvoorbeeld naast een natuurgebied of weidevogelkerngebied om deze te versterken. Opgemerkt moet worden dat het sterk concentreren van zonnepanelen, bijvoorbeeld middels een dakjesconstructie (zie linker plaatje figuur 1), een negatief effect op de bodemkwaliteit zal hebben. Vanuit het perspectief van bodemkwaliteit zal een land sharing strategie altijd beter zijn dan een land sparing strategie.
26
Discussie Effecten van zonneparken op de biodiversiteit, en maatregelen om biodiversiteit te bevorderen Niet ecologisch ingerichte zonneparken lijken per definitie ten kost van het leefgebied van boerenlandvogels te gaan, dus nadenken over en het stimuleren van een ecologische inrichting van zonneparken blijkt relevant. Zonneparken lijken alleen voordelig voor boerenlandvogels en biodiversiteit in het algemeen te zijn in het geval het zonnepark op intensieve landbouwgrond met weinig natuurwaarden gebouwd wordt, en mits het zonnepark ecologisch ingericht en beheerd wordt (bijvoorbeeld BirdLife Europe 2011, RSPB 2014, Peschel 2010, Herden et al 2009, Raab 2015). Een kanttekening is dat de enige studie die dit echt laat zien door zonneparken te vergelijken met referentiegebieden is Montag et al (2016). Dit betreft echter geen peer-reviewed wetenschappelijk artikel en er bestaan veel onduidelijkheden over de precieze opzet van het vogelonderzoek. Hoewel er redelijk veel literatuur over zonneparken en biodiversiteit bestaat, zijn er maar weinig studies beschikbaar die effecten van zonneparken op een goede manier hebben onderbouwd. Redenen voor het niet kunnen trekken van eenduidige conclusies in veel studies zijn bijvoorbeeld het ontbreken van een referentiegebied (of before-after vergelijking), en het niet kwantificeren van aantallen vogels (alleen soortenlijstje).
Ook de relatie tussen mogelijke maatregelen en het effect op het voorkomen van specifiek boerenlandvogels blijft onduidelijk omdat hier in veel gevallen geen onderzoek naar is gedaan. Er wordt bij aanbevelingen vaak uitgegaan van algemeenheden (“het is algemeen bekend dat deze maatregel een positief effect op vogels heeft”) zonder dat maatregelen in de context van zonneparken en specifiek boerenlandvogels getoetst zijn. Hier liggen belangrijke kennislacunes. Het is belangrijk om te benadrukken dat de aanleg van een zonnepark ten koste gaat van het leefgebied van specifieke soortgroepen, i.e. de akkervogels in akkerbouwgebieden en de weidevogels in veenweidegebieden. Maatregelen ter bevordering van de biodiversiteit zouden in landbouwgebieden dan ook in eerste instantie vooral op deze soortgroepen gericht moeten zijn. Het is te verwachten dat er met de aanleg van een zonnepark er een verschuiving plaatsvindt in de samenstelling van de lokale vogelgemeenschap (bijvoorbeeld toename vogels van half-opene landschappen en nisbroeders). Hoewel hiermee het aantal vogelsoorten kan zijn toegenomen, hoeft dit niet te betekenen dat het zonnepark een ecologische plus op het leefgebied van de akkervogels die daar van origine voorkwamen heeft gezet.
Het is daarom van belang dat er in de planningsfase ecologen betrokken worden die advies kunnen geven over hoe lokale doelsoorten met welke maatregelen te kunnen helpen. Het in een vroeg stadium betrekken van specialisten is een belangrijke aanbeveling ook vanuit de internationale literatuur (NABU 2010, BRE 2014). Wanneer de bodem onder de panelentafels bijna volledig wordt afgeschermd van licht en regenwater zal de ondergroei afsterven en het bodemleven verstoken blijven van de aanvoer van verse organische stof. Als gevolg daarvan zou de bodemvruchtbaarheid ernstig kunnen afnemen, almede de hoeveelheid organische stof en de opnamecapaciteit voor water. Het is echter onbekend in welke mate dit nu optreedt of zou kunnen optreden. Dit is ook niet te voorspellen uit de eigenschappen van gerealiseerde of nog te realiseren installaties. De vegetatiegroei onder Nederlandse zonneparken lijkt in ieder geval op korte termijn niet belemmerd te worden. In de literatuur zijn er aanwijzingen dat pas bij een reductie van de hoeveelheid licht van 75% of meer (op jaarbasis) serieuze effecten te verwachten zijn. De doorwerking op het bodemleven zal bovendien sterk afhankelijk zijn van grondsoort en de gekozen beheervorm zoals het al of niet afvoeren van de vegetatie. Het effect van zonneparken op vegetatie en bodem is een belangrijke kennisleemte.
Het kwantificeren van de directe relaties tussen eigenschappen van de zonneparken en de hoeveelheid 27
licht en regenwater dat de bodem bereikt en de indirecte relaties met vegetatie en bodemleven kan praktische richtlijnen opleveren om negatieve effecten van zonneparken op de gezondheid van de bodem te voorkomen of deze juist te bevorderen. In diverse documenten met richtlijnen wordt aangegeven dat bij de aanleg van zonneparken voorkeur gegeven zou moeten worden aan minder productieve gronden. De motivatie voor deze richtlijn is dat hiermee de beste landbouwgebieden ‘gespaard’ zouden worden. Echter, minder productieve gronden kennen doorgaans een hogere biodiversiteit. Vanuit biodiversiteitsoogpunt zou het dan ook beter zijn zonneparken juist wel op de hoogproductieve gronden met lage biodiversiteitswaarden te plannen.
Maatwerk: verschillende maatregelen in verschillende landschappen De noodzaak en effectiviteit van een bepaalde maatregel om de biodiversiteit te bevorderen kent een sterke lokale component doordat akkervogelpopulaties tussen landschappen verschillen. Zo is een maatregel als het aanbieden van kunstmatige nestgelegenheid voor Ringmussen waarschijnlijk zinloos in zeer open akkergebieden waar Ringmussen niet als broedvogel voorkomen. Deze maatregel is juist wel waardevol in meer besloten akkerbouwgebieden of daar waar een zonnepark aansluit bij een bosje of dorp waar Ringmussen van nature al voor komen. Maatwerk wordt ook geadviseerd bij de aanplant van struwelen rondom een zonnepark. In open landschappen is de aanplant van lager veldstruweel aan te raden, omdat daarmee het open karakter van het landschap niet verloren gaat. In een meer besloten landschap past een brede en hoge haag beter in het landschap, en sluit ook beter aan bij de ecologische randvoorwaarden van de daar voorkomende akkervogels.
Aanbevelingen voor monitoring Er kunnen een aantal aanbevelingen worden gedaan voor monitoring van boerenlandvogels. Ten eerste zou monitoring zich niet alleen moeten richten op broedvogels, maar zou een jaarrond benadering gekozen moeten worden. Onderstreept wordt het belang van kwantitatieve monitoring (aantal territoria) in plaats van kwalitatieve (alleen soortenlijsten) monitoring. Ook wordt benadrukt dat monitoring gedurende meerdere jaren moet plaatsvinden. Verschillende studies laten zien dat de herkolonisatie of afnames langzaam gaan (Heindl 2016, Lieder & Lumpe 2012, Raab 2015). Specifieke onderzoeken naar het ruimtelijk gebruik van vogels en zonneparken om in te broeden of in te foerageren ontbreken of zijn anekdotisch en vormen daarmee een belangrijke kennishiaat. Quick-scans die gemaakt worden tijdens de planfase, om een idee te krijgen over welke soorten op de geplande zonnepark locatie voorkomen, beperken zich veelal strict tot het precieze gebied waar het zonnepark gepland is. Ook letten ze doorgaans alleen op soorten met een hoge beschermingsstatus. Echter, soorten die niet in het gebied zelf maar het daarbuiten broeden, en waarvan het geplande zonnepark onderdeel van hun leefgebied is, worden net zo goed door het zonnepark beïnvloed.
Quick-scans zijn daarmee onvoldoende om een goed beeld te verkrijgen van het mogelijke effect van een zonnepark op boerenlandvogels. Om de gezondheid van de bodem te monitoren zijn er verschillende meetmethoden ontwikkeld. Een veelbelovende integrale tool is de Soil health Index (SHI) die momenteel ontwikkeld wordt (Bloem en Korthals, in voorbereiding). De Nederlandse variant van de SHI zou de volgende indicatoren 28
omvatten: de potentieel mineraliseerbare stikstof (PMN) en heet water extraheerbaar koolstof (HWC). Deze SHI kent dus een biochemische basis, waarbij biologische bodemkwaliteit niet gemeten wordt. Voor een breder toepasbaarder SHI gericht op ook bodemdiensten (Griffiths et al. 2018) is er meer nodig dan alleen labiele organische stof. Naast mineraliseerbare stikstof en heet water extraheerbaar koolstof zou er dan ook informatie verzameld moeten worden over bacteriële biomassa, schimmelbiomassa, nematoden (aantallen en diversiteit) en regenwormen (aantallen en diversiteit). Deze belangrijke groepen bodemorganismen kunnen op verschillende manieren worden gemeten. Schimmels, bacteriën en nematoden zijn tot nu toe voornamelijk microscopisch gemeten. Voor schimmels en bacteriën is het lastig om grote aantallen monsters te verwerken. Internationaal gezien worden PLFA analyses steeds vaker toegepast. Daarnaast zijn er diverse ontwikkelingen aangaande kwantitatieve DNA technieken. Er bestaan diverse goede methoden om regenwormen te monitoren. Bij veldmetingen moet rekening worden gehouden met veel variatie. Dit is minder het geval bij metingen die in samengestelde mengmonsters in een lab worden uitgevoerd. Daarnaast is het nodig dat tevens referentiedata worden verzameld (buiten zonnepark), en er ook meer inzicht komt in seizoensvariatie.
Kennislacunes Eén van de duidelijkste conclusies uit het literatuuroverzicht is dat er verrassend weinig onderzoek is gedaan naar de ecologische inrichting van zonneparken. Wat levert welke maatregel precies op? De aanbevelingen die worden gedaan in documenten met richtlijnen en in Biodiversity Management Plans (BMP) zijn veelal gebaseerd op algemene kennis in plaats van detailonderzoek. Hieronder zetten we de belangrijkste en meest prangende kennislacunes op een rij, inclusief een korte schets van het benodigde onderzoek. a) Wat zou voor welke doelsoorten de optimale vegetatie onder en tussen de rijen zonnepanelen zijn? Oftewel, in het geval van broedvogels, welk habitat wordt door welke soorten uitgekozen om in te broeden en naar voedsel te zoeken. Belangrijk hierbij is de lokale context. In open gebieden komen andere doelsoorten voor (Gele Kwikstaart, Veldleeuwerik) die een andere voorkeur zullen hebben dan de doelsoorten van meer gesloten gebieden (Paapje, Patrijs). Een mogelijk aanpak om de selectie van verschillende soorten te testen is een keuze-experiment waarbij de helft van een zonnepark met het ene, en de andere helft met een ander habitat wordt ingericht. Door vervolgens bij te houden welke vogels waar voorkomen, inclusief observaties aan nesten en voedselvluchten, wordt een goed beeld verkregen van de habitatselectie.
Resultaten helpen bij het maken van de juiste keuze wat betreft het gewas. Hierbij zullen er belangrijke verschillen zijn tussen akker- en weidevogelgebieden. b) In hoeverre zet de aanleg daadwerkelijk een ecologische plus op het leefgebied van boerenlandvogels? Oftewel, zien we een toename van het aantal boerenlandvogels na de aanleg van het zonnepark? Om deze vraag te beantwoorden hebben we goede before-after controlimpact studies nodig, gerelateerd aan specifieke maatregelen. Dit zou gerealiseerd kunnen worden door een goede BACI studie te verplichten bij de aanleg van ieder park. Waarbij niet alleen ingezet wordt op broedvogelmonitoring maar ook naar het ruimtelijk gebruik door broedvogels van zonneparken wordt gekeken. c) Hoe beïnvloedt de afstand tussen de rijen met zonnepanelen het gebruik van het zonnepark, en hoe verschilt dat tussen soorten? Tröltzsch & Neuling (2013) laten zien dat een grotere afstand tussen rijen panelen positief is voor belangrijke doelsoorten zoals de Veldleeuwerik. Een te korte 29
afstand tussen rijen panelen zou maatregelen om biodiversiteit binnen een park te verhogen inefficiënt kunnen maken wanneer vogels niet tussen de rijen panelen durven te broeden of zelfs foerageren. Een manier om dit te onderzoeken zou zijn om de afstand tussen rijen panelen te variëren (binnen een park, maar ook tussen parken), en vervolgens bij te houden welke vogels waar voorkomen, inclusief observaties aan nesten en voedselvluchten. d) Wat is het optimale beheer van de maatregelen in en rondom zonneparken? Voorkomen moet worden dat maatregelen een ecologische val vormen, oftewel dat de soorten naar de zonneparken gelokt worden maar dat hun broedsucces en overleving ondermaats is. Dit zou onderzocht kunnen worden door het broedsucces van vogels te monitoren bij verschillende vormen van maai- en graasbeheer. Variatie bij maaibeheer is bijvoorbeeld de timing van en tijd tussen maaibeurten. Variatie in graasbeheer is bijvoorbeeld de variatie in het aantal dieren. e) Profiteert de biodiversiteit het meest van een land sharing (ecologische inrichting zonneparken) of land sparing (compenseren buiten zonneparken) strategie? Een vergelijking zou kunnen worden gemaakt tussen biodiversitit in zonneparken met ecologische inrichting en zonneparken waarbij buiten het park gecompenseerd is.
f) Hoe kan worden voorkomen door de technische opbouw van een zonnepark en beheer dat op de bodem onder de panelen substantieel minder vegetatie groeit en als gevolg daarvan ook de gezondheid van de bodem afneemt? g) In hoeverre biedt de aanleg van zonneparken in veengebieden koppelkansen t.a.v. reductie van veenoxidatie door middel van verhoging van de grondwaterstand? Wat zijn de effecten op biodiversiteit (boerenlandvogels) en op de bodem. Wat is de behaalde reductie aan CO2uitstoot?
Figuur 9. Schematische weergave van de belangrijkste kennislacunes.
30
Aanbevelingen voor beleid ten aanzien van de ecologische inrichting van zonneparken De grootschalige ontwikkeling van zonneparken draagt het risico van het verlies van leefgebied van boerenlandvogels met zich mee, een soortgroep waar het al zo slecht mee gaat. Echter, met een juiste landschappelijke inpassing met ecologische inrichting en beheer biedt de aanleg van zonneparken kansen om de biodiversiteit in het agrarisch gebied op te krikken. De overheid zou hiervoor een doelgericht stimuleringsbeleid kunnen voeren mede ook om het maatschappelijk draagvlak voor zonneparken te vergroten. Het opstellen en uitvoeren van een biodiversiteitbeheerplan zou als voorwaarde voor de vergunningverlening gesteld kunnen worden. Wel mag dan verwachten worden dat de maatregelen die worden genomen aantoonbaar een positief effect hebben op de biodiversiteit. Daarom is een begeleidend monitorings- en onderzoeksprogramma dat maatregelen test en verbeterd van groot belang. Het sturen op inspanningen (nemen van maatregelen) in plaats van op effecten (toename van biodiversiteit) is in dit geval wenselijk omdat biodiversiteitswinst afhankelijk is van een groot aantal factoren, die deels buiten de invloedsfeer van de ontwikkelaar/eigenaar liggen (bijvoorbeeld dingen die buiten het zonnepark gebeuren).
Om inzicht te krijgen over te verwachten effecten van maatregelen en beheer op biodiversiteit en bodemkwaliteit zou van een grote steekproef aan zonneparken van zo veel mogelijk diergroepen data verzameld moeten worden volgens een landelijk afgesproken protocol. Het verplichten van een betere effectmonitoring volgens het before-after control-impact protocol zou zo’n database snel kunnen vullen. Het is van belang dat deze data centraal verzameld wordt en vrij beschikbaar wordt gesteld voor onderzoek. Zoals hierboven geschetst zijn er een aantal belangrijke kennislacunes over maatregelen en beheer. Het is wenselijk gericht onderzoek te doen middels gerichte experimenten met inrichting en beheer. Zo’n onderzoeksprogramma zou gefinancierd kunnen worden uit een onderzoeksfonds waar ontwikkelaars bij de ontwikkeling van ieder zonnepark aan bijdragen. Omdat er momenteel veel parken gepland worden zal zo’n onderzoeksfonds snel afdoende gevuld zijn voor een ambiteuze onderzoeksagenda.
31
Checklist Planningsfase 1a Zonneparken worden niet in een natuurgebied aangelegd. Zonneparken worden enkel direct naast een natuurgebied aangelegd als dit een duidelijke meerwaarde voor natuurgebied heeft, en indien zorgvuldig ingepast. 1b Bij aanleg van zonneparken op en naast water worden waterinsecten-vriendelijke panelen gebruik (panelen met witte strips) 1c Er wordt voorafgaand aan de aanleg een goede nulmeting uitgevoerd middels een standaard monitoringsprotocol (kwaliteit bodem en huidige natuurwaarden in kaart gebracht voor zonnepark en omgeving, voor boerenlandvogels kwantitatieve meerdelige monitoring tijdens broedseizoen en in de winter). 1d Er is samen met een ecoloog een plan voor ecologische inrichting gemaakt, inclusief beheer. Hierbij wordt gelet op de lokale situatie en bijbehorende doelsoorten. 1e Er is een plan voor een goed bodembeheer opgesteld met een bodemkundige. 1f Biodiversiteit en bodem worden de eerste 5 jaar ieder jaar gemonitord volgens een vaststaand monitoringsprotocol. Daarna wordt het park iedere 5 jaar gemonitord. 1g Het geplande zonnepark draagt bij aan het oplossen van een onderzoeksvraagstuk (kennisontwikkeling). Bijvoorbeeld, afstand tussen rijen panelen wordt gevarieerd, waardoor effect op gebruik door boerenlandvogels onderzocht kan worden.
32
Bijvoorbeeld, door aanleg zonnepark kan gebied (inclusief natuurgebied) vernat worden. Of, zonnepark naast een weidevogelkerngebied biedt optimal opgroeimogelijkheden voor kuikens van weidevogels. Met water worden plassen, meren en andere grotere wateren bedoeld en geen sloten of wijken. Standaard monitoringsprotocol moet opgesteld worden. Dit omvat welke soortsgroepen op welke manier gemonitord worden. Omvat ook monitoring bodemkwaliteit. Data wordt in landelijke database opgeslagen. Afstemming tussen maatregelen en doelsoorten.
Zie 1c. Ook hier richtlijnen voor standaard monitoringsprotocol. Data wordt in landelijke database opgeslagen. Inclusief bijdrage aan financiering onderzoek (landelijk onderzoeksfonds).
Configuratie park 2a Zonnepanelen staan niet direct op de grond, en er is voldoende ruimte tussen de rijen panelen.
2b
2c 2d
2e
In het ontwerp wordt rekening gehouden met waardevolle landschapselementen, historische verkavelingspatronen en oorspronkelijk relief. Technische structuren zijn meegenomen bij ecologische inrichting Er worden bijzondere habitats aangelegd als verwacht kan worden dat dit een positief effect op specifieke doelsoorten heeft.
In het geval dat er buiten het zonnepark gecompenseerd wordt (land sparing benadering) wordt er hoogwaardig leefgebied gecreeerd dat ten minste 10-20% van de oppervlakte van het zonnepark beslaat.
33
Zeker minimale afstand tot grond is aangehouden (aanbeveling betreft 0.8 m). De minimale afstand tussen rijen panelen is afdoende voor boerenlandvogels om de ruimte daartussen te benutten (de minimale/optimale afstand moet nader bepaald worden en betreft een belangrijke kennislacune). Op voldoende oppervlak (grove richtlijn minimaal 10% van oppervlakte binnen het hek rond het zonnepark) staan geen panelen. Een lijst van typen waardevolle landschapselementen moet opgesteld worden. Bijvoorbeeld poelen, hagen. Nestkasten alleen in besloten landschappen. Bijzondere habitats zijn open grond, braakvegetatie, zand- en steenhopen, houtstapels en takkenrillen, poelen en sloten. Er moet een lijst komen welke bijzondere habitats voor welke doelsoorten belangrijk zijn (bijvoorbeeld braakvegetatie voor muizenetende roofvogels en zaadetende zangvogels). Exacte ondergrens moet nog bepaald worden.
Bouwfase 3a
3b 3c
3d
Er wordt beschreven hoe toegangswegen en bouwplaats te minimaliseren om negatieve effecten op biodiversiteit en bodem te verminderen Er wordt beschreven hoe gebruik van verlichting geminimaliseerd wordt Er is gecheckt dat werkzaamheden niet tijdens broedseizoen plaatsvinden, en als wel, dat er rekening met broedvogels gehouden wordt (niet daar werken waar op dat moment vogels nestelen) Er worden maatregelen getroffen om bodemverdichting te voorkomen
Maatregelen binnen zonnepark 4a Het zonnepark wordt ’s nachts niet verlicht 4b Bodem zonnepark wordt bedekt met een extensieve vegetatie zoals kruidenrijk grasland, Luzerne of braakvegetatie. In het plan voor de ecologische inrichting wordt onderbouwd waarom voor een bepaald gewas/bepaalde gewassen onder en tussen rijen zonnepanelen is gekozen. Het is ook duidelijk voor welke doelsoorten dit geldt. 4c In het geval dat er een bepaald gewas wordt ingezaaid worden zaden van wilde van oorsprong in Nederland voorkomende plantensoorten gebruikt 4d Het beheer van de vegetatie onder en tussen rijen zonnepanelen is extensief.
4e
Er zou een tabel moeten worden opgesteld waar (gebaseerd op laatste inzichten) per doelsoort wordt aangegeven welke gewassen, habitats, etc. relevant zijn (lees: verwacht kan worden dat ze positief effect op doelsoort hebben), incluis hoe dat gewas/habitat beheerd zou moeten worden.
Maaien: lange tijd tussen maaibeurten, laat maaien, niet alle vegetatie wordt in iedere maaibeurt gemaaid. Begrazing: alleen extensieve begrazing of drukbegrazing. Begrazing zet ecologische doelen al gauw onder druk. Alleen bemesting met ruige mest toestaan
Er worden geen pesticiden, drijfmest of kunstmest gebruikt 34
Maatregelen rand zonnepark (hekwerk) 5a Het zonnepark wordt niet met honden beveiligd 5b Hekwerk wordt omgeven met struiken en veldstruweel
5c
Overig 6a
Brede buffer langs buitenrand met ecologische inrichting (aanbevolen minimale breedte betreft 9 m, smallere randen blijken ineffectief), met inachtneming van de landschappelijke inpassing
Bij zonneparken die zijn opengesteld voor het publiek wordt een deel (ten minste 30%) afgesloten om rustgebied te creeren.
35
Keuze voor hogere struiken (hagen) of veldstruweel hangt af van beslotenheid landschap. Haag in besloten landschap (struiken hoger dan hek), struweel in open landschap (struiken lager dan hek). Hierbij worden zoveel mogelijk inheemse soorten gebruikt. Kruidenrijke grasland of braakvegetatie (afhankelijk van doelsoorten) Hiervoor moet ook een beheerplan worden opgesteld.
Als er buiten het zonnepark wordt gecompenseerd (in plaats van een ecologische inrichting), wordt dit gebied niet opengesteld voor publiek.
Literatuurlijst ARGE Monitoring PV-Anlagen. 2007. Leitfaden zur Berücksichtigung von Umweltbelangen bei der Planung von PV-Freiflächenanlagen. https://www.bauberufe.eu/images/doks/pv_leitfaden.pdf (17-08-2018). Armstrong A, Ostle NJ, & Whitaker J. 2016. Solar park microclimate and vegetation management effects on grassland carbon cycling. Environmental Research Letters 11(7):074016. Armstrong A, Waldron S, Whitaker J, & Ostle NJ. 2014. Wind farm and solar park effects on plant–soil carbon cycling: uncertain impacts of changes in ground‐level microclimate. Global change biology 20(6):1699-1706. Beatty B, Macknick J, McCall J, Braus G, & Buckner D. 2017. Native Vegetation Performance under a Solar PV Array at the National Wind Technology Center (No. NREL/TP- 1900-66218). National Renewable Energy Lab. (NREL), Golden, CO, USA. Bloem J & Korthals G. In voorbereiding. Soil Health Index – Biologische Indicatoren voor de Nederlandse toepassing. Concept rapport Wageningen Environmental Research, september 2018. BirdLife Europe. 2011. Meeting Europe’s renewable energy targets in harmony with nature. http://www.energiewendenaturvertraeglich.de/index.php%3Fid=1091&L=1&tx_fedownloads_pi2[download]=3851 (17-082018). Bos JFFP, Sierdsma H, Schekkerman H, & Scharenburg CV. 2010.
Een veldleeuwerik zingt niet voor niets!: schatting van kosten van maatregelen voor akkervogels in de context van een veranderend gemeenschappelijk landbouwbeleid (No. 107). Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu. BRE. 2014. Biodiversity guidance for solar developments. https://www.bre.co.uk/filelibrary/pdf/Brochures/NSC-Biodiversity-Guidance.pdf%0A (08-08-2018). BügelHajema. 2018. Vogelvriendelijke inrichting Zonnepark Van Boekerenweg Stadskanaal. CMS. 2014. Renewable energy technologies and migratory species - guidelines for sustainable deployment. https://www.cms.int/sites/default/files/document/Doc_10_2_2_Guidelines_Renewable_Energy_E. pdf (28-08-2018). DeVault TL, Seamans TW, Schmidt JA, Belant JL, Blackwell BF, Mooers N, Tyson LA, & Van Pelt L. 2014. Bird use of solar photovoltaic installations at US airports: implications for aviation safety. Landscape and Urban Planning 122:122–128. Dupraz C, Marrou H, Talbot G, Dufour L, Nogier A, & Ferard Y. 2011. Combining solar photovoltaic panels and food crops for optimising land use: towards new agrivoltaic schemes. Renewable energy 36(10):2725-2732. Eelerwoude. 2018. Landschappelijke inpassing Zonnepark Midden Groningen. https://chintsolar.nl/wpcontent/uploads/2018/05/180227.Inrichting_beheer_Landsch_inpassing_SP_MG.pdf (22-08-2018). Engels BWR & Kleyheeg-Hartman JC. 2016. Natuurtoets zonnepark Haringvliet.
Bureau Waardenburg. https://www.commissiemer.nl/projectdocumenten/00001056.pdf?documenttitle=Bijlage 4C Natuurtoets zonnepark Haringvliet.pdf (22-08-2018). Feltwell J. 2013. Are photovoltaic solar arrays an influencing factor in avian mortality? Newsletter of the Kent Field Club 77:18-25. Fischer J, Brosi B, Daily GC, Ehrlich PR, Goldman R, Goldstein J, ... & Ranganathan J. 2008. Should agricultural policies encourage land sparing or wildlife‐friendly farming? Frontiers in Ecology and the Environment 6(7):380-385. Fthenakis V, Blunden J, Green T, Krueger L, & Turney D. 2011. Large photovoltaic power plants: wildlife impacts and benefits. 2011 37th IEEE Photovoltaic Specialists Conference. Frambach M, Liu Y, Mazolla L, Schurer B, Tasiopoulos L, & Villar Alegria E. 2018. Combining solar panels and agriculture. Analysing the impact on soil biodiversity. Studentenrapport Wageningen Universiteit. Fraunhofer Institute for Solar Energy Systems ISE. 2017. Harvesting the Sun for Power and Produce – Agrophotovoltaics Increases the Land Use Efficiency by over 60 Percent. GNMF. 2018. Handreiking: beleid en criteria voor zonnevelden. https://www.gnmf.nl/wpcontent/uploads/2018/04/20180424-GNMF-handreiking-zonnevelden.pdf (29-08-2018).
36
Griffiths BS, Faber J, & Bloem J. 2018. Applying soil health indicators to encourage sustainable soil use: The transition from scientific study to practical application. Sustainability (Switzerland) 10(9):3021. Guerin T. 2017. A case study identifying and mitigating the environmental and community impacts from construction of a utility-scale solar photovoltaic power plant in eastern Australia. Solar Energy 146:94–104. Guiller C, Affre L, Deschamps-Cottin M, Geslin B, Kaldonski N, & Tatoni T. 2017. Impacts of solar energy on butterfly communities in mediterranean agro-ecosystems. Environmental Progress and Sustainable Energy 36:1817–1823. Harrison C, Lloyd H, & Field C. 2017. Evidence review of the impact of solar farms on birds, bats and general ecology. Natural England. http://publications.naturalengland.org.uk/file/6000213410447360 (09-082018). Heindl M. 2014. Mounting structure of a solar module as nesting site for a Red-backed Shrike Lanius collurio. Ornithologischer Rundbrief Mecklenburg-Vorpommern 48:87–89. Heindl M. 2016. Development of the breeding populations of Whinchat and Corn Bunting in an open-area photovoltaic plant near Demmin. Ornithologischer Rundbrief Mecklenburg-Vorpommern 48:303– 307. https://www.umweltplan.de/media/download/veroeffentlichungen/Martin_Heindl_Braunkehlchen _Grauammer_Photovoltaik_Anlage.pdf (02-11-2018).
Herden C, Rassmus J, & Gharadjedaghi B. 2009. Naturschutzfachliche Bewertungsmethoden von Freilandphotovoltaikanlagen. BfN-Skripten 247. Horváth G, Blahó M, Egri Á, Kriska G, Seres I, & Robertson B. 2010. Reducing the maladaptive attractiveness of solar panels to polarotactic insects. Conservation Biology 24:1644–1653. Horváth G, Kriska G, Malik P, Robertson B. 2009. Polarized light pollution: a new kind of ecological photopollution. Frontiers in Ecology and the Environment 7:317–325. Jeal C. 2015. The impact of a “trough” Concetrated Solar Power facility on birds and other animals in the Northern Cape, South Africa. University of Cape Town. https://open.uct.ac.za/bitstream/handle/11427/25010/thesis_sci_2017_jeal_corey.pdf?sequence=1 (17-08-2018). Jenkins AR, Ralston-Paton S, & Smit-Robinson HA. 2017. Best practice guidelines: birds & solar energy. BirdLife South Africa. https://www.birdlife.org.za/documents/renewable-energy/solar-energy/988-blsabirds-solar-energy-2017 (23-08-2018). Kagan RA, Viner TC, Trail PW, & Espinoza EO. 2014. Avian mortality at solar energy facilities in southern California: a preliminary analysis. National Fish and Wildlife Fornesics Laboratory. https://alternativeenergy.procon.org/sourcefiles/avian-mortality-solar-energy-ivanpah-apr2014.PDF (09-08-2018). Kok L, van Eekeren N, van der Putten WH, van den Born GJ, Schouten T, & Rutgers M. 2017.
Zonneparken en bodemafdekking. Bodem 4:18-21. Lambers IHR. 2016. Effecten van zonne park Hijken op beschermde soorten en gebieden. Bureau Waardenburg. https://www.middendrenthe.nl/website/document/docnr/2828442,,3768338,/Ecologisch onderzoek .pdf (22-08-2018). Lamont LA & El Chaar L. 2011. Enhancement of a stand-alone photovoltaic system’s performance: reduction of soft and hard shading. Renewable Energy 36:1306–1310. Lieder K & Lumpe J. 2012. Vögel im Solarpark - eine Chance für den Artenschutz? http://archiv.windenergietage.de/20F3261415.pdf (09-08-2018). Majumdar D & Pasqualetti MJ. 2018. Dual use of agricultural land: Introducing ‘agrivoltaics’ in Millennium Ecosystem Assessment, 2005. Ecosystems and Human Well- being: Biodiversity Synthesis. World Resources Institute, Washington, DC, USA. McCrary MD, McKernan RL, Schreiber RW, Wagner WD, & Sciarrotta TC. 1986. Avian mortality at a solar energy power plant. Journal of Field Ornithology 57:135–141. Montag H, Parker G, & Clarkson T. 2016. The effects of solar farms on local biodiversity: a comparative study. Clarkson & Woods and Wychwood Biodiversity. http://www.solar-trade.org.uk/wpcontent/uploads/2016/04/The-effects-of-solar-farms-on-local-biodiversity-study.pdf (08-08-2018).
37
NABU. 2010. Kriterien für naturverträgliche Photovoltaik-Freiflächenanlagen. https://www.nabu.de/imperia/md/content/nabude/energie/solarenergie/170629-nabu-kriteriensolarparks.pdf (13-08-2018). Peschel T. 2010. Solar parks - opportunities for biodiversity. Renews Special 45. Phalan B, Onial M, Balmford A, & Green RE. 2011. Reconciling food production and biodiversity conservation: land sharing and land sparing compared. Science 333(6047):1289-1291. Provincie Fryslân. 2017. Sinnefjilden yn it lânskip. https://www.fryslan.frl/document.php?m=7&fileid=27316&f=74bff86465c36f6d482a3dfa7ac672f2 &attachment=1 (29-08-2018). Provincie Groningen. 2018. Handreiking: locatiekeuze en ontwerp zonneparken. https://www.provinciegroningen.nl/fileadmin/user_upload/Documenten_2017/Downloads/Handrei king_locatiekeuze_en_ontwerp_zonneparken_feb_2018.pdf (30-08-2018). Provincie Noord-Holland. 2016. Nota Perspectief voor Zon in Noord-Holland. https://www.noordholland.nl/dsresource?objectid=18561959-22e8-4604-8019-d2d829e8053f&type=PDF (29-08-2018). Provincie Overijssel. 2017. Handreiking kwaliteitsimpuls zonnevelden. https://www.overijssel.nl/publish/pages/166063/handreiking_kwaliteitsimpuls_zonnevelden_def.p df (30-08-2018). Raab B. 2015. Erneuerbare Energien und Naturschutz – Solarparks können einen Beitrag zur Stabilisierung der biologischen Vielfalt leisten. ANLiegen Natur 37:67–76. RSPB. 2014.
Solar energy - RSPB policy briefing, December 2014. http://ww2.rspb.org.uk/Images/Solar_power_briefing_tcm9-273329.pdf (09-08-2018). Semchenko M, Lepik M, Götzenberger L, & Zobel K. 2012. Positive effect of shade on plant growth: amelioration of stress or active regulation of growth rate? Journal of Ecology 100:459–466 Sinha P, Hoffman B, Saker J, & Althouse L. 2018. Best practices in responsible land use for improving biodiversity at a utility-scale solar facility. Case Studies in the Evironment. Smit HA. 2011. Guidelines to minimise the impact on birds of solar facilities and associated Infrastructure in South Africa. http://www.the-eis.com/data/literature/Solar guidelines_version2.pdf (09-08-2018). Száz D, Mihályi D, Farkas A, Egri Á, Barta A, Kriska G, Robertson B, & Horváth G. 2016. Polarized light pollution of matte solar panels: anti-reflective photovoltaics reduce polarized light pollution but benefit only some aquatic insects. Journal of Insect Conservation 20:663–675. Taylor R. 2014. Potential ecological impacts of ground-mounted photovoltaic solar panels in the UK: an introduction and literature review. BSG Ecology. http://www.bsg-ecology.com/wpcontent/uploads/2015/01/Solar-panels-and-wildlife-review_RT_FINAL_140109.pdf (30-08-2018). Tröltzsch P & Neuling E. 2013. Die Brutvögel großflächiger Photovoltaikanlagen in Brandenburg. Vogelwelt 134:155–179.
Valle B, Simonneau T, Sourd F, Pechier P, Hamard P, Frisson T, ... & Christophe A. 2017. Increasing the total productivity of a land by combining mobile photovoltaic panels and food crops. Applied Energy 206:1495-1507. Visser E. 2016. The impact of South Africa’s largest photovoltaic energy facilty on birds in the Northern Cape, South Africa. University of Cape Town. https://open.uct.ac.za/bitstream/handle/11427/20843/thesis_sci_2016_visser_elke.pdf?sequence= 1 (30-08-2018). Walston LJ, Rollins KE, LaGory KE, Smith KP, & Meyers SA. 2016. A preliminary assessment of avian mortality at utility-scale solar energy facilities in the United States. Renewable Energy 92:405–414. WWF. 2013. Solar PV atlas: solar power in harmony with nature. http://awsassets.panda.org/downloads/solar_pv_atlas_final_screen_version_feb_2013.pdf (29-082018).
38