CConstaterende datBaarn
Koppel je AI →
Document · PDF

11. muizen Soest-Hilversum def 06112019 pdf GA

Besluit in de Raad 11 mei 2022, gemeente BaarnBij agendapunt: Schriftelijke vragen PvdA en beantwoording aanleg fietsverbinding Soest – Hilversum over grondgebied Landgoed Paleis Soestdijk4.992 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Nader onderzoek vleermuizen Fietsverbinding Soest - Hilversum

Opdrachtgever: Gemeente Soest T.a.v. de heer Postbus 2000 3760 CA Soest

Opdrachtnemer: Eelerwoude Onze vestigingen 088-1471100 info@eelerwoude.nl www.eelerwoude.nl

Projectgegevens: Projectnummer: Datum: Projectleider: Opgesteld: Gecontroleerd: Status: Versie:

P9356 06-11-2019

Definitief 1

© 2019 Eelerwoude Dit rapport is enkelzijdig opgemaakt.

Inhoudsopgave 1

Inleiding ........................................................................................................................................................ 4

1.1

Aanleiding ................................................................................................................................................. 4

2

Huidige situatie en ontwikkeling ................................................................................................................... 5

2.1

Huidige situatie ......................................................................................................................................... 5

2.2

Voorgenomen ontwikkeling ..................................................................................................................... 6

3

Natuurwetgeving .......................................................................................................................................... 7

3.1

Inleiding .................................................................................................................................................... 7

3.2

Bescherming van soorten ......................................................................................................................... 7

4

Methode ....................................................................................................................................................... 8

4.1

Bureauonderzoek ..................................................................................................................................... 8

4.2

Veldonderzoek .......................................................................................................................................... 8

5

Beschermde soorten ................................................................................................................................... 10

5.1

Vleermuizen ............................................................................................................................................ 10

5.2

Overige beschermde soorten ................................................................................................................. 14

6

Conclusie ..................................................................................................................................................... 16

6.1

Soorten ................................................................................................................................................... 16

6.2

Geldigheid onderzoek ............................................................................................................................. 16

BIJLAGE 1 Verspreidingskaarten vleermuizen .......................................................................................................... 18

Fietsverbinding Soest - Hilversum | Eelerwoude | 3

1 Inleiding 1.1 Aanleiding Het college van B&W van gemeente Soest vindt het belangrijk om het fietsgebruik verder te stimuleren, ook ten aanzien van woon-werkverkeer. Daarvoor zijn zij voornemens een nieuw fietspad aan te leggen tussen Soest Baarn -Hilversum. Dit fietspad zal circa 2,4 kilometer lang zijn. Deze fietsverbinding loopt vanaf de Koningsweg N221 in Soest naar de Hoge Vuurscheweg N415 in de gemeente Baarn, provincie Utrecht (Figuur 1). Voor deze fietsverbinding bestaat voor de bocht een variant (Figuur 3). Beide opties zijn meegenomen in de toetsing. Het fietspad zal alleen aan het begin en aan het eind worden verlicht, daar waar het pad aansluit op bestaande wegen. Naar aanleiding van een eerder uitgevoerd Quickscan onderzoek in 2018 ( , 2018) is essentieel leefgebied voor vleermuizen niet uit te sluiten. Nader, gericht veldonderzoek is noodzakelijk om aan te tonen, dan wel uit te sluiten dat aanwezige bomen een functie hebben als verblijfplaats voor beschermde soorten. Duidelijk moet dan ook worden om welke soort(en) en aantallen het gaat en wat de eventuele functie van de bomen is voor deze soort(en). Uit het onderzoek komt naar voren of de voorgenomen ontwikkelingen consequenties hebben voor de aanwezige beschermde natuurwaarden in het kader van de Wet natuurbescherming, en welke vervolgstappen noodzakelijk zijn. Voorliggende rapportage gaat hier verder op in.

Figuur 1. Ligging van het plangebied (rode lijn) ten westen van Baarn en Soest. Bron: Esri, 2019

Fietsverbinding Soest - Hilversum | Eelerwoude | 4

2 Huidige situatie en ontwikkeling 2.1 Huidige situatie Het plangebied bestaat uit een traject dat vanuit het noorden aansluit op de Hilversumsestraatweg (N415) en aan de zuidoostkant aansluit op de Biltseweg (N234). In deze bosrijke omgeving is de Hoge Vuurscheweg geasfalteerd tot aan de groepsaccommodatie De Stulp (Figuur 3). Naast het geasfalteerde wegdeel ligt een intensief beheerde berm met daarnaast een droog gevallen watergang. Iets verder ligt parallel een brede zandweg (gebruikt door wandelaars en mountainbikers). De geasfalteerde weg kruist meerdere malen zandpaden. Vanaf de groepsaccommodatie De Stulp wordt gekozen tussen twee opties voor fietsers om een heuvel heen: de westelijke route over een zandpad (groene route). De tweede optie is een onverhard bospad via de oostelijke zijde van de heuvel, dat uitkomt op een halfverhard pad dat wordt afgesloten met een hekwerk (gele route). Langs dit pad staan oude beukenbomen in een meer parkachtige omgeving en ligt een watergang. Zie de impressiefoto’s van het plangebied (Figuur 2).

Figuur 2. Impressie van het plangebied. Linksboven: De Hoge Vuurscheweg, ingang vanaf de Hilversumsestraatweg. Rechtsboven: één van de kruisingen van de asfaltweg met een zandpad. Linksonder: hoogteverschil route om de vuilstortheuvel. Rechtsonder: ingang vanaf de Biltseweg.

Fietsverbinding Soest - Hilversum | Eelerwoude | 5

2.2 Voorgenomen ontwikkeling De voorgenomen plannen zijn om een fietsverbinding aan te leggen tussen Soest en Hilversum. Deze fietsverbinding zal 3 meter breed zijn en bestaan uit verhard asfalt. Aan weerszijde komt 1 tot 2 meter berm te liggen dat vrij is van obstakels als bomen. Voor de realisering van het fietspad wordt gebruikt gemaakt van bestaande verharde en onverharde paden waarbij wordt gekozen tussen twee mogelijkheden. Mogelijk zullen bomen moeten worden gekapt doordat bestaande paden niet breed genoeg zijn. Het fietspad zal goed gemarkeerd worden en alleen bij het begin (de Hilversumsestraatweg) en op het eind (de Biltseweg) van het fietspad zal verlichting worden geplaatst (Bron: Rapport vervolgonderzoek haalbaarheid Eelerwoude, 2018).

De Stulp

Vuilstort

Figuur 3. Twee opties voor de fietsverbinding; groen en geel, ter hoogte van de groepsaccomodatie De Stulp (zwarte ster) en de vuilstortplaats. Bron: Esri, 2018

Fietsverbinding Soest - Hilversum | Eelerwoude | 6

3 Natuurwetgeving 3.1 Inleiding De Wet natuurbescherming bestaat uit drie onderdelen: de bescherming van soorten, de bescherming van gebieden en de bescherming van houtopstanden. De kern van het natuurbeleid wordt gevormd door het Natuurnetwerk Nederland, dat een samenhangend netwerk vormt van natuurgebieden. De provincies zijn het bevoegd gezag en alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid is het Rijk het bevoegd gezag. In dit hoofdstuk wordt kort ingegaan op de relevante wetgeving en het natuurbeleid voor het plangebied; de Wet natuurbescherming, onderdeel soortenbescherming.

3.2 Bescherming van soorten Het uitgangspunt bij het onderdeel soortenbescherming is dat geen schade mag worden gedaan aan beschermde dieren of planten, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan. De wet kent een drietal beschermingsregimes; beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn, beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn en beschermingsregime “andere soorten”. Daarnaast zijn landelijk van een aantal vogelsoorten de nesten jaarrond beschermd. Elk beschermingsregime heeft zijn eigen verbodsbepalingen. Voor ieder ruimtelijk plan is het verplicht om te toetsen of deze leiden tot overtreding van de betreffende verbodsbepalingen. Wanneer er sprake is van een overtreding dient er onderzocht te worden of er een vrijstelling geldt. Indien dit niet mogelijk blijkt, is het nodig om na te gaan of een ontheffing kan worden verkregen. Gevolgen plangebied De bescherming van soorten is overal en altijd van toepassing bij ontwikkelingen. In hoofdstuk 5 wordt verder ingegaan op de aanwezigheid van beschermde soorten en welke effecten de voorgenomen ontwikkeling heeft op deze soorten.

Fietsverbinding Soest - Hilversum | Eelerwoude | 7

4 Methode De aanwezige natuurwaarden zijn in beeld gebracht op basis van een verkenning van bestaande inventarisatiegegevens en gericht onderzoek naar vleermuizen.

4.1 Bureauonderzoek Voor het bureauonderzoek is gebruikgemaakt van landelijke, provinciale en indien beschikbaar regionale verspreidingsinformatie; • Uit de landelijke verspreidingsinformatie uit atlassen, die deels gedateerd is, moet blijken of nabij de locaties in het verleden strikt beschermde soorten zijn aangetroffen. Exacte locaties of datering van de waarnemingen zijn daarbij veelal niet bekend. Deze gegevens hebben vaak betrekking op atlasblokken (5x5 kilometer), en veelal betrekking op de regio en niet specifiek op het plangebied. • De flora- en faunadatabase van Eelerwoude is eveneens geraadpleegd. Eelerwoude heeft meerdere onderzoeken in de nabije omgeving uitgevoerd. De data van deze onderzoeken zijn opgeslagen in deze database. Zie de literatuurlijst voor een totale lijst van de geraadpleegde bronnen.

4.2 Veldonderzoek Op basis van vier veldbezoeken is het plangebied onderzocht op de aanwezigheid van verblijfplaatsen en de functionele leefomgeving van vleermuizen. De onderzoeken zijn uitgevoerd door en Betreffende personen zijn ecologische adviseur en werkzaam bij Eelerwoude (zie kader – ecologisch deskundige). In tabel 1 zijn de onderzoekdata weergegeven. Hierbij zijn tevens de onderzoekers, starttijd en weersomstandigheden genoteerd. Kader – ecologisch deskundige De veldmedewerkers van Eelerwoude beschikken over een uitgebreide ervaring met de betreffende soortgroepen en voldoen aan de criteria van ‘ecologisch deskundige’. Met een ecologisch deskundige wordt bedoeld een persoon die voor de situatie en soorten ten aanzien waarvan hij of zij gevraagd is te adviseren en/of te begeleiden, aantoonbare ervaring en kennis heeft op het gebied van soortspecifieke ecologie. De ervaring en kennis dienen te zijn opgedaan doordat de deskundige:

-

op HBO- dan wel universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; en/of op MBO-niveau een opleiding heeft afgerond met als zwaartepunt de Wet natuurbescherming, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; en/of

-

als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau, zoals bijvoorbeeld een bureau welke is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus; en/of

-

zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenbescherming en is aangesloten bij en werkzaam voor de daarvoor in Nederland bestaande organisaties (zoals bijvoorbeeld Zoogdiervereniging, RAVON, Stichting Das en Boom, Vogelbescherming Nederland, Vlinderstichting, Natuurhistorisch Genootschap, KNNV, NJN, IVN EIS Nederland, FLORON, SOVON, STONE, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, De Landschappen en Stichting Beheer Natuur en Landelijk Gebied; en/of

-

zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenmonitoring en/of -bescherming.

Fietsverbinding Soest - Hilversum | Eelerwoude | 8

Tabel 1. Type onderzoek, datum, start- en eindtijd, uitgevoerde onderzoeker(s) en de weersomstandigheden genoteerd per veldbezoek.

Datum

Type onderzoek

Start –eindtijd

Veldmedewerker

Weersomstandigheden

21 mei 2019

Kraamonderzoek vleermuizen

03.00 - 05.35 Zon op: 05:37

12 °C, droog, half bewolkt, windkracht 2 Bft

24 juni 2019

Kraamonderzoek vleermuizen

03.00 - 05.20 Zon op: 05:19

21 °C, droog, heldere hemel, windkracht 1 Bft

21 augustus 2019

Baltsonderzoek vleermuizen

22.00 - 00.00 Zon onder: 20:53

15 °C, droog, heldere hemel, windkracht 0 Bft

10 september 2019

Baltsonderzoek vleermuizen

20.55 - 22.55 Zon onder: 20:08

15 °C, droog, licht bewolkt, windkracht 1 Bft

Vleermuizen Bij de uitvoering van het vleermuisonderzoek is gewerkt conform het ‘Protocol voor vleermuisinventarisaties’ dat in januari 2017 is geëvalueerd door deskundigen van het Netwerk Groene Bureaus, de Zoogdiervereniging en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Het protocol is daarmee aangepast naar de meest recente wetenschappelijke inzichten. Het vleermuisonderzoek heeft zich gericht op het vaststellen van de soortensamenstelling, de aantallen, de gebruiksfunctie van het gebied en het vaststellen van verblijfplaatsen (kraamverblijven, winterverblijfplaatsen, zomerverblijven etc.), vliegroutes en foerageergebieden. Het onderzoek heeft zich geconcentreerd op de aanwezigheid van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuissoorten: rosse vleermuis, watervleermuis, franjestaat, kleine dwergvleermuis en bosvleermuis, meervleermuis en ruige dwergvleermuis. Uiteraard is tijdens de veldbezoeken ook aandacht besteed aan eventuele andere beschermde vleermuissoorten binnen het plangebied. Tijdens het vleermuisonderzoek is gebruik gemaakt van een batdetector Pettersson D240X in combinatie met een EchoMeter Touch en/of een Pettersson D100 en batlogger (Batlogger M). De opnames van de Batlogger zijn geanalyseerd met de software Kaleidoscope. In totaal zijn vier veldbezoeken uitgevoerd: twee in de kraamperiode en twee in de baltsperiode.

Het kraamonderzoek heeft zich gericht op de aanwezigheid van zomer- en/of kraamverblijfplaatsen van vleermuizen. Bij deze bezoeken is ervoor gekozen allen uit te voeren in de ochtend, om zo de kans op het waarnemen van zwermende vleermuizen te vergroten. Dit ook conform het vleermuisprotocol 2017. Bij een avondbezoek kunnen uitvliegende dieren immers gemakkelijker worden gemist. De bezoeken hebben plaatsgevonden tijdens het invliegtijdstip van vleermuizen, respectievelijk rond zonsopkomst. Het baltsonderzoek heeft zich gericht op het vaststellen van balts-, paar-, en/of winterverblijfplaatsen van vleermuizen. Deze bezoeken hebben plaatsgevonden tijdens de baltsactiviteit van vleermuizen, na zonsondergang tot middernacht. Tijdens dit tijdstip is de meeste baltsactiviteit bij vleermuizen waar te nemen. De veldbezoeken hebben plaatsgevonden tijdens voor vleermuizen gunstige weersomstandigheden. Overige beschermde soorten In en rond het plangebied komen mogelijk nog een aantal andere beschermde soorten dan eerder beschreven voor. Voor een groot deel zal het gaan om algemeen voorkomende en vrijgestelde beschermde soorten, maar ook de aanwezigheid van een aantal beschermde (nachtactieve) soorten kan niet op voorhand worden uitgesloten. Hierbij dient gedacht te worden aan bijvoorbeeld das en uilen.

Het veldwerk naar de groep van overige soorten is uitgevoerd tijdens en/of na afloop van de veldbezoeken naar vleermuizen.

Fietsverbinding Soest - Hilversum | Eelerwoude | 9

5 Beschermde soorten Dit hoofdstuk beschrijft de tijdens het veldbezoek waargenomen soorten, al dan niet aangevuld met gegevens uit de literatuur en andere informatiebronnen. Vervolgens worden eventuele effecten beschreven als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling.

5.1 Vleermuizen 5.1.1 Voorkomen en functie Tijdens het vleermuisonderzoek zijn in het gebied 4 soorten vastgesteld; gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis. Hieronder wordt per soort ingegaan op hoe zij het gebied gebruiken, daarnaast worden deze waarnemingen in de bijlagen op kaart weergegeven (Bijlage 1). Gewone dwergvleermuis De gewone dwergvleermuis is in Nederland de meest algemene vleermuissoort. De soort wordt veelvuldig waargenomen in stedelijk gebied. (Kraam)kolonies zijn in Nederland vooral in gebouwen aangetroffen. Voorbeelden van verblijfplaatsen in gebouwen zijn ruimtes in spouwmuren en achter boeiboorden en gevelbetimmering. Gebouwen worden ook als winterverblijf gebruikt, waarbij (mogelijk) vergelijkbare plaatsen als in de zomer benut worden, mits deze vorstvrij zijn. Ze jagen hoofdzakelijk binnen en straal van 2-5 km van de verblijfplaats. Vliegroutes volgen zoveel mogelijk lijnvormige structuren en ze jagen in gesloten tot half open landschap. Verblijfplaatsen Tijdens het kraamonderzoek zijn binnen de begrenzing van het plangebied geen (vermoedelijke) zomer- en kraamverblijfplaatsen vastgesteld. Net buiten de begrenzing van het plangebied in accommodatie De Stulp zijn meerdere gewone dwergvleermuizen waargenomen, kort voor zonsopkomst. Vermoedelijk verblijven de dieren in de accommodatie.

Op andere plekken zijn geen (vermoedelijke) zomer- en kraamverblijfplaatsen vastgesteld. Vleermuizen baltsen (ook wel sociale roep) in het najaar binnen een territorium om vrouwtjes te vinden en mee te lokken naar hun verblijfplaats om te paren. Zij vliegen daarbij op vaste routes, waarbij ze een zeer sterke binding met een bepaald gebouw(en) en/of beplanting hebben waar zich een paar- en/of baltslocatie bevindt. Baltsende mannetjes zijn dan ook een indicatie voor de aanwezigheid van een balts- en/of paarverblijfplaats. Mogelijk overwinteren deze mannetjes ook op deze locaties. Een locatie met een balts- en/of paarverblijfplaats kan dan ook aangemerkt worden als (vermoedelijke) winterverblijfplaats. Tijdens het baltsonderzoek zijn binnen de begrenzing van het plangebied geen (vermoedelijke balts-, paar- en/of winterverblijfplaatsen vastgesteld. Ook buiten het plangebied zijn geen (vermoedelijke) balts-, paar- en/of winterverblijfplaatsen vastgesteld.

Fietsverbinding Soest - Hilversum | Eelerwoude | 10

Kader - vleermuisverblijfplaatsen Onder de vleermuizen zijn gebouw bewonende en/of boom bewonende soorten aanwezig. Gewone dwergvleermuis en laatvlieger zijn hoofdzakelijk gebouw bewonend. Rosse vleermuis en watervleermuis zijn voornamelijk boom bewonende en gewone grootoorvleermuis, franjestaart en ruige dwergvleermuis bewonen zowel bomen als gebouwen. Voorbeelden van verblijfplaatsen in gebouwen zijn ruimtes in spouwmuren en achter boeiboorden en gevelbetimmering. Holten en spleten in bomen en ruimtes achter loszittend schors zijn voorbeelden van verblijfplaatsen in bomen. Vanuit de verschillende functies van de verblijfplaats worden weer andere eisen gesteld aan bijvoorbeeld het klimaat, de toegankelijkheid en de expositie van het verblijf ten opzichte van de zon. Als kraamverblijfplaats worden meestal gebouwen en/of bomen uitgekozen waarbinnen een constant klimaat heerst. Bij gebouwen zijn dit voornamelijk woningen met een spouwmuur of een geïsoleerd dak. Sommige vleermuizen hebben aan een opening van 1-2 cm voldoende om naar binnen te kruipen. Bij bomen gaat het meestal om dikke, oude bomen met een dikke restwand.

Foerageergebied en vliegroutes Het plangebied en zijn omgeving wordt door diverse foeragerende en langsvliegende individuen van gewone dwergvleermuis gebruikt. Tijdens het onderzoek werden gemiddeld 3 tot 5 gewone dwergvleermuizen waargenomen per veldbezoek. Laatvlieger De laatvlieger komt in Nederland vrij algemeen voor (al laat de soort wel een dalende trend zien). Laatvlieger jaagt boven open tot halfopen landschap, vooral in de beschutting van opgaande elementen zoals bosranden, heggen en lanen. Kraamkolonies komen in Nederland voor zover bekend alleen in gebouwen voor. Deze bevinden zich in de spouwmuur, achter en onder de (dak)betimmering, onder daklijsten en dakpannen of onder het lood rondom de schoorsteen. Soms worden ze ook op zolders aangetroffen. De jachtgebieden liggen in een straal van 1 tot 5 km (zelden meer) rondom de kolonie. Vliegroutes volgen waar mogelijk lijnvormige structuren, maar laatvliegers vliegen bij gunstige weersomstandigheden ook wel grote afstanden door open gebied. De laatvlieger jaagt boven open tot halfopen landschap, vooral in de beschutting van opgaande elementen zoals bosranden, heggen en lanen. Verblijfplaatsen Tijdens het kraamonderzoek en het baltsonderzoek zijn binnen de begrenzing van het plangebied geen (vermoedelijke) zomer- en kraamverblijfplaatsen of paar- en baltsverblijven vastgesteld.

Gezien de soort voornamelijk in gebouwen verblijft, werden verblijfplaatsen van laatvliegers ook niet verwacht. Foerageergebied en vliegroutes Het plangebied en zijn omgeving wordt door de laatvlieger gebruikt door diverse foeragerende en langsvliegende individuen. Vermoedelijk verblijven de dieren in de bebouwde omgeving van Soest of Baarn. Tijdens het onderzoek werden gemiddeld 3 laatvliegers waargenomen per veldbezoek. Er is geen sprake van belangrijke foerageergebieden of vliegroutes binnen de grenzen van het plangebied die essentieel onderdeel uitmaken van het leefgebied. De laatvlieger foerageerde met name boven het open veld aan de zuidzijde van het plangebied en bij open stukken van ten noorden van de N234, buiten de begrenzing van het plangebied. Dit leefgebied blijft allen behouden en op gelijke wijze (on)verlicht. Rosse vleermuis Rosse vleermuis is in West-Europa een uitgesproken boombewonende soort. Onder andere solitaire mannetjes, groepen vrouwtjes met jongen en dieren in winterslaap gebruiken boomholten als onderkomen. De vlucht van rosse vleermuis doet enigszins denken aan die van gierzwaluw: hoog en snel. De afstand tussen dagrustplaats en jachtgebied wordt in de regel in een snelle rechte vlucht afgelegd, op een hoogte van honderd meter of meer. Jachtplaatsen liggen meestal in open terrein, waar met snelle duiken op insecten gejaagd wordt.

De rosse vleermuis jaagt vooral boven water en moerassige gebieden en ook wel rondom straatverlichting.

Fietsverbinding Soest - Hilversum | Eelerwoude | 11

Verblijfplaatsen Tijdens het kraamonderzoek zijn binnen de begrenzing van het plangebied geen (vermoedelijke) zomer- en kraamverblijfplaatsen vastgesteld. Tijdens het baltsonderzoek zijn binnen de begrenzing van het plangebied geen (vermoedelijke) balts-, paar- en/of winterverblijfplaatsen vastgesteld. Foerageergebied en vliegroutes Het plangebied en zijn omgeving wordt door de rosse vleermuis gebruikt door langsvliegende individuen. Tijdens het onderzoek werden gemiddeld 2 rosse vleermuizen waargenomen per veldbezoek. Er is geen sprake van belangrijke foerageergebieden of vliegroutes die essentieel onderdeel uitmaken van het leefgebied. De rosse vleermuis vloog met name hoog en snel over het plangebied. Verblijfplaatsen bevinden zich vermoedelijk in het bosgebied, op ruime afstand van het tracé. Het plangebied blijft ook na de aanleg van het fietspad geschikt om langs en over te vliegen of om ter plaatse te foerageren. Ook de directe omgeving blijft op gelijke wijze behouden en functioneel voor rosse vleermuis. Ruige dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis kent een sterke seizoenstrek en legt daarbij grote afstanden af. Vanaf augustus/september trekken vooral de dieren uit Midden- en Oost-Europa in Zuidwestelijke richting om onder andere in Nederland te overwinteren.

De soort wordt dan ook vaak in Nederland in het najaar gezien, in Nederland zijn slechts enkele kraamverblijfplaats vastgesteld. Uit het buitenland zijn verblijfplaatsen vooral aangetroffen in spleten en gaten in bomen, in nest- en vleermuiskasten, in gebouwen achter betimmeringen, achter daklijsten, onder dakbedekking en op zolders. Ze gebruiken meerdere verblijfplaatsen en verhuizen relatief vaak. Als winterverblijf zijn gebouwen (spouwmuur, dakpannen, betimmering), houtstapels, maar ook boomholtes en nest- en vleermuiskasten bekend. Ze jagen tot op 5 á 10 km afstand van de verblijfplaats. Vliegroutes volgen zoveel mogelijk lijnvormige structuren. Ruige dwergvleermuizen jagen vooral in half open bosrijk landschap. Verblijfplaatsen Tijdens het kraamonderzoek zijn binnen de begrenzing van het plangebied geen (vermoedelijke) zomer- en kraamverblijfplaatsen vastgesteld. Tijdens het baltsonderzoek zijn binnen de begrenzing van het plangebied geen (vermoedelijke) balts-, paar- en/of winterverblijfplaatsen vastgesteld. Foerageergebied en vliegroutes Tijdens het onderzoek is eenmaal een ruige dwergvleermuis waargenomen aan de zuidzijde van het traject nabij de N234. Gebruik van een vliegroute is niet vastgesteld en wordt gezien de eenmalige waarneming ook niet verwacht.

5.1.2 Effecten en ontheffing Alle vleermuissoorten zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming met beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn. Het opzettelijk verstoren, vangen en doden van individuen van beschermde soorten, alsmede het beschadigen of vernielen van vaste verblijfplaatsen, inclusief de functionele leefomgeving, is verboden vanuit de Wet natuurbescherming. De functionaliteit van de verblijfplaatsen van vleermuizen dienen te allen tijde gegarandeerd te blijven. Verblijfplaatsen Tijdens de veldbezoeken zijn binnen de grenzen van het plangebied geen verblijfplaatsen of essentieel leefgebied van vleermuizen aangetroffen. De vermoedelijke verblijven van gewone dwergvleermuizen in De Stulp liggen op voldoende afstand van het voorgenomen fietspad om geen hinder van deze te ondervinden.

Fietsverbinding Soest - Hilversum | Eelerwoude | 12

Overige verblijven van rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis of laatvlieger in de directe omgeving zijn niet aanwezig. Met de voorgenomen ontwikkeling, aanleg en gebruik fietspad, wordt dan ook uitgesloten dat de gunstige staat van instandhouding van gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis in het geding komt. Het aanvragen van een ontheffing Wet natuurbescherming, onderdeel soortenbescherming is niet noodzakelijk. Foerageergebied en vliegroutes Er is geen sprake dat het plangebied of een deel daarvan een essentieel foerageergebied of een essentiële vliegroutes vormt voor de aangetroffen vleermuizen gewone dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger of ruige dwergvleermuis. De gewone dwergvleermuis foerageerde met name boven de begroeiing net buiten het plangebied, en kruiste het traject diverse keren. Voor laatvlieger waren de open velden om en langs het plangebied het meest interessant. Rosse vleermuis is alleen overvliegend waargenomen en ruige dwergvleermuis slechts eenmalig. Het plangebied blijft ook na de inrichting als fietspad geschikt om te foerageren. Daarnaast is voldoende geschikt foerageergebied voorhanden in het omringende bos, met name langs de bosranden ter hoogte van paden en lanen.

Kader - Foerageergebieden en vliegroutes Foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen zijn beschermd indien bij het verdwijnen ook een verblijfplaats ongeschikt wordt. Bijvoorbeeld door het onderbreken van een vliegroute wordt een foerageergebied onbereikbaar, waardoor de vleermuizen onvoldoende voedsel kunnen vinden. Bij het verdwijnen van foerageergebieden of vliegroutes wordt derhalve onderzocht of er voldoende bereikbare alternatieven zijn. Vleermuizen maken gebruik van lijnvormige landschapselementen zoals bomenrijen en singels om zich langs te verplaatsen. Een aaneengesloten kronendak heeft hierbij de voorkeur. Van vleermuizen is bekend dat onderbrekingen in de lijnstructuur maximaal 100 tot 200 meter mogen bedragen (kleinere en langzaam vliegende soorten 50 meter). Wanneer de onderbrekingen groter zijn dan deze afstand kunnen sommige soorten deze afstand niet overbruggen en zullen ze uitwijken naar alternatieve vliegroutes en foerageergebieden.

5.1.3 Zorgplicht: aanvullende maatregelen Vanuit de zorgplicht kunnen aanvullende maatregelen getroffen worden om het plangebied in de toekomstige situatie aantrekkelijker te maken voor vleermuizen. De volgende maatregelen kunnen hiervoor genomen worden: • • •

werken buiten de kwetsbare perioden van de soorten. In deze situatie betreft dit de periode waarin ze foerageren; april tot en met oktober; verstoring van licht voorkomen door het fietspad onverlicht laten; bij de aansluiting met N-weg rekening houden met de wijze van verlichting (zie kader verlichting).

Conclusie: Met de voorgenomen ontwikkeling zijn negatieve effecten op vleermuizen uit te sluiten. Het aanvragen van een ontheffing Wet natuurbescherming is voor vleermuizen niet noodzakelijk. Vanuit de zorgplicht kunnen aanvullende maatregelen getroffen worden om het plangebied geschikter te maken voor vleermuizen.

Fietsverbinding Soest - Hilversum | Eelerwoude | 13

Kader- verlichting Een aantal nachtactieve dieren, zoals vleermuizen, uilen en marters, zij gevoelig voor verlichting. Er zijn soorten die kunstlicht zoveel

Kader – Verlichting

mogelijk vermijden, zoals de watervleermuis ,en er zijn soorten die ( in beperkte mate) rond lantaarnpalen jagen, zoals de rosse vleermuis.

Een aantal nachtactieve dieren, zoals vleermuizen, uilen en marters, zijn gevoelig voor verlichting. Er zijn

Bij het plaatsen vanzoveel verlichting bijvermijden, in -en/of zoals uitvliegopeningen , vliegroutes en foerageergebieden soorten die kunstlicht mogelijk de watervleermuis, en er zijn soorten die (in beperkte kunnen barrières ontstaan waardoor de mate) rond lantaarnpalen jagen, zoals de rosse vleermuis. Bij het plaatsen afzien. van verlichting bij in- en/of vleermuizen van de verblijfplaatsen, vliegroute en/of foerageergebied uitvliegopeningen, vliegroutes en foerageergebieden kunnen barrières ontstaan waardoor de vleermuizen van de verblijfplaatsen, vliegroute en/of foerageergebied afzien.

Op dit moment is, behalve bij de aansluiting aan de hoofdwegen, binnen het plangebied geen verlichting aanwezig. De verlichting bij de

aansluitingen van de hoofdwegen zicht tot de aanwezig. straatlantaarns en in beperkt de nieuwe situatie zal de verlichting mogelijk toenemen. Op dit moment is binnen en rondom hetbeperkt plangebied verlichting De verlichting zich tot de straatlantaarns en dat in de nieuwe situatie zal deverlichting verlichting rondom mogelijk toenemen. Verwacht locaties wordt datgeen met negatief de Verwacht wordt met de toename van de te ontwikkelen effect zal optreden op de aanwezige toename van verlichting rondom de te ontwikkelen locaties geen negatief effect zal optreden op de aanwezige

soorten. De te verwachte soorten gelden namelijk niet als bijzonder gevoelig voor verstoring door verlichting. Er dient wel ter alle tijden

soorten. De te verwachten soorten gelden namelijk niet als bijzonder gevoelig voor verstoring door verlichting.

rekening gehouden te worden met verlichting, door verlichting tot een minimum te beperken en directe verlichting van de omgeving en

Er dient wel te allen tijde rekening gehouden te worden met verlichting, door verlichting tot een minimum te

onverlichte gebiedsdelen voorkomen. te voorkomen en het gebied aantrekkelijk te maken voor vleermuizen kunnen beperken en directe belichtingtevan de omgevingOm en lichthinder onverlichte gebiedsdelen te voorkomen. Om lichthinder te voorkomen en het gebied aantrekkelijker te maken voor vleermuizen kunnen verschillende maatregelen verschillende maatregelen getroffen worden: getroffen worden:

--

Verlichting alleen plaatsen waar het echt nodig is;

verlichting alleen plaatsen waar het echt nodig is;

Verlichting alleen aan op het moment wanneer het nodig is (dynamische verlichting

verlichting alleen aan op momenten wanneer het nodig is (dynamische verlichting);

Verlaag de hoogtes de lichtmasten zodat boomkronen onverlicht blijven; verlaag de hoogte van devan lichtmasten zodat boomkronen onverlicht blijven;

--

beperk verstrooiing het van licht het tot licht een minimum door gebruik aangepaste armatuur Fout! Beperk verstrooiing tot een minimum doorvan gebruik van aangepaste armatuur;

-

Verwijzingsbron niet gevonden. ; Geen verlichting plaatsen bij in-en/of uitvliegopeningen en vliegroutes.

-

geen verlichting plaatsen bij in- en/of uitvliegopeningen en vliegroutes.

Hieronderstaan staan enkele voorbeelden om lichtverstrooiing te voorkomen. Hieronder enkele voorbeelden om lichtverstrooiing te voorkomen.

5.2 Overige beschermde soorten 5.2.1 Voorkomen en functie Tijdens het veldonderzoek is ook gelet op de aanwezigheid van andere (niet-vrijgestelde) beschermde soorten dan hierboven beschreven. Daarbij zijn twee uilensoorten waargenomen; eenmaal een roepend vrouwtje bosuil aan de oostkant van het plangebied, eenmaal de roep van jonge ransuilen aan de westkant van het plangebied. De dieren toonden geen binding met het plangebied. Andere beschermde diersoorten als das zijn niet waargenomen. In en rond het plangebied kunnen verschillende algemene vogelsoorten voorkomen. Het gaat hierbij onder andere om verschillende mezensoorten, boomklever, boomkruiper, roodborst, winterkoning en diverse spechtsoorten. Zo is de zwarte specht roepend en overvliegend waargenomen. Deze soorten kunnen in en rond het plangebied tot broeden komen.

5.2.2 Effecten en ontheffing Negatieve effecten zijn niet te verwachten op de groep overige beschermde soorten. De waargenomen uilen toonden geen binding met het plangebied en zijn op geruime afstand gehoord. Andere beschermde soorten zijn Fietsverbinding Soest - Hilversum | Eelerwoude | 14

niet waargenomen. Nader onderzoek of een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is voor deze soorten dan ook niet noodzakelijk. Er dient te allen tijde rekening gehouden te worden met de aanwezigheid van broedvogels. Alle vogelsoorten in Nederland zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming. Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Deze verbodsbepalingen worden kunnen in veel situaties worden voorkomen door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. De periode van 15 maart tot 15 juli wordt over het algemeen beschouwd als broedseizoen. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien is vastgesteld dat er met deze werkzaamheden geen nesten van broedvogels worden verstoord. Voor de Wet natuurbescherming zijn echter alle bewoonde vogelnesten beschermd, ongeacht het tijdstip van het jaar en ongeacht de zeldzaamheid van de soort. De bescherming van nesten is ook buiten de genoemde termijn van toepassing. Conclusie: Negatieve effecten op overige beschermde soorten zijn uit te sluiten.

Het aanvragen van een ontheffing is voor overige beschermde soorten niet noodzakelijk. Wel dient te allen tijde rekening te worden gehouden met broedende vogels.

Fietsverbinding Soest - Hilversum | Eelerwoude | 15

6 Conclusie Op basis van het vleermuisonderzoek worden de onderstaande conclusies getrokken.

6.1 Soorten Vleermuizen Uit het nader onderzoek is naar voren gekomen dat het plangebied onderdeel uitmaakt van het leefgebied van de beschermde soorten: gewone dwergvleermuis, laatvlieger, ruige dwergvleermuis en rosse vleermuis. Met de voorgenomen ontwikkeling zijn, wegens het ontbreken van essentiële functies, negatieve effecten op gewone dwergvleermuis, laatvlieger, ruige dwergvleermuis en rosse vleermuis, uit te sluiten. Voor de aanleg en gebruik van het fietspad is het aanvragen van een ontheffing Wet natuurbescherming voor vleermuizen niet noodzakelijk. Vanuit de zorgplicht kunnen aanvullende maatregelen getroffen worden om het plangebied geschikt te houden voor vleermuizen. Vogels Rond het plangebied zijn twee uilensoorten waargenomen, te weten bosuil en jongen van de ransuil. De dieren toonden geen binding met het plangebied en zijn op geruime afstand gehoord. Andere beschermde soorten zijn niet waargenomen. Nader onderzoek of een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is voor deze soorten dan ook niet noodzakelijk. In en rond het plangebied komen verschillende algemene vogelsoorten voor. Vanuit de zorgplicht dient rekening te worden gehouden met broedende vogels.

6.2 Geldigheid onderzoek Dit onderzoek is uitgevoerd conform de landelijk geldende richtlijnen. Het bevoegde gezag hanteert de volgende definitie voor de geldigheid van onderzoeken naar beschermde soorten: “ Onderzoeksgegevens mogen maximaal 3 jaar oud zijn in gebieden waar weinig of geen ruimtelijke of kwalitatieve veranderingen zijn opgetreden in de afgelopen drie jaar. In gebieden waar dit niet voor geldt, moeten de gegevens recenter zijn.” Dit rapport gaat in op de effecten van de ontwikkeling zoals beschreven in hoofdstuk 2.2. Wijzigingen of aanpassingen in de ontwikkeling kunnen tot andere conclusies ten aanzien van de effecten op beschermde soorten leiden.

Fietsverbinding Soest - Hilversum | Eelerwoude | 16

Literatuurlijst • • • • • • •

• • •

Bij12 (2017). Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus. Bij12, versie 1.0, Utrecht. Bij12 (2017). Kennisdocument Rosse vleermuis Nyctalus noctula. Bij12, versie 1.0, Utrecht. Bij12 (2017). Kennisdocument Ruige dwergvleermuis Pipistrellus nathusii. Bij12, versie 1.0, Utrecht. Dietz, C., Helversen, O. van, & Nill, D. (2011). Vleermuizen: Alle soorten van Europa en NoordwestAfrika. Utrecht, Nederland: De Fontein & Tirion Uitgevers. ESRI Nederland (2019). https://www.esri.nl/nl-nl/home Limpens, H. , K. Mostert en W. Bongers (1997). Atlas van de Nederlandse Vleermuizen. Utrecht: KNNV Uitgeverij. Limpens, H., P. Twisk & G. Veenbaas (2004). Met vleermuizen overweg. Brochure over vleermuizen en de wijze waarop bij planning, aanleg, reconstructie en beheer van wegen praktische invullingen kan worden gegeven aan de wettelijke zorgplicht voor vleermuizen. Dienst Weg- en Waterbouwkunde, Delft / Zoogdiervereniging, Arnhem. Ministerie van Economische Zaken (2016). Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Ministerie van Economische Zaken, versie 1.3. Oomen, M. (2018). Toetsing Wet natuurbescherming, Fietsverbinding Hilversum – Soest. Projectnummer 8200.3. Culemborg, Eelerwoude. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging en Gegevensautoriteit Natuur (2017). Vleermuisprotocol 2017.

Soortinformatie: • www.zoogdiervereniging.nl • www.nederlandsesoorten.nl

BIJLAGE 1 Verspreidingskaarten vleermuizen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11457661/1