CConstaterende datBaarle-Nassau
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 Nota van Zienswijzen

Gemeenteraad (openbaar) 29 juni 2022, gemeente Baarle-NassauBij agendapunt: Voorstel tot vaststellen van de Geurgebiedsvisie, de Verordening geurhinder en veehouderij en de Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder.6.726 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Nota van Zienswijzen Ontwerp geurverordening, beleidsregel ruimtelijke ontwikkeling en geurhinder en geurgebiedsvisie Gemeente Baarle-Nassau

Nota van Zienswijzen Ontwerp geurverordening Ontwerp beleidsregel ruimtelijke ontwikkeling en geurhinder Ontwerp geurgebiedsvisie Gemeente Baarle-Nassau

Rapportnummer:

P200734.001

Naam opdrachtgever:

ABG-gemeenten Dhr. T. van den Wijngaard

Postadres:

Gemeente Baarle-Nassau Postbus 105 5110 AC Baarle-Nassau

Opstellers:

E. van Overbeek, H. Ullenbroeck

Status:

Definitief

Datum:

14 februari 2022

Pouderoyen Tonnaer is een handelsnaam van Pouderoyen BV Parklaan 21 5261 LR Vught T (073) 303 27 00 info@pouderoyentonnaer.nl pouderoyentonnaer.nl

Op onze dienstverlening zijn de DNR 2011 van toepassing die u vindt op pouderoyentonnaer.nl

Inhoud 1

Inleiding .............................................................................................................. 3

2

Beantwoording zienswijzen ................................................................................. 4

P200734.001

1 Inleiding Burgemeester en wethouders van de gemeente Baarle-Nassau hebben op 14 december 2021 besloten om de Ontwerpverordening geurhinder en veehouderij, de Ontwerpbeleidsregel ruimtelijke ontwikkeling en geurhinder en de bijbehorende Ontwerp geurgebiedsvisie ter inzage te leggen. De Wet geurhinder en veehouderij uit 2007 biedt gemeenten de mogelijkheid om met een verordening geurnormen vast te stellen. De gemeente Baarle-Nassau wil van deze mogelijkheid gebruik maken. Zo wordt een eigen keuze gemaakt voor de gebiedsgerichte bescherming van geurgevoelige objecten tegen geur uit stallen van veehouderijen. De geurgebiedsvisie vormt de basis en de onderbouwing voor deze keuzes. De Ontwerpbeleidsregel ruimtelijke ontwikkeling en veehouderij is bedoeld om bij ruimtelijke ontwikkelingen de mogelijke geurbelasting uit stallen van meerdere veehouderijen gebiedsgericht te beoordelen. Hiermee wordt afgewogen of sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Bovengenoemde stukken hebben van 17 december 2021 tot en met 27 januari 2022 ter inzage gelegen. Tijdens deze termijn kon iedereen een schriftelijke of mondelinge zienswijze indienen. Na de verwerking van de zienswijzen wordt de geurverordening en beleidsregel ter vaststelling aangeboden aan de gemeenteraad.

Er zijn gedurende de terinzagelegging zienswijzen ingediend door één natuurlijke rechtspersoon (indiener 1 genaamd vanwege AVG), één natuur- en milieuorganisatie (Natuurplein), één adviesbureau (Van Dun advies), de GGD en één adviesbureau namens een cliënt. 1. Indiener 1 2. Natuurplein De Baronie 3. Van Dun advies B.V. 4. GGD 5. Agrirfirm, namens cliënt

De Provincie Noord-Brabant (6) heeft in een e-mail van 31 januari 2022 aan de gemeente een reactie verzonden met “bemerkingen die bij de besluitvorming kunnen worden betrokken”. In hoofdstuk 2 zijn de ingediende zienswijzen en de reactie van de provincie samengevat en in samenhang van een beantwoording voorzien.

Nota van Zienswijzen Ontwerp geurverordening, beleidsregel ruimtelijke ontwikkeling en geurhinder en geurgebiedsvisie gemeente Baarle-Nassau

3

P200734.001

2 Beantwoording zienswijzen Samenvatting zienswijze

Beantwoording

1. Indiener 1

De zienswijzen noodzaken niet tot aanpassingen.

1.1 Indieners missen motivatie waarom de geurnormen zijn aangepast en missen ook een onderbouwing in een gebiedsvisie.

1.1 Tegelijkertijd met de ontwerp geurverordening en ontwerp beleidsregel is ook een ontwerp geurgebiedsvisie ter inzage gelegd. In deze geurgebiedsvisie is onderbouwd waarom de geurnormen worden aangepast. De Wet geurhinder en veehouderij verplicht niet tot sanering van overbelaste situaties en respecteert bestaande vergunde rechten van veehouderijen. Zolang de veehouder geen aanvraag omgevingsvergunning indient voor oprichten of veranderen van een veehouderij, is er geen toets aan de Wgv en ook niet aan gemeentelijk geurbeleid. Een bestaande overbelaste situatie mag ongewijzigd blijven bestaan. Voor bedrijven die volledig onder het Activiteitenbesluit vallen, zijn er geen juridische mogelijkheden om ambtshalve geur reducerende maatregelen op te leggen. Het is juridisch wel mogelijk om als gemeente een omgevingsvergunning ambtshalve aan te passen, om te voldoen aan Best Beschikbare Technieken (BBT). BBT voor geur is echter niet landelijk vastgesteld. Uit vaste jurisprudentie volgt dat als voldaan wordt aan het Besluit ammoniakemissie huisvesting (Beh), ook voor geur voldaan wordt aan BBT. De Crisis- en herstelwet (Chw) biedt de gemeente extra mogelijkheden om in lokale knelpuntsituatie bij ontwikkelplannen van een specifieke veehouderij extra maatregelen te eisen om de geurbelasting verder te verlagen. Dit staat toegelicht in paragraaf 6.5 van de geurgebiedsvisie.

Het is aan de gemeente om te beslissen of ze de instrumenten uit de Chw

4

Nota van Zienswijzen Ontwerp geurverordening, beleidsregel ruimtelijke ontwikkeling en geurhinder en geurgebiedsvisie gemeente Baarle-Nassau

P200734.001

1.2 De gevolgen voor het bedrijf Klein Bedaf 7 zijn niet in beeld gebracht. Indiener stelt dat de normaanscherping een negatief effect heeft op de situatie waar een daling van de geuremissie wordt aangevraagd, i.c.m. een wijziging van diersoorten.

willen toepassen, aangezien hier wel een goede motivering aan ten grondslag moet liggen. Dit is maatwerk op locatieniveau. 1.2 Voor het gehele grondgebied van de gemeente Baarle-Nassau is de geursituatie in beeld gebracht op kaarten, welke als bijlage bij de ontwerp geurgebiedsvisie zijn bijgevoegd. Normaanscherping geeft minder ruimte voor uitbreidingen die gepaard gaan met een toename van de geuremissie, maar dit is ook het doel van het geurbeleid. Er is ruimte voor ontwikkeling mits die gepaard gaat met toepassing van de best beschikbare technieken, waardoor een afname van de geurbelasting wordt gerealiseerd. Dit kan bepalend zijn voor het aantal dieren en de hoeveelheid geuremissie om tot een vergunbare situatie te komen. De geurbelasting op geurgevoelige objecten wordt echter niet alleen bepaald door de geuremissie, maar ook door de wijze van verspreiding van de uitgestoten geur. De geurbelasting kan ook verlaagd worden door verleggen van emissiepunten, verhoging van de emissiepunten en verhogen van de uittreesnelheid waarmee de geventileerde stallucht het emissiepunt verlaat. In overbelaste situaties mag de overbelaste situatie voortbestaan, maar moet deze wel worden verminderd. In die gevallen kan de 50% regeling toegepast worden en mag de helft van de behaalde geurwinst ingezet worden voor uitbreiding.

1.3 Het is niet onderbouwd wat de gevolgen van de normaanscherping zijn voor initiatieven in de omgeving van veehouderijen waarbij de omgekeerde werking en toetsing aan een goed woon- en leefklimaat plaatsvindt. Bijvoorbeeld bij woningbouwplannen en uitvoering van het VAB-beleid.

1.3 In paragraaf 5.2 van de geurgebiedsvisie is ingegaan op de omgekeerde werking van de aanscherping van de geurnormen. Op kaart M in de bijlagen zijn de geurhindercontouren van de individuele veehouderijen weer gegeven. De keuze voor strengere voorgrondnormen in het buitengebied is gebaseerd op adviezen van de GGD en de knelpunten in delen van het buitengebied in relatie tot bestaande woningen, maar ook toekomstige woningbouw en functieveranderingen. De gevolgen voor initiatieven in de omgeving van veehouderijen zijn afhankelijk van het deelgebied waarin deze zich bevinden. Dit is ook het

Nota van Zienswijzen Ontwerp geurverordening, beleidsregel ruimtelijke ontwikkeling en geurhinder en geurgebiedsvisie gemeente Baarle-Nassau

5

P200734.001

uitgangspunt van een gebiedsgericht geurbeleid. Hierbij zijn aspecten als omgekeerde werking en toetsing van een acceptabel woon- en leefklimaat nadrukkelijk mee genomen. Strengere geurnormen bieden extra bescherming tegen een ongewenste toename van geurhinder en leiden tot extra sturing op afname van de geurbelasting bij ontwikkelingen van (intensieve) veehouderijen in overbelaste situaties. Gericht op het behoud- of bereiken van een acceptabel woonen leefklimaat. Dat is ook van belang voor het kunnen realiseren van initiatieven, ook op de langere termijn.

1.4 Indieners betreuren dat de omgevingsdialoog niet is toegepast terwijl de nieuwe geurregels grote consequenties kunnen hebben.

1.4 De gemeente Baarle-Nassau heeft overleg gevoerd met verschillende partijen, o.a. ZLTO, natuurverenigingen en GGD. De geurgebiedsvisie gaat over het gehele grondgebied. Het instrument omgevingsdialoog is hiervoor niet bedoeld of geschikt. Een omgevingsdialoog is een overleg tussen een initiatiefnemer, omwonenden en andere belanghebbenden bij een concreet initiatief.

1.5 Indieners verzoeken de effecten beter te onderzoeken en een betere onderbouwing te geven bij de noodzaak om de geurnormen aan te scherpen. Volgens indieners ontbreekt deze noodzaak.

1.5 Het doel van de aanscherping van de geurnormen is het verlagen van de geurbelasting en verbeteren van het leefklimaat voor het gehele grondgebied van de gemeente Baarle-Nassau. Hierbij wordt een gebiedsgerichte benadering toegepast, maar dit neemt niet weg dat er in het buitengebied overbelaste situaties zijn met een slecht woon- en leefklimaat t.a.v. geur. Het streven is om de geurbelasting hier te verlagen om op termijn tot een acceptabel woon- en leefklimaat te komen. De aanscherping van 14 Ou maar 10 Ou is een beperkte aanscherping. Een geurnorm van 10 Ou biedt echter wel meer bescherming tegen een toename van geurhinder op plaatsen waar de geurnorm niet wordt overschreden, dan een geurnorm van 14 Ou. De mogelijkheden om de aanwezige milieugebruiksruimte op te vullen worden hiermee kleiner gemaakt. Bij overschrijding van de geurnorm (overbelaste situaties) hebben

6

Nota van Zienswijzen Ontwerp geurverordening, beleidsregel ruimtelijke ontwikkeling en geurhinder en geurgebiedsvisie gemeente Baarle-Nassau

P200734.001

veehouderijen over het algemeen nog mogelijkheden om de bedrijfsontwikkeling gepaard te laten gaan met een verlaging van de geurbelasting door het toepassen van ‘geurbelasting verlagende maatregelen’. Een geurnorm voor de voorgrondbelasting van 10 Ou komt overeen met de provinciale norm van maximaal 20% geur gehinderden in het buitengebied (= 20 Ou achtergrondbelasting). De aanscherping naar 10 Ou brengt juist het gemeentelijk geurbeleid in lijn met het provinciaal geurbeleid. Zie ook de uitleg in paragraaf 5.4 van de geurgebiedsvisie. 2. Natuurplein De Baronie

De zienswijzen noodzaken niet tot aanpassingen.

2.1 Onduidelijk is of er een directe relatie tussen NH3-uitstoot en geuremissie aanwezig is. Indiener gaat er vanuit dat met de voorliggende verordening en visie geen aanvullende regelingen m.b.t. NH3-uitstoot worden vastgesteld.

2.1 Er is wel een relatie tussen ammoniak- en geuremissie uit stallen, maar dit is geen directe relatie. De relatie zit in de emissiereducerende technieken (zoals luchtwassers) die zowel ammoniak- als geuremissies reduceren. De mate waarin, de wijze waarop en de techniek waarmee de reductie wordt bewerkstelligd is echter verschillend. De gemeente kan geen aanvullende eisen stellen aan ammoniakuitstoot vanuit stallen ter bescherming van stikstofgevoelige natuur, want hier gaat de rijksoverheid en de provincie over en niet de gemeente. De gemeente kan ten aanzien van ammoniak en stikstof geen eigen gemeentelijk beleid vaststellen en eigen regels stellen, maar moet de rijks- en provinciale regels toepassen. Dit staat ook toegelicht in par. 4.2 van de geurgebiedsvisie.

2.2 Indiener zou graag de gezondheidskundige advieswaarden van de GGD als uitgangspunt zien. De voorgestelde geurnormen voor de vier deelgebieden zijn hoger en geven onvoldoende garantie op een gezonde leefomgeving.

2.2 De gezondheidskundige advieswaarden van de GGD geven inderdaad meer bescherming tegen geurhinder in relatie tot een gezonde(re) leefomgeving. Maar deze advieswaarden beperken ook nieuwe gewenste ontwikkelingen zoals woningbouw. De gemeente maakt hierin een belangenafweging, maar brengt hierin wel een differentiatie aan door middel van de gebiedsgerichte benadering.

Nota van Zienswijzen Ontwerp geurverordening, beleidsregel ruimtelijke ontwikkeling en geurhinder en geurgebiedsvisie gemeente Baarle-Nassau

7

P200734.001

8

2.3 Stapsgewijs invoeren van strengere geurnomen met tijdpad en streefwaarden zou onderdeel van het geurbeleid moeten zijn.

2.3 De voorgestelde geurnormen gelden vanaf vaststelling door de gemeenteraad. Een tijdspad met streefwaarden voor stapsgewijze invoering van strengere normen is een afweging die de gemeenteraad moet maken.

2.4 Voldoen de normen aan de Europese richtlijnen, ook voor 2030 en later?

2.4. Er zijn geen specifieke Europese richtlijnen die doorwerken in het vaststellen van geurregels voor veehouderijen. Wel zijn er Europese richtlijnen voor de toepassing van Best Beschikbare Technieken, maar deze zijn geïmplementeerd in de nationale wet- en regelgeving (Wet milieubeheer) en staan los van gemeentelijk geurbeleid.

2.5 Wat is de ratio achter de hogere norm voor zones rond natuur, welke inzichten liggen hieraan ten grondslag? Is bekend hoe fauna reageert op de geurbelasting?

2.5 Het beleid is niet erop gericht om natuur te beschermen tegen geur. De provinciale begrenzing van de Zonering Beperking Veehouderijen (ZBV) ligt rondom onder andere natuurgebieden en is aangehouden voor de zonering van Deelgebied C, omdat dit gebieden zijn waar de intensieve veehouderij geen ruimte heeft om uit te breiden in stallen (het zogenaamde ‘bouwblok op de muur’) en hierdoor andere functies zoals wonen een belang hebben en hier ruimte kunnen krijgen. Het belang van andere functies wordt in deelgebied C hoger geacht dan die van de veehouderij. Hier wil de gemeente andere functies dan veehouderij extra beschermen.

2.6 Indiener mist concrete verwijzingen naar het Kennis Platform veehouderij en humane gezondheid inzake de relatie tussen geurblootstelling/geurconcentratie en gezondheidseffecten.

2.6 De relatie tussen geurblootstelling /geurconcentratie en gezondheidseffecten is op hoofdlijnen beschreven. De essentie staat in de geurgebiedsvisie beschreven in par. 2.5. Hier staat ook een verwijzing naar het Kennis Platform veehouderij en humane gezondheid.

2.7 Controle en handhaving moet een integraal deel van de visie zijn. Momenteel wordt alleen gereageerd op basis van klachten en/of herhaaldelijke overtredingen. Dit geldt ook voor controle en handhaving bij mesttransport en het uitrijden van mest.

2.7 Het klopt dat controle en handhaving erg belangrijk zijn. De geurgebiedsvisie is echter bedoeld om geurnormen en beleidsregels voor ruimtelijke ontwikkelingen in relatie tot geurhinder vast te stellen en niet bedoeld voor handhavingsbeleid.

Nota van Zienswijzen Ontwerp geurverordening, beleidsregel ruimtelijke ontwikkeling en geurhinder en geurgebiedsvisie gemeente Baarle-Nassau

P200734.001

2.8 Effectief meten van geur zou onderdeel moeten zijn van het monitoringsprogramma.

2.8 Er zijn bewegingen gaande op landelijk en provinciaal niveau om te meten wat veranderingen zijn in geurconcentraties als bepaalde maatregelen worden genomen. Maar dit bevindt zich in de onderzoeksfase en kan nog niet in de praktijk toegepast worden. Tot op heden is het zeer moeilijk om geurniveau te meten en om te bepalen van welke specifieke bron geur vandaan komt. Er is een beweging gaande om in de vergunning van middelnaar doelvoorschriften te gaan, maar omdat geur meten zo complex is zal het naar verwachting nog lange tijd duren voordat er een effectief instrument is voor vergunningverlening en monitoring.

2.9 Hoe is de emissieregistratie geregeld?

2.9 Er wordt gekeken naar aantal dierplaatsen, diercategorie, stalsysteem en bijbehorende geuremissiefactoren uit de Regeling veehouderij en geurhinder (Rgv). Bij luchtwassers wordt gekeken naar een goede werking. Er is geen emissieregistratie.

2.10 Indiener vindt de huidige werkwijze van saldering van stikstof problematisch. Indiener verzoekt om op de kaartjes inzichtelijk te maken waar er sprake kan zijn van interne of externe saldering.

2.10 De geurgebiedsvisie ziet niet toe op het onderwerp Stikstof en Natura2000.

3. Van Dun advies B.V.

De zienswijzen geven aanleiding tot een aanpassing van paragraaf 6.3 inzake plattelandswoningen in de geurgebiedsvisie.

3.1 Geurnormen deelgebied D: Waarom de geurnormen aanscherpen als deze gebieden geschikt zijn voor veehouderijen vanwege de beperkte aanwezigheid van burgerwoningen?

3.1 Het doel van de aanscherping van de geurnormen is het verlagen van de geurbelasting en verbeteren van het leefklimaat voor het hele grondgebied van de gemeente Baarle-Nassau. Hierbij wordt een gebiedsgerichte benadering toegepast, maar dit neemt niet weg dat er ook in het buitengebied overbelaste situaties zijn met een slecht woon- en leefklimaat t.a.v. geur. Hier moet de geurbelasting verder omlaag om tot een aanvaardbaar leefklimaat te kunnen komen. De aanscherping van 14 OU naar 10 OU is een beperkte aanscherping. Geurnorm 10 OU biedt echter wel meer bescherming tegen een toename van geurhinder op plaatsen waar de geurnorm niet

Nota van Zienswijzen Ontwerp geurverordening, beleidsregel ruimtelijke ontwikkeling en geurhinder en geurgebiedsvisie gemeente Baarle-Nassau

9

P200734.001

wordt overschreden dan een geurnorm van 14 OU. De mogelijkheden om de aanwezige milieugebruiksruimte op te vullen worden hiermee kleiner gemaakt. Bij overschrijding van de geurnorm (overbelaste situaties) hebben veehouderijen over het algemeen nog mogelijkheden om de bedrijfsontwikkeling gepaard te laten gaan met een verlaging van de geurbelasting door het toepassen van geurbelasting verlagende maatregelen. Een geurnorm voor de voorgrondbelasting van 10 Ou komt overeen met de provinciale norm van maximaal 20% gehinderden in het buitengebied (= 20 Ou achtergrondbelasting). De aanscherping naar 10 OU brengt juist het gemeentelijk geurbeleid in lijn met het provinciaal geurbeleid. Zie ook de uitleg in paragraaf 5.4 van de geurgebiedsvisie. 3.2 Beleidsregels voor veehouderijen: Indiener verzoekt in de beleidsregel geen normen voor veehouderijen op te nemen vanwege bestaande, al strengere, normen uit het provinciaal beleid.

3.2 Gemeente heeft de bevoegdheid en een rol bij het beoordelen van een goed woon- en leefklimaat, aanvullend op de provinciale regels. De beleidsregels gaan ook in op het beschermen van woningen die niet beschermd worden door geurnormen via de Wet geurhinder en veehouderij (maar alleen door vaste afstanden) en door de provinciale Interim Omgevingsverordening.

3.3 Beleidsregels voor plattelandswoningen: Het is niet onderzocht of de voorgestelde minimale 25 meter afstand tussen stallen en een plattelandswoning ervoor zorgt dat er geen enkele ontwikkeling van een plattelandswoning meer mogelijk wordt.

3.3 Het voorgestelde geurbeleid is erop gericht om zo min mogelijk plattelandswoningen toe te staan in deelgebied D. De situatie kan ontstaan dat op den duur de plattelandswoningen door de voormalige veehouder worden verkocht aan nieuwe bewoners die geen enkele historie meer hebben met het veehouderijbedrijf. Hierdoor wordt de menging van wonen en de v(ontwikkelende) veehouderij steeds groter en kunnen er nieuwe onwenselijke situaties ontstaan.

Verder worden geen plattelandswoningen meer toegestaan in deelgebied D. Dit gebied is juist geschikt aangezien de aanduiding plattelandswoning ervoor zorgt een stoppende ondernemer in de woning kan blijven wonen, zijn veehouderij kan verkopen zonder dat de woning beperkingen oplevert voor veehouderijen in de omgeving. Bewoners van plattelandswoningen zijn zich bewust van de omgeving waarin ze wonen en geur wordt niet als hinder ervaren. De beleidsregels voor plattelandswoningen moeten worden

10

Aangewezen plattelandswoningen moeten worden herbestemd zodra de veehouderij - die voorheen verbonden was aan deze (bedrijfs)woning beëindigd wordt. Maar herbestemmen kan dan een probleem zijn doordat hier geen goed woon- en leefklimaat is. Het is dan niet mogelijk om tot een passende bestemming te komen.

Nota van Zienswijzen Ontwerp geurverordening, beleidsregel ruimtelijke ontwikkeling en geurhinder en geurgebiedsvisie gemeente Baarle-Nassau

P200734.001

aangepast, zodat in gebieden met veel veehouderijen (deelgebied D) deze ontwikkelingen juist wel mogelijk kunnen worden gemaakt, omdat de landelijke regeling juist bedoeld is om wonen in de buurt van agrarische bedrijven mogelijk te maken.

De Wet plattelandswoningen is oorspronkelijk ook bedoeld voor het oplossen/legaliseren van bestaande knelpunten waarbij burgers in strijd met het bestemmingsplan in een bedrijfswoning woonden. De gemeente wil voorkomen dat er in gebieden met ruimte voor ontwikkeling van veehouderijen door het toestaan van nieuwe plattelandswoningen nieuwe knelpunten m.b.t. legalisatie ontstaan. In het voorstel in paragraaf 6.3 van de geurgebiedsvisie staat wel een hardheidsclausule opgenomen, zodat de mogelijkheid bestaat om in bijzondere situaties van het geurbeleid voor plattelandswoningen af te wijken, aan de hand van een onderbouwd voorstel aan de raad. Naar aanleiding van deze zienswijze wordt de voorwaarde van minimaal 25 meter tussen bedrijfswoning en stallen versoepelt naar minimaal 25 meter tot het dichtstbijzijnde emissiepunt van de stallen. Dit om meer aan te sluiten bij de praktijk, waarin stallen van intensieve veehouderijen binnen 25 meter van de bedrijfswoning kunnen liggen, maar de ligging van de emissiepunten bepalend is voor de geurbelasting. Emissiepunten van mechanisch geventileerde stallen liggen over het algemeen verder van de woning dan buitenzijde van de stal.

3.4 Indiener verzoekt om met vaststelling van de gebiedsvisie ook beleid vast te stellen omtrent geurgevoelige gebouwen en locaties zoals bedoeld onder de Omgevingswet. Mogelijk ontstaat op basis van de toekomstige definitie een ander beeld van het aantal objecten dat overbelast is. Met het oog op de Omgevingswet zou het logisch zijn om in het kader van de gebiedsvisie al nader in te gaan op de gemeentelijke overwegingen omtrent geurgevoelige gebouwen en locaties en hiervoor een definitie vast te stellen. Dit geeft ondernemers duidelijkheid voor het bepalen van de toekomststrategie van hun bedrijf. Het ligt meer in de lijn om visie en beleid op te

3.4 Door voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet een gemeentelijk (ontwerp) geurverordening in procedure te brengen, wordt deze na vaststelling van rechtswege onderdeel van het gemeentelijk omgevingsplan. Door gebruik te maken van de overgangsregeling is het voor de gemeente mogelijk om duidelijkheid te geven over de begrenzing van de bebouwde kom die aan de orde is bij de beoordeling van geur uit stallen, voor en na in werking treding van de Omgevingswet. Zie de toelichting in paragraaf 2.1.4 en 2.1.5 van de geurgebiedsvisie. Gebouwen zonder woonfunctie, zoals bedrijven en kantoren worden onder de Omgevingswet niet meer vanzelfsprekend als een voor geurhinder gevoelige functie aangemerkt. De gemeente heeft hierbij na in

Nota van Zienswijzen Ontwerp geurverordening, beleidsregel ruimtelijke ontwikkeling en geurhinder en geurgebiedsvisie gemeente Baarle-Nassau

11

P200734.001

stellen welke passen binnen de kaders van de nieuwe Omgevingswet.

werking treding van de Omgevingswet meer beleidsvrijheid. Het vaststellen van beleid omtrent geurgevoelige gebouwen en locaties zonder woonfunctie gebeurt onder de Omgevingswet in de omgevingsvisie en het omgevingsplan. Hier moeten ook andere geuraspecten bij betrokken worden en dit ligt niet in de scope van deze geurgebiedsvisie. De gemeente kiest er voor om de beleidsregel als basis te nemen voor bescherming van objecten die in de Omgevingswet niet standaard beschermd worden. Daarom is in de beleidsregels ook onderscheid gemaakt tussen geurgevoelige objecten en Vab-locaties / ‘niet wonen’, binnen de kaders van de huidige landelijke en provinciale wet- en regelgeving.

3.5 In de gebiedsvisie worden voor aandachtsgebieden verruimde mogelijkheden op basis van de crisis- en herstelwet voorgesteld. Het is onduidelijk wat de begrenzing van deze aandachtsgebieden is. In de gebiedsvisie is enkel opgenomen dat het gaat om Oordeelsestraat, Heikant-Veldbraak en Kapelstraat; ten oosten van Baarle-Nassau. Gaat het hierbij alleen om de veehouderijen in deze straten of ook direct aangrenzende veehouderijen?

3.5 Er zijn geen vastgesteld of begrensde aandachtsgebieden. Uit de Vab-aanpak volgt dat vooral in de genoemde gebieden functiewijzigingen problematisch kan zijn. Dit gaat dus niet alleen om de veehouderijen in betreffende straten, maar ook om aangrenzende veehouderijen.

3.6 Door toepassing te geven aan de verruimde mogelijkheden in de Crisis- en herstelwet worden bedrijven dubbel benadeeld, omdat er ook al strengere geurregels gelden conform provinciaal beleid. Indiener verzoekt om geen toepassing te geven aan de mogelijkheden die de Chw biedt en wanneer wordt besloten hier toch toepassing aan te geven duidelijkheid te geven over de begrenzing van het aandachtsgebied.

3.6 De gemeente kan eigen regels stellen om lokale knelpuntsituaties op te lossen. Dit wordt gedaan door veehouderijen in lokale knelpuntsituaties bij te laten dragen aan de afname van een te hoge geurbelasting.

4. GGD

De reactie van de GGD geeft aanleiding tot een tekstuele correctie van paragraaf 3.5.1 van de geurgebiedsvisie. 4.1 De gezondheidskundige advieswaarden van de GGD geven inderdaad meer bescherming

4.1 GGD benadrukt dat er twijfel is over de

12

Nota van Zienswijzen Ontwerp geurverordening, beleidsregel ruimtelijke ontwikkeling en geurhinder en geurgebiedsvisie gemeente Baarle-Nassau

P200734.001

actualiteit van de relatie tussen geurbelasting en geurhinder en de classificering zoals weergegeven in het PRA onderzoek. De GGD adviseert om in elk geval inzichtelijk te maken wat de voorgestelde ontwikkelingen betekenen in relatie tot de door de GGD gehanteerde gezondheidskundige advieswaarden (5 OU voor een woonkern en 10 OU voor het buitengebied); hoeveel woningen per gemeente per deelgebied voldoen aan dit criterium in de huidige en beoogde scenario’s. Voor deelgebied B stelt de GGD voor om de gezondheidskundige advieswaarde voor de bebouwde kom zowel wat betreft voorgrondals achtergrondgeurbelasting over te nemen. Houd daarbij rekening met het daadwerkelijke aantal (toekomstige) woningen in de verschillende deelgebieden

4.2 Op pagina 77 van de geurgebiedsvisie wordt het belang van een streefwaarde voor achtergrondgeurbelasting benoemd. Deze zou door de gemeenteraad moeten worden vastgesteld. Er wordt voorgesteld om de streefwaarde op langere termijn te baseren op de advieswaarde van de GGD. In de visie is niet terug te zien welke stappen nodig zijn om op lange termijn deze streefwaarde te halen. Met de twee uitgewerkte scenario’s komt deze streefwaarde niet in zicht. De GGD adviseert vast te leggen op welke termijn (bijvoorbeeld over 5 jaar) deze geurgebiedsvisie wordt geactualiseerd en bij deze actualisatie de streefwaarde als uitgangspunt te hanteren.

tegen geurhinder in relatie tot een gezonde(re) leefomgeving. Maar deze advieswaarden beperken ook nieuwe gewenste ontwikkelingen zoals woningbouw. De gemeente maakt hierin een belangenafweging, maar brengt hierin wel een differentiatie aan door middel van de gebiedsgerichte benadering. Voor deelgebied B (kernrandzones) geldt nu een voorgrond geurnorm van 14 Ou. Voorgesteld wordt deze norm aan te scherpen naar 5 Ou. De voorgestelde norm m.b.t. de achtergrondbelasting is 13 Ou. Een nog scherpere geurnorm voor deelgebied B conform het advies van de GGD (2 Ou voorgronden 5 Ou achtergrondbelasting) biedt extra bescherming, maar blokkeert gewenste functieveranderingen. Als er voor wordt gekozen om voor deelgebied B het advies van de GGD over te nemen, komt het belang van de woningbouwopgave in het geding i.v.m. de omgekeerde werking voor bestaande veehouderijen. De voorgestelde normen (5 Ou voorgrond en 13 Ou achtergrond) voor deelgebied B worden als meer passend gezien. 4.2 De geurgebiedsvisie is bedoeld als onderbouwing bij de besluitvorming van de Verordening geurhinder en de beleidsregel in 2022. Dit is niet bedoeld als basis voor het nemen van besluiten over aangepaste normen over enkele jaren. Daar kan nu nog niet op worden voorgesorteerd.

Gemeente streeft naar lagere geuremissies en hieraan gerelateerde geurbelasting en verdere verbetering van het leefklimaat, maar hoe snel dit gerealiseerd wordt is moeilijk te voorspellen. Naast de invloed van de gemeentelijke geurnormen, de provinciale normen en de landelijke regelgeving t.a.v. geur uit stallen, zullen ook economische ontwikkeling van de veehouderij en het stikstof- en klimaatbeleid belangrijke bepalende factoren zijn. De ontwikkeling van de geurbelasting zal worden gevolgd en daarover zal de gemeenteraad periodiek worden geïnformeerd. Als die ontwikkeling aanleiding geeft tot heroverweging c.q. aanpassing van de normen, kan er een nieuw voorstel aan de gemeenteraad worden voorbereid. Onder de

Nota van Zienswijzen Ontwerp geurverordening, beleidsregel ruimtelijke ontwikkeling en geurhinder en geurgebiedsvisie gemeente Baarle-Nassau

13

P200734.001

Omgevingswet zal dit vorm moeten krijgen via het aanpassen van het gemeentelijk Omgevingsplan 4.3 De GGD vraagt aandacht voor bestaande en mogelijk nieuwe knelpunten zoals bijvoorbeeld in het voormalig LOG Oostflank . Het is voor de GGD onvoldoende duidelijk of deze geurgebiedsvisie de oplossing van bestaande knelpunten dichterbij brengt. Uit de visie blijkt niet hoe de gemeente van plan is om te gaan met geuroverlast in bestaande knelpunten. De GGD dringt aan dat in knelpuntsituaties naar een specifieke oplossing wordt gezocht in samenspraak met (vermoedelijke) veroorzakers en omwonenden. Verder adviseert de GGD op basis van gezondheidskundige overwegingen om de 50% regeling geheel af te schaffen, omdat deze niet leidt tot het realiseren van een goed woon- en leefklimaat.

4.3 De gemeente Baarle-Nassau werkt vanuit het thema “plattelandsontwikkeling” aan vraagstukken m.b.t. de transitie van het buitengebied en de kwaliteitsverbetering van het buitengebied. En wil zo veel als mogelijk komen tot een gebiedsgerichte aanpak voor het bieden van perspectief voor veehouders en aanpakken van bestaande knelpunten. De aangescherpte geurnormen helpen hierbij maar lossen de knelpunten niet geheel (en zeker niet alleen) op. Een gemeentelijke geurnorm leidt namelijk niet tot een verplichting om die geurnorm te halen. Zie hiervoor de toelichting in de geurgebiedsvisie. De aanpak voor het LOG Oostflank is een lange termijn aanpak. Hier is maatwerk vereist, zoals inspelen op ontwikkelingen en ruimte geven aan gewenste transities. Zie de uitleg in par 5.4. en 7.3. van de geurgebiedsvisie. De mogelijkheid tot afschaffen van de 50% -regeling in de Wet geurhinder en veehouderij en in de Omgevingswet ligt bij het Rijk en niet bij de gemeente. Zie voor ontwikkelingen in de wet- en regelgeving paragraaf 2.6 van de geurgebiedsvisie. De gemeente kan op dit moment alleen op basis van de Crisis- en herstelwet in concrete gevallen afwijken binnen een bandbreedte van 0%-50%, mits goed onderbouwd. Zie par. 6.5 in de geurgebiedsvisie.

4.4 In het concept gebiedsgericht geurbeleid is op dit moment niets opgenomen over te hanteren afstanden met betrekking tot dieren zonder wettelijke geuremissiefactor. De GGD adviseert tenminste 100 meter afstand tot een gevoelige bestemming aan te houden en om hierbij een staffeling op te nemen, waarbij afhankelijk van de grootte van een bedrijf een grotere afstand moet worden aangehouden.

4.4 Er is geen historie van klachten bekend ten aanzien van geurhinder door grotere veehouderijen met dieren waarvoor geen emissiefactoren zijn vastgesteld, waaronder melkveehouderijen. Er zijn zover bekend geen knelpuntsituaties die aanleiding geven om af te wijken van de landelijke vaste afstanden die gelden voor stallen voor huisvesting van dieren zonder geuremissiefactor.

4.5 De GGD is van mening dat ook voormalige bedrijfswoningen en plattelandswoningen eenzelfde mate van bescherming moeten genieten als gewone burgerwoningen in het buitengebied. In het bijzonder vraagt de GGD

4.5 Zie de beantwoording in 4.1 ten aanzien van deelgebied B.

14

Deelgebied D is agrarisch gebied. Hier vindt de gemeente het voor Vab-locaties en niet woonfuncties gelet op de huidige

Nota van Zienswijzen Ontwerp geurverordening, beleidsregel ruimtelijke ontwikkeling en geurhinder en geurgebiedsvisie gemeente Baarle-Nassau

P200734.001

aandacht voor de categorie wonen in deelgebied B waarvoor een veel hogere norm van 13 Ou/m3 wordt voorgesteld, en de categorie Vab/niet-wonen in deelgebied D waarvoor 28 Ou/m3 wordt voorgesteld.

omstandigheden aanvaardbaar als er sprake is van een hogere geurbelasting (hoger dan de advieswaarden van de GGD). Het hanteren van de advieswaarden van de GGD als geurnorm vermindert de mogelijkheid om mee te werken aan gewenste functieveranderingen c.q. tot een passende bestemming te komen. Er is ten opzichte van de huidige normen geen sprake van een versoepeling voor deze categorie objecten, aangezien het hinderpercentage bij een achtergrondbelasting van 28 OU (25%) overeenkomt met het hinderpercentage van de huidige voorgrondnorm van 14 OU (25%)

4.6 In de visie is onvoldoende rekening gehouden met de mogelijke invloed van veehouderijen uit België. Hierdoor is er mogelijk sprake van een onderschatting van de daadwerkelijke geurbelasting. Het advies is om ook de geuremissies van deze veehouderijen in de berekening van de geurbelasting mee te nemen.

4.6 Er zijn geen situaties bekend waar veehouderijen in België bepalend zijn voor de kans op hinder voor woningen en andere geurgevoelige functies t.g.v. geur uit stallen.

Voor de veehouderijen op Belgisch grondgebied zijn woningen op Belgisch grondgebied maatgevend en niet de woningen in Nederland of de Nederlandse toetsingskaders. Net zoals voor de veehouderijen in Nederland de gemeentelijke en provinciale geurnormen en de locatie van de voor geur gevoelige woningen en andere functies in Nederland bepalend zijn. Met deze geurgebiedsvisie hebben we een kader ontwikkeld om gebiedsgericht geur vanuit stallen van Nederlandse veehouderijen te reguleren en om gebiedsgericht normen te stellen voor het woon- en leefklimaat voor woningen en andere functies op ons grondgebied. In België is er een ander juridisch kader en worden er andere methodieken gebruikt. In België kan de overheid bij hinder maatregelen voorschrijven, net als voor de grote veehouderijen.

4.7 De gezondheidskundige advieswaarde voor fijnstof (PM10) bedraagt 15μg/m3 en niet 25μg/m3.

4.7 De tekst in par. 3.5.1 van de geurgebiedsvisie wordt hierop aangepast.

Nota van Zienswijzen Ontwerp geurverordening, beleidsregel ruimtelijke ontwikkeling en geurhinder en geurgebiedsvisie gemeente Baarle-Nassau

15

P200734.001

5. Agrifirm, namens cliënt

5. De zienswijzen noodzaken niet tot aanpassingen.

5.1 Het opstellen van de verordening voegt niets toe aan het bestaande regiem. In de geurgebiedsvisie staat dat het provinciaal geurbeleid bepalend is voor de ontwikkelmogelijkheden en dat dat na inwerking treding van de verordening niet wijzigt.

5.1 Het doel van de aanscherping van de geurnormen is het verlagen van de geurbelasting en verbeteren van het leefklimaat voor het gehele grondgebied van de gemeente Baarle-Nassau. Hierbij wordt een gebiedsgerichte benadering toegepast, maar dit neemt niet weg dat er in het buitengebied overbelaste situaties zijn met een slecht woon- en leefklimaat t.a.v. geur. Het streven is om de geurbelasting hier te verlagen om op termijn tot een acceptabel woon- en leefklimaat te komen.

5.2 Door allerlei ontwikkelingen zal sprake zijn van een afname van geuremissie. Hierdoor dient een geurverordening geen enkel doel. 5.3 In alle gebieden die in visie worden onderscheiden worden de eisen strenger. Zo is er geen perspectief voor boeren die door gaan.

Zie 5.1

Normaanscherping geeft minder ruimte voor uitbreidingen die gepaard gaan met een toename van de geuremissie, maar dit is ook het doel van het geurbeleid. Er is ruimte voor ontwikkeling mits die gepaard gaat met toepassing van de best beschikbare technieken, waardoor een afname van de geurbelasting wordt gerealiseerd. Dit kan bepalend zijn voor het aantal dieren en de hoeveelheid geuremissie om tot een vergunbare situatie te komen. De geurbelasting op geurgevoelige objecten wordt echter niet alleen bepaald door de geuremissie, maar ook door de wijze van verspreiding van de uitgestoten geur. De geurbelasting kan ook verlaagd worden door verleggen van emissiepunten, verhoging van de emissiepunten en verhogen van de uittreesnelheid waarmee de geventileerde stallucht het emissiepunt verlaat. In overbelaste situaties mag de overbelaste situatie voortbestaan, maar moet deze wel worden verminderd. In die gevallen kan de 50% regeling toegepast worden en mag de helft van de behaalde geurwinst ingezet worden voor uitbreiding.

5.4 Onduidelijk is waarom de achtergrondnorm van de provincie van 20 Ou hetzelfde zou zijn als een voorgrondnorm van 10 Ou.

16

Een geurnorm voor de voorgrondbelasting van 10 Ou komt overeen met de provinciale norm van maximaal 20% geur gehinderden in het

Nota van Zienswijzen Ontwerp geurverordening, beleidsregel ruimtelijke ontwikkeling en geurhinder en geurgebiedsvisie gemeente Baarle-Nassau

P200734.001

buitengebied (= 20 Ou achtergrondbelasting). De aanscherping naar 10 Ou brengt juist het gemeentelijk geurbeleid in lijn met het provinciaal geurbeleid. Zie ook de uitleg in paragraaf 5.4 van de geurgebiedsvisie. 6. Provincie Noord-Brabant

De reactie van de provincie geeft aanleiding tot aanpassing van de redactie in paragraaf 2.1.2 van de geurgebiedsvisie.

6.1 In de redactie van de geurgebiedsvisie is nog sprake van het jaar 2024 als beëindigingsdatum van nertsenhouderijen. Die datum werd -vanwege Corona- vervroegd. Alle nertsenhouderijen zijn inmiddels al gestopt.

6.1 In paragraaf 2.1.2 van de ontwerp geurgebiedsvisie staat 1 januari 2024 als beëindigingsdatum voor nertsenhouderijen vermeld. Vanwege corona is deze datum vervroegd en moesten alle nertsenbedrijven uiterlijk 21 maart 2021 zijn gesloten. De betreffende tekst in de geurgebiedsvisie zal hierop worden aangepast.

6.2 Bedoeling van de beleidsregel ruimtelijke ontwikkeling en veehouderij is om bij ruimtelijke ontwikkelingen de mogelijke geurbelasting uit stallen van meerdere veehouderijen gebiedsgericht te beoordelen en daarmee af te wegen of sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Dit laatste echter is aan veel meer criteria onderhevig dan dit ene sectorale geuraspect. Alle integraal te beoordelen plan- en omgevingsaspecten bepalen namelijk samen of hiervan sprake is. De huidige redactie doet het voorkomen alsof enkel dit geuraspect dit bepaalt. Dat is niet correct.

6.2 De beleidsregel is specifiek bedoeld voor het toetsen van het aspect geurhinder bij ruimtelijke ontwikkelingen. Er staat in de beleidsregel en in de geurgebiedsvisie niet vermeld dat andere aspecten niet getoetst hoeven te worden.

6.3 Provincie wijst erop dat de kaders die de Omgevingswet straks biedt in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) voor meerdere geuraspecten en bronnen zal gelden. Het had voor de hand gelegen om in de lijn van het Bkl na te gaan waar wel en niet gewenst was te voorzien in overgangsrecht en wat later resteert aan invulling van de kaders uit het Bkl.

6.3 In BKL staat dat cumulatie van andere geurbronnen betrokken moet worden in omgevingsplan. Er wordt echter geen omgevingsplan gemaakt.

6.4 Momenteel is sprake van ontwikkelingen – onder meer naar aanleiding van de Commissie

6.4 In de geurgebiedsvisie is in paragraaf 2.6 een toelichting opgenomen over de ontwikkeling van

In de geurgebiedsvisie wordt wel aangegeven dat naast het aspect geur meer aspecten van invloed zijn op het woon- en leefklimaat en de ontwikkelingsmogelijkheden van de veehouderij. Om die reden wordt in paragraaf 4.2 het beperkende effect van stikstofbeleid op ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijen benoemd en in paragraaf 3.5 wordt inzicht gegeven in overige gezondheidseffecten door fijnstof en endotoxinen door veehouderijen.

Nota van Zienswijzen Ontwerp geurverordening, beleidsregel ruimtelijke ontwikkeling en geurhinder en geurgebiedsvisie gemeente Baarle-Nassau

17

P200734.001

Biesheuvel en het Schone Lucht Akkoordwelke naar verwachting op niet al te lange termijn zullen leiden tot strengere normstellingen voor onder meer geur. Het verdient dan ook aanbeveling met die dynamiek in regels van hogere orde rekening te houden.

wet en regelgeving. Hierin is ook ingegaan op he advies van de Commissie Biesheuvel. Gemeente anticipeert op de Crisis- en herstelwet, maar maakt nu nog geen omgevingsplan. Er kan hier ook nog geen besluit over genomen worden zolang de Omgevingswet niet in werking is getreden. Daarnaast gaat de gemeente over de geurregels en niet het SLA.

6.5 Over regels van hoger orde het volgende: de gemeente stelt een hogere achtergrondnorm voor van <28 Ou voor 'niet wonen’ en Vab-locaties. Een cumulatieve of achtergrondnorm van 28 is echter hoger dan de norm van 20 zoals is opgenomen in de huidige provinciale Interim omgevingsverordening (IOV 2.1) en straks ook in de Omgevingsverordening komt. Deze provinciale norm is van hoger orde en heeft een rechtstreekse werking. Gemeenten zijn vrij om eigen beleid ten aanzien van de cumulatieve geurbelasting te formuleren zolang de provinciale gebiedsnormen daarbij niet worden overschreden. D.w.z. alleen voorzien in strengere gemeentelijke regels is mogelijk.

6.5 Onder de huidige Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en het Activiteitenbesluit (Ab) gelden voor ‘voormalige bedrijfswoningen behorende bij een veehouderij die gestopt is na 19 maart 2000’ geen geurnormen voor de vergunningverlening, maar alleen vaste minimumafstanden. De IOV biedt aan de ‘vaste afstandswoningen’ geen bescherming aan de cumulatieve geurhinder. Gemeente heeft de bevoegdheid om zelf te kiezen deze woningen bescherming te bieden, of juist minder om andere functies en ontwikkelingen juist mogelijk te maken.

Dit is ook bevestigd in de jurisprudentie: https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/@12379 6/201805270-5-r3/#highlight=2020%3a3138 Voor de beoordeling van de achtergrondbelasting (de cumulatieve geur uit stallen van veehouderijen) heeft de gemeente beleidsvrijheid hoe woningen waarvoor de Wgv alleen vaste afstandsvereisten stelt dienen te worden getoetst. De gemeente moet bij ruimtelijke procedures een beoordeling van het woon- en leefklimaat opnemen, ook voor (voormalige) bedrijfswoningen en plattelandswoningen. Hier is de beleidsregel voor bedoeld. In de provinciale IOV wordt er bij uitbreidingen van veehouderijen getoetst aan de achtergrondbelasting, waarbij de systematiek van de Wgv/Ab is gevolgd. Het staat de gemeente vrij om hier andere keuzen in te maken, zolang deze niet in strijd zijn met de provinciale regels. Ook onder de toekomstige Omgevingswet behouden gemeenten deze beleidsvrijheid. In het

18

Nota van Zienswijzen Ontwerp geurverordening, beleidsregel ruimtelijke ontwikkeling en geurhinder en geurgebiedsvisie gemeente Baarle-Nassau

P200734.001

omgevingsplan kan de gemeente regels voor geur vastleggen. Bijvoorbeeld door voor voormalige bedrijfswoningen (of voor andere gebieden en functies) vast te leggen hoe vergunningen worden getoetst aan de cumulatieve geurbelasting. Om de (toekomstige) bewoners meer te beschermen tegen een te hoge cumulatieve geurhinder door veehouderijen of om juist een hogere geurbelasting als aanvaardbaar te benoemen, zodat er meer mogelijkheden voor functiewijziging ontstaan. Ook onder de Omgevingswet kan de gemeente vastleggen dat normen of afstandseisen niet gelden voor iets dat een voormalige functionele binding heeft met dat bedrijf. Bijvoorbeeld voor een voormalige bedrijfswoning. Er is geen sprake van strijdigheid met provinciale regels van hogere orde, waardoor deze zienswijze niet leidt tot aanpassing.

Nota van Zienswijzen Ontwerp geurverordening, beleidsregel ruimtelijke ontwikkeling en geurhinder en geurgebiedsvisie gemeente Baarle-Nassau

19

P200734.001

Conclusie De ingediende zienswijzen geven geen aanleiding tot aanpassing van de voorgestelde geurverordening en beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder. Twee zienswijzen (Van Dun Advies en GGD) geven aanleiding tot een aanpassing van de geurgebiedsvisie: Van Dun Advies: Ten aanzien van plattelandswoningen wordt paragraaf 6.3 aangepast. Het criterium van ‘minimale afstand van 25m tussen bedrijfswoning en stallen’ wordt vervangen door ‘minimale afstand van 25m tussen bedrijfswoning en dichtstbijzijnde emissiepunt van de stallen’. Hiermee wordt beter aangesloten bij de praktijk, waarbij de emissiepunten van mechanisch geventileerde stallen vrijwel altijd op grotere afstand van de bedrijfswoning liggen dan de buitenzijde van de stal. De situering van de emissiepunten bepalen de geurbelasting en het leefklimaat ter plaatse van de bedrijfswoning. GGD: In paragraaf 3.5.1. staat dat de gezondheidskundige advieswaarde voor fijnstof (PM10) 25μg/m3 bedraagt. Dit is onjuist en moet zijn 15μg/m3. De tekst in paragraaf 3.5.1 is hier op aangepast.

Reactie provincie Noord-Brabant: De reactie van de provincie geeft aanleiding tot aanpassing van de redactie in paragraaf 2.1.2 van de geurgebiedsvisie ten aanzien van de datum van beëindiging van nertsenhouderijen.

20

Nota van Zienswijzen Ontwerp geurverordening, beleidsregel ruimtelijke ontwikkeling en geurhinder en geurgebiedsvisie gemeente Baarle-Nassau

P200734.001

Nota van Zienswijzen Ontwerp geurverordening, beleidsregel ruimtelijke ontwikkeling en geurhinder en geurgebiedsvisie gemeente Baarle-Nassau

21

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11483191/1