CConstaterende datBaarle-Nassau
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage Bestemmingsplan Stationsstraat 7-7b en 11 te Baarle-Nassau Toelichting

Gemeenteraad (openbaar) 28 september 2022, gemeente Baarle-NassauBij agendapunt: Voorstel tot het vaststellen van het bestemmingsplan 'Stationsstraat 7-7b en 11 te Baarle-Nassau'15.453 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Het provinciale Monumenten Inventarisatie Project is in de jaren 1990 uitgevoerd met het idee daar nieuwe rijksmonumenten uit te selecteren (via het Monumenten Selectie Project). De overige panden werden door de provincie wel als waardevol gezien, maar het werd aan de gemeenten gelaten om daar al dan niet een status aan toe te kennen, zoals gemeentelijk monument of cultuurhistorisch waardevol/ beeldbepalend/ karakteristiek. De gemeente Baarle-Nassau heeft aan deze panden geen status toegekend. De planlocatie is gelegen in de oude dorpskern van Baarle-Nassau & Baarle-Hertog, historische stedenbouw. Het voormalige spoor het ‘Bels lijntje’ is aangeduid als een historische geografische lijn ‘Zeer hoog’. Aan het Bels lijntje, tegenover de planlocatie, is het voormalige stationsgebouw gelegen. Het station is aangewezen als rijksmonument. De historische geografische lijn blijft behouden. De planlocatie wordt stedenbouwkundig ingepast in het bestaande karakter van het gebied. De elementen van de oude dorpskern en de geografische lijn worden door het initiatief niet aangetast, de nadruk blijft gevestigd op het stationsgebouw. Het nieuwe pand worden ingepast in het bestaande straatbeeld. Er worden geen belangrijke bepalende elementen, zoals bomen, op de planlocatie verwijderd.

De ontwikkelingen hebben hierdoor geen invloed op de oude dorpskern van Baarle-Nassau & Baarle-Hertog en de historische geografische lijn van het Bels lijntje. Daarnaast ligt de planlocatie in een molenbiotoop van de voormalige molen in Baarle-Hertog. De molen is niet meer aanwezig, de ruimtelijke ontwikkeling zal dan ook geen belemmering vormen voor de voormalige molen. Doordat het nieuwe pand ingepast wordt in het bestaande straat beeld, waarbij ook rekening is gehouden met de bouwhoogte in de omgeving, blijft de nadruk liggen op het rijksmonument het stationsgebouw. De planlocatie is gelegen binnen de ‘Baronie’, wat onderdeel is van het dekzandplateau dat doorsneden wordt door beken. De ruimtelijke ontwikkeling tast het dekzandplateau de ‘Baronie’ niet aan. Op de Cultuurhistorische Waardenkaart is te zien dat de planlocatie is gelegen in een gebied met ‘indicatieve archeologische’ waarden. De gemeente heeft de archeologische verwachtingen in beeld gebracht en waar nodig de archeologische waarden door vertaald in het vigerende bestemmingsplan door middel van het opnemen van een dubbelbestemming. In de volgende paragraaf (5.5.2 Archeologie) wordt hier nader op in gegaan.

Toelichting bestemmingsplan 201120

Pagina 27 van 44

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Figuur 15: Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart

Conclusie Stationsstraat 7, welke de aangeduid is als ‘Overige bouwkunst’, zal worden gesloopt. Het pand heeft geen status van een monument of een cultuurhistorisch pand. Dit pand is al meerdere malen verbouwd en verkeerd niet meer in originele staat, dit is toegelicht in de redengevende omschrijving welke opgesteld is door het Monumentenhuis Brabant (zie bijlage 6 van de afzonderlijke bijlagen). De oude dorpskern en de historische geografische lijn het ‘Bels lijntje’ zullen niet aangetast worden. Het pand zal worden ingepast in de stedenbouwkundige opzet en sluit aan op het straatbeeld van de Stationsstraat. Betreft de aanduiding ‘Archeologische monumenten’, dit wordt behandeld in paragraaf 5.5.2. De beoogde planontwikkeling geeft geen belemmering voor de cultuurhistorie van de nabije omgeving en zal de cultuurhistorische waarden niet aantasten. 5.5.2

Archeologie

Wettelijk toetsingskader Voor archeologie geldt de nationale wetgeving die afkomstig is uit Europees beleid. Het Verdrag van Valletta (of wel: 'Verdrag van Malta') regelt hoe er omgegaan moet worden met het Europees archeologisch erfgoed. Nederland heeft het verdrag in 1992 mede ondertekend. De uitgangspunten van dit Europese verdrag zijn in de Nederlandse wet- en regelgeving verankerd door middel van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). De Wamz is in werking getreden op 1 september 2007 en wijzigt hiermee de Monumentenwet uit 1988, de Ontgrondingenwet (Ow), de Wet milieubeheer (Wm), de Woningwet (Ww) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Sinds de invoering van deze wet zijn gemeenten belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Vanaf 1 juli 2016 is dit op dezelfde wijze als via de Wamz verwerkt in de Erfgoedwet en in de toekomst zal dit verwerkt worden in de Omgevingswet. Tot de Omgevingswet ingaat gelden voor onderdelen, die gaan over de fysieke leefomgeving, de bepalingen uit de Monumentenwet. Dit is opgenomen in de overgangsregeling van de Erfgoedwet. Het uitgangspunt is dat er verplicht rekening gehouden moet worden met het behoud van het archeologisch erfgoed in de bodem. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden door middel van archeologisch onderzoek.

Bij het ontwikkelen van ruimtelijke plannen moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Beoordeling Op deze wijze is de zorg voor archeologische monumenten geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is onder andere bepaald dat gemeenten in hun bestemmingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden. Derhalve heeft de gemeente Baarle-Nassau

Toelichting bestemmingsplan 201120

Pagina 28 van 44

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

de 'Nota Archeologie' vastgesteld. In combinatie met de archeologische beleidskaart vormt deze het beleidsinstrumentarium voor de gemeente om haar wettelijke taak als bevoegde overheid voor archeologie uit te kunnen voeren. De gemeente heeft in haar beleidskaart een 6-tal categorieën met bijbehorende verwachtingen opgenomen. Deze variëren van een zeer hoge tot een verwaarloosbare archeologische verwachting. Per verwachtingswaarde heeft de gemeente bepaald wat de vrijstellingsgrenzen voor archeologisch onderzoek. In onderstaande afbeelding is een uitsnede van deze archeologische beleidskaart te zien, waarop de planlocatie is weergegeven. Hieruit volgt dat op gronden met een archeologische verwachtingswaarde die behoort tot categorie 1, maximaal 50 m2 tot een diepte van 40 cm beneden maaiveld geroerd mag worden. Binnen het bestemmingsplan is ter plaatse van de planlocatie de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ opgenomen, er mag maximaal 100 m2 tot een diepte van 40 cm beneden maaiveld geroerd mag worden.

Figuur 16: Uitsnede Archeologische beleidskaart gemeente Baarle-Nassau

Volgens de beleidskaart valt de planlocatie volledig binnen een zone die is aangemerkt als ‘archeologisch monument (niet beschermd)’, ofwel beleidscategorie 1. De planlocatie ligt binnen de historische kern van Baarle-Nassau, welke als geheel is aangemerkt als archeologisch monument (AMK-terrein 16863). Door Antea is een bureauonderzoek uitgevoerd. Hieruit is gebleken dat voor alle periodes van paleolithicum tot en met vroege middeleeuwen een hoge archeologische verwachting voor het plangebied geldt. Daarnaast geldt een hoge archeologische waarde voor de periode late middeleeuwen/nieuwe tijd. Dit vanwege de ligging van het plangebied in de historische kern van Baarle-Nassau. Dit betekent voor de dubbelstemming Waarde – Archeologie dat het plangebied in zijn geheel valt onder Waarde – Archeologie 1. Hierbij geldt dat archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij bodemingrepen die groter zijn dan 50 m² en dieper gaan dan 40 cm beneden maaiveld. Deze vrijstellingsgrenzen worden met de huidige plannen overschreden. Conclusie De dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ zal overgenomen worden op de verbeelding. Ten tijde van de omgevingsvergunningaanvraag zal het archeologisch vervolgonderzoek plaats vinden. 5.6

Natuur

Flora- en Fauna

Toelichting bestemmingsplan 201120

Pagina 29 van 44

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Vanuit Europa is de bescherming van (plant en dier) soorten en gebieden geregeld in de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. In Nederland is de natuurwetgeving verankerd in de Wet Natuurbescherming. Europese Vogel- en Habitatrichtlijn De Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn hebben tot doel de bescherming van (vogel)soorten en hun natuurlijke habitats. Elke lidstaat is verplicht om speciale beschermingszones (SBZ’s) aan te wijzen, die samen één Europees netwerk van natuurgebieden vormen: “Natura 2000”. Wanneer in een gebied bepaalde soorten voorkomen, of een bepaald percentage van de Europese populatie herbergt, dan komt dit gebied in aanmerking voor plaatsing onder de betreffende richtlijnen. De planlocatie valt in zijn geheel niet binnen de aangewezen Vogelrichtlijn- of Habitatrichtlijngebieden. Wet Natuurbescherming Vanaf 1 januari 2017 vervangt de Wet natuurbescherming de Flora- en Faunawet, de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998. De wet natuurbescherming biedt bescherming aan het merendeel van de inheemse dieren en planten in Nederland. De nieuwe Wet natuurbescherming regelt niet alleen de ‘ruimtelijke ingrepen’, maar ook de andere onderwerpen zoals overig bezit en handel, gebiedsbescherming, houtopstanden, klacht en beheer en schadebestrijding.

Een verandering ten opzichte van de oude Natuurbeschermingswet 1998 is dat de provincies voor hun gebied bepalen wat wel en niet mag in de natuur. Zij zijn verantwoordelijk voor de vergunningen en ontheffingen. De Rijksoverheid is enkel nog verantwoordelijk voor de ontheffingsaanvragen en de gedragscodes. Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen kunnen wettelijk beschermde dieren en plantensoorten in hun algemeenheid of wettelijk beschermde gebieden in het geding zijn. Om de natuurwaarden van de planlocatie te kunnen beoordelen moet er getoetst worden aan wat beschreven staat in de Wet natuurbescherming. Beoordeling Door Buro Maerlant is 13 oktober 2021 een ecologische quickscan uitgevoerd. Het gehele rapport is toegevoegd aan de afzonderlijke bijlagen, zie bijlage 4. De conclusie van het rapport is als volgt: Soorten In het plangebied of binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden, zijn de volgende potentiële natuurwaarden aangetroffen waar rekening mee gehouden dient te worden: ▪ Kans op de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen in de te slopen bebouwing; ▪ Kans op de aanwezigheid van nesten van de huismus en de gierzwaluw in de te slopen bebouwing; ▪ Algemene broedvogels (niet jaarrond beschermd).

Effecten Doordat de werkzaamheden op het land plaatsvinden, beperkt van aard zijn, en preventief afdoende maatregelen kunnen worden getroffen, zijn over het algemeen géén negatieve effecten op strikter beschermde soorten te verwachten. Echter, is het noodzakelijk nader onderzoek naar vleermuizen, de huismus en de gierzwaluw uit te voeren om actueel gebruik van de bebouwing vast te kunnen stellen voorafgaand aan de sloop. Na uitvoer van het onderzoek kunnen, indien noodzakelijk, gepaste maatregelen worden getroffen. Beschermde gebieden Het plangebied ligt niet in beschermde gebieden krachtens Natura 2000, EHS / de Provinciale Verordening. Er is voldoende aannemelijk gemaakt, dat effecten van de plannen op beschermde gebieden in de ruimere omgeving uit te sluiten zijn. Advies Nader onderzoek en preventieve maatregelen zijn benodigd conform onderstaand advies. Vleermuizen Aanbevolen wordt voorafgaand aan de sloop nader onderzoek uit te voeren naar vleermuizen conform het vleermuizenprotocol. Het onderzoek dient volgens het huidige protocol (versie 2021) te bestaan uit drie

Toelichting bestemmingsplan 201120

Pagina 30 van 44

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

bezoeken in midden mei tot midden juli, waarvan minimaal één bezoek in juni, en twee bezoeken in de periode midden augustus tot 1 oktober, allen met een onderlinge tussenpoos van minimaal 20 dagen. Huismus Aanbevolen wordt nader onderzoek uit te voeren naar de huismus. In de periode 1 april - midden juni zijn hiervoor twee bezoeken nodig. Gierzwaluw Aanbevolen wordt nader onderzoek uit te voeren naar de gierzwaluw conform het kennisdocument Gierzwaluw van BIJ12: 3 bezoeken in de periode 1 juni - 15 juli. Aanpak vogels algemeen. Doordat de kans bestaat dat broedende vogels in of nabij de te slopen bebouwing aanwezig kunnen zijn, wordt aanbevolen de sloop uit te voeren buiten het broedseizoen (ná half juli en vóór half maart). Indien een ter zake deskundige heeft vastgesteld, dat geen nesten aanwezig zijn, is het ook mogelijk binnen deze periode te werken. Het verstoren van broedende vogels is conform de Wet natuurbescherming niet toegestaan. Gebiedsbescherming Wettelijk toetsingskader De Europese Vogelrichtlijn (Richtlijn 79/409/EEG) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/33/EEG) hebben tot doel de bescherming van (vogel)soorten en hun natuurlijke habitats. Elke lidstaat is verplicht om speciale beschermingszones (SBZ’s) aan te wijzen, die samen één Europees netwerk van natuurgebieden vormen: “Natura 2000”.

Tot voor kort speelde de Vogel- en Habitatrichtlijn een belangrijke rol in het Nederlandse rechtssysteem. Het beschermingsregime van artikel 6 Habitatrichtlijn, dat ook voor de Vogelrichtlijn gold, had namelijk rechtstreekse werking. Dit betekent dat Nederlandse burgers het handelen in strijd met de bepalingen uit artikel 6 van de Habitatrichtlijn bij de Nederlandse rechter konden aanvechten. Met de implementatie van de bepalingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn in onze nationale wetgeving is een einde gekomen aan de rechtstreekse werking van de Vogel- en Habitatrichtlijn. De soortenbescherming is nu verankerd in de Flora- en faunawet, de gebiedsbescherming in de Natuurbeschermingswet 1998. Wat betreft het Natuurnetwerk Nederland worden er geen negatieve effecten verwacht die de wezenlijk waarden en kenmerken van de NNN/ EHS aantasten gelet op de aard en schaal van de voorgenomen ingrepen en ontwikkeling en de ligging op voldoende afstand. Een toetsing aan het NNN/EHS-beleid wordt niet noodzakelijk geacht. Het plangebied ligt buiten het Attentiegebied NNB en Groenblauwe mantel waardoor de wetgeving op dit punt niet van toepassing is. Het is mogelijk het rekeninstrument AERIUS te gebruiken om het bestemmingsplan op haalbaarheid te controleren. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van de AERIUS Calculator, die in principe bedoeld is om projecten te toetsen.

Als met AERIUS aangetoond kan worden dat er voldoende ontwikkelingsruimte beschikbaar is, is de haalbaarheid afdoende bewezen. Indien dat niet het geval is dan is een Passende Beoordeling nodig. In de Passende Beoordeling worden de mogelijke effecten van de stikstofdepositie nader onderzocht. Stikstofdepositie Om de stikstofdepositie die de ontwikkeling met zich mee brengt te kunnen berekenen, is gebruik gemaakt van het rekenprogramma AERIUS Calculator. Daarbij is voor de toekomstige situatie van de planlocatie de stikstofdepositie op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden bepaald. Uit de stikstofdepositieberekening (bijlage 2 van de afzonderlijke bijlagen) volgt dat er geen natuurgebieden zijn waarvoor de drempelwaarde van 0,0 mol/ha/jaar wordt overschreden. 5.7

Wegverkeerslawaai

Wettelijk toetsingskader

Toelichting bestemmingsplan 201120

Pagina 31 van 44

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Bij het ontwikkelen van een ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan. De beoordeling van het aspect geluid in ruimtelijke plannen vindt zijn grondslag in vooral de Wet geluidhinder en daarnaast in de Wet ruimtelijke ordening, op basis van het voorzien in een goed woon- en leefklimaat. In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) is een woning een geluidsgevoelig object. Langs alle wegen - met uitzondering van 30 km/h-wegen en woonerven- bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van een binnen- of buitenstedelijke ligging. Beoordeling Door Kraaij Akoestisch Adviesbureau is een akoestisch onderzoek uitgevoerd, rapportnummer VL.2163.R01. Voor de volledige onderzoeksresultaten wordt kortheidshalve verwezen naar bijlage 1 in de afzonderlijke bijlagen. De samenvatting en het advies is alsvolgt: Vanwege de Chaamseweg, Nieuwstraat, Pastoor de Katerstraat en het gezoneerd deel van de Kerkstraat voldoet de geluidbelasting op de gevels aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Het geluid van deze wegen is vanuit de Wgh als niet relevant te beschouwen voor de planlocatie.

De geluidbelasting vanwege de Stationsstraat bedraagt ten hoogste 63 – 64 dB op de nieuw te bouwen appartementen en overschrijdt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB dus wel. Bij de appartementen op de 1e verdieping van het gebouw wordt zelfs de maximale ontheffingswaarde met 1 dB overschreden. Het geluid vanwege deze weg is dus wel relevant voor de planlocatie. Met een gecumuleerde geluidbelasting van 42 – 69 dB kan het akoestisch woon- en leefklimaat op basis van de Milieukwaliteitsmaat (in tabel 2.2 van het akoestisch rapport) worden beoordeeld als ‘matig tot slecht’ aan de voor- en zijgevels en als ‘(zeer) goed’ aan de achtergevelzijde. Omdat alle onderzochte maatregelen om de geluidbelasting vanwege de Stationsstraat te reduceren tot de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet doeltreffend zijn of op problemen stuiten van stedenbouwkundige of financiële aard, zal een hogere grenswaarde aangevraagd moeten worden bij de gemeente Baarle-Nassau voor de geluidbelasting vanwege deze weg in combinatie met gevelmaatregelen. De meest kritisch gelegen gevels liggen aan de west- en zuidzijde van het gebouw. De noordelijke gevelzijde heeft weliswaar een hoge geluidbelasting, maar deze gevel wordt (op basis van de tekeningen) al als dove gevel uitgevoerd en de (noord)oostelijke gevels aan de achterzijde van het gebouw kunnen als geluidluwe gevel worden beschouwd.

Voor het vaststellen van een hogere waarde mag volgens de Wet geluidhinder de geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai niet hoger zijn dan 63 dB voor woningbouw in stedelijk gebied. Aangezien de hoogst berekende geluidbelasting vanwege de Stationsstraat op de nieuwbouw 63 dB op de begane grond, 64 dB op de eerste verdieping en 63 dB op de tweede verdieping bedraagt, wordt aan deze voorwaarde niet overal voldaan. Voor de appartementen op de begane grond en tweede verdieping kan zondermeer een hogere waarde worden aangevraagd bij de gemeente Baarle-Nassau (onderdeel ABG gemeenten). Voor de appartementen op de eerste verdieping zijn aanvullende maatregelen bij de loggia noodzakelijk (zie paragraaf 5.3.3 van het akoestisch rapport) om de geluidbelasting op deze gevel zodanig te reduceren dat de overschrijding van de maximale ontheffingswaarde wordt opgeheven. Deze aanvullende maatregelen gelden in combinatie met de toepassing van een dove gevel bij het gedeelte van de westgevel waar zich geen loggia bevindt en die toch direct aan de woonkamer grenst. De aan te vragen hogere waarde betreft in onderhavige situatie: ▪ 63 dB vanwege de Stationsstraat voor de appartementen op de begane grond ▪ 62 dB vanwege de Stationsstraat voor de appartementen op de eerste verdieping ▪ 63 dB vanwege de Stationsstraat voor de appartementen op de tweede verdieping

Toelichting bestemmingsplan 201120

Pagina 32 van 44

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Aan de achterzijde van de appartementen is de geluidbelasting lager dan 53 dB. Hiermee zijn deze gevels als geluidluw te beschouwen. De aanwezigheid van een geluidluwe gevel of -buitenruimte is een aanvullende voorwaarde, waaraan dus voldaan wordt, om een hogere grenswaarde te kunnen aanvragen. De karakteristieke geluidwering van de uitwendige gevelconstructie zal, in navolging van het Bouwbesluit, minimaal moeten voldoen aan: ▪ 35 dB voor verblijfsruimten op de begane grond en de tweede verdieping ▪ 36 dB voor de verblijfsruimten op de eerste verdieping. Voor de verblijfsruimten geldt een 2 dB lagere eis om een goed woon- en leefklimaat in alle appartementen te kunnen waarborgen. Aangezien cumulatie van geluid niet leidt tot een toename in de geluidbelasting, wordt met bovenstaande geluidweringen een goed akoestisch woon- en leefklimaat in de woningen gewaarborgd. Vanwege de relatief hoge geluidbelasting in alle loggia’s aan de westzijde van de nieuwbouw, namelijk 67 of 68 dB, wordt dringend geadviseerd de loggia’s afsluitbaar te maken met bijvoorbeeld een glazen vouwwand om het woon- en leefklimaat te verbeteren. De benodigde geluidwering van 35 – 36 dB wordt bij deze nieuwbouw niet zondermeer behaald. Geadviseerd wordt te zijner tijd nader (bouw)akoestisch onderzoek uit te voeren naar de karakteristieke geluidwering van de uitwendige gevelconstructie. 5.8

Bedrijven en milieuzonering

Wettelijk toetsingskader Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met eventuele milieuhinder als gevolg van (bedrijfs-)activiteiten. Uitgangspunt daarbij is dat bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt en dat ter plaatse van woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstand geldt tussen enerzijds de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningsvrij bouwen mogelijk is. De gegeven afstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. Beoordeling Milieuzonering De omgeving van de planlocatie kan getypeerd worden als een omgevingstype ‘gemengd gebied’, waardoor er één afstandsstap mag worden verkleind.

In de omgeving liggen diverse detailhandel en horecagelegenheden. Binnen het bestemmingsplan is de omgeving bestemd met de bestemming ‘Centrum’, hier is horeca categorie 1 en 2 toegestaan en bedrijven genoemd in categorie 1 en 2. Uitgaande dat er maximaal een bedrijf aanwezig mag zijn met categorie 2, geldt hiervoor een richtafstand van 10 meter in een gemengd gebied. De richtafstanden ten opzichte van de omgevingstypen rustige woonwijk, rustig buitengebied en gemengd gebied gaan uit van het principe van functiescheiding. Binnen gemengde gebieden, hier aangeduid als gebieden met functiemenging, heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd, zoals ter plaatse van de planlocatie aan de stationsstraat. De richtafstanden zoals eerder benoemd uit de VNG-publicatie zijn dan niet toepasbaar. In bijlage 2 aan de regels van het vigerende bestemmingsplan is de Staat van Bedrijfsactiviteiten opgenomen, die specifiek is gericht op de toelaatbaarheid van milieubelastende activiteiten binnen gebieden met functiemenging. Gelet op de aanwezige woondoeleinden dient voorkomen te worden dat overlast veroorzaakt wordt voor de woonomgeving door de vestiging van eventueel nieuwe of bestaande bedrijven. Planologisch zijn enkel

Toelichting bestemmingsplan 201120

Pagina 33 van 44

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

bedrijven toegestaan die uit het oogpunt van hinder passen binnen de omgeving waar ze zich bevinden (categorie 1 en 2). Categorie 1 en 2 bedrijven kunnen in een gemengd gebied, gelet hun aard en invloed op de omgeving, toegelaten worden naast en tussen woningen. Binnen de directe omgeving van de planlocatie aan de Stationsstraat bevinden zich enkel bedrijven welke toegelaten zijn op basis van de Staat van Bedrijfsactiviteiten. Door de wijze van bestemmen en de ligging in een gemengd gebied zoals hiervoor uiteengezet, is er sprake van een goede afstemming met de woonomgeving. Bestaande omliggende, en eventueel toekomstige bedrijven worden niet belemmerd door de beoogde ontwikkeling. Doordat er verder geen richtafstanden van omliggende bedrijven over de planlocatie zijn gelegen is er sprake van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de ruimtelijke ontwikkeling. Daarnaast levert de beoogde ruimtelijke ontwikkeling geen belemmering voor de omliggende bedrijven en de appartementen op de planlocatie. Geurhinder en veehouderij Wettelijk toetsingskader Vanuit de Wet geurhinder en veehouderij dient onderscheid te worden gemaakt in twee soorten contouren, namelijk contouren die gelden voor de bebouwde kom (3 ou-contouren of een vaste afstand van 100 meter) en contouren die gelden buiten de bebouwde kom (14 ou-contouren of een vaste afstand van 50 meter).

Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom, in een concentratiegebied. De Wet geurhinder en veehouderij geeft de gemeenten de bevoegdheid om, binnen gestelde marges, bij verordening afwijkende geurnormen op te stellen in een gebiedsvisie. De gemeente Baarle-Nassau heeft geen geurverordening opgesteld. Woon- en leefklimaat Onder voorgrondbelasting wordt de geurbelasting van één veehouderij, die de meeste geurbelasting op het geurgevoelige object veroorzaakt, verstaan. Voor de een representatieve bepaling van de voorgrondbelasting dient de geurbelasting van de omliggende veehouderijen afzonderlijk berekend te worden, om te bepalen welke de dominante veehouderij is. Onder achtergrondbelasting wordt de geurbelasting van de in de omgeving liggende veehouderijen op een geurgevoelig object verstaan.

Figuur 17: uitsnede kaart Achtergrondbelasting geur

Toelichting bestemmingsplan 201120

Pagina 34 van 44

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

In figuur 17 is een uitsnede uit de kaart Achtergrondbelasting geur weergegeven, hierin is de achtergrondbelasting geur in kaart gebracht. Hieruit blijkt dat het woon- en leefklimaat op basis van de achtergrondbelasting geur ter plaatse van de planlocatie als goed te kwalificeren is. Onderzoek Omdat veel mensen zich afvragen of het (on)gezond is om in de buurt van een veehouderij te wonen heeft het Rijksinstituut voor volksgezondheid en milieu (RIVM) onderzoek laten verrichten. Dit heeft geresulteerd in twee onderzoeksrapporten “Veehouderij en Gezondheid Omwonenden”, kortweg VGO 1 uit 2016 en VGO 2 uit 2017. De belangrijkste resultaten uit deze onderzoeken zijn: ▪ Rond pluimveehouderijen en geitenhouderijen komen iets vaker longontstekingen voor; ▪ Bij mensen die dicht bij een veehouderij wonen komen astma en neusallergie minder voor; ▪ Mensen die in de buurt van veel veehouderijen wonen kunnen een verminderde longfunctie hebben. Uit het VGO 2-rapport volgt verder dat er een verhoogde kans (29%) op longontsteking is binnen een straal van 1,5 tot 2 km van geitenhouderijen en 1 km van pluimveehouderijen. De precieze oorzaak van deze verhoogde risico`s kan echter niet worden aangegeven door de GGD. Op dit moment gaat men ervan uit dat pas binnen enkele jaren meer concreet aangegeven kan worden of er oorzakelijke verbanden bestaan en wat deze inhouden.

Er zijn dus nog vele onderzoeken nodig om tot een definitieve conclusie te komen. Beoordeling De planlocatie is niet gelegen binnen twee kilometer van een geitenhouderij. De ruimtelijke ontwikkeling ter plaatse van de planlocatie kent een beperkte omvang en een beperkte toevoeging van woningen. De gemeente Baarle-Nassau is voornemens haar inwoners een fijn woonklimaat te blijven bieden met daarbij passende woningen voor haar inwoners. Alles in ogenschouw nemende wordt de ruimtelijke ontwikkeling op de locatie Stationsstraat 7-7b en 11 te Baarle-Nassau in het kader van een goede ruimtelijke ordening passend geacht. Conclusie Uit bovenstaande kan geconcludeerd worden dan de beoogde planontwikkeling de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven niet belemmerd, vanwege voldoende afstand. Daarnaast wordt het woon- en leefklimaat van de toekomstige woningen niet belemmerd door de bedrijven in de nabije omgeving, vanwege voldoende afstand. Het aspect geur veehouderij vormt geen belemmering voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling op de locatie. 5.9

Externe veiligheid

Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten en regelingen. De belangrijkste zijn: ▪ Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); ▪ Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); ▪ Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. De risico's dienen te worden beoordeeld op het plaatsgebonden en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. Hoe hoger het groepsrisico, hoe groter deze kans. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven in de vorm van contouren rond een risicobron. Het groepsrisico wordt weergegeven in een grafiek: de fN-curve.

Deze curve geeft aan hoe groot de kans is op een ongeval met een bepaald aantal slachtoffers. Plaatsgebonden risico

Toelichting bestemmingsplan 201120

Pagina 35 van 44

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Het plaatsgebonden risico is de kans dat iemand die zich op een bepaalde plaats bevindt, komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het rijk heeft als maatgevende risicocontour de kans op overlijden van 10-6 per jaar gegeven (indien een persoon zich gedurende een jaar binnen deze contour bevindt is de kans op overlijden groter dan één op een miljoen jaar). Ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan het plaatsgebonden risico 10-6. Het plaatsgebonden risico 10-6 is voor ruimtelijke besluiten vertaald naar grenswaarden en richtwaarden. De wetgeving is erop gericht om voor bestaande situaties geen personen in kwetsbare objecten (zoals woningen, scholen, ziekenhuizen en grote kantoren) en zo min mogelijk personen in beperkt kwetsbare objecten (zoals kleine kantoren en sportcomplexen) bloot te stellen aan een plaatsgebonden risico dat hoger is dan 10-6 per jaar. Nieuwe ontwikkelingen van kwetsbare objecten binnen de risicocontour van 10-6 per jaar zijn niet toegestaan. Nieuwe ontwikkelingen van beperkt kwetsbare objecten zijn ongewenst, maar wel toegestaan indien gemotiveerd kan worden waarom dit noodzakelijk is. Daarnaast dient aangetoond te worden dat afdoende maatregelen worden genomen om de risico's en de gevolgen van een eventueel ongeval te beperken.

Groepsrisico Het groepsrisico is een maat voor de kans dat een bepaald aantal mensen overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De hoogte van het groepsrisico hangt af van: ▪ de kans op een ongeval; ▪ het effect van het ongeval; ▪ het aantal personen dat in de omgeving van de bron(inrichting of transportroute) verblijft; ▪ de mate waarin de personen in de omgeving beschermd zijn tegen de gevolgen van een ongeval. Het groepsrisico kan worden weergegeven in een grafiek met op de horizontale as het aantal dodelijke slachtoffers en op de verticale as de kans per jaar op tenminste dat aantal slachtoffers. Het groepsrisico wordt bepaald binnen het zogenaamde invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Hoe meer personen in het invloedsgebied aanwezig zijn, hoe groter het aantal (potentiële) slachtoffers is, en hoe hoger het groepsrisico. Bij het opstellen van een bestemmingsplan, waarvan het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van een risicobron, geldt een verantwoordingsplicht.

Figuur 18: Uitsnede risicokaart, provincie Noord-Brabant

Inrichtingen

Toelichting bestemmingsplan 201120

Pagina 36 van 44

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

De verantwoordingsplicht groepsrisico is van toepassing binnen het invloedsgebied van een risicovolle inrichting waarop het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van toepassing is. In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle inrichtingen. Voor de toepassing van het Bevi, wordt een ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie. Uit de risicokaart, zie figuur 18, blijkt dat er binnen een straal van 750 meter van de planlocatie geen risicovolle inrichtingen is gelegen. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er op grond van het Bevi geen belemmeringen zijn voor de beoogde ontwikkeling op de planlocatie. Een verantwoording van het groepsrisico is hierop niet van toepassing. Transport Naast de invloed van de risicovolle inrichtingen speelt de verantwoordingsplicht groepsrisico een rol bij transportassen waarop Beluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), van toepassing is. Dit besluit verplicht het bevoegd gezag om een beoordeling en afweging van de externe veiligheid mee te nemen bij ruimtelijke plannen die in de directe nabijheid zijn gelegen van een transportas waarover gevaarlijke stoffen plaatsvinden.

Op basis van het Bevt, welke vanaf 1 april 2015 van kracht is, dient bij nieuwe ontwikkelingen welke zijn gelegen binnen 200 meter van een transportas, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt, rekening te worden gehouden met de ruimtelijke ontwikkeling. De planlocatie ligt buiten het invloedsgebied van 200 meter van een transportas. Er is geen overschrijding van het groepsrisico externe veiligheid. Buisleidingen Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van kracht geworden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. In de directe omgeving (in een straal van > 500 meter) van de planlocatie zijn geen buisleidingen gelegen die van invloed zijn op het plangebied. Een verantwoording van het groepsrisico op grond van het Bevb is dus niet aan de orde. Conclusie De risicokaart toont in de directe omgeving (binnen een straal van 750 meter) van de planlocatie Stationsstraat 7-7b en 11 geen risicovolle inrichting, risicorelevante transportassen of risicorelevante buisleidingen. Er is geen overschrijding van het groepsrisico externe veiligheid. 5.10

Kabels en leidingen

Op of in de directe nabijheid van het plangebied, zijn geen transportleidingen dan wel andere belangrijke kabels en leidingen of straalpaden gelegen welke van invloed kunnen zijn op het initiatief en/of een regeling in het bestemmingsplan noodzakelijk maken. 5.11

Luchtkwaliteit

Wettelijk toetsingskader Conform de Wet Luchtkwaliteit kan elk project dat NIBM (niet in betekenende mate) bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Als het plan NIBM aan de luchtkwaliteit bijdraagt, hoeft geen uitgebreid luchtonderzoek meer uitgevoerd te worden. Op 1 augustus 2009 is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Het NSL zorgt ervoor dat Nederland binnen de door Europa gestelde termijn zal voldoen aan de Europese grenswaarden op het gebied van fijnstof en stikstofdioxide. In het NSL is een lijst met ruimtelijke infrastructurele projecten opgenomen met een maatregelenpakket, dat ervoor gaat zorgen dat de huidige overschrijdingen van de luchtkwaliteit worden opgelost en de negatieve effecten van geplande ruimtelijke ontwikkelingen worden gecompenseerd. Beoordeling Een plan is vanaf 1 augustus 2009 NIBM als het een toename van de concentratie van fijnstof (PM10) of stikstofdioxide (NO2) veroorzaakt die niet meer bedraagt dan 3 % van de jaargemiddelde concentratie van die

Toelichting bestemmingsplan 201120

Pagina 37 van 44

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

stof. Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 microgram/m³ voor zowel PM10 en NO2. De categorieën die altijd NIBM zijn, de volgende: Woningbouw: ▪ 1500 woningen (netto) bij minimaal één ontsluitingsweg; ▪ 3000 woningen (netto) bij minimaal twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. De ruimtelijke ontwikkeling op de locatie Stationsstraat 7-7b en 11 betreft toevoegen van acht extra wooneenheden ten opzichte van de bestaande situati. Een project wat NIBM bijdraagt omvat maximaal een toevoeging van 1500 woningen bij minimaal één ontsluitingsweg plaats. Gesteld kan worden dat het project op de planlocatie een ‘niet in betekenende mate’ bijdrage levert die beschouwd kan worden als verslechtering van de luchtkwaliteit. Omdat bij de beoogde ontwikkeling sprake is van het toevoegen van wooneenheden, dient ook een beoordeling plaats te vinden of voldaan wordt aan de wettelijke luchtkwaliteitseisen c.q. inzicht te worden gegeven in de heersende concentraties.

De coördinaten van de woningen aan de Stationsstraat 7-7b en 11 te Baarle-Nassau zijn bij benadering: ▪ x = 121790 ▪ y = 384098 De Grootschalige Concentratie- en Depositiekaart Nederland (GCN) van het RIVM tonen ter hoogte van deze coördinaten, de volgende achtergrondconcentraties: 2020: PM10: 15.06 µg/m3 en NO2: 10.41 µg/m3 2025: PM10: 15.29 µg/m3 en NO2: 10.56 µg/m3 2030: PM10: 13.11 µg/m3 en NO2: 8.61 µg/m3 Deze waarden liggen ruim beneden de grenswaarde van PM10 en NO2 van 40 µg/m3. Hiermee vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de ontwikkeling van de planlocatie. Conclusie Uit het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat de planontwikkeling ‘niet in betekenende mate’ bijdrage levert die beschouwd kan worden als verslechtering van de luchtkwaliteit. 5.12

Toetsing besluit milieueffecten rapportage

Wettelijk toetsingskader Uit artikel 7.16, eerste lid Wet milieubeheer (Wm) in samenhang gelezen met artikel 2, tweede lid Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) volgt dat het bevoegd gezag een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te verrichten voorafgaand aan de terinzagelegging van een ontwerp bestemmingsplan, indien dat plan voorziet in een activiteit als opgenomen in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. De in onderdeel D genoemde drempelwaarden spelen hierbij géén rol. In onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is de activiteit ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’ (D 11.2) opgenomen. Uit vaste rechtspraak volgt dat het begrip ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ ruimte voor interpretatie laat. Of sprake is van een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ wordt bepaald door de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij spelen de aard en omvang van de voorziene aanleg, wijziging of uitbreiding van de stedelijke ontwikkeling een rol (ECLI:NL:RVS:2017:694, r.o. 13.4). Beoordeling In het kader van het voorliggende bestemmingsplan is relevant dat uit rechtspraak inmiddels volgt dat projecten met min of meer gelijke omstandigheden van het geval niet classificeren als ‘stedelijk ontwikkelingsproject’.

Het betreft dan de realisatie van 2 vrijstaande woningen aan de rand van een dorpskern (ECLI:NL:RVS:2019:1879, r.o. 6.2) en 12 vrijstaande woningen aan de rand van een stedelijke woonwijk (ECLI:NL:RVS:2020:100, r.o. 14.2). Doorslaggevend voor dit oordeel is bij beide projecten de geringe omvang en het beperkte ruimtebeslag van de voorziene bebouwing. Het voorliggende plan maakt ook slechts een activiteit van geringe omvang (slechts 10 woningen en ruimte voor detailhandel/dienstverlening) en met een klein ruimtebeslag voor bebouwing mogelijk. Tevens is van belang of een project in bestaand bebouwd gebied is

Toelichting bestemmingsplan 201120

Pagina 38 van 44

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

gelegen (ECLI:NL:RVS:2020:729, r.o. 6.2). Het voorliggende plan is gelegen in het bestaand bebouwd gebied van Baarle-Nassau, op een plaats die nu ook al in gebruik is bij een centrumfunctie. Nu het plan niet voorziet in een activiteit als genoemd in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r., behoeft geen reguliere of vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd. Conclusie Er zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten en daarom is het niet noodzakelijk om een m.e.r.beoordeling uit te voeren.

Toelichting bestemmingsplan 201120

Pagina 39 van 44

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Hoofdstuk 6 6.1

Toelichting op de bestemmingsregels

Inleiding

Het onderhavige bestemmingsplan is, in navolging van het vigerend bestemmingsplan ‘Dorpen’ en overeenkomstig de regels van het bestemmingsplan ‘Dorpen, 1e herziening’, een gedetailleerd bestemmingsplan. In de regels behorende bij de onderhavige herziening, is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de juridische regelgeving, zoals deze in dit plan is gehanteerd. In paragraaf 6.2 zal een algemene toelichting van de verbeelding worden gegeven. Daarna wordt in paragraaf 6.3 een algemene toelichting van de regels beschreven. In paragraaf 6.4 wordt een toelichting op de bestemmingen gegeven. 6.2

Algemene toelichting verbeelding

De verbeelding is getekend uitgaande van het rapport ‘Digitaal Uitwisselbare Ruimtelijke Plannen’ (DURP) en het rapport ‘Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012’ (SVBP2012). Hierdoor wordt het mogelijk met toevoeging van een codering de plannen digitaal uit te wisselen. De verbeelding is getekend op een kadastrale ondergrond. Op de verbeelding zijn vrijwel alle functies apart bestemd, waardoor het direct mogelijk is om met het bijbehorende renvooi te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen het plangebied gegeven zijn. In de bijbehorende regels zijn de bestemmingsomschrijving en de bouwregels te vinden. Bestemmingsvlak en bouwvlak Elke bestemming bestaat doorgaans uit een bestemmingsvlak en een bouwvlak. Het bestemmingsvlak geeft aan waar een bepaald gebruik toegestaan is. Het bouwvlak is een gebied op de verbeelding waarvoor de mogelijkheden om te bebouwen in de bestemmingsregels zijn aangegeven. Bouwvlakken worden op de verbeelding doorgaans voorzien van aanduidingen die betrekking hebben op de maatvoering en/of functie. Aanduidingen De letteraanduiding van de bestemmingen zijn ingetekend in het bestemmingsvlak. Nadere specificaties die iets zeggen over het gebruik of bouwmogelijkheden zijn aangegeven door aanduidingen. 6.3

Algemene toelichting regels

De regels zijn gebaseerd op het rapport ‘Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen’ (SVBP) van 2012. Hierin zijn afspraken en aanbevelingen opgenomen met betrekking tot de opbouw en de presentatie van het bestemmingsplan (digitaal en analoog). De bestemmingsplanregels bestaan uit vier hoofdstukken: ▪ Hoofdstuk 1 Inleidende regels; ▪ Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels; ▪ Hoofdstuk 3 Algemene regels; ▪ Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels 6.4

Hoofdstuk 1

Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen In dit artikel worden de begrippen die van toepassing zijn op de regels verklaard. Een en ander voorkomt dat er bij de uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde begrippen. Artikel 2 Wijze van meten In het artikel 'wijze van meten' is een regeling opgenomen waarin bepaald is hoe de voorgeschreven maatvoering in het plan gemeten moet worden

Toelichting bestemmingsplan 201120

Pagina 40 van 44

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

6.5

Hoofdstuk 2

Bestemmingsregels

Artikel 3 Centrum De voor 'Centrum' aangewezen gronden zijn bestemd voor detailhandel, publieksgerichte dienstverlening, bedrijven met een publieksgerichte functie, voor zover deze voorkomen in categorie 1 van de lijst van Bedrijfsactiviteiten, maatschappelijke voorzieningen en ter plaatse van de aanduiding 'wonen', met inachtneming van het bepaalde in 3.1 sub g, met de daarbij behorende ontsluitingswegen en –paden, parkeervoorzieningen, erven, tuinen en terreinen en bouwwerken en voorzieningen. Artikel 4 Waarde – Archeologie De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden. Deze bestemming is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende bestemmingen. 6.6

Hoofdstuk 3

Algemene regels

Artikel 5 Anti-dubbeltelregel Het artikel 'Anti-dubbeltelregel' bevat bepalingen om te voorkomen dat met het bestemmingsplan strijdige situaties ontstaan of worden vergroot. De redactie is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening en overeenkomstig opgenomen. Artikel 6 Algemene bouwregels In dit artikel is een aantal aanvullende bouwregels opgenomen die voor alle bestemmingen kunnen gelden, zoals een regeling voor ondergronds bouwen. Artikel 7 Gebruiksregels In dit artikel is opgenomen dat het verboden is gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die strijdig is met de aan de gronden en bouwwerken gegeven bestemming. Artikel 8 Algemene aanduidingsregels In dit artikel is de aanduiding opgesomd waarvoor burgemeester en wethouders bevoegd zijn nadere eisen. Artikel 9 Algemene afwijkingsregels In dit artikel is een aantal algemene afwijkingsmogelijkheden opgenomen. Het betreft hier een standaardregeling die het mogelijk maakt om bij de uitvoering van bouwplannen beperkte afwijkingen van het plan mogelijk te maken. Artikel 10 Algemene wijzigingsregels In dit artikel is een aantal algemene wijzigingsmogelijkheden opgenomen. Het betreft hier een standaardregeling die het mogelijk maakt om bij de uitvoering van bouwplannen beperkte afwijkingen van het plan mogelijk te maken die niet met toepassing van de afwijkingsbepalingen geregeld kunnen worden.

Bijvoorbeeld een geringe wijziging van de bestemmingsgrens. Artikel 11 Overige regels In dit artikel is de procedure voor het stellen van een nadere eis dan wel voor het besluit tot wijziging van het plan vastgelegd. 6.7

Hoofdstuk 4

Overgangs- en slotregels

Artikel 12 Overgangsrecht In de overgangsrechtregel is een regeling opgenomen voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het inwerking treden van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd. De redactie is wettelijk vastgelegd en overeenkomstig opgenomen. Artikel 13

Slotregel

Toelichting bestemmingsplan 201120

Pagina 41 van 44

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

In de slotregel wordt de officiële naam van het plan weergegeven. Onder deze naam kan het bestemmingsplan aangehaald worden.

Toelichting bestemmingsplan 201120

Pagina 42 van 44

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Hoofdstuk 7

Uitvoerbaarheid

7.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

7.1.1

Inleiding procedure

Planologische procedure Voordat een bestemmingsplan geldig is, volgt de gemeente een procedure. De procedure bestaat uit drie fasen: voorontwerp, ontwerp en vastgesteld plan. In de voorontwerpfase wordt vooroverleg gepleegd met alle betrokken overheden en partijen. Tijdens de ter inzage (6 weken) het voorontwerp kan eenieder gebruik maken op het recht van inspraak. De ingekomen inspraakreacties worden beantwoord in een inspraakrapportage. De achtereenvolgende fase is de ontwerpfase. Tijdens de ter inzageperiode (6 weken) heeft eenieder het recht om een zienswijze te geven. De zienswijzen worden verwerkt en beantwoord in een zienswijzenrapportage. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan. Relatie onderhavig bestemmingsplan met eerdere bestemmingsplannen Het onderhavige bestemmingsplan is, in navolging van het vigerend bestemmingsplan ‘Dorpen’ en overeenkomstig de regels van het bestemmingsplan ‘Dorpen, 1e herziening’, een gedetailleerd bestemmingsplan. In de regels behorende bij de onderhavige herziening, is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de juridische regelgeving, zoals deze in dit plan is gehanteerd. Het onderhavig bestemmingsplan wordt middels een zogenoemde ‘postzegelbestemmingsplannen’ juridisch-planologisch mogelijk gemaakt. 7.1.2

Omgevingsdialoog

In de nabije omgeving van de planontwikkeling, zijn de omwonenden benaderd door de initiatiefnemer. Zij hebben een uitnodiging ontvangen voor de omgevingsdialoog op 18 november 2021, op de planlocatie in café de Lindeboom. Circa 17 omwonenden hebben de omgevingsdialoog bezocht. De posters met daarop de informatie over de plannen stonden uitgestald in de ruimte zodat deze door de bezoekers bekeken konden worden. De bezoekers van de omgevingsdialoog zijn geïnformeerd en de vragen die zij hadden zijn beantwoord door de medewerkers van Schoenmakers. De reacties van de omwonenden op de plannen ter plaatse van de locatie Stationsstraat 7-7b en 11 te BaarleNassau waren positief. Met enkele omwonenden, waarvan de percelen grenzen aan de planlocatie is afgesproken contact te houden om afspraken te maken hoe enkele praktische zaken ingericht gaan worden. Het verslag van de omgevingsdialoog is toegevoegd in bijlage 5 van de afzonderlijke bijlagen. 7.1.3

Vooroverleg

Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening dient de gemeente bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te plegen met betrokken waterschappen en diensten van Rijk en provincie die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. In het kader van het bovengenoemde overleg wordt het voorontwerpbestemmingsplan toegezonden aan: 1. Directie Ruimte Ontwikkeling en Handhaving Provincie Noord-Brabant 2. Waterschap Brabantse Delta 3. Brandweer 7.1.4

Ontwerpbestemmingsplan

Het ontwerpbestemmingsplan zal gedurende 6 weken ter inzage liggen.

Toelichting bestemmingsplan 201120

Pagina 43 van 44

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

7.1.5

Vastgesteld bestemmingsplan

Het vastgestelde bestemmingsplan zal gedurende 6 weken ter inzage liggen.

Toelichting bestemmingsplan 201120

Pagina 44 van 44

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11731355/1