CConstaterende datBaarn
Koppel je AI →
Document · PDF

1248623 Jaarstukken 2024 en Ontwerpbegroting 2026 incl. geactualiseerde begroting 2025 VRU Bijlage A - Voorlopige jaarstukken VRU 2024

Raadsvergadering 2 juli 2025, gemeente BaarnBij agendapunt: Jaarstukken 2024 en Ontwerpbegroting 2026 incl. geactualiseerde begroting 2025 Veiligheidsregio Utrecht18.066 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

7.3

Kengetallen

Volgens de richtlijnen van het BBV zijn hieronder vier van de zes verplichte kengetallen weergegeven. De overige twee voorgeschreven kengetallen (grondexploitatie en belastingcapaciteit) zijn niet van toepassing op onze organisatie. De wetgever wil met deze kengetallen inzicht hebben in de financiële weerbaarheid en wendbaarheid (de mate waarin bij een tegenvaller financieel kan worden bijgestuurd). De kengetallen geven aan over hoeveel financiële ruimte wij beschikken om structurele en incidentele lasten te dekken of op te vangen. De kengetallen dienen te worden beoordeeld in samenhang met elkaar en met de financiële positie. Tabel 17 Kengetallen

Toelichting kengetallen Netto schuldquote:

7.3.1 Netto schuldquote Onze positie met betrekking tot de schuldquote is gunstig te noemen. De norm ligt tussen de 0-100%. Wij liggen hiermee ruimschoots onder het maximum van 100%. De daling van de schuldquote is veroorzaakt door een hogere stand van de liquide middelen.

Het quotiënt van totale schulden minus liquide middelen minus uitgeleende gelden en de totale baten Solvabiliteitsratio: Het quotiënt van eigen vermogen en balanstotaal

7.3.2 Solvabiliteitsratio Onze positie met betrekking tot de schuldquote is gunstig te noemen. De norm ligt tussen de 0-100%. Wij liggen hiermee ruimschoots onder het maximum van 100%. De daling van de schuldquote is veroorzaakt door een hogere stand van de liquide middelen.

Structurele exploitatieruimte: Het quotiënt van structurele baten minus structurele lasten en de totale baten

7.3.3 Structurele exploitatieruimte Alle middelen zijn structureel bestemd.

37

8 Onderhoud kapitaalgoederen 8.1

Activeren en afschrijven

Conform artikel 59 van het BBV activeren wij alle materiële vaste activa. Investeringen schrijven wij lineair af vanaf het jaar volgend op het investeringsjaar. Als uitgangspunt voor het activeren geldt dat dit plaatsvindt vanaf € 10.000 per object. 8.1.1 Investeringen in gebouwen De VRU had ultimo 2024 drie brandweerkazernes in eigendom. De overige kazernes zijn in eigendom van de gemeenten. De kazernes worden om niet ter beschikking gesteld aan de VRU. Investeringen in gebouwen die in eigendom van de gemeenten zijn, komen in principe voor rekening van de betreffende gemeenten. Investeringen in gebouwen die eigendom zijn van de VRU, worden bij de VRU geactiveerd. De kapitaallasten worden doorbelast aan de gemeenten die de gebouwen aan de VRU hebben overgedragen, via het individueel gemeentelijk pluspakket. 8.1.2 Investeringen in overige kapitaalgoederen Ten aanzien van de investeringen in overige kapitaalgoederen (inventaris en installaties, automatisering, vervoersmiddelen en materiaal) hanteert de VRU een meerjarig investeringsplan welke periodiek wordt geactualiseerd. In de begroting is een constant bedrag opgenomen voor kapitaallasten. De werkelijke kapitaallasten fluctueren. Tezamen met het meerjaren investeringsplan is daarom ook een egalisatiereserve kapitaallasten ingesteld om de verschillen tussen begrote en werkelijke kapitaallasten op te vangen.

Meerjarig wordt gestuurd op een sluitende investeringsbegroting.

8.2 8.2.1

Onderhoud Onderhoud gebouwen en installaties

Hoofdkantoor Het hoofdkantoor van de VRU is gehuisvest in het provinciehuis. Het onderhoud voor deze locatie is onderdeel van de servicekosten die wij naast de huur aan de provincie Utrecht betalen. Brandweerkazernes De kosten voor het beheer en onderhoud van de brandweerkazernes zijn voor rekening en risico van de gemeenten. 8.2.2 Onderhoud materieel Het onderhoud van materieel wordt grotendeels in eigen beheer door - uitgevoerd of uitbesteed via het VRU-organisatieonderdeel Bedrijf Preparatie Brandweer.

38

9 Financiering Het wettelijke kader voor het financieringsbeleid is vastgelegd in de Wet financiering decentrale overheden (Wet Fido). Het treasury-beleid van de VRU ligt vast in het treasurystatuut VRU.

9.1

Kasgeldlimiet

Het kasgeldlimiet laat het maximumbedrag zien waarmee een gemeente of gemeenschappelijke regeling haar financiële bedrijfsvoering met kortlopende middelen (looptijd < 1 jaar) mag financieren. De norm bedraagt 8,2% van het begrotingstotaal aan lasten vóór bestemming van de reserves. Ons netto overschot in 2024 bedroeg gemiddeld € 10 miljoen. Onderstaande tabel laat de berekening zien van de kasgeldlimiet in 2024 Daaruit blijkt dat de gemiddelde liquiditeitspositie over heel 2024 voldoet aan de norm. Tabel 18 Kasgeldlimiet

39

9.2

Renterisiconorm

De renterisiconorm heeft tot doel het renterisico bij herfinanciering te beperken. De jaarlijkse renteherzieningen en de verplichte aflossingen mogen niet méér bedragen dan 20% van het begrotingstotaal bij aanvang van het jaar. Uit de volgende tabel blijkt dat is voldaan aan de renterisiconorm. Tabel 19 Renterisiconorm

9.3

Renteschema

Tabel 20 Renteschema

Het renteresultaat voor 2024 is 2,4%, deze ligt onder de norm van 25%.

9.4

EMU-saldo

Tabel 21 EMU-saldo

40

10 Bedrijfsvoering 10.1 Personeel 10.1.1 Organisatiestructuur Bij Veiligheidsregio Utrecht (VRU) werken mensen met een passie. Een passie om levens te redden, om incidenten te voorkomen en te bestrijden en om samen met burgers en partners de veiligheid en zelfredzaamheid in onze samenleving te vergroten.

Figuur 1 Organisatiestructuur

Onze organisatie is gericht op onze drie hoofdtaken: Brandweer, Risicobeheersing en Crisisbeheersing & Geneeskundige Hulpverleningsorganisatie in de Regio (GHOR). Deze onderdelen werken niet alleen onderling nauw samen, maar dat doen we ook met onze partners. Zo zetten we ons met bijna 2.500 betrokken collega’s iedere dag in voor de veiligheid van alle 1,4 miljoen inwoners van de 26 gemeenten in onze regio. Samen dragen wij bij aan de veiligheid. Elke dag weer, steeds beter. In het organisatiemodel zijn de vier thema’s uit onze bestuursagenda duidelijk herkenbaar: Toekomstbestendige brandweerzorg, Veilige en gezonde leefomgeving, Versterking crisisbeheersing en bouwen aan een Great place to work. De rode lijn geeft aan dat we samen één organisatie zijn. De onderdelen Bedrijfsvoering en Bestuur & Control zijn ondersteunend aan de drie hoofdtaken. De directie van de VRU bestaat uit de algemeen directeur en drie leden die samen verantwoordelijk zijn voor de hele organisatie. Binnen het directieteam wordt gewerkt met een portefeuilleverdeling. 10.1.2 Formatie en bezetting De formatie en bezetting (in fte) ultimo 2024 zijn als volgt:

41

Tabel 22 Formatie en bezetting

Het verschil tussen formatie en bezetting betreft een momentopname. Ten opzichte van eind 2023 (10%) is het verschil tussen de formatie en bezetting kleiner geworden. De formatie is met 9 FTE gestegen. 10.1.3

Aantal medewerkers en diversiteit

Figuur 2 In- en uitstroom ambtenaren

Eind 2024 zijn er 719 ambtenaren in dienst. Dit zijn in totaal 36 meer dan eind 2023. Eén derde van de mensen die als ambtenaar zijn komen werken, zijn bij ons vrijwilliger, of waren stagiair of inhuur. Daarnaast blijven 13 uitgestroomde ambtenaren bij ons verbonden als vrijwilliger. Bij de VRU zijn twee recruiters aangetrokken om het werving- en selectieproces te begeleiden. De instroom van ambtenaren is gestegen van 42 in 2023 naar 100 in 2024. 10.1.4 Aantal vrijwilligers Het aantal vrijwilligers dat werkzaam is voor de VRU is als volgt: Tabel 23 Vrijwilligers

In 2024 is het aantal vrijwilligers afgenomen met 20 mensen, tot een totaal van 1.667.

42

In 2023 heeft de VRU een inhaalslag gemaakt na Covid om extra vrijwilligers te werven via aanstellingsdagen. Vrijwilligers uit de hele regio worden op één dag gekeurd, ondergaan een assessment en krijgen een pak aangemeten. In 2024 zijn er minder aanstellingsdagen, wat resulteert in een lagere instroom van vrijwilligers in vergelijking met 2022 en 2023. De uitstroom is vergelijkbaar met het langjarig gemiddelde van 100. 10.1.5 Jeugdbrandweer Het gemiddeld aantal jeugdleden, jeugdleiders en hoofdjeugdleiders is gestegen van 403 naar 443. Er zijn 13 jeugdleden doorgestroomd naar de functie van aspirant manschap, dat is een stijging ten opzichte van 2023 (7 jeugdleden). 10.1.6 Wet banenafspraak De VRU heeft voor 2024 de ambitie gesteld om 15 garantiebanen te realiseren. Ultimo 2024 zijn er 15,53 garantiebanen gerealiseerd. Vorig jaar had de VRU 12,7 garantiebanen en de ambitie is dit jaar gehaald. Eén garantiebaan is 25,5 uur per week, = 0,7 FTE. 10.1.7 Diversiteit Na ondertekening van het Charter Diversiteit in 2023 bij de SER Diversiteit in bedrijf is in 2024 in navolging hierop een plan van aanpak opgesteld en goedgekeurd door de SER.

Hierin is opgenomen dat we blijven werken aan bewustwording bij leidinggevenden en medewerkers (door middel van inspiratiesessies en trainingen en regelmatig hierover te communiceren op intranet) en dat we ons blijven inspannen om garantiebanen voor de Wet banenafspraak te realiseren. Hiernaast streven we ernaar om de diversiteit van ons personeelsbestand te vergroten met 25% ten opzichte van de huidige situatie, waarbij we ons richten op geregistreerde diversiteitskenmerken, zoals: - Geslacht: percentage vrouwen bij de brandweer was in 2024 8% van de vrijwilligers, 6% beroeps (dat is een stijging ten opzichte van 2023: 7% van de vrijwilligers, 5% van de beroeps). We streven naar een percentage van 10% eind 2025. - Leeftijd: percentage ambtenaren jonger dan 30 jaar was in 2024 10% (dat is een stijging ten opzichte van 2023: 8%). We streven naar een percentage van 12% eind 2025. De gemiddelde leeftijd van de ambtenaren is ten opzichte van 2023 onveranderd, 46 jaar. De gemiddelde leeftijd van de vrijwilligers is ten opzichte van 2023 ook onveranderd, 41 jaar.

Figuur 3 Geslacht beroepsbrandweer

Figuur 4 Geslacht vrijwilligers

43

Figuur 5 Leeftijd ambtenaren

Figuur 6 Leeftijd vrijwilligers

We werken aan diversiteit naast het vergroten van de bewustwording, door te werken aan inclusiever werven (gebruik maken van inclusieve vacatureteksten en beeldmateriaal, plus inzet van meer diverse wervingskanalen), zodat iedereen zich uitgenodigd voelt om te solliciteren. Ook worden onze recruiters begeleid en getraind in het objectiveren van de selectie-interviews en beoordeling van de kandidaten vanuit Community of Practice (een intervisiegroep opgezet door het AWVN). De samenwerking met JINC is voortgezet, omdat we graag ons steentje willen bijdragen aan het vergroten van de kansengelijkheid van jongeren in de regio Utrecht. Het afgelopen jaar zijn op verschillende locaties opnieuw bliksemstages georganiseerd. Collega’s hebben sollicitatietrainingen verzorgd op VMBO-scholen, en we hebben wederom deelgenomen aan het project 'Baas van Morgen', waarin een VMBO-leerling voor één dag de baas van de VRU mocht zijn. 10.1.8 Verzuim Het verzuimpercentage bij de VRU is in 2024 gestegen naar 5,71%, ten opzichte van 5,47% in 2023. Dit percentage ligt boven het streefcijfer van 5%. De VRU heeft aandacht voor alle vormen van verzuim: kort, middellang en langdurig verzuim. Er is ook aandacht voor het voorkomen van verzuim, onder andere voor mentale weerbaarheid. Dit doen we via intranet en workshops. Daarbij bieden Steunpunt Brandweer en Arq-ivp begeleiding bij mentaal verzuim.

Het aantal trajecten bij de bedrijfsarts (91) daalt ten opzichte van een eerdere periode (112), evenals het aantal werkgerelateerde klachten (van 24 naar 15 trajecten). Het verzuimpercentage van langdurig verzuim is desondanks gestegen van 4,07% naar 4,47%. We blijven actief en preventief ondersteuning bieden aan mensen in deze situatie. Komend jaar gaat de VRU ook meer aandacht hebben voor fysieke vitaliteit.

44

Tabel 24 Verzuim

10.1.9 Stagairs In 2025 willen we het stageproces van de VRU in kaart brengen. Als organisatie kunnen we veel leren van de frisse ideeën die studenten meenemen en daarnaast is het belangrijk om een rol te spelen in het onderwijs van toekomstige ambtenaren. Wellicht loopt een toekomstige collega momenteel wel stage bij de VRU op de afdeling. Hiervoor zullen er twee stagiaires onderzoek doen naar het huidige stageproces en een advies uitbrengen over hoe wij als organisatie het beste ons beleid het beste kunnen vormgeven. Na de zomer gaan we met hun advies aan de slag. Daarnaast zullen we meekijken bij de GGDrU, die hier al meer ervaring mee heeft. In 2024 is het aantal stagiaires gestegen van 28 in 2023 naar 45.

Figuur 7 Aantal stagiairs

10.1.10 Klussenbank We stimuleren ontwikkeling en samenwerking van onze medewerkers door hen, via inzet op een klus of in een rol, de mogelijkheid te geven om nieuwe werkervaring op te doen. In 2024 zijn we gestart met de Klussenbank. Er zijn via het intranet 15 klussen geplaatst waarbij op alle klussen ook gereageerd is. Denk daarbij aan een host/interviewer voor het ontwikkelevent en een medeorganisator van de Iftar. 10.1.11 Geestelijke verzorging De geestelijke verzorger is sinds 2021 een nieuwe functie binnen onze organisatie, met het oog op het versterken van de duurzame inzetbaarheid van medewerkers. De geestelijke verzorging richt zich op individuele begeleiding van medewerkers, de ondersteuning van groepen en teams in het versterken van de mentale veerkracht en een positieve cultuur, en het beleidsadvies voor leidinggevenden ten aanzien van het welzijn van medewerkers. De geestelijke verzorging biedt verder een vrijplaats waar medewerkers te allen tijde hun hart kunnen luchten en een luisterend

45

oor kunnen vinden. De geestelijke verzorging draagt zo bij aan de ‘Great place to work’ uit de bestuursagenda. 10.1.12 Melden van Onveilige Situaties en (bijna) Ongevallen (OSIO) Het melden van incidenten onveilige situaties en (bijna) ongevallen is bedoeld om te leren van de situatie en de kwaliteit van de zorg te verbeteren. OSIO-meldingen geven inzicht in de risico’s voor de veiligheid, gezondheid en het welzijn van de VRU-medewerkers. Door de meldingen te analyseren kan er worden geleerd en kunnen maatregelen worden genomen om soortgelijke incidenten en situaties in de toekomst te voorkomen. Door bovendien te kijken naar de meer fundamentele oorzaken (de oorzaak achter de oorzaak), kan de veiligheids- of arbozorg binnen de VRU naar een hoger niveau worden getild. Hierdoor kunnen andersoortige ongevallen, die dezelfde basisoorzaken hebben, worden voorkomen. In het kalenderjaar 2024 zijn er 208 incidenten gemeld, waarvan: ▪ 103 ongevallen; ▪ 26 bijna ongevallen; ▪ 72 onveilige situaties; ▪ 3 meldingen agressie en geweld richting hulpverleners. Het aantal incidenten op medewerkersniveau is ten opzichte van 2023 gestegen van 178 naar 208.

10.2 Inhuur Het volgende overzicht is een weergave van de besteding per inhuurcategorie. Tabel 25 Besteding per inhuurcategorie

De hogere kosten voor inhuur reguliere werkzaamheden betreft voornamelijk ziektevervanging en de inhuur op een aantal moeilijk in te vullen vacatures.

46

10.3 Beleidsindicatoren Tabel 26 Beleidsindicatoren

Apparaatskosten zijn alle personele en materiële kosten die verbonden zijn aan het functioneren van de ambtelijke organisatie. Dit zijn in feite de totale lasten van de VRU minus de jaarlijkse bijdrage aan het WVSV. De externe inhuur bestaat voor 9% uit reguliere inhuur. Het restant van 21% is gerelateerd aan externe inhuur voor de crisistaken, die volledig gedekt worden uit de bijdrage van externe partijen.

10.4 Duurzaamheid In onze samenleving ligt een grote uitdaging op het gebied van duurzaamheid. In onze bestuursagenda VRU 2024-2027 committeren we ons aan de landelijke afspraken op het gebied van duurzaamheid. Dit doen we niet omdat het moet, maar omdat wij ons realiseren dat de klimaatverandering ook een directe impact heeft op de veiligheid in onze regio. In 2024 hebben we een aantal (aanzienlijke) stappen gezet op het gebied van duurzaamheid. We voldoen nu aan de wettelijke verplichtingen voor alternatieven voor wegwerpbekers en de registratie van woonwerkverkeer en zakelijk verkeer. Daarnaast hebben we ons gericht op datasturing door onze CO2voetafdruk in kaart te brengen en deze gegevens toegankelijk te maken via een BIdashboard. Onze medewerkers zijn geïnspireerd en betrokken door diverse communicatie- en trainingsinitiatieven, wat heeft geleid tot een grotere bewustwording en inzet voor duurzaamheid. We hebben ook vooruitgang geboekt in duurzaam inkopen van producten en zijn gestart met een pilot voor het gebruik van duurzame brandstoffen. Tot slot werken we nauw samen met gemeenten om duurzaamheid te integreren in (nieuw)bouwprojecten. Deze samenwerking zorgt ervoor dat steeds meer van onze bouwprojecten voldoen aan de huidige duurzaamheidsnormen, en ook bijdragen aan een duurzamere leefomgeving voor de toekomst.

10.5 Privacy De VRU zet zich in om de fysieke veiligheid van burgers te beschermen. Onderdeel daarvan is het (beveiligen van het) verwerken van persoonsgegevens. De VRU verwerkt vooral persoonsgegevens van medewerkers (repressief en kantoorpersoneel), maar incidenteel ook van andere hulpverleners en burgers. De visie van de VRU ten aanzien van de bescherming van de privacy van deze betrokkenen concentreert zich op het toepassen van de (U)AVG, zowel de letterlijke

47

betekenis en toepassing, als de bedoeling daarvan. De VRU ontwikkelt zich voortdurend. Ook waar het de bescherming van persoonsgegevens betreft. Privacy is ingebed in de gehele organisatie. Verwerkingen die een hoog risico opleveren voor de bescherming van de persoonsgegevens van betrokkenen mogen alleen plaatsvinden als er een reglement is. In 2024 zijn de gebruikelijke activiteiten ten aanzien van privacy uitgevoerd. Begin 2024 zijn de drie animaties over privacy uitgerold, vooral in januari tijdens de week van de privacy. Gedurende het jaar zijn deze specifiek met de brandweerposten gedeeld. Waar mogelijk wordt nog steeds naar deze animaties verwezen voor laagdrempelige uitleg over relevante onderwerpen voor brandweerpersoneel. Het viel op dat er diverse aanbestedingen hebben plaatsgevonden waarbij ‘privacy’ een substantieel onderwerp was, bijvoorbeeld bij de discussie over verwerkingsverantwoordelijkheid, en verwerkersovereenkomsten. Er zijn in 2024 17 datalekken gemeld, waarvan een aantal onecht bleek, en een aantal dubbel waren gemeld. Het totaal is minder dan het aantal dat in 2023 gemeld is. De oorzaak van dit verschil is niet duidelijk. Er zijn in 2024 verschillende verwerkersovereenkomsten afgesloten, en ook diverse DPIA’s opgestart, hoewel deze in 2025 afgerond moeten worden.

10.6 Rechtmatigheid 10.6.1

Grondslagen van de rechtmatigheidsverantwoording

Algemene grondslagen voor de rechtmatigheidsverantwoording De in de jaarrekening opgenomen rechtmatigheidsverantwoording is opgesteld op basis van de kaders zoals besloten in de financiële verordening en op basis van de kadernota rechtmatigheid van de Commissie BBV van november 2024. Dat betekent dat: • •

De rechtmatigheidsverantwoording toeziet op de financiële rechtmatigheid van baten, lasten en balansmutaties; De financiële rechtmatigheid waaronder het voorwaardencriterium, het begrotingscriterium en het misbruik & oneigenlijk gebruik criterium omvat: o Voor het voorwaardencriterium bestaat de norm uit het normenkader zoals op 25 maart 2024 door het algemeen bestuur is vastgesteld; o Voor het begrotingscriterium geldt dat alle overschrijdingen van lasten en investeringskredieten onrechtmatig zijn, waarbij voor een aantal scenario’s in de financiële verordening is beschreven wanneer deze overschrijdingen acceptabel zijn. Voor over- en onderscheidingen van baten, onderschrijdingen van lasten en onderschrijdingen van investeringskredieten geldt dat deze als onrechtmatig zijn aangemerkt indien ze niet tijdig aan het algemeen bestuur zijn gemeld. o Ten aanzien van het M&O criterium is binnen de Veiligheidsregio Utrecht vooralsnog geen nota M&O beleid opgesteld. Omdat alleen bij misbruik sprake is van een onrechtmatigheid zijn eventuele gevallen van misbruik (mits cumulatief met andere fouten of onduidelijkheden boven de verantwoordingsgrens) opgenomen in de rechtmatigheidsverantwoording.

48

De rechtmatigheidsverantwoording is opgesteld binnen de kaders van de kadernota rechtmatigheid 2024 van de Commissie BBV, alsmede onze eigen financiële verordening. Dit betekent dat: •

•

Een verantwoordingsgrens van 1% van de totale lasten van de Veiligheidsregio Utrecht inclusief de dotaties aan de reserves (zijnde € 1,47 miljoen) is gehanteerd waarboven cumulatieve fouten en onduidelijkheden in de rechtmatigheidsverantwoording worden opgenomen; Een rapporteringstolerantie van € 100.000 is gehanteerd waarboven fouten en onduidelijkheden in de paragraaf bedrijfsvoering worden opgenomen.

10.6.2

Rechtmatigheidsverantwoording

Begrotingscriterium Voor de baten, lasten en reserves zijn onder- danwel overschrijdingen geconstateerd ultimo boekjaar. Deze zijn gedurende het jaar medegedeeld aan het Algemeen Bestuur en ten tijde van de jaarrekening gemeld. Volgens de financiële verordening dienen wij afwijkingen ten opzichte van de begroting tijdig te melden, zodat deze niet als onrechtmatig worden beschouwd. Melding tijdens de jaarrekening wordt in dit geval tevens gezien als tijdige melding. Derhalve zijn deze onder- en overschrijdingen van de baten en onderschrijding van de lasten niet onrechtmatig en worden deze niet weergegeven in de jaarrekening. Voorwaardencriterium In 2024 zijn geen fouten geconstateerd. Misbruik en oneigenlijk gebruik Misbruik is het opzettelijk niet, niet tijdig, onjuist of onvolledig verstrekken van gegevens met als doel ten onrechte overheidssubsidies of -uitkeringen te verkrijgen of niet dan wel een te laag bedrag aan heffingen aan de overheid te betalen. Oneigenlijk gebruik is het door het aangaan van rechtshandelingen, al dan niet gecombineerd met feitelijke handelingen, verkrijgen van overheidsbijdragen of het niet dan wel tot een te laag bedrag betalen van heffingen aan de overheid. De VRU kent geen subsidies of uitkeringen en doet ook geen heffingen. Hierdoor is vastgesteld dat binnen de VRU geen handelingen voorkomen die onder de M&O-criterium vallen.

49

11 Openbaarheid Per 1 mei 2022 is de Wet open overheid in werking getreden. De Wet open overheid (hierna: Woo) is de opvolger van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob). Waar de Wob voornamelijk zag op de openbaarmakingsplicht op verzoek, richt de Woo zich ook op de actieve openbaarmakingsplicht en de informatiehuishoudingsplicht. Naast dat informatie dus openbaar gemaakt moet worden als iemand erom vraagt, moet sommige informatie ook actief openbaar gemaakt worden en moeten we er voor zorgen dat informatie goed te vinden is. Een van de verplichtingen die uit de Woo volgt, is dat bestuursorganen jaarlijks in de begroting aandacht besteden aan de beleidsvoornemens inzake de uitvoering van de Woo en in de verantwoording verslag doen van de uitvoering van de wet. Bestuursorganen gaan in de openbaarheidsparagraaf in op de beleidsvoornemens (c.q. behaalde resultaten) met betrekking tot de actieve en passieve openbaarmaking en de verbetering van de informatiehuishouding. Passieve openbaarmaking (openbaarmaking op verzoek) In 2023 is de taak van Woo-contactfunctionaris belegd. Deze contactpersoon kan vragen beantwoorden over de informatie die beschikbaar is en treedt met verzoekers in contact als het verzoek niet duidelijk of niet concreet genoeg is. In 2024 hebben we opnieuw aandacht besteed aan deze taak.

De werkzaamheden zijn uitgewerkt in een protocol en de taak is opnieuw belegd zodat er op dit gebied een nauwe samenwerking is tussen juridische zaken en informatiebeheer. Ook hebben we in 2024 onderzocht welke mogelijkheden er zijn om software te gebruiken die kan ondersteunen bij het anonimiseren van documenten. Dit onderzoek wordt momenteel afgerond. In 2024 hebben we opnieuw verschillende verzoeken om informatie ontvangen. Als dit verzoeken waren op grond van de Woo, dan zijn deze verzoeken beoordeeld en is er een beslissing genomen. Vervolgens is het besluit met de stukken, soms gedeeltelijk, verstrekt en bekendgemaakt via de website. Actieve openbaarmaking In 2024 hebben we verdere stappen gezet ten aanzien van de actieve openbaarmaking. De zeventien categorieën van informatie die verplicht actief openbaar gemaakt moeten worden, worden stap voor stap ingevoerd. Wij zijn hiermee als organisatie op orde en voldoen aan de wettelijke verplichting. De informatie die we op dit moment actief openbaar moeten maken, stellen wij beschikbaar via onze website en via overheid.nl. Daarnaast voldoen wij aan de vereisten die gesteld zijn aan de Woo-index die door de Rijksoverheid beschikbaar is gesteld. Voor de terinzagelegging van documenten geldt dat het vanaf 1 juli 2023 wettelijk verplicht is om deze documenten ook digitaal beschikbaar te stellen.

Dit deden wij als organisatie al geruime tijd voor de invoering van deze wettelijke verplichting, dus ook dit is op orde. Informatiehuishouding op orde Met de behandeling van een aantal Woo-verzoeken is in 2023 gebleken dat niet alle documenten digitaal toegankelijk zijn. Voor hele oude documenten is dit geen verplichting, echter vanaf 2018 dienen documenten al conform de vereisten van digitale toegankelijkheid te zijn opgebouwd. Een projectteam Digitale toegankelijkheid werkt aan een programmaplan om te komen tot een

50

verbetering van bestaande media, maar ook om bij de totstandkoming van nieuwe media, te voldoen aan de eisen die gesteld worden van het Besluit digitale toegankelijkheid.

51

12 Verbonden en overige partijen 12.1

Overige partijen

Werkgeversvereniging Samenwerkende Veiligheidsregio's (WVSV) De WVSV is de werkgeversvereniging van de 25 veiligheidsregio’s die met de werknemersorganisaties op landelijk niveau tot afspraken komt over arbeidsvoorwaarden voor alle werknemers van de veiligheidsregio’s (met uitzondering van het personeel dat onder een eigen Cao valt bijvoorbeeld Cao Ambulancezorg). De WVSV is per 1 januari 2022 officieel van start gegaan. Belang De WVSV maakt namens haar leden afspraken met de vakbonden over collectieve arbeidsvoorwaarden voor het personeel van de veiligheidsregio’s. Deze afspraken worden vastgelegd in de “CAR(-UWO) Veiligheidsregio’s” (voorheen CAR-UWO). Met het vaststellen van de begrotingen voor 2024 heeft de Algemene Vergadering ook het contributiebedrag voor 2024 vastgesteld. Statutair is bepaald dat het lidmaatschap van de veiligheidsregio’s op gelijkwaardige basis plaatsvindt en dat elke veiligheidsregio 1/25ste van het saldo van de begroting bijdraagt. Financiële informatie Eigen en vreemd vermogen voor bestemming 2024: nog niet bekend Jaarresultaat 2024: nog niet bekend Stichting Risicobeheer Veiligheidsregio’s en Stichting Waarborgfonds Veiligheidsregio’s Procedure totstandkoming Eind 2019 zijn de veiligheidsregio’s een project gestart om de afhandeling van ongevallen van personeel, onder de vlag ‘goed werkgeverschap na dienstongevallen’ te verbeteren.

Als gevolg daarvan is het plan opgevat om hier in gezamenlijkheid invulling aan te geven met behulp van een Expertisebureau en een Waarborgfonds. In 2022 en 2023 zijn alle gemeenteraden in Nederland gevraagd om hun wensen en bedenkingen te uiten bij het voorstel om hiertoe twee stichtingen op te richten. Deze stichtingen, het Expertisebureau Risicobeheer en het Waarborgfonds Veiligheidsregio’s zijn met instemming van alle 25 veiligheidsregio’s opgericht in 2022 en 2023. Per 1 januari 2024 zijn de stichtingen operationeel. Doel stichtingen Het doel van de stichtingen is een bijdrage te leveren aan het ‘goed werkgeverschap’ van de veiligheidsregio’s als hun medewerkers onverhoopt te maken krijgen met een dienstongeval. Hieraan wordt invulling gegeven door te ondersteunen bij de uitvoering en financiering van de Landelijke regeling aanspraken na dienstongevallen (LRD).De LRD is een regeling die in overleg

52

binnen de veiligheidsregio’s en de vakbonden tot stand is gekomen en per 1 januari 2024 in werking is getreden. Governance Het Expertisebureau Risicobeheer beschikt over een vergunning van de Autoriteit Financiële Markten (AFM). Tevens staat het Expertisebureau onder toezicht van een Raad van Advies, bestaande uit algemeen directeuren/commandanten en directeuren bedrijfsvoering van de veiligheidsregio’s. Het Waarborgfonds is vrijgesteld van toezicht door De Nederlandsche Bank (DNB) onder de voorwaarde dat een Raad van Toezicht wordt geïnstalleerd. De Raad van Toezicht is ingesteld en voorziet in de noodzakelijke specifieke deskundigheid die daarmee in het Waarborgfonds is geborgd. Daarnaast zijn er beperkingen gesteld aan de financiële omvang van het fonds. Financering LRD en de stichtingen De 25 veiligheidsregio’s dragen gezamenlijk zorg voor de financiering van de LRD. Dit geschiedt door deelname aan beide stichtingen. Het Waarborgfonds geeft dekking voor aanspraken voor zover deze niet verzekerd zijn. Een deel van de aanspraken is nog verzekerd via een collectieve ongevallenpolis. De kosten van het Expertisebureau Risicobeheer en de inleg in het Waarborgfonds worden betaald uit de premies die de veiligheidsregio’s eerder betaalden voor hun ongevallenverzekering. Het Waarborgfonds heeft als doel om binnen 5 jaar een reserve aan te leggen van 5 miljoen euro.

Hiermee is er voldoende financiële zekerheid voor de toekomst. In het eerste jaar (2024) heeft het Waarborgfonds een reserve opgebouwd van ruim 3 miljoen euro. Daarnaast is gewerkt aan het inrichten van de schadeafhandeling en bedrijfsvoering van de stichting ERVRS en het Waarborgfonds. Korte terugblik De implementatie van de LRD en de start van het Expertisebureau en het Waarborgfonds zijn positief te noemen. Inmiddels zijn alle 25 veiligheidsregio’s aangesloten bij het Waarborgfonds. Het schadeverloop in het eerste jaar is bovendien gunstiger dan de prognose, zoals in de businesscase is opgenomen. Ook hebben de 25 veiligheidsregio’s een financieel meerjarenperspectief opgesteld waarin de verwachte schades, de financiering van het ERVRS en de vulling van het fonds in beeld zijn gebracht. Dit geeft vertrouwen in de toekomst.

53

Jaarrekening 2024

54

1 Grondslagen voor de waardering en resultaatbepaling De jaarrekening is opgemaakt met inachtneming van de voorschriften die het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten daarvoor geeft.

1.1

Algemene grondslagen voor het opstellen van de jaarrekening

De waardering van de activa en passiva en de bepaling van het resultaat vindt plaats op basis van historische kosten. Tenzij bij het desbetreffende balanshoofd anders is vermeld, worden de activa en passiva opgenomen tegen nominale waarden. De jaarrekening wordt opgesteld op basis van de continuïteitsveronderstelling. De baten en lasten worden toegerekend aan het jaar waarop zij betrekking hebben. Baten en lasten worden slechts genomen voor zo ver zij op balansdatum zijn gerealiseerd. Verliezen en risico's die hun oorsprong vinden voor het einde van het begrotingsjaar, worden in acht genomen indien zij voor het opmaken van de jaarrekening bekend zijn geworden. Personeelslasten worden in principe toegerekend aan het boekjaar waarop ze betrekking hebben. Als gevolg van het formele verbod op het opnemen van voorzieningen c.q. schulden uit hoofde van jaarlijks terugkerende, arbeidskosten gerelateerde verplichtingen van vergelijkbaar volume worden sommige personele lasten echter toegerekend aan de periode waarin uitbetaling plaatsvindt; daarbij moet worden gedacht aan componenten zoals ziektekostenpremie ten behoeve van gepensioneerden en overlopende verlofaanspraken. 1.1.1

Vaste activa

Materiële vaste activa De materiële vaste activa worden gewaardeerd tegen verkrijgings- of vervaardigingsprijs, verminderd met de afschrijvingen en eventuele bijdragen van derden in de kosten van dit actief. Ten aanzien van de investering en afschrijving worden de bepalingen en termijnen toegepast zoals deze zijn vastgelegd in de nota activabeleid. Financiële vaste activa Leningen u/g zijn opgenomen tegen nominale waarde. Zo nodig is een voorziening voor verwachte oninbaarheid in mindering gebracht. 1.1.2

Vlottende activa

Vorderingen, liquide middelen en overlopende activa Vorderingen, liquide middelen en overlopende activa worden gewaardeerd tegen nominale waarde. Voor verwachte oninbaarheid van de vorderingen wordt een voorziening in mindering gebracht. Deze voorziening wordt statisch bepaald op basis van de geschatte inningskansen.

55

1.1.3

Vaste passiva

Voorzieningen Jaarlijks wordt op basis van bestaande afspraken vastgesteld of de voorzieningen nog toereikend zijn om aan de daaruit voortvloeiende verplichtingen te voldoen. De voorzieningen zijn gewaardeerd tegen nominale waarde. Langlopende schulden Langlopende schulden worden gewaardeerd tegen de nominale waarde, verminderd met gedane aflossingen. De langlopende schulden hebben een rente typische looptijd van één jaar of langer. 1.1.4

Vlottende passiva

Netto-vlottende schulden met een rente typische looptijd korter dan één jaar De schulden worden gewaardeerd tegen nominale waarde. Overlopende passiva De overlopende passiva worden opgenomen tegen nominale waarde. 1.1.5

Resultaatbepaling

Algemeen De baten en de lasten worden toegerekend aan het jaar, waarop zij betrekking hebben. De lasten zijn bepaald met inachtneming van de hierboven vermelde waarderingsgrondslagen en toegerekend aan het verslagjaar waarop zij betrekking hebben. Baten zijn verantwoord in het jaar waarin de diensten zijn verricht. Verliezen zijn in aanmerking genomen in het jaar waarin ze voorzienbaar zijn. Kapitaallasten De geactiveerde investeringen worden afgeschreven met de lineaire afschrijvingsmethode met de daarbij behorende afschrijvingstermijnen. Hierbij wordt de restwaarde bij de bepaling van de afschrijvingsbedragen op nihil gesteld. Van de activa die in de loop van het jaar 2024 in gebruik zijn genomen, wordt vanaf januari 2025 gestart met afschrijven. Aan de geactiveerde investeringen is een rekenrente van 2,25% toegerekend. De rente wordt berekend over de boekwaarde per 1 januari en jaarlijks ten laste van de exploitatie gebracht. De hoogte van de interne rekenrente wordt bij begroting vastgesteld. Lasten FLO-overgangsrecht Op 1 januari 2006 is het Functioneel leeftijdsontslag (FLO) afgeschaft. Voor medewerkers die nog niet met FLO waren, maar wel onder deze regeling vielen, is landelijk het zogeheten FLOovergangsrecht afgesproken. De kosten voor het FLO-overgangsrecht maken onderdeel uit van het gezamenlijke basistakenpakket.

In de begroting van de VRU bevat een structurele post voor de lasten voor het FLO-overgangsrecht. Schommelingen in de begroting worden zoveel mogelijk

56

geëgaliseerd via de bestemmingsreserve FLO-overgangsrecht. Afwijkingen ten aanzien van de realisatie worden toegelicht in de jaarrekening. Jaarlijks wordt de meerjarenraming voor de lasten voor het FLO-overgangsrecht herijkt. Hierbij wordt getoetst of de beschikbare middelen (in meerjarig perspectief) toereikend zijn. Als ontwikkelingen daar aanleiding toe geven, wordt de begroting (en de daarin opgenomen bijdrage voor het gezamenlijke basistakenpakket) bijgesteld, zodat de VRU te allen tijde aan haar verplichtingen kan (blijven) voldoen.

57

2 Overzicht van baten en lasten 2.1

Overzicht van baten en lasten naar categorie

Tabel 27 Overzicht baten en lasten naar categorie

Het jaar 2024 sluit met een positief resultaat voor bestemming van € 7,3 miljoen (circa 5% van de begroting). Een deel van de afwijkingen op de verschillende categorieën is technisch van aard en aan elkaar gerelateerd. Per saldo zorgen deze afwijkingen niet voor een resultaateffect. Deze saldo-neutrale afwijkingen zijn in tabel 1 in de samenvatting apart inzichtelijk gemaakt om vervolgens inzicht te geven in de gecorrigeerde afwijkingen die leiden tot het gerealiseerde rekeningresultaat. Personele lasten •

CAO uitwerking: De lagere personele kosten worden voornamelijk veroorzaakt door een incidenteel voordeel op de salariskosten als gevolg van de uitwerking van de CAO 2024/2025 die op 28 juni 2024 formeel is vastgesteld. Dit leidt tot een incidenteel voordeel van € 1,6 miljoen in 2024. Structureel is de opgenomen stelpost voor loonontwikkeling passend en leidt de uitwerking van de nieuwe cao voor veiligheidsregio’s niet tot aanpassingen van de vastgestelde begroting VRU 2025.

•

Vacatureruimte: Door vacatureruimte is er sprake van € 1,2 miljoen lagere salariskosten. Door de steeds krapper wordende arbeidsmarkt is het lastig om de juiste mensen te vinden en duurt het lang om vacatures ingevuld te krijgen. Daarom is het belangrijk dat de VRU een aantrekkelijke en onderscheidende organisatie is, waar talent wil werken.

58

•

Versterking crisisbeheersing: Voor de versterking van crisisbeheersing en informatiemanagement zijn extra gelden vanuit het Rijk beschikbaar gesteld middels een ophoging van de rijksbijdrage. De structurele inzet van de middelen voor versterking crisisbeheersing en informatiemanagement is verwerkt in de begroting 2024, maar de invulling daarvan is vertraagd. Dit leidde in 2024 tot een incidentele onderbesteding van € 0,3 miljoen. Daarnaast zijn de personele kosten voor (project)activiteiten voor de versterking van de crisisorganisatie € 0,2 miljoen lager dan begroot, omdat een deel van de in 2024 activiteiten doorloopt in 2025.

Rijksbijdrage •

De hogere (algemene) rijksbijdrage wordt veroorzaakt door de loon- en prijsbijstelling 2024 van de BDuR, die 25 juni 2024 is toegekend. Het structureel voordeel ten opzichte van de stelpost waar in de begroting 2024 rekening mee is gehouden bedraagt € 424K. Dit voordeel heeft een structureel karakter en wordt bij de actualisatie van de begroting 2025 verrekend met de gemeentelijke bijdrage.

Overige baten •

De hogere (overige) baten worden voornamelijk veroorzaakt door de hogere overheadvergoeding van € 2,3 miljoen voor werkzaamheden voor de crisisnoodopvang (CNO). Deze aanvullende vergoeding heeft betrekking op de indirecte kosten en overhead, zoals de leiding en coördinatie, inzet van beleid/adviescapaciteit en ondersteunende afdelingen binnen de VRU. Het betreft dus een vergoeding voor de inzet van de VRU organisatie voor deze tijdelijke niet-wettelijke taak. Daarnaast waren de opbrengsten uit detacheringen (€ 480K) hoger dan begroot.

2.2 2.2.1

Toelichting op het overzicht van baten en lasten naar categorie Categorie L1 – Personele lasten

Tabel 28 Personele lasten

1 Hogere personele kosten opvang ontheemden Oekraïne (- € 423K): dit betreft voornamelijk hogere kosten voor inhuur. Tegenover de hogere lasten staat een hogere rijksbijdrage. Per saldo is geen sprake van een resultaateffect. (zie B2-1).

59

2 Hogere kosten crisisnoodopvang (CNO) (- € 107K): dit betreft voornamelijk hogere kosten eigen personeel, deze kosten worden vergoed door het COA. Per saldo is geen sprake van een resultaateffect. (zie B2-2). 3 Hogere kosten Coördinatie Huisvesting Evacués (- € 44K): dit betreft voornamelijk hogere kosten voor inhuur. Tegenover de hogere lasten staat een hogere rijksbijdrage. Per saldo is geen sprake van een resultaateffect. (zie B2-3). 4 Lagere projectkosten Meldkamer Midden-Nederland (€ 204K): Door een vertraging in het project, zijn er minder kosten gemaakt. Tegenover deze lagere kosten, staat een lagere onttrekking uit de reserve. Per saldo is geen sprake van een resultaat effect. 5 CAO uitwerking (€ 1.613K): dit is het gevolg van de uitwerking van de CAO 2024/2025 die op 28 juni 2024 formeel is vastgesteld. 6 Lagere kosten versterking crisisbeheersing (€ 519K): voor de versterking van crisisbeheersing en informatiemanagement zijn extra gelden vanuit het Rijk beschikbaar gesteld middels een ophoging van de rijksbijdrage. De structurele inzet van de middelen voor versterking crisisbeheersing en informatiemanagement is verwerkt in de begroting 2024, maar de invulling daarvan is vertraagd. Dit leidde in 2024 tot een incidentele onderbesteding van € 338K.

Daarnaast zijn de personele kosten voor (project)activiteiten voor de versterking van de crisisorganisatie € 181K lager dan begroot, omdat een deel van de in 2024 activiteiten doorloopt in 2025. 7 Lagere kosten bestemde middelen (€ 737K): in 2024 was in de begroting een aantal projecten, waarvan de dekking in verschillende reserves was opgenomen. In 2024 is minder uitgegeven en daartegenover staat een lagere onttrekking. Per saldo geen resultaateffect. (zie R1 en R2). 8 Lagere salariskosten door vacatureruimte en overige afwijkingen (€ 1.724K): dit betreft voornamelijk het saldo aan lagere salarislasten door vacatureruimte en hogere kosten voor vervangende inhuur. Een deel van de vacatures is lastig in te vullen, zodat vacatures langer open staan en meer inspanning nodig is om deze in te vullen. 2.2.2

Categorie L2 – Kapitaallasten

Tabel 29 Kapitaallasten

1 Lagere kapitaallasten (€ 92K): de lagere kapitaallasten leiden tot een hogere dotatie aan de kapitaallastenreserve (zie R1-1). Per saldo leidt dit niet tot een resultaateffect.

60

2.2.3

Categorie L3 – Materiële lasten

Tabel 30 Materiële lasten

1 Lagere materiële kosten opvang ontheemden Oekraïne (€ 55K): in de geactualiseerde begroting was rekening gehouden met hogere materiële kosten voor de opvang van Ontheemde Oekraïners dan uiteindelijk is gerealiseerd. De lagere kosten worden in de eindafrekening verrekend in de rijksbijdrage, waardoor per saldo geen sprake is van een resultaateffect. (zie B2-1). 2 Lagere kosten crisisnoodopvang (CNO) (€ 1.290K): in de geactualiseerde begroting was rekening gehouden met hogere materiële kosten voor de crisisnoodopvang dan uiteindelijk is gerealiseerd. Per saldo is geen sprake van een resultaateffect. (zie B2-2). 3 Lagere projectkosten Meldkamer Midden-Nederland (€ 47K): Door een vertraging in het project, zijn er minder kosten gemaakt. Tegenover deze lagere kosten, staat een lagere onttrekking uit de reserve. Per saldo is geen sprake van een resultaat effect. (zie L1-4 en B2-4) 4 Lagere kosten Coördinatie Huisvesting Evacués (€ 12K): dit betreft voornamelijk lagere kosten voor inhuur. Tegenover de lagere lasten staat een lagere rijksbijdrage. Per saldo is geen sprake van een resultaateffect. (zie B2-3). 5 Lagere kosten beheerpakketten (€ 73K): de gemeenten zijn verantwoordelijk voor de brandweerposten en stellen deze om niet ter beschikking aan de veiligheidsregio.

Gemeenten kunnen via het individueel gemeentelijk pluspakket beheertaken door de VRU laten uitvoeren en betalen daarvoor een kostendekkende vergoeding. De lagere kosten in 2024 zijn verrekend met een lagere vergoeding voor het individueel pluspakket. Per saldo is geen sprake van een resultaateffect. (Zie B1-1). 6 Lagere kosten bestemde middelen (€ 184K): in 2024 was in de begroting een aantal projecten, waarvan de dekking in verschillende reserves was opgenomen. In 2024 is minder uitgegeven en daartegenover staat een lagere onttrekking. Per saldo geen resultaateffect. (zie R21, R2-2 en R2-3).

2.2.4

Categorie B1 – Bijdragen en vergoedingen gemeenten

Tabel 31 Bijdragen en vergoedingen gemeenten

61

1 Lagere vergoeding beheerpakketten (- € 73K): dit betreft de verrekening van de lagere huisvestingskosten (zie L3-5). 2.2.5

Categorie B2 – Rijksbijdrage

Tabel 32 Rijksbijdrage

1 Hogere vergoeding rijksbijdragen voor Ontheemden Oekraïne (€ 368K): dit betreft het saldo van de eindafrekening met betrekking tot de opvang van ontheemde Oekraïners. Tegenover deze hogere opbrengsten staan per saldo ook hogere kosten (zie L1-1 en L3-1). Per saldo is geen sprake van een resultaateffect. 2 Hogere vergoeding BDuR (€ 424K): de hogere rijksbijdrage is het gevolg van een hogere toekenning van de loon- en prijsaanpassing voor 2024 ten opzichte van het bedrag waar in de begroting rekening mee is gehouden. 3 Hogere vergoeding Coördinatie Huisvesting Evacués (€ 33K): dit betreft het saldo van de jaarkosten voor de Coördinatie Huisvesting Evacués. Tegenover deze hogere vergoeding staan hogere kosten (zie L1-3 en L3-4). Per saldo is geen sprake van een resultaateffect. 4 Lagere vergoeding rijksbijdragen voor kernbezetting crisistaken (- € 868): dit betreft een eenmalige rijksbijdrage die in het kader van SISA niet in 2024 verantwoord wordt, maar wordt doorgeschoven naar 2025. Tegenover deze lagere opbrengst staat ook een lagere storting in de bestemmingsreserve 'Incidentele crisistaken' (zie R1-4). Per saldo is geen sprake van een resultaateffect. 2.2.6

Categorie B3 – Overige baten

Tabel 33 Overige baten

1 Boekwinst verkoop activa (€ 391K): dit betreft de gerealiseerde boekwinst op de verkocht activa die conform het activabeleid wordt gedoteerd aan de egalisatieserve kapitaallasten (zie R1-1). Per saldo leidt dit niet tot een resultaateffect. 2 Lagere vergoeding crisisnoodopvang (€ 1.183K): dit betreft een lagere vergoeding dan begroot, tegenover deze lagere vergoeding, staan lagere kosten. Per saldo geen sprake van een resultaat. (zie L1-2 en L3-2). 3 Overheadvergoeding crisisnoodopvang (€ 2.345K): er is meer overheadvergoeding ontvangen dan in de begroting opgenomen, dit betreft voornamelijk vergoeding voor eigen personeel.

62

4 Lagere vergoeding Meldkamer Midden Nederland (€ 190K): wegens vertraging en activiteiten niet uit te besteden, maar met inhuur uit te voeren, zijn de projectenkosten in 2024 lager dan begroot. De gemaakte kosten worden middels een verdeelsleutel doorberekend aan de samenwerkende Veiligheidsregio’s. Tegenover deze lagere kosten staan lagere opbrengsten. Per saldo leidt dit niet tot een resultaateffect (L3-3 en R2-4). 5 Saldo overige afwijkingen (€ 697K): dit betreffen hogere opbrengsten detacheringen € 480K en hogere overige opbrengsten € 217K. 2.2.7

Categorie R1 – Storting reserves

Tabel 34 Storting reserves

1 Hogere dotatie kapitaallastenreserve (- € 483K): conform het activabeleid wordt de gerealiseerde boekwinst (zie B3-1) op verkochte activa gedoteerd aan de egalisatieserve kapitaallasten (-391K). De overige afwijking (€ -92K) betreft de dotatie van het positieve saldo van de lagere kapitaallasten. Per saldo leidt dit niet tot een resultaateffect. 2 Lagere dotatie reserve FLO-overgangsrecht (€ 59K): dit betreft de dotatie van het saldo van de lagere lasten FLO (zie L1-7 en L3-6). 3 lagere dotatie reserve 2e loopbaan (€ 7K): dit betreft de dotatie van het saldo van de lagere lasten FLO (zie L1-7 en L3-6). 4 Lagere dotatie reserve incidentele crisistaken (€ 868): de kosten voor dekking van de kernbezetting zijn doorgeschoven naar 2025. Tegenover deze lagere dotatie staat ook een lagere rijksbijdrage (zie B2-4). Per saldo is geen sprake van een resultaateffect. 2.2.8

Categorie R2 – Onttrekking reserves

Tabel 35 Onttrekking reserves

1 Lagere onttrekking ontwikkel- en egalisatiereserve (- € 890k): de lagere onttrekking betreft doorgeschoven activiteiten (zie L1-7, L3-6 en L3-7). 2 Lagere onttrekking reserve 2e loopbaan (- € 11k): dit betreft de dotatie van het saldo van de lagere lasten 2e loopbaan (zie L1-7 en L3-6). 3 Lagere onttrekking kapitaallastenreserve (- € 63k): dit betreft doorgeschoven activiteiten (zie L1-7 en L3-6).

63

4 Lagere onttrekking bestemmingsreserve meldkamer (- € 61k): dit betreft een lagere onttrekking van het saldo van de projectkosten (zie L3-3 en B3-4).

2.3

Overzicht van baten en lasten in de jaarrekening 2024

Tabel 36 Overzicht baten en lasten

64

3 Balans 3.1

Balans ultimo boekjaar

Tabel 37 Balans per 31 december

3.2

Toelichting op de balans

3.2.1 Materiële vaste activa De VRU heeft uitsluitend investeringen met een economisch nut. De volgende tabel geeft het verloop van de boekwaarde van de materiële vaste activa weer. Tabel 38 Materiële vaste activa

De volgende tabel geeft inzicht in de gerealiseerde investeringen € 10.132K ten opzichte van de geactualiseerde begroting € 16.253K.

65

Tabel 39 Investeringen

Het verschil tussen de begroting en de gerealiseerde investeringen wordt voor het grootste deel veroorzaakt door het doorschuiven van (het gereedkomen van) de investeringen. Ten aanzien van deze investeringen is al wel een deel uitgegeven (activa in uitvoering ultimo 2024 bedraagt € 2.105K). 3.2.2

Financiële vaste activa

Tabel 40 Financiële vaste activa

De financiële vaste activa betreft voor de regionalisering verstrekte hypotheken aan personeelsleden die toen in dienst waren van de gemeente. Er worden door de veiligheidsregio geen nieuwe leningen verstrekt. In 2024 werd €3k aan rente ontvangen 3.2.3

Uitzettingen met een rente typische looptijd korter dan 1 jaar

In de volgende tabel is een nadere specificatie opgenomen van de uitzettingen met een looptijd van één jaar of minder. Tabel 41 Uitzettingen korter dan één jaar

De uitzetting in ’s Rijksschatkist is lager dan ultimo 2023 doordat in 2024 een langlopende lening is afgesloten voor de financiering van investeringen. De Regeling schatkistbankieren decentrale overheden geeft de VRU de mogelijkheid om een percentage van het begrotingstotaal aan geldmiddelen buiten ’s Rijksschatkist aan te houden. De volgende tabel toont dat de VRU aan deze bepaling heeft voldaan in 2024.

66

Tabel 42 Regeling schatkistbankieren

3.2.4

Liquide middelen

Het saldo van de liquide middelen betreft uitsluitend het saldo van de rekening-courant verhouding met de BNG Bank. Deze middelen staan ter vrije beschikking van de VRU. Tabel 43 Liquide middelen

3.2.5

Overlopende activa

Tabel 44 Overlopende activa

De nog te ontvangen bedragen van de GGD en het Rijk hebben te maken met de opvang Ontheemden Oekraïne 2022 en 2023, de nog te ontvangen bedragen Provincie betreft de vordering voor opvang Ontheemde Oekraïne 2024. De nog te ontvangen bedragen CAO hebben betrekking op de voorgeschoten kosten voor de opgang vluchtelingen. Deze kosten worden vergoed door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers. De nog te ontvangen bedragen, bestaan voornamelijk uit renteopbrengsten en projectkosten Meldkamer die worden vergoed door VR Flevoland en VR Gooi & Vechtstreek.

67

3.2.6

Eigen vermogen

Tabel 45 Eigen vermogen

Hierna worden de mutaties per reserve toegelicht. De bestemming van het rekeningresultaat over 2024 is verwerkt conform het besluit van het algemeen bestuur. Bedrijfsvoeringreserve Door het aanhouden van een reserve is de VRU in staat om een deel van de risico’s op te vangen, zonder dat dit direct afgewenteld hoeft te worden op de gemeenten. De schommelingen die optreden worden opgevangen met deze reserve. De omvang van de bedrijfsvoeringreserve (weerstandvermogen) is minimaal gelijk aan de op basis benodigde weerstandscapaciteit (zie paragraaf 10.2 van het jaarverslag). De bedrijfsvoeringreserve valt met 1,2% van het begrotingsvolume binnen de afgesproken bandbreedte (1% - 2%). Egalisatiereserve kapitaallasten Via het meerjarig investeringsplan wordt gestuurd op een meerjarig evenwicht tussen de begrote en gerealiseerde kapitaallasten (afschrijving en rente). Om de kosten van afschrijving en rente over de jaren te egaliseren wordt gebruik gemaakt van een egalisatiereserve. Tekorten op de kapitaallasten worden aan deze reserve onttrokken. Overschotten worden aan deze reserve gedoteerd. Boekwinst (opbrengst activa) of –verlies (versnelde afschrijving) bij afstoten van activa wordt ten gunste of ten laste van de exploitatie gebracht en vervolgens via een dotatie/onttrekking gemuteerd in de reserve egalisatie kapitaallasten.

Egalisatiereserve lasten FLO-overgangsrecht De reserve ‘lasten FLO-overgangsrecht’ wordt ingezet om de kosten voor het FLO-overgangsrecht meerjarig te kunnen egaliseren. Hiermee wordt een (structurele of incidentele) stijging van de gemeentelijke bijdrage voorkomen en ontstaat een beperkte buffer om fluctuaties die het gevolg zijn van de afspraken in het FLO-overgangsrecht in meerjarig perspectief op te vangen. Egalisatiereserve tweede loopbaan Vanwege het wegvallen van het FLO voor repressief brandweerpersoneel is tweede loopbaanbeleid geïntroduceerd. Om hieraan uitvoering te kunnen gaan geven, is de egalisatiereserve tweede loopbaan gevormd. Jaarlijks wordt een storting gedaan om de kosten voor onder andere om-/bijscholing en vervanging te dekken. In 2024 is hierin een bedrag gestort

68

van € 177K. De werkelijke kosten voor tweede loopbaanbeleid fluctueren en worden jaarlijks aan deze reserve onttrokken. Ontwikkel- en egalisatiereserve Het doel van de ontwikkel- en egalisatiereserve is het vermijden van incidentele verhogingen of teruggaven van de gemeentelijke bijdragen. Dit leidt tot financiële stabiliteit in de begroting van de VRU en de bijdrage van de gemeenten. De middelen uit de reserve zijn bestemd voor: ▪ Het mogelijk maken van incidentele/projectmatige (beleids)activiteiten om de beleidsdoelstellingen uit het beleidsplan of structurele efficiencyvoordelen te realiseren; ▪ Het dekken van incidentele kosten die voortvloeien uit exogene factoren. Bestemmingsreserve meldkamer De Meldkamer Midden-Nederland zal in 2025 in gebruik genomen worden. Middels deze reserve worden de door het rijk en de Nationale Politie toegekende middelen ingezet als dekking voor de project- en frictiekosten. Bestemmingsreserve Omgevingswet De kosten voor de invoering van de omgevingswet worden uit deze reserve onttrokken. Door de invoering van de omgevingswet per 2024 is in 2024 het gehele bedrag van € 30K onttrokken. Bestemmingreserve incidentele crisistaken Het doel van de bestemmingsreserve is het in stand houden van een kernbezetting, om de onvoorspelbaarheid en flexibiliteit van crises te waarborgen.

Deze kernbezetting zorgt ervoor dat waardevolle kennis, vaardigheden en ervaring die de afgelopen jaren binnen de VRU zijn opgebouwd, behouden blijven. De rijksfinanciering voor deze kernbezetting is beschikbaar voor een periode van vijf jaar (2025 t/m 2029). Hiervoor hebben we in 2024 een eenmalige bijdrage van € 0,4 miljoen ontvangen. 3.2.7

Voorzieningen

Tabel 46 Voorzieningen

In 2024 zijn er op basis van de regeling verlofsparen bovenwettelijk verlofuren opgenomen en gespaard. De financiële waarde van de gespaarde verlofuren zijn toegevoegd – en de opgenomen verlofuren zijn onttrokken aan de voorziening. Het financiële effect is per saldo € 187k. In 2023 is een tijdelijke regeling voor vervroegd uittreden opgenomen in de CAO. Medewerkers die gebruik maken van deze regeling ontvangen een maandelijks bedrag tot zij de AOW-leeftijd bereiken. Een aantal medewerkers maakt gebruik van deze regeling. De hieruit voortvloeiden verplichting voor 2025 en verder bedraagt € 224k. Hiervoor is geen (structureel) budget opgenomen in de begroting. * € 192k is heeft een kortlopend karakter en zal in 2025 worden uitgekeerd.

69

3.2.8

Vaste schulden met een rente typische looptijd langer dan 1 jaar

Tabel 47 Vaste schulden langer dan één jaar

De langlopende schulden worden hoofdzakelijk gebruikt voor de financiering van de vaste activa. In 2023 is 1 nieuwe lening afgesloten, een langlopende lening waarvoor in 2024 het geld is ontvangen. 3.2.9 Netto-vlottende schulden met een rente typische looptijd korter dan 1 jaar De in de balans opgenomen netto-vlottende schulden met een rente typische periode korter dan 1 jaar, bestaat uitsluitend uit het crediteurensaldo. Tabel 48 Vlottende schulden korter dan één jaar

3.2.10

Overlopende passiva

Tabel 49 Overlopende passiva

Te betalen aan het Rijk Onder deze post is voor een totaalbedrag van € 110K de afrekening van de bekostiging eerste opvang ontheemden Oekraïne opgenomen 2022 en 2023 en de afrekening van Coördinatie Huisvesting Evacués opgenomen. Tevens is hier een bedrag van € 868K opgenomen met betrekking tot een eenmalige rijksbijdrage voor de kernbezetting voor crisistaken, die in het kader van SISA niet in 2024 verantwoord wordt, maar wordt doorgeschoven naar 2025.

70

Nog te betalen bedragen Deze post bestaat voornamelijk uit de nog te betalen vrijwilligersvergoedingen van de maanden november en december 2024. Tabel 50 Specificatie vorderingen en schulden specifieke uitkeringen

3.3

Waarborg en garanties

In 2021 is een bankgarantie verstrekt van € 56K met betrekking tot de huur van de nieuwe ademluchtbescherming-werkplaats in Houten. De bankgarantie loopt tot en met 2037.

3.4

Niet in de balans opgenomen verplichtingen

Tabel 51 Niet in de balans opgenomen verplichtingen

Huurverplichtingen Ons hoofdkantoor aan de Archimedeslaan in Utrecht is contractueel tot juli 2025 gevestigd in het Huis van de Provincie te Utrecht. De jaarlijkse huur- en servicekosten bedragen € 604k (prijspeil 2024). Vanaf medio 2022 wordt voor 15 jaar een pand in Houten gehuurd waarin de adembeschermingswerkplaats wordt gevestigd. De huur bedraagt € 229K per jaar (prijspeil 2024). Verplichtingen investeringen In het overzicht zijn grote investeringen opgenomen die reeds zijn besteld, maar waarvan de levering nog moet plaatsvinden.

71

Niet opgenomen verlofdagen Ten aanzien van de verlofdagen zijn uitsluitend de feitelijke jaarlasten in de rekening opgenomen. Ultimo 2024 is een totaal openstaand verlofsaldo van 81.989 uur aanwezig, dit is gemiddeld 120,7 uur per FTE. Eind 2023 was het totaal openstaand verlofsaldo 77.003 uur, dit is gemiddeld 118,8 uur per FTE.

3.5

Gebeurtenissen na balansdatum

Er is geen sprake van gebeurtenissen na balansdatum met een materiële impact op de jaarrekening 2024.

72

4 Wet normering topinkomens (WNT) 4.1

Bezoldiging topfunctionarissen 2024

Tabel 52 Bezoldiging topfunctionarissen

73

4.2

Onbezoldigde topfunctionarissen

Tabel 53 Toezichthoudende topfunctionarissen

74

5 Single informatie Single Audit (SISA) Figuur 9 Single Information Single Audit Specifieke uitkering

A2

Brede Doeluitkering Rampenbestrijding (BDUR)

Ontvanger

Uitkeringscode

JenV

Juridische grondslag

Verstrekker

SiSa bijlage verantwoordingsinformatie 2024 op grond van artikel 3 van de Regeling informatieverstrekking sisa - d.d. 7-01-2025

Indicator Besteding (jaar T)

Indicator

Indicator

Indicator

Indicator

Besluit veiligheidsregio's artikelen 8.1, 8.2 en 8.3 Veiligheidsregio's

VRO

AenM

J120

M18

Aard controle R Indicator: A2/01 € 13.901.533 Besteding (jaar T)

Opdrachtverlening VRU/UHE Pilot Coördinatie Huisvesting Evacués

Aard controle R Indicator: J120/01 € 237.337 Naam Kostensoort Besteding per kostensoort (zelfstandige uitvoering inclusief uitvoering door andere partijen, niet zijnde medeoverheden, jaar T)

Bekostiging eerste opvang ontheemden Oekraïne door Veiligheidsregio’s

Cumulatieve besteding per kostensoort (t/m jaar T inclusief uitvoering door andere medeoverheden vanaf SiSa 2023)

Veiligheidsregio’s Aard controle n.v.t. Aard controle R Aard controle R Indicator: M18/01 Indicator: M18/02 Indicator: M18/03 1 Meerkosten coördinerende gemeente 2 Hotels/centra 3 Overige specifieke meerkosten 4 Overige Meerkosten €0 € 23.697.389 Berekening totale besteding Eindverantwoording (Ja/Nee) Eventuele toelichting als bij de (zelfstandige uitvoering inclusief vorige indicator “nee” is ingevuld uitvoering door andere partijen, niet zijnde medeoverheden, jaar T) Som indicator 02

1 AenM

M29B

Bekostigingsregeling eerste opvang ontheemden Oekraïne door Regionale openbare lichamen (SiSa tussen medeoverheden)

Aard controle n.v.t. Aard controle n.v.t. Aard controle n.v.t. Indicator: M18/04 Indicator: M18/05 Indicator: M18/06 € 0 Ja Naam regionaal openbaar Naam kostensoort Besteding per kostensoort (jaar lichaam, provincie of gemeente T)

SiSa tussen medeoverheden Aard controle n.v.t. Indicator: M29B/01 1 2 3 4 5 050588 Veiligheidsregio Utrecht Eindverantwoording (Ja/Nee)

Aard controle n.v.t. Indicator: M29B/04

Aard controle n.v.t. Indicator: M29B/02 Meerkosten regie Meerkosten coördinatie van de spreiding van ontheemden Meerkosten communicatie Meerkosten zorgkosten Meerkosten materiele uitgaven € 9.228.048 Eventuele toelichting als bij de vorige indicator “nee” is ingevuld

Aard controle R Indicator: M29B/03

Aard controle n.v.t. Indicator: M29B/05

Nee

75

Indicator

6 Rechtmatigheidsverantwoording Verantwoordelijkheid dagelijks bestuur De baten en lasten alsmede de balansmutaties moeten getrouw in de jaarrekening worden opgenomen. Uit het getrouw opnemen van de baten en lasten alsmede de balansmutaties, blijken een drietal rechtmatigheidscriteria niet expliciet. Dit betreffen het begrotings-, voorwaarden-, en misbruik- en oneigenlijk gebruik criterium. In deze rechtmatigheidsverantwoording licht het dagelijks bestuur toe in hoeverre bij de in de jaarrekening verantwoorde baten en lasten, alsmede de balansmutaties het begrotings-, voorwaarden-, en misbruik- en oneigenlijk gebruik criterium zijn nageleefd. Dit houdt in dat de verantwoorde baten en lasten, alsmede de balansmutaties in overeenstemming zijn met door het algemeen bestuur vastgestelde kaders zoals de begroting en verordeningen en met bepalingen in de relevante wet- en regelgeving. Bij de waarderingsgrondslagen in de jaarrekening is het door het algemeen bestuur op 24 maart 2025 vastgestelde normenkader van de relevante wet- en regelgeving verder toegelicht. Deze verantwoording hanteert een grensbedrag omdat alleen de van belang zijnde aspecten in de verantwoording hoeven te worden betrokken. Deze grens is door het algemeen bestuur bepaald en bedraagt 1% van de totale lasten inclusief toevoegingen aan de reserves en is daarmee vastgesteld op € 1,47 miljoen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15606680/1