CConstaterende datBaarn
Koppel je AI →
Document · PDF

14. ng reptielen en vleermuizen 16122019 pdf

Besluit in de Raad 11 mei 2022, gemeente BaarnBij agendapunt: Schriftelijke vragen PvdA en beantwoording aanleg fietsverbinding Soest – Hilversum over grondgebied Landgoed Paleis Soestdijk1.504 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Soortenbescherming: De meegestuurde Quickscan Fietsverbinding Soest-Hilversum & Nader onderzoek vleermuizen zijn door mijn collega bekeken. Ten aanzien van de bevindingen hadden wij nog de onderstaande opmerkingen: Reptielen: Aangezien de levendbarende hagedis en hazelworm zijn vastgesteld in de directe omgeving zijn deze niet uit te sluiten in het plangebied. Vastgesteld dient te worden of de levendbarende hagedis en/of hazelworm het gebied in gebruik nemen en welke functie het gebied voor deze soort heeft. Levendbarende hagedissen maken gebruik van open zandplekken en asfaltering om op te warmen. Naast deze plekken zijn vaak schuilmogelijkheden aanwezig. Fietspaden vormen hierdoor snel een geschikte locatie voor deze soort in het bos. Dit geldt eveneens voor de hazelworm. Wanneer het plangebied onderdeel uitmaakt van essentieel leefgebied van de levendbarende hagedis en/of hazelworm dient er ontheffing van de Wnb aangevraagd te worden via ons digitale formulier. Hiervoor geld wederom een termijn van 13 weken, welke eventueel verlengt kan worden. Aan deze ontheffing zijn ook legeskosten verbonden van ruim 900 euro. Reactie Tijdens de quickscan is middels verspreidingsgegevens en het biotoop ter plaatse van het geplande fietspad onderzocht of er sprake is van essentieel leefgebied voor beschermde reptielen.

Bekend is dat het bosgebied leefgebied vormt voor hazelworm, levendbarende hagedis en zandhagedis. De hazelworm komt voor in open bossen, bosranden, heide, houtwallen, struwelen, spoor- en wegbermen, kalkgraslanden, vestingwerken, steenhopen, ruderale plaatsen en tuinen. De meeste waarnemingen komen uit bos- en heideterreinen. Doordat voor het geplande fietspad grotendeels bestaand pad wordt gebruikt, onverhard en niet begroeid, wordt geen essentieel leefgebied van hazelworm aangetast. Een klein gedeelte van het pad (ten zuiden van De Stulp) gaat door bestaand bosgebied. Dit is vrij dichtgegroeid met opschot en dunne bomen. Dit gedeelte kan door hazelworm worden gebruikt als onderdeel van zijn leefgebied. Echter, op vele plekken in de directe omgeving, bijvoorbeeld bij de stortplaats, middenin het bosgebied en langs bestaande paden is dichte vegetatieaanwezig waar hazelworm gebruik van kan maken. Het kleine gedeelte van het pad dat door bestaand bos gaat, vormt daardoor geen essentieel leefgebied van hazelworm. De levendbarende hagedis heeft de voorkeur voor heide en hoogveen. De soort komt ook voor in open bossen en ruige graslanden, in bermen van (spoor)wegen en in een beperkt deel van de duinen. De levendbarende hagedis is een vochtminnende soort die in de genoemde landschapstypen veel wordt aangetroffen op oevers en vochtige terreindelen.

Ter plaatse van het geplande fietspad zijn geen vochtige delen aanwezig. Een poel bevindt zich ten zuiden van accommodatie De Stulp, in bosgebied De Stulp war tevens heidegebied aanwezig is. De bestaande paden en droge delen, waar het fietspad is gepland, vormt geen optimaal leefgebied en maakt geen essentieel onderdeel uit van het leefgebied van de levendbarende hagedis. De zandhagedis is in Nederland sterk gebonden aan duin- en heidegebieden waar in het binnenland de soort vooral voorkomt in droog struikheidegebied. Een klein deel van bestaand pad, de ‘kruising’ van noord en zuid, bestaat uit vrij los zand. Hoewel het voor een groot deel wordt overschaduwd door het bos aan weerszijde, kunnen zandhagedissen hier gebruik van maken. Echter, het pad wordt tevens gebruikt door ruiters, wandelaren zonder en met honden en fietsers. Zij zorgen voor verstoring waardoor het zandgedeelte minder geschikt wordt voor zandhagedis en geen sprake is van een essentiële functie. Bij het overige deel van het geplande fietspad is geen geschikt biotoop aanwezig voor zandhagedis; bij de bestaande paden ontbreekt losse zandgrond of is teveel begroeiing aanwezig. Voor alle drie de soorten is bekend dat zij in het bosgebied voorkomen, waarbij zij gebruik maken van verschillende biotopen.

Ter plaatse van het geplande fietspad is geen essentieel leefgebied aanwezig; geschikt biotoop ontbreekt en voor hazelworm is voldoende alternatief aanwezig en verdwijnt slechts een kleine hoeveelheid struweel en bos ten opzichte van het totale bosgebied. Met een nader onderzoek zou de aanwezigheid van de soorten worden bevestigd; verblijfplaatsen zijn verspreid aanwezig en de dieren maken van vele holletjes, hoekjes en gaten gebruik. Daardoor is er geen sprake van grote, essentiële verblijfplaatsen. Het aanbrengen van een fietspad zorgt niet voor een onoverbrugbaar obstakel waardoor geen leefgebied wordt geïsoleerd. Ook betreft het een lijnvormig element waarbij de hoofdfunctie van het gebied blijft behouden. De paden kunnen wel door de reptielen worden gebruikt om zich op te warmen. Dit is met name bekend bij (donker) geasfalteerde paden. Om dit risico te verminderen wordt gebruik gemaakt van beton. Door de lichte kleur wordt zonlicht beter weerkaatst waardoor er in mindere mate sprake is van een verwarmd pad. Desondanks kunnen soorten op het pad gaan liggen waardoor de kans op aanrijding aanwezig is. Om dit te voorkomen kunnen amfibieënschermen worden toegepast. Echter, voor het desbetreffende plangebied geeft dit een groot negatief neven effect: doorsnijden van leefgebieden.

Dit negatief effect geldt niet alleen voor reptielen, ook grondgebonden zoogdieren als de bosmuis of andere muizensoorten en grondgebonden insecten ondervinden schade van een dergelijk scherm, ook al worden op plaatsen tunnels toegepast. Door het aanwezige bosgebied aan weerszijde van het geplande fietspad is de kans op schade op het scherm groot. Het gebruik van schermen schaadt daarmee de instandhouding van reptielen. Het fietspad zelf is daardoor minder schadelijk dan de schermen.

Tezamen wordt het volgende geconcludeerd: Ter plaatse van het geplande fietspad is geen essentieel leefgebied aanwezig voor hazelworm, levendbarende hagedis en zandhagedis; Het toepassen van amfibieënschermen langs het fietspad zorgt voor een groot negatief neveneffect doordat het bosgebied (leefgebied) voor onder andere reptielen wordt doorsneden. Het fietspad zelf is daardoor minder schadelijk dan de schermen. Gebruik van beton (lichte kleur) in plaats van (donker) asfalt zorgt ervoor dat het aantal slachtoffers wordt verminderd. Hiermee komt de gunstige staat van instandhouding van zowel hazelworm, levendbarende hagedis en zandhagedis niet in het geding en is een ontheffing Wet natuurbescherming niet noodzakelijk.

Vleermuizen: Aangegeven is dat het vleermuisonderzoek onder andere uitgevoerd is voor de franjestaart. De periode waarin dit onderzoek is uitgevoerd valt buiten de onderzoeksperiode die vastgesteld is voor deze soort. De periode valt wel onder de suboptimale periode, met de juiste onderbouwing kan dit goedgekeurd worden. Er dient dan wel een onderbouwing te worden gegeven waarom er tijdens het onderzoek geen rekening gehouden is met deze soort. De franjestaart is een soort die lastig te onderzoeken is, dit geld ook voor het vaststellen van een verblijfplaats. Reactie Het vleermuisonderzoek heeft zich gericht op diverse soorten vleermuizen, waaronder de franjestaart. Het Vleermuisprotocol (2017) geeft een richtlijn aan om het onderzoek in de optimale periode uit te voeren. Zo is het onderzoek naar kraam- en zomerverblijven het meest optimaal vanaf 1 juni, al is onderzoek vanaf 15 mei ook geschikt. Gezien de optimale weersomstandigheden vanaf 15 mei is één veldbezoek tussen 15 mei en 1 juni uitgevoerd. Daarbij zijn beide onderzoeken in de ochtend (nanacht) uitgevoerd. Dit doordat bijvoorbeeld het zwermen 's ochtends meer tijd in beslag neemt dan het uitvliegen ’s avonds. Door het onderzoek in de nanacht uit te voeren, kan een groter gebied worden overzien door rond te lopen of te fietsen.

In dit geval is het plangebied opgedeeld in twee delen en elk deel door één waarnemer onderzocht (afgewisseld per fiets en lopend). Daarnaast heeft een derde waarnemer heen en weer gefietst over het gehele traject. Om foerageergebied en vliegroutes goed in kaart te kunnen brengen, heeft één veldbezoek in de nazomer plaatsgevonden. Op basis van expert judgement en veelvuldig vleermuizenonderzoek is bekend dat eind augustus en begin september franjestaarten zeer actief zijn, beginnen met paren en winterverblijven inspecteren (Stichting Vleermuizenvangen en de veldmedewerker heeft het opleidingsweekend meerdere keren bijgewoond). Om een goed beeld te krijgen van de aanwezige soorten en doordat de weersomstandigheden eind augustus ideaal waren voor het uitvoeren van een betrouwbaar onderzoek, is één veldbezoek uitgevoerd eind augustus. Het andere veldbezoek is uitgevoerd halverwege september. Dit is wat eerder gestart dan de aangegeven optimale periode in het vleermuisprotocol (2017). In september waren de nachten koud en waren daardoor vele nachten niet geschikt voor het uitvoeren van onderzoek. Doordat in september bekend was dat de koudere nachten heel september en wellicht ook in oktober zouden aanblijven, is het veldbezoek 10 september uitgevoerd. Daarbij is aanvullend gebruik gemaakt van de Batlogger M, apparatuur dat alle waarnemingen registreert.

Deze apparatuur is bij uitstek geschikt voor de lastig waarneembare soorten als franjestaart. Mochten franjestaarten van het plangebied gebruik hebben gemaakt, is dit vastgesteld. Het feit dat geen franjestaarten zijn waargenomen, geeft aan dat zij ook geen gebruik maakten van het plangebied/ traject waarbinnen het fietspad wordt gerealiseerd. Voor verblijfplaatsen kunnen holten op slechts 1,0 meter boven de grond worden gebruikt. Bekend dat de franjestaart niet van verstoring houdt; holten langs wegen en paden worden niet gebruikt, holten in het bos worden wel gebruikt. Voor en tijdens het onderzoek zijn de bomen langs de bestaande paden en de bomen die worden gekapt geïnspecteerd op aanwezige holten. Deze zijn niet aangetroffen. De begroeiing waar het geplande fietspad doorheen komt te liggen s van onvoldoende omvang om te dienen als geschikte )potentiële) verblijfplaats. Geschikte (potentiële) holten zijn dan ook niet angetroffen. Periode: Wij hebben geen opmerkingen ten aanzien van de door u aangegeven periode.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11457660/1