1446356 Peiling UPLG en POVI bijlage 2c Plan MER Ontwerp-Utrechts Programma Landelijk Gebied 2026 – 2035
Tekst van het document
Figuur 2.1 Totstandkoming UPLG via participatie
Maatregelenpakketten Zoals in bovenstaand schema is opgenomen leverde de provincie 5 juli 2023 het concept-Utrechts Programma Landelijk Gebied (UPLG) in bij het Rijk. Om aanspraak te maken op budget uit het Transitiefonds en ook daadwerkelijk met de uitvoering van het UPLG aan de slag te kunnen, diende de provincie Utrecht– net als de andere provincies – gelijktijdig met het concept-UPLG zes concept maatregelpakketten in. De pakketten bevatten maatregelen voor de natuur, water, klimaat en landbouw die voldoende kansrijk zijn om op korte termijn (2024 – 2027) uit te voeren en die bijdragen aan de UPLG-opgaven. Op basis hiervan is in totaal 249 miljoen euro voor de provincie Utrecht voor de zes pakketten beschikbaar gesteld. Met name voor de pakketten: groenblauwe linten en scheggen en boerensloten (1), veenweiden (2), landbouw (3) en overgangszones Natura 2000-gebieden (4). Momenteel is de provincie in gesprek met gebiedspartners om middelen zo snel mogelijk en efficiënt mogelijk in gebieden beschikbaar te krijgen om maatregelen uit te voeren. Het UPLG is het kader voor inzet en prioritering van de maatregelpakketten.
23/147
Kenmerk
R001-1294991EMG-V04-sss-NL
Kaderstellende notitie Provinciale Staten is tussentijds ook met regelmaat betrokken, onder meer via het vaststellen van de kaders. Op 26 juni 2024 is daarvoor de Kaderstellende Notitie voor het Utrechts Programma Landelijk Gebied vastgesteld door Provinciale Staten. Daarin zijn tien kaders meegegeven voor de verdere uitwerking van het UPLG.
2.2
Doelen en opgaven UPLG
Dit hoofdstuk geeft een overzicht van de opgaven en doelen die aan de basis staan van dit UPLG In het UPLG staan vier thema’s centraal: water & bodem, natuur, klimaat en landbouw. Per thema beschrijft het UPLG de aanpak voor het behalen van de doelen. Vaak bouwt dit voort op bestaand beleid, maar soms gaat het ook verder en betreft het nieuw beleid. De doelen zijn veelal vastgelegd in wet- en regelgeving of in harde bestuurlijke afspraken en hebben daarmee een harde, veelal ook juridische, status. Juridisch gezien is de verplichting gebaseerd op wetgeving harder maar bestuurlijk gezien kan een politieke afspraak ook hard zijn. Daarnaast kan de hardheid van een verplichting afhankelijk zijn van de gevolgen in brede zin: juridisch, politiek, financieel maar ook maatschappelijk. Om een duiding te geven is onderstaande tabel opgesteld met daarin de juridische grondslag van de verschillende doelen. Uit dit schema kan niet de conclusie worden getrokken dat een doel dat vanuit beleid komt ‘minder van belang’ is dan een doel dat uit de wet volgt. Beleid is in veel gevallen noodzakelijk om een bepaald doel te bereiken Tabel 2.1 Juridische grondslag van de verschillende doelen Europese Regelgeving
Nationale Wetgeving
Beleidsonderwerpen
Kaderrichtlijn Water (KRW)
Richtlijn geïmplementeerd in
KRW, water en bodem
Omgevingswet Nitraatrichtlijn
Richtlijn geïmplementeerd in
Nitraat
Meststoffenwet Europese Natuurherstelverordening
Rechtstreeks werkend
-
Richtlijn geïmplementeerd in
NNN, Groene Contour, GBDA,
Omgevingswet
Strategisch bosbeleid
Richtlijn, nog niet
-
(NHV) Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR)
Europese bodemmonitoringsrichtlijn
geïmplementeerd Europese klimaatwet (verordening)
Rechtstreeks werkend en via
Emissies broeikasgassen
Klimaatwet
veenbodems, bodemdaling, CO2 opslag
In figuur 2.1 zijn de UPLG-doelen uitgezet in de tijd. Dit figuur laat zien dat sommige doelen al binnen enkele jaren gerealiseerd moeten worden. Zie bijvoorbeeld de KRW-doelen (2027) en de afronding van de NNN (2027). Andere doelen liggen verder weg, in 2030 of 2035. De planperiode van dit UPLG is 2026 tot 2035, maar er wordt ook een doorkijk gegeven naar 2050.
24/147
Kenmerk
R001-1294991EMG-V04-sss-NL
Figuur 2.1 Overzicht UPLG-doelen uitgezet in de tijd
In de onderstaande tabel in is aangegeven welke opgaven er zijn voor het UPLG, en wat de restopgave is. De restopgave laat zien welke afstand er nog is tot het te realiseren doel. Dit is indicatief en soms zijn de gegevens (nog) niet beschikbaar (in dat geval weergegeven als een streepje). Een uitgebreide toelichting op de doelen is te vinden in de bijlagen van het UPLG. Tabel 2.2 Water en Bodem
Opgave
Provinciaal doel
Termijn
Restopgave
KRW: grond- en
Voldoen aan de KRW-doelen voor
2027
De restopgave
oppervlaktewater
oppervlaktewaterlichamen en voor
verschilt per doel.
grondwaterlichamen:
Zie de kaarten en
Oppervlaktewaterlichamen:
toelichting in de
normen/ doelen met
KRW-bijlage
resultaatverplichting op het gebied van nutriënten (fosfor en stikstof), biologie (waterplanten, fytoplankton, macrofauna en vis), gewasbeschermingsmiddelen en metalen
Grondwaterlichamen: normen/ doelen met resultaatverplichting voor chemische kwaliteit en waterkwantiteit.
Overige wateren: inspanningsverplichting doelen waterplanten. KRW: Natura 2000-
Hydrologische condities voor
gebieden
(grondwaterafhankelijke) Natura 2000-
2027
De hydrologische condities
gebieden moeten op systeemniveau in
verschillen per
orde zijn voor Gunstige Staat van
Natura 2000gebieden. Bij veel 25/147
Kenmerk
R001-1294991EMG-V04-sss-NL
Opgave
Provinciaal doel
Termijn
Restopgave
Instandhouding van de kwetsbare
Natura 2000-
soorten en habitats.
gebieden zijn maatregelen nodig.
Klimaatbestendig
Een volledig gerealiseerde
bodem- en
waterrobuuste en klimaatbestendige
2050
Doelstelling is kwalitatief,
watersysteem
inrichting van het landelijk gebied in
restopgave niet
verband met opvangen weersextremen,
aan te geven.
zowel droogte als piekbuien. Onderdeel hiervan is een duurzame inpassing van drinkwaterwinningen. Vitale bodem
Europese Bodemmonitoringsrichtlijn
2050
streeft naar gezonde bodems in 2050.
Doelstelling is kwalitatief, restopgave niet aan te geven.
Vitale bodem
Bodem- en Waterprogramma 2022-
2027
2027 provincie Utrecht:
Doelstelling is kwalitatief,
Bijdragen aan een verbeterde
restopgave niet
sponswerking van de bodem,
aan te geven.
zodat deze meer water vasthoudt en de vochtlevering in droge tijden verbetert.
Een vitale bodem in bosgebieden tot stand brengen door de verzuring van de zandgronden af te remmen en een gevarieerder bos te realiseren.
Tabel 2.3 Natuur
Opgave
Provinciaal doel
Natura 2000-
Elk Natura 2000-gebied heeft
gebieden
instandhoudingsdoelen waarmee we
Termijn Verslechteringsverbod: Nu
bijdragen aan de Gunstige Staat van
Restopgave Er is voor veel habitats sprake van verslechtering
Instandhouding (GSvI) op landelijk
Instand-
ten opzichte van
niveau Deze doelen verschillen per
houdings-
de referentiedatum
Natura 2000-gebied en staan benoemd
doelen: 2030
(dit is de datum
in de aanwijzingsbesluiten.
van plaatsing op communautaire lijst door de Europese Commissie).
VHR-areaalopgave
848 ha natuur en 14.160 ha agrarische
(extra arealen t.o.v.
natuur voor 30% van benodigd
2030
647 ha natuur en 10.600 ha
ijkjaar 2019)
oppervlakte voor een GSvI
agrarische natuur 26/147
Kenmerk
R001-1294991EMG-V04-sss-NL
Opgave
Provinciaal doel
Termijn
Restopgave
VHR-areaalopgave
Ruim 2800 ha natuur en ruim 47.000
2050
Bijna 2.500 ha
(extra arealen t.o.v.
ha agrarische natuur voor 100% van
natuur en ruim
ijkjaar 2019)
benodigd oppervlakte voor een GSvI.
43.000 ha agrarische natuur
VHR-herstelopgave
Herstelmaatregelen op 111 ha in
(binnen bestaande
bestaande natuur
2030
111
2050
367 ha
natuur) VHR-herstelopgave
Herstelmaatregelen op 367 ha tussen
(binnen bestaande
2030-2050.
natuur) Reductie
Emissiereductie (stal en veld) stikstof
2035
Tussen 2019 en
stikstofemissie (de
van 2.359 ton NH3. Dit staat gelijk aan
(referentie-
2025 is er al 10%-
deken)
46% reductie van stikstofemissies
jaar 2019)
14% gereduceerd op de stikstofemissies in Utrecht. Daarmee komt de restopgave op ca 34%.
Reductie
50% van het areaal met
2030/2035
Restopgave
stikstofdepositie
stikstofgevoelige habitats binnen
verschilt per
(KDW-normen)
Natura 2000-gebieden in Nederland
Natura 2000-
moet in 2030 onder de kritische
gebied (zie bijlage
depositiewaarde en 74% in 2035
Natura 2000gebieden)
Natuurnetwerk
4.381 ha nieuwe natuur
Nederland
2027 (peiljaar
1784 ha nieuwe
2011, incl.
natuur, waarvan
Vijfheeren-
507 ha nu nog een
landen)
agrarische functie heeft. 1277 ha is al wel van functie veranderd maar moet nog worden ingericht (stand van zaken 1-12025).
Groene Contour
3000 ha nieuwe natuur (waarvan
2040 (peiljaar
500ha aan zwevende Groene Contour,
2011)
2900 ha
dat wil zeggen dat de locatie ervan nog niet is vastgelegd in de Omgevingsverordening. Bos
1500 ha nieuw bos, waarvan 1000 ha
2040 (peiljaar
1405 ha, waarvan
binnen het NNN en Groene Contour en
2021)
976 binnen het
500 ha daarbuiten.
NNN en 429 daarbuiten. 27/147
Kenmerk
R001-1294991EMG-V04-sss-NL
Opgave
Provinciaal doel
Termijn
Bos
Revitalisering bestaande bossen
2040
Groenblauwe
10% van het areaal landelijk gebied (=
2050
dooradering
ca. 8000 ha)
Restopgave 7% van het areaal, ofwel ca. 5600 ha
(GBDA) Groenblauwe
Helft van de restopgave (helft van
dooradering
5400ha = 2700 ha).
2030
Verschilt per gebied,
(GBDA)
provinciebreed gemiddeld 3,5%, ofwel 2700ha
Tabel 2.4 Klimaatmitigatie
Opgave
Provinciaal doel
Termijn
Restopgave
Reductie uitstoot
0,09Mton CO2eq/jr uit
2030 (peiljaar 2018)
Er is nog geen
broeikasgassen uit
veenbodems (of 0,06
significante reductie.
veenbodems
Mton na de herijking)
Er zijn al wel veel processen in gang gezet, maar ze kosten tijd en daardoor is er nog slechts ca. 650 ha gerealiseerd.
Afremmen
De bodemdaling in het
bodemdaling
landelijk
2050
Er is nog geen significante reductie.
veenweidegebied is
Er zijn al wel veel
met gemiddeld 50%
processen in gang
geremd
gezet, maar ze kosten tijd en daardoor is er nog slechts ca. 650 ha gerealiseerd.
CO2-opslag
Voor Utrecht 0,010
2030 (peiljaar 2018)
Mton CO2eq door
1405 ha bosaanplant (svz 31-12-2023)
1500ha bosaanplant CO2-opslag
0,5 Mton in minerale
2030
-
2030 (peiljaar 2021)
-
landbouwbodems (=landelijk doel, er is geen provinciale verdeling) Reductie
0,3 Mton (Uit Ontwerp-
methaanuitstoot uit
NPLG, zie Klimaatplan
veehouderij
2025-2035 voor het landelijk doel)
Tabel 2.5 Landbouw
Opgave
Provinciaal doel
Termijn
Restopgave
Perspectief voor de
De tien ambities uit het
Verschilt per ambitie
-
landbouw
provinciale Streefbeeld 28/147
Kenmerk
R001-1294991EMG-V04-sss-NL
Opgave
Provinciaal doel
Termijn
Restopgave
2030
8.6% van het
‘Toekomst Landbouw en Voedsel provincie Utrecht 2050’ (2025) Biologische landbouw
15% van het landbouwareaal
landbouwareaal
Natuurinclusieve
50% van
2030
Ongeveer 30% van de
landbouw
grondgebonden
bedrijven neemt deel
bedrijven
aan ANLb (svz jan. 2025). De restopgave is daarmee ca 20%.
2.3
Gebiedsschets per Utrechts Landschap
De gehele provincie Utrecht vormt het plangebied van dit MER. Naast de centrale thema’s onderscheidt het UPLG vijf landschappen. Deze vijf landschappen vormen de basis van het UPLG. Het gaat om de volgende 5 landschappen, gevisualiseerd in figuur 2.1:
Groene Hart Eemland Utrechtse Heuvelrug
Kromme Rijngebied en Schalkwijk Gelderse Vallei
Onderstaande paragrafen geeft een beknopte gebiedsschets per landschap. Verder in dit MER, in hoofdstuk 4 worden de referentiesituatie en de opgaven per deelgebied beschreven.
29/147
Kenmerk
R001-1294991EMG-V04-sss-NL
Figuur 2.2 Landschappen in het UPLG
2.3.1.1 Groene Hart Het landschap Groene Hart beslaat het hele westelijk deel van de provincie. De bodemsamenstelling in het gebied varieert, met zowel veen, als kleidek-op-veen, klei op veengebieden en moerige gronden. In delen is het veen ontgonnen voor turfwinning. Soms zijn daarbij plassen achtergebleven, zoals de Vinkeveense plassen. Ook moerasgebieden zijn kenmerkend voor dit landschap. Veel van deze plassen en natte gronden zijn door de eeuwen heen ontwaterd om landbouwgebied van te maken, met de melkveehouderij als grootste sector. De karakteristieke droogmakerijen rond Mijdrecht zijn daarvan een goed voorbeeld. Het Groene Hart bevat cultuurhistorisch waardevolle ontginningsstructuren. Het landschap kenmerkt zich door de openheid en het veenweidekarakter (strokenverkaveling, lintbebouwing). De Oude Hollandse Waterlinie loopt van noord naar zuid door het gebied en heeft met zijn inundatiegebieden gebruik gemaakt van het kenmerkende waterstelsel en de lage ligging. Aan de noord- en oostzijde ligt het UNESCO Werelderfgoed ‘De Hollandse Waterlinies’ bestaande uit de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam. Ook het UNESCO Werelderfgoed Neder-Germaanse Limes bevindt zich in dit landschap. Langs de Vecht liggen veel landgoederen en buitenplaatsen met monumentale bebouwing en oude parkbossen.
30/147
Kenmerk
R001-1294991EMG-V04-sss-NL
Het westelijk deel van Utrecht vormt - samen met de veenweiden van Zuid-Holland en NoordHolland - het Groene Hart. Grote delen van het Utrechtse veenweidengebied zijn van internationaal belang voor weidevogels. Met zijn rust en stilte vormt het gebied een tegenhanger voor de drukke Randstad en daarmee een aantrekkelijk gebied voor de stedeling om te recreëren. 2.3.1.2 Eemland Eemland is een laaggelegen, deels buitendijks gebied met voornamelijk kleidek-op-veen in het noordoosten van de provincie Utrecht. Het gebied ligt ten noorden van Amersfoort ingesloten tussen de hoger gelegen zandgronden van de Utrechtse Heuvelrug, de Veluwe en het Eemmeer. De bodem van het gebied bestaat grotendeels uit kleidek op veen. De grondgebonden melkveehouderij is de belangrijkste landbouwsector. De Eemvallei is binnen onze provincie één van de gebieden met het grootste aantal melkkoeien, het grootste oppervlak cultuurgrond en de hoogste productie per hectare. In het gebied is ook relatief veel agrarisch natuurbeheer. Typerend voor het landschap zijn rust, vergezichten en extreem open (veen)weiden. Deze karakteristieken maken Eemland tot één van de beste weidevogelgebieden van Nederland met relatief hoge dichtheden grutto's. De woonkernen liggen grotendeels aan de randen van het gebied; de rivier de Eem vormt een belangrijke recreatieve route voor met name Amersfoort.
Het gebied is zeer waterrijk, met veel sloten en een typerende slagenverkaveling. Grenzend aan polder Eemland ligt het (niet-stikstofgevoelige) Natura 2000-gebied Eemmeer & Gooimeer Zuidoever. De Grebbelinie ligt gedeeltelijk in Eemland. 2.3.1.3 Utrechtse Heuvelrug De Utrechtse Heuvelrug, inclusief het Langbroekerweteringgebied, loopt van het Gooimeer tot aan de Grebbeberg en omvat 40.000 ha bos- en heidegebied. Daarmee is de Utrechtse Heuvelrug na de Veluwe het grootste bos- en heidegebied van Nederland. Een groot deel hiervan valt binnen het Natuurnetwerk Nederland. Het zuidelijk deel van het gebied heeft de status van Nationaal Park. De (hoge) flanken vormen de overgang van het besloten, bosrijke landschap via het coulisselandschap naar het open rivierengebied aan de voet van de Heuvelrug. Aan de Gelderse zijde ligt een vergelijkbare overgang naar de Gelderse Vallei. Aan de zuidwestkant van de Heuvelrug ligt de rivierkom van het Langbroekerweteringsgebied. Dit halfopen gebied is landschappelijk zeer aantrekkelijk en kent hoge natuurwaarden. Hier is ook het Natura 2000gebied Kolland-Overlangbroek te vinden met restanten van essenhakhoutbossen, die vroeger zeer kenmerkend waren voor dit gebied.
31/147
Kenmerk
R001-1294991EMG-V04-sss-NL
De Utrechtse Heuvelrug is een uniek gebied dat zich kenmerkt door de overgang van de hoger gelegen heuvelrug naar de lagergelegen flanken. In dit gebied zijn de hoogste punten van de provincie te vinden, met punten tot 70 m hoog. De Utrechtse Heuvelrug heeft een zandige ondergrond. Het watersysteem wordt gevoed vanuit neerslag. De neerslag infiltreert in de bodem en vult het grondwater aan. Aan de flanken van de Utrechtse Heuvelrug wordt het watersysteem gevoed door kwel vanaf de Heuvelrug en wordt het ook sterk beïnvloed door de oppervlaktewaterpeilen en de afvoer van water via het oppervlaktewatersysteem. De invloed van het watersysteem van de Utrechtse Heuvelrug reikt tot ver in het Kromme Rijngebied, Oostelijke Vechtplassen, de Eemvallei en de Gelderse Vallei. Op de Heuvelrug, maar vooral ook op de flanken, liggen veel landgoederen en buitenplaatsen met een bijzondere cultuurhistorische waarde. Binnen het gebied zijn vier buitenplaatszones te onderscheiden: de Stichtse Lustwarande, de Maarsbergse Flank, de Valleilandgoederen en het Langbroekerweteringgebied. De Heuvelrug is als gevolg van deze kwaliteiten een zeer aantrekkelijk gebied om te wonen en recreëren. 2.3.1.4 Kromme Rijngebied en Schalkwijk Het Kromme Rijngebied is een rivierengebied met aan de zuidkant de Neder-Rijn die overgaat in de Lek en door het gebied meandert de Kromme Rijn.
Langs de Nederrijn en Lek bevinden zich de uiterwaarden met natuurwaarden. In het Kromme Rijngebied liggen diverse landgoederen en natuurgebieden die deels afhankelijk zijn van de aanvoer van kwel vanaf de Heuvelrug. De Kromme Rijn, het Amsterdam-Rijnkanaal en de Nederrijn/Lek zijn samen met een netwerk van weteringen en kleinere watergangen belangrijk voor aan- en afvoer van oppervlaktewater in het gebied. In het westen van het Kromme Rijngebied en in een groot deel van het Eiland van Schalkwijk ligt een belangrijk deel van UNESCO Werelderfgoed ‘De Nieuwe Hollandse Waterlinie’. In het landelijke gebied rondom Houten en Bunnik liggen meerdere forten en waterwerken die vaak ook een recreatieve functie hebben. Dit gebied heeft een hoge natuur- en cultuurwaarde die zich kenmerkt door een groen, rustig en deels open landschap Het open rivierenlandschap van de Kromme Rijn, het Eiland van Schalkwijk en de uiterwaarden van de Nederrijn/Lek vormen een vruchtbaar landbouwgebied. De landbouw bestaat uit fruitteelt op de hogere oeverwallen en melkveehouderij in de rivierkommen. Ook is sprake van akker- en tuinbouwmatige activiteiten en gecombineerde bedrijven.
32/147
Kenmerk
2.3.1.5
R001-1294991EMG-V04-sss-NL
Gelderse Vallei
De Gelderse Vallei is het relatief laaggelegen dekzandlandschap tussen de Utrechtse Heuvelrug en de Veluwe en kent een divers karakter. Karakteristiek voor de Gelderse Vallei is de aanwezigheid van een divers, kleinschalig coulisselandschap waarin stad en land in elkaar overgaan. De vele kleine, aaneengesloten percelen worden van elkaar gescheiden door landschapselementen, zoals houtwallen, heggen en bomenrijen. Het landschap wordt doorsneden door beken, griften en het Valleikanaal. De Grebbelinie, die van noord naar zuid door het gebied loopt, is een bijzondere afgeleide van dit landschap en onderdeel van ons militair erfgoed. In het laag gelegen centrale deel van de Vallei komen kwelstromen tevoorschijn vanuit de hoge gronden van de Veluwe en de Heuvelrug. Door deze kwelstromen was het Binnenveld – gelegen in het zuiden - vroeger een aaneengesloten blauwgraslandreservaat. Nu zijn daar nog paar een kleine stukjes van over en zijn deze begrensd als Natura 2000-gebied. Dit zijn waardevolle natuurgebiedjes met blauwgraslanden en veenmosrietlanden: natuur die zeer gevoelig is voor een teveel aan stikstof. Het midden- en noordelijk deel van de Gelderse vallei wordt gekenmerkt door beekdalen die stroomopwaarts hun oorsprong hebben op de Veluwe en waarvan de benedenstroomse delen in Utrecht liggen.
In totaal monden zes laaglandbeken uit in het Valleikanaal, dat op haar beurt uitmondt in de Eem bij Amersfoort. Het Valleikanaal en het omliggende watersysteem van inundatiegebieden zijn onderdeel van de Grebbelinie. In delen van de Gelderse Vallei komen veel particuliere grondwateronttrekkingen voor. De Gelderse Vallei is een gebied met een hoge veedichtheid, met name in het Gelderse deel. De grondgebonden veehouderij is vrij intensief. Verder kent het gebied veel hokdierhouderij (met een concentratie ten zuiden van Woudenberg, Scherpenzeel en Renswoude), en ook veel gemengde veehouderijbedrijven. De gemeenten Rhenen, Veenendaal en Renswoude zijn onderdeel van de Regio Foodvalley waar door overheden, ondernemers, onderwijs- en kennisinstellingen wordt samengewerkt binnen de hele voedselketen.
2.4
Beleidskader
Het UPLG is een dossier waarbinnen heel veel samenkomt en samenhangt. Er spelen meer plannen in het landelijk gebied die kunnen gaan strijden om dezelfde ruimte, zoals plannen omtrent de energietransitie, het programma Ruimte voor Defensie en plannen voor uitbreiding van Nationaal Park Utrechtse Heuvelrug. In deze paragraaf wordt het relevante beleid en regelgeving beschreven. Vervolgens wordt aangegeven op welke wijze sprake is van samenhang. Wanneer doelen van het beleid mogelijk schuren met de doelen en opgaven van het UPLG worden deze nader beschouwd in de zogenaamde robuustheidstoets, zie paragraaf 6.4. Voor de specifieke doelen, voortkomend uit de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR), Klimaatakkoord, Groene contour, Strategisch bosbeleid, programma Stikstofreductie en Natuurverbetering, natuurherstelverordening (NHV) en Kaderrichtlijn Water (KRW) en daaruit voortkomende (rest) opgaven wordt verwezen naar paragraaf 2.2.
33/147
Kenmerk
R001-1294991EMG-V04-sss-NL
Tabel 2.1 Relevante beleid en regelgeving voor het UPLG Beleid en
Omschrijving
Samenhang UPLG
Europese
De Europese klimaatwet heeft vastgelegd voor de
Structurerend principe 15 zet in op
Klimaatwet
Europese economie en samenleving om
het verminderen van uitstoot
regelgeving
klimaatneutraal te worden in 2050.
broeikasgassen uit veenbodems
Gemeenschapp
Het Europese Gemeenschappelijke Landbouwbeleid
Dit beleid heeft vooral betrekking op
elijk landbouw -
(GLB) is het EU-brede kader voor landbouwsubsidies
de verdere uitwerking van het UPLG
beleid (GLB)
en plattelandsontwikkeling. Het GLB stimuleert
en biedt kansen voor het financieren
groenere landbouwpraktijken in de vorm van
van maatregelen om het herstel van
zogenoemde eco-regelingen. Dat zijn extra subsidies
de biodiversiteit in het agrarisch
per hectare voor duurzame landbouwactiviteiten.
gebied te bevorderen.
Nitraatrichtlijn &
Deze richtlijn heeft tot doel om de waterverontreiniging
Dit beleid draagt onder andere bij
Derogatie -
die wordt veroorzaakt door nitraten uit agrarische
aan het verbeteren van de
beschikking
bronnen te verminderen en verdere verontreiniging
waterkwaliteit (KRW) en het behalen
van dien aard te voorkomen. Hiervoor is o.a. de
van de doelen van het UPLG.
verplichte bemestingsvrije bufferstrook opgenomen. Daarnaast moet een goede landbouwpraktijk worden gestimuleerd en moet eutrofiëring van oppervlaktewater worden tegengegaan. Met het 7e actieprogramma voor de Nitraatrichtlijn geeft Nederland invulling aan deze verplichtingen van de Nitraatrichtlijn. NOVEX
In het programma NOVEX worden de ruimtelijke
Het ontwikkelperspectief Groene
(Nationale
opgaven waar we met elkaar voor staan gezamenlijk
Hart geeft richting aan de toekomst
Omgevingsvisie)
opgepakt. Dit gaat via ruimtelijke arrangementen (zie
van het Groene Hart en de keuzes
verderop in de tabel) en door het aanwijzen van
die gemaakt moeten worden. Het
gebieden waar veel complexe opgaven bij elkaar
UPLG neemt deze keuzes als
komen. (NOVEX-gebieden). Binnen de provincie
uitgangspunt. De
Utrecht liggen de NOVEX-gebieden Groene Hart
verstedelijkingsopgave schuurt
(landelijk gebied), Utrecht-Amersfoort
mogelijk met de opgaven van het
(verstedelijkingsopgave) en Arnhem-Nijmegen-
UPLG en komt daarom nader aan
Foodvalley (verstedelijkingsopgave) en NOVEX-regio
bod in de robuustheidstoets.
Schiphol (luchtvaart). Deltaprogramma
Dit programma beschermt Nederland tegen
Binnen de Deltaregio Centraal
overstromingen, zet in op voldoende zoetwater en
Holland zijn meerdere polders
draagt bij aan een klimaatbestendige en
onderzocht op de (hydrologische)
waterrobuuste inrichting. Provincie Utrecht ligt deels in
geschiktheid, waarvan enkele in de
de deltaregio Centraal Holland. In dit gebied moet de
provincie Utrecht liggen. Dit beleid
beschikbare ruimte en het watersysteem meer in
sluit aan bij de doelen van het
balans komen om zo te komen tot robuust en
UPLG, vooral t.a.v. wateroverlast.
klimaatbestendig watersysteem. Water en bodem
Met Water en Bodem van belang (voorheen water en
De vijf landschappen in de provincie
van belang
bodem sturend) is de transitie ingezet om water en
zijn een belangrijk vertrekpunt voor
bodem belangrijk(er) te laten zijn voor de keuzes in het
het UPLG. Dit sluit ook goed aan bij
ruimtelijk domein. In het beleid zijn 33 structurerende
het principe van ‘water en bodem 34/147
Kenmerk
R001-1294991EMG-V04-sss-NL
Beleid en
Omschrijving
Samenhang UPLG
keuzes genoemd als oplossingsrichtingen voor de
sturend’ waarin de (natuurlijke)
onderkende water- en bodemopgaven. Ze hebben
systemen leidend zijn
deels betrekking op het nationale beleid, maar werken
(systeembenadering).
regelgeving
ook door in beleid, regels en uitvoeringsprogramma’s van provincies, waterschappen en gemeenten. Programma
Binnen het IRM werken het Rijk, provincies,
In het UPLG is geen beleid
Integraal
waterschappen en gemeenten de komende decennia
opgenomen wat tegenstrijdig is met
Riviermanagem
aan het creëren van een toekomstbestendig systeem
dit programma. Het IRM draagt
ent (IRM)
voor de Maas en Rijn. Het doel is om een economisch
onder meer bij aan robuuste
aantrekkelijk rivierengebied te realiseren dat een
riviernatuur en draagt aan het
optimale balans biedt tussen hoogwaterveiligheid,
verbeteren van de waterkwaliteit
natuur, waterkwaliteit, beschikbaarheid van zoetwater
(KRW). Wel heeft het programma
en bevaarbaarheid.
mogelijk gevolgen voor bestaande waarden en gebruiksfuncties (o.a. cultuurhistorisch waardevolle landschappen en landbouwgebied)4. Dit betreft langs de Nederrijn en Lek echter vooral een inpassingsopgave voor het vervolg.
Programma
De regering wil het Nationaal Programma Ruimte voor
Binnen de provincie Utrecht gaat het
Ruimte voor
Defensie (hierna: NPRvD) vaststellen. De reden is dat
om nieuwe laagvlieggebieden
Defensie
Defensie binnen Nederland zoekt naar extra ruimte:
helikopters en verruiming van
(ontwerp)
fysieke én milieuruimte. Deze ruimte is nodig voor
helikopter landplaatsen en
bijvoorbeeld kazernes en oefen- en opslaggebieden,
oefenterreinen tussen Zeist en
maar ook om te kunnen varen, vliegen en rijden. In het
Amersfoort. Dit beleid wordt nader
NPRvD geeft de regering aan op welke locaties in
beschouwd in de robuustheidstoets.
Nederland deze groei van militaire activiteiten plaats gaat vinden. Bodem- en
Het BWP bevat de bundeling van beleid op het gebied
Het UPLG bouwt voort en draagt bij
waterprogramm
van bodem en water en bevat de verplichtinge
aan de doelen zoals geformuleerd in
a provincie
onderdelen van het regionaal waterprogramma. Het
het BWP.
(BWP) Utrecht
stelt de doelen vast voor de KRW en bevat
2022-2027
maatregelen ter uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, de Grondwaterrichtlijn, de Richtlijn Overstromingsrisico’s en de Drinkwaterrichtlijn.
Ruimtelijk
Het Rijk en de provincie Utrecht hebben afspraken
In het ruimtelijke arrangement
Arrangement
gemaakt over samenwerking aan de grote ruimtelijke
komen diverse ontwikkelingen
provincie Utrecht
opgaven in en om Utrecht. Deze afspraken zijn nodig
samen die kunnen leiden tot
voor het inpassen en uitvoeren van de nationale en de
tegenstrijdigheden, en synergiën,
provinciale opgaven die zich hier voordoen. De
met de doelen en opgaven van het
afspraken zijn vastgelegd in een eerste ‘Ruimtelijk
UPLG. Dit beleid wordt nader
Arrangement Rijk – provincie Utrecht’, dat jaarlijks
beschouwd in de robuustheidstoets.
wordt geactualiseerd.
4
PlanMER Programma Integraal Riviermanagement – RHDHV - 14-11-2023 35/147
Kenmerk
R001-1294991EMG-V04-sss-NL
Beleid en
Omschrijving
Samenhang UPLG
Provinciaal
Het programma geeft richting aan de ontwikkeling van
Energie-infrastructuur (o.a. in de
Meerjarenprogra
energie-infrastructuur op bovenlokale en provinciale
vorm van midden- en tussenstations)
mma
schaal. Ten behoeve van het programma heeft de
vraagt veel ruimte in het landelijk
Infrastructuur
provincie samen met netbeheerders en andere partijen
gebied, Dit geldt ook voor de opwek
Energie en
de ontwikkelingen in kaart gebracht voor duurzame
van duurzame energie na 2030. Dit
Klimaat (P-MIEK
opwek, warmtetransitie, woningbouwopgave, bedrijven
beleid wordt daarom nader
2.0.):
en mobiliteit.
beschouwd in de robuustheidstoets.
Provinciale
In de Omgevingsvisie zijn de integrale lange termijn
Het beleid in de (gewijzigde) visie
Omgevingsvisie
ambities en beleidsdoelen voor de fysieke
sluit in veel gevallen aan bij de
leefomgeving van de provincie Utrecht vastgelegd.
doelen van het UPLG. Strijdigheden
De visie wordt momenteel gewijzigd en zal kort na de
treden er mogelijk op in relatie tot
publicatie van het ontwerp UPLG ter inzage liggen.
het opwekken van hernieuwbare
regelgeving
energie (zie ook P-MIEK 2.0. en kansrijke gebieden windenergie), beleid met betrekking circulariteit (en benodigde daar aangekoppelde ruimte voor bedrijven) en nieuwe woon- en werkgebieden (zie ook het programma wonen en werken). Dit beleid wordt daarom nader beschouwd in de robuustheidstoets. Ontwerp
Het doel van dit programma is het bevorderen en het
In het UPLG is divers beleid
omgevingswetpr
beschermen van een gezonde leefomgeving. Hierbij
opgenomen wat raakvlakken kent
ogramma
kijkt de provincie naar de kansen om een gezonde en
met de ambities van het programma
Gezond & Veilig
veilige leefomgeving te realiseren en de negatieve
gezond & veilig. Het UPLG en het
2022-2025
effecten hierop te beperken. Zo kan de inrichting van
programma vertonen naar
de leefomgeving mensen stimuleren om meer te
verwachting vooral onderlinge
bewegen en kunnen negatieve effecten zoals
synergie.
geluidshinder worden tegengegaan. Programma
Dit programma is een uitwerking van de Provinciale
Nieuwe woon- en werkgebieden
wonen en
Omgevingsvisie en biedt inzicht in waar en hoeveel
hebben een ruimtebeslag en heeft
werken
woningen kunnen worden gebouwd en hoeveel ruimte
daarom mogelijk invloed op de
er beschikbaar is voor bedrijventerreinen. Het maakt
doelen van het UPLG. Dit beleid
bovendien nieuwe uitbreidingslocaties in de provincie
wordt daarom nader beschouwd in
mogelijk.
de robuustheidstoets.
Kansrijke
De provincie Utrecht heeft, samen met de gemeenten,
Windmolens hebben mogelijk
gebieden voor
afgesproken dat er in 2030 2,4 terawattuur (TWh) aan
effecten op natuur en landschap en
windenergie (27)
duurzame elektriciteit wordt opgewekt. Om dit te
daarmee mogelijk op doelen van het
provincie Utrecht
realiseren hebben Gedeputeerde Staten besloten dat
UPLG. Dit beleid wordt daarom
er 27 gebieden zijn in de provincie die het meest
nader beschouwd in de
geschikt zijn voor het opwekken van windenergie.
robuustheidstoets.
Op deze manier helpt de provincie gemeenten om invulling te geven aan hun bijdrage aan de Regionale Energiestrategieën (RES'en). 36/147
Kenmerk
R001-1294991EMG-V04-sss-NL
Beleid en
Omschrijving
Samenhang UPLG
Plannen voor
In het coalitieakkoord In Verbinding is de ambitie
In het UPLG is divers beleid
uitbreiding en
vastgelegd om de gehele Heuvelrug te begrenzen als
opgenomen wat raakvlakken kent
herbegrenzing
Nationaal Park. In de huidige situatie vormt de A28 de
met de ambities met deze plannen.
van Nationaal
noordgrens van het Nationaal Park Utrechtse
Het UPLG en het programma
Park Utrechtse
Heuvelrug. De Stichting Nationaal Park Utrechtse
vertonen naar verwachting vooral
Heuvelrug
Heuvelrug en de provincie hebben met gemeenten,
onderlinge synergie.
regelgeving
waterschappen, terreinbeherende organisaties en particuliere landgoedeigenaren gesprekken gevoerd en draagvlak gevonden voor het herbegrenzen van het Nationaal Park Utrechtse Heuvelrug en hebben besloten om bij het ministerie van LVVN een aanvraag in te dienen om het deel tussen de A28 en de noordgrens van de provincie te begrenzen als Nationaal Park. Utrechtse
De Utrechtse Klimaataanpak: 'Naar Netto Nul'
De doelen en opgaven van het
klimaataanpak
beschrijft hoe de provincie de uitstoot van
UPLG sluit aan bij deze aanpak.
broeikasgassen kan verminderen. De doelstelling is een reductie van 55 % broeikasgassen in 2030 en uiteindelijk geen uitstoot in 2050. Hierbij wordt gestuurd op uitstoot in de regio; inzichtelijk maken waar winst te halen valt en meer regie te nemen op beleidsthema's om CO₂ te reduceren. Regionale
Gemeenten, provincies en waterschappen stelden 30
Om bij te dragen aan de
energiestrategie
energieregio’s in Nederland samen die elk inmiddels
energieopgave van RES-en
ën (RES).
een Regionale Energiestrategie hebben opgesteld. In
provincie heeft de provincie
de RES’en beschrijven provincie, gemeenten en
zoekgebieden voor windenergie
waterschappen samen met de netbeheerders, het
aangewezen. Wat betreft het
bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties en
opwekken van zonne-energie zijn in
inwoners samen hoe en waar duurzame elektriciteit
de regio U16 verschillende
met zonne- en windenergie kan worden opgewekt.
zoekgebieden voor zonneparken
Daarnaast kijken de netbeheerders samen met de
opgenomen. Ook in de regio
andere partners naar de opslag en infrastructuur voor
Amersfoort zijn verspreid over de
energie en warmte. In de provincie Utrecht liggen drie
regio verschillende zonneparken in
RES regio’s: Amersfoort, U16/ Utrecht en Foodvalley.
voorbereiding of in de planning. In de regio Foodvalley wordt gezocht naar zonneweiden rondom hubs en bij rijkswegen. De ontwikkeling van zonneparken kan tegenstrijdig zijn met de doelen van UPLG en worden daarom verder geanalyseerd in de robuustheidstoets.
37/147
Kenmerk
2.5
R001-1294991EMG-V04-sss-NL
Te nemen vervolgbesluiten
De procedure voor de milieueffectrapportage wordt doorlopen voor het vaststellen van het UPLG. Om uiteindelijk tot uitvoering van het beleid te komen zijn verschillende vervolgbesluiten met bijhorende procedures noodzakelijk. Voor maatregelen waar ruimte voor nodig is moet dat in bijvoorbeeld sommige gevallen geregeld worden via omgevingsvisie- en verordeningen. De gemeenten spelen in die zin een belangrijke rol in het ruimtelijke spoor via hun omgevingsvisie en omgevingsplan. Ook is nodig dat waterschappen peilbesluiten nemen om bepaalde ontwikkelingen mogelijk te maken. De uitvoering van het UPLG vraagt een flinke inzet van alle betrokkenen. De verschillende partijen, zoals onze medeoverheden, maatschappelijke partners, bedrijven en grondeigenaren hebben alle bij te dragen vanuit hun eigen kennis, rol en verantwoordelijkheid. In het UPLG hoofdstuk 5 komt deze uitvoering verder nader beschreven.
3 Hoe is het milieueffectonderzoek uitgevoerd en wat is er onderzocht? Dit hoofdstuk licht de diverse stappen die voor het opstellen van dit MER zijn doorlopen (paragraaf 3.1). Ook wordt het beoordelingskader waarbinnen de beoordeling van milieueffecten plaatsvindt beschreven. Verder wordt toegelicht wat de beoordelingssystematiek is: hoe wordt er beoordeeld (paragraaf 3.2)?
3.1
Stappen MER
Deze paragraaf licht de diverse stappen toe die voor het opstellen van dit MER zijn doorlopen.
Figuur 3.1: Stappen om te komen tot een definitief MER en interactie met het UPLG
38/147
Kenmerk
R001-1294991EMG-V04-sss-NL
Stap 1: In beeld brengen huidige situatie en autonome ontwikkeling (referentiesituatie) en beleidskader De eerste stap is het in beeld brengen van de huidige situatie en de verwachte autonome ontwikkelingen (HSAO). Samen vormen de huidige situatie en de autonome ontwikkelingen de referentiesituatie: de situatie wanneer het UPLG er niet zou zijn in 2050. Autonome ontwikkeling betekent de te verwachten voortgang van de huidige situatie, zoals die in zichtjaar 2030 met een doorkijk naar 2050 zou zijn zonder het UPLG. Daarin worden alle ontwikkelingen en activiteiten die met enige zekerheid zullen plaatsvinden, vastgestelde (ruimtelijke) plannen, ontwerpomgevingsplannen en (wetenschappelijke) trends, zoals klimaatverandering, meegenomen. Op basis van deze analyse wordt ook duidelijk wat de belangrijkste opgaven zijn vanuit de verschillende beschreven thema’s. Deze opgaven vormen mede input voor stap 2, het vormgeven van de alternatieven. De effecten van het beleid van het UPLG worden uiteindelijk beoordeeld ten opzichte van de referentiesituatie. Dit betekent dat wanneer nieuw beleid (licht) positief wordt beoordeeld, er in werkelijkheid nog steeds een negatieve trend kan blijven bestaan indien de autonome ontwikkeling of trend negatief is, weliswaar in mindere mate als gevolg van het UPLG.
De Uitgebreide beschrijving van de referentiesituatie is opgenomen in bijlage 3 van dit MER. Een samenvatting hiervan per landschap is opgenomen in hoofdstuk 4. Stap 2: Vormgeven alternatieven Een belangrijk onderdeel van het MER is het samenstellen en toetsen van alternatieven. Met behulp van alternatieven worden de bandbreedtes van keuzes binnen het UPLG onderzocht. Met de alternatieven wordt zodoende het speelveld in beeld gebracht, zodat bestuurders op basis van het MER inzicht hebben in de te maken afwegingen bij deze keuzes. De eerste stap is het bepalen van de hoofdopgaven5 per landschap. Dit wordt mede op basis van de analyse zoals uitgevoerd in stap 1. Op basis van deze hoofdopgaven worden relevante maatregelen benoemd. Hierbij wordt breder gekeken dan de huidige beleidsruimte, maar er is wel getracht om ook tot ‘realistische’ en in principe haalbare alternatieven te komen. De bandbreedte wordt ingegeven vanuit een bepaald perspectief, bijvoorbeeld de natuurdoelen aan de ene kant en een toekomstbestendige landbouw als doel aan de andere kant. Op basis van deze aanpak worden per landschap een aantal twee alternatieven bepaald. Hierbij is vooral vanuit de inhoud geredeneerd. In hoofdstuk 5 en bijlage 1 bij dit MER zijn de vormgegeven alternatieven nader beschreven.
Stap 3: Beoordelen alternatieven op effecten In deze stap van het MER worden de alternatieven, zoals vormgegeven in de voorgaande stap, kwalitatief getoetst en op hoofdlijnen beoordeeld. Het detailniveau van de beoordeling sluit hierbij aan op het detailniveau van de alternatieven. De alternatieven worden getoetst op effecten op alle thema’s in het beoordelingskader (zie paragraaf 3.2). In hoofdstuk 5 en in bijlage 2 wordt de beoordeling van de alternatieven beschreven.
5
Deze hoofdopgaven sluiten in veel gevallen aan bij landelijke en provinciale beleidsdoelen, de gekozen alternatieven komen niet in alle gevallen overeen met het bestaande of gewenste beleid. In dit stadium zijn vooral vanuit de inhoud oplossingsrichtingen vormgegeven. 39/147
Kenmerk
R001-1294991EMG-V04-sss-NL
In de beoordeling wordt ook, op hoofdlijnen, het doelbereik van de alternatieven bepaald. Dit is een toets om te beoordelen in hoeverre de vooraf gestelde doelen met de beleidskeuzes van het UPLG en ander vastgesteld beleid worden gehaald. De beoordeling biedt inzicht in welke keuzes het meest gunstig zijn vanuit milieuoogpunt. In MERtermen: het ‘meest milieuvriendelijke alternatief’. Op basis hiervan worden aanbevelingen gedaan voor het op te stellen UPLG. De beoordeling kan gedurende het proces aanleiding geven tot het aanpassen van voorgenomen beleidskeuzes. In deze stap vindt dus een wisselwerking plaats tussen enerzijds het MER en anderzijds het UPLG (zie hiervoor ook paragraaf 6.1 van dit MER). Stap 4: Uitvoeren effectbeoordeling VKA en in beeld brengen doelbereik Mede op basis van de voorgenoemde aanbeveling stelt de provincie een ontwerp-UPLG op. In MER-termen wordt dit ook wel het Voorkeursalternatief (VKA) genoemd; dit wordt nader toegelicht in hoofdstuk 6.2 van dit MER. In deze stap wordt opnieuw beoordeeld wat de invloed van dit VKA is op de verschillende indicatoren. Ook voor dit alternatief wordt het doelbereik in beeld gebracht. Deze beoordeling is terug te vinden in paragraaf 6.3. Daarnaast wordt in kaart gebracht wat de mogelijke kansen en knelpunten zijn in relatie tot ander beleid.
Hiervoor is een zogenaamde robuustheidstoets uitgevoerd, die is opgenomen in paragraaf 6.4. Onderdeel van deze stap is ook het uitvoeren van de Passende Beoordeling. Deze beoordeling is als aparte bijlage opgenomen (bijlage 4) en samengevat in paragraaf 6.5. Stap 5: Beschrijven aanbevelingen en mitigerende maatregelen Aan de hand van de beoordelingen, zoals uitgevoerd in stap 4, worden aanbevelingen en mogelijke mitigerende maatregelen beschreven waarmee problemen of knelpunten verminderd of weggenomen kunnen worden. De aanbevelingen zijn opgenomen in paragraaf 6.6. Als uit de beoordeling blijkt dat er geen verschil is, of juist een verbetering optreedt, wordt aangegeven hoe de (positieve) effecten versterkt kunnen worden. Deze aanbevelingen kunnen leiden tot laatste aanscherpingen van het ontwerp-UPLG of tot aanbevelingen voor de verdere uitwerking van het programma. Stap 6: Monitoring en evaluatie Het is verplicht vanuit de Omgevingswet en ook nodig om het kwaliteitsniveau van de fysieke leefomgeving op gezette tijden en geordend bij te houden. In het MER (hoofdstuk 7) is daarom ook een eerste aanzet van een systeem voor monitoring en evaluatie opgenomen. Een dergelijk systeem is nodig om te kunnen bepalen of gewenste doelen en voorspelde effecten ook daadwerkelijk uitkomen.
Als dit niet het geval is, kan gedurende de uitvoering van het UPLG worden bijgestuurd door maatregelen in te zetten of door het beleid aan te passen. Het ontwikkelen van dit systeem begint al bij de beschrijving van de referentiesituatie, waarbij is nagedacht over hoe de verschillende doelen getoetst kunnen worden.
40/147
Kenmerk
3.2
R001-1294991EMG-V04-sss-NL
Beoordelingssystematiek
3.2.1 Wijze van beoordelen Doel van het MER is om de relevante milieueffecten van de alternatieven inzichtelijk te maken. Deze paragraaf geeft inzicht in de (milieu)aspecten die worden onderzocht in het MER. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de onderzoeksthema’s die in het MER aan bod komen en de indicatoren waarnaar wordt gekeken per thema. Per milieuthema is de wijze van beoordelen beschreven. Om aan te sluiten bij het abstractieniveau van de alternatieven (en het UPLG) spreken we liever van ‘invloed’ dan van ‘effect’. Er is een vijfpuntschaal (zie onderstaande tabel) gebruikt om de invloed van de alternatieven op de verschillende thema’s te beoordelen. Hierdoor wordt duidelijk of de keuzes binnen de alternatieven een (licht) positieve invloed, een neutrale, of een (licht) negatieve invloed hebben ten opzichte van de referentiesituatie. Bij deze beoordeling is enerzijds gelet op het mogelijke ‘feitelijke’ milieueffect en anderzijds op de mate van zekerheid. Een bepaalde maatregel kan in essentie heel positief zijn voor het milieu, maar als deze omgeven is door veel onzekerheden, dan is dit van invloed op de beoordeling. Tabel 3.1 Wijze van beoordelen Invloed
Omschrijving
Positieve invloed
Een alternatief heeft overwegend positieve effecten op een thema en er is sprake van een relatief grote zekerheid.
Licht positieve invloed
Een alternatief heeft overwegend positieve effecten op een thema, echter er is sprake van verschillende onzekerheden.
Neutraal
Geen uitgesproken negatieve of positieve effecten of per saldo geen effecten, of een te grote onzekerheid i.c.m. beperkte effecten.
Licht negatieve invloed
Een alternatief heeft (verschillende) negatieve effecten en de effectiviteit van positieve maatregelen is onzeker, ofwel de (overwegend) negatieve effecten zijn niet uit te sluiten.
Negatieve invloed
Een alternatief heeft een zwaarwegend negatieve effecten en er zijn onzekerheden m.b.t. de uitvoering.
De beoordeling van de alternatieven is kwalitatief uitgevoerd op basis van een deskundigenoordeel. Daarna is deze beoordeling gepresenteerd en besproken met specialisten van de provincie om deze te checken op compleetheid, correctheid en navolgbaarheid. Naar aanleiding van deze review is de beoordeling waar nodig aangescherpt. Gezien het detailniveau van de uitwerking van de maatregelen, wordt bij de beoordeling van de milieuthema’s geen onderscheid gemaakt tussen de realisatiefase en de gebruiksfase. De effecten van de alternatieven per deelgebied worden vergeleken met de referentiesituatie. De autonome situatie kan voor een aspect, bijvoorbeeld voor het aspect Natura 2000, negatief zijn. Wanneer de effecten van het UPLG neutraal zijn, wordt het effect als neutraal beoordeeld, ook al is de (toekomstige) situatie negatief is. Anderzijds kan de (toekomstige) situatie negatief, maar de effecten wel positief. Ook kan een alternatief, of het voorkeursalternatief, tegelijkertijd positief bijdragen maar niet leiden tot doelbereik. Dit wordt nader toegelicht in de paragraaf toets doelbereik.
41/147
Kenmerk
3.2.2
R001-1294991EMG-V04-sss-NL
Beoordelingskader
Onderstaande tabel geeft een overzicht van de onderzoeksthema’s die in het MER aan bod komen en de indicatoren waarnaar wordt gekeken per thema. Tabel 3.2 Beoordelingskader Aspect
Indicator
Water
Oppervlaktewaterkwaliteit
Verandering in de ecologische en chemische kwaliteit van het oppervlaktewater, en mate waarin KRW-doelstellingen worden behaald
Grondwaterkwaliteit
Verandering in de chemische kwaliteit van het grondwater, en mate waarin KRWdoelstellingen worden behaald.
Bodem
Bodemkwaliteit
Ecologische, fysische en chemische kwaliteit van de bodem
Bodemdaling
Mate waarin bodemdaling wordt veroorzaakt of voorkomen
Aardkundige waarden
Mate van aantasting van de aardkundige waarden (geomorfologie)
Klimaat en
Klimaatmitigatie (uitstoot
Verandering in emissie van broeikasgassen
duurzaamheid
broeikasgassen)
(inclusief koolstofvastlegging)
Klimaatadaptatie
Mate van weerbaarheid van het gebied tegen weersextremen (droogte en wateroverlast) en de mate waarin kan worden voldaan aan de watervraag
Natuurlijke hulpbronnen
Bijdrage aan gesloten grondstoffenkringloop (circulariteit)
Natuur
Natura 2000-gebieden
Invloed op instandhoudings-doelstellingen of bereiken van een gunstige staat van instandhouding
Areaal leef- en natuurgebied (buiten
Verandering in het areaal van natuurgebieden
Natura 2000-gebieden)
(waaronder NNN en bossen) en leefgebieden van (beschermde) soorten
Natuurkwaliteit in het landelijk gebied
Invloed op kwaliteit van de natuur in het landelijk gebied
Economie en
Verduurzaming landbouw
Landbouw
Mate van mogelijkheid tot verduurzaming van de landbouwsector
Landbouwareaal
Mate waarin landbouwareaal vermindert of het risico daarop ontstaat.
Toekomstperspectief landbouw
Mate waarin agrarische bedrijven een duidelijk, duurzaam en economisch rendabel toekomstperspectief heeft
Landschap en
Utrechtse landschappen (waardevolle
Mate waarin kernkwaliteiten van de Utrechtse
cultuurhistorie
landschappen)
Landschappen worden verbeterd of aangetast
Cultuurhistorie
Beïnvloeding gebiedskarakteristiek en (UNESCO-wereld) erfgoed 42/147
Kenmerk
Aspect
R001-1294991EMG-V04-sss-NL
Indicator Archeologie
Invloed op archeologische (verwachtings) waarden
Welzijn
Gezondheidsbescherming
Hinder door luchtvervuiling, geluid en geur en verminderen van gezondheidsrisico’s (zoals zoönose en dierziekten)
Recreatie (gezondheidsbevordering)
Kwantitatief en kwaliteit van recreatieve voorzieningen en recreatiegebieden- en routes
Dierenwelzijn
De mate waarin dierenwelzijn verbetert
3.2.3 Toets doelbereik Bij deze beoordeling wordt in beeld gebracht in hoeverre doelen van het UPLG doormiddel gemaakte keuzes worden bereikt. Dit betreft een kwalitatieve inschatting van het doelbereik op basis van het nieuwe beleid in het UPLG en het bestaande en toekomstige beleid dat los staat van het UPLG. In het MER wordt allereerst, naast de effectbeoordeling, per thema ingegaan op het aspect doelbereik. Op basis van deze beoordeling wordt een inschatting gemaakt. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen drie categorieen: Het te behalen doel is nog erg onzeker
Het te behalen doel is enigszins zeker Het te behalen doel kent een grote mate van zekerheid
In tekst wordt vervolgens toegelicht op welke wijze de mate van zekerheid, al dan niet in de verdere uitwerking van het UPLG, vergroot kan worden. Een belangrijk onderdeel van de doelbereiktoets is het onderzoek naar hoe de verschillende structurende keuzes en ambities in het UPLG elkaar versterken of met elkaar botsen. Ook vindt een analyse plaats van de synergiën en strijdigheden tussen het UPLG en overig (toekomstige) beleid en programma’s de vorm van een robuustheidstoets, zie paragraaf 6.4. Dit vormt belangrijke input voor het inschatten van het doelbereik.
4 Referentiesituatie 4.1
Huidige situatie en autonome ontwikkeling
De huidige situatie en de autonome ontwikkeling (HSAO) van het landelijk gebied in de provincie Utrecht, ook wel referentiesituatie genoemd, is beschreven voor dit MER. De HSAO is uitgewerkt aan de hand van de milieuthema’s (zie paragraaf 3.2). Hierin wordt de actuele (zover mogelijk kwantitatief gemaakte) conditie van het landelijke gebied beschreven. De HSAO is bijgevoegd in bijlage 3. In deze paragraaf wordt per deelgebied een korte samenvatting gegeven van de belangrijkste kansen en knelpunten per thema en vervolgens worden de belangrijkste opgaven dier hieruit voortkomen per deelgebied kort benoemd.
4.2
Samenvatting HSAO en opgaven per landschap
Onderstaande paragrafen geeft een samenvatting van de HSAO en opgaven per landschap.
43/147
Kenmerk
4.2.1
R001-1294991EMG-V04-sss-NL
Groene Hart
Het veenweidegebied in het Groene Hart kent binnen de provincie naar verwachting de grootste stapeling van opgaven. Er is een grote differentiatie in het veenweidegebied. Het gehele Groene Hart is vanwege de veelheid van opgaven door het Rijk aangewezen als NOVEX-gebied. Dit gebied heeft de opgave om de broeikasgassen vanuit de veenbodem te verminderen en bodemdaling af te remmen. Het Utrechtse veenweidegebied stoot CO2 uit, voornamelijk omdat de bovenste laag ontwaterd wordt ten behoeve van de landbouwfunctie. Ook daalt de bodem op veel plekken tussen 2 en 10 mm per jaar. De zakkende veenbodem leidt zonder maatregelen tot hogere kosten voor onder meer het waterbeheer, de infrastructuur, rioleringen en gebouwen. De verwachte toename in droogte zal dit proces waarschijnlijk versterken. Piekbuien en perioden van droogte vragen om een klimaatbestendig water- en bodemsysteem. Zeker nu de verwachting is dat deze in de toekomst intenser en langer worden. Voor piekbuien zijn er bijvoorbeeld gebieden nodig die dit kunnen opvangen zodat het watersysteem niet overbelast raakt. De oppervlaktewaterkwaliteit is niet op orde in dit gebied.
Voor de kwaliteit van het oppervlaktewater geldt dat vooral de waterlichamen in de Oostelijke Vechtplassen en de Utrechtse Venen niet voldoen aan de KRW-doelen met betrekking tot biologie, nutriënten en chemie.6 Meer specifiek scoren de waterlichamen matig, ontoereikend of slecht op biologische kwaliteit. Voor nutriënten behalen vooral de waterlichamen in de Oostelijke Vechtplassen en de Utrechtse Venen een matig tot slechte score. Voor de kwaliteit van het grondwater geldt dat dit alle Utrechtse grondwaterlichamen aan de KRW-doelen voldoet. Omdat volgens de KRWmethodiek 20 % van de meetpunten een overschrijding mag hebben, wil dat niet zeggen dat de kwaliteit overal op orde is. Specifiek voor het veenweidegebied geldt dat de gewasbeschermingsmiddelen en metalen op diverse locaties in dit gebied de toegestane normen overschrijden. Op het gebied van gewasbeschermingsmiddelen en metalen voldoet geen enkel waterlichaam aan de KRW-normen. Wat betreft natuur liggen zes van de negen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden in het Groene Hart. Van noord naar zuid zijn dit: de Oostelijke Vechtplassen, Botshol, Schraallanden de Meije (onderdeel van het Utrechtse deel van de Nieuwkoopse Plassen), de Zouweboezem, Uiterwaarden Lek en Lingegebied en Diefdijk-Zuid. In deze gebieden staan kwetsbare soorten en habitats onder druk.
De belangrijkste oorzaken hiervan zijn ammoniakemissies, slechte waterkwaliteit, hydrologische omstandigheden en beperkte ecologische verbindingen.7 Voor het realiseren van Natuurnetwerk Nederland geldt dat van de provinciale restopgave een deel in het veenweidegebied ligt. Ook het behouden en bevorderen van het landbouwperspectief is een belangrijke opgaven in dit gebied. De agrarische sector is van groot belang voor onze provincie. Zowel vanwege haar rol als voedselproducent, maar ook als beheerder van het agrarische cultuurlandschap.
6
Atlas provincie Utrecht, KRW-oordeel biologie, nutriënten en chemie 2024, 24 september 2024 Natuurdoelanalyses van Oostelijke Vechtplassen, Botshol, Schraallanden de Meije, de Zouweboezem, Uiterwaarden Lek en Lingegebied en Diefdijk-Zuid. 7
44/147
Kenmerk
4.2.2
R001-1294991EMG-V04-sss-NL
Eemland
De opgaven in het veenweidegebied in Eemland komen overeen met die van het veenweidegebied Groene Hart. In Eemland is er een minder sterke bodemdaling in de huidige situatie dan in het Groene Hart. Uit metingen blijkt dat niet alleen de dikke veenpakketten, maar ook de kleidek-op-veenbodems mogelijkheden bieden om uitstoot van broeikasgassen uit de bodems tegen te gaan via vernattingsmaatregelen. Daarom is ook het verminderen van CO2uitstoot uit (kleidek-op-) veenbodems een belangrijke opgave in Eemland. Dit betreft een groot deel van de gronden in Eemland. Het grondwater voldoet op provinciaal niveau in alle grondwaterlichamen aan de KRW-doelen.8 Dat wil niet zeggen dat het op elke plek op orde is, maar volgens de methodiek van de KRW mag 20 % van de filters een overschrijding hebben. Specifiek voor Eemland zijn er niet heel veel meetlocaties. Het verbeteren van de grondwaterkwaliteit blijft een opgave, evenals de oppervlaktewaterkwaliteit. Voor de oppervlaktewaterlichamen is in Eemland de biologie grotendeels op orde, met uitzondering van één waterlichaam, waar waterplanten niet op orde zijn. Het gaat om de toestand in 2024. Fosfor voldoet nergens (matig of ontoereikend) en stikstof voldoet niet in 3 van de 4 waterlichamen (matig). Ook voor de chemie (onder andere metalen) voldoet het oppervlaktewater niet aan de normen.
Omdat een aantal stoffen alom aanwezig zijn en moeilijk te verwijderen, gelden uitzonderingsclausules voor deze stoffen. Voor de oppervlaktewaterlichamen is in Eemland de biologie grotendeels op orde, met uitzondering van één waterlichaam, waar waterplanten niet op orde zijn. Het gaat om de toestand in 2024. Fosfor voldoet nergens (matig of ontoereikend) en stikstof voldoet niet in 3 van de 4 waterlichamen (matig). Ook voor de chemie (onder andere metalen) voldoet het oppervlaktewater niet aan de normen. Omdat een aantal stoffen alom aanwezig zijn en moeilijk te verwijderen, gelden uitzonderingsclausules voor deze stoffen. Ook in Eemland moet worden gewerkt aan een landbouwsector met duurzame bedrijfsvoering en voldoende verdienvermogen. De landbouwsector speelt namelijk een sleutelrol bij het behalen halen van veel UPLG-doelen. 4.2.3 Utrechtse Heuvelrug In de Utrechtse heuvelrug zijn er verschillende opgaven in het landelijke gebied met betrekking tot water, klimaat en natuur. Op het gebied van water en klimaat zijn de kwaliteit van grond- en oppervlaktewater, droogte en wateroverlast uitdagingen. Ook is er een risico op natuurbranden. Daarnaast is het peilbeheer in het gebied van de Langbroekerwetering niet optimaal (meer) voor de verschillende typen landgebruik aldaar. Ten slotte is de natuur in dit gebied versnipperd. Deze opgaven worden hieronder verder toegelicht.
Het klimaatrobuuster maken van dit gebied is een belangrijke opgave. Het gaat hierbij om het aanpakken van droogte, het voorkomen van wateroverlast en het verminderen van het risico op natuurbranden. In dit landschap is veel grote aaneengesloten stukken bos aanwezig. Dat in combinatie met toenemende perioden van droogte en hitte is de kans op natuurbranden in dit gebiedstype in de toekomst groter.9
8 9
Provincie Utrecht, Uitvoeringsprogramma Impuls Kaderrichtlijn Water 2025–2027, 15 april 2025 Klimaateffectenatlas, Wageningen Environmental Research (WenR) & Deltares, 2021 45/147
Kenmerk
R001-1294991EMG-V04-sss-NL
Verdroging heeft (in combinatie met verzuring) geleid tot een forse achteruitgang van de biodiversiteit. Dit geldt zowel voor de heide- als de bosgebieden boven op de Heuvelrug als voor de natuur op flanken, waar vooral het kwelwater op veel plekken onvoldoende tot de oppervlakte kan komen. Ook wateroverlast is aan de orde. Ondanks de zandige ondergrond komt veel oppervlakkige afstroming op de flanken voor. Dat doet zich met name voor aan de zuidkant van de Heuvelrug in de omgeving van Amerongen, Rhenen en Doorn. Dat leidt tot wateroverlast in de dorpen en schade voor de landbouw. Het gebied van de Langbroekerwetering kent een kleinschalige afwisseling tussen landbouwpercelen en kleine (natte) natuurgebieden. Omdat elk landgebruik andere specifieke hydrologische condities vraagt, is het peilbeheer hier suboptimaal. Dat maakt het gebied extra kwetsbaar voor droogte en wateroverlast. Een belangrijke opgave is tevens het robuuster en weerbaarder maken van de natuur van de Heuvelrug en de flanken. Het gaat hierbij om het revitaliseren van bestaand bos en het realiseren van de NNN en Groene Contour in dit gebied. Specifiek voor het uitbreiden van het bosareaal liggen er kansen op de flanken van de Heuvelrug. Een belangrijke voorwaarde voor natuurherstel is de vermindering van de stikstofdepositie en herstel van het hydrologisch systeem.
Speciale aandacht in het kader van natuurherstel vragen de Natura 2000-gebieden Kolland -Overlangbroek en de Rijntakken. Het verbeteren van de waterkwaliteit is ook een opgave. De waterkwaliteit van het oppervlakte water is biologisch gezien niet op orde. Dit geldt met name voor de waterplanten. Ook bevinden zich te veel chemische stoffen in het oppervlakte water. Wat betreft de kwaliteit van het grondwater geldt voor dit gebiedstype dat in met name de flanken op diverse plekken gewasbeschermingsmiddelen/ biociden boven de normen worden aangetroffen. Daarnaast worden op enkele plekken in de flanken diverse PFAS stoffen zowel in ondiep als diep grondwater boven de richtwaarde aangetroffen.10 4.2.4 Kromme Rijngebied en Schalkwijk In het Kromme Rijngebied en Schalkwijk zijn de volgende opgaven van belang in het landelijk gebied. Met betrekking tot water spelen de opgaven: verbeteren kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater de waterbeschikbaarheid en ruimte voor water. Daarnaast is er in dit gebied ruimte nodig voor meer natuur en natuur die minder versnipperd is. De kwaliteit van het oppervlaktewater voldoet in veel gevallen niet aan kwaliteitsnormen. De concentraties gewasbeschermingsmiddelen zijn te hoog.
Daarnaast voldoet de biologische kwaliteit van de KRW-watergangen niet aan de KRW-normen.11 Wat betreft grondwaterkwaliteit voldoen alle grondwaterlichamen op provinciaal niveau aan de KRW-doelen. Dat wil niet zeggen dat het op elke plek op orde is. De concentraties gewasbeschermingsmiddelen en metalen zijn op diverse locaties in binnen dit gebied namelijk te hoog.12 Meer specifiek voldoet drinkwaterwinning Bunnik bijvoorbeeld niet aan de KRW-eisen. Ook worden er veel PFAS-stoffen gemeten in het grondwater.
10
Rapportage Provinciaal meetnet grondwaterkwaliteit 2024 Atlas provincie Utrecht, KRW oordeel biologie totaal 2024, 24 september 2024 12 Atlas provincie Utrecht, KRW oordeel 2024, 24 september 2024 11
46/147
Kenmerk
R001-1294991EMG-V04-sss-NL
De waterbeschikbaarheid in het gebied is een opgave. Dit gebied bestaat namelijk voor een groot deel uit kleibodems waardoor water moeilijk kan infiltreren. Dit maakt het gebied gevoelig voor droogte wat vooral voor de fruitteelt schadelijk kan zijn. De kleibodems maken dit gebied ook gevoelig voor wateroverlast als gevolg van piekbuien.13 In dit gebied de opgave voor het realiseren van nieuwe natuur. Het gaat zowel om de realisatie van het Natuurnetwerk Nederland, de Groene Contour en groenblauwe dooradering. Daarnaast is de natuur in dit gebiedstype versnipperd en verdeeld over veel losse (natuur)gebieden met weinig onderlinge verbinding. Ook staat de natuur onder druk door verstedelijking in het westelijke deel van dit gebied. Verduurzaming van de landbouw is ook een opgave. Opgaven liggen hier vooral bij de fruitteelt wat betreft de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. Ondanks de diverse emissiebeperkende maatregelen die de Utrechtse fruittelers hebben genomen bestaan nog steeds zorgen over gewasbeschermingsmiddelen in het milieu, met name in het grondwater. 4.2.5 Gelderse Vallei In de Gelderse Vallei zijn er verschillende opgaven van belang in het landelijk gebied. Met betrekking tot water spelen er opgaven, namelijk de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater en de inrichting van de beekdalen.
Daarnaast zijn natuurherstel van Natura 2000-gebied Binnenveld, verduurzaming van de intensieve veehouderij en de verstedelijkingsopgave belangrijke opgaven. Het oppervlaktewater voldoet in meerdere watergangen niet aan de normen voor nutriënten, biologie en chemie.14 Meer specifiek voldoen de beken in het noordelijke deel bijna nergens aan de normen voor nutriënten. Onder andere de niet-grondgebonden veehouderijen in het gebied veroorzaken te hoge fosfaatconcentraties. Wat betreft de biologie scoren Lunterse beek en de Heiligbergerbeek onvoldoende op biologisch kwaliteitselement vis. Waterplanten en macrofauna zijn niet op orde in de Modderbeek. In het zuidelijk deel van de Gelderse Vallei worden de normen voor de nutriënten en de vissen overschreden in het Valleikanaal. Voor de grondwaterkwaliteit geldt dat de gewasbeschermingsmiddelen en metalen op meerdere locaties de norm overschrijden.15 De flanken van de Utrechtse Heuvelrug die ook deels zich ook deels in de Gelderse Vallei bevinden zijn gevoelig voor droogte.16 Een belangrijke opgave in het zuidelijk deel van de Gelderse Vallei is het verdere herstel van het Natura 2000-gebied Binnenveld. Uit de Natuurdoelanalyse blijkt dat de natuur in dit natuurgebied in een slechte staat verkeert.