1428667 Zesde wijziging Algemene Plaatselijke Verordening Baarn 2019 bijlage 1 Zesde wijziging APV incl. wijzigingen bijhouden (was-wordt) (OUD)
Tekst van het document
ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING BAARN 2019 De raad van de gemeente Baarn; gelezen het voorstel van college van burgemeester en wethouders van 13 januari 2026 6 februari 2024 gelet op artikel 149 van de Gemeentewet;
besluit •
vast te stellen de vijfde wijziging van de Algemene plaatselijke verordening Baarn 2019:
Vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Baarn op 25 februari 2026 27 maart 2024. Dit besluit is gepubliceerd op 26 februari 2026 28 maart 2024 en treedt in werking op 28 februari 2026 29 maart 2024.
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Artikel 1:1 Definities In deze verordening wordt verstaan onder: -
bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de
Wegenverkeerswet 1994; -
beperkingengebiedactiviteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de
Omgevingswet; -
bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een
omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet; -
bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;
-
bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e van de
Wegenverkeerswet 1994; -
college: het college van burgemeester en wethouders van Baarn;
-
deelvoertuig: een publiek toegankelijk (elektrisch) voertuig, niet zijnde een (elektrische) auto, dat
bedrijfsmatig op een openbare plaats wordt aangeboden door een commerciële aanbieder;
-
gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet bijlage I bij
het Besluit bouwwerken leefomgeving; -
handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd
wordt een commercieel belang te dienen; -
motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en
verkeerstekens 1990; -
openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn;
-
openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties;
-
rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt
recht of persoonlijk recht; -
voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en
verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens en kinderwagens, en rolstoelen; -
weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet
1994.
Artikel 1:2 Beslistermijn 1.
Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag.
2.
Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verlengen.
3.
Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning.
Artikel 1:3 [vervallen]
Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen 1.
Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.
2.
Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.
3.
Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.
Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing 1.
De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.
Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing 1.
De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als:
a.
ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;
b.
op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten die zijn opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;
c.
de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;
d.
van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of
e.
de houder dit verzoekt.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.
Artikel 1:7 Termijnen 1.
De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.
2.
De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft.
Artikel 1:8 Weigeringsgronden 1.
Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van:
a.
de openbare orde;
b.
de openbare veiligheid;
c.
de volksgezondheid;
d.
de bescherming van het milieu.
2.
Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.
HOOFDSTUK 2 OPENBARE ORDE EN VEILIGHEID, VOLKSGEZONDHEID EN MILIEU
Afdeling 1 Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden
Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden 1.
Het is verboden op een openbare plaats of in een voor het publiek toegankelijk gebouw op enigerlei wijze de orde te verstoren, zich hinderlijk te gedragen, personen lastig te vallen, te vechten, deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden.
2.
Degene die op een openbare plaats
a.
aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan;
b.
aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of
c.
zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing; is verplicht op bevel van een toezichthouder de weg van diegene te vervolgen of zich in de door de toezichthouder aangewezen richting te verwijderen.
3.
Het is verboden zich te begeven naar of zich te bevinden op openbare plaatsen die door of vanwege het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet of afgesloten.
4.
De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het derde lid.
5.
Dit artikel is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.
6.
Het is verboden om in het geval van wanordelijkheden of indien er ernstig gevaar voor het ontstaan daarvan dreigt, op de in het eerste lid bedoelde openbare plaatsen of in de in dat lid bedoelde gebouwen een voorwerp of stof, kennelijk meegebracht om de orde te verstoren, bij zich te hebben.
7.
Het is verboden een voorwerp dat door het bevoegde gezag ter afzetting of afsluiting van een openbare plaats of gebouw als bedoeld in het derde lid is aangebracht, te verplaatsen, te verwijderen of omver te halen.
8.
De verboden in dit artikel gelden niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 2:2 Betreden van afzettingen Het is verboden zich te begeven op terreinen, wegen of weggedeelten die door het bevoegde bestuursorgaan zijn afgezet vanwege de openbare orde of veiligheid, de verkeersveiligheid of een ander algemeen belang.
Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen 1.
Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan vóór de openbare aankondiging en ten minste achtenveertig uren voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester.
2.
De kennisgeving bevat:
a.
naam en adres van degene die de betoging houdt;
b.
het doel van de betoging;
c.
de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging;
d.
de plaats en, voor zover van toepassing, de route;
e.
voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; en
f.
maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.
3.
Degene die de kennisgeving doet ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.
4.
Als het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk op de werkdag die aan de dag van dat tijdstip voorafgaat vóór 12.00 uur.
5.
De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een kennisgeving in behandeling nemen buiten deze termijn.
Artikel 2:4 [vervallen]
Artikel 2:5 [vervallen]
Artikel 2:6 Verspreiden geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen 1.
Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden op door het college aangewezen openbare plaatsen.
2.
Het is verboden handelsreclame in de vorm van gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden.
3.
Het college kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren.
4.
Het verbod is niet van toepassing op het huis-aan-huis verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen.
5.
Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
6.
Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 2:7 [vervallen]
Artikel 2:8 Maken van filmopnamen 1.
Het is verboden zonder vergunning op een openbare plaats een filmopname te maken voor andere dan privédoeleinden.
2.
Het is verboden zonder vergunning op een niet openbare plaats een filmopname te maken voor andere dan privédoeleinden indien dit de openbare orde en veiligheid aantast.
3.
Geen vergunning voor het maken van filmopnamen is vereist als: a.
de opnamen plaatsvinden tussen 08.00 uur en 22.00 uur;
b.
wordt gewerkt met maximaal 12 personen aanwezig op de set (film- en opnamecrew) en drie
camera’s vanaf de schouder of op statief; c.
geen objecten op de rijbaan of fietspad worden geplaatst;
d.
voetgangers niet worden gehinderd en maximaal zes attributen (elk maximaal 1m2, geen
voertuigen) op het voor voetgangers bedoelde deel van de weg worden geplaatst; e.
geen omleidingen of afzettingen worden geplaatst;
f.
maximaal 5 parkeerplaatsen worden afgezet (gereserveerd), niet zijnde blauwe zones, waarbij
niet meer dan de helft van het aantal beschikbare parkeerplaatsen in de straat wordt gebruikt; g. parkeerplaatsen alleen worden gebruikt door auto’s en busjes die noodzakelijk zijn voor de opname en elk een normale parkeerplaats innemen; h.
geen geweldsscènes of scènes met speciale effecten plaatsvinden;
i.
niet meer dan twee aaneengesloten dagen wordt gefilmd.
j.
de organisator ten minste vier weken voorafgaand aan de opnamen daarvan melding heeft
gedaan aan het college met een door deze vastgesteld meldingsformulier. 4.
Indien binnen één week na ontvangst van het meldingsformulier door het college geen tegenbericht is verzonden, kunnen de opnamen - zoals gemeld - plaatsvinden.
5.
Het college kan binnen één week na ontvangst van de melding besluiten filmopnamen te verbieden, indien er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.
6.
Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op het eerste lid.
Artikel 2:9 Vertoningen op openbare plaatsen 1.
Het is verboden voor publiek als straatartiest, straatfotograaf of tekenaar op te treden op door de burgemeester in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu aangewezen openbare plaatsen.
2.
De burgemeester kan het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren.
3.
De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod.
4.
Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Afdeling 2 Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen
Artikel 2:10 [vervallen]
Artikel 2:11 [vervallen]
Artikel 2:12 [vervallen]
Artikel 2:13 [vervallen]
Artikel 2:14 Winkelwagentjes 1.
Een winkelier die winkelwagentjes ter beschikking stelt is verplicht deze
a.
te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken, en
b.
terstond te verwijderen of te doen verwijderen uit de omgeving van dat bedrijf, indien deze op een plek staan anders dan op een door de rechthebbende aangewezen plaats voor winkelwagentjes.
2.
Het is verboden een winkelwagentje na gebruik onbeheerd op een openbare plaats achter te laten.
3.
Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet.
Artikel 2:15 [vervallen]
Artikel 2:16 [vervallen]
Artikel 2:17 [vervallen]
Artikel 2:18 [vervallen]
Artikel 2:19 [vervallen]
Artikel 2:20 [vervallen]
Artikel 2:21 [vervallen]
Artikel 2:22 [vervallen]
Artikel 2:23 [vervallen]
Afdeling 3 Evenementen
Artikel 2:24 Definities 1.
In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:
a.
bioscoop- en theatervoorstellingen;
b.
markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet en artikel 5:22;
c.
kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;
d.
het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen;
e.
betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;
f.
activiteiten als bedoeld in de artikelen 2:8, 2:9 en 2:39.
g.
sportwedstrijden, niet zijnde vechtsportevenementen, als bedoeld in het tweede lid, onder f.
2.
Onder evenement wordt mede verstaan:
a.
een herdenkingsplechtigheid;
b.
een braderie;
c.
een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3;
d.
een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg;
e.
een straatfeest of buurtbarbecue;
f.
sportevenementen in gebouwen, zoals free fight gala’s, kooigevechten of daarmee gelijk te stellen activiteiten, uitgezonderd sportwedstrijden en – toernooien georganiseerd onder auspiciën van een bij de NOC*NSF aangesloten sportbond.
3.
In deze afdeling wordt onder klein evenement verstaan een eendaags evenement waarbij:
a.
het totaal aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan honderdvijftig personen;
b.
de activiteiten plaatsvinden tussen 07.00 en 23.00 uur;
c.
geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 07.00 uur of na 23.00 uur, dan wel in dit tijdsbestek het maximaal toelaatbare geluidsniveau van 50 dB(A) tussen 07.00 en19.00 uur of 45 dB(A) tussen 19.00 en 23.00 uur op de gevels van omringende woningen niet wordt overschreden;
d.
de activiteiten niet plaatsvinden op de rijbaan, (brom)fietspad of parkeerplaats of anderszins een belemmering vormen voor het verkeer en de hulpdiensten; en
e.
slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan tien vierkante meter per object.;
f.
geen eten, (alcoholhoudende) drank of andere goederen worden verkocht.
Artikel 2:25 Evenementenvergunning 1.
Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.
2.
Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd voor zover voor het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2:1, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen.
3.
Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, als de organisator ten minste drie weken voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester.
4.
De burgemeester kan binnen tien dagen na ontvangst van de melding besluiten een klein evenement te verbieden, als er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.
5.
Het verbod is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin voorzien wordt door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet 1994.
6.
Het derde lid is niet van toepassing op een krachtens artikel 2:24, tweede lid, aanhef en onder f, aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s.
7.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning voor een vechtsportevenement als bedoeld in artikel 2:24, tweede lid, aanhef en onder f, weigeren als de organisator of de aanvrager van de vergunning in enig opzicht van slecht levensgedrag is.
8.
Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
9.
De burgemeester kan nadere regels stellen.
Artikel 2:25a Bijzondere weigeringsgronden evenementenvergunning Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning weigeren als naar het oordeel van de burgemeester: a.
het evenement gevaar oplevert voor de openbare orde, de gezondheid, de veiligheid, de brandveiligheid of voor het ontstaan van wanordelijkheden;
b.
een onevenredig groot aantal bezoekers te verwachten is;
c.
het evenement zich niet verdraagt met het karakter of de bestemming van de plaats waar het evenement wordt gehouden;
d.
het evenement een onevenredig groot beslag legt op de beschikbare ruimte of tijd dan wel de inzet van hulpdiensten;
e.
het evenement een belemmering vormt voor het verkeer;
f.
van het evenement een onevenredige belasting voor het woon- of leefklimaat in de omgeving te verwachten is;
g.
het evenement verontreiniging tot gevolg heeft, afbreuk doet aan het uiterlijk aanzien van de omgeving dan wel schade toebrengt aan groenvoorzieningen of voorzieningen van openbaar nut;
h.
de organisator onvoldoende waarborgen biedt voor een goed verloop van het evenement, gelet op de hiervoor genoemde belangen of
i.
de organisator onvoldoende waarborgen biedt om schade aan het milieu als gevolg van het evenement te voorkomen of te beperken.
Artikel 2:26 Ordeverstoring 1.
Het is verboden bij evenementen onnodig op te dringen, door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden of deze te veroorzaken.
2.
Het is verboden bij evenementen messen, knuppels, slagwapens of andere voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt, op zodanige wijze mee te voeren dat de openbare orde of veiligheid in gevaar komt of kan komen.
3.
Het in het vierde lid gestelde verbod geldt niet voor wapens die behoren tot de categorie I, II, III en IV Wet wapens en munitie.
4.
Een ieder is verplicht bij evenementen alle aanwijzingen van ambtenaren van politie, brandweer en gemeentelijk toezichthouders in het belang van de openbare orde of veiligheid terstond en stipt op te volgen.
Afdeling 4 Toezicht op openbare inrichtingen
Artikel 2:27 Definities In deze afdeling wordt verstaan onder: a.
openbare inrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie – al dan niet ter plaatse - worden bereid of verstrekt. Onder een openbare inrichting wordt in ieder geval verstaan: een hotel, restaurant, pension, café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis, clubhuis, fastfood- en maaltijd- afhaalpunten of bezorging;
b.
terras: een buiten de besloten ruimte van de inrichting liggend deel van de openbare inrichting waar zitgelegenheid wordt geboden en waar tegen vergoeding dranken worden geschonken of spijzen voor directe consumptie worden bereid, verstrekt of genuttigd;
c.
exploitant: natuurlijke persoon of rechtspersoon voor wiens rekening en risico een openbare inrichting wordt geëxploiteerd op grond van het bepaalde in artikel 2:28;
d.
leidinggevende: de natuurlijke persoon, die algemene leiding of onmiddellijke leiding geeft aan de openbare inrichting alsmede de bestuurder van een rechtspersoon voor wiens rekening en risico de openbare inrichting wordt geëxploiteerd.
Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting 1.
Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.
2.
Het is verboden de aard van de openbare inrichting te wijzigen zonder een daartoe strekkende vergunning van de burgemeester.
3.
In afwijking van artikel 1:7 wordt een exploitatievergunning verleend voor de duur van vijf jaar, tenzij bij de vergunning anders is bepaald.
4.
Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een: a. winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit; b. zorginstelling; c. museum; d. school; of e. bedrijfskantine of -restaurant.
5.
In afwijking van het bepaalde in het omgevingsplan beslist de burgemeester in geval van een vergunningaanvraag die ook betrekking heeft op een of meer bij de openbare inrichting behorende terrassen voor zover deze zich op de weg bevinden over ingebruikneming van die weg ten behoeve van het terras.
6.
Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning en de vrijstelling.
Artikel 2:28a Indieningsvereisten 1.
De aanvraag om een vergunning voor het exploiteren van een openbare inrichting geschiedt door middel van een door de burgemeester vastgesteld formulier.
2.
In de aanvraag om vergunning wordt in ieder geval vermeld dan wel bijgevoegd: a. een schriftelijk stuk waaruit de juridische relatie van de exploitant met het desbetreffende perceel tot uitdrukking komt, zoals een huurovereenkomst, pachtovereenkomst of eigendomsbewijs; b. een ondernemingsplan met informatie over de aard van het horecabedrijf, de exploitatievorm, en de beoogde doelgroep en waaruit blijkt welke maatregelen worden genomen om overlast in en voor de omgeving tegen te gaan; c. schriftelijke bescheiden, waaronder een verklaring van de Belastingdienst, waaruit blijkt dat de exploitatie op deugdelijke wijze zal plaatsvinden en deugdelijk is gefinancierd; d. een recente (maximaal drie maanden oude) verklaring omtrent het gedrag; e. een op grond van de wet Bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (wet BIBOB) vastgesteld en volledig ingevuld vragenformulier met de daarbij behorende bijlagen en bescheiden; f. indien de aanvraag een terras betreft, een locatietekening met afmetingen.
3.
Indien de burgemeester dat voor de beoordeling van de aanvraag nodig acht kan de burgemeester de overlegging van aanvullende documenten en gegevens verzoeken.
Artikel 2.28b Buiten behandeling laten vergunningaanvraag De burgemeester laat de aanvraag om vergunning buiten behandeling als de aanvraag niet voldoet aan de in artikel 2.28a gestelde indieningsvereisten.
Artikel 2:28c Weigeringsgronden 1.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 weigert de burgemeester de vergunning als: a. de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan of als er voor de exploitatie van de openbare inrichting een onherroepelijke vergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit nodig is en die niet is verleend; b. de exploitant en/of de leidinggevende van een openbare inrichting onder curatele of bewind staan; c. de exploitant en/of leidinggevende van een openbare inrichting de leeftijd van eenentwintig niet heeft bereikt of, bij bedrijven waar uitsluitend etenswaren en niet alcoholhoudende dranken worden verstrekt, indien de exploitant en/of leidinggevende van een openbare inrichting de leeftijd van achttien niet heeft bereikt; d. de exploitant en/of leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is.
2.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, als: a. naar het oordeel van de burgemeester moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; b. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; De burgemeester kan de vergunning voorts weigeren dan wel onverminderd het bepaalde in artikel 1.6 intrekken in het geval en onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 3 van de Wet BIBOB.
3.
Onverminderd het gestelde in het eerste en tweede lid kan de burgemeester de in artikel 2.28 vijfde lid bedoelde ingebruikneming van die weg ten behoeve van een of meer bij de inrichting behorende terrassen weigeren als: a. het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan; b. dat gebruik een belemmering kan worden voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg.
Artikel 2.28d Intrekkingsgronden 1.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 wordt een exploitatievergunning ingetrokken als: a. de vergunning is verleend op grond van door de exploitant verstrekte onjuiste of onvolledige informatie en een ander besluit op de aanvraag zou zijn genomen indien bij het nemen daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest; b. een exploitant/leidinggevende niet langer voldoet aan de eisen, zoals die zijn vermeld in artikel 2:28c, eerste lid; c. zich in of in de nabijheid van de openbare inrichting feiten hebben voorgedaan, die - naar het
oordeel van de burgemeester – de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar zou opleveren voor de openbare orde, de veiligheid, de volksgezondheid, het woon- en leefklimaat of de zedelijkheid; d. voor de exploitatie van een openbare inrichting tevens een vergunning op basis van de Alcoholwet is vereist en deze vergunning is ingetrokken. 2.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan een exploitatievergunning ingetrokken worden: a. als is of wordt gehandeld in strijd met de verleende vergunning en/of de daaraan verbonden voorschriften; b. als niet langer wordt voldaan aan de eisen die bij of krachtens deze verordening zijn bepaald; c. als in een openbare inrichting de functie van leidinggevende wordt uitgeoefend door een persoon, die niet op de vergunning met betrekking tot dat bedrijf als zodanig is vermeld; d. op verzoek van de exploitant.
3.
Ten aanzien van openbare inrichtingen waarvan de exploitatievergunningen ingevolge het eerste lid onder c wordt ingetrokken kan tevens worden bepaald dat een exploitatievergunning voor de desbetreffende locatie gedurende een bepaalde termijn van maximaal vijf jaar zal worden geweigerd.
Artikel 2:28e Vervallen vergunning De exploitatievergunning vervalt wanneer: a.
de exploitatie van de openbare inrichting feitelijk is beëindigd of (gedeeltelijk) is overgedragen;
b.
zes maanden zijn verlopen na het onherroepelijk worden van de exploitatievergunning, zonder dat van deze vergunning gebruik is gemaakt;
c.
gedurende één jaar anders dan wegens overmacht geen gebruik is gemaakt van de exploitatievergunning.
Artikel 2:29 Sluitingstijd 1.
Openbare inrichtingen zijn gesloten
a.
op maandag tot en met vrijdag tussen 00.00 uur en 07.00 uur, en
b.
op zaterdag en zondag tussen 01.00 uur en 07.00 uur.
2.
Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na sluitingstijd.
3.
Het is de exploitant verboden het bij een openbare inrichting behorend terras voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers op dat terras te laten verblijven tussen:
a.
0.00 uur en 07.00 uur van de daarop volgende dag; of
b.
01.00 uur en 07.00 uur op zaterdag of zondag wanneer de dagtemperatuur op respectievelijk vrijdag of zaterdag 25 graden Celsius is of hoger.
4.
De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd.
5.
Voor een openbare inrichting, zijnde een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit, gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel.
6.
Het eerste en het derde lid zijn niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Omgevingswet is voorzien.
7.
Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting 1.
De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet.
Artikel 2:31 Verboden gedragingen Het is verboden in een openbare inrichting: a.
de orde te verstoren;
b.
zich te bevinden na sluitingstijd, tenzij het personeel betreft, of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:30, eerste lid;
c.
op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen, die geen gebruik maken van het terras;
d.
dranken en eetwaren voor directe consumptie ter plaatse te verstrekken, of te doen verstrekken, buiten dat deel van de weg dat volgens de vergunning als terras mag worden geëxploiteerd;
e.
bezoekers te hebben, indien niet in deze inrichting aanwezig is: - een leidinggevende, die als zodanig op (het aanhangsel bij) de vergunning staat vermeld, dan wel - een persoon, wiens bijschrijving op grond van artikel 2:31a is gemeld en de ontvangst van die melding is bevestigd, zolang niet op die melding is beslist.
Artikel 2:31a Melden leidinggevende 1.
De vergunninghouder meldt aan de burgemeester welke persoon de vergunninghouder verzoekt als leidinggevende bij te schrijven.
2.
De ontvangst van de melding wordt onverwijld bevestigd.
3.
Direct na bevestiging van ontvangst van de melding mag de leidinggevende als zodanig werkzaam zijn.
Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen
1.
In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
2.
De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enig andere wijze overdraagt.
De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar, aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, of een voor de exploitant handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt.
Artikel 2:33 Het college als bevoegd bestuursorgaan Als een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van de artikelen 2:28 tot en met 2:30 op als bevoegd bestuursorgaan.
Artikel 2:34 [vervallen]
Afdeling 5 Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit Alcoholwet
Artikel 2:34a Definities In deze afdeling wordt verstaan onder: - alcoholhoudende drank, - horecabedrijf, - horecalokaliteit, - inrichting, - paracommerciële rechtspersoon, dat wat daaronder wordt verstaan in de Alcoholwet.
Artikel 2:34b Regulering paracommerciële rechtspersonen
1.
Een paracommerciële rechtspersoon die zich (voornamelijk) richt op het organiseren van activiteiten van sportieve aard, categorie buitensport, kan uitsluitend alcoholhoudende drank verstrekken op: Het is verboden in paracommerciële inrichtingen, die zich voornamelijk richten op het organiseren van activiteiten van sportieve aard, alcoholhoudende drank te verstrekken buiten de in onderstaand schema opgenomen schenktijden:
2.
o
Maandag tot en met vrijdag 19.00 uur tot 24.00 uur,
o
Zaterdag 13.00 tot 21.00 uur,
o
Zon- en feestdagen 13.00 uur tot 19.00 uur.
Een paracommerciële rechtspersoon die zich (voornamelijk) richt op het organiseren van activiteiten van sportieve aard, categorie binnensport, kan uitsluitend alcoholhoudende drank verstrekken op:
3.
o
Maandag tot en met vrijdag 16.00 uur tot 24.00 uur,
o
Zaterdag 13.00 tot 21.00 uur,
o
Zon- en feestdagen 13.00 uur tot 19.00 uur.
Het is verboden in paracommerciële inrichtingen, die zich voornamelijk richten op het organiseren van sociale activiteiten, alcoholhoudende drank te verstrekken buiten de in onderstaand schema opgenomen schenktijden:
4.
o
Maandag tot en met vrijdag 13.00 uur tot 24.00 uur,
o
Zaterdag, zon- en feestdagen 13.00 uur tot 22.00 uur.
Een paracommerciële rechtspersoon die zich (voornamelijk) richt op het organiseren van activiteiten van culturele aard kan uitsluitend alcoholhoudende drank verstrekken op: o
5.
Maandag tot zondag vanaf 13.00 uur tot 23.00 uur;
De burgemeester kan ontheffing verlenen van de schenktijden van alcohol als bedoeld in de leden 1 en 2 tot een maximum van zes per kalenderjaar per paracommerciële rechtspersoon.
6.
Ter voorkoming van oneerlijke mededinging is het verboden in een paracommerciële inrichting alcoholhoudende drank te verstrekken:
a.
tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard, zoals bruiloften en partijen, of
b.
tijdens bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de beherende paracommerciële rechtspersoon zijn betrokken.
7.
De burgemeester kan ontheffing verlenen voor bijeenkomsten als bedoeld in lid 4 onder a. en b. tot een maximum van drie per kalenderjaar per paracommerciële rechtspersoon.
Artikel 2:34c Verbod ‘happy hours” of prijsacties 1.
Ter bescherming van de volksgezondheid en in het belang van de openbare orde is het verboden bedrijfsmatig of anders dan gratis alcoholhoudende dranken te verstrekken voor gebruik ter
plaatse tegen een prijs die voor een periode van 24 uur of korter lager is dan 60% van de prijs die in de betreffende lokaliteit of op het betreffende terras gewoonlijk wordt gevraagd. 2.
Ter bescherming van de volksgezondheid en in het belang van de openbare orde is het verboden bedrijfsmatig of anders dan gratis alcoholhoudende dranken aan te bieden voor gebruik elders dan ter plaatse tegen een prijs die voor een periode van één week of korter lager is dan 60% van de prijs die in het betreffende verkooppunt gewoonlijk wordt gevraagd.
Artikel 2:34d Proeverijen in slijtlokaliteiten 1.
Slijtersbedrijven zijn vrijgesteld van het in artikel 3, eerste lid, en het in artikel 14, eerste lid, van de Alcoholwet vervatte verbod, ten behoeve van het tegen betaling organiseren van een proeverij in hun slijtlokaliteit.
2.
De vrijstelling geldt buiten de dagen en tijden dat de slijtlokaliteit bij of krachtens de Winkeltijdenwet regulier is opengesteld.
Afdeling 6 Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Artikel 2:35 Definitie In deze afdeling wordt onder inrichting: verstaan elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft.
Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht daarvan binnen drie dagen daarna daarvan schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester.
Artikel 2:37 [vervallen]
Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, woonplaats, betrekking, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken.
Afdeling 7 Toezicht op speelgelegenheden
Artikel 2:38a Definities 1.
In deze afdeling wordt onder speelgelegenheid verstaan een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren.
2.
In deze afdeling voorkomende begrippen die in de Wet op de kansspelen zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in die wet.
Artikel 2:39 Speelgelegenheden 1.
Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren.
2.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet op de kansspelen.
3.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning als:
a.
naar het oordeel van de burgemeester moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of
b.
de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met het omgevingsplan.
4.
Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:40 Kansspelautomaten 1.
In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee kansspelautomaten toegestaan.
2.
In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan.
Afdeling 8 Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade
Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal 1.
Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.
2.
Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.
3.
Deze verboden zijn niet van toepassing op personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal of een daarbij behorend erf wegens dringende reden noodzakelijk is.
Artikel 2:42 Plakken en kladden 1.
Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende of roerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.
2.
Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende of roerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is:
a.
een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;
b.
met kalk, teer of een kleur of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.
3.
Het verbod, bedoeld in het tweede lid, is niet van toepassing voor zover gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.
4.
De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage te geven.
5.
Het college wijst aanplakborden aan voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.
6.
Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.
7.
Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud daarvan.
Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap en dergelijke 1.
Het is verboden op de weg of openbaar water enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur of verfstof of verfgereedschap te vervoeren of bij zich te hebben.
2.
Het verbod is niet van toepassing als de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:42.
Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen 1.
Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben.
2.
Het verbod is niet van toepassing als de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.
Artikel 2:44A Vervoer geprepareerde voorwerpen 1.
Het is verboden op de weg of in de nabijheid van winkels te vervoeren of bij zich te hebben een voorwerp dat er kennelijk toe is uitgerust om het plegen van (winkel)diefstal te vergemakkelijken.
2.
Het verbod is niet van toepassing als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het voorwerp niet bestemd is voor de bedoelde handelingen.
Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen en dergelijke 1.
Het is verboden zonder ontheffing van het college zich te bevinden in of op bij de gemeente in onderhoud zijnde parken, wandelplaatsen, plantsoenen, groenstroken of grasperken, buiten de daarin gelegen wegen of paden.
2.
Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht.
Artikel 2:46 Rijden over bermen en dergelijke 1.
Het is verboden met voertuigen die niet voorzien zijn van rubberbanden te rijden over de berm, de glooiing of de zijkant van een weg, tenzij dit door de omstandigheden redelijkerwijs wordt vereist.
2.
Dit verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening.
Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen 1.
Het is verboden op een openbare plaats:
a.
te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hek, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair;
b.
zich op te houden op een wijze die voor andere gebruikers of omwonenden onnodig overlast of hinder veroorzaakt.
2.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de artikelen 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 2:48 Verboden drankgebruik 1.
Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.
2.
Het verbod is niet van toepassing op:
a.
een terras dat behoort bij een horecabedrijf als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet; en
b.
een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet.
3.
Het is verboden op openbare plaatsen en op of aan het openbaar water of in een voor publiek toegankelijk gebouw alcoholhoudende drank te nuttigen als dit gepaard gaat met gedrag dat de openbare orde verstoort, het woon- en leefklimaat aantast of anderszins overlast veroorzaakt.
Artikel 2:48A Kunststof drinkgerei De burgemeester kan, in het belang van de openbare orde, openbare veiligheid of in het geval van bijzondere omstandigheden, voor de gehele gemeente dan wel voor een of meer horecabedrijven en openbare plaatsen tijdelijk het gebruik van drinkgerei en flessen, bedoeld voor gebruik ter plaatse, anders dan van kunststof materiaal verbieden.
Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen 1.
Het is verboden zonder redelijk doel:
a.
zich in een portiek of poort op te houden;
b.
in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.
2.
Het is voor anderen dan bewoners of gebruikers van een flatgebouw, appartementsgebouw of een soortgelijke meergezinswoning of van een gebouw dat voor publiek toegankelijk is, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw.
Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten Het is verboden zich zonder redelijk doel en op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze ruimten worden in elk geval verstaan: portalen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen.
Artikel 2:50a Messen en andere voorwerpen als wapen 1.
Het is verboden op de weg of in voor publiek toegankelijke gebouwen messen of andere voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt, bij zich te hebben.
2.
Het verbod geldt niet met betrekking tot voorwerpen die zodanig zijn ingepakt, dat zij niet voor onmiddellijk gebruik gereed zijn.
3.
Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het onderwerp daarvan wordt voorzien bij of krachtens de Wet wapens en munitie.
Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen of bromfietsen Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw of in de ingang van een portiek als dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek, of als daardoor die ingang versperd wordt.
Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein en dergelijke Het is verboden zich op door het college of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen met een fiets of een bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid wordt gehouden die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.
Artikel 2:53 Bespieden van personen 1.
Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon of een gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met de kennelijke bedoeling deze persoon of een persoon die zich in dit gebouw, deze woonwagen of dit woonschip bevindt, te bespieden.
2.
Het is verboden door middel van een verrekijker of enig ander optisch instrument een persoon die zich in een gebouw, woonwagen of woonschip bevindt te bespieden.
Artikel 2:54 [vervallen]
Artikel 2:55 Sluiting van voor het publiek openstaande gebouwen 1.
De burgemeester kan in het belang van de openbare orde of ter voorkoming of beperking van overlast of nadelige beïnvloeding van het woon- of leefklimaat besluiten tot de gehele of gedeeltelijke sluiting van een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel [2:30], eerste lid, of artikel 13b van de Opiumwet voorziet.
3.
De burgemeester brengt een afschrift van zijn besluit aan op of nabij de toegang van het voor het publiek openstaande gebouw of het bij dat gebouw behorende erf.
4.
Eenieder is verplicht toe te laten dat het afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is.
5.
Het is verboden een gesloten gebouw of erf te bezoeken, als bezoeker daarin of daarop te verblijven of een bezoeker daarin of daarop te laten verblijven zonder toestemming van de burgemeester.
6.
De burgemeester kan een sluiting opheffen als later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.
Artikel 2:56 Slapen op of aan een openbare plaats Het is verboden – al dan niet met gebruikmaking van enige vorm van beschutting, waaronder in ieder geval begrepen het gebruik van een auto, of caravan en dergelijke – op of aan een openbare plaats tussen zonsondergang en zonsopgang te slapen.
Artikel 2:57 Loslopende honden 1.
Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen:
a.
op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats;
b.
binnen de bebouwde kom op een openbare plaats indien de hond niet is aangelijnd;
c.
buiten de bebouwde kom op een door het college aangewezen plaats als de hond niet is aangelijnd; of
d.
op de weg indien die hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk waarmee duidelijk kenbaar is wie de eigenaar van de hond is.
2.
Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.
3.
Het eerste lid, aanhef en onder a tot en met c, is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege een handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden of die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.
Artikel 2:58 Verontreiniging door honden 1.
Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege een handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.
Artikel 2:59 Gevaarlijke honden 1.
Als de burgemeester een hond in verband met het gedrag van de hond gevaarlijk of hinderlijk acht, kan de burgemeester de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijnen muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander.
2.
De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijngebod is opgelegd, is verplicht de hond kort aangelijnd te houden, met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter
3.
De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijn- en muilkorfgebod is opgelegd, is naast de verplichting bedoeld in het tweede lid verplicht de hond voorzien te houden van een muilkorf die:
a.
vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen;
b.
door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en
c.
zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.
4.
Onverminderd artikel 2:57, eerste lid, aanhef en onder d, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de minister, die het aangaat, op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.
Artikel 2:59a Gevaarlijke honden op eigen terrein 1.
Het is de eigenaar of houder van een hond verboden deze hond op eigen terrein zonder muilkorf te laten loslopen als de burgemeester heeft meegedeeld dat de burgemeester de hond gevaarlijk acht, dan wel als de hond is opgeleid voor bewakings-, opsporings- en verdedigingswerk.
2.
Het verbod geldt niet als:
a.
op een vanaf de weg zichtbare plaats een naar het oordeel van de burgemeester duidelijk leesbaar waarschuwingsbord is aangebracht;
b.
het mogelijk is een brievenbus te bereiken en aan te bellen zonder het terrein te betreden; en
c.
het terrein voorzien is van een zodanig hoge en deugdelijke afrastering dat de hond niet zelfstandig buiten het terrein kan komen.
Artikel 2:60 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren 1.
Het is verboden op door het college ter voorkoming of beëindiging van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren:
a.
aanwezig te hebben;
b.
aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels;
c.
aanwezig te hebben in een groter aantal dan in het aanwijzingsbesluit is aangegeven; of
d.
te voeren.
2.
Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen plaats, ontheffing verlenen van een of meer verboden.
Artikel 2:61 [vervallen]
Artikel 2:62 Loslopend vee De rechthebbende op herkauwende en eenhoevige dieren of varkens die zich bevinden in een weiland of op een terrein dat niet van de weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken.
Artikel 2:63 [vervallen]
Artikel 2:64 Bijen 1.
Het is verboden bijen te houden:
a.
binnen een afstand van dertig meter van woningen of andere gebouwen waarin overdag mensen verblijven;
b.
binnen een afstand van dertig meter van de weg.
2.
Het verbod, bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing indien op een afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger als noodzakelijk is om het laag uit- en invliegen van de bijen te voorkomen.
3.
Het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing voor de bijenhouder die rechthebbende is op de woningen of gebouwen bedoeld in dat lid.
4.
Het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening.
5.
Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
6.
Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 2:65 Bedelarij Het is verboden om op een openbare plaats overlast te veroorzaken door te bedelen om geld of andere zaken.
Afdeling 9 Bestrijding van heling van goederen
Artikel 2:66 Definitie In deze afdeling wordt onder handelaar verstaan de handelaar aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister 1.
De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die de handelaar verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en door de burgemeester gewaarmerkt register, en daarin onverwijld op te nemen:
a.
het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;
b.
de datum van verkoop of overdracht van het goed;
c.
een omschrijving van het goed, voor zover van toepassing daaronder begrepen soort, merk en nummer van het goed;
d.
de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; en
e.
de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.
2.
De burgemeester kan vrijstelling verlenen van deze verplichtingen.
3.
Op de aanvraag om een vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht De handelaar of een voor de handelaar handelend persoon is verplicht: a.
de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen:
1.
dat de persoon het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van het woonadres van de handelaar en het adres van de bij de onderneming van de handelaar behorende vestiging;
2.
van een verandering van de onder 1., bedoelde adressen;
3.
dat de persoon het beroep van handelaar niet langer uitoefent;
4.
dat de handelaar enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan;
b.
de burgemeester op eerste aanvraag de administratie of het register van de handelaar ter inzage te geven;
c.
aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop de naam van de handelaar en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn;
d.
een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste zeven dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.
Artikel 2:69 [vervallen]
Artikel 2:70 [vervallen]
Afdeling 10 Consumentenvuurwerk
Artikel 2:71 Definitie In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk verstaan vuurwerk van categorie F1, F2 of F3 dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik.
Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen 1.
Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder vergunning van het college.
2.
Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:73 Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling 1.
Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het college in het belang van het voorkomen van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats.
2.
Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te gebruiken als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.
3.
De verboden zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.
Afdeling 11 Drugsoverlast
Artikel 2:74 Drugshandel op straat Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om, al dan niet tegen betaling middelen of substanties als bedoeld in de artikelen 2, 2a of 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.
Artikel 2:74a Openlijk drugsgebruik Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen of substanties als bedoeld in de artikelen 2, 2a of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben.
Afdeling 12 Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester
Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door de burgemeester aangewezen groepen van personen op een door de burgemeester aangewezen plaats als deze personen het bepaalde in de hierna genoemde artikelen groepsgewijs niet naleven: artikel 2:1
(Samenscholing en ongeregeldheden);
artikel 2:26 (Ordeverstoring); artikel 2:47 (Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen); artikel 2:48 (Verboden drankgebruik); artikel 2:49 (Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen); artikel 2:50 (Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten); artikel 2:73 (Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling); artikel 5:34 (Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken).
Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied.
Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats. 1.De burgemeester is, indien dat in het belang van de handhaving van de openbare orde nodig is, bevoegd om op basis van artikel 151c van de Gemeentewet voor een bepaalde duur camera’s in te zetten ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats, als bedoeld in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties. 2.De burgemeester heeft de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid eveneens ten aanzien van andere voor een ieder toegankelijke parkeerplaatsen of parkeerterreinen.
Artikel 2:78 Gebiedsontzeggingen 1.
De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- en leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid, aan degene die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een tijdelijk verbod opleggen om gedurende 72 uur in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn.