Schriftelijke vragen overheadkosten FU
Tekst van het document
Fractie Ulicoten
Betreft:
Stijgende overheadkosten
Datum:
27 juni 2023
Geacht college, Naar aanleiding van de Perspectiefnota 2024 en de 1 ste Turap 2023, waaruit uw voorstel blijkt om de gemeentelijke belastingen volgend jaar met gemiddeld 13,5% te verhogen, leg ik u een aantal vragen voor met betrekking tot overheadkosten. Overhead wordt in onze begroting gedefinieerd als “alle kosten die samenhangen met de sturing en ondersteuning van de medewerkers in het primaire proces”. Omdat de ABG-organisatie voorcalculatorische uurtarieven hanteert voor overhead en achteraf geen berekening maakt op basis van nacalculatie zullen de vragen gericht zijn op begrote kosten. Voor de jaren 2018-2023 zien we dat de begrote overheadkosten voor Baarle-Nassau hard zijn gestegen. Van €2.351.6351 begroot voor 2018 naar €3.421.0002 begroot voor 2023. Leg ik daar de prijsstijging van de begrote indirecte kosten (overhead) van de ABG-organisatie naast, dan stuit ik op een nog sterkere trend. Van €4.907.0003 begroot voor 2018 naar €10.766.0004 begroot voor 2023 en naar €12.473.0005 begroot voor 2024. Dat betekent dat de begrote overheadkosten bij de ABG-organisatie tussen 2018 en 2024 met ruim 150% stijgen. De begrote directe (productieve) kosten stijgen in dezelfde periode met ruim 50%6. Dat betekent dus dat de begrote indirecte kosten (relatief) veel harder stijgen dan de begrote directe kosten.
Uit de begrotingen 2018 en 2024 van de ABG-organisatie blijkt dat het aandeel begrote indirecte kosten t.o.v. de begrote directe kosten (het opslagpercentage voor overhead) stijgt van 23,27% voor 2018 naar 38,7% voor 2024. De totale begrote kosten stijgen met 72%, van €25.993.000 voor 2018 naar €44.734.000 voor 2024. Natuurlijk zijn kostenstijgingen onvermijdelijk door tal van factoren, waaronder decentralisatieprocessen, wet en regelgeving en inflatie, maar stijgingen van deze omvang en vooral de scheefgroei tussen indirecte en directe kosten baren ons zorgen. Helaas heb ik geen vergelijkingsmateriaal, want zoals ook in de begroting van de ABG-organisatie m.b.t. de overheadkosten wordt vermeld: “doordat de ABG voor 3 gemeenten werkt is dit overzicht niet te vergelijken met een standaard gemeentelijke organisatie.” Kan het college toelichten waarom de indirecte kosten harder stijgen dan de directe kosten? Ik ben op zoek naar een toelichting die verder gaat dan de verklaring die in de begroting 2022 van de ABG-organisatie werd gegeven: “De stijging in 2022 t.o.v. voorgaande jaren wordt veroorzaakt door de gewijzigde methodiek van tijd verantwoorden en toedelen van de afdelingen.” Wilt u in uw antwoord in ieder geval ingaan op factoren inflatie, decentralisatie en wet en regelgeving? Een concreet voorbeeld is vervanging/advies/inhuur.
De totale begrote kosten onder deze post stijgen met 346% (+€1.406.0007) in de periode 2018-2024, terwijl de begrote indirecte kosten in deze periode met 509% (+€412.000 8) stijgen. Verder zouden wij graag willen weten of de extra indirecte kosten voornamelijk structureel of incidenteel van aard zijn? Ook zien we dat de kosten voor huisvesting in de begroting 2024 van de ABG-organisatie ineens allemaal indirect zijn, terwijl dit een jaar geleden nog niet zo was. Toen was nog ongeveer 1/3 van de totale post aangemerkt als indirect. Waarom zijn de kosten voor huisvesting niet eerder volledig aangemerkt als indirect?
1 Programmabegroting 2018 BLN, P.79 2 Programmabegroting 2023 BLN, P.62 3 Begroting 2018 ABG, P.20 4 Begroting 2023 ABG, P.26 5 Begroting 2024 ABG, P.27 6 (€32.261.000 (Begroting 2024 ABG, P.27) - €21.085.000 (Begroting 2018 ABG, P.20)) / €21.085.000 *
100% = 53,0% 7 €1.812.000 (Begroting 2024 ABG, P.27) - €406.000 (Begroting 2018 ABG, P.20) 8 €493.000 (Begroting 2024 ABG, P.27) - €81.000 (Begroting 2018 ABG, P.20)
Fractie Ulicoten
Eén van de bevindingen van Berenschot in haar evaluatie van de ABG-organisatie uit 2019 (let wel, ik heb het hier niet over de vergelijking met andere samenwerkingsverbanden) was dat de overhead per inwoner 16%9 hoger ligt bij de ABG-organisatie dan bij de referentiegroep, of 13% hoger als de berekening wordt gemaakt voor overheadkosten per fte. Volgens Berenschot werd dit voornamelijk veroorzaakt door hogere kosten op gebied van automatisering, bestuurszaken en ondersteuning en de facilitaire dienst. Er zijn sinds 2019 een hoop zaken veranderd, onder andere de overstap van Regio West-Brabant naar Hart van Brabant. Aan de andere kant zien we dat de totale overheadkosten enorm zijn toegenomen, alsook dat deze in ieder geval bij de ABG-organisatie harder stijgen dan de directe kosten. Kan het college een (kwalitatieve) inschatting maken van de ontwikkeling in de afgelopen jaren van de indicatoren m.b.t. overhead die Berenschot in 2019 onderzocht? Welk waardeoordeel geeft zij aan de gestegen kosten voor overhead? En indien dit waardeoordeel negatief luidt, welke acties gaat zij ondernemen om te voorkomen dat de kosten voor overhead nog verder (en disproportioneel t.o.v. de andere kosten) stijgen? We zien de beantwoording van bovenstaande vragen tegemoet.
Namens Fractie Ulicoten Met vriendelijke groet, Jannes Kusters
9 Evaluatie ABG-organisatie, paragraaf 7.3