Bijlage Implementatie Omgevingswet juli 2022
Tekst van het document
Implementatie Omgevingswet Juli 2022
Juli 2022
1. INLEIDING 1.1 AANLEIDING De Omgevingswet zal naar verwachting op 1 januari 2023 in werking treden. De Omgevingswet staat voor een goede balans tussen het beschermen en het benutten van de fysieke leefomgeving. De Omgevingswet bundelt de diverse wetgeving (26 stuks) en regels (240 stuks) voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water en regelt daarmee het beheer en de ontwikkeling van de leefomgeving. Het vraagt om een transitie op 3 verschillende sporen: • Het vernieuwen van het wettelijke stelsel met gebruikmaking van de gemeentelijke instrumenten. Van belang daarbij is de toepassing van participatie door het in een vroegtijdig stadium betrekken van belanghebbenden bij deze instrumenten. • Het ontwikkelen van één digitaal loket (Digitaal Stelsel Omgevingswet ofwel DSO) voor het aanvragen van vergunningen, raadplegen van de geldende regels per locatie, en op termijn informatie over de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. • Het doorvoeren van organisatorische veranderingen op het gebied van taken, cultuur, structuur, technologie, processen en mensen. Daarmee kunnen we inwoners en ondernemers met een initiatief sneller en beter van dienst zijn.
Dit document is opgebouwd op basis van deze 3 sporen: in hoofdstuk 2 wordt de stand van zaken met betrekking tot de gemeentelijke instrumenten (wet) behandeld, in hoofdstuk 3 de informatievoorziening (digitaal stelsel) en in hoofdstuk 4 de werkprocessen (anders werken). 1.2 UITGANGSPUNTEN ABG-GEMEENTEN Het ambitieniveau voor de invoering van de Omgevingswet is eind 2017/begin 2018 aan verschillende bestuurs- en radenbijeenkomsten van de ABG-gemeenten voorgelegd en vastgesteld. Hieruit kwam naar voren dat we als basis de calculerende - onderscheidende strategie aanhouden. Dit houdt in het kort in dat we alleen in beweging komen waar de Omgevingswet aanwijsbaar voordeel oplevert en waar verandering wordt nagestreefd. De ABG-gemeenten hebben ervoor gekozen voor een beleidsneutrale omzetting richting Omgevingswet. Op 4 april 2019 heeft de ABG-directie het implementatieplan Aan de slag met de Omgevingswet in de ABGgemeenten vastgesteld.
2
2. GEMEENTELIJKE INSTRUMENTEN 2.1 INSTRUMENTEN IN DE BELEIDSCYCLUS Er zijn 4 nieuwe gemeentelijke kerninstrumenten die tezamen de beleidscyclus vormgeven: Beleidsontwikkeling: de omgevingsvisie is de opvolger van de structuurvisie en betreft één integrale langetermijnvisie van de raad voor de hele fysieke leefomgeving. De omgevingsvisie geeft ook richting aan de programma’s van het college, die een uitwerking van het beleid uit de omgevingsvisie bevatten en maatregelen ter uitvoering van dat beleid. Beleidsdoorwerking: het omgevingsplan is de opvolger van het bestemmingsplan maar met een verbrede reikwijdte. In het omgevingsplan worden door de raad regels gesteld over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Uitvoering: voor wat betreft de omgevingsvergunning is het van belang dat het initiatief centraal staat (ja, mits-houding). Standaard is de reguliere procedure van 8 weken van toepassing. Het college is in principe het bevoegd gezag. De raad kan in het omgevingsplan bepalen welke activiteiten vergunningplichtig zijn. Terugkoppeling: toezicht en handhaving vormt het sluitstuk van het college van de beleidscyclus. De raad wordt hierover (jaarlijks) geïnformeerd en houdt daarmee toezicht op de uitvoering.
Vervolgens kan monitoring en evaluatie leiden tot de ontwikkeling van nieuw beleid. 2.2 BELEIDSONTWIKKELING De Omgevingsvisie is een integrale visie met strategische hoofdkeuzen van beleid voor de fysieke leefomgeving voor de lange termijn. Het is een politiek-bestuurlijk document waarin het beleid voor de fysieke leefomgeving op integrale wijze beschreven wordt. Integraal betekent volgens de wetgever dat de visie betrekking heeft op alle terreinen van de fysieke leefomgeving en dat de Omgevingsvisie samenhang vertoont. De gemeenteraad stelt op grond van artikel 3.1 van de Omgevingswet (verplicht) één omgevingsvisie voor het gemeentelijke grondgebied vast. Ook voor de raden van de ABG-gemeenten geldt deze verplichting. De overgangstermijn loopt naar huidige inzichten tot 31 december 2024. De omgevingsvisie is hierbij ook richtinggevend en kaderstellend voor (eventueel vast te stellen) programma’s onder de Omgevingswet. Met dit laatste wordt invulling gegeven aan de door het Rijk gewenste doorwerking van de omgevingsvisie in andere instrumenten onder de Omgevingswet. Dit principe van doorwerking ligt ten grondslag aan de beleidscyclus. Een programma is niet verplicht om te hebben maar kan worden gebruikt voor 3
een verdere uitwerking van beleid. Daar waar de ABG-gemeenten hebben gekozen voor een beleidsneutrale omzetting richting Omgevingswet zou het strategische beleid in de visie verwerkt kunnen worden en het uitvoeringsbeleid meegenomen kunnen worden in het Omgevingsplan. Met deze insteek in het achterhoofd wordt nu niet ingestoken op het instrument programma. Stand van zaken: medio 2021 heeft iedere raad kennisgenomen van het projectplan Omgevingsvisie. Een externe partij heeft via een aanbesteding de opdracht gekregen om in januari 2024 voor iedere gemeente een Omgevingsvisie opgesteld te hebben. Voor Baarle-Nassau ligt er al een Omgevingsvisie uit 2019 maar deze wordt geactualiseerd. In dit 2 jaar durende traject zullen de raden intensief worden betrokken en uiteraard zullen ook de inwoners participeren in dit traject. Het is zaak om het bestaande strategische beleid in de visies op te nemen evenals de lopende trajecten rond o.a. gebiedsvisies. In april 2022 is op basis van het programma van eisen het traject voor het opstellen van de Omgevingsvisies gestart. Momenteel worden de bestaande beleidsdocumenten gescreend met de vraag of ze relevant zijn voor de Omgevingsvisies. Hierna wordt op basis van o.a. de thema’s volksgezondheid, woningbouwopgave, duurzaamheid, ruimte, energietransitie, zorg en onderwijs de opgave bepaald.
2.3 BELEIDSDOORWERKING Het omgevingsplan moet gaan gelden als één plan voor het gehele grondgebied van de gemeente. Alle regels die betrekking hebben op de kwaliteit van de fysieke leefomgeving of op activiteiten die van invloed zijn op de fysieke leefomgeving worden bijeengebracht in één gebiedsdekkend omgevingsplan. Het omgevingsplan heeft een integraal karakter en omvat de gehele fysieke leefomgeving. Daarom zal er een veelheid aan regels, die op allerlei niveaus hun werking hebben, in het omgevingsplan een plek moeten krijgen. Het gaat daarbij om een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (vergelijkbaar met de huidige bestemmingen uit bestemmingsplannen) maar ook om regels over activiteiten die gevolgen (kunnen) hebben voor de fysieke leefomgeving. Op het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet krijgt iedere gemeente een omgevingsplan van rechtswege. Dit betekent dat de huidige bestemmingsplannen en voormalige Rijksregels (bruidsschat) samenkomen in één omgevingsplan: het tijdelijke omgevingsplan. Deze regels (al dan niet inhoudelijk gewijzigd) moeten op termijn (2030) volgens de nieuwe systematiek en regels van de Omgevingswet naar het nieuwe deel van het omgevingsplan moeten worden omgezet. Daarnaast zijn er regels voor de fysieke leefomgeving die nu nog in andere gemeentelijke verordeningen staan, bijvoorbeeld in de APV en de Bouwverordening.
Deze maken geen deel uit van het tijdelijke omgevingsplan en moeten ook in het nieuwe deel van het omgevingsplan worden opgenomen. Stand van zaken: er wordt op dit moment met een externe partij een deelomgevingsplan voor het buitengebied in de gemeente Baarle-Nassau opgesteld. Na de zomerperiode wordt gestart met het raadplegen van de bewoners/eigenaren/gebruikers van het buitengebied. Dit plan en de kennis en ervaring die hiermee wordt opgedaan, kan dan eveneens worden toegepast bij de andere gemeenten. Er vindt afstemming plaats zodat de structuur en opbouw van het omgevingsplan van elke gemeente eenduidig is. 2.3 UITVOERING EN TERUGKOPPELING De aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt via het DSO ingediend. Daarbij dient de initiatiefnemer aan te geven of hij aan participatie heeft gedaan, en zo ja, hoe en wat de resultaten zijn. Standaard is de reguliere procedure van 8 weken van toepassing, ook bij het (buitenplans) afwijken van het omgevingsplan (nu 26 weken). Het college is in principe het bevoegd gezag en de vergunning van rechtswege verdwijnt. Een bijzonderheid is dat de raad in het omgevingsplan kan opnemen welke activiteiten vergunningplichtig zijn. Deze worden omgevingsplanactiviteiten genoemd; activiteiten die in strijd zijn met het omgevingsplan zijn
4
buitenplanse omgevingsplanactiviteiten (vergelijkbaar met de omgevingsvergunning afwijken bestemmingsplan). Stand van zaken: er wordt op dit moment met een externe partij gewerkt om de Legesverordening Omgevingswetproof te krijgen en hierbij gelijk de Wet Kwaliteitsborging op een juiste manier te implementeren aangezien deze gelijk met de Omgevingswet in werking zal treden. Daarnaast zijn de volgende documenten in voorbereiding die nodig zijn voor de praktijk van VTH: • • •
mandaat- en delegatiebesluiten kwaliteitsregels taken Omgevingsdienst aanpassing APV aan Omgevingswet
Deze zullen tijdig aan de raden worden aangeboden ter vaststelling.
3. INFORMATIEVOORZIENING Een goede informatievoorziening is noodzakelijk ter ondersteuning van de werkprocessen en de inrichting van de gemeentelijke instrumenten. Daarvoor is aansluiting nodig op het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Deze technische aansluiting op het DSO gaat over drie “sporen”: 1. vergunningaanvragen 2. vragenbomen ten behoeve van het doen van een vergunningcheck 3. omgevingsdocumenten zoals de omgevingsvisie en het omgevingsplan Daarnaast dient voor elk spoor het juiste softwarepakket te worden aangeschaft en ingericht. Stand van zaken: de softwarepakketten die nodig zijn om straks te kunnen werken met het DSO zijn allemaal aangeschaft en geïnstalleerd. Koppelingen zijn in de testomgeving gerealiseerd. Op dit moment wordt gewerkt aan het inrichten en testen van de Omgevingswetprocessen in de pakketten. Met name de inrichting van de nieuwe systemen vraagt veel ambtelijke capaciteit omdat de experts deze voorzieningen moeten inrichten en gaan gebruiken. De inrichting vraagt ook veel afstemming tussen diverse afdeling die (een deel van) het proces moeten gaan vormgeven. Trainingen voor het personeel om te werken met deze pakketten zijn verzorgd. Er moet nog veel geoefend moeten worden om vertrouwd te raken met de nieuwe werkomgeving. Na ingebruikname zal 2023 vooral in het teken staan in het optimaliseren van de processen in het systeem.
Door meer ervaring, kennis en nieuwe inzichten gaan de softwarepakketten steeds beter aansluiten bij de gewenste werkprocessen.
4. WERKPROCESSEN De Omgevingswet vraagt om een andere “mindset”. Initiatieven zullen benaderd moeten worden met ‘ja, mits’ in plaats van ‘nee, tenzij’. Laten we vooral proberen ontwikkelingen mogelijk te maken en niet vast te houden aan regels die het onmogelijk maken. Dit vraagt een hele andere insteek van de ambtenaren maar ook van het bestuur. De inwoners van de gemeenten weten heel goed in wat voor gemeente ze willen wonen en welke ontwikkelingen zij graag zien. Als lokale overheid zal je meer een faciliterende/ondersteunende rol krijgen richting je inwoners om te kijken hoe we gezamenlijk ontwikkelingen mogelijk kunnen maken. Dit proces zal met vallen en opstaan tot stand komen want je kunt niet verwachten dat we ineens een “knop” omzetten en
5
iedereen tevreden kunnen maken. De werkprocessen moeten hierop worden ingestoken. Daarmee kunnen we inwoners en ondernemers met een initiatief sneller en beter van dienst zijn. Stand van zaken: met een externe partij zijn we bezig om de werkprocessen die samenhangen met omgevingsplanwijzigingen op aanvraag en vergunningaanvragen Omgevingswet-proof te maken. Niet alleen om de wijzigingen in juridische procedurestappen in beeld te krijgen, maar ook gericht op deze nieuwe mindset. Zo wordt de “intaketafel” en de “omgevingstafel” hierin opgenomen. Met de ketenpartners worden afspraken gemaakt over de samenwerking onder de Omgevingswet. We zijn tevens bezig dit te implementeren in de werkomgeving om daarmee een goede ondersteuning van een werkproces te creëren. Daarna zullen ook formats (brieven, kennisgevingen, et cetera) op de nieuwe wetgeving en de bijbehorende werkprocessen aangepast worden en in het zaaksysteem opgenomen. Voorzien is bovendien in een laatste fase van het opleidingsplan. Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet zal er nog één ronde kennissessies worden gehouden waarbij in elke kennissessie een ‘taartpunt’ van de beleidscyclus centraal staat met de daarbij behorende informatievoorziening en werkprocessen. Deze laatste ronde wordt ingepland zodra de datum van inwerkingtreding definitief is.
Dit om medewerkers kort op die datum goed voor te bereiden op de nieuwe manier van werken. Veel medewerkers zijn overigens al aangesloten bij één of meerdere projectgroepen en komen op die manier reeds in aanraking met de implementatie van de Omgevingswet.
5. FINANCIEEL Voor het vaststellen van de omgevingsvisie is een budget gereserveerd. Dit budget is per ABG-gemeente verschillend en is in de begroting opgenomen. De hoogte van het budget is mede gerelateerd aan de mate van up-to-date zijn van o.a. het huidige strategische beleid; zo heeft de gemeente Baarle-Nassau op dit moment namelijk al een omgevingsvisie. Dat geldt niet voor de andere twee ABG-gemeenten. Het restant van het budget is steeds jaarlijks overgeheveld met het uitstellen van de wet en voor dit jaar komen we wellicht nog wel uit.
6. CONCLUSIE De invoering van de omgevingswet houdt ons allen nog bezig. De gemeente moet zich echter voorbereiden op de invoering met alle onzekerheden van dien. We laten ons ondersteunen door kennis en kunde van externen maar ook van collega-gemeenten in de omgeving. We liggen op schema maar er moet nog veel gebeuren. De implementatie van nieuwe systemen in combinatie met de enorme druk op de afdelingen Ruimtelijke Ontwikkeling en Vergunningen maken dat we alert moeten blijven. Het uitgangspunt blijft dat de klant (inwoner) zo min mogelijk last mag hebben van wetswijzigingen of systeemaanpassingen.
6