CConstaterende datBaarle-Nassau
Koppel je AI →
Document · PDF

BIjlage Toelichting bestemmingsplan

Commissie Ruimte en Economie 25 januari 2022, gemeente Baarle-NassauBij agendapunt: Ingekomen stukken20.700 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Het bedrijf meer dan 500 kg fijn stof per jaar uitstoot en de achtergrondconcentratie hoger is dan 27 µg/m 3, of Het bedrijf meer dan 800 kg fijn stof per jaar uitstoot ongeacht de achtergrondconcentratie.

De aanvraag omvat afgerond 163 kg fijnstof en dat is ruim onder de grens van 500 kg en om die reden is een cumulatieve fijnstof toetsing niet aan de orde.

5.5 EXTERNE VEILIGHEID 5.5.1 Risicovolle inrichtingen (BEVI) De veiligheid rond bedrijven wordt gereguleerd in de vigerende milieuvergunning (of een geldende Algemene Maatregel van Bestuur) en het Besluit externe veiligheid inrichtingen van 21 oktober 2004 (Bevi). In het Bevi worden specifieke regels opgenomen voor specifieke risicovoIle inrichtingen. Het gaat hierbij onder meer om inrichtingen in het kader van het Besluit risico's zware ongevallen 1999, LPG-tankstations, inrichtingen waar gevaarlijke (afval)stoffen of bestrijdingsmiddelen in emballage van meer dan 10.000 kg worden opgeslagen, inrichtingen met een koel-of vriesinstallatie met meer dan 400 kg ammoniak. In het Bevi heeft iedere risicovolle inrichting een veiligheidszone gekregen. Dit 1

Bron: Grootschalige Concentratie Kaarten (GCN), RIVM.

27

heet de plaatsgebonden risicocontour (PR-contour). Binnen deze contour mogen nieuwe kwetsbare objecten (zoals woningen, scholen, ziekenhuizen, grootschalige kantoren, hotels, winkelcentra, campings) of beperkt kwetsbare objecten (zoals verspreid liggende woningen, bedrijfswoningen dan wel bedrijfsgebouwen van derden, kleinere kantoren, hotels en winkels, sporthallen, zwembaden) niet of niet zonder meer worden opgericht. Het Bevi gaat uit van een PR-contour 10-6 /jr. Het kan gaan om inrichtingen waarbij door middel van een vaste afstand wordt voldaan aan deze contour (zogenaamde “categoriale inrichtingen”) en inrichtingen waarbij deze contour individueel moet worden berekend (Quantitative Risk Assement (QRA)). Dit is geregeld in Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). Bij het nemen van een planologische besluit (zoals de vaststelling van een bestemmingsplan of een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan) moet het bevoegd gezag deze contour in acht nemen voor kwetsbare objecten. Hierbij geldt de PR-contour 10-6/jr. als grenswaarde. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de contour als richtwaarde, d.w.z. in principe moet PR 10-6/jr. aangehouden worden, maar er mag gemotiveerd van worden afgeweken. Indien een kwetsbaar object wordt gerealiseerd binnen de PR-contour 10-6/jr.

is dat alleen acceptabel indien aan de planologische maatregel of de omgevingsvergunning zodanige voorwaarden worden verbonden dat binnen 3 jaar de PR-contour 10-6/jr. gehaald wordt. Tot die tijd geldt dan de PR-contour 10-5/jr. als grenswaarde. Naast het plaatsgebonden risico kent het Bevi ook het groepsgebonden risico (GR). Het groepsgebonden risico geeft aan wat de kans is op een ongeval met ten minste 10, 100 of 1000 dodelijke slachtoffers in de omgeving van de beschouwde bron. Het aantal personen dat in de omgeving van de bron verblijft bepaalt daardoor mede de hoogte van het groepsrisico. Voor het GR geldt geen harde juridische norm (zoals de PR-contour 10-6/jr. wel is) maar een zogenaamde oriënterende waarde. Het berekende groepsrisico wordt weergegeven in een curve, waarbij de kans op een ongeval wordt uitgezet tegen het aantal mensen dat daarbij omkomt. In dezelfde grafiek wordt de oriënterende waarde uitgezet. Als die wordt overschreden door een ruimtelijke ontwikkeling moet dat worden verantwoord. Hiermee wordt in beeld gebracht of en in welke mate het bevoegd gezag het GR wel of niet aanvaardbaar vindt, al dan niet na het nemen van maatregelen. Primair is er in casu geen sprake van realisatie van een (beperkt) kwetsbaar object.

Volgens de Risicokaart Brabant en informatie van de gemeente Baarle-Nassau ligt in de directe omgeving van het plangebied (binnen een straal van 1 km) geen risicovolle inrichting van derden. De meest nabijgelegen risicovolle inrichting betreft maatschap Adams aan de Dorpsstraat 7 waar een bovengrondse propaantank is gelegen met een risicocontour (PR-contour 10-6/jr) van 22 meter, evenals op de locatie Maaijkant 23 (Recreatiepark Camping Ponderosa). Inmiddels is op de eigen locatie aan de Maaijkant 11 een bovengrondse propaantank (18 m3) aangelegd. Deze behoort bij de varkenshouderij zelf. De bijbehorende risicocontour bedraagt circa 50 meter. Ten opzichte van de nieuwbouw wordt deze afstand overal gehaald. Echter, ook al zou dit niet het geval zijn, de nieuw te realiseren varkensstallen bedragen geen (beperkt) kwetsbare objecten, waardoor deze propaantank geen belemmering vormt. Het plangebied ligt derhalve niet in binnen PR-contouren 10-6/jr. en GR-invloedsgebieden van risicovolle (Bevi)inrichtingen.

28

5.5.2 Vervoer gevaarlijke stoffen Vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor of binnenwateren is geregeld in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (WVGS) en de daarop gebaseerde Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. Op basis van deze circulaire kunnen langs wegen, spoorwegen en vaarwegen PRcontouren 10-6 en 10-5 en het GR bepaald worden. De juridische binding van deze contouren voor bestaande en nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten is grotendeels gelijk aan het Bevi. Dat geldt ook voor de rol van het GR. Het Rijk heeft in begin 2003 nieuwe risicoatlassen uitgebracht voor het transport van gevaarlijke stoffen over rijkswegen, spoorwegen, vaarwegen en buisleidingen. De atlassen geven gerelateerd aan het aantal/de hoeveelheid vervoerde gevaarlijke stoffen, inzicht in (bijna) knelpunten ten aanzien van in voorbereiding zijnde risiconormering. In en in de directe nabijheid van het plangebied is vervoer van gevaarlijke stoffen toegestaan. Voor zover het gaat om het vervoer van gevaarlijke stoffen zijn met name de rijks-, provinciale- en spoorwegen van belang. In de regio Baarle-Nassau zijn dit de N 639, N 260 en de N 14 (op Belgisch grondgebied). Voor deze wegen is de PR-contour 10 -6/jr. niet berekenbaar geweest. Dit houdt in dat voor dit aspect geen knelpunt aanwezig is. Ook de oriënterende waarde van het groepsrisico wordt niet overschreden.

Het plangebied bevindt zich verder circa 14 km verwijderd van de spoorlijn TilburgBreda. De Maaijkant en de Maaijkantsestraat zijn onderdeel van de route voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Voor het verantwoorden van het groepsrisico wordt verwezen naar het standaardadvies 2021 van de Brandweer Midden- en West-Brabant d.d. 9 februari 2021, opgenomen als bijlage 15.

29

5.5.3 Externe veiligheid vanuit de inrichting Het externe veiligheidsbeleid is bedoeld om risico's door de opslag en het gebruik van gevaarlijke stoffen te verminderen en te beheersen. Doel is om onder meer brand en explosies te voorkomen en de nadelige effecten daarvan voor het milieu en de omgeving zoveel mogelijk te beperken. Een en ander is in het kader van de verlening van de milieuvergunning reeds uitgebreid beoordeeld. Bij de opslag van een synergistisch mengsel van organische zuren en zouten van organische zuren zullen alle veiligheidsvoorzieningen getroffen worden welke aan een deugdelijke opslag gesteld worden. Ook zullen de medewerkers geschoold worden in het gebruik van dit product. De vereiste veiligheidsvoorschriften bij het lossen zullen worden toegepast. De benodigde hulpmiddelen voor de eerste opvang bij calamiteiten zijn op het bedrijf aanwezig. Binnen de inrichting kunnen bijzondere milieubelastingen optreden als gevolg van calamiteiten (incl. ongevallen) en afwijkende bedrijfsomstandigheden. Enkele calamiteiten met bijbehorende milieubelasting welke kunnen plaatsvinden zijn:  Lekkage bodembedreigende stoffen (olie, zwavelzuur) als gevolg van een aanrijding. Bijzondere milieubelasting: bodemverontreiniging;  Storing in gaswasser.  Bijzondere milieubelasting: tijdelijke verhoging geur- en ammoniakemissie.

Binnen de inrichting zullen alle nodige veiligheidsvoorzieningen worden getroffen om een calamiteit en de als gevolg van de calamiteit optredende bijzondere milieubelasting te voorkomen dan wel te beperken. Binnen de inrichting is een bovengrondse propaantank (18 m3) aanwezig. De bijbehorende risicocontour bedraagt circa 50 meter. Ten opzichte van omliggende functies wordt deze afstand overal gehaald. Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat de externe veiligheid in casu niet in het geding is, althans voldoende maatregelen worden genomen om de externe veiligheid te waarborgen. 5.5.4 Besluit externe veiligheid buisleidingen Een buisleiding die wordt gebruikt voor transport van gevaarlijke stoffen, vormt een risico voor de veiligheid. Als de leiding gaat lekken, kunnen de gevaarlijke stoffen vrijkomen en ontstaat er een kans op explosie, vergiftiging van mensen of dieren of verontreiniging van het milieu. In het Besluit externe veiligheid buisleidingen zoals dit per 1 januari 2011 geldt, staan veiligheidseisen voor de exploitant en de gemeente. Exploitanten hebben een zorgplicht en moeten ervoor zorgen dat hun buisleidingen veilig zijn. Gemeenten moeten buisleidingen in hun bestemmingsplannen opnemen en bij nieuwbouw zorgen voor genoeg afstand tot de buisleidingen.

In de omgeving bevindt zich een ondergrondse buisleiding van de Gasunie, op een afstand van ruim 2 km van het plangebied. De PR-contour 10-6/jr. bedraagt bij deze leiding 0 meter 5.6 VOLKSGEZONDHEID Voor het plan is in het kader van de aanvraag voor Omgevingsvergunning en het MER een advies van de GGD gevraagd. De GGD heeft de gezondheidsaspecten geur, fijn stof, endotoxinen en zoönosen van de gewenste ontwikkeling getoetst. Dit advies is betrokken bij de toetsing van de aangeleverde onderbouwing.

30

Dit advies is uitgebracht op 2 oktober 2018 en gebaseerd op de aanvraag van 23 -3-2018. In het huidige plan wordt ook stal 5 van een combiluchtwasser voorzien, daarmee is de stal dubbel-emissiearm uitgevoerd. Als gevolg van deze aanpassingen dalen de emissies van ammoniak, geur en fijnstof.. Onderhavige ontwikkeling voorziet in een verbetering van het woon- en leefklimaat van de omwonenden. In 2021 is hier tijdens de planvoorbereidingen nogmaals afstemming over geweest met de GGD en besproken of er aanleiding is om het GGD advies uit 2018 te actualiseren. De uitkomst van deze afstemming is dat dit niet noodzakelijk geacht wordt. Om deze reden is eveneens geen uitgebreide toets aan de “Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 “ uitgevoerd. Uiteraard zijn wel de relevante gezondheidsaspecten met betrekking tot endotoxinen, fijn stof en zoönosen, afgewogen. In de hierop volgende paragrafen is hier aandacht voor. 5.6.1 Algemeen Effecten op de (volks)gezondheid betreft niet alleen dierziekten en zoönosen, maar ook geurhinder, geluidhinder en fijn stof belasting. Ten aanzien van geur-, fijn stof- en geluidsbelasting wordt voldaan aan de wettelijke waarden. Deze milieuaspecten zijn reeds uitgebreid uitgewerkt.

In deze paragraaf wordt nader ingegaan op de onderzoeken naar de effecten van veehouderij op de volksgezondheid, zoönosen en de maatregelen op bedrijfsniveau ter voorkoming van insleep en verspreiding van dierziekten. 5.6.2 Volksgezondheid en de Wet milieubeheer Besmettingsgevaar wordt geregeld in de wetgeving voor volksgezondheid. De Wet milieubeheer bevat geen toetsingskader voor onderwerpen die in de wetgeving voor Volksgezondheid zijn geregeld. Wel bestaat ruimte voor een aanvullende milieuhygiënische toets ten aanzien van besmettingsgevaar. De Wet publieke gezondheid is op 1 december 2008 in werking getreden. Hierin is ondermeer vastgelegd dat het bevoegd gezag de taak heeft om gezondheidsaspecten in bestuurlijke beslissingen te bewaken. Zij zullen zich daarbij moeten baseren op beschikbare onderzoeken. Aangezien veel van deze zaken nog onduidelijk zijn, vindt momenteel nader onderzoek plaats naar de relatie tussen (de omvang van) intensieve veehouderij en gezondheidsproblemen van omwonenden. 5.6.3 Relatie (intensieve) veehouderij en gezondheid In deze paragraaf wordt aandacht besteed aan de relatie tussen intensieve veehouderij en gezondheid van de omwonenden. Hierbij wordt onder meer de toetsing voor wat betreft endotoxinen beschreven.

Het bouwplan voldoet aan alle van toepassing zijnde wettelijke milieunormen en de best beschikbare technieken, met name doordat vrijwel geheel nieuwgebouwd wordt en deze nieuwe stallen op gecombineerde, biologische luchtwassers met 45% geur-, 85% ammoniakreductie en 80% fijnstof reductie worden aangesloten. In deze paragraaf wordt in aanvulling op paragraaf 5.4 nader ingegaan op het aspect endotoxinen en de maatregelen die getroffen worden op bedrijfsniveau. Endotoxinen

Micro-organismen en endotoxinen blijken zich vooral in de grovere fractie fijnstof te bevinden. Door de aanwezigheid van een watergordijn in de luchtwasser wordt de (fijn) stof emissie met minimaal 80% gereduceerd en hierdoor wordt ook het risico op verspreiding van micro-organismen en endotoxinen maximaal beperkt. Het bestuurlijk Platform Omgevingsrecht (BPO) heeft de ‘Notitie handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld (25 november 2016). Deze notitie bevat als hulpmiddel voor bevoegde gezagen een systematiek om

31

de endotoxineblootstelling van omwonenden van veehouderijen te beoordelen en helpt bevoegde gezagen om vergunningaanvragen te toetsen aan de adviesgrenswaarde van 30 EU/m3 endotoxinen. De afstanden tussen het dichtstbijgelegen emissiepunt en buitenzijde van de dichtstbijgelegen woningen:

Voor het bouwplan bedraagt de fijnstofemissie naar boven afgerond 163 kg/jaar. Dit is een forse afname ten opzichte van de 587 kg/jaar in de vergunde situatie. Uit voorgaande grafiek kan afgeleid worden dat bij deze fijnstofemissie een minimale afstand tot woningen van 74 meter moet worden aangehouden om met zekerheid aan de adviesgrenswaarde van 30 EU/m3 endotoxinen te voldoen. Zonder rekening te houden met cumulatie kan op basis van huidige kennis en inzichten gesteld worden dat in het voorkeursalternatief op alle omliggende woningen voldaan wordt aan deze adviesgrenswaarde van 30 EU/m3, behalve ten aanzien van de woning Maaijkantsestraat 3. Echter het bouwplan resulteert in een verbetering ten opzichte van de vergunde situatie. Bij deze adviesafstand is overigens geen rekening gehouden met het feit dat in het voornemen geen vleesvarkens, maar zeugen/biggen gehouden worden. De fijnstof (en daarmee ook de endotoxinen) uitstoot van zeugen/biggen ligt lager dan die van vleesvarkens. Een kortere afstand dan de adviesafstand voor vleesvarkens betekent voor een fokzeugenhouderij dus niet automatisch dat sprake is van risico’s voor de volksgezondheid (of beter gezegd: dat deze risico’s niet uit te sluiten zijn). Hoe een realistische adviesafstand bij een fokzeugenhouderij bepaald moet worden is op dit moment niet bekend.

Door het hanteren van een vaste adviesafstand wordt geen rekening gehouden met de mate van verspreiding van de fijnstof-endotoxinen door: De verdeling van de fijnstof-endotoxinen emissie over de verschillende emissiepunten binnen de inrichting (= het zwaartepunt van de emissies binnen de inrichting). De emissiepunt-parameters van de emissiepunten, met name het positieve effect van de emissiepunthoogte en uittredesnelheden van de luchtwassers. De heersende windrichting (zuidwesten wind). Maaijkantsestraat 3 ligt ten noordwesten van de inrichting, hetgeen betekent dat het grootste deel van het jaar de ventilatielucht en geëmitteerde stoffen in afwaartse richting van deze woning wordt geblazen. Cumulatie van fijnstof-endotoxinen In een gebied met meerdere veehouderijen dicht bij elkaar kan sprake zijn van cumulatie van endotoxinen en als gevolg daarvan bestaat het risico dat de advieswaarde van de Gezondheidsraad overschreden wordt. Waar dat risico bestaat is sprake van een endotoxine risicogebied.

32

Gezien de uitgangspunten van de notitie dienen de emissies van pluimvee en varkens betrokken te worden in de bepaling van de risicocontouren en cumulatieve effecten. De dichtstbijgelegen veehouderij is Maaijkant 3. Dit legpluimveebedrijf heeft een vergunde fijnstof emissie van 2.963 kg/jaar. Volgens de afstandsgrafiek uit de notitie is de adviesafstand voor dit bedrijf 175 m. Verderop gelegen varkens- en pluimveebedrijven liggen op dermate grote afstand dat het met zekerheid te stellen is dat de risicocontouren van deze overige bedrijven de contouren van Maaijkant 11 en 3 niet zullen overlappen en dat er geen cumulatie zal optreden. De endotoxine-risicocontouren rondom Maaijkant 11 en Maaijkant 3 zijn ingetekend op een situatieschets, zie navolgend figuur. Hieruit blijkt dat de contouren van Maaijkant 11 en Maaijkant 3 elkaar niet overlappen en dat er geen sprake is van cumulatieve effecten tussen deze twee bedrijven. Tevens is te zien dat de woningen Maaijkant 7, Maaijkant 9, Maaijkant 2 en Maaijkantsestraat 3 binnen de bestaande risicocontour van Maaijkant 11 liggen. In het bouwplan ligt alleen Maaijkantsestraat 3 nog binnen de risicocontour. Ook komt de contour van Maaijkant 11 verder van de contour van Maaijkant 3 af te liggen, waarmee de kans op cumulatieve effecten verkleind wordt.

Dit is voor de woningen aan de Maaijkant een aanzienlijke verbetering ten opzichte van de feitelijke situatie.

(kaartje is afkomstig uit het mer, voorkeursalternatief is bouwplan). Naast de reeds beschreven emissie reducerende maatregelen wordt ook een hoge gezondheidsstatus van de varkens nagestreefd. Dit verkleint de kans op insleep en verspreiding dierziekten en dit verklein weer de emissie van endotoxinen (= dode celwandresten van ziekteverwekkers). Hierdoor kan vervolgens het antibioticaverbruik laag gehouden worden, waarmee het risico op antibioticaresistentie verkleind wordt. De kans op verspreiding van zoönosen richting de omgeving wordt hierdoor ook beperkt. Om een hoge gezondheidsstatus te bereiken worden op het bedrijf strenge hygiëneregels toegepast, waaronder verplicht gebruik van de hygiënesluis door medewerkers en bezoekers en toepassing van

33

het ‘schone en vuile weg’ principe. Op dit zeugenbedrijf worden vanuit veterinair oogpunt bewust geen gespeende biggen en vleesvarkens gehouden. Slechts eenmaal in de 6 weken worden varkens aangevoerd. Dit zijn opfokzeugen ter vervanging van de zeugenstapel. Deze opfokzeugen hebben een hoge gezondheidsstatus, komen steeds van dezelfde locatie en worden met steeds met dezelfde vrachtwagen aangevoerd. De medewerkers zijn vakbekwaam en beoordelen dagelijks de gezondheid van de dieren, zodat eventuele ziekteverschijnselen tijdig opgemerkt worden. Door deze maatregelen wordt een hoge gezondheidsstatus van de varkens bereikt. Dit resulteert ook in lagere gezondheidskosten en betere productieresultaten. Over het algemeen geldt dat een hoge gezondheidsstatus beter te realiseren is bij volledige nieuwbouw, omdat dit de mogelijkheid geeft om een optimale bedrijfsopzet en optimaal stalklimaat te realiseren en om moderne huisvestingssystemen te kunnen toepassen. 5.6.4 Zoönosen Zoönosen zijn infectieziekten veroorzaakt door micro-organismen die kunnen overgaan van dieren naar mensen. De belangrijkste zoönosen die voorkomen in de varkenssector worden hier toegelicht: Varkensinfluenza Mensen kunnen door direct contact met varkens besmet raken met varkensinfluenzavirussen. Dit komt in Nederland zelden voor.

Mensen die geïnfecteerd raken met een varkensinfluenzavirus hebben dezelfde klachten als na infectie met een humaan influenzavirus. Omdat bij varkens dezelfde subtypen voorkomen als bij mensen bestaat er een bepaalde mate van immuniteit waardoor infectie minder ernstige gevolgen heeft. Bij mensen die beroepsmatig in contact komen met varkens worden in het bloed vaker antistoffen gevonden tegen varkensinfluenzavirussen dan bij mensen die dit contact niet hebben. MRSA MRSA is een bacterie die voorkomt bij gezonde mensen, zonder dat zij daar last van hebben. MRSA is resistent voor behandeling met de meeste antibiotica. Personen die nauw contact hebben met varkens, hebben een verhoogd risico op een besmetting met de veehouderij-gerelateerde MRSA. Transmissie van MRSA op veehouderijbedrijven van dier naar mens vindt plaats door contact met dieren, mest of stof of inhalatie van stallucht. Lopende onderzoeken moeten meer inzicht verschaffen. Het MRSA-dragerschap is voor de meeste mensen geen grote bedreiging voor de gezondheid. In hoeverre de uitstoot van stallucht kan leiden tot MRSA-besmetting van omwonenden is nog onduidelijk. In de buitenlucht vindt een sterke verdunning plaats, waardoor de kans op contact met MRSA snel afneemt met toenemende afstand van de stal.

Toepassing van luchtwassers heeft waarschijnlijk een beperkend effect op de aanwezigheid van MRSA, maar hiernaar moet nog nader onderzoek verricht worden. Antibiotica-resistentie Mensen kunnen antibiotica-resistente bacteriën overnemen van dieren, via voedsel of contact met dieren. Bacteriën kunnen resistentie ontwikkelen als neveneffect van het gebruik van antibiotica om dierziekten te bestrijden. De resistentie is het hoogst bij dieren die voor de vleesproductie worden gehouden. Het risico voor de volksgezondheid is dat resistente bacteriën kunnen veranderen in meer virulente of aan de mens aangepaste varianten of hun resistentie overdragen aan andere bacteriën. Omdat voor dieren grotendeels dezelfde antibiotica worden gebruikt als voor mensen vormt resistentie een risico voor de volksgezondheid. In de hele veehouderijsector is aandacht voor beperking van het antibioticaverbruik. Het is sinds 2006 al verboden om antimicrobiële

34

voerbespaarders toe te passen in mengvoer. Het landelijk beleid is momenteel al gericht op een forse reductie van het antibioticagebruik in de veehouderij (70% in 2015) en een zorgvuldig gebruik. 5.6.5 Maatregelen op bedrijfsniveau Binnen de inrichting zijn maatregelen getroffen om de insleep en verspreiding van ziektekiemen te voorkomen en de uitstoot van stoffen te reduceren. Een goed ontwerp van de stal en goede bedrijfsvoering zijn hierbij erg belangrijk. Daarnaast minimaliseert een gezond dierbestand de kans op problemen met volksgezondheid. Het houden van varkens vereist de nodige hygiëne-maatregelen om insleep en eventuele verspreiding van besmettelijke dierziekten zo veel mogelijk te voorkomen. De volgende maatregelen worden getroffen: 

  

    

Een hoge gezondheidsstatus wordt nagestreefd. Insleep van ziektekiemen wordt zoveel mogelijk beperkt doordat uitsluitend opfokzeugen op het bedrijf aangevoerd worden. Deze zijn afkomstig van een vast bedrijf met ook een hoge gezondheidsstatus. De biggen worden als speenbig in een één op één relatie verkocht. Hierdoor wordt het risico op ziekteoverdracht tussen varkensbedrijven onderling zoveel mogelijk beperkt. Er wordt uitsluitend gewerkt met goed geschoold en geïnstrueerd personeel. Periodieke reiniging en desinfectie van gebouwen en materialen. Bezoekersregeling: in principe worden er zo weinig mogelijk bezoekers toegelaten in de stallen en in het 'schone gedeelte' van het bedrijf. Derden die noodzakelijke diensten verrichten en controleurs van wie de toegang wettelijk is vastgelegd, vormen een uitzondering. Bezoekers die voorafgaand aan het bezoek in aanraking zijn geweest met varkens of pluimvee worden niet op het schone gedeelte van het bedrijf toegelaten. Doucheverplichting voor alle medewerkers en alle bezoekers voor het betreden van de bedrijfsruimten. Het dragen van bedrijfskleding en bedrijfsschoeisel dat op het bedrijf wordt verstrekt. Goede ongediertebestrijding die wordt verzorgd door een professionele ongediertebestrijder. Het bedrijf heeft een bedrijfsbehandelplan (BBP) en een bedrijfsgezondheidsplan (BGP).

Het (BBP) is een door de dierenarts opgesteld plan waarin de voorgenomen behandelwijze van de mogelijk optredende dierziekten op het bedrijf van de ondernemer wordt vastgelegd. Een BGP is een plan waarin naast het bedrijfsbehandelplan de maatregelen zijn beschreven die door de ondernemer worden genomen om het gebruik van antibioticum te beperken. Door een optimale klimaatregeling worden emissies in de stal gereduceerd en wordt naar de laatste stand der techniek naar behoefte geventileerd. Hiermee wordt voorkomen dat er teveel (of te weinig) geventileerd wordt zonder noodzaak.

5.7 MILIEUZONERING Om tot een ruimtelijk relevante toetsing van de milieuhygiënische inpasbaarheid van nieuwe functies te komen, wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. De milieuzonering zorgt voor voldoende afstand tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) in ruimtelijke plannen. Hiertoe zijn bedrijven voorzien van een zone waar mogelijke nadelige effecten zijn voor woningen. Maatgevend zijn de thema’s geur, geluid, stof en gevaar. Vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening is het voorkomen van voorzienbare hinder door milieubelastende activiteiten van belang. Daarnaast mogen bedrijven niet worden beperkt in hun mogelijkheden.

35

5.7.1 Bedrijven en Milieuzonering VNG-uitgave Bedrijven en milieuzonering Om mogelijke hinder van bedrijven voor bewoners te voorkomen, wordt de daarvoor algemeen aanvaarde VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009) gebruikt. In deze uitgave is de potentiële milieubelasting voor een hele reeks van bedrijven bepaald aan de hand van de reeds genoemde milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De milieubelasting is voor die aspecten vertaald in richtlijnen voor aan te houden afstanden tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Deze afstanden kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. Bovendien zijn deze afstanden alleen van toepassing op nieuwe situaties en niet op bestaande situaties. Het milieuaspect met de grootste afstand is maatgevend en bepaalt in welke milieucategorie een bedrijfstype wordt ingedeeld. Gebiedstypen Volgens de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een ‘rustige woonwijk’ of een ‘gemengd gebied’:  een ‘rustige woonwijk’ is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer;  een ‘gemengd gebied’ is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven.

Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. In onderstaande tabel is weergegeven welke richtafstand bij de twee verschillende gebiedstypen aangehouden worden per milieucategorie.

Externe en interne werking Bij het realiseren van nieuwe functies wordt gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe functies gerealiseerd worden. Hierbij speelt qua inpasbaarheid zowel de ‘externe werking’ als de ‘interne werking’ van de nieuwe functie een rol: 1. Externe werking: Past de nieuwe functie in de omgeving? Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden gewaarborgd kan worden; 2. Interne werking: Laat de omgeving de nieuwe functie toe? Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie binnen het projectgebied hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving. Worden bijvoorbeeld bestaande bedrijven door de komst van de nieuwe functie belemmerd in hun bedrijfsvoering?

36

Het plangebied ligt in het buitengebied van Ulicoten, aan de kruising van de Maaijkant en de Maaijkantsestraat, ten noordoosten van het dorp Ulicoten. Op een afstand van bijna 2 km ligt de Nederlands-Belgische grens. De omgeving wordt gekenmerkt door agrarische bedrijvigheid. De omgeving Maaijkant en Maaijkantsestraat betreft een gemengd landelijk gebied. Dit gebied is van oudsher al agrarisch in gebruik. De laatste 100 jaar is dit gebruik verder geaccentueerd door schaalvergroting. De ruilverkaveling heeft hieraan ook bijgedragen. Het gebied ten noorden van Ulicoten kent meer laanbeplantingen en relatief veel burgerwoningen. In het gemengd landelijk gebied ten noorden van Ulicoten liggen circa 35 agrarische bedrijven (intensieve veehouderijen). De 21 burgerwoningen liggen vooral in de bebouwingslinten van Maaijkant, Hondseind en langs de Chaamseweg-Hazenberg. In het landschap zijn veel landschapselementen waar te nemen; dit zijn enerzijds percelen welke begroeid zijn met houtopstanden en anderzijds laan- en erfbeplanting. Op basis van deze landschapskenmerken wordt gesteld dat sprak is van gemengd gebied in het kader van de Brochure. Volgens de Handreiking Bedrijven en Milieuzonering (VNG) vallen varkenshouderijen binnen milieucategorie 4.1; hierbij geldt een richtafstand van 100 meter voor gemengd gebied in een nieuwe situatie, in verband met geurhinder.

Voor wat betreft hinder door stof en geluid zijn de richtafstanden gesteld op 30 respectievelijk 50 meter. De afstand tot de dichtstbijgelegen burgerwoning bedraagt circa 75 meter. Ten aanzien van de richtafstand voor het aspect geur wordt opgemerkt dat bij veehouderijen niet de adviesafstanden, maar de wettelijk aan te houden afstanden en de berekende geuremissiecontouren voor vergunningplichtige veehouderijbedrijven bepalend zijn, dit aspect wordt behandeld in de volgende paragraaf. 5.7.2 Geurhinder Het bouwplan dat ten grondslag ligt aan deze bestemmingsplanherziening heeft een geuremissie van 54.934 OU/m3, terwijl de feitelijk bestaande, planologisch toegestane situatie een geuremissie omvat van 52.003 OU/m3. De geurbelasting op omliggende geurgevoelige objecten is berekend met het verspreidingsmodel V-stacks Vergunning 2020. Onderstaand is deze berekening schematisch weergegeven.

37

Op basis hiervan kan geconstateerd worden dat de feitelijke (voorgrond) geurbelasting in de aangevraagde situatie aan de gestelde eisen voldoet. Op basis van rechtstreeks werkende regels voor veehouderijen in de Interim Omgevingsverordening is een toename van de bestaande bebouwing voor de uitoefening van een veehouderij alleen toegestaan indien is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op

38

geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12% (=10 OUE/m3) en in het buitengebied niet hoger is dan 20% (=20 OUE/m3). In de uitgangssituatie overschrijdt de achtergrondbelasting alleen op de woning Maaijkant 5 de maximale waarde van 20 OUE/m3. In de nieuwe situatie wordt de maximale waarde echter niet meer overschreden. Daarbij is tevens van belang dat Maaijkant 11 ook niet substantieel bijdraagt aan de achtergrondbelasting ter plaatse van Maaijkant 5. Maaijkant 3 heeft de grootste (substantiële) bijdrage aan de achtergrondbelasting ter plaatse van Maaijkant 5. Er wordt derhalve voldaan aan de bepalingen ten aanzien van geur zoals voorgeschreven in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant.

5.8 KABEL, LEIDINGEN EN STRAALPADEN 5.8.1 Inleiding Ruimtelijk relevante leidingen en straalpaden worden op de verbeelding en in de planregels geregeld. Leidingen met ongevaarlijke stoffen zoals hoofdwatertransportleidingen, afvalwatertransport-/rioolpersleidingen zijn in beginsel niet opgenomen in het bestemmingsplan, tenzij door de leidingbeheerder de noodzaak voor opname is aangetoond.

39

5.8.2 Gas- olie-, brandstof- of watertransportleidingen en hoogspanningskabels Bij brief van 3 oktober 2005 van het ministerie van VROM aan de Gasunie geeft het ministerie het volgende aan: "Ten aanzien van de risiconormering voor buisleidingen gelden de uitgangspunten van het externe veiligheidsbeleid. Deze uitgangspunten liggen onder meer vast in het Vierde Nationaal Milieubeleidsplan en voorzien in het bieden van een basisveiligheidsniveau door het stellen van een grenswaarde aan het plaatsgebonden risico en een verantwoordingsplicht voor het groepsrisico. Het beleid gaat daarbij uit van het op termijn opheffen van het onderscheid tussen bestaande en nieuwe situaties, maar houdt daarbij wel rekening met de haalbaarheid, uitvoerbaarheid en betaalbaarheid van maatregelen. Deze beleidslijn is voor inrichtingen inmiddels wettelijk vastgelegd." In de cirulaire "Zonering langs hogedruk aardgastransportleidingen" van het ministerie van VROM, vastgesteld op 26 november 1984, is de zonering langs hogedruk transportleidingen aangegeven met als doel zowel voor de leidingeigenaar als de ruimtelijk ordenaar de risicoruimte vast te stellen. In onderhavig plangebied komen geen gastransportleidingen voor die onder het bereik van genoemde circulaire vallen.

Het plangebied is niet gelegen binnen een (hinder)zone of werkstrook van hoofdleidingen voor olie, gas of water en hoogspanningsleidingen. Voordat met graafwerkzaamheden een aanvang wordt gemaakt, zal initiatiefnemer een Klic-melding doen, zodat ook rekening gehouden kan worden met de ligging van de gebruikelijke leidingen en kabels. 5.8.3 Obstakelbeheer en radarverstoringsgebied Het plangebied is verder ook niet gelegen in een obstakelbeheer- of radarverstoringsgebied.

Hoofdstuk 6 Waterparagraaf 6.1 WATERBELEID Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Waterschap Brabantse Delta. In het kader van het beleid van zowel de gemeente Baarle-Nassau als het waterschap dient binnen het plangebied een duurzaam waterhuishoudkundig systeem gerealiseerd te worden. Concreet betekent dit dat er sprake moet zijn van gescheiden schoon- en vuilwaterstromen die afzonderlijk worden verwerkt. Vanuit het waterschap Brabantse Delta gelden daarbij de volgende uitgangspunten:     

afkoppelen van 100% van het verhard oppervlak, waarbij de beslisboom verantwoord afkoppelen van toepassing is; de trits vasthouden-bergen-afvoeren is van toepassing, waarbij hergebruik dan wel infiltratie van schoon regenwater de voorkeur heeft; verontreiniging van het water dient door bronmaatregelen voorkomen te worden; grondwateroverlast dient voorkomen te worden; een gelimiteerde afvoer naar het oppervlaktewatersysteem is toegestaan.

Het waterschap is verantwoordelijk voor het waterbeheer (waterkwaliteit en kwantiteit) binnen het plangebied. Voor waterhuishoudkundige ingrepen is de Keur van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer.

40

Hergebruik Hierbij kan gedacht worden aan de aanleg van gescheiden watercircuits door het hergebruik van bijvoorbeeld regenwater (drinkwater, grijswater, huishoudwater). De ervaringen met bestaande proef-projecten leert echter dat deze pas rendabel zijn bij projecten met 1000 of meer te bouwen woningen. Ook de recent aangescherpte regelgeving op dit vlak maakt het hergebruik van (regen)water niet snel haalbaar. Het onderhavige project is dan ook te kleinschalig om deze voorziening toe te passen. Infiltratie, buffering en afvoer Hierna is aangegeven hoe met deze aspecten wordt omgegaan. Leggerkaart Brabantse Delta: webviewer

41

Voor het vigerende bestemmingsplan (wijzigingsplan vastgesteld in 2015) is een watertoets doorlopen en heeft Waterschap Brabantse Delta op 9 september 2014 aan de gemeente BaarleNassau een wateradvies gegeven (kenmerk 14UT020190). Aanvraag 2018. In het bouwplan is de toename in verhard oppervlak verkleind ten opzichte van het oppervlak waar in het wateradvies van 2015 vanuit is gegaan. De berekening van de minimaal benodigde bergingscapaciteit is aangepast aan het huidige voornemen en in vooroverleg met het Waterschap. Het bouwplan heeft een totaal verhard oppervlak (gebouwen en erfverharding) van 17.416 m2 en leidt ten opzichte van de bestaande situatie tot een toename in verhard oppervlak van 7.719 m2. Berekening waterbergingscapaciteit Maaijkant 11 Ulicoten.

De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hebben hun keuren geharmoniseerd. Als onderdeel van dit harmonisatietraject hanteren de waterschappen sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. De gemeente Baarle-Nassau valt binnen het stroomgebied van Brabantse Delta. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Het doel van dit uitgangspunt is om te voorkomen dat hemelwater als gevolg van uitbreiding van het verhard oppervlak versneld op het watersysteem wordt geloosd. Voor lozingen op een oppervlaktewater eist het Waterschap daarom een vervangende berging, die de extra afvoer van het nieuwe verharde oppervlak als het ware neutraliseert. De Brabantse waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Dit heeft er toe geleid dat voor kleine plannen (toename van verhard oppervlak vanaf 500 m2 tot en met 10.000 m2) kan worden volstaan met het toepassen van een eenvoudige rekenregel voor het bepalen van de compensatie-opgave.

In de Algemene Regel staat tevens beschreven dat voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak, waarvan het oppervlak maximaal niet meer bedraagt dan 10.000 m2, geen compensatie hoeft te worden aangelegd. De toename in verhard oppervlak ten gevolge van het voornemen bedraagt 7.719 m2 (=nieuw plan t.o.v. de bestaande bebouwing c.q. verharding) en daarmee kan de eenvoudige rekenregel toegepast worden. Er is geen vergunning vereist. Eenvoudige rekenregel: Sinds maart 2021 is in de algemene regels de de ondergrens aangepast naar 500 m2 Voor een toename van het verhard oppervlak tussen 500 m2 en 10.000 m2 kan de vereiste compensatie berekend worden door de toename van het verhard oppervlak (m2) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm (0,06 m). Daaruit volgt de omvang van de vereiste compensatie in kubieke meters (m3). De kaart Algemene regel afvoer regenwater door verhard oppervlak geeft vervolgens aan of voor een specifieke locatie met minder compensatie volstaan kan worden. Deze kaart is gebaseerd op een combinatie van locatiespecifieke bodemkundige en hydrologische omstandigheden. De kaart kent drie verschillende gevoeligheidsgebieden. Gevoeligheidsfactor 1 (vermenigvuldigt de berekende compensatie met één) geeft aan dat alleen

42

met de volledige compensatie volstaan kan worden. Gevoeligheidsfactor ½ (vermenigvuldigt de berekende compensatie met een half) geeft aan dat met de helft van de berekende capaciteit volstaan kan worden. Tenslotte geeft gevoeligheidsfactor ¼ (vermenigvuldigt de berekende compensatie met een kwart) aan dat met ¼ van de berekende capaciteit kan worden volstaan. De rekenregel luidt als volgt: Benodigde compensatie (in m3) = Toename verhard oppervlak (in m2) * Gevoeligheidsfactor * 0,06 (in m)

De gevoeligheidsfactor ter plaatse van de inrichting bedraagt 1/2. Zie onderstaande kaart.

Figuur: Kaart gevoeligheidsfactor Brabantse Delta

Benodigde compensatie = 7.719 m2 * 1/2 * 0,06 m= 231,6 m3, afgerond 232 m3 Om de waterbergingscapaciteit te realiseren wordt een infiltratievoorziening gerealiseerd. Op het benodigde oppervlak te berekenen moet eerst de GHG bepaald worden. Zie navolgende kaarten. De locatie ligt volgens de Keurkaart in grondwaterdeelgebied I: Westelijke zandgrond. Grondwatertrap VI volgens Bodemdata.nl (GLG >120m-mv en GHG 40-80 cm-mv) = infiltratiegebied

In het bouwplan wordt het verhard oppervlak afgekoppeld en het afstromende hemelwater opgevangen in een retentievijver aan de voorzijde van de inrichting. De benodigde waterbergingscapaciteit bedraagt 232 m3. Uitgaande van een GHG van 60 cm-mv dient de retentievijver een bodemoppervlak te hebben van minimaal 386 m2, afgerond 390 m2. Door de bergingsvoorziening 80 cm-mv diep te maken met een noodoverlooppijp op 60 cm-mv ontstaat meer dan voldoende waterbergingscapaciteit. De noodoverlooppijp krijgt een diameter van 4 cm doorsnede en mondt uit in de B-watergang aan de Maaijkantsestraat. Voor de toename van het verhard oppervlak en de te realiseren retentievijver volstaat een melding in het kader van de Keur bij het waterschap.

43

Kaart met GHG

Het afstromende hemelwater is aan te merken als schoon. Zo worden geen uitlogende materialen gebruikt op daken en op het terrein. De wasplaats wordt voorzien van een driewegafsluiter, zodat het vuile spoelwater in de mestput terecht komt en het schone hemelwater afgevoerd kan worden naar de retentievijver. Het erf wordt schoon gehouden, en eventuele vervuiling van het erf wordt direct en doelmatig opgeruimd. Bodembedreigende activiteiten zijn voorzien van bodembeschermende maatregelen. 6.2 OVERLEG WATERSCHAP In het kader van het vooroverleg heeft het Waterschap Brabantse Delta op 29 september 2021 een wateradvies uitgebracht. Deze punten zijn besproken en op basis van deze informatie is de onderhavige Toelichting aangepast, zie paragraaf 6.1.

Hoofdstuk 7 Juridische vormgeving 7.1 ALGEMEEN Het bestemmingsplan heeft als doel het planologisch-juridisch kader te geven voor de ontwikkeling van het beschreven plan. De nadere juridische invulling is gedetailleerd geregeld. Dit bestemmingsplan bestaat uit de volgende onderdelen:   

plantoelichting planregels; verbeelding.

Bij het opstellen van het onderhavige bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Waar dat noodzakelijk was , is afgeweken van de standaard en is het plan specifiek toegesneden op de feitelijke situatie in het onderhavige plangebied. Verder voldoet dit bestemmingsplan aan de digitale eisen. De plansystematiek voldoet aan de volgende RO-standaarden 2012:   

Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP) 2012; PraktijkRichtlijn BestemmingsPlannen (PRBP) 2012; Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten (STRI) 2012.

7.2 PLANMETHODIEK Er is, volgens de Wro, gekozen voor een analoge en digitale verbeelding van het plan. Aan de bestemmingen zijn bouw- en gebruiksregels gekoppeld die direct inzichtelijk maken welke ontwikkelingen zijn toegestaan. Verbeelding en regels bieden een directe bouwtitel voor bebouwing en gebruik.

44

7.3 VERBEELDING In de analoge en digitale verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis ingevolge het voorliggende plan, indien en voor zover deze in de regels daaraan wordt gegeven. Als een aanduiding juridisch gezien geen enkele betekenis heeft, is deze niet opgenomen in de verbeelding. Ten behoeve van de leesbaarheid is het plan wel op een topografische ondergrond gelegd. De bestemmingen en de aanduidingen zijn ingedeeld in de hoofdgroepen volgens de SVBP2012 en zijn bij de verbeelding opgenomen in een renvooi. Opgemerkt wordt nog dat de analoge en digitale verbeelding qua verschijning van elkaar verschillen, immers de wijze van raadplegen is ook verschillend. Inhoudelijk zijn geen verschillen te vinden. 7.4 PLANREGELS De planregels zijn ondergebracht in inleidende regels, in bestemmingsregels, in algemene regels en in overgangs- en slotregels. INLEIDENDE REGELS Dit hoofdstuk bevat twee artikelen. In artikel 1 is een aantal noodzakelijke begripsbepalingen opgenomen welke worden gebruikt in de regels. In artikel 2 wordt uiteengezet op welke wijze gemeten dient te worden. BESTEMMINGSREGELS Dit hoofdstuk bestaat uit een beschrijving van de bestemming.

Agrarisch - Agrarisch bedrijf (Artikel 3) In artikel 3 is de hoofdbestemming opgenomen: Agrarisch - Agrarisch bedrijf. De voor 'Agrarisch Agrarisch bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijven met bedrijfswoning met dien verstande dat uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij' tevens varkenshouderijen zijn toegestaan, waarbij niet meer dan één bedrijf aanwezig mag zijn per bestemmingsvlak en bijbehorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wegen en paden, parkeervoorzieningen. grondgebonden agrarische bedrijven met dien verstande dat uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij' tevens intensieve veehouderijen alleen voor het houden van de diercategorie varkens zijn toegestaan, waarbij niet meer dan één bedrijf aanwezig mag zijn per bestemmingsvlak Groen – landschappelijke inpassing (artikel 4) In artikel 4 is de bestemming Groen – landschappelijke inpassing opgenomen. Hiermee is de landschappelijke inpassing planologisch-juridisch gezien het sterkst geborgd. Behalve voor het aanleggen en instandhouden van beplanting overeenkomstig het landschappelijke inpassingsplan vallen water- en waterhuishoudkundige voorzieningen tevens onder deze bestemming.

45

ALGEMENE, SLOT- EN OVERGANGSREGELS Deze artikelen bevatten de bepalingen die op het hele plangebied betrekking hebben en burgemeester en wethouders de mogelijkheid bieden flexibiliteit in het plangebied te betrachten.

Hoofdstuk 8 Economische uitvoerbaarheid, kostenverhaal en planschade De realisatie van het project geschiedt voor rekening van de initiatiefnemer. De gemeentelijke financiën zijn hierbij niet in het geding. Verder zijn de gronden eigendom van de initiatiefnemer. Deze gronden zijn niet belast met beperkte zakelijke rechten van derden.

Artikel 6.2 Wro bepaalt dat bij toekenning van een tegemoetkoming in planschade een forfaitaire drempel van tenminste 2% van de waarde van de getroffen onroerende zaken voor risico en rekening van de benadeelde te dient blijven. De afstand van de mogelijk benadeelde tot het plangebied in aanmerking genomen, alsmede de waarde van de onroerende zaak vlak voor de planologische wijziging, wordt de kans op te honoreren verzoeken om planschade minimaal ingeschat. Het is gebruikelijk dat een initiatiefnemer, ook in onderhavig geval, door de gemeente verzocht wordt een planschadeverhaalovereenkomst af te sluiten om eventueel door de gemeente uit te keren planschadevergoedingen af te wentelen op de initiatiefnemer van een project waaraan slechts medewerking kan worden verleend middels een planologische wijziging. In casu zal voor het gehele project een anterieure overeenkomst worden afgesloten met de gemeente Baarle-Nassau, waarvan het aspect 'planschade' onderdeel zal uitmaken.

Hoofdstuk 9 Conclusie Uit deze toelichting blijkt dat er geen beletselen zijn om het project doorgang te laten vinden. Het betreft het verleggen van de grens van de landschappelijke inpassing waardoor het mogelijk is om de oppervlakte landschappelijke inpassing te vergroten van 5.070 m2 naar 5.255 m2 en aan de zijde van de Maaijkantestraat tevens inpassing op te nemen waarbij de bebouwing verder van de Maaijkantsestraat wordt gerealiseerd. Verder geeft het de ondernemers de mogelijkheid hun plannen op stal 5 na in nieuwbouw uit te voeren, hetgeen voor alle aspecten voordelen heeft. Het bouwplan voorziet in een afname van de belasting van ammoniak, geur en fijn stof, ook neemt het aantal dieren af.

Hoofdstuk 10 Procedure en maatschappelijke uitvoerbaarheid 10.1 PROCEDURE Op 30 april 2019 heeft VOF Heijligers het college van Burgemeester en Wethouders van BaarleNassau verzocht om medewerking voor het realiseren van het huidige bouwplan. Voor wat betreft de planologische aspecten diende een herziening van het bestemmingsplan plaats te vinden. Reden hiervoor is dat in het vigerende bestemmingsplan geen flexibiliteitsbepaling zit om de grens van de landschappelijke inpassing op te schuiven, ook niet voor het vergroten van de hoeveelheid landschappelijke inpassing, zoals in het onderhavige bouwplan. Per brief van 26 september 2019 heeft het college verklaart hieraan medewerking te willen verlenen.

46

Het conceptbestemmingsplan is in augustus 2021 het kader van de vooroverleg naar de diverse overheden gestuurd. Provincie Noord-Brabant heeft een memo gezonden, dit is besproken met alle betrokkenen en aan de hand daarvan is de Toelichting en zijn de planregels aangepast. Verder heeft het Waterschap Brabantse Delta gereageerd, ook hier heeft nog mondeling afstemming over plaatsgevonden met daarna aanpassing van de Toelichting. De reacties zijn opgenomen Op basis van deze reacties is het concept aangepast en verwerkt tot een ontwerpbestemmingsplan. Het ontwerp zal voor de duur van 6 weken ter visie gelegd worden. Na de zienswijzeperiode zal dit ontwerpbestemmingsplan door de gemeenteraad worden vastgesteld en treedt het 6 weken na de publicatie van het vastgestelde bestemmingsplan in werking. 10.2 MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID In de Inleiding van deze Toelichting is beschreven dat het bouwplan waarvoor deze herziening noodzakelijk is, bestaat uit het realiseren van een bedrijf met minder emissie van ammoniak, geur, fijn stof, endotoxinen, ook neemt het totaal aantal dieren af, wordt de landschappelijke inpassing verbeterd en ook wordt de verkeerssituatie beter doordat het aan- en afvoerend verkeer op het bedrijfsterrein kan manoeuvreren.

Ter bescherming van de belangen van belanghebbenden is er een mogelijkheid zienswijzen in te dienen tijdens de ter visie legging van het ontwerpbestemmingsplan. 10.3 OMGEVINGSDIALOOG Ten behoeve van de partiële herziening van het bestemmingsplan Maaijkant 11 Ulicoten (vastgesteld op 22 juni 2015) is een actualisatie van de Omgevingsdialoog uitgevoerd. Deze actualisatie is vastgelegd in onderhavig document. Allereerst wordt duiding gegeven aan deze actualisatie omdat het gehele traject voor het bouwplan al in 2017 is gestart. Duiding.  Op 22 juni 2015 is het huidige bestemmingsplan “Maaijkant 11 Ulicoten” vastgesteld. Dit bestemmingsplan was vastgesteld voor het realiseren van het plan met 8.403 varkens, als volgt opgebouwd: o 4.480 gespeende biggen o 478 kraamzeugen o 1.572 guste en dragende zeugen o 1 dekbeer o 1.872 vleesvarkens  Dit plan stuitte tijdens het vergunningentraject op weerstand van omwonenden. De onderliggende Omgevingsvergunning is van 2008.  Nadat alle vergunningen waren verkregen en het bedrijf werd overgenomen hebben initiatiefnemers zich als nieuwe eigenaren beraden.  Gevolg was dat het plan met de vergunning van 2008 geheel gewijzigd werd.  Het nieuwe plan omvatte 4.780 dieren: o 0 gespeende biggen (de biggen worden op een gewicht van 8 à 9 kg verkocht) o 898 kraamzeugen o 3.372 guste en dragende zeugen o 6 dekberen o 504 opfokzeugen o 0 vleesvarkens

47

          

 

Alle gebouwen, behalve stal 5 worden gesloopt en herbouwt volgens de nieuwste inzichten. Verder nemen de emissie van ammoniak, geur, fijnstof en endotoxinen sterk af. Daarbij vindt extra landschappelijke inpassing plaats. Vanwege het feit dat het aantal zeugen met meer dan 900 steeg ten opzichte van de vergunning van 2008 moest (ondanks een afname in het totaal aantal dieren) een MER gemaakt worden. Deze procedure is in de periode 2017-2018 doorlopen. In dat kader is er ook een Omgevingsdialoog gevoerd door middel van een bewonersbijeenkomst op 26 juni 2017. Aan de hand van de bijeenkomst is het plan aangepast met een aangepaste routing zodat de vrachtwagens op het terrein aan de kant van Maaijkant kunnen manoeuvreren en parkeren zodat dit niet op de Maaijkantsestraat hoeft. Van deze bijeenkomst is een volledig verslag gemaakt. Vervolgens is de aanvraag voor een Omgevingsvergunning ingediend op 23 maart 2018. Door de bijstelling van de geurnormen voor de luchtwassers en de perikelen rond de Wnb aanvraag duurde de behandeling van de aanvraag lang. Vervolgens bleek in de loop van 2019 dat het landschappelijke inpassingsplan van 2015 gebaseerd dus op de vergunning van 2008, als onderdeel van de regels van het bestemmingsplan ‘Maaijkant 2011 Ulicoten’ het vergroten van de oppervlakte landschappelijke inpassing juridisch blokkeert.

Om die reden wordt nu een herziening van het bestemmingsplan Maaijkant 11 Ulicoten gevoerd. Het plan waarvoor in 2017 een Omgevingsdialoog is gevoerd is onveranderd voor wat betreft aantallen en uitvoering, de enige verandering is dat stal 5, de enige stal die blijft staan, nu wordt voorzien van een luchtwasser. Dat is een gunstige ontwikkeling voor de omwonenden, omdat zowel de emissies als de deposities afnemen. De stukken van 2017 zijn bij deze rapportage gesloten en voldoen aan het beleid voor het voeren van een Omgevingsdialoog zoals de gemeente Baarle-Nassau dat in 2019 heeft vastgesteld. Alle berekeningen uit de presentatie van 2017 zijn wel aangepast met de huidige normen. Verder is van belang te benadrukken dat het aantal dieren ook ten opzichte van de huidige situatie afneemt, namelijk van 5.824 naar 4.780 dieren.

Conclusie.  Een nieuwe Omgevingsdialoog te voeren in de vorm van een bewonersbijeenkomst heeft geen toegevoegde waarde, omdat het plan waarvoor op 26 juni 2017 een Omgevingsdialoog is gevoerd in de vorm van een bewonersbijeenkomst is onveranderd. De enige verandering is dat de bestaande stal 5 van een luchtwass er wordt voorzien (dubbel emissie-arm), dat leidt tot een beter woon en leefklimaat.  Initiatiefnemers hechten grote waarde aan goed contact met de buurt en willen iedereen graag goed en van te voren informeren. Om die reden zal enkele dagen voor de publicatie van het ontwerpbestemmingsplan een brief gestuurd worden naar de buurtgenoten van het bedrijf. Alle stukken van de Omgevingsdialoog zijn op genomen in bijlage 13.

48

Bijlagen bij de Toelichting Bijlage 1: Natuurbeschermingswetvergunning Bijlage 2: Verschil berekening feitelijk, planologisch legale situatie - bouwplan Bijlage 3: Onderzoek flora en fauna Bijlage 4: Archeologisch onderzoek Bijlage 5: Akoestisch onderzoek Bijlage 6: Landschappelijke inpassing Bijlage 7: Stalderingsbewijs Bijlage 8: Luchtkwaliteitsberekening Bijlage 9: Geurvoorgrondberekeningen Bijlage 10: Geurachtergrondvergelijking Bijlage 11: BZV-score Bijlage 12: Dier- en emissietabellen Bijlage 13: Omgevingsdialoog met actualisatie Bijlage 14: Stukken aangaande het vooroverleg met de overheden Bijlage 14-1: Vooroverlegreactie Provincie Noord-Brabant Bijlage 14-2: Vooroverlegreactie waterschap Brabantse Delta Bijlage 15: Standaardadvies 2021 inzake externe veiligheid

49

Bijlage 1: Natuurbeschermingswetvergunning

50

Bijlage 2: Verschil berekening feitelijk, planologisch legale situatie – bouwplan.

51

Dit document bevat rekenresultaten van AERIUS Calculator. Het betreft de hoogst berekende stikstofbijdragen per stikstofgevoelig Natura 2000-gebied, op basis van rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant. De berekening op basis van stikstofemissies gaat uit van de componenten ammoniak (NH3) en/of stikstofoxide (NOx). Wilt u verder rekenen of gegevens wijzigen? Importeer de pdf dan in Calculator. Voor meer toelichting verwijzen wij u naar de website www.aerius.nl.

Berekening Feitelijke situatie 2021 en Aanvraag Kenmerken Samenvatting emissies Depositieresultaten Gedetailleerde emissiegegevens

Verdere toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via: https://www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers. RRPikjaeCUZT (26 maart 2021) pagina 1/35

Resultaten

Contact

Activiteit

Rechtspersoon

Inrichtingslocatie

Ulicoten VOF

Maaijkant 11, 5113 BC Ulicoten

Omschrijving

AERIUS kenmerk

vergelijking vergund beoogd 2020

RRPikjaeCUZT

Datum berekening

Rekenjaar

Rekenconfiguratie

26 maart 2021, 14:20

2021

Berekend voor natuurgebieden

Totale emissie

Situatie 1

Situatie 2

Verschil

NOx

7,32 kg/j

7,50 kg/j

< 1 kg/j

NH3

4.998,34 kg/j

3.272,90 kg/j

-1.725,44 kg/j

Resultaten

Natuurgebied

Hectare met hoogste verschil (mol/ha/j)

Uw berekening heeft geen verschillen opgeleverd boven 0,00 mol/ha/jr.

Toelichting

Verschilberekening Feitelijke situatie-Aanvraag NH3 + NOx berekening

Resultaten

Feitelijke situatie 2021 Aanvraag

RRPikjaeCUZT (26 maart 2021) pagina 2/35

Resultaten

Locatie Feitelijke situatie 2021

Emissie Feitelijke situatie 2021

Resultaten

Bron Sector

Emissie NH3

Emissie NOx

EP 1a Landbouw | Stalemissies

1.460,18 kg/j

-

EP 1b Landbouw | Stalemissies

487,20 kg/j

-

EP 4a Landbouw | Stalemissies

2.648,00 kg/j

-

EP 5a Landbouw | Stalemissies

303,60 kg/j

-

EP 6a Landbouw | Stalemissies

99,20 kg/j

-

Afvoer mest Wegverkeer | Buitenwegen

< 1 kg/j

2,20 kg/j

Feitelijke situatie 2021 Aanvraag

RRPikjaeCUZT (26 maart 2021) pagina 3/35

Resultaten

Bron Sector

Resultaten

Emissie NH3

Emissie NOx

aanvoer voer (meng + bijprod) Wegverkeer | Buitenwegen

< 1 kg/j

2,76 kg/j

aan/afvoer luchtwassers Wegverkeer | Buitenwegen

< 1 kg/j

< 1 kg/j

laden van vee Wegverkeer | Buitenwegen

< 1 kg/j

< 1 kg/j

mobiele werktuigen en vervoersbewegingen binnen project Mobiele werktuigen | Landbouw

< 1 kg/j

< 1 kg/j

overig transport Wegverkeer | Buitenwegen

< 1 kg/j

< 1 kg/j

afvoer kadavers Wegverkeer | Buitenwegen

< 1 kg/j

< 1 kg/j

Feitelijke situatie 2021 Aanvraag

RRPikjaeCUZT (26 maart 2021) pagina 4/35

Resultaten

Locatie Aanvraag

Emissie Aanvraag

Bron Sector

Emissie NH3

Emissie NOx

EP 11 Landbouw | Stalemissies

468,00 kg/j

-

EP 12 Landbouw | Stalemissies

894,54 kg/j

-

EP 15 Landbouw | Stalemissies

303,60 kg/j

-

EP 16 Landbouw | Stalemissies

907,20 kg/j

-

EP 17 Landbouw | Stalemissies

699,40 kg/j

-

< 1 kg/j

2,62 kg/j

afvoer mest Wegverkeer | Buitenwegen

Resultaten

Feitelijke situatie 2021 Aanvraag

RRPikjaeCUZT (26 maart 2021) pagina 5/35

Resultaten

Bron Sector

Resultaten

Emissie NH3

Emissie NOx

aanvoer voer (meng + bijprod) Wegverkeer | Buitenwegen

< 1 kg/j

3,06 kg/j

laden vee Wegverkeer | Buitenwegen

< 1 kg/j

< 1 kg/j

aan/afvoer luchtwassers Wegverkeer | Buitenwegen

< 1 kg/j

< 1 kg/j

overig transport Wegverkeer | Buitenwegen

< 1 kg/j

< 1 kg/j

mobiele werktuigen en vervoersbewegingen binnen project Mobiele werktuigen | Landbouw

< 1 kg/j

< 1 kg/j

afvoer kadavers Wegverkeer | Buitenwegen

< 1 kg/j

< 1 kg/j

Feitelijke situatie 2021 Aanvraag

RRPikjaeCUZT (26 maart 2021) pagina 6/35

Resultaten

Resultaten stikstof gevoelige Natura 2000 gebieden

Natuurgebied

Hectare met hoogste verschil Situatie 1 Situatie 2 Verschil

Westduinpark & Wapendal

0,01

0,01

0,00

Noordhollands Duinreservaat

0,01

0,00

0,00

Schoorlse Duinen

0,01

0,00

0,00

Kennemerland-Zuid

0,01

0,01

0,00

Coepelduynen

0,01

0,00

0,00

Meijendel & Berkheide

0,01

0,00

0,00

Zwanenwater & Pettemerduinen

0,01

0,00

0,00

Kop van Schouwen

0,01

0,01

0,00

Solleveld & Kapittelduinen

0,01

0,00

0,00

Grevelingen

0,01

0,00

0,00

Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske

0,01

0,00

0,00

Oosterschelde

0,01

0,00

0,00

Voordelta

0,01

0,00

0,00

Voornes Duin

0,01

0,00

0,00

Duinen Goeree & Kwade Hoek

0,01

0,00

0,00

Polder Westzaan

0,01

0,00

0,00

Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder

0,01

0,00

0,00

Rijntakken

0,01

0,00

0,00

Geuldal

0,01

0,00

0,00

Noorbeemden & Hoogbos

0,01

0,00

0,00

Verschil op (bijna) overbelaste hexagonen*

(mol/ha/j)

Resultaten

Feitelijke situatie 2021 Aanvraag

RRPikjaeCUZT (26 maart 2021) pagina 7/35

Resultaten

Natuurgebied

Resultaten

Hectare met hoogste verschil Situatie 1 Situatie 2 Verschil

Savelsbos

0,01

0,00

0,00

Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht

0,01

0,00

0,00

Zwin & Kievittepolder

0,01

0,00

0,00

De Wieden

0,01

0,00

0,00

Dwingelderveld

0,01

0,00

0,00

Manteling van Walcheren

0,01

0,00

0,00

Westerschelde & Saeftinghe

0,01

0,00

0,00

Olde Maten & Veerslootslanden

0,01

0,00

0,00

Holtingerveld

0,01

0,00

0,00

Groote Gat

0,01

0,00

0,00

Vecht- en Beneden-Reggegebied

0,01

0,00

0,00

Drents-Friese Wold & Leggelderveld

0,01

0,00

0,00

Maas bij Eijsden

0,01

0,00

0,00

Buurserzand & Haaksbergerveen

0,01

0,00

0,00

Weerribben

0,01

0,00

0,00

Engbertsdijksvenen

0,01

0,00

0,00

Mantingerbos

0,01

0,00

0,00

Mantingerzand

0,01

0,00

0,00

Fochteloërveen

0,01

0,00

0,00

Zwarte Meer

0,01

0,00

0,00

Feitelijke situatie 2021 Aanvraag

Verschil op (bijna) overbelaste hexagonen*

-

-

RRPikjaeCUZT (26 maart 2021) pagina 8/35

Resultaten

Natuurgebied

Resultaten

Hectare met hoogste verschil Situatie 1 Situatie 2 Verschil

Rottige Meenthe & Brandemeer

0,01

0,00

0,00

Springendal & Dal van de Mosbeek

0,01

0,00

0,00

Elperstroomgebied

0,01

0,00

0,00

Drentsche Aa-gebied

0,01

0,00

0,00

Dinkelland

0,01

0,00

0,00

Lemselermaten

0,01

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10970714/1