CConstaterende datBaarle-Nassau
Koppel je AI →
Document · PDF

Discussienota APV Baarle-Nassau 2024 (1070525)

Commissie Bestuur en Middelen 5 juni 2024, gemeente Baarle-NassauBij agendapunt: Discussienota APV Baarle-Nassau 20245.090 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Discussienota APV Baarle-Nassau 2024 -------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------Aan

Commissie Bestuur en Middelen

Van

College van Burgemeester en Wethouders

Onderwerp

Discussienota Algemene plaatselijke verordening gemeente Baarle-Nassau 2024

Datum

17 april 2024

Zaak Green Valley

1070525

-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------Geachte Commissieleden, Inleiding De Algemene plaatselijke verordening (APV) van de gemeente Baarle-Nassau is weer aan een update toe. De rekenkamercommissie heeft in 2016 onderzoek verricht naar de APV, waarin de rekenkamercommissie enkele aanbevelingen doet. Een van die aanbevelingen is om in aanloop naar elke wijziging van de APV een opiniërende bespreking in de commissie Bestuur en Middelen te beleggen zodat de raad vroegtijdig in het proces meegenomen wordt. Om die reden wordt, vanwege de aanstaande update van de APV, deze discussienota aan u voorgelegd. De resultaten van de bespreking in de Commissie worden vervolgens verwerkt in een (concept-)APV die intern wordt afgestemd en uiteindelijk volgens de reguliere procedure ter vaststelling aan de raad zal worden voorgelegd. Handvatten De APV is een lijvig document en bevat bepalingen over een grote diversiteit aan onderwerpen. Dat maakt de APV een lastig document om te bespreken zonder enig houvast. Om die reden is deze discussienota in twee delen opgesplitst. In het eerste deel worden een aantal algemene uitgangspunten aangedragen die als input kunnen dienen voor een discussie op hoofdlijnen tijdens de opiniërende bespreking in de Commissie Bestuur en Middelen.

In het tweede deel worden als uitwerking van het eerste deel enkele concrete suggesties aangedragen over mogelijke inhoudelijke wijzigingen in de APV. Wellicht ten overvloede wordt benadrukt dat deze suggesties niet limitatief zijn bedoeld en de bespreking en discussie dan ook zeker niet daartoe beperkt hoeft te worden. DEEL 1 Belang APV De Algemene Plaatselijke Verordening is een verzameling van regels die door elke gemeente in Nederland afzonderlijk wordt opgesteld en geldt voor iedereen binnen de gemeente. De APV heeft tot doel de gemeente veilig, netjes en leefbaar te houden. De APV wordt ook wel omschreven als “vangnet voor alle regels die niet ergens anders geregeld zijn”. De regels die opgenomen zijn in de APV, zijn ook vaak een aanvulling op of uitwerking van landelijke regels, die vastgelegd zijn in wetgeving. In de APV gaat het om een aantal belangen van de gebruikers van de openbare ruimte.

Dit betreft met name de volgende belangen:  Veilige woon- en leefomgeving  Milieu  Risico’s beperken  Uiterlijk aanzien openbare ruimte  Voorkomen van criminaliteit  Administratieve lastendruk beperken  Overlast voorkomen  Alles netjes en ordelijk houden Discussiepunt: Bovenstaande belangen zijn in voldoende mate geborgd in de APV. Ook is er sprake van een juiste balans tussen het belang dat beschermd dient te worden en de ‘last’ die de APV daarvoor met zich meebrengt. Handhaafbaarheid Het is van belang dat iedereen zich aan de regels houdt. Daarom moet de regels duidelijk, logisch en uitlegbaar zijn. Als iemand niet ‘vanzelf’ de regels naleeft zal handhavend moeten kunnen worden opgetreden. Daarom moeten de regels zo worden geformuleerd dat ze makkelijk zijn te handhaven. Denk hierbij aan: Heldere taal, eenduidig, logisch, uit te leggen, proportioneel, uniform. Discussiepunt: De APV mag ook regels bevatten die niet of moeilijk handhaafbaar zijn, als die regels zijn bedoeld om een preventieve of afschrikwekkende werking te hebben of een maatschappelijke boodschap bevatten. Deregulering Al een geruim aantal jaren wordt aandacht gevraagd voor deregulering en vermindering van administratieve lasten. Bij de suggesties die in deze memo worden gedaan is met die uitgangspunten rekening gehouden.

Dat neemt niet weg dat ook ú wordt verzocht om bij het proces om te komen tot een update van de APV nadrukkelijk deze uitgangspunten in het achterhoofd te houden. Discussiepunt: We proberen zoveel mogelijk regels te schrappen en nemen daarbij voor lief dat we daardoor in sommige gevallen niet kunnen optreden. Harmonisatie Opgemerkt wordt dat om efficiency-redenen, met name ten behoeve van toezicht en handhaving, uw aandacht wordt gevraagd voor het zoveel mogelijk proberen te harmoniseren van de APV met de APV´s van de andere twee ABG-gemeenten. Dit uiteraard zonder daarbij de ´couleur locale´ uit het oog te verliezen. Discussiepunt: We streven naar maximale harmonisatie met de twee andere ABG-gemeenten, ook als dit enigszins ten koste gaat van onze eigen couleur locale. Model-APV De Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) brengt tenminste eenmaal per jaar een ledenbrief uit met daarin voorstellen tot wijziging van de APV. Geadviseerd wordt om los van de gedane suggesties in elk geval alle niet-inhoudelijke wijzigingen die de VNG heeft voorgesteld over te nemen in de APV. U kunt hierbij denken aan voorstellen die de VNG doet om de leesbaarheid en duidelijkheid van de APV te vergroten (Heldere Taal en logische opzet). Deze zullen in de uiteindelijke (concept-)APV worden opgenomen en aan de raad worden voorgelegd.

Discussiepunt: We nemen sowieso alle niet-inhoudelijke wijzigingen uit de model-APV over.

DEEL 2 Concrete suggesties voor aanpassing van de APV De volgende suggesties worden gedaan voor wat betreft het updaten van de Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Baarle-Nassau. De komst van de Omgevingswet De invoering van de Omgevingswet heeft gevolgen voor de APV. Dit omdat in de APV ook regels staan over de fysieke leefomgeving. De APV is met behulp van een wijzigingsbesluit reeds technisch aangepast aan de Omgevingswet. Vanaf het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet geldt er een overgangsfase waarin naast technische ook inhoudelijke aanpassingen zullen moeten worden verricht. Voorgesteld wordt om voor wat betreft de APV-aanpassingen in verband met de Omgevingswet de afdeling Ruimtelijke Ontwikkeling ‘in the lead’ te laten zijn door aan hen over te laten op welk moment en op welke wijze deze aanpassingen worden geïmplementeerd in het omgevingsplan. Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de weg Momenteel is het voor het college niet mogelijk om nadere regels vast te stellen voor het plaatsen van bijvoorbeeld bouwcontainers en het plaatsen van bouwmaterialen op de openbare weg. Omdat in de praktijk blijkt dat het gewenst is om hiervoor toch bepaalde spelregels te bepalen, wordt voorgesteld deze bevoegdheid op te nemen in artikel 2:10 van de APV.

In de huidige tijd van extremere weersomstandigheden blijkt dat meer groen, en dus minder verstening, een positief effect heeft op het beperken van de gevolgen van die omstandigheden. Zo zorgt meer groen ervoor dat de hitte op warme dagen minder hoog oploopt en zakt er meer regenwater in de grond bij hevige buien. Daarnaast heeft meer groen natuurlijk ook een positief effect op de biodiversiteit. Boomspiegeltuintjes en geveltuintjes dragen bij aan het creëren van meer groen. Momenteel is het echter niet mogelijk voor het college om voor deze tuintjes nadere regels vast te stellen. Daarom wordt voorgesteld ook deze bevoegdheid op te nemen in artikel 2:10 van de APV. Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg Intern is geconstateerd dat de ‘link’ tussen het maken of veranderen van een uitweg en omgevingsplanbepalingen ontbreekt. Daarom wordt voorgesteld een weigeringsgrond toe te voegen aan dit artikellid. Door het ontbreken van voornoemde link kan namelijk de onwenselijke situatie ontstaan dat indien onder omstandigheden ook een afwijking van het omgevingsplan nodig is en die niet wordt gehonoreerd toch de omgevingsvergunning voor het maken of veranderen van een uitweg niet kan worden geweigerd. Dit terwijl die ‘uitwegvergunning’ dan toch niet gebruikt mag worden vanwege strijd met het omgevingsplan.

Daarom wordt voorgesteld om als weigeringsgrond toe te voegen dat de vergunning wordt geweigerd als de aanleg van de uitweg leidt tot strijd met het omgevingsplan. Artikel 2:14 Winkelwagentjes Sinds corona is het minder gebruikelijk dat winkelbedrijven het statiegeldsysteem op de winkelwagentjes gebruiken. Hierdoor zien we in de praktijk het ‘zwerfkarrenprobleem’ toenemen. Daarom wordt voorgesteld het ‘oude’ winkelwagentjesartikel 2:14 van de APV weer terug in te voeren. Hierdoor worden winkelbedrijven verplicht achtergelaten winkelwagentjes direct te verwijderen en op deze winkelwagentjes een herkenningsteken aan te brengen. Daarnaast wordt

hiermee ook een verbod ingevoerd voor burgers om winkelwagentjes na gebruik onbeheerd achter te laten. Artikel 2:24 Definities In het huidige artikel 2:24 is reeds bepaald dat onder voorwaarden geen vergunning is vereist voor een klein evenement. De voorwaarden daarvoor zijn opgenomen in het derde lid. Uitgangspunt is dat het gaat om kleinschalige activiteiten die zich in de openbare ruimte afspelen met als doel vermaak en ontspanning te bieden. Passend bij een kleinschalige activiteit is ook dat die niet langer duurt dan één dag. Dit is echter nog niet opgenomen als voorwaarde. Voorgesteld wordt dan ook dit alsnog als voorwaarde toe te voegen. Momenteel is het organiseren van een klein evenement op een plaats waarbij ook gebruik gemaakt wordt van een openbare parkeerplaats niet vergunningvrij. Dit terwijl in de praktijk blijkt dat dit gebruik lang niet altijd voor problemen of overlast zorgt. Om die reden wordt voorgesteld in artikel 2:24 op te nemen het uitgangspunt dat het klein evenement niet mag plaatsvinden op een parkeerplaats, tenzij dit geen belemmering vormt voor het verkeer en de hulpdiensten. Zo kan een klein evenement vaker vergunningvrij plaatsvinden, zolang dit maar niet leidt tot belemmering voor verkeer en hulpdiensten.

Artikel 2:26 Ordeverstoring Op verzoek van de politie en het Regionaal Informatie- en Expertise Centrum (RIEC) zijn bij de vorige actualisatie van de APV specifieke APV-bepalingen opgenomen die erop gericht zijn om het voeren van uiterlijke kenmerken van een verboden Outlaw Motorcycle Gang (OMG) te verbieden. Dit staat ook wel bekend als het ‘colorverbod’. De Hoge Raad heeft in een procedure echter het ‘colorverbod’ van de gemeente betrokken in die procedure onverbindend verklaard. Dit omdat dit verbod in strijd is met het in artikel 7, derde lid, van de Grondwet neergelegde recht op vrijheid van meningsuiting. Gelet op deze uitspraak is het aan te raden om het ‘colorverbod’ ook uit de onze APV te halen. Voorgesteld wordt dan ook om artikel 2:26, tweede en derde lid, en artikel 2:50a te laten vervallen. Ook dient dan de verwijzing naar artikel 2:50a te worden geschrapt uit artikel 2:75 (Bestuurlijke ophouding). Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting Voorgesteld wordt om aan het tweede lid van artikel 2:28 toe te voegen: ‘of als de aanvrager geen verklaring omtrent het gedrag met betrekking tot de leidinggevende(n) overlegt die uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de vergunningaanvraag is ingediend, is afgegeven’. Dit omdat de exploitatievergunning persoonsgebonden is.

De persoon speelt een belangrijke rol in de wijze van exploitatie en dus ook in de wijze waarop deze exploitatie het woon- en leefklimaat en de openbare orde beïnvloedt. Om die reden is het raadzaam om de verplichting op te nemen voor de aanvrager om een recente VOG voor de leidinggevende(n) te overleggen. De aanvrager zelf kan leidinggevende zijn, maar dit kan ook iemand zijn die bij hem in dienst is. Ook in het kader van de Bibob is het aan te raden dit artikellid op te nemen, omdat de gemeente zelf ook al het mogelijke moet doen om de integriteit en achtergrond van de aanvrager te onderzoeken. De VOG kan daarbij een belangrijk hulpmiddel zijn. In het vijfde lid van artikel 2:28 is voor de zogenaamde ‘natte horeca’ (horeca waar alcohol wordt geschonken) bij de vorige actualisatie van de APV een vrijstellingsmogelijkheid (op verzoek of ambtshalve) van de exploitatievergunningplicht opgenomen conform de model-APV. Daarbij wordt de vergunningplicht afhankelijk gesteld van de overlast die de betreffende inrichting veroorzaakt. In de praktijk blijkt het echter van gemeentewege wenselijker te zijn dat de exploitatievergunningplicht onverkort geldt voor zowel natte als droge horeca-inrichtingen.

Dit omdat de exploitatievergunning andere doelen dient (openbare orde en veiligheid in het algemeen) dan de Alcoholwetvergunning (voorkomen van gezondheidsschade door alcohol bij jongeren en terugdringen van verstoring van de openbare orde door alcoholmisbruik onder jongeren). Dit betekent dat aan de exploitatievergunning

dus andere voorwaarden kunnen worden verbonden dan aan de Alcoholwetvergunning. Om de mogelijkheid van het opleggen van die voorwaarden te behouden wordt dan ook voorgesteld om de exploitatievergunningplicht te handhaven in de APV. Artikel 2:34g Proeverijen in slijtlokaliteiten Het is voor slijters verboden in hun slijterij een proeverij te organiseren. Artikel 25e van de Alcoholwet maakt het echter mogelijk om bij verordening vrijstelling van dit verbod te verlenen, zodat betaalde proeverijen in slijtlokaliteiten zijn toegestaan. Zo’n vrijstelling geldt dan voor alle slijters in de gemeente. Door een nieuw artikel 2:34g in te voegen wordt in die vrijstelling voorzien. De voorwaarden waaraan een proeverij vervolgens moet voldoen staan in artikel 6.1 van het Alcoholbesluit. Zo mogen maximaal één proeverij per dag en maximaal drie proeverijen per week worden gegeven. In overweging wordt gegeven om een artikel (2:34g) in de APV op te nemen, dat het voor slijterijen mogelijk maakt om buiten reguliere openingstijden betaalde proeverijen te houden. Artikel 2:37 Nachtregister In dit artikel staat momenteel dat de houder van een inrichting tot het verschaffen van nachtverblijf verplicht is een nachtregister bij te houden dat is ingericht volgens een door de burgemeester vastgesteld model.

De verplichting een nachtregister bij te houden is al wettelijk bepaald in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht. In onze gemeente wordt geen verplicht vastgesteld model voor dat nachtregister gehanteerd. Om die reden wordt voorgesteld dit artikel te laten vervallen, omdat bij handhaving ervan juist wel een verplicht model moet worden gebruikt door de houder. Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister In afwijking van de model-APV worden er met het huidige artikel 2:38 APV meer gegevens uitgevraagd dan ingevolge artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht (WsR) wordt voorgeschreven. Vanuit de Autoriteit Persoonsgegevens is te kennen gegeven dat dit naar hun mening (vermoedelijk) leidt tot strijd met de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Er is in het verleden weliswaar gemotiveerd besloten tot het uitvragen van meer persoonsgegevens dan rechtstreeks uit het WvS voortvloeit, waarbij wordt opgemerkt dat dit zou zijn toegestaan omdat het opvragen van die extra gegevens een ander doel dient dan het doel dat aan het WvS-artikel ten grondslag ligt, maar in de praktijk is gebleken dat de noodzaak van deze extra gegevens niet direct evident is. Om die reden wordt voorgesteld dit artikel aan te passen door hier de uitvraag van persoonsgegevens waarvan de noodzaak niet direct evident duidelijk is, te schrappen.

Wel wordt voorgesteld de verplichting om het aantal medereizigers te verstrekken te behouden, aangezien dit niet direct als persoonsgegeven heeft te gelden, terwijl dit bij calamiteiten en in noodsituaties wel helpt snel(ler) te bepalen hoeveel personen mogelijk bij het voorval betrokken zijn. Artikel 2:48b Lachgasverbod Lachgas is vanaf 1 januari 2023 een softdrug. Het verboden gebruik ervan wordt daarmee voortaan duurzaam gereguleerd door APV-artikel 2:74a ‘Openlijk drugsgebruik’. Artikel 2:48b APV is daarmee overbodig geworden. Voorgesteld wordt dan ook om dit artikel, conform de model-APV, te laten vervallen. Artikel 2:50a Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties Zie toelichting bij artikel 2:26 APV. Artikel 2:50a (nieuw) Messen en andere voorwerpen als steekwapen In den lande is het wapenbezit in het algemeen en het gebruik van steekwapens in het bijzonder fors toegenomen. Gelet daarop stelt de VNG in zijn model-APV voor om een nieuw artikel in de APV op te nemen met het doel om bescherming te bieden tegen mogelijke aantasting van de openbare orde

en veiligheid, door het bij zich hebben (dragen) van messen en andere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt te verbieden. Het artikel is een aanvulling op de Wet wapens en munitie (Wwm) en verbiedt het bij zich hebben van andere dan in de Wwm aangeduide messen of van voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt, maar waarbij nog geen sprake is van een situatie waarin, gelet op hun aard of de omstandigheden waaronder deze voorwerpen worden aangetroffen, redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij zijn bestemd om letsel aan personen toe te brengen of te dreigen. Hierdoor kan aantasting van de openbare orde preventief worden voorkomen en wordt de openbare veiligheid bevorderd. Met behulp van dit artikel kan het college openbare plaatsen of daaraan grenzende voor publiek toegankelijke gebouwen of daarbij behorende erven aanwijzen waar het bij zich hebben van messen en andere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt verboden is. Messen en voorwerpen die zijn ingepakt, bijvoorbeeld omdat deze in een winkel zijn aangeschaft en nog in de verpakking zitten, en die niet voor onmiddellijk gebruik voor handen zijn, vallen niet onder het verbod. Voorgesteld wordt om dit artikel, conform de model-APV, op te nemen in de APV.

Artikel 2:60 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren Voorgesteld wordt om conform de model-APV in artikel 2:60 eerste lid, alsmede in artikel 4:13 eerste lid, en artikel 5:12, de woorden ‘opheffing van overlast’ te vervangen door ‘beëindiging van overlast’. Artikel 2:64 Bijen Voorgesteld wordt om het tweede, derde en vierde lid van dit artikel, in lijn met de door de VNG in de model-APV doorgevoerde wijzigingen, aan te passen. Artikel 2:65 Bedelarij Op grond van artikel 2:65 van de Model-APV is het verboden te bedelen op openbare plaatsen in een door het college aangewezen gebied. Voorgesteld wordt om, conform de model-APV, aan dat artikel het motief ‘voorkoming of beëindiging van overlast’ toe te voegen. Aanleiding daarvoor is een uitspraak van het Europese Hof van de Rechten van de Mens, waarin het Hof oordeelt dat de menselijke waardigheid wordt aangetast als iemand niet beschikt over voldoende bestaansmiddelen en dat deze beschermd wordt door artikel 8 EVRM (het recht op de eerbiediging van het privéleven). Dit recht kan op grond van artikel 8, tweede lid, EVRM beperkt worden, mits deze beperking een legitiem doel dient, een wettelijke basis heeft en noodzakelijk is voor de democratische samenleving. De laatste voorwaarde vereist een afweging van de belangen van het individu en die van de maatschappij.

Met een afweging in het kader van ‘voorkomen of beëindiging van overlast’ is daaraan voldaan. Artikel 2:69 Vervreemding van door opkoop verkregen goederen Voorgesteld wordt om dit artikel te laten vervallen, omdat het hierin bepaalde reeds is geregeld in artikel 2:68 APV. Artikel 2:71 Definitie Bij ministeriële regeling op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit wordt bepaald welk vuurwerk aan particulieren beschikbaar mag worden gesteld. De toevoeging van de categorieaanduidingen F1, F2 of F3 in de definitie is daarom overbodig. Voorgesteld wordt dit artikel conform de model-APV aan te passen. Artikel 2:78 Gebiedsontzeggingen De VNG stelt met zijn model-APV voor om in dit artikel een aantal juridisch-technische en redactionele wijzigingen door te voeren. Zo wordt ‘bevel’ bijvoorbeeld gewijzigd in ‘besluit tot opleggen’. Verder kan er, als iemand de openbare verstoort, overlap ontstaan tussen de

bevoegdheid van de officier van justitie om met een gedragsaanwijzing op grond van artikel 509hh, tweede lid, onderdeel a van het Wetboek van Strafvordering op te treden en de bevoegdheid van de burgemeester om op grond van deze bepaling met een gebiedsontzegging op te treden. Daarom wordt voorgesteld om in dit artikel vast te leggen dat dan voorrang wordt gegeven aan een gedragsaanwijzing door de officier van justitie boven een gebiedsontzegging door de burgemeester. Artikel 2:79 Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet In artikel 2:79 van de APV 2021 is een zorgplicht opgenomen voor gebruikers en verhuurders van woningen om geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden te veroorzaken. De burgemeester kan op grond hiervan gedragsaanwijzingen geven aan overlastgevers in zowel huurals koopwoningen en aan verhuurders. Tot 1 januari 2021 was de gedragsaanwijzing aan verhuurders alleen mogelijk als de persoon die overlast gaf niet als ingezetene in de desbetreffende gemeente stond ingeschreven. Met de inwerkingtreding van de Wet toeristische verhuur van woonruimte (Stb. 2020, 460) op 1 januari 2021 is die beperking vervallen. In verband hiermee wordt voorgesteld om artikel 2:79, conform de model-APV van de VNG, aan te passen. Om woonoverlast beter tegen te gaan, geldt de zorgplicht voortaan in alle gevallen voor verhuurders van woonruimten.

Dat betekent dat verhuurders zorgdragen dat de ‘woningen’ die zij verhuren geen ernstige en herhaaldelijke hinder veroorzaken. Als de verhuurder zich niet of op een verkeerde manier inzet tegen ernstige en herhaaldelijke hinder, kan de burgemeester direct een verhuurder aanspreken en hoeft de burgemeester daarvoor niet eerst de huurder te hebben aangesproken. Dit is wenselijk wanneer verschillende huurders van dezelfde verhuurder hinder hebben veroorzaakt. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn in panden waar meerdere huurders wonen of waar huurders snel wisselen. De burgemeester kan dan dus – als ultimum remedium – direct aan een verhuurder een last onder bestuursdwang of dwangsom opleggen. Artikel 2:80 (nieuw) Sluiting voor publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf Voorgesteld wordt om conform de model-APV een nieuw artikel 2:80 APV op te nemen waarbij een sluitingsbevoegdheid voor publiek openstaande bedrijfspanden wordt toegevoegd ter bestrijding van ondermijning. Dit artikel geeft de burgemeester de mogelijkheid over te gaan tot sluiting van een voor het publiek openstaand gebouw of daarbij behorend erf als overlast, verstoring van de openbare orde of aantasting van het woon- en leefklimaat dreigt. Het hierna voorgestelde nieuwe artikel 2:81 bevat vervolgens een aanvullende sluitingsbevoegdheid als sprake is van een vergunningplicht.

De burgemeester kan met behulp van artikel 2:80 optreden als in of vanuit een voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf strafbare feiten plaatsvinden waardoor de openbare orde of het woon- of leefklimaat nadelig wordt beïnvloed of als ondernemers van (dienstverlenende) bedrijven zoals garages, autoverhuurbedrijven, uitzendbureaus of winkels, overlast (blijven) veroorzaken of ter plaatse strafbare feiten plegen, deze faciliteren, gedogen of op andere wijze toestaan. Ook geeft het artikel de burgemeester de mogelijkheid om op te treden als er in of vanuit een pand (niet zijnde een woning) wordt gegokt, waarvoor geen toestemming is gegeven op grond van de Wet op de Kansspelen. Dit artikel is een aanvulling op de bevoegdheden van de burgemeester om op grond van APV-artikel 2:30 of artikel 13b van de Opiumwet overlastgevende inrichtingen, zoals horecabedrijven en seksinrichtingen, of woningen op grond van artikel 174a Gemeentewet te sluiten. Artikel 2:81 (nieuw) Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat Voorgesteld wordt om conform de model-APV een nieuw artikel 2:81 APV op te nemen waarbij een vergunningplicht wordt toegevoegd voor aan te wijzen bedrijfsmatige activiteiten ter bestrijding van ondermijning. De vergunningplicht maakt het voor de gemeente vervolgens ook mogelijk om een Bibob-toets uit te voeren.

Dit artikel geeft de burgemeester de bevoegdheid om bedrijfsmatige activiteiten aan te wijzen waarvoor een verbod geldt om deze zonder vergunning uit te oefenen. Hij kan deze bevoegdheid inzetten als dat nodig is om verstoring van de openbare orde of nadelige beïnvloeding van de leefbaarheid tegen te gaan, als die wordt veroorzaakt door een onveilig en malafide ondernemersklimaat vanuit een gebouw, een branche of in een gebied. Daarom wordt het ook wel de ‘ondermijningsvergunning’ genoemd. De inzet van deze bevoegdheid moet wel goed worden gemotiveerd. Daarbij is van belang dat de uitoefening van een bedrijf in de regel kwalificeert als het verrichten van een dienst in de zin van de Dienstenrichtlijn. Op een vergunningstelsel dat de uitoefening van dienstenactiviteiten reguleert, heeft artikel 9 van de Dienstenrichtlijn betrekking. Dit betekent dat de burgemeester dient te onderbouwen dat een aanwijzingsbesluit tot het onderwerpen van dienstverrichters aan een vergunningstelsel een gerechtvaardigde beperking van het vrij verrichten van diensten inhoudt (de openbare orde en veiligheid zijn een dwingende reden van algemeen belang), niet discriminatoir en doelmatig is en het nagestreefde doel niet door een minder beperkende maatregel kan worden bereikt (de maatregel is geschikt, noodzakelijk en evenredig).

Bij de uitoefening van een bedrijfsmatige activiteit gaat het om bedrijfsmatige activiteiten in voor het publiek openstaande gebouwen of op daarbij behorende erven, zoals winkels (al dan niet met een horecacomponent) of dienstverlenende bedrijven. Als bedrijfsmatige activiteit wordt niet aangemerkt (de uitoefening van) een slijtersbedrijf, horecabedrijf of andere openbare inrichting of een seksbedrijf, waarvoor al een vergunningplicht geldt op grond van artikel 3 van de Alcoholwet, respectievelijk artikel 2:28 of artikel 3:3 van de APV. Bij die vergunningaanvragen vindt al een vergelijkbare toetsing plaats. Ook de weigerings- en intrekkingsgronden zijn vergelijkbaar. In voorkomend geval kan sluiting plaatsvinden op basis van andere artikelen, zoals bijvoorbeeld het voorgestelde nieuwe artikel 2:80. De systematiek van dit artikel gaat uit van een gebouw-, gebieds- of branchegerichte aanpak. Hiermee kan maatwerk in de gemeente geleverd worden. De burgemeester kan met een aanwijzingsbesluit nieuwe en reeds gevestigde ondernemers onderwerpen aan een systeem van verplichte vergunningen. De burgemeester wijst een bedrijfsmatige activiteit en gebouw of gebied uitsluitend aan als naar zijn oordeel de leefbaarheid of openbare orde en veiligheid onder druk staat dan wel nadelig kan worden beïnvloed.

Het is voor een aanwijzing niet noodzakelijk dat zich concrete incidenten hebben voorgedaan. Een aanwijzing kan ook preventief worden gegeven voor een branche, gebouw of gebied waar extra aandacht nodig is bijvoorbeeld om de leefbaarheid en openbare orde en veiligheid ten goede te keren. Hoofdstuk 3, Afdeling 3 Uitoefenen seksbedrijf In enkele artikelen wordt voor ‘prostituee’ een vrouwelijke verwijzing gebruikt (‘haar’ en ‘zij’) en wordt voor ‘exploitant’ een mannelijke verwijzing gebruikt (‘hem’ en ‘hij’). Voorgesteld wordt om die verwijzingen genderneutraal te maken. Artikel 3:7 Weigeringsgronden In artikel 3:7 van de APV 2021 zijn de weigeringsgronden voor een vergunning voor het uitoefenen van een seksbedrijf opgenomen. In artikel 3:7, tweede lid, aanhef en onder b, is bepaald dat een schikking wordt gelijkgesteld met een veroordeling. Hiervoor is in het verleden aansluiting gezocht bij het Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet. In de Algemene wet inzake rijksbelastingen is de schikking vervangen door een bestuurlijke strafbeschikking, waarin een geldboete kan worden opgelegd (artikel 76, tweede lid, Algemene wet inzake rijksbelastingen). Voorgesteld wordt om het APV-artikel hiermee, conform de model-APV, in overeenstemming te brengen door deze aan te passen.

Overigens is deze wijziging ook in het Alcoholbesluit, dat het Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet per 1 juli 2021 vervangt, op deze wijze doorgevoerd. In verband hiermee wordt tevens, conform de model-APV, voorgesteld om in artikel 3:7, tweede lid, aanhef en onder b het woord ‘vrijwillige’ voor ‘betaling’ te schrappen. Voor de

schikking op grond van artikel 74, tweede lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht volgt de vrijwilligheid namelijk reeds uit het accepteren van de schikkingsvoorwaarden. Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten In lid 9 van artikel 4:2 APV staat dat de aanwijzing van de collectieve festiviteiten uitsluitend geldt voor horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen. Het is echter zo dat, in tegenstelling tot het oude Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen, de regeling voor collectieve festiviteiten ingevolge het Activiteitenbesluit milieubeheer geldt voor álle type A- en B-inrichtingen en dus niet alleen voor horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen. De regeling geldt voortaan dus voor festiviteiten bij alle type A- en B-inrichtingen die onder het Besluit vallen, zoals bijvoorbeeld detailhandel, kantoren, opslag- en transportbedrijven en metaalelektro-bedrijven. De beperking tot bepaalde inrichtingen, zoals nu is opgenomen in lid 9, is juridisch dan ook niet meer mogelijk. Daarom wordt voorgesteld om het huidige lid 9 van artikel 4:2 APV te schrappen. Artikel 4:3 Kennisgeving incidentele festiviteiten Allereerst wordt voorgesteld om in artikel 4:3 APV de oude term ‘kennisgeving’ conform de modelAPV te wijzigen in het beter bekende ‘melding’.

Verder is in lid 10 van dit artikel bepaald dat het aantal incidentele activiteiten zodanig wordt vastgesteld dat het aantal collectieve en incidentele festiviteiten samen per inrichting niet meer dan twaalf per kalenderjaar bedraagt. Het blijkt echter dat in de praktijk het aantal collectieve festiviteiten dit aantal al overstijgt. Om die reden wordt dan ook voorgesteld deze bepaling te laten vervallen. Aanvullend wordt opgemerkt dat het aantal toegestane incidentele festiviteiten overigens reeds is gelimiteerd tot maximaal zes. Hoofdstuk 4, afdeling 3 Het bewaren van houtopstanden In enkele APV-bepalingen wordt de definitie ‘boom’ of ‘bomen’ gebruikt, terwijl het beter is om daarvoor de bredere definitie ‘houtopstand’ te gebruiken. Voorgesteld wordt dan ook in die gevallen de gebruikte definitie aan te passen. Artikel 5:4 Defecte voertuigen Intern is vanuit team Handhaving verzocht om naast ‘andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken’ ook het ontbreken van een APK-keuring of kenteken toe te voegen aan de verbodsbepaling in artikel 5:4 APV. Hiermee kan beter en krachtiger worden opgetreden tegen parkeren van ongewenste voertuigen. Voorgesteld wordt om aan dit verzoek tegemoet te komen.

Artikel 5:10 Parkeren of laten stilstaan van voertuigen anders dan op de rijbaan Bij de laatste update (APV 2021) is op advies van de VNG een nieuw artikel 5:10 (Parkeren of laten stilstaan van voertuigen anders dan op de rijbaan) aan de APV toegevoegd. Inmiddels is echter gebleken dat zowel het Parket Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (CVOM) als het ministerie van Verkeer en Waterstaat vinden dat de bepaling in strijd is met hogere regelgeving, namelijk artikel 10 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). In verband hiermee is feitelijke handhaving/strafbaarstelling onmogelijk en is de bepaling een dode letter en wordt voorgesteld de inhoud van deze bepaling te laten vervallen en te vervangen door een bepaling waarin het aanbieden van deelvoertuigen wordt gereguleerd (zie hierna). Artikel 5:10 (nieuw) Aanbieden van deelvoertuigen Deelmobiliteit zit in de lift en met name het gebruik en aanbod van deeltweewielers neemt geweldig toe. Deelmobiliteit heeft veel voordelen, maar kent ook uitdagingen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de overlast van deelscooters en deelfietsen die overal en nergens staan geparkeerd en de stoep blokkeren. We willen deelmobiliteit faciliteren en stimuleren, maar ook graag (kunnen) reguleren. Om die reden wordt voorgesteld om een vergunningenstelsel in te voeren voor het aanbieden van

deelvoertuigen. Met een vergunningstelsel heeft de gemeente grip op het veilig gebruik van deelmobiliteit. Aanbieders kunnen dan niet zomaar hun diensten aanbieden, maar moeten hiervoor een vergunning hebben en zich aan de vergunningvoorschriften houden. Omdat deelauto’s in de praktijk weinig overlast veroorzaken en er meer regulering is ten aanzien van auto’s (bijvoorbeeld ten aanzien van parkeren), wordt voorgesteld om auto’s uit te zonderen van de vergunningplicht. Voorgesteld wordt om het college bevoegdheden te geven om categorieën van deelvoertuigen aan te wijzen die in aanmerking komen voor een vergunning. Daarnaast wordt voorgesteld het college de bevoegdheid te geven plekken aan te wijzen waar het verboden is om deelvoertuigen te stallen of ter gebruik aan te bieden, of plekken aan te wijzen waar dit juist wel is toegestaan. Daarnaast wordt voorgesteld om het college de bevoegdheid te geven om nadere regels vast te stellen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het stellen van indieningsvereisten voor de aanvraag voor een vergunning, het stellen van voorwaarden waaronder een vergunning wordt verleend, de wijze van verdeling van de vergunningen alsmede de toetsingscriteria hiertoe, het vaststellen van een tijdvak waarbinnen een vergunningaanvraag kan worden ingediend, of het vaststellen van specifieke (kwaliteits)eisen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14158408/2