CConstaterende datBaarle-Nassau
Koppel je AI →
Document · PDF

Schriftelijke vragen Fractie Ulicoten m.b.t. de geurgebiedsvisie

Gemeenteraad (openbaar) 29 juni 2022, gemeente Baarle-NassauBij agendapunt: Voorstel tot vaststellen van de Geurgebiedsvisie, de Verordening geurhinder en veehouderij en de Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder.1.331 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Fractie Ulicoten

Betreft:

Vragen van Fractie Ulicoten naar aanleiding van het voorstel tot vaststellen van de Geurgebiedsvisie, de Verordening geurhinder en veehouderij en de Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder.

Datum:

09-06-2022

Geacht college, Ten behoeve van de oordeelvorming rond de Geurgebiedsvisie en de Verordening geurhinder en veehouderij inclusief Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder stellen wij u graag enkele vragen. 1. In artikel 8, lid 1 van de Wet geurhinder en veehouderij lezen we dat bij het bepalen van een andere waarde of afstand in een gemeentelijke geurverordening de gemeenteraad in ieder geval de huidige en de te verwachte geursituatie vanwege de veehouderijen in het gebied betrekt. In de geurgebiedsvisie wordt aangegeven wat de huidige geursituatie is, door het leefklimaat als maatstaf te gebruiken, maar volgens ons ontbreekt de te verwachte geursituatie vanwege de veehouderijen in het gebied. Dit zou namelijk inzicht geven in de te verwachte afname van geurbelasting en de mate waarin het leefklimaat verbetert. In de geurgebiedsvisie wordt reeds aangegeven wat het trendmatig- en groeiscenario is, maar wat is concreet de te verwachte geursituatie vanwege veehouderijen in onze gemeente, nádat de Verordening geurhinder en veehouderij is vastgesteld, uitgedrukt in een kwantitatieve maatstaf? 2. In de geurgebiedsvisie wordt voorgesteld om voor het herbestemmen van VAB-locaties te werken met een maximale achtergrondbelasting van 28 Ou als norm, maar de provincie is het hier niet mee eens, afgaande op de zienswijze die zij heeft ingediend.

Een maximale achtergrondbelasting van 28 Ou zou in strijd zijn met provinciale regelgeving. Hoe ziet het college de juridische verhouding tussen de provincie Noord-Brabant en de gemeente Baarle-Nassau in deze kwestie, en verwacht zij dat een norm van maximaal 28 Ou achtergrondbelasting standhoudt? Waarom wel of niet? 3. Indien de verwachting is dat een norm van maximaal 28 Ou achtergrondbelasting niet standhoudt bij de provincie in de context van het herbestemmen van VAB-locaties, hoe denkt het college dan om te gaan met het herbestemmen van VAB-locaties, waarbij de situatie is dat de VAB-locatie in de geurcontour van een nabijgelegen agrariër ligt die de bedrijfsvoering nog wel doorzet? 4. Hoeveel vergunningen voor veeteelt zijn er in de gemeente Baarle-Nassau afgegeven, waarvan bekend is dat niet de volledige ruimte wordt benut (in aantallen vee), of waar zelfs helemaal geen vee meer wordt gehouden? Wat is de ruimte (in Ou) tussen de afgegeven vergunning en de voorgestelde normen in zone A, B, C en D van bedrijven zoals bedoeld in de eerste volzin en hoe is het college van plan om hiermee om te gaan? Hoe draagt de Verordening geurhinder en veehouderij bij aan het reduceren van geurbelasting in deze situaties, als blijkt dat er bedrijven zijn die nog voldoende ruimte vergund is om uit te breiden? 5.

Er blijken in de hele ABG-regio ongeveer 200 geurgevoelige objecten in een overbelaste geursituatie te verkeren, welke voornamelijk in het buitengebied van Alphen-Chaam en Baarle-Nassau zijn gesitueerd, aldus Pouderoyen Tonnaer in de geurgebiedsvisie. Dit is onder andere te herleiden uit kaarten D en E. Hoeveel van de overbelaste situaties vallen binnen de gemeentegrenzen van Baarle-Nassau? Waar staan deze woningen in perspectief tot de deelgebieden C en D? Zijn de overbelaste situaties geconcentreerd/geclusterd rond een aantal grote bedrijven, of zijn de overbelaste situaties voornamelijk verspreid over het hele (buiten)gebied?

Fractie Ulicoten

6. Om aan provinciale regelgeving te voldoen moeten (afhankelijk van de deelsector) 31-90% van de veehouders stalaanpassingen doen als ze na 1-1-2024 de stallen willen blijven gebruiken. De provincie verwacht dat 34% van alle veehouders (opnieuw afhankelijk van de deelsector) niet kan voldoen voor 11-2024 en de bedrijfsvoering daartoe zal stopzetten. Is er zicht op potentiële stoppers in de gemeente Baarle-Nassau? Hoeveel overbelaste situaties worden veroorzaakt door deze potentiële stoppers en in hoeverre wordt het aantal overbelaste situaties (+/- 200) door deze ontwikkeling gereduceerd? 7. Gelet op de provinciale normen t.a.v. geurbelasting kan gesteld worden dat bij het beoordelen van het leefklimaat van een huidig of toekomstig geurgevoelig object beoordeeld wordt op een maximale achtergrondbelasting van 20 Ou. Afhankelijk van de situatie, komt dit overeen met een voorgrondbelasting van 10 Ou. Wat is de motivering van het college om in zone B en zone C een voorgrondnorm voor te stellen, welke omgerekend strenger is dan de maximale achtergrondbelasting die de provincie hanteert? 8. De provincie Noord-Brabant eist dat 31-90% van de veehouderijen voor 1-1-2024 stalaanpassingen doen om tot een reductie van onder andere NH3-uitstoot en daarmee mede voor een groot gedeelte geurbelasting te komen.

In de geurgebiedsvisie en door de provincie wordt aangegeven dat schaalvergroting vaak noodzakelijk is om investeringen te bekostigen om voor 1-1-2024 de nodige stalaanpassingen te doen. In hoeverre acht het college het realistisch voor de agrariërs in de gemeente Baarle-Nassau om per 1-1-2024 te voldoen aan provinciale regelgeving en daartoe geurbelasting te reduceren, als de geurnormen opgenomen in de verordening voor onze gemeente strenger zijn dan provinciaal niveau en daarmee de mogelijkheden voor schaalvergroting c.q. toekomstperspectief voor het terugverdienen van de nodige investeringen, beperkt? 9. Neemt het college kennis van de provinciale prognose dat 34% van de veehouderijen voor 1-1-2024 de bedrijfsvoering gaat staken, dat deze ontwikkeling mogelijk leidt tot een grote toename van VAB-locaties in onze gemeente en kan het college aangeven hoe verwacht wordt hiermee om te gaan om grote leegstand en verloedering in het buitengebied tegen te gaan, in de context van de Verordening geurhinder en veehouderij die voor ons ligt? 10. In zone C, het extensiveringsgebied en gebieden rondom natuur kan ruimtelijk niet worden uitgebreid.

Waarom wordt voorgesteld om in zone C een geurnorm voor de voorgrondbelasting van 8 Ou te hanteren, terwijl we kunnen concluderen dat dit strenger is dan provinciaal beleid en in zichzelf niet leidt tot het beoogde doel van de Verordening geurhinder en veehouderij, namelijk voorkomen dat het leefklimaat verslechtert, aangezien ruimtelijke uitbreiding in zone C toch al geen optie is? 11. Hoe denkt het college om te kunnen gaan met de ontwikkeling van het gebied Loverenbeemd Fase II, gelet op de manier van beoordeling van de geurbelasting in relatie tot de overbelaste (geur)situatie die in het gebied bestaat en gelet op artikel 3 van de Verordening geurhinder en veehouderij, waarin staat opgenomen dat zone A gekoppeld wordt aan de bebouwde kom? Kan een gevolg van het aanmerken van het gebied Loverenbeemd Fase II als technisch niet bebouwde kom (zone B) zijn dat er ruimtelijk gebouwd gaat worden, waardoor bijvoorbeeld starters niet de primaire doelgroep zijn? 12.

Is de verwachting dat er in toekomstige ontwikkelgebieden vergelijkbaar met Loverbeemd Fase II of de mogelijk toekomstige uitbreiding van het industrieterrein nabij de kapel van Nijhoven in relatie tot de (neven)effecten van de verordening geurhinder en veehouderij knelpunten optreden welke de ontwikkeling bemoeilijken? Waarom wel of niet? Hoe is het college van plan om hiermee om te gaan? En in hoeverre speelt hier de beleidsvrijheid die de omgevingswet gaat brengen op dit terrein een rol? 13. In relatie tot de ABG-organisatie: in hoeverre wordt verwacht dat het vaststellen van deze Verordening geurhinder en veehouderij extra werkdruk voor afdeling RO met zich meebrengt bij het beoordelen van plannen in de toekomst die een relatie hebben met geurbelasting en is afdeling RO in staat om deze extra werkdruk op te vangen?

Fractie Ulicoten

14. De Beleidsregel Ruimte ontwikkeling en geurhinder gemeente Baarle-Nassau voorziet in de mogelijkheid om af te wijken van de toetswaarden indien overige omgevingsaspecten positief uitvallen, bijvoorbeeld omdat er een concreet zicht is op verbetering van de achtergrondbelasting of er vanwege het gebruik van het geurgevoelige object weinig hinder te verwachten is of de hinder acceptabel wordt geacht. Er staat ook dat een nadere motivering en besluitvorming dan wel nodig is. Wat zijn criteria waarop de raad door gebruik te maken van deze beleidsregel bijvoorbeeld zou moeten toetsen?

We zien de beantwoording van bovenstaande vragen tegemoet.

Namens Fractie Ulicoten Met vriendelijke groet, Jannes Kusters

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11613043/1