CConstaterende datBaarn
Koppel je AI →
Document · PDF

1446356 Peiling UPLG en POVI bijlage 2a Bijlagen bij het Ontwerp-Utrechts Programma Landelijk Gebied 2026 - 2035

Oordeelsvorming in de raadscommissie 11 februari 2026, gemeente BaarnBij agendapunt: Peiling Zienswijze Provinciale omgevingsvisie en UPLG31.414 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Inhoud Bijlage I. Overzicht informatieobjecten ............................................................................................................. 2 Bijlage II. Toelichting op de opgaven en doelen ................................................................................................. 3 1. Leeswijzer ................................................................................................................................................ 3 2. Water en bodem ....................................................................................................................................... 3 3. Natuur ...................................................................................................................................................... 4 4. Klimaat..................................................................................................................................................... 7 5. Landbouw ................................................................................................................................................ 8 Bijlage III. Kaderrichtlijn Water ....................................................................................................................... 10 1.

Kaderrichtlijn Water en oppervlaktewater............................................................................................... 10 2. Kaderrichtlijn Water en grondwater ......................................................................................................... 13 Bijlage IV. Natura 2000-gebieden .................................................................................................................... 17 1. Leeswijzer ............................................................................................................................................... 17 2. Juridische status van de NDA’s en de adviezen van de EA ........................................................................ 17 3. Overgangsgebieden................................................................................................................................ 18 4. De Natura 2000-gebieden in de provincie Utrecht .................................................................................. 20 Bijlage V. Natuurarealen conform de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR)......................................................................... 34 1. Inleiding.................................................................................................................................................. 34 2.

Natuurarealen Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR) ...................................................................................... 34 3. Kwaliteitsverbetering bestaande natuur ................................................................................................. 36 Bijlage VI. Strategisch bosbeleid........................................................................................................................... 38 1. Inleiding.................................................................................................................................................. 38 2. Strategisch bosbeleid ............................................................................................................................. 38 3. Bijdrage bos aan andere opgaven ........................................................................................................... 39 4. Maatregelen voor het revitaliseren van bos ............................................................................................ 39 5. Specificering doelen bos ......................................................................................................................... 39 Bijlage VII. Hoofdstructuren in de provincie Utrecht ........................................................................................ 41 1.

Inleiding.................................................................................................................................................. 41 2. Een blijvend robuust bodem- en watersysteem ...................................................................................... 41 3. Samenhangend groot natuursysteem ..................................................................................................... 44 4. Groenblauwe en recreatieve hoofdstructuur ........................................................................................... 45 5. Cultuurhistorische hoofdstructuur .......................................................................................................... 45 Bijlage VIII. Stikstof......................................................................................................................................... 47 1. Waarom is het van belang om ook als provincie te sturen op stikstofreductie? ........................................ 47 2. Aanpak van emissiereductie via twee sporen, incl. onderbouwing .......................................................... 49 Bijlage IX. Emissies broeikasgassen uit veenbodems ...................................................................................... 59 1.

Inleiding.................................................................................................................................................. 59 2. Nieuwe kennisinzichten over Veenweide vanuit het NOBV ..................................................................... 59 3. Nieuwe kennisinzichten vanuit Impactstudie Peilverhoging Groene Hart ................................................ 61 4. Onderzoek inzet ruimtelijk instrumentarium voor veenweidelandbouw: toelichting vanuit juridisch kader ................................................................................................................................................................... 61 Bijlage X. Landbouw ....................................................................................................................................... 64 1. Beschrijving van de landbouw in de provincie Utrecht ............................................................................. 64 2. Kritische Prestatie Indicatoren van de Utrechtse Monitor Duurzame Landbouw ..................................... 68 Bijlage XI. Kaarten .......................................................................................................................................... 69

1

Bijlage I. Overzicht informatieobjecten Dit betreft een bijlage die alleen beschikbaar is in het Omgevingsloket. Vanaf 6 januari 2025 is het OntwerpUPLG in te zien in het omgevingsloket, via www.provincie-utrecht.nl/uplg.

2

Bijlage II. Toelichting op de opgaven en doelen 1. Leeswijzer In hoofdstuk 2 van het UPLG-hoofdrapport is een samenvattende tabel (tabel 2) opgenomen met daarin een overzicht van de opgaven en doelen die aan de basis liggen van dit UPLG. Deze bijlage geeft de achtergrondinformatie bij dit hoofdstuk. Dat doen wij aan de hand van de vier UPLG-thema’s: water & bodem, natuur, klimaat en landbouw.

2. Water en bodem 2.1 Kaderrichtlijn water (KRW) De KRW-doelen zijn urgente Europese verplichtingen waar in 2027 aan moet zijn voldaan. De maatregelen zijn gericht op het bereiken van schoon en ecologisch gezond water en het voorkomen van een achteruitgang van de waterkwaliteit. Bij het oppervlaktewater gaat het om de ecologische en chemische kwaliteit en bij het grondwater om de kwantiteit en de chemische kwaliteit. De KRW is een Europese richtlijn met resultaatsverplichtingen waar de EU-lidstaten aan moeten voldoen. De lidstaat is verantwoordelijk voor de nakoming en voor het implementeren van de KRW in het nationale recht. In Nederland is de KRW geïmplementeerd in de Omgevingswet. Door deze implementatie wordt de KRW ook ten opzichte van particulieren toegepast en worden er verplichtingen en instrumenten toegekend aan (decentrale) overheden, zoals de provincie. De lidstaten zijn richting de EU verantwoordelijk voor het halen van de KRW-doelen. Als blijkt dat de KRWdoelstellingen mogelijk niet gehaald zullen worden, dan moeten de lidstaten de oorzaken daarvan onderzoeken, de betrokken vergunningen en toestemmingen onderzoeken en zo nodig herzien, de monitoringsprogramma’s getoetst en zo nodig bijgesteld worden en eventueel noodzakelijke aanvullende maatregelen treffen om de doelstellingen alsnog te bereiken (artikel 11 lid 5 KRW).

Nederland kan bij nietnakomen door de EU in gebreke worden gesteld en boetes of dwangsommen opgelegd krijgen, zeker als de verplichtingen van artikel 11 lid 5 KRW niet adequaat en tijdig zijn uitgevoegd.

2.2 Nitraatrichtlijn Ook de Europese Nitraatrichtlijn omvat Europese verplichtingen met als doel het verminderen van de waterverontreiniging door nutriënten uit agrarische bronnen. Op dit moment is het zevende ‘Actieprogramma Nitraatrichtlijn’ in werking voor de periode 2022 – 2025. Dit actieprogramma bevat gebruiksnormen voor toepassing van dierlijke mest en stikstofkunstmest. Ook bevat de Nitraatrichtlijn maatregelen om uit- en afspoeling van nutriënten te voorkomen, onder meer door het instellen van vrije bufferstroken langs watergangen.

2.3 Het watersysteem Voor het realiseren van een klimaatbestendig en robuust watersysteem staan we als provincie Utrecht voor de korte en lange termijn voor een aantal stevige opgaven. De klimaatverandering maakt het noodzakelijk dat water en bodem sturend zijn bij onze ruimtelijke keuzes. Door de toename van piekbuien treedt steeds vaker wateroverlast op, zowel in het landelijk als het stedelijk gebied. Tegelijkertijd is in de droge perioden de beschikbaarheid van voldoende water niet langer een vanzelfsprekendheid. Verschillende nationale beleidsdocumenten zijn relevant voor het vraagstuk ‘ruimte voor water’. Allereerst de Nota Ruimte – waarvan het Ontwerp september 2025 is verschenen. Hierin worden op nationaal niveau ruimtelijke keuzes gemaakt. Daarnaast zijn van belang: het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie (DPRA) en de Nationale Klimaatadaptatiestrategie (NAS) waarin wordt gestreefd naar een waterrobuuste en klimaatbestendige inrichting in 2050. In het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie is afgesproken dat alle overheden vanaf 2020 klimaatbestendig en waterrobuust handelen. Dit betekent dat ook klimaatadaptatie moet zijn opgenomen in het beleid. Wij hebben als provincie ook te maken met de landelijke doelstelling vanuit het Deltaplan Zoetwater (DPZW), waarbij we in 2050 weerbaar dienen te zijn tegen zoetwatertekorten.

Hierbij is het van belang om de zoetwaterbeschikbaarheid voor drinkwater, natuur, landbouw en industrie ook in droge perioden te borgen.

3

De hierin aangegeven richtlijnen hebben wij overgenomen in onze provinciale Omgevingsvisie en het provinciale Uitvoeringsprogramma Klimaatadaptatie (2025-2028). Onze ambitie is om stapsgewijs toe te werken naar een veerkrachtig water- en bodemsysteem dat kan omgaan met weersextremen, zoals piekbuien en droogte. In 2050 moet dit volledig zijn gerealiseerd. Een klimaatbestendig water- en bodemsysteem betekent overigens ook een duurzame inpassing van nieuwe en bestaande drinkwaterwinningen. Vitale bodems Voor de provincie Utrecht is een vitale bodem een belangrijke randvoorwaarde om de provinciale doelen voor natuur, water, klimaat en landbouw te behalen. Dit is uitgewerkt in het Bodem- en Waterprogramma 20222027. De centrale doelstelling van het provinciale beleid is: ‘We willen bijdragen aan een verbeterde sponswerking van de bodem, zodat deze meer water vasthoudt en de vochtlevering in droge tijden verbetert. […] We willen een vitale bodem in bosgebieden creëren door de verzuring van de zandgronden af te remmen en een gevarieerder bos te realiseren.’’ In de Europese bodemstrategie is de visie opgenomen om alle bodems tegen 2050 gezond te hebben. De Europese bodemmonitoringsrichtlijn sluit hierop aan en heeft tot doel om een kader voor bodemmonitoring voor alle bodems in de EU tot stand te brengen en de bodemgezondheid in de Unie voortdurend te verbeteren.

Nationaal wordt via het Nationaal Programma Landbouwbodems, de Kamerbrief Water en Bodem sturend en het in ontwikkeling zijnde Nationaal Programma Bodem, Ondergrond en Grondwater ingezet op een vitale bodem. Het streven is dat dit programma in 2026 wordt vastgesteld.

3. Natuur De Europese Natuurherstelverordening De in 2024 van kracht geworden Europese Natuurherstelverordening (NHV) heeft als doel de biodiversiteit te herstellen en de achteruitgang te stoppen. Het specifieke doel van de verordening is om gedegradeerde ecosystemen in de gehele EU tegen 2050 in een goede staat te brengen en tegen 2030 goed op weg te zijn naar herstel. Voor deze ecosystemen zijn in de NHV meerdere op herstel gerichte bindende streefdoelen en resultaatverplichtingen opgenomen. De NHV kent een overlap met een aantal internationale en Europese richtlijnen - zoals de VHR en de KRW - maar de NHV concretiseert de doelen en tijdspaden. De NHV verplicht de lidstaten om binnen twee jaar (medio 2026) een ‘Nationaal herstelplan’ op te stellen. Hierin moeten doelstellingen worden aangegeven voor 2030, 2040 en 2050. Het Rijk is primair verantwoordelijk voor de implementatie van deze verordening. Echter, veel van de opgaven uit de NHV komen naar verwachting bij de provincies terecht, gezien de wettelijke beleids- en uitvoeringsbevoegdheid die provincies hebben voor natuur. Doordat de NHV directe werking heeft en veel dwarsverbanden kent met andere opgaven, nemen we deze NHV-opgaven nu al op in het UPLG.

4

De Vogel- en Habitatrichtlijn De Vogelrichtlijn (1979) gaat over de bescherming van in het wild levende vogelsoorten en de habitats van die soorten (Natura 2000). De Habitatrichtlijn (1992) gaat over de bescherming van plant- en diersoorten en de habitats van die soorten (Natura 2000). Beide richtlijnen zijn gericht op gebieds- en soortenbescherming in Europa en vanwege de samenhang tussen beide richtlijnen worden zij gezamenlijk aangeduid als de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR). Deze VHR heeft net als de NHV tot doel de Europese natuur te beschermen en daarmee duurzaam te behouden (het zorgen voor een Gunstige Staat van Instandhouding van soorten en gebieden), dan wel te versterken. Hiertoe zijn voor de meest kwetsbare en/of zeldzame natuur beschermde gebieden aangewezen: de Natura 2000-gebieden. Een Natura 2000-gebied kan zowel vanuit de VR als vanuit de HR zijn aangewezen. Naast habitattypes worden binnen de VHR ook specifieke soorten en hun leefgebieden beschermd. De verplichtingen uit de VHR zijn op nationaal niveau verankerd in de Omgevingswet (voorheen Wet natuurbescherming). De Raad van State onderstreept in verschillende uitspraken het belang van deze verplichtingen en de naleving daarvan kan door de Europese Commissie worden afgedwongen. De belangrijkste doelen van de VHR zijn: ▪

Gunstige Staat van Instandhouding van soorten en habitattypen: De VHR legt een resultaatverplichting op met betrekking tot een Gunstige Staat van Instandhouding (GSvI) voor habitats en soorten. In de NHV is deze doelstelling als volgt geconcretiseerd: uiterlijk in 2030 moeten herstelmaatregelen getroffen zijn op het totale oppervlak van alle habitattypen binnen én buiten Natura 2000-gebieden zodat voor ten minste 30% van de in 2019 in een ongunstige Staat van Instandhouding verkerende habitattypen een landelijk GSvI wordt bereikt. In elk geval moet worden aangetoond dat een sterk positieve trend in gang is gezet. In 2040 moet op 60% herstelmaatregelen zijn genomen en in 2050 op 90%. Tot 2030 moeten lidstaten bij de uitvoering van de herstelmaatregelen prioriteit geven aan Natura 2000-gebieden. Voor de Natura 2000-gebieden geldt namelijk een verslechteringsverbod (t.o.v. het referentiejaar, het jaar dat het Natura 2000-gebied door de Europese Commissie op de communautaire lijst is geplaatst). Deze borging van de GSvI is niet alleen van belang voor het behoud van de biodiversiteit, maar is veelal ook randvoorwaardelijk voor vergunningverlening (onder andere infrastructuur, bedrijven (inclusief agrarisch) en soms ook woningbouw). De doelstellingen vallen onder categorie 1b.

▪

Nieuw te ontwikkelen natuurlijk areaal: Voor alle voor Utrecht relevante natuurtypen is door SOVON en WecR (WUR) een indicatie gegeven voor areaaluitbreiding in 2030 en 2050 om de GSvI van de VHR-soorten en habitattypen te realiseren. Voor 2030 gaat het om 848 hectare natuur en 14.160 hectare agrarische natuur. 2030 Deze 2030-opgave is 30% van de opgave voor 2050. Deze getallen geven een betrouwbare indicatie van de orde van grootte van de areaaluitbreiding die nodig is om te voldoen aan de GSvI. De getallen zijn om deze reden opgenomen in het Ontwerp-NPLG. Ondanks de intrekking van het NPLG zien we als provincie deze indicatieve areaalopgave als richtinggevend (categorie 2 zoals weergegeven in hoofdstuk 2.2 van het Ontwerp-UPLG). We verwachten dat het door het Rijk op te stellen Natuurplan (verplicht in 2026 vanuit de Natuurherstelverordening) uiteindelijk meer duidelijkheid zal geven of deze indicatieve arealen voor VHR-soorten en typen op landelijke en provinciale schaal ook door het Rijk worden gehanteerd. Dat moet ook wel. Immers, de verplichtingen voor de lidstaat Nederland om te voldoen aan de Vogel- en Habitatrichtlijnen zijn ongewijzigd en daarmee gelden de doelen die daaruit voortvloeien ook voor de provincie Utrecht. Zie voor meer informatie over VHR-doelen bijlage V.

▪

De Natura 2000-gebieden: Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelen vastgesteld om te komen tot een GSvI voor de aangewezen habitattypen en habitat- en vogelrichtlijnsoorten op landelijk niveau. De gebieden dienen te worden beschermd en beheerd in overeenstemming met deze doelen. De Natura 2000-gebieden kennen een verslechteringsverbod. Lidstaten moeten verplicht passende maatregelen treffen om een verslechtering van de habitats en verstoring van soorten binnen deze gebieden te voorkomen of te herstellen indien toch verslechtering heeft plaatsgevonden. Dit kan door zowel binnen als buiten de Natura 2000-gebieden drukfactoren weg te nemen. Ook hanteren we bij Natura 2000gebieden het voorzorgsbeginsel: het nemen van preventieve maatregelen of het niet toestaan van activiteiten om (potentiële) schade aan de natuur te voorkomen, zelfs als er geen volledige wetenschappelijke zekerheid is over de exacte gevolgen van dergelijke (Natura 2000-) activiteiten.

5

In veel Natura 2000-gebieden liggen zowel opgaven vanuit de VHR als vanuit de KRW. In de KRW is verplichtend opgenomen dat in 2027 de hydrologische condities voor alle Natura 2000-gebieden moeten voldoen aan de ecologische vereisten, of op zijn minst dat maatregelen zijn genomen om dit te realiseren. Een goed functionerend ecohydrologisch systeem is essentieel voor het herstel, behoud, verbetering en uitbreiding van de natuur in de Natura 2000-gebieden. De precieze hydrologische vereisten voor een Natura 2000-gebied ter ondersteuning van de instandhoudingsdoelstellingen verschillen per Natura 2000gebied en zijn dus maatwerk per gebied. Meer informatie over de Natura 2000-gebieden is te vinden in bijlage IV. Stikstof Stikstof is afkomstig van de industrie en het verkeer (met name stikstofoxiden - NOx) en– van de landbouw (met name ammoniak - NH3). Een overmaat aan stikstof leidt tot verzuring en vermesting van bodems en ecosystemen. Een van de effecten is dat stikstofminnende planten de overhand krijgen met achteruitgang van de biodiversiteit als gevolg. De aanpak van de NOx-emissies is met name een verantwoordelijkheid van het Rijk en de reductie wordt gerealiseerd via de energietransitie en de klimaataanpak, met name door het tegengaan van verbrandingsprocessen. De aanpak van ammoniak is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van het Rijk en de provincies.

Het is van belang om de uitstoot (emissie) van ammoniak en de neerslag (depositie) in natuurgebieden zoveel mogelijk te beperken. Ook voor de vergunningverlening vanuit de provincie is dit urgent. Op deze manier moet weer ruimte ontstaan om allerlei (economische) activiteiten mogelijk te maken en ook om de zogeheten PAS-melders te legaliseren. De Omgevingswet (waarin de Wet Stikstofreductie en Natuurverbetering (Wsn) is opgegaan) en het nationale Programma Stikstofreductie en Natuurverbetering (Psn) zijn het leidend kader voor de stappen die de komende jaren worden gezet. In dat verband dient de provincie een gebiedsplan gericht op regionale stikstofreductie op te stellen. Het UPLG geeft daar invulling aan. In de Omgevingswet zijn de doelen voor reductie van de stikstofbelasting in Natura 2000-gebieden vastgelegd in omgevingswaarden: ‘50% van het areaal met stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden in Nederland moet in 2030 onder de kritische depositiewaarde zijn gebracht en 74% in 2035.’ Omdat de nieuwe doelen er nog niet zijn - en het op dit moment onzeker is wanneer die duidelijkheid komt - en omdat wij als provincie ook een eigen verantwoordelijkheid hebben, houden wij voorlopig indicatief vast aan een reductiedoelstelling van 46% van de ammoniakemissie in 2035 ten opzichte van 2019.

Met dit referentiejaar volgen we de lijn van het Rijk zoals in verschillende kamerbrieven opgenomen (2025). Natuurnetwerk Nederland en Groene Contour In het Natuurpact (2013) hebben Rijk en provincies afgesproken om tussen 2011 (basisjaar) en 2027 in totaal 80.000 hectare nieuwe natuur in te richten, conform het NNN. Dit is vastgelegd als een wettelijk doel in de Omgevingswet. In lijn met onze provinciale Omgevingsvisie is de opgave dat in 2027 alle nieuwe natuur die nodig is voor de NNN-opgave is ingericht met hoogwaardige natuur. Voor de provincie Utrecht resteert per 1 januari 2024 een NNN-opgave voor de inrichting van nieuwe natuur van 1.784 hectare. Daarvan heeft 507 hectare nu nog een agrarische functie. Zo’n 1.277 hectare is al wel van functie veranderd maar moet nog worden ingericht (stand van zaken januari 2025). Daarnaast is met de Kopgroep Akkoord van Utrecht (2011) afgesproken om 3.000 hectare Groene Contour als natuur in te richten en toe te voegen aan het NNN. De gebieden binnen de Groene Contour sluiten daarmee aan bij het NNN en versterken op deze manier de robuustheid van het NNN en vergroten de samenhang tussen de gebieden. Van de Groene Contour is pas 100 hectare ingericht, waardoor nog een restopgave bestaat van 100 hectare (stand van zaken januari 2025).

Groenblauwe dooradering Het realiseren van meer Groenblauwe dooradering (GBDA) gaat om de aanleg en het beheer van landschapselementen zoals hagen, houtwallen, bomenrijen, beheerde sloten en natuurvriendelijke oevers. De GBDA-doelstellingen komen voort uit het ‘Nationale Aanvalsplan Landschap’ (september 2022). Het aanvalsplan levert een significante bijdrage aan de (Europese) biodiversiteitsdoelen (Vogel- en Habitatrichtlijn),

6

de klimaatopgave (Klimaatakkoord Parijs) en de waterkwaliteit (Kaderrichtlijn Water) en daarmee ook aan de NHV. In lijn met dit aanvalsplan streven we ernaar dat in 2050 10% van het oppervlakte van het landelijk gebied bestaat uit GBDA met als tussendoel voor 2030 ‘de helft van de restopgave (10% min huidig percentage). De doelstelling van 10% gaat over de gronden buiten het stedelijk gebied, de grote wateren en het NNN. Dit betekent een opgave in onze provincie van ongeveer 8.000 hectare. Op dit moment bestaat ongeveer 3% van het Utrechtse landelijk gebied uit groenblauwe dooradering. Als restopgave is er dus nog 5600 ha te realiseren voor 2050, met als tussendoel 2800 ha nieuwe GBDA in 2030. Hoewel er geen harde bestuurlijke afspraken over GBDA zijn wordt het aanvalsplan door een brede coalitie van partijen onderschreven. Strategisch bosbeleid In de landelijke bossenstrategie is afgesproken dat tot 2030 37.000 hectare extra bos in Nederland wordt aangelegd. Daarnaast wordt ingezet op een betere kwaliteit en vitaliteit van bestaande bossen. Beide doelstellingen dragen bij aan het herstel van biodiversiteit en daarmee ook aan de VHR-doelstellingen. Deze bossenstrategie maakt onderdeel uit van de afspraken in het Klimaatakkoord.

De provincie Utrecht heeft deze doelen in 2022 uitgewerkt in het provinciale ‘Strategisch Bosbeleid’ met daarin de volgende provinciale doelstellingen: ▪

▪

Aanleg nieuw bos: De doelstelling voor Utrecht is om het huidige areaal bos met 1.500 hectare te vergroten, waarvan 1.000 hectare binnen het NNN en de Groene Contour en 500 hectare daarbuiten. Hieraan is tevens een klimaatopgave gekoppeld, namelijk de vastlegging van CO 2 via aanleg van bos. Omgerekend vanuit de 1.500 hectare nieuw bos is dat jaarlijks 0,010 megaton CO 2eq. Revitaliseren bestaan bos. Naast de aanleg van nieuw bos is het revitaliseren van de bestaande bossen een belangrijke doelstelling. Het grootste bosareaal van de provincie Utrecht ligt op de hogere zandgronden, met name op de Utrechtse Heuvelrug. Deze bossen zijn zeer gevoelig voor stikstof, vanwege de verzuring van de bodem en de daarmee gepaard gaande uitspoeling van voedingsstoffen.

De landelijke bossenstrategie gaat uit van een termijn tot 2030 om de gestelde doelen te realiseren. In het provinciale Strategisch Bosbeleid (maart 2022) is gekozen voor een meer realistische termijn - tot 2040 - voor het behalen van de doelstellingen. In bijlage VI is meer informatie te vinden over het strategisch bosbeleid, inclusief een kansenkaart.

4. Klimaat De klimaatdoelen zijn urgente internationale verplichtingen die Europees zijn vastgelegd op basis van het Akkoord van Parijs in 2019. Als onderdeel van de Europese Green Deal is op 29 juli 2021 de Europese klimaatwet in werking getreden. Met de Europese klimaatwet zijn de reductiedoelen van broeikasgasemissies voor de Europese Unie aangescherpt om uitvoering te geven aan de verplichtingen van het Klimaatakkoord van Parijs. In 2050 wil de Europese Unie klimaatneutraal zijn. Dit betekent een aanscherping van de doelstelling om in 2030 te komen van 49% naar 55% minder uitstoot van broeikasgassen ten opzichte van 1990. De aanscherping naar 55% is in 2022 vastgelegd in de nationale Klimaatwet en overgenomen door PS in de Utrechtse Klimaataanpak: Naar Netto Nul (2024). Inmiddels heeft het kabinet Schoof de Klimaatnota 2024 vastgesteld op basis van de Klimaat- en Energieverkenning (KEV 2024). Hierin worden de streefdoelen voor 2030 en 2050 gehandhaafd, maar er wordt geen doel voor 2040 wettelijk vastgelegd (geen ‘nationale koppen’). De genoemde KEV laat zien dat Nederland niet op koers ligt om de doelstellingen voor 2030 te halen en dat met name de sector ‘Landbouw en landgebruik’ achterloopt. Emissies broeikasgassen uit veenbodems In het Klimaatakkoord is afgesproken dat voor veenweide een nationale reductiedoelstelling geldt van 1 megaton (Mton) CO2-equivalenten.

Voor Utrecht betekent dit een provinciale taakstelling van het verminderen van CO2-eq uit veenweidebodems van 0,09 Mton. Ook is in het Klimaatakkoord een hectarebenadering opgenomen die inhoudt dat nationaal 90.000 hectare veenbodems dienen te worden voorzien van maatregelen

7

gericht op CO2-reductie. Ook de Natuurherstelverordening (NHV) gaat in op het vernatten ven veengronden en gaat daarbij uit van een hectarebenadering. De hectares afgesproken in het Klimaatakkoord komen grofweg overeen met de hectares te vernatten veen uit de NHV. Vanuit het kennisprogramma Nationaal Onderzoeksprogramma Broeikasgassen Veenweiden (NOBV) is een omslag gemaakt van modeleren naar meten. Deze meetresultaten (Somers 2.0) laten zien dat de veenweiden een lagere uitstoot hebben dan waar eerder mee werd gerekend. Daarom is een herijking aanstaande die de 1 Mton terugbrengt naar circa 0,7 Mton nationaal. Hierbij blijft wel de 90.000 hectare veenbodems die moeten worden voorzien van beleid bestaan. Dit betekent dat wij nog altijd op hetzelfde aantal hectares maatregelen moeten nemen die samen toewerken naar een Utrechts aandeel van 0,06 Mton in 2030. Bodemdaling De doelstelling zoals opgenomen in de tabel van hoofdstuk 2 komt uit de provinciale Omgevingsvisie (2021). De doelstelling luidt: ‘De bodemdaling in het landelijk veenweidegebied is in 2050 met gemiddeld 50% geremd’. Voornaamste achterliggende doelen zijn het verminderen van de CO2-uitstoot en beheersing van maatschappelijke kosten. Bodemdaling brengt hoge maatschappelijke kosten met zich mee onder andere op het gebied van het waterbeheer en de infrastructuur.

De oorzaken en maatregelen om bodemdaling te remmen verschillen in stedelijk en landelijk gebied. Daarom is de aanpak van bodemdaling in beide gebieden anders. De provinciale ambitie voor bodemdaling past bij het Klimaatakkoord. De doelstelling in het Klimaatakkoord is 1 Mton reductie van CO2 equivalenten in 2030. Dit is grofweg een vermindering van 25%. De provinciale ambitie voor afremmen bodemdaling is hoger dan deze doelstelling. In het Klimaatakkoord hebben de provincies de opdracht gekregen de regierol te vervullen bij de aanpak van bodemdaling. Methaanemissies uit veehouderij Als onderdeel van de klimaatopgave zijn voor de veehouderij met name de internationale afspraken uit de ‘Global Methane Pledge’ (2021) van belang. Hieruit komt een nationale opgave voort van 3,8 Mton methaanreductie in 2030 ten opzichte van 2020. In het Ontwerp-NPLG was de landelijke opgave over de provincies verdeeld naar rato van het aantal dieren. Voor Utrecht betrof dit een reductie van 0,3 Mton aan methaanemissies. Deze doelstelling handhaven wij indicatief in het UPLG. Wij zetten voor de realisering daarvan vooral in op het meekoppelen met andere opgaven, zoals de stikstofopgaven. CO2-opslag ▪ Door bomen, bos en natuur: In het Klimaatakkoord is een nationale doelstelling geformuleerd om via aanplant van bomen, bos en natuur in totaal 0,4 - 0,8 Mton CO2-eq. reductie in 2030 te behalen.

Voor de provincie Utrecht betekent dit een vastlegging van 0,010 megaton CO 2eq via bosaanplant ten opzichte van 2018. Naar verwachting is de provinciale doelstelling van 1500 ha nieuw bos voldoende om aan dit klimaatdoel te voldoen. De landelijke opgave kan ook ingevuld worden door CO 2-opslag in natte natuur. Natte natuur kan een grote voorraad koolstof herbergen. Dit is niet verder gespecificeerd naar een provinciaal doel. ▪ In landbouwbodems: Ook is er landelijk nog de doelstelling om jaarlijks 0,5 Mton CO 2-eq extra vast te leggen in minerale landbouwbodems, bijvoorbeeld door aangepast bodemgebruik zoals de toepassing van rustgewassen, gebruik van compost en (in bescheiden mate) in blijvend grasland. Deze landelijke doelstelling is door het Rijk niet vertaald naar een verdeling over de provincies.

5. Landbouw De agrarische sector is van groot belang voor onze provincie. Zowel vanwege haar rol als voedselproducent, maar ook als beheerder van het agrarische cultuurlandschap. Dit wordt geïllustreerd met het feit dat ongeveer de helft van ons grondgebied in gebruik is door de landbouw. In totaal gaat het om circa 70.000 hectare. Hiervan is ongeveer 50.000 hectare blijvend grasland (Bron: WUR, 2024). De landbouwsector speelt dan ook een sleutelrol bij het behalen halen van veel UPLG-doelen. Deze rol kan zij alleen vervullen als ook perspectief wordt geboden voor de lange termijn. Dat wil zeggen: een duurzame bedrijfsvoering met voldoende verdienvermogen. Daarom hebben we in dit UPLG ‘perspectief voor de

8

landbouw’ als vierde (hoofd)doel toegevoegd. Dit sluit aan bij het doel zoals dat in onze provinciale Omgevingsvisie (2021) staat: ‘Wij werken richting 2050 samen met onze partners toe naar een landbouwsector met economisch rendabele bedrijven die circulair, natuurinclusief, klimaatneutraal en diervriendelijk zijn en dicht bij de inwoners staan.’ In het ‘Streefbeeld Landbouw & Voedsel’ (2025) zijn tien ambities benoemd die bijdragen aan het lange termijndoel uit de Omgevingsvisie. Deze ambities worden in het ‘Uitvoeringsprogramma Landbouw & Voedsel’ verder uitgewerkt naar (subdoelen) en hoe deze zijn te behalen. Dit verschilt per ambitie. Binnen de tien ambities zijn twee concrete doelen kwantitatief benoemd: ▪ ▪

Biologische landbouw: 15% van het landbouwareaal in 2030 werkt biologisch. De restopgave is nog 8,6% van het Utrechtse landbouwareaal. Natuurinclusieve landbouw: 50% van de grondgebondenbedrijven werkt in 2030 natuurinclusief. In januari 2025 nam ongeveer 30% van de Utrechtse bedrijven deel aan het ANLb.

Biologische landbouw is één van de duurzame productiemethodes, onder meer omdat geen gebruik wordt gemaakt van kunstmest en chemische bestrijdingsmiddelen. Biologische landbouw is onafhankelijk gecertificeerd. De Provincie Utrecht streeft naar een aandeel van 15% biologisch landbouwareaal in 2030 (zie het Streefbeeld Landbouw en Voedsel, 2025). Op dit moment is dit 6,4%. Voorwaarde is wel dat de consumptie van biologische producten hierin meegroeit. Natuurinclusieve landbouw is een manier om de schaarse grond die ons ter beschikking staat op een multifunctionele manier te benutten en naast de primaire productie ook de UPLG-opgaven te realiseren. Natuurinclusieve landbouw zien wij als een systeeminnovatie. Deze vorm van landbouw richt zich op het gehele bedrijfssysteem en behelst een brede versterking van de biodiversiteit op en rond het boerenland. Maar het gaat ook om het verantwoord benutten van functionele landschapselementen (zoals heggen inzetten tegen plaagvormen) en het minimaliseren van negatieve effecten op de biodiversiteit in de omgeving. In de ‘Visie Landbouw & Voedsel’ is het doel opgenomen om in 2030 50% natuurinclusieve landbouw te hebben op minimaal niveau 1 (zie de figuur in 3.6.3 in hoofdrapport UPLG).

Dit kunnen we meten aan de hand van de deelname aan het ANLb of de BBM-pakketten (pakketten voor boeren die aan agrarisch natuurbeheer doen maar niet mee kunnen doen aan het ANLb) die boeren hebben laten registreren door de collectieven. De collectieven doen aan beheermonitoring, waarbij door lerend beheren de resultaten van het ANLb worden gemonitord en geëvalueerd. Daarnaast kunnen we via de UMDL de mate van het sparen van natuur en het benutten van natuur monitoren en dus volgen in hoeverre deelnemers vooruitgang boeken. Tot 2050 streeft de provincie naar zoveel mogelijk bedrijven die gebruik maken van natuurlijke processen in de bedrijfsvoering.

9

Bijlage III. Kaderrichtlijn Water 1. Kaderrichtlijn Water en oppervlaktewater 1.1 Inleiding In Utrecht zijn binnen de verschillende waterschappen 60 wateren aangewezen als KRWoppervlaktewaterlichamen, te weten: ▪ 29 binnen het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden; ▪ 16 binnen het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht; ▪ 10 binnen het Waterschap Vallei en Veluwe; ▪ 5 binnen het Waterschap Rivierenland. Voor elk waterlichaam zijn chemische normen en ecologische doelen vastgesteld die uiterlijk in 2027 moeten zijn gehaald. De chemische en ecologische toestand bepalen samen het eindoordeel over de kwaliteit van een waterlichaam. Momenteel voldoet geen van de 60 oppervlaktewaterlichamen in de provincie Utrecht aan alle KRW-doelen.

1.2 Stikstof en fosfaat Nutriënten (stikstof en fosfor) zijn bepalend voor de ecologische kwaliteit van het oppervlaktewater. Sinds het einde van de vorige eeuw zijn de nutriëntengehalten sterk verlaagd. Echter, in grote delen van Nederland zijn te hoge nutriëntengehalten nog steeds een belangrijke oorzaak van het niet op orde zijn van de gewenste ecologische kwaliteit. De toestand van nutriënten in de provincie Utrecht is voor de KRW-oppervlaktewaterlichamen weergegeven in onderstaande figuren. In de figuren is allereerst de toestand voor stikstof en fosfor uit de toetsing 2024 weergegeven. De groen gekleurde waterlichamen scoren goed, geel duidt op een matige score, oranje betekent ontoereikend en rood staat voor een slechte waterkwaliteit. In zijn algemeenheid zien we dat veel waterlichamen net onder of boven de gestelde doelen zitten. Voor stikstof wordt in 2024 in 70% van de KRW-waterlichamen voldaan aan de gestelde doelen. De waterlichamen in de Oostelijke vechtplassen, Botshol en het gebied ten oosten van de Utrechtse Heuvelrug blijven echter achter. Veel waterlichamen in deze gebieden voldoen niet aan de gestelde doelen. Fosfor laat een minder positief beeld zien dan stikstof. Ongeveer 42% van de KRW-waterlichamen voldoet in 2024 niet aan de doelen.

Net als bij stikstof voldoen veel waterlichamen in het gebied van de Oostelijke vechtplassen, Botshol en het gebied ten oosten van de Heuvelrug niet aan de norm. In tegenstelling tot stikstof voldoet voor fosfaat de helft van de KRW- waterlichamen in de Utrechtse waarden niet aan de norm en scoort matig.

10

Kaart A: KRW-toestand stikstof 2024. Groen: goed, geel: matig, oranje: ontoereikend, rood: slecht.

Kaart B: KRW-toestand fosfor 2024. Groen: goed, geel: matig, oranje: ontoereikend, rood: slecht.

11

1.3 Biologie De biologische kwaliteit is opgebouwd uit de deelmaatlatten voor waterplanten, fytoplankton, macrofauna en vis. De onderstaande kaart voor de biologische toestand, toont de verschillen tussen de KRW-waterlichamen ten oosten en ten westen van de Utrechtse Heuvelrug. Over het algemeen wordt de biologische kwaliteit in het oostelijke deel iets beter beoordeeld. De meeste waterlichamen worden hier als goed of matig beoordeeld. De waterlichamen scoren in het oostelijk deel goed voor zowel waterplanten als macrofauna, terwijl een matige toestand vaak wordt veroorzaakt door de matige toestand voor vis. In het westelijke deel van Utrecht is de biologische kwaliteit minder gunstig. Op één waterlichaam na wordt overal een matige, ontoereikende, of zelfs slechte biologische kwaliteit vastgesteld. Dit komt vooral door het niet behalen van de doelen voor waterplanten. De deelmaatlatten voor macrofauna, vis en fytoplankton scoren beter. In circa de helft van de waterlichamen wordt een goede toestand bereikt voor deze maatlatten.

Kaart C: KRW-toestand biologie 2024. Groen: goed, geel: matig, oranje: ontoereikend, rood: slecht.

1.4 Gewasbeschermingsmiddelen en metalen In de provincie Utrecht zijn in het oppervlaktewater normoverschrijdingen aangetroffen voor het vlooienbestrijdingsmiddel imidacloprid, de gewasbeschermingsmiddelen lambda-cyhalotrin, heptachloor en TBT. De laatste twee behoren tot de zogenoemde ‘ubiquitaire stoffen’, die wijdverspreid en verboden zijn. Handelingsperspectief voor deze stoffen ontbreekt echter. In veel waterlichamen overschrijden de metalen arseen, kobalt, seleen, zilver en soms ook zink de norm. Momenteel vindt een landelijke studie plaats waarin wordt gekeken naar de herkomst van een aantal van deze stoffen en naar het (regionaal) voorkomen in Nederland. Daarbij wordt in beeld gebracht of het een natuurlijke of een antropogene oorsprong betreft. In het laatste geval mag in de toetsing voor een aantal metalen worden gecorrigeerd voor de natuurlijke achtergrondbelasting. Vanaf 2026 kunnen de waterschappen deze achtergrondbelasting meenemen in hun toetsing.

12

1.5 Beken We willen de oppervlakkige uit- en afspoeling vanuit de landbouw naar het oppervlaktewater via het ondiepe grondwater minimaliseren. In Utrecht gaat het om de volgende beken: Lunterse Beek, Heiligenbergerbeek, Modderbeek, Middenloop- en Benedenloop Barneveldse Beek, Esvelderbeek, Moorsterbeek en Hoevelakense Beek. De WUR heeft in opdracht van de provincies Gelderland en Utrecht en het Waterschap Vallei en Veluwe een onderzoek uitgevoerd naar de nutriëntenbelasting op de beken. Parallel aan dit onderzoek loopt een vervolgonderzoek naar de bredere KRW-opgaven in de beekdalen waarbij naast de nutriëntenbelasting ook de ecologie (hydromorfologie en temperatuur) aan bod komt. Op basis hiervan gaan we per beek bepalen welke maatregelen binnen de diverse maatregelenpakketten van het UPLG kunnen worden meegenomen en welke aanvullende maatregelen nodig zijn. Maatregelpakket 6 van het UPLG gaat specifiek over de beekdalen. In dit pakket zijn maatregelen opgenomen die bijdragen aan een zo natuurlijk mogelijk beekherstel voor beektrajecten in de Moorsterbeek, Heiligenbergerbeek, Lunterse beek en toevoerbeken. Dit gebeurt vanuit de NNN-opgave, maar de maatregelen dragen ook bij aan het halen van de KRW-doelen. De maatregelen betreffen de verwerving (rechtstreeks of via kavelruil) van stroken van 15-40 meter langs de beken om te komen tot een zo natuurlijk mogelijke beek.

Ook voor het beekdal worden maatregelen genoemd in het maatregelpakket. Deze beekdalmaatregelen moeten bijdragen aan een verbetering van de waterkwaliteit en -kwantiteit in het hele stroomgebied en zullen in samenwerking met het waterschap, de agrarische collectieven en de landbouworganisaties plaatsvinden. Een deel van deze maatregelen zal voor 2028 zijn gerealiseerd. Het deel van de maatregelen dat we niet kunnen onderbrengen binnen het UPLG adresseren we bij het waterschap of het Rijk om op te nemen in de volgende KRW-periode 2028-2033.

1.6 Bufferzones Parallel aan het bovenstaande loopt in opdracht van het Ministerie van I&W een onderzoek door de Wageningen Universiteit naar het effect van bufferzones van 100-250 meter, zoals voorgesteld in het 7e Actieprogramma Nitraatrichtlijn. De eerste resultaten uit het conceptrapport laten zien dat vernatten en het niet bemesten van brede bufferzones de uitspoeling van stikstof vermindert. Voor fosfor geldt juist dat vernatting van het perceel leidt tot het mobiel worden van fosfor waardoor de uitspoeling kan toenemen. Het rapport is nog niet definitief en vervolgonderzoek is nodig om de effectiviteit van brede bufferzones verder te onderbouwen. Als we kijken naar de resterende opgave in onze provincie, dan ligt deze vooral bij fosfor in de beken van de Gelders Vallei. Gezien het lopende vervolgonderzoek naar de effectiviteit van bufferzones, is het op dit moment niet wenselijk om deze maatregel in te zetten. Daarnaast kan het gewenste effect grotendeels worden bereikt met andere maatregelen, zoals het handhaven van de huidige (verplichte) bemestingsvrije bufferstroken en het versterken van de groenblauwe dooradering in de haarvaten. Dit vermindert de afspoeling van fosfor en stikstof en draagt bij aan het vasthouden van water in de bovenstroomse gebieden.

Indien vervolgonderzoek uitwijst dat bufferzones effectief kunnen zijn in dit gebied, volgt een verdere verkenning naar geschikte locaties, de benodigde breedte en de gevolgen voor agrariërs. Proportionaliteit, uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid blijven hierbij belangrijke afwegingen.

2. Kaderrichtlijn Water en grondwater 2.1 Inleiding Het grondwater in Utrecht is onderdeel van vier grote de provinciegrens overschrijdende grondwaterlichamen: Zand Rijn-Midden, Zand Rijn-West, Deklaag Rijn-West en Zout Rijn-West. De doelen voor het grondwater zijn gericht op: ▪ Een goede kwaliteit van het water (goede chemische toestand en geen achteruitgang); ▪ Het behoud van voldoende grondwater (goede kwantitatieve toestand). Deze doelen worden beoordeeld aan de hand van zes toetsen. Hiervan richten drie generieke toetsen zich op het niveau van het gehele grondwaterlichaam, zoals een goede waterbalans, het voldoen aan de normen voor chemische stoffen en de intrusie van zout. Daarnaast hanteren we ook drie lokale/regionale toetsen die zich richten op beschermde gebieden met functies die een relatie hebben met het grondwater, namelijk

13

grondwaterafhankelijk oppervlaktewater, grondwaterafhankelijke terrestrische natuur en water voor menselijke consumptie. Naast deze zes toetsen geldt ook een algemene inspanningsverplichting om de inbreng van verontreinigende stoffen in het grondwater te voorkomen of te beperken. Artikel 6 van de Grondwaterrichtlijn werkt dit verder uit: lidstaten moeten alle nodige maatregelen treffen om te voorkomen dat gevaarlijke stoffen in het grondwater worden ingebracht. Ook moeten lidstaten de inbreng van verontreinigende stoffen beperken. Door menselijke activiteiten wordt het grondwater in de provincie tot steeds grotere diepten verontreinigd met verschillende stoffen. Deze vervuiling komt vanuit diffuse bronnen (zoals atmosferische depositie, of via het oppervlaktewater) en puntbronnen (zoals een verontreinigde locatie). Door deze ‘vergrijzing’ van het grondwater staat de kwaliteit hiervan onder druk. Verspreid over de hele provincie worden verschillende verontreinigende stoffen in ons grondwater gemeten. Dat leert ons dat op diverse meetlocaties de normen worden overschreden. Het gaat dan om bestrijdingsmiddelen, industriële stoffen zoals PFAS en medicijnresten. Dat is niet alleen het geval in het bovenste/ondiepe grondwater, maar ook in het diepe/oude grondwater.

2.2 Generieke toetsen Zoals gezegd bestaat de generieke toets uit drie onderdelen, te weten: ▪

▪

▪

Waterbalans. Bij deze test wordt op het niveau van een grondwaterlichaam onderzocht of de wateraanvulling en -onttrekking met elkaar in balans zijn. Hiervoor wordt gekeken naar langjarige verandering van de grondwaterstanden en de waterbalans. Chemie. Deze toets beoordeelt of de EU-normen voor nitraat (50 mg/l) en bestrijdingsmiddelen (maximaal 0,1 µg/l per middel, totaal 0,5 µg/l) en de nationale drempelwaarden (Cl⁻, As, Ni, Cd, Pb, fosfaat) worden overschreden. Bij overschrijding op ≥ 20% van de peilbuisfilters volgt een ongunstig oordeel. Dit betekent dat de test negatief wordt beoordeeld als een stof in meer dan 20% van de meetpunten de norm overschrijdt. Voor bestrijdingsmiddelen moet een specifieke stof op meer dan 20% van de punten boven de norm worden gemeten om tot een negatieve beoordeling te leiden. Zoutintrusie. Met deze test bekijkt de provincie of sprake is van verzilting als gevolg van intrusie (binnendringen) van zout water.

2.3 Regionale/lokale toetsen Ook deze toets bestaat uit drie onderdelen, te weten: ▪

▪

▪

Oppervlaktewatertoets (grondwaterafhankelijke wateren). Deze toets onderzoekt of oppervlaktewaterlichamen voldoende worden gevoed door grondwater én of die grondwatervoeding de KRW-doelen voor nutriënten en metalen (N, P, Cl, Ni, Cd, Pb, As) in het oppervlaktewater belemmert. Grondwaterafhankelijke terrestrische natuur. Deze toets stelt vast of sprake is van significante schade aan grondwaterafhankelijke terrestrische ecosystemen (Natura 2000-gebieden). Voor grondwaterafhankelijke Natura 2000-gebieden kent deze test twee invalshoeken, te weten: ▪ Kwantiteit. Dat wil zeggen dat geen antropogene veranderingen optreden die significante schade aanbrengen aan de terrestrische ecosystemen die rechtstreeks afhankelijk zijn van het grondwater; ▪ Kwaliteit. Dat wil zeggen de concentraties van schadelijke stoffen zijn niet zodanig dat significante schade wordt toegebracht aan terrestrische ecosystemen die rechtstreeks afhankelijk zijn van het grondwater. Winningen voor menselijke consumptie. Het doel van deze test is om te monitoren dat de waterkwaliteit niet achteruitgaat (geen significant stijgende trends) en de zuiveringsinspanning niet wordt verhoogd voor grondwaterwinningen ten behoeve van menselijke consumptie. Hier vallen de publieke drinkwaterwinningen onder, maar ook campings met een eigen bron, of industriële onttrekkingen.

Hierbij wordt gekeken naar trends in het gemengde ruwwater per winning.

2.4 Hoe scoren de grondwaterlichamen die in provincie liggen? In onderstaande figuur is een overzicht opgenomen van de KRW toetsen voor grondwater. Geconcludeerd kan worden dat binnen de provincie Utrecht aan de generieke toetsen op het niveau van grondwaterlichamen wordt

14

voldaan. De figuur laat ook zien dat voor de regionale/ lokale toetsen nog niet wordt voldaan aan de normen. Hiervoor zijn dus nog maatregelen in uitvoering/nodig. Daarom gaan we hier per grondwaterlichaam dieper op in (zie kaart D voor de ligging van de winningen).

Figuur 1: overzicht KRW-toestand grondwaterlichamen (grijs vakje betekent niet aanwezig).

Kijken we naar de afzonderlijke grondwaterlichamen, dan zien we het volgende beeld: ▪

▪

▪

▪

Grondwaterlichaam Zout Rijn-West. Dit grondwaterlichaam scoort een onvoldoende voor de regionale toets grondwaterafhankelijke terrestrische natuur, doordat het grondwaterafhankelijke Natura 2000gebied Botshol niet in een goede toestand verkeert. Voor de andere toetsen scoort het grondwaterlichaam voldoende. Grondwaterlichaam Deklaag Rijn-West. Dit grondwaterlichaam scoort onvoldoende voor twee regionale toetsen. Voor het oordeel drinkwater scoort de winning in Lexmond onvoldoende door een stijgende trend in de drempelwaarde voor de stof Bentazon. De bron is een calamiteit in de Rijn van lang geleden bij een fabriek en vervolgens is deze stof via het oevergrondwater bij de bron aangetroffen. De volgende grondwaterafhankelijke Natura 2000-gebieden verkeren nog niet in een goede toestand: Zouweboezem, Oostelijke Vechtplassen, Kolland en Overlangbroek, Lingegebied en Diefdijk-Zuid, Nieuwkoopse Plassen en De Haeck. Van deze gebieden liggen de Oostelijke Vechtplassen deels in Noord-Holland, het Lingegebied en Diefdijk-Zuid deels in Gelderland en Zuid-Holland en de Nieuwkoopse Plassen en De Haeck deels in Zuid-Holland. Aandachtspunt in dit grondwaterlichaam is tenslotte ook de fosfaatwaarde die zich tot nu toe net onder de 20% normoverschrijdingen bevindt. Grondwaterlichaam Zand Rijn-Midden. Dit grondwaterlichaam scoort onvoldoende voor twee regionale toetsen.

Voor de deeltoets grondwaterafhankelijke terrestrische natuur scoort het Natura 2000-gebied Binnenveld onvoldoende. Daarnaast is de waterkwaliteit van de beken in de Gelderse vallei onvoldoende omdat de fosfaatverzadigde gronden via de kwel/het grondwater uitspoelen in deze beken. Dit geldt in mindere mate ook voor stikstof. Grondwaterlichaam Zand Rijn-West. Dit grondwaterlichaam scoort een onvoldoende voor het onderdeel drinkwater, omdat bij de drinkwaterwinning Zeist een stijgende trend in de drempelwaardestof Arseen wordt gemeten.

15

Kaart D: Overzicht van de drinkwaterwinningen en de bijbehorende beschermingszones en overige winningen voor menselijke consumptie (NB: de toekomstige ontwikkelingen, dus zowel de nieuwe onttrekkingen als uitbreidingen van bestaande onttrekkingen zijn hier niet op te zien)

2.5 Algemeen beeld Op de generieke toetsen scoren de grondwaterlichamen positief. Dat zorgt weer voor een positieve KRWbeoordeling van de grondwaterlichamen die deels in de provincie Utrecht liggen. Voor de lokale en regionale doelen/gebieden zijn de beoordelingen deels negatief en zijn aanvullende maatregelen nodig. De lokale en regionale toetsen tellen niet mee voor de beoordeling van het totale grondwaterlichaam. In 2025 worden de toetsen opnieuw uitgevoerd. De resultaten van de toetsen zijn eind 2025 beschikbaar. De verwachting is dat het beeld niet heel erg zal veranderen. Mogelijk zal wel de norm voor fosfaat worden overschreden in de Deklaag Rijn-West. Desondanks blijven wel grote zorgen bestaan over de grondwaterkwaliteit, met name wat betreft de chemische kwaliteit. Voor de KRW wordt op 10 en 25 meter onder het maaiveld gemeten. In het ondiepe grondwater worden veel verschillende PFAS-stoffen aangetroffen boven de indicatieve drinkwaternorm. Daarnaast worden verspreid over de hele provincie ook veel uiteenlopende bestrijdingsmiddelen boven de KRW-norm aangetroffen in het ondiepe grondwater. Grondwater is een traag systeem. Dit betekent dat de aangetroffen stoffen in het ondiepe grondwater soms pas na vele jaren op een andere plek of diepte worden gemeten.

Binnen de provincie bestaan daarom zorgen dat als gevolg hiervan de grondwaterlichamen in de provincie Utrecht op termijn alsnog een slechte beoordeling krijgen. Een achteruitgang is conform de KRW echter niet toegestaan. Het vraagt daarom nu inzet om de grondwaterlichamen - en de locaties waar water wordt gewonnen ten behoeve van de drinkwaterproductie - goed te beschermen. Daarom is het van belang dat de inbreng van verontreinigde stoffen wordt voorkomen of beperkt. Via het uitvoeringsprogramma KRW-impuls - dat nu in concept is - zetten we ons als provincie extra in voor eind 2027 - het einde van de huidige KRW-periode - de KRW-doelen te halen.

16

Bijlage IV. Natura 2000-gebieden 1. Leeswijzer Deze bijlage beschrijft de verplichtingen met betrekking tot de Natura 2000-gebieden en wat deze betekenen voor het Utrechts Programma Landelijk Gebied (UPLG). Daarbij gaan we eerst in op de juridische verplichting om te komen tot een ‘Gunstige Staat van Instandhouding’ (GSvI) van de Natura 2000-gebieden en hoe daar gehoor aan kan worden gegeven met de maatregelen uit de natuurdoelanalyses (NDA’s) en de adviezen van de Ecologische Autoriteit (EA). Vervolgens lichten we toe hoe het ‘overgangsgebied’, ofwel het gebied rondom het Natura 2000-gebied, noodzakelijk is voor het halen van de GSvI. Tot slot geven we per Natura 2000-gebied een korte samenvatting van de staat van instandhouding en de belangrijkste te nemen maatregelen.

2. Juridische status van de NDA’s en de adviezen van de EA Nederland heeft met de Europese Unie juridisch bindende resultaatsverplichtingen vastgelegd in de Vogel- en de Habitatrichtlijn (VHR). Een onderdeel van deze richtlijnen is het aanwijzen van Natura 2000-gebieden, met per Natura 2000-gebied instandhoudingsdoelen die bijdragen aan het behalen van een GSvI voor de aangewezen habitattypen en bijbehorende soorten op landelijk en Europees niveau. Per VHR-soort of habitattype is aangegeven of behoud van de huidige aantallen/arealen en kwaliteit voldoende is, of dat een uitbreiding of een verbetering nodig is. De gebieden worden beschermd en beheerd in overeenstemming met deze doelen. Lidstaten moeten vervolgens passende maatregelen nemen om een verslechtering van de habitats en een verstoring van de soorten te voorkomen, of - indien toch een verslechtering heeft plaatsgevonden - de natuur te herstellen, door zowel binnen als buiten de Natura 2000-gebieden (het effect van) drukfactoren weg te nemen. Voor de Natura 2000-gebieden geldt namelijk een verslechteringsverbod ten opzichte van het referentiejaar. Dat referentiejaar is het jaar dat het Natura 2000-gebied door de Europese Commissie op de communautaire lijst is geplaatst. Voor de meeste gebieden was dit het jaar 2000 (VR) of 2004 (HR)). In Nederland is het natuurbeleid gedecentraliseerd.

Dit betekent dat de provincies (en Rijkswaterstaat) als bevoegd gezag zorgdragen voor het behalen van de instandhoudingsdoelen in Natura 2000-gebieden. Daarvoor stellen ze onder andere de Natura 2000-beheerplannen op - een verplicht programma onder de Omgevingswet - waarin de maatregelen worden vastgelegd. Volgens de ‘Wet stikstofreductie en natuurverbetering’ (Wsn, 2021) moet inzicht worden gegeven in welke maatregelen nog nodig zijn om verslechtering tegen te gaan en aan de doelstellingen voor de Natura 2000gebieden te voldoen. Daarom zijn landelijk voor alle stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden natuurdoelanalyses (NDA’s) opgesteld. De NDA’s zijn onafhankelijk beoordeeld door de EA. Daarbij geeft de EA gevraagd en ongevraagd advies, bijvoorbeeld over extra maatregelen die nog niet zijn genoemd in de NDA’s. Kennisleemten in de NDA’s. De NDA’s en de adviezen van de EA geven ook aan wanneer informatie ontbreekt. Dit gaat met name over enkele a-biotische monitoringsgegevens, of hoe de natuur in de gebieden er exact op de referentiedatum (of eerder) bijstond. Ook geeft de EA aan wanneer sommige conclusies in de NDA’s onvoldoende navolgbaar zijn, wanneer informatie verouderd zou zijn, of welke een vervolgonderzoek vereisen voordat kan worden overgegaan tot uitvoering.

De maatregelen uit de NDA en de adviezen van de EA bevatten daarom ook onderzoeksmaatregelen om deze kennisleemtes op te vullen. Uit deze onderzoeken kunnen nieuwe maatregelen volgen. De voortgang van de instandhoudingsdoelen zal per Natura 2000 gebied worden opgenomen in kennis- en monitoringsprogramma's. Tegelijkertijd geeft de EA nadrukkelijk aan dat de momenteel beschikbare gegevens voldoende richting geven voor het uitwerken van maatregelen die urgent moeten worden uitgevoerd.

17

De uitkomsten van de NDA’s en de adviezen van de EA zijn, op basis van het voorzorgbeginsel van de Omgevingswet, niet vrijblijvend. Samen geven ze een totaalpakket aan maatregelen dat - op basis van de meest recente wetenschappelijke inzichten - moet worden genomen om aan de resultaatverplichtingen van de VHR voor Natura 2000-gebieden te voldoen. Daarbij zijn de bevoegde gezagen verplicht om de maatregelen die verslechtering tegengaan zonder uitstel uit te voeren. In veel gevallen zijn de maatregelen om het eco(hydro)logische systeem te herstellen op hoofdlijnen al een tijd bekend in de gebieden en zijn soms in het verleden ook al bestuurlijke keuzes en gebiedsafspraken gemaakt. De NDA’s en de adviezen van de EA maken helaas duidelijk dat de besluiten die uit deze gebiedsprocessen zijn voortgekomen vaak niet (voldoende) hebben geleid tot het wegnemen van de kritische drukfactoren. Een wezenlijk verschil met de eerder doorlopen gebiedsprocessen is dan ook de constatering van een (niet uit te sluiten) verslechtering van onze Natura 2000-gebieden. Dit heeft tot het gevolg dat zich steeds vaker jurisprudentie voordoet waaruit beperkingen naar voren komen, hierdoor is vergunningverlening op veel plekken ernstig gehinderd. Dit maakt de Natura 2000-opgave urgenter dan ooit tevoren. Natuurherstel is dan ook dé sleutel om weer van het slot te komen.

Zo kan de stikstofruimte voor het gehele landelijk gebied pas ontstaan nadat eerst bronmaatregelen worden genomen om stikstof drastisch te reduceren nabij de Natura 2000-gebieden.

3. Overgangsgebieden Het gebied rondom Natura 2000-gebieden dat nodig is voor het behalen van de instandhoudingsdoelen noemen we het ‘overgangsgebied’. Hier moet het gebruik en de inrichting integraal zijn afgestemd op het behalen van de instandhoudingsdoelen. Dit stelt harde randvoorwaarden aan de activiteiten en de ontwikkelingen in de overgangsgebieden. In het overgangsgebied is hierdoor vaak meer ruimte voor een natuurlijk systeem ter ondersteuning van het Natura 2000-gebied dan nu het geval is. In de overgangsgebieden staan vier soorten maatregelen centraal: 1. Stikstofreductie (zie Bijlage VII Stikstof) Emissiebronnen die in de directe nabijheid van Natura 2000-gebieden liggen, hebben een groter effect op de natuur dan bronnen die verder weg liggen. Maatregelen voor emissiereductie dichtbij Natura 2000-gebieden zijn dus het meest effectief. a. Stikstofzone Emissies uit mestaanwending (het uitrijden en verspreiden van mest op landbouwgrond) dragen relatief veel bij aan de depositie op de nabijgelegen stikstofgevoelige habitats. Bij veel van onze Natura 2000-gebieden wordt nog (te) veel mest uitgereden tot aan de Natura 2000-grens. In enkele gevallen is daar zelfs nog sprake van binnen het Natura 2000-gebied.

Met het aanwijzen van een zone rondom stikstofgevoelige Natura 2000gebieden waarbinnen beperkingen voor mestaanwending gelden, kunnen veldemissies vergaand worden teruggedrongen. Hoe verder we de depositie terugdringen, hoe meer we de kans op natuurherstel kunnen versnellen en hoe meer ruimte er ontstaat voor vergunningverlening. Bovendien zorgt deze maatregel er ook voor dat de juiste (stikstof)condities ontstaan op andere locaties binnen de Natura 2000-begrenzing waar invulling kan worden gegeven aan de opgave om een aantal stikstofgevoelige habitattypen in areaal te laten uitbreiden of te herstellen. Als laatste brengt het instellen van stikstofzone een extensivering op gang rondom het Natura 2000-gebied dat bijdraagt aan het verminderen van randeffecten: verstoring door ander gebruik op naastgelegen percelen zoals de uitspoeling van nutriënten naar het grond- en oppervlaktewater. b. Gebiedsgericht maatwerk Voor een aantal zeer stikstofgevoelige en slecht herstelbare habitattypen is meer nodig om onder de KDW te komen dan alleen het instellen van een stikstofzone en het nemen van maatregelen voor het reduceren van de stikstofdeken. Dit vanwege de omvang van de stallen, of de afstand van de stallen tot de stikstofgevoelige natuur. Via een maatwerkaanpak willen we de stalemissies van bedrijven met een groot aandeel in de

18

stikstofdepositie op het nabijgelegen Natura 2000-gebied nog verder te reduceren. Dit kan bijvoorbeeld ook door verplaatsing van het bedrijf, of ondersteuning bij bedrijfsbeëindiging. 2. Hydrologische maatregelen voor systeemherstel en het verbeteren van de waterkwaliteit Voor aquatische systemen zijn met name de peildynamiek en de waterkwaliteit de belangrijkste stuurfactoren. In het algemeen is de conclusie uit de NDA’s en het advies van de EA dat de hydrologische condities in de Utrechtse natuur sterk onder druk staan. Dat heeft met name te maken met de afname van kwel, te grote wegzijging en/of verslechtering van de oppervlaktewaterkwaliteit. Voor veel gebieden zal moeten worden gewerkt aan systeemherstel om deze condities te optimaliseren. Daarbij moet meer aandacht worden besteed aan de natuurlijke systemen en is het belangrijk rekening te houden met toekomstige veranderingen in het watersysteem en klimaateffecten. In de overgangsgebieden kan worden gedacht aan maatregelen als: a. b. c. d.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16534461/1