CConstaterende datBaarle-Nassau
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting

Commissie Ruimte en Economie 30 november 2021, gemeente Baarle-NassauBij agendapunt: Ingekomen stukken23.352 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

d. de vestiging geen betrekking heeft op een kantoor met baliefunctie, lawaaisport of mestbewerking. Met de beoogde ontwikkeling wordt geen kantoor met baliefunctie, lawaaisport of mestbewerking gerealiseerd.

Conform artikel 3.73, tweede lid, dient een bestemmingsplan dat de vestiging mogelijk maakt te borgen dat de functie, ook op lagere termijn, past binnen de ontwikkelingsrichting. Er dienen daartoe regels te worden gesteld:

a. over een bij de omgeving passende omvang en publieksaantrekkende werking;

Als een binnen de omgeving passende omvang geldt voor voorzieningen ten dienste van vrije tijd en zorg een omvang van de bebouwing van ten hoogste 1 hectare. In afwijking hiervan kan een bestemmingsplan van toepassing op Gemengd landelijk gebied op grond van artikel 3.67, eerste lid, van de Iov, een andere omvang toelaten als: 1. dat past in de ontwikkelingsrichting van het gebied als bedoeld in artikel 36.3, eerste lid; 2. ter uitvoering van artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap elders leegstaand vastgoed in het landelijk gebied is gesloopt van een omvang die ten minste gelijk staat aan de oppervlakte van bebouwing die boven de 1 hectare wordt toegestaan; 3. de ontwikkeling in samenhang met andere doelen voor het gebied en de directe omgeving wordt uitgevoerd, waarbij ook kwaliteitswinst voor andere functies, waaronder natuur, wordt bereikt. De beoogde maatschappelijke bestemming heeft een omvang van 16.870 m 2, met een bouwvlak van 11.713 m2. In de voorwaarden van de maatschappelijke bestemming wordt vastgelegd dat de oppervlakte van de bedrijfsgebouwen ten behoeve van de zorgboerderij niet meer mag bedragen dan 3.365 m2. Deze maximaal toegestane oppervlakte aan bedrijfsgebouwen kan uitsluitend op basis van de afwijkingsbevoegdheid ten behoeve van de zorgwoning worden uitgebreid tot 4.075 m2, evenveel als in de bestaande situatie aanwezig is.

Hiervoor is het oppervlakte gebouwen benoemd en verbinding gelegd met het oppervlak bouwwerken als geheel. In de regels is derhalve een algemene bouwregel opgenomen van maximaal 1 hectare aan bouwwerken. Hiermee is dus verzekerd dat het bebouwd oppervlak binnen de maatschappelijk bestemming niet meer zal kunnen bedragen dan 1 hectare. Bovendien past het initiatief in de ontwikkelingsrichting van het gebied, zoals reeds is toegelicht onder sub a. In de toetsing aan artikel 3.8 van de Iov is reeds aangetoond dat met het initiatief ruimschoots voldoende meerwaarde gecreëerd wordt door de sloop van overtollige bebouwing en de aanleg en instandhouding van landschappelijke inpassing van het

Bestemmingsplan Zorgboerderij De Hardel Hoeve – Oordeelsestraat 15a/17 te Baarle-Nassau

21

plangebied. Er kan dus worden geconcludeerd dat de beoogde zorgvoorziening qua omvang passend is in de omgeving. Dat ook de publieksaantrekkende werking van de beoogde zorgfunctie passend is binnen de omgeving wordt aangetoond in paragraaf 4.9.

b. welke specifieke gebruiksactiviteit is toegestaan;

In de voorwaarden van het bestemmingsplan wordt vastgelegd dat ter plaatse uitsluitend een maatschappelijke functie in de vorm van een zorgboerderij is toegestaan.

c. dat opslag en stalling plaatsvindt in gebouwen;

Buitenopslag is binnen de maatschappelijke bestemming als strijdig gebruik aangemerkt.

d. dat de ontwikkeling verplaatst naar een passende locatie als deze niet langer past binnen de maximaal toegestane omvang.

Er wordt met dit plan niet voorzien in uitbreidingsmogelijkheden van de maatschappelijke bestemming, waardoor de zorgboerderij genoodzaakt is om zich elders op een passende locatie te vestigen wanneer de maximaal toegestane omvang niet meer voldoende is.

Er kan derhalve worden geconcludeerd dat het initiatief voldoet aan de voorwaarden voor de vestiging van een niet-agrarische functie in het landelijk gebied. Conclusie Gelet op bovenstaande voldoet de ontwikkeling aan de voorwaarden die zijn opgenomen in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. 3.2 Gemeentelijk beleid Om te beoordelen of de beoogde ontwikkeling op hoofdlijnen past binnen het beleidskader van de gemeente dient getoetst te worden aan de omgevingsvisie en het bestemmingsplan.

3.2.1

Omgevingsvisie

Op 26 juni 2019 is de ‘Omgevingsvisie Baarle-Nassau’ vastgesteld. Hierin is de visie van de gemeente op de ruimtelijke toekomst van de dorpen en het buitengebied vervat. De toekomstige leefomgeving komt namelijk anders tot stand dan in het verleden. Transformatie en hergebruik hebben de plaats van uitbreiding en groei ingenomen. De gemeente nodigt initiatiefnemers dan ook uit om zelf met nieuwe ontwikkelingen te komen. Om initiatieven voor elkaar te krijgen wordt vervolgens een ‘ja mits’ beleid aangehouden in plaats van een ‘nee tenzij’ beleid. Om de gemeentelijke visie te bereiken zijn 11 deelgebieden aangewezen waarvoor afzonderlijke doelen zijn opgesteld. Wanneer een nieuw initiatief zich aandient worden de volgende vragen gesteld: 1. In hoeverre draagt het initiatief bij aan de gestelde doelen? 2. Wat vindt de samenleving van het initiatief (is er draagvlak)? 3. Wat draagt het initiatief bij aan ruimtelijke kwaliteit? 4. Hoe kan het initiatief voldoen aan andere wet- en regelgeving? Als het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen is het versterken van de landschappelijke kwaliteit van het buitengebied van belang. Duurzaamheid en de gevolgen voor het milieu dienen in acht te worden genomen. Het aantrekkelijke buitengebied wordt gezien als een kans voor toerisme en recreatie.

Er moet daarbij een afweging gemaakt worden wat voor niet-agrarische functies passen op welke plekken in het buitengebied. Met het initiatief wordt de uitnodiging voor een nieuwe ontwikkeling in het buitengebied met beide handen aangegrepen. De veehouderij(en) maken plaats voor een uitbreiding van de zorgboerderij. Hiertoe wordt bestaande bebouwing in gebruik genomen en overtollige bebouwing gesaneerd. Daarbij worden ook een streekwinkel en boerderijterras opgericht ter ondersteuning van de zorgfunctie. Het bestaande akkerbouwbedrijf en de minicamping worden gecontinueerd. Het gehele plangebied wordt zorgvuldig landschappelijk ingepast ter versterking van de ruimtelijke kwaliteit.

Bestemmingsplan Zorgboerderij De Hardel Hoeve – Oordeelsestraat 15a/17 te Baarle-Nassau

22

Hiermee is het initiatief passend in de omgevingsvisie van de gemeente Baarle-Nassau.

3.2.2

Visie vrijetijdseconomie

Baarle-Nassau is van oudsher een gemeente met grote aantrekkingskracht op haar bezoekers. De gemeente heeft nu de ambitie om haar vrijetijdssector verder te versterken door onder andere de kwaliteit, zichtbaarheid en beleefbaarheid te verbeteren. Hiertoe is de ‘Visie vrijetijdseconomie’ opgesteld. Het doel van deze Visie is het geven van een kwaliteitsimpuls aan de vrijetijdseconomie die op termijn leidt tot een gezond, vraaggericht, toekomstbestendig én onderscheidend aanbod. Daarbij wordt een éénduidig kader geschetst waarbinnen initiatieven vanuit het toeristisch-recreatieve veld op een uniforme wijze in behandeling worden genomen. Om te komen tot een overkoepelende Visie Vrijetijdseconomie, is een onderzoek uitgevoerd naar de mate waarin doelgroepen worden aangesproken met het huidige aanbod van voorzieningen. Hieruit is naar voren gekomen dat de benutting van kansen voor recreatie en toerisme in het buitengebied momenteel onvoldoende is. Er wordt benadrukt dat kleinschalige initiatieven gestimuleerd worden. Bij grootschalige initiatieven zal de kwaliteit van het initiatief leidend moeten zijn. Een zwak punt is de eenzijdigheid in het verblijfsrecreatieve aanbod is en dat het aanbod voor 90% op het kampeerproduct leunt. In de toekomst wil de gemeente een meer divers type verblijfsmogelijkheden, inspelend op de behoeften van consumenten.

De gemeente stimuleert de kwaliteitsimpuls en verbreding van verblijfsrecreatie naar onderscheidende en eigentijdse vormen van (verhuur-)accommodaties. Het ontwikkelen van kleinschalige initiatieven in het buitengebied met een koppeling aan de kernkwaliteiten van Baarle worden gestimuleerd, bijvoorbeeld door het gebruik van voormalige agrarische bebouwing (VAB’s). De Visie vrijetijdseconomie is van toepassing op het initiatief omdat het onder andere een minicamping en ondergeschikte horeca bij de zorgboerderij omvat. De minicamping is in de bestaande situatie al aanwezig. Hiermee wordt echter een zeer specifieke doelgroep bediend. Enerzijds kunnen gezinnen met kinderen die een zorgvraag hebben op de camping verblijven, zodat het kind kan aansluiten bij de dagbesteding en het gezin ontlast wordt. Anderzijds vormt het contact met de campinggasten een aanvulling op het activiteitenaanbod van de zorgboerderij. Hetzelfde gaat gelden voor de ondergeschikte horeca. Bovendien wordt kwaliteit toegevoegd door de sloop van overtollige bebouwing en de aanleg en instandhouding van landschappelijke inpassing van het plangebied. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling dus een aanvulling vormt op de vrijetijdseconomie van Baarle-Nassau.

3.2.3

Bestemmingsplan

Zoals reeds in de inleiding van voorliggende toelichting beschreven is voor het plangebied de beheersverordening ‘Buitengebied Ulicoten-Noord en Baarle-Nassau-Oost’ van toepassing. Deze verordening verklaart dat de regels, zoals opgenomen in het bestemmingsplannen ‘Buitengebied’ d.d. 01-02-1990 en ‘Buitengebied – partiële herziening 1994’ d.d. 26-12-1995 van de gemeente BaarleNassau, van toepassing zijn. Artikel 1, lid c van de beheersverordening stelt dat de wijzigingsbevoegdheden die in het bestemmingsplan ‘Buitengebied’, waaronder tevens begrepen bijbehorende partiële herziening ‘Buitengebied – partiële herziening 1994’, zijn opgenomen niet van toepassing zijn op de beheersverordening. Derhalve kan voor het initiatief geen gebruik worden gemaakt van een wijzigingsbevoegdheden. Middels een partiële herziening van het bestemmingsplan wordt het initiatief mogelijk gemaakt.

Bestemmingsplan Zorgboerderij De Hardel Hoeve – Oordeelsestraat 15a/17 te Baarle-Nassau

23

4. Milieuhygiënische en planologische aspecten Op grond van het bepaalde in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het verplicht om inzicht te bieden in de relevante milieuhygiënische en planologische aspecten. In dit hoofdstuk worden deze aspecten beschreven. 4.1 Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Per 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Deze wijziging geldt voor alle aanvragen na 16 mei 2017, omdat er een directe werking van het Europese recht geldt. Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen, waaronder partiële herzieningen, onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: - Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden; - Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten.

Ten aanzien van het eerste criterium geldt dat er in deze situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. In paragraaf 4.3.2 is een uitgebreide toelichting opgenomen voor de mogelijke effecten van het plan op de Natura 2000-gebieden. Op basis van deze paragraaf kan worden geconcludeerd dat er op basis van het eerste criterium geen MER noodzakelijk is. Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. Maar ook onder de grenzen uit de C- en D-lijst van het Besluit m.e.r. geldt sinds 7 juli 2017 een m.e.r.beoordelingsplicht. Dit houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen. Deze zaken zijn uitgebreid onderzocht in het kader van voorliggende toelichting, tezamen met alle andere milieuhygiënische en planologische aspecten. Hieruit zijn geen bezwaren naar voren gekomen.

Bovendien worden met dit bestemmingsplan een varkens- en rundveehouderij gesaneerd, waardoor er niet langer bedrijfsmatig vee gehouden wordt op de (voormalige) agrarische bedrijfslocaties. Aan de Oordeelsestraat 15a wordt alleen het bestaande akkerbouwbedrijf voortgezet. Aan de Oordeelsestraat 17 worden de bestaande zorgboerderij en bijbehorende minicamping voortgezet. Een gedeelte van de vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen wordt in gebruik genomen ten behoeve van de zorgboerderij. Overtollige bebouwing wordt gesloopt. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er gelet op de kenmerken van de ontwikkeling, de locatie en de kenmerken van de potentiële effecten niet leiden tot milieueffecten van een dusdanige omvang dat er sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Deze toelichting kan dan ook tevens worden beschouwd als vormvrije m.e.r.-beoordelingsnotitie. Artikel 7.17, tweede en vierde lid, van de Wet milieubeheer geeft aan op basis van welke informatie het bevoegd gezag, in dit geval het college van Burgemeester en Wethouders, een besluit moet nemen op een MER-beoordeling. Door middel van deze toelichting op het bestemmingsplan heeft een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsgevonden, waarbij alle relevante planologische en milieuhygiënische aspecten zijn getoetst. Deze toelichting kan dan ook worden beschouwd als vormvrije MER-beoordelingsnotitie.

Analoog aan artikel 7.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer dient een besluit op een m.e.r.beoordeling genomen te worden in het stadium voorafgaand aan de inzagetermijn van het ontwerpbesluit. Dit maakt het mogelijk dat het College in één vergadering besluit over de m.e.r.beoordeling en om het ontwerpbestemmingsplan ter inzage te leggen. Beide zaken liggen dan tegelijk

Bestemmingsplan Zorgboerderij De Hardel Hoeve – Oordeelsestraat 15a/17 te Baarle-Nassau

24

ter inzage. Tegen het m.e.r.-beoordelingsbesluit staat geen bezwaar en/of beroep open, maar indirect kan er via een zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan wel op gereageerd worden. Het College wordt verzocht om voorafgaand aan het nemen van een besluit op het ontwerpbestemmingsplan op basis van bovenstaande een besluit te nemen op de m.e.r.-beoordeling. 4.2 Waterhuishouding Per 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets toe te passen. Deze verplichting is wettelijk geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In deze watertoets moet inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente voorafgaand aan de procedure het voornemen van de ruimtelijke ingreep aan het waterschap te verzenden. De gemeente en het waterschap kunnen afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen. In deze waterparagraaf komen de volgende onderdelen aan bod: - Beschrijving waterrelevant beleid; - Bestaande waterhuishoudkundige situatie; - Beoogde waterhuishoudkundige situatie.

4.2.1

Waterrelevant beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. De Nederlandse regering heeft invulling aan de KRW gegeven middels de Waterwet, die in werking is getreden op 22 december 2009. De Waterwet regelt het beheer van het oppervlakte- en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen het waterbeleid en ruimtelijke ordening. De visies met betrekking tot het waterbeleid worden door de verschillende bestuurslagen in diverse plannen beschreven. Provincie Het beleid van de provincie Noord-Brabant richt zich op het bereiken en in stand houden van watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens, dier en plant. Daarbij zijn economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht en is het hebben en houden van een veilige en bewoonbare provincie een randvoorwaarde. De watertoets en de wijze waarop de provincie daar mee omgaat is beschreven in het Provinciaal Milieu en Waterplan (PMWP). Provinciale Staten hebben op 18 december 2015 het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 – 2021 ‘Samen naar een duurzaam gezonde en veilige leefomgeving in Brabant vastgesteld (PMWP).

Hiermee zijn twee aparte provinciale plannen samengevoegd, te weten het voormalige ‘PWP 2010-2015’ en het ‘Provinciale Milieuplan 2012-2015’. Het doel van dit plan is het creëren van een gezonde leefomgeving voor mens, dier en plant, waarin we veilig kunnen wonen en waar ruimte is voor economische, maatschappelijke en ecologische ontwikkelingen. Het aspect water maakt hier onderdeel van uit. Kort gezegd gaat het PMWP voor: - voldoende water voor mens, plant en dier; - schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht); - bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s; - verduurzaming van de grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening. Gemeenten en waterschappen dienen hun waterbeleid te baseren op de uitgangspunten die de provincie in hun PMWP stelt. De PMWP is enkel voor de provincie Noord-Brabant zelf bindend. Zoals weergegeven is in Afbeelding 11 heeft het plangebied in het PMWP de waterhuishoudkundige functie ‘Water voor het gemengd landelijk gebied’ toegekend gekregen. Deze aanduiding komt overeen met de aanduiding ‘gemengd landelijk gebied’ uit de voormalige Structuurvisie ruimtelijke ordening en Verordening ruimte Noord-Brabant. Het waterbeheer richt zich op een goede waterhuishouding voor een duurzame en concurrerende landbouw.

Randvoorwaarden zijn de verplichtingen uit de Kaderrichtlijn Water en afstemming met de maatregelen voor de Natura 2000-gebieden en de Natte natuurparels. Voor het overige geldt geen specifiek beschermingsbeleid.

Bestemmingsplan Zorgboerderij De Hardel Hoeve – Oordeelsestraat 15a/17 te Baarle-Nassau

25

Op de kaart 2 en 3 behorende bij de PMWP heeft het plangebied geen aanduiding gekregen. Gezien vanuit het beleidskader van de PMWP is dus geen specifiek beschermingsregime van toepassing binnen het plangebied. Gezien hetgeen hierboven beschreven dat er geen aanduiding opgenomen is op de kaarten 2 en 3 en dat op kaart 1 geen specifiek beschermingsbeleid geldt, past het initiatief binnen het beleidskader van de PMWP.

Afbeelding 11: Uitsnede kaart 'Gezondheid - 1' PMWP Waterschap Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerplan 2016-2021, wat tot stand is gekomen in samenspraak met de waterpartners. Zo zijn bijvoorbeeld relevante waterthema’s gekoppeld aan de belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen in de regio. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de Legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken plus bijbehorende beschermingszones liggen, aan welke afmetingen en vorm die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd.

In sommige gevallen vallen de werkzaamheden onder een Algemene regel. Dan kan er onder voorwaarden sprake zijn van vrijstelling van de vergunningsplicht. De Keur en de Algemene regels zijn te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie.

Bestemmingsplan Zorgboerderij De Hardel Hoeve – Oordeelsestraat 15a/17 te Baarle-Nassau

26

Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de ‘beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’.

4.2.2

Bestaande waterhuishoudkundige situatie

4.2.3

Beoogde waterhuishoudkundige situatie

In de bestaande waterhuishoudkundige situatie wordt het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk riool. Voor het overige wordt er uit de inrichting enkel niet-verontreinigd hemelwater geloosd. Dit hemelwater is afkomstig van regenwater dat op de daken en erfverharding valt. Gemiddeld valt er jaarlijks 0,8 m3 niet-verontreinigd hemelwater per m2 verhard oppervlak. Dit hemelwater wordt door middel van afschot van daken en erfverharding geloosd op omliggende perceelssloten. Op het bedrijf vinden geen bijzondere activiteiten plaats die ertoe kunnen leiden dat er stoffen in aanraking kunnen komen met het hemelwater. Het niet-verontreinigde hemelwater kan dus zonder problemen worden geloosd op de omliggende perceelssloten. Zoals aangegeven is waterschap Brabantse Delta de beheerder van de kwaliteit en kwantiteit van het grond- en oppervlaktewater binnen het plangebied. Middels de Keur van Waterschap Brabantse Delta, welke in werking is getreden op 1 maart 2015, is bepaald bij welke ontwikkelingen mitigerende maatregen getroffen moeten worden. Volgens de Keur van Waterschap Brabantse Delta is het namelijk verboden om zonder vergunning neerslag tot afvoer te laten komen naar oppervlaktelichamen als gevolg van het bebouwen of verharden van meer dan 2.000 m 2 onverharde grond. Dit verbod is ingesteld om versnelde afvoer van neerslag te voorkomen.

De mitigerende maatregelen betreffen een retentievoorziening van 60 mm voor elke m 2 verhard oppervlak. Indien een locatie is gelegen in een keurbeschermingsgebied of attentiegebied dienen voor elke toename van verhard oppervlak na de referentiedatum mitigerende maatregelen getroffen te worden. Het plangebied is niet gelegen in een keurbeschermingsgebied of attentiegebied, zie Afbeelding 12. Met de beoogde ontwikkeling word de overtollige varkensstal, met een oppervlakte van 1.020 m2, gesaneerd. Hier voor in de plaats zullen een aantal kleinere gebouwtjes ten dienste van de dagactiviteiten, zoals de streekwinkel en het boerderijterras, worden teruggebouwd. Op termijn zal daarbij mogelijk nog een zorgwoning ten behoeve van maximaal 20 cliënten worden gerealiseerd. In de regels van dit bestemmingsplan wordt vastgelegd dat de oppervlakte van de bedrijfsgebouwen niet meer mag bedragen dan de totale oppervlakte van de gebouwen die op het tijdstip van het in werking treden van het bestemmingsplan legaal aanwezig waren. Hiermee is verzekerd dat er in de toekomst geen sprake zal zijn van een toename in oppervlakteverharding van meer dan 2.000 m2. Het is derhalve niet noodzakelijk om ten behoeve van de beoogde ontwikkeling mitigerende maatregelen te treffen.

Bestemmingsplan Zorgboerderij De Hardel Hoeve – Oordeelsestraat 15a/17 te Baarle-Nassau

27

Afbeelding 12: Uitsnede keurkaart 'Beschermde gebieden' Brabantse Delta In de beoogde situatie blijft het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard geloosd worden op het gemeentelijk riool. Ook nieuwe zorgfuncties zullen hier op aangesloten worden. Bij nieuwbouw zal gebruik worden gemaakt van milieuvriendelijke bouwmaterialen en niet van uitlogende bouwmaterialen zoals lood, koper, zink en zacht PVC. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het (bodem)watersysteem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de (bodem)waterkwaliteit en ecologie. Met de beoogde ontwikkeling vinden er geen ruimtelijke ingrepen plaats die een negatief effect op de waterhuishouding zullen hebben. 4.3 Natuur Voorafgaand aan de gewenste wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van de groene wet- en regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven.

4.3.1

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

In de twintigste eeuw is veel Nederlandse natuur verdwenen. De overgebleven gebieden zijn vaak klein en liggen veelal ver uit elkaar. Hierdoor hebben bepaalde organismen moeite om gebieden te bereiken en zich er te handhaven, waardoor de diversiteit van planten, dieren en micro-organismen (de biodiversiteit) ook sterk achteruit gaat. Om de biodiversiteit te behouden en te versterken is het Natuurnetwerk Nederland opgericht. De Natuurnetwerk Nederland is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. In het NNN liggen: - Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; - Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; - Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; - Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van Noordzee en de Waddenzee; - Alle Natura 2000-gebieden. Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgelegd. Op grond van artikel 2.10.2 van het Barro moeten provincies bij provinciale verordening de NNN-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van artikel 2.10.3 Barro moeten zij

Bestemmingsplan Zorgboerderij De Hardel Hoeve – Oordeelsestraat 15a/17 te Baarle-Nassau

28

ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen. Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in de NNN aan. Elk NNN-gebied heeft een zogenaamd natuurdoel. Een natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied. Natuur Netwerk Brabant (NNB) Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijke voor de begrenzing en de ontwikkeling van het NNN. De provincie Noord-Brabant heeft in zijn Verordening de gebieden opgenomen als Natuur Netwerk Brabant. Men wil in 2027 alle gaten in het netwerk hebben gedicht met nieuwe natuur. Ongeveer 90% van het Natuur Netwerk Brabant wordt gevormd door bestaande natuurgebieden. Tussen deze gebieden is men voornemens om verbindingen te leggen in de vorm van Ecologische verbindingszones. Door deze verbindingen tussen natuurgebieden kunnen dieren van het ene gebied naar het andere foerageren. De concrete ambities van de provincie Noord-Brabant staan in het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2016. De begrenzing van het netwerk is daarnaast ook opgenomen in de Iov. Het NNB kent geen specifiek beschermingsregime, anders dan via het ruimtelijke spoor. Conform de kaart ‘Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden’ van de Iov is binnen het plangebied geen NNB aanwezig, zie Afbeelding 13.

De beoogde ontwikkelingen hebben derhalve geen invloed op de concrete ambities uit het Natuurbeheerplan 2016. Daarnaast zal door het landschappelijk inpassingsplan de ecologische waarde in de omgeving versterkt worden.

Afbeelding 13: Uitsnede kaart ‘Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden’ Iov 4.3.2

Wet natuurbescherming

In de Wet natuurbescherming zijn regels gesteld met betrekking tot gebiedsbescherming, soortenbescherming en bescherming van houtopstanden. In deze paragraaf wordt getoetst of de ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk gelegen bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is reeds beschermd in het Barro en provinciale verordening. In Nederland zijn 164 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Kempenland-West, Kampina en Oisterwijkse Vennen en Regte Heide en Riels laag. De provincie Noord-Brabant heeft geen bijzondere provinciale natuurgebieden vastgesteld.

Bestemmingsplan Zorgboerderij De Hardel Hoeve – Oordeelsestraat 15a/17 te Baarle-Nassau

29

Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning in het kader van Wet Natuurbescherming (Wnb) wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft ‘Arendonk, Merksplas, Oud-Turnhout, Ravels en Turnhout’ wat is gelegen op een afstand van circa 2,7 kilometer in België. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied in Nederland betreft ‘Regte Heide & Riels Laag’, wat is gelegen op een afstand van circa 4,9 kilometer. Elke ruimtelijke ontwikkeling kan negatieve effecten hebben op de Natura 2000-gebieden. Er zijn namelijk verschillende factoren die kunnen leiden tot de verstoring van beschermde vogel- en habitattypen en soorten. Vooral de storingsfactoren verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht spelen hierbij een belangrijke rol, omdat deze ook op grote afstand van een gebied voor effecten kunnen zorgen.

Daarnaast kunnen andere factoren eveneens leiden tot een verstoring van habitattypen en soorten, indien een ontwikkeling op korte afstand van een gebied plaatsvindt.

Verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht

Middels het rekenprogramma AERIUS kan de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden worden berekend. Hiermee wordt het effect op verzuring en vermesting in beeld gebracht. Wanneer met het rekenprogramma AERIUS kan worden aangetoond dat een initiatief geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft, kan de ontwikkeling doorgang vinden. Indien er wel sprake is van een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden moet onderbouwd worden hoe deze toename in depositie ongedaan wordt gemaakt (door het treffen van maatregelen of extern salderen). Voor het bedrijf aan de Oordeelsestraat 15a is op 16 juli 2014 een vergunning ingevolge artikel 16 van de Natuurbeschermingswet 1998 voor een emissie 1.285,58 kg NH 3 per jaar afgegeven. Deze vergunning is van rechtswege per 01-01-2017 is overgaan in een vergunning als bedoeld in artikel 2.7 lid 2 van de Wet natuurbescherming. Daar dit een vergunning betreft van voor het in werking treden van de PAS is dit ook na de uitspraak van 29 mei 2019 de uitgangssituatie voor de stikstofdepositie van dit bedrijf. Voor het bedrijf aan de Oordeelsestraat 17 is op 27 maart 2012 een Melding Besluit Landbouw geaccepteerd voor het houden van 79 melk- en kalfkoeien, 93 stuks vrouwelijk jongvee en 8 volwassen pony’s. Gezamenlijk emitteren deze dieren 1.461 kg NH 3 per jaar.

Daar dit het bestaande planologisch legale gebruik van het bedrijf betreft is dit de uitgangssituatie voor de stikstofdepositie van dit bedrijf. In de beoogde situatie worden beide bedrijven volledig gesaneerd. Er vindt dan nog uitsluitend stikstofemissie plaats als via stookinstallaties die binnen de inrichting (reeds) aanwezig zijn als gevolg van verkeersbewegingen van en naar de inrichting. Dit weegt niet op tegen de afname in stikstofemissie als gevolg van de sanering van de veehouderijen. Voor stookinstallaties als gevolg van een gasaansluiting in een woning geldt namelijk een emissiefactor van 3,03 kg NH3/jaar. Voor wat betreft de bestaande bedrijfswoningen en zorgruimten zijn dergelijk stookinstallaties reeds aanwezig. Wanneer bij nieuwbouw de landelijke trend gevolgd wordt dat de bebouwing niet meer voorzien zal worden van een gasaansluiting zal vanuit die gebouwen geen sprake meer zijn van uitstoot van stikstof vanuit de stookinstallatie. Het aantal verkeersbewegingen van en naar de zorgboerderij zal weliswaar toenemen, maar dit betreffen voornamelijk lichte motorvoertuigen. Daar staat een afname in verkeersbewegingen van en naar de varkens- en rundveehouderij met zware motorvoertuigen tegenover. De stikstofemissie als gevolg van verkeersbewegingen van en naar de inrichtingen zal dus zeer beperkt tot niet toenemen.

Bestemmingsplan Zorgboerderij De Hardel Hoeve – Oordeelsestraat 15a/17 te Baarle-Nassau

30

Gezien de grote afname in stikstofemissie zal er met het initiatief ook een afname in stikstofdepositie plaatsvinden. Het aspect stikstofdepositie vormt derhalve geen belemmering voor vaststelling en uitvoering van het plan.

Overige storingsfactoren

Vanwege de ruime afstand van het plangebied tot de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden leidt het initiatief verder niet tot andere voorkomende storende factoren op omliggende Natura 2000-gebieden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling.

Conclusie

Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Er is derhalve op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van gebiedsbescherming noodzakelijk. Bescherming van soorten De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven:

1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn;

Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn).

2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn;

Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd.

3. Beschermingsregime andere soorten.

Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland.

In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in het plangebied voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: - Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); - Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); - Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Gelet op de aard van het initiatief aan de Oordeelsestraat 15a en 17 dient met name bepaald te worden of ter plaatse van de te slopen/renoveren bebouwing beschermde natuurwaarden voorkomen, die verstoord zouden kunnen worden. Verboden handelingen dienen te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding.

Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten dient zo veel mogelijk voorkomen te worden. De te slopen/renoveren bebouwing wordt tot op heden intensief gebruikt als dierenverblijven voor varkens. Overige gebouwen zijn reeds in gebruik ten behoeve van de zorgboerderij.

Bestemmingsplan Zorgboerderij De Hardel Hoeve – Oordeelsestraat 15a/17 te Baarle-Nassau

31

Landbouwgronden rondom beide bouwvlakken worden intensief gebruikt ten behoeve van akkerbouw. De aanwezigheid van beschermde of bijzondere soorten is daardoor niet te verwachten. Volledigheidshalve is ten behoeve van het initiatief een quickscan flora en fauna onderzoek uitgevoerd door Brabant Eco. Hierin wordt o.a. het volgende geadviseerd: - Op basis van het veldonderzoek en de analyse van de bestaande situatie kan het voorkomen van beschermde flora en fauna zo goed als zeker worden uitgesloten. Mede hierdoor en aan de hand van de geplande functieverandering van het plangebied; het slopen van de varkensstallen, waardoor de intensieve varkenshouderij volledig verdwijnt, wordt dan ook niet aanbevolen om een nadere inventarisatie door middel van extra veldonderzoek uit te voeren. - De ingreep zal naar verwachting leiden tot een zeer beperkt en tijdelijk verlies van leefgebied van enkele overige beschermde soorten. De ingreep heeft geen invloed op de gunstige staat van instandhouding van deze soorten omdat het erf geschikt blijft als leefgebied en het relatief algemene soorten betreft. Een ontheffing Wet natuurbescherming is daarom niet noodzakelijk. - Voor alle beschermde, inheemse (ook de algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt vanuit de Wet natuurbescherming een verbod op handelingen die nesten of eieren beschadigen of verstoren.

Ook handelingen die een vaste rust- of verblijfsplaats van beschermde vogels verstoren zijn niet toegestaan. In de praktijk betekent dit dat verstorende werkzaamheden alleen buiten het broedseizoen uitgevoerd mogen worden. In het kader van de vogelrichtlijn wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een broedvogel verstoord wordt, ongeacht de datum. Globaal gaat het om de periode van 15 maart tot 15 juli. - Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien is vastgesteld dat er met de werkzaamheden geen nesten van broedvogels worden verstoord. In het kader van de zorgplicht dient men tijdens de uitvoering alert te zijn op aanwezige fauna en daarbij, indien noodzakelijk, mitigerende maatregelen te treffen. Deze maatregelen dienen ervoor om negatieve gevolgen voor beschermde soorten te voorkomen of te verzachten. - De zorgplicht is altijd van toepassing, op basis waarvan door iedereen voldoende zorg in acht moet worden genomen voor in het wild levende dieren en hun leefomgeving. Dit kan bijvoorbeeld door buiten kwetsbare periodes (het voortplantings- en winterslaapseizoen) te starten met werkzaamheden en het gefaseerd werken om dieren de kans te geven om te vluchten. - Bij onvoorziene omstandigheden dient daarnaast direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige.

Hieruit kan worden geconcludeerd dat er ten aanzien van het initiatief geen omgevingsvergunning voor de bescherming van soorten in het kader van de Wet natuurbescherming benodigd is. Het volledige onderzoeksrapport als Bijlage 4 aan deze toelichting toegevoegd. Bescherming van houtopstanden De bescherming van houtopstanden vloeit voort uit de Boswet. Voorwaarden zijn gericht op de instandhouding van het bosareaal. Bij houtopstanden groter dan 10 are of 20 rijbomen en gelegen buiten de bebouwde kom geldt een meldplicht, herplantplicht en mogelijke oplegging van een kapverbod. Op een erf geldt hiervoor de gemeentelijke APV. Met het initiatief is geen sprake van de kap van (solitaire) bomen. Met het initiatief worden houtopstanden derhalve afdoende beschermd. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van houtopstanden noodzakelijk is. 4.4 Bodemkwaliteit In het kader van ruimtelijke ontwikkelingen dient de aanwezige bodemkwaliteit te passen bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren.

Indien de bodemkwaliteit (humane) risico’s met zich mee brengt of er sprake is van een spoedeisend geval van bodemverontreiniging kan de ontwikkeling voor bepaalde nieuwe functies geen doorgang vinden tot de risico’s zijn beheerst of weggenomen door sanering.

Bestemmingsplan Zorgboerderij De Hardel Hoeve – Oordeelsestraat 15a/17 te Baarle-Nassau

32

Wanneer de bestemming en/of het gebruik van gronden wordt gewijzigd én wanneer een gebouw of gebruik wordt gerealiseerd waarin mensen 2 uur of langer gaan verblijven moet een historisch en verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 uitgevoerd worden. Ten behoeve van het initiatief is derhalve een bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de toekomstige zorgwoning. Hier wordt nieuw gebruik mogelijk gemaakt waar mensen twee uur of langer zullen verblijven. De locatie aan de Oordeelsestraat 15a is blijft in gebruik als agrarisch bedrijf. De gronden ter plaatse van de camping, bedrijfswoning en zorgboerderij aan de Oordeelsestraat 17 zijn al als zodanig in gebruik. In Bijlage 5 is het onderzoeksrapport van het bodemonderzoek toegevoegd. Het onderzoek is uitgevoerd aan de hand van historische gegevens, zintuigelijke waarnemingen tijdens het veldwerk en de analyseresultaten. Uit het vooronderzoek blijkt dat de locatie als onverdacht kan worden beschouwd ten aanzien van bodemverontreiniging. Er is echter ook een zwak puinhoudende bovengrond aangetroffen van circa 85 m2 aangetroffen, die moet worden beschouwd als zijnde verdacht ten aanzien van asbest. Uit de veld- en analyseresultaten kan worden geconcludeerd dat er geen significant verhoogde gehalten zijn aangetroffen in zowel de ‘schone’ bovengrond als in de zwak puinhoudende bovengrond.

In het grondwater zijn een sterk verhoogde concentratie aan nikkel en een matig verhoogde concentratie aan barium aangetroffen. Formeel gezien dient derhalve nader onderzoek te worden verricht. Dergelijke verhoogde concentraties aan zware metalen worden echter vaker aangetroffen in de omgeving zonder aanwijsbare bron. Dergelijke verhogingen aan zware metalen (waaronder nikkel en barium) kunnen derhalve, in dit gebied, gezien worden als verhoogde achtergrondwaarden. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er ten aanzien van het aspect bodem geen bezwaren zijn voor de gewenste ontwikkeling. 4.5 Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie Voorafgaand aan de realisatie van de beoogde bedrijfsopzet dient onderzocht te worden of er sprake is van aantasting van archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden.

4.5.1

Cultuurhistorie en aardkunde

De cultuurhistorie en aardkunde binnen het plangebied wordt beschouwd aan de hand van het wettelijk toetsingskader en het daaruit volgende provinciaal beleid. Wettelijk toetsingskader Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Op 5 juli 2011 is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2012 moet ieder nieuw project een analyse van cultuurhistorische waarden bevatten. In aansluiting op de vaststelling van de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in mei 2011 zijn op 17 juni 2011 het Bro, het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz) aangepast. Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en verlening van een omgevingsvergunning. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een omgevingsvergunning moet voldoen.

Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De wetgever wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het proces naar voren wordt gehaald. In de ruimtelijke onderbouwing dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten

Bestemmingsplan Zorgboerderij De Hardel Hoeve – Oordeelsestraat 15a/17 te Baarle-Nassau

33

monumenten rekening is gehouden. De opsteller en verlener van omgevingsvergunning zijn daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Uit de cultuurhistoriekaart van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant blijkt dat het plangebied niet gelegen is in een cultuurhistorisch vlak of een aardkundig waardevol gebied. Daarnaast kent de locatie geen complexen van cultuurhistorisch belang. Hierdoor zal bij uitvoering van het plan geen afbreuk gedaan worden aan cultuurhistorische waarden of aardkundig waardevol gebied. De Erfgoedwet, van kracht sinds 1 juli 2016, bundelt wet- en regelgeving op het gebied van behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland in één nieuwe wet. Een groot deel van de bestaande wet- en regelgeving (Monumentenwet, Wet ruimtelijke ordening) is overgenomen in de Erfgoedwet, bijvoorbeeld de aanwijzing van rijksmonumenten, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Voor het eerst is er nu één integrale wet die betrekking heeft op onze museale objecten, musea, monumenten en archeologie op het land en onder water.

Voorheen was het behoud en beheer van ons erfgoed geregeld in zes verschillende wetten met elk hun eigen procedures en beschermingsmaatregelen. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Daarnaast worden aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Samen met de Omgevingswet die naar verwachting in 2021 wordt ingevoerd, wordt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleid provincie Noord-Brabant De provincie Noord-Brabant ziet het ruimtelijke erfgoed als een belangrijk onderdeel van haar identiteit en wil het een plaats geven in de verdere ontwikkeling van Brabant. Het Brabantse erfgoed is daarom opgenomen op de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). De CHW bevat tevens de meest recente erfgoedinformatie van het Rijk inclusief archeologische en bouwkundige monumenten, archeologische verwachtingswaarden en beschermde stads- en dorpsgezichten. Ook alle informatie die op de CHW 2006 te vinden was is opgenomen op de nieuwe CHW, zie Afbeelding 14. Hieruit blijkt dat het plangebied is gelegen ter plaatse van het archeologische landschap Dekzandeiland AlphenBaarle en daardoor ‘Indicatieve Archeologische waarden’ heeft. Het aspect archeologie wordt verder beschreven in navolgende paragraaf.

De Oordeelsestraat is aangewezen als historisch geografische lijn van redelijk hoge waarde. Op korte termijn wordt de overtollige bedrijfsbebouwing, in de vorm van varkensstal nr. 6, gesaneerd. Daarnaast wordt het plangebied zorgvuldig landschappelijk ingepast, zodat de bebouwing aan het zicht wordt onttrokken en er een zachte overgang naar het achterliggende landschap ontstaat. Op de middellange termijn zal er ter plaatse van de te saneren varkensstallen een zorgwoning worden gerealiseerd. Qua architectuur van dit object zal worden aangesloten bij de reeds bestaande bebouwing. Bovendien is dit object achter op het erf gelegen, waardoor het aanzicht op het plangebied nagenoeg gelijk blijft. Het initiatief heeft dus geen negatief effect op de historisch geografische waarde van de Oordeelsestraat. Verder is het plangebied gelegen in de regio De Baronie. De Baronie is onderdeel van het dekzandplateau dat doorsneden wordt door beken. Het zandlandschap bestaat uit een grofmazige mozaïek van oude en jonge zandontginningen en bossen. Kenmerkend voor de oude zandontginningen zijn dorpen en buurtschappen zonder open akkercomplexen en bijhorende groenstructuren. Op enkele plaatsen komen open akkercomplexen voor. De bebouwing en de akkers liggen vaak op de rand van de beekdalen, de graslanden (beemden) in het beekdal en de (voormalige) heidevelden op de hogere zandgronden.

De jongere ontginningen hebben vaak een open karakter met een rationeel patroon van wegen, waterlopen en percelen. De openheid wordt onderbroken door erfbeplanting en wegbeplanting. De omgeving van de locatie wordt gekenmerkt door het besloten zandontginningslandschap. Hier is in het landschappelijk inpassingsplan bij aangesloten door de aanleg van beplanting op de perceelgrenzen. Hierdoor wordt beslotenheid van

Bestemmingsplan Zorgboerderij De Hardel Hoeve – Oordeelsestraat 15a/17 te Baarle-Nassau

34

het landschap teruggebracht. De beoogde bedrijfsontwikkeling ontwikkelingsstrategie van de regio De Baronie.

sluit daarmee aan bij de

Afbeelding 14: Uitsnede Cultuurhistorische waardenkaart provincie Noord-Brabant (plangebied blauw omcirkeld) 4.5.2

Archeologie

Voor archeologie geldt de nationale wetgeving die afkomstig is uit Europees beleid. Het Verdrag van Valletta (of wel: ‘Verdrag van Malta’) regelt hoe er omgegaan moet worden met het Europees archeologisch erfgoed. Nederland heeft het verdrag in 1992 mede ondertekend. De uitgangspunten van dit Europese verdrag zijn in de Nederlandse wet- en regelgeving verankerd door middel van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). De Wamz is in werking getreden op 1 september 2007 en wijzigt hiermee de Monumentenwet uit 1988, de Ontgrondingenwet (Ow), de Wet milieubeheer (Wm), de Woningwet (Ww) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro). ). Sinds de invoering van deze wet zijn gemeenten belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Vanaf 1 juli 2016 is dit op dezelfde wijze als via de Wamz verwerkt in de Erfgoedwet en in de toekomst zal dit verwerkt worden in de Omgevingswet. Tot de Omgevingswet ingaat gelden voor onderdelen, die gaan over de fysieke leefomgeving, de bepalingen uit de Monumentenwet. Dit is opgenomen in de overgangsregeling van de Erfgoedwet. Het uitgangspunt is dat er verplicht rekening gehouden moet worden met het behoud van het archeologisch erfgoed in de bodem. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden door middel van archeologisch onderzoek.

Bij het ontwikkelen van ruimtelijke plannen moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Het beleid van de gemeente Baarle-Nassau ten aanzien van archeologie is vervat in de ‘Nota Archeologie’, aldus vastgesteld in december 2011. In combinatie met de archeologische beleidskaart vormt deze het beleidsinstrumentarium voor de gemeente om haar wettelijke taak als bevoegde overheid voor archeologie uit te kunnen voeren. In Afbeelding 11 is een uitsnede van deze archeologische beleidskaart te zien ter plaatse van het plangebied.

Bestemmingsplan Zorgboerderij De Hardel Hoeve – Oordeelsestraat 15a/17 te Baarle-Nassau

35

Afbeelding 15: Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Baarle-Nassau Uit de archeologische beleidskaart van de gemeente Baarle-Nassau is op te maken dat op het plangebied verschillende archeologische kaarteenheden van toepassing zijn, te weten historische kern en archeologische verwachting hoog (categorie 2) en archeologische verwachting laag (categorie 6). In de gebieden met een hoge archeologische verwachting dienen bij voorkeur geen werkzaamheden te worden uitgevoerd die tot fysieke aantasting van de (verwachte) archeologische resten leiden. Het beleid is dus gericht op het behoud van de bestaande situatie in situ. Voor gronden met archeologische kaarteenheid 2 geldt derhalve dat maximaal 100 m2 geroerd mag worden. Voor gronden met een lage archeologische verwachting gelden geen verdere restricties ten aanzien van ruimtelijke ontwikkelingen. Ter plaatse van gronden binnen het plangebied met een hoge archeologische verwachtingswaarde bevinden zich bestaande gebouwen die gehandhaafd blijven. Verder wordt hier alleen landschappelijke inpassing aangebracht. Ter plaatse van gronden met een hoge archeologische verwachting zal dus niet meer dan 100 m2 grond worden geroerd. Er wordt uitsluitend bebouwing gesloopt en opgericht op gronden met een lage archeologische verwachtingswaarde.

Daarbij wordt opgemerkt dat gronden rondom en ter plaatse van bestaande bebouwing reeds zijn verstoord door het bouwrijp maken en het doen van afgravingen ten behoeve van de funderingen en de mestkelder. Hierdoor is de kans op aanwezigheid van archeologische waarden nihil. Er kan dus worden voldaan aan de gestelde voorwaarden voor de betreffende dubbelbestemmingen ten aanzien van archeologie. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de eventueel aanwezige archeologische verwachtingswaarden niet onevenredig zullen worden aangetast. Een nader archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk. Dit beleid is vastgelegd in de tweede herziening van het bestemmingsplan voor het buitengebied ‘Buitengebied Baarle-Nassau, herziening 2’, aldus vastgesteld d.d. 15-05-2019. Ter bescherming van de archeologische waarden wordt de relevante dubbelbestemming hieruit overgenomen in de voorwaarden van dit bestemmingsplan. 4.6 Bedrijven en milieuzonering De handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (editie 2009) is een publicatie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en dient als hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden.

Het waar nodig ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen:

Bestemmingsplan Zorgboerderij De Hardel Hoeve – Oordeelsestraat 15a/17 te Baarle-Nassau

36

-

Het reeds in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; Aan bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren.

De VNG-publicatie is een hulpmiddel om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen concreet in te vullen. Gemeenten beslissen uiteindelijk zelf over een bepaalde locatie. De handreiking geeft informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten (geur, stof, geluid en veiligheid) en bijbehorende richtafstanden van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit. Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen: - Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype) die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer. - Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Ook gebieden direct naast de hoofdinfrastructuur gelegen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. Hier zijn dan ook kleinere richtafstanden te rechtvaardigen (behalve voor het aspect veiligheid). Het plangebied is gelegen in omgevingstype ‘gemengd gebied’. Dit omgevingstype wordt gekenmerkt door een matige tot sterke functiemenging.

In de omgeving bevinden zich direct naast woningen andere functies zoals o.a. veehouderijen, akkerbouwbedrijven, een veevoerhandel en een manege. Er is in de omgeving dus reeds sprake van een verhoogde milieubelasting door onder andere het aspect geluid. Kleinere richtafstanden zijn derhalve te rechtvaardigen. Aan de Oordeelsestraat 15a wordt het akkerbouwbedrijf voortgezet. Een akkerbouwbedrijf behoort tot milieucategorie 2. Wanneer gelegen in gemengd gebied is de richtafstand voor deze categorie 10 meter. Direct aansluitend aan het akkerbouwbedrijf is de maatschappelijke bestemming ten behoeve van de zorgboerderij gelegen. Binnen een afstand van 10 meter van het agrarisch bedrijf zijn ten behoeve van de zorgboerderij geen gevoelige functies voorzien. Ook de gewenste zorgwoning zal op minimaal 10 meter afstand van het agrarisch bedrijf gesitueerd worden. Hiertoe is in de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid vastgelegd dat het woon- en leefklimaat ter plaatse van de zorgwoning acceptabel dient te zijn. Het dichtstbijzijnde gevoelige object buiten het plangebied ten opzichte van het akkerbouwbedrijf aan de Oordeelsestraat 15a is gelegen aan de Oordeelsestraat 15, op een afstand van circa 24 meter van het agrarisch bedrijf. Hieruit kan worden geconcludeerd dat het akkerbouwbedrijf op gepaste afstand van (toekomstige) gevoelige objecten in de omgeving is gelegen.

Aan de Oordeelsestraat 17 worden diverse functies mogelijk gemaakt. Uit vaste jurisprudentie blijkt dat de meest belastende functie in dat geval maatgevend is voor de milieucategorie. Een streekwinkel & boerderijterras behoren beiden tot milieucategorie 1. Een zorgboerderij valt conform de VNG handreiking ‘bedrijven en milieuzonering’ in de categorie ‘gezondheid- en welzijnszorg’. Een zorgboerderij is als zodanig niet opgenomen in de handreiking, maar meest overeenkomstig met kinderopvang. Hiermee behoort de zorgboerderij tot milieucategorie 2. Voor de zorgboerderij geldt dus een richtafstand van 10 meter. De minicamping behoort tot de categorie ‘logies-, maaltijden- en drankverstrekking’. Een minicamping is hier als zodanig ook niet in opgenomen. Meest overeenkomstig is de functie ‘kampeerterreinen, vakantiecentra, e.d. (met keuken)’ (milieucategorie 3.1), maar dit betreffen grotere terreinen met voorzieningen die een bepaald geluid voortbrengen zoals vakantieparken. Hier is in dit geval geen sprake van. Het betreft een minicamping met slechts 25 standplaatsen voor uitsluitend kampeermiddelen.

Vast beleid van de provincie is dat wanneer aangetoond kan worden dat een activiteit gelijk te stellen is met een milieucategorie 2 inrichting, ook een activiteit die conform de handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering, editie 2009’ van de VNG behoort tot milieucategorie 3.1 of 3.2, aanvaardbaar is. Hieruit kan dus worden geconcludeerd dat een minicamping eveneens behoort tot milieucategorie 2, met een richtafstand van 10 meter.

Bestemmingsplan Zorgboerderij De Hardel Hoeve – Oordeelsestraat 15a/17 te Baarle-Nassau

37

Binnen een afstand van 10 meter van de maatschappelijke bestemming zijn geen gevoelige objecten van derden gelegen. De dichtstbijzijnde woningen ten opzichte van de zorgboerderij zijn gelegen aan de Oordeelsestraat 15a en 82. De woning aan de Oordeelsestraat 82 is op een afstand van circa 24 meter van de maatschappelijke bestemming gelegen, de woning aan de Oordeelsestraat 15a op een afstand van circa 25 meter. Daarbij wordt opgemerkt dat wanneer voor wat betreft de minicamping toch uit zou worden gegaan van milieucategorie 3.1 – waarvoor in gemengd gebied een richtafstand van 30 meter geldt – gevoelige objecten nog steeds op gepaste afstand van de functie zijn gelegen. De minicamping is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van maatschappelijk – minicamping’. Binnen een afstand van 30 meter van deze aanduiding zijn geen gevoelige objecten van derden gelegen. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de beoogde zorgboerderij op gepaste afstand van gevoelige objecten in de omgeving is gelegen. 4.7 Geur De Wet geurhinder en veehouderij betreft een wet waarmee de nationale regels inzake geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld staan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10661353/1