1152620 Verordening Leerlingenvervoer bijlage 2 Visie document leerlingenvervoer Samenwerkingsverband
Tekst van het document
Uitgangspunten samenwerking Leerlingenvervoer & Onderwijs 23-08-2022
OOGO passend onderwijs en jeugdhulp regio Amersfoort 15-9-2022
Inhoud
Inleiding ................................................................................................................................................... 2 Aanleiding opstellen uitgangspunten samenwerking ............................................................................. 3 Gezamenlijke uitgangspunten ................................................................................................................. 4 Uitgangspunten nieuwe verordening...................................................................................................... 5 De nieuwe verordening ........................................................................................................................... 8
1
Inleiding Sinds 1987 zijn gemeenten financieel verantwoordelijk voor het bieden van een bekostiging leerlingenvervoer en krijgen zij hiervoor middelen in het gemeentefonds. Sindsdien heeft ze de wettelijke taak om, weliswaar binnen criteria, te zorgen voor een vergoeding voor passend vervoer naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school, die aansluit op de levensovertuiging van de ouders *en/of de leerling. Wat passend vervoer is, is niet bij wet gedefinieerd en moet per leerling onderzocht worden. Voor alle leerlingen die een beroep doen op een bekostiging leerlingenvervoer geldt, dat wanneer zij door een structurele handicap onmogelijk zelfstandig naar school kunnen reizen, er door de gemeente ondersteuning wordt geboden. Op 1 augustus 2014 werd de Wet passend onderwijs van kracht. Doel van deze wet is dat alle leerlingen, dus ook leerlingen die extra ondersteuning in de klas nodig hebben, een passende onderwijsplek zo dicht mogelijk bij huis krijgen. Sindsdien hebben schoolbesturen een zorgplicht. Dit betekent dat zij vanaf 1 augustus 2014 iedere leerling, die extra ondersteuning nodig heeft, een passende onderwijsplek moeten bieden. Samenwerkende besturen en scholen (samenwerkingsverband) organiseren deze ondersteuning binnen het regulier of (voortgezet) speciaal onderwijs. Indien nodig verwijst een samenwerkingsverband een leerling naar het best passende onderwijs.
Dit sluit niet altijd aan bij de mogelijkheden, die de gemeente heeft voor een vergoeding leerlingenvervoer, aangezien daarbij wettelijk wordt uitgegaan van de dichtstbijzijnde toegankelijke school. In de praktijk kan dit leiden tot vervelende situaties, waarbij ouders en leerlingen op basis van de verwijzing van het samenwerkingsverband voor een school kiezen en daarna gaan informeren naar de vergoedingsmogelijkheden bij de gemeente. Als dan blijkt, dat de school niet de dichtstbijzijnde toegankelijke school is, kan er een vervoersprobleem ontstaan voor de ouders en de leerling. Deze vervoersproblemen kunnen voorkomen worden als het vervoer in een vroegtijdig stadium van de verwijzing aandacht krijgt. Dat kan zijn, door ouders er op te wijzen, dat ze zelf een vervoersoplossing moeten bedenken/organiseren, maar ook door de gemeente te betrekken bij de verwijzing en daar al de vergoedingsmogelijkheden bespreken. Een nog betere oplossing, die prettig is voor de leerling en ouders, is het organiseren van de best passende onderwijs zo dicht mogelijk bij huis. Sinds de decentralisatie van de Jeugdwet op 1 januari 2015 worstelen veel gemeenten met de scheidslijn tussen Jeugdwetvervoer en leerlingenvervoer.
Het komt regelmatig voor, dat Wijkteammedewerkers, Jeugdconsulenten en/of Gezinscoaches (al dan niet belast met de beoordeling van een vervoersvraag) van mening zijn, dat er door de gemeente een vervoersoplossing moet worden geboden aan een gezin. Zij doen dan een beroep op het leerlingenvervoer, terwijl de criteria in het leerlingenvervoer daar geen ruimte voor geven. Dit leidt meer dan eens tot frustraties tussen collega’s onderling, bij ouders, bij scholen en het leidt tot onduidelijkheid over de kosten. Het is voor gemeenten financieel gezien niet mogelijk om mee te gaan met verwijzingen van leerlingen naar best passende scholen, die niet dichtbij huis staan. Wettelijk zijn gemeenten dat bovendien niet verplicht. Om een oplossing te vinden is er overleg nodig tussen de samenwerkingsverbanden en de gemeenten.
*Daar waar gesproken wordt over ouders betreft het ouders en/of verzorgers
2
De gemeenten en samenwerkingsverbanden in onze regio werken volgens een gezamenlijke visie samen binnen het OOGO Passend Onderwijs en Jeugdhulp aan de hand van een samenwerkingsagenda. Leerlingenvervoer is een vast agendapunt waarmee we gezamenlijk zorgdragen voor onderlinge afstemming en samenwerking in de driehoek zorg – onderwijs – vervoer. Gezamenlijk pleiten we ervoor om naar ouders transparant te zijn over de mogelijkheden en onmogelijkheden in het leerlingenvervoer en dat er voor bepaalde schoolkeuzes geen leerlingenvervoer zal zijn. Ouders hebben dan geen verkeerde verwachtingen en ze weten waar ze aan toe zijn.
Aanleiding opstellen uitgangspunten samenwerking Op de samenwerkingsagenda van Passend onderwijs en Zorg voor de jeugd van de regio Amersfoort staat het thema: Verbinding van de rol van de samenwerkingsverbanden (SWV’en) het beleid van het leerlingenvervoer, benoemd. De gemeenten van de regio Amersfoort hebben het leerlingenvervoer gezamenlijk aanbesteed via een Europese aanbesteding. De contracten zijn afgesloten vanaf het schooljaar 2017 – 2018 en zijn sindsdien elk schooljaar verlengd. Dit is nog mogelijk tot en met het schooljaar 2023 – 2024. Alle deelnemende gemeenten willen hun verordeningen leerlingenvervoer actualiseren voordat er een nieuwe aanbesteding wordt gestart. Zij willen hierin samen optrekken zoals ook eerder is gebeurd bij het vaststellen van de huidige verordening leerlingenvervoer in de regio Amersfoort. De nieuwe ‘Model Verordening bekostiging leerlingenvervoer’ van de VNG wordt als basis genomen. In deze nieuwe modelverordening, wordt expliciet aandacht besteed aan het OOGO met de samenwerkingsverbanden. Hiermee wordt beoogd dat gemeenten en de samenwerkingsverbanden (SWV’en) elkaar spreken en/of nadere afspraken maken over het leerlingenvervoer. In dit document beschrijven we de uitgangspunten in de samenwerking die nodig zijn om de nieuwe verordening te kunnen vaststellen en de aanbesteding te starten.
Daarnaast hebben we de handreiking ‘Verrassend passend leerlingenvervoer’ van de VNG gebruikt om ook afspraken te maken over de onderwerpen die genoemd worden in de handreiking. De genoemde onderwerpen zijn eveneens een nadere uitwerking van onze gezamenlijke visie om passend onderwijs en zorg en ondersteuning zo dichtbij mogelijk te organiseren.
3
Gezamenlijke uitgangspunten We streven naar inclusief onderwijs met passende ondersteuning/hulp, zo dicht mogelijk bij huis. De leerling met zijn/haar ‘specifieke onderwijskundige behoefte’ en de context waarin het kind zich bevindt, staan centraal. Wanneer er leerlingenvervoer nodig is, dan bezoekt de leerling de ‘dichtstbijzijnde toegankelijke passende school’ die aansluit op de levensovertuiging van de ouders* en/of de leerling. Bij het vaststellen van de vervoersbehoefte wordt gekeken naar de individuele mogelijkheden van een leerling zoals persoonskenmerken, leeftijd, de route, de behoeften van de leerling en de stimulerende/begeleidende rol van de ouders. Zelfstandig reizen wordt gestimuleerd om zo de zelfredzaamheid van kinderen te vergroten. Er wordt gehecht aan een zorgvuldige uitvoering van het leerlingenvervoer (maatwerk). Daarom is het van belang om de mogelijkheid voor het inzetten van leerlingenvervoer eerder bij een inclusief onderwijsadvies te betrekken zodat het leerlingenvervoer op tijd kan worden aangevraagd en geen sluitstuk is. Hierover worden werkafspraken gemaakt tussen gemeenten, de samenwerkingsverbanden en betrokken partners. Er is afstemming en samenwerking binnen de regio Amersfoort zodat er richting ouders, leerlingen, vervoerders en scholen – zoveel als mogelijk - een eenduidige en uniforme werkwijze wordt gehanteerd.
4
Uitgangspunten nieuwe verordening Onderstaande uitgangspunten dienen als basis voor de nieuwe verordening leerlingenvervoer en onderlinge werkafspraken zodat voor zowel ouders als professionals duidelijk is wanneer en hoe leerlingenvervoer kan worden ingezet. Het betreft de volgende onderwerpen: 1. 2. 3. 4. 5. 6.
Best passende onderwijs (en zorg) dicht bij huis. Maatwerkoplossingen door symbiose (deel van het onderwijs volgen op een andere school) dicht bij huis. Een oplossing voor het grijze gebied tussen Jeugdwetvervoer en Leerlingenvervoer. Het verstrekken van informatie over vervoersmogelijkheden aan ouders. Leerlingenvervoer en naschoolse opvanglocaties. Zelfstandig (leren) reizen.
Ad 1. Toelaatbaarheidsverklaring in relatie tot best passende onderwijs (en zorg) a. Scholen met een groepsarrangement of andere vormen van speciaal onderwijs binnen het reguliere onderwijs die kinderen zo dichtbij mogelijk onderwijs kunnen bieden. Daar waar het samenwerkingsverband in de Toelaatbaarheidsverklaring (TLV) noemt dat er echt een noodzaak is voor een specifiek (genoemde) gespecialiseerde school of een specifiek onderwijskundige behoefte, dan neemt de gemeente dit over en vergoedt het de kosten van het vervoer naar die school. Onder de voorwaarde dat gemeenten dit enkel kunnen doen, wanneer ze al vroegtijdig (tijdens of direct na het afgeven van een TLV) betrokken worden bij het zoeken naar een passende oplossing. Uiteraard houden ouders altijd de vrijheid om zelf een keuze voor een andere school te maken. De consequenties hiervan ten aanzien van het vervoer vallen dan onder de verantwoordelijkheid van de ouders. b. In alle andere situaties dan zoals hierboven beschreven vergoedt de gemeente alleen leerlingenvervoer naar de dichtstbijzijnde passende toegankelijke school. Zodra met ouders, kind, school en andere betrokkenen over een passende plek/oplossing gesproken wordt, wordt ook vroegtijdig nagedacht over leerlingenvervoer. Dit maakt onderdeel uit van het gesprek dat de gemeente heeft met de ouders/leerling bij een aanvraag voor leerlingenvervoer en is maatwerk.
Hierbij wordt niet alleen de vraag of er sprake kan zijn van de mogelijkheid voor een vergoeding, maar ook of, en wanneer de leerling - al of niet met hulp van ouders- in staat is om te groeien naar zelfstandig reizen besproken.
Ad 2. Symbiose-onderwijs wordt thuis nabij georganiseerd Van symbiose is sprake als een leerling is ingeschreven op een (v)so-school, en lessen volgt op een andere school waarmee de (v)so-school een overeenkomst gesloten heeft. Dit kan een school zijn voor regulier (voortgezet) onderwijs, maar ook een mbo-school. Wanneer de leerling op grond van de verordening in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening naar de (v)so-school kan ook een vervoersvoorziening worden toegekend naar de school waar een symbiose-overeenkomst mee gesloten is. Daarbij moet dan wel aan de voorwaarden worden voldaan die in de verordening staan vermeld. Denk hierbij aan de afstand en de schooltijden. Uitgangspunt is dat op ‘normale schooltijden’ zoals genoemd in de schoolgids van de betreffende school wordt vervoerd, zodat zoveel mogelijk combinatieritten kunnen worden gereden.
5
Vervoer van de ene school naar de andere valt niet onder de bekostiging leerlingenvervoer. De vorming van groepsarrangementen op scholen is volop in ontwikkeling, daarnaast zoeken scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs meer de samenwerking met het reguliere onderwijs. Hierdoor kunnen meer leerlingen van het (voortgezet) speciaal onderwijs deeltijd regulier onderwijs volgen. Scholen binnen het samenwerkingsverband spreken af om in het belang van de leerlingen het symbiose-onderwijs dicht bij huis te organiseren en omgekeerd (zorg in onderwijstijd). De gemeenten worden door de samenwerkingsverbanden op de hoogte gehouden van de samenwerkingen die gevormd worden met de “thuis” nabije scholen.
Ad 3. Situaties die niet passen binnen huidige regelgeving en afspraken worden opgepakt door het lokale doorbraakteam (incl. onderwijs) Op sommige (v)so scholen is specifieke zorg ondersteuning georganiseerd, zoals bijvoorbeeld op een school voor langdurig zieke kinderen. Daarnaast zijn er steeds meer initiatieven binnen de zorg waar kinderen ook onderwijs volgen (en omgekeerd, zorg in onderwijstijd) al dan niet onder supervisie van de school van inschrijving. De Jeugdwet geeft aan, dat er een vervoervoorziening kan worden verstrekt, indien er als gevolg van een medische noodzaak of een beperking in de zelfredzaamheid vervoer naar de jeugdhulp noodzakelijk is. Voor situaties, dat een vervoersvraagstuk niet onder het leerlingenvervoer valt, maar ook niet onder de Jeugdwet of onder een andere wet kan worden opgevangen, is een doorbraakaanpak noodzakelijk. Allereerst wordt er een reguliere aanvraag gedaan voor het leerlingenvervoer en worden de criteria die voor het leerlingenvervoer gelden toegepast en wordt er vastgesteld of er recht op bekostiging van leerlingenvervoer bestaat. Voor situaties, waarbij een vervoersvraagstuk niet onder het leerlingenvervoer valt, maar het ook niet onder de Jeugdwet kan worden opgevangen, wordt de casus na akkoord van ouders doorgegeven aan het “doorbraakteam van de gemeente”1.
Het doorbraakteam bekijkt hoe het vervoer georganiseerd kan worden, heeft hiervoor rechtstreeks contact met de samenwerkingsverbanden en kan eventueel een deskundige inzetten. Gemeenten regelen in hun verordening onder welke voorwaarden het doorbraakteam wordt ingezet en hoe zij dit organiseren (financieel en procedureel).
Ad 4. Scholen, gemeenten en samenwerkingsverbanden trekken samen op in de informatievoorziening richting ouders en verzorgers. Binnen het Sociaal Domein heeft de Verordening leerlingenvervoer een uitzonderingspositie. De regeling gaat niet uit van de compensatiegedachte, zoals bijvoorbeeld bij de Wmo of de Jeugdwet, maar zit vol met wettelijke criteria en beperkingen. Daarnaast heerst er over het leerlingenvervoer het beeld, dat er altijd een taxi voor een leerling klaar staat om hem/ haar naar school te brengen. Dat dit de laatste en meest kostbare oplossing is die een gemeente kan verstrekken en dat dit bovendien voorbehouden is voor met name zodanig gehandicapte leerlingen voor wie er geen enkele andere mogelijkheid is om op school te komen, is niet algemeen bekend. Deze onwetendheid en verkeerde beeldvorming leidt ertoe, dat ouders zich tot de gemeente wenden met de verwachting een taxi voor hun kind te kunnen regelen. Zij worden daarin dan vaak teleurgesteld wat erg vervelend is voor zowel de ouder, de gemeente als ook de school. Ouders krijgen bij het doen van een aanvraag te horen, dat de gemeente gaat onderzoeken hoe hun kind kan reizen. De opties daarvoor zijn b.v. ook fietsen of met openbaar vervoer reizen, alleen of
1
Doorbraakteam of werken volgens de methode van een doorbraakteam
6
onder begeleiding. Eventuele begeleiding moet door de ouders zelf georganiseerd worden. Deze informatie overvalt ouders vaak wat onaangename situaties veroorzaakt. Wat kunnen ouders verwachten als ze een vervoersvraag stellen aan de gemeente? Wij hebben de volgende afspraken over wat ouders aan informatie meekrijgen over het leerlingenvervoer. 1. Ouders hebben de vrijheid om voor hun kind een school te kiezen. Ouders ontvangen informatie over hoe het leerlingenvervoer kan worden aangevraagd en wat de belangrijkste criteria zijn waarop de aanvraag wordt getoetst zoals: , is er sprake van een chronische beperking waardoor de leerling niet zelfstandig naar school kan, is er een toelaatbaarheidsverklaring, is het de dichtstbijzijnde passende toegankelijke school en staat deze school meer dan 6 kilometer van de woning, etc. 2. Ouders worden geïnformeerd over de criteria van de verschillende vergoedingsmogelijkheden. De basisgedachte is dat ouders hun kind in principe zélf naar school brengen. Dit is goed voor de verbondenheid met school en maakt dure vervoerskosten ook overbodig. De toelaatbaarheidsverklaring die door het samenwerkingsverband wordt afgegeven geldt voor een bepaald onderwijstype (bijvoorbeeld: so of sbo), niet voor een specifieke school.
In de contacten tussen ouders en samenwerkingsverband wordt over het algemeen wel gesproken over de scholen die die behoefte zouden kunnen invullen; daarbij zal het leerlingenvervoer een structureel gespreksonderwerp worden, zodat ouders zich er bewust van zijn welke regels hiervoor gelden. Als de behoefte van de leerling een dermate specifieke ondersteuning vraagt dat deze het beste of alleen door een specifieke school kan worden ingevuld, dan zal de TLV specifiek voor deze school worden afgegeven en geldt deze school als de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor de betreffende leerling. Op de website van iedere gemeente staan de aanvullende regels en de criteria duidelijk beschreven. (voorbeeld Amersfoort: Leerlingenvervoer (amersfoort.nl) )
Ad 5. Gemeenten bieden ouders de mogelijkheid om gebruik te kunnen maken van het taxivervoer naar de naschoolse opvang. In het leerlingenvervoer wordt uitgegaan van het vergoeden van het vervoer van huis naar school en visa versa. Wanneer ouder(s) hun kind ’s middags naar een andere vaste locatie vervoerd willen hebben, ligt hierin stikt genomen geen verantwoordelijkheid bij het gemeentelijke leerlingenvervoer. Het vervoer moet een structureel karakter hebben om rust te bewaren in de voertuigen, om niet voortdurend mutaties in het vervoerschema door te hoeven voeren en om de vervoerskosten te beheersen. Aanpassingen in het vervoersplan kosten immers vrijwel altijd extra geld. Gemeenten in onze regio kunnen bij een volgende aanbesteding een aanvullende regeling opstellen waarin beschreven staat, onder welke voorwaarden en tegen betaling ouders gebruik kunnen maken van het gecontracteerde vervoer. Daarmee blijft de verantwoordelijkheid voor het vervoer bij ouders, maar faciliteert de gemeente hen wel. Ad 6. Zelfstandig (leren) reizen Kinderen zijn op de lange termijn veel meer geholpen als zij hebben geleerd om zelfstandig of met begeleiding kunnen reizen met eigen vervoer of OV en niet afhankelijk zijn van taxivervoer. Echter de stap naar zelfstandig reizen is een grote stap wat naast maatwerk vaak ook veel vraagt van de direct betrokkenen en ouders.
Iedere ouder heeft daarin zijn eigen beleving en (on)mogelijkheden, maar ook de gemene deler van trotsheid op hun kind als ze zien, dat het lukt om zelfstandiger te reizen. 7
De gemeenten willen graag ondersteuning bieden aan ouders om hun kind zelfstandiger te laten reizen. Op dit moment loopt er een pilotproject waarin kinderen een (elektrische) fiets kunnen aanschaffen. Ook bieden gemeenten projecten aan om kinderen te begeleiden bij het leren reizen met het openbaar vervoer of de fiets. In de komende jaren zal ook gekeken naar de mogelijkheden voor andere vormen van vervoer.
De nieuwe verordening De nieuwe verordening leerlingenvervoer wordt opgesteld gebaseerd op de modelverordening leerlingenvervoer van de VNG en passend bij bovenstaande gezamenlijke uitgangspunten. Daarnaast worden uitvoeringszaken in nadere regels indien nodig verder uitgewerkt. In dit hoofdstuk gaan we nader in op enkele begrippen in de verordening die nader geduid dienen te worden. a. Dichtstbijzijnde toegankelijke school Het moet dan gaan om de dichtstbijzijnde school die voor het kind toegankelijk is en die overeenkomt met de godsdienstige of levensbeschouwelijke richting. Bijvoorbeeld: katholiek, protestants-christelijk, gereformeerd, islamitisch of openbaar onderwijs. Het gaat hierbij dus niet om scholen met een bepaalde onderwijsmethode zoals Jenaplan, Montessori, Dalton, Freinet en dergelijke. Op de site van de VNG is een nadere specificatie te vinden: Vragen en antwoorden | VNG. b. Drempelbedrag Sommige gemeenten binnen onze regio hanteren een eigen bijdrage voor het leerlingenvervoer naar SBO, basisonderwijs en bijzonder onderwijs. De hoogte verschilt per gemeente. Per gemeente wordt vastgesteld op hoe en op welke wijze zij dit vaststellen en uitvoeren. Er wordt geen drempelbedrag in rekening gebracht wanneer er sprake is van een structurele handicap waardoor een leerling niet zelfstandig kan reizen. c.
Deskundige De deskundige kan in twijfelgevallen worden ingeschakeld en moet onafhankelijk kunnen adviseren over de mogelijkheden van een leerling met een chronische beperking (medische, psychiatrisch of gedragsmatig) of het kind zelfstandig naar school kan reizen. Gemeenten wijzen hiervoor een uitvoerende instantie aan en regelen dit zelf. Ouders kunnen bij twijfel door betrokkenen vragen om een multidisciplinair gesprek en een eigen (behandelend) arts meenemen naar het gesprek. d. Vervoersverklaring van de school Een vervoersverklaring van de school is niet meer noodzakelijk. Als dat gespecialiseerd onderwijs is, dan is de motivering voor de afgifte van een TLV (toelaatbaarheidsverklaring vanuit het samenwerkingsverband) leidend voor "meest passend". e. Ontwikkel Perspectiefplan (OPP) en leerlingenvervoer. Samen met ouders wordt met de consulent leerlingenvervoer bekeken of en wanneer het kind toe is om meer zelfstandig te reizen of dat er andere vormen van vervoer mogelijk zijn. De wijze waarop het vervoer wordt georganiseerd (inclusief de mogelijkheden en de ontwikkelkansen) kan goed aansluiten bij het Ontwikkelperspectiefplan (OPP) van het betreffende kind. In het ontwikkelingsperspectief staat wat het uitstroomprofiel van de leerling is en welke onderwijsdoelen daarbij horen. Ook staat hierin welke begeleiding en ondersteuning daarvoor nodig is.
Op welke onderdelen beide plannen elkaar kunnen versterken en welke rol de betrokken partijen hebben (ouders, gemeente, SWV, ortho/deskundige van de school) wordt nog nader uitgewerkt.
8
f. Vervoer naar cluster 1 en 2 scholen Scholen voor leerlingen van blinde en slechtziende leerlingen en scholen voor dove, slechthorenden of met een taal- spraakontwikkelingsstoornis vallen niet onder de SWV’en. Een Commissie van Onderzoek geeft dan een toelatingsverklaring af. g. Afwijkende schooltijden Leerlingenvervoer gaat uit van de schoolroosters zoals deze aan het begin van het schooljaar worden gepubliceerd in de schoolgids op de website van de school. In de nadere regels van de verordening wordt uitgelegd hoe omgegaan wordt met het afwijkende schooltijden. h. Nadere uitwerking regeling vervoer naschoolse opvang Leerlingenvervoer naar de naschoolse opvang is mogelijk als gemeenten een aanvullende regeling maken. De regeling houdt in, dat ouders in feite een afspraak met de gemeente maken om tegen een vastgestelde vergoeding gebruik te kunnen maken van het taxivervoer naar de naschoolse opvang. Dit wordt in de nieuwe verordening en nadere regels verder uitgewerkt.
i. Uitwerking zelfstandig leren reizen Er zijn verschillende mogelijkheden en initiatieven om (zo) zelfstandig (mogelijk) reizen te bevorderen. Bijvoorbeeld, opstapplaatsen, elektrische fietsen en ov-begeleiders. Een ander voorbeeld is dat sbo-leerlingen vanaf de start van de school te horen dat ze in groep 8 zelfstandig met het openbaar vervoer moeten kunnen reizen (afhankelijk van waar ze vandaan komen). j. Indicaties voor meerdere jaren Op dit moment worden ongeacht de problematiek alle indicaties afgegeven voor één schooljaar of tot het einde van het schoolperiode. In de nieuwe verordening wordt de mogelijkheid opgenomen om voor meerdere jaren een beschikking bekostiging leerlingenvervoer af te geven tot maximaal het einde van de te bezoeken school.
9