CConstaterende datBaarle-Nassau
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 - Bodemonderzoek

Gemeenteraad (openbaar) 24 juni 2026, gemeente Baarle-NassauBij agendapunt: Raadsvoorstel Bopa Alphenseweg 19, 5111 NA Baarle-Nassau, Alphenseweg 23, 5111 NA Baarle-Nassau27.500 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

VERKENNEND BODEM- EN ASBESTONDERZOEK Alphenseweg (tussen 19 en 23)

Rapport:

Baarle-Nassau

Opdrachtgever:

Bouwbedrijf Gebr. van Gisbergen B.V. 't Bogtje 8 5095 CD Hooge Mierde

Projectnummer:

2500472

Rapportdatum: Status:

16 mei 2025 Definitief

Auteur:

Laura Thiesen

Kwaliteitscontrole:

Walter van den Heuvel

Vestiging Middelbeers: Putstraat 9a 5091 TH Middelbeers Tel.: 0499 578 520

Vestiging Gouda: Marconistraat 72 2809 PE Gouda Tel.: 0182 585 503

Versie: 1

Silt Milieu B.V. Postbus 38, 5688 ZG Oirschot info@silt.nl www.silt.nl

K.v.K. 17182328 IBAN: NL25 RABO 0370 7175 03 BTW: NL8148.87.016.B01 BIC: RABONL2U

Verkennend bodem- en asbestonderzoek, Alphenseweg (tussen 19 en 23) te Baarle-Nassau Rapport: 2500472 versie 1, 16 mei 2025

Inhoudsopgave Samenvatting ..........................................................................................................................................1 1 Inleiding ............................................................................................................................................2 1.1 Opdrachtvorming ........................................................................................................................ 2 1.2 Aanleiding en doel ...................................................................................................................... 2 1.3 Opzet van het bodemonderzoek ................................................................................................ 2 1.4 Gevolgde richtlijnen en opbouw rapportage ............................................................................... 3 2 Vooronderzoek ................................................................................................................................4 2.1 Inleiding en opzet vooronderzoek .............................................................................................. 4 2.2 Algemene gegevens en afbakening onderzoekslocatie ............................................................. 4 2.3 Voormalige, huidige en toekomstige (bedrijfs)activiteiten ..........................................................

5 2.3.1 Topografische gegevens ................................................................................................... 5 2.3.2 Bedrijfsactiviteiten .............................................................................................................. 5 2.4 Boven- en ondergrondse tanks .................................................................................................. 5 2.5 Overzicht milieukundige bodemonderzoeken ............................................................................ 5 2.6 Bodemkwaliteitskaart .................................................................................................................. 6 2.7 Bodemopbouw en geohydrologie ............................................................................................... 6 2.8 Terreinverkenning en asbest ...................................................................................................... 7 2.9 Overig ......................................................................................................................................... 7 2.10 Resultaten vooronderzoek .....................................................................................................

7 3 Hypothese en onderzoeksstrategie ...............................................................................................8 3.1 Hypothese................................................................................................................................... 8 3.2 Onderzoeksstrategie .................................................................................................................. 8 4 Veldwerkzaamheden .................................................................................................................... 10 4.1 Grond ........................................................................................................................................ 10 4.2 Asbest ....................................................................................................................................... 11 4.2.1 Visuele inspectie maaiveld en weersomstandigheden .................................................... 11 4.2.2 Visuele inspectie grove fractie ......................................................................................... 12 4.3 Grondwater ............................................................................................................................... 12 4.4 Afwijkingen BRL-SIKB 2000 protocollen 2001, 2002 en 2018 .................................................

12 5 Analyses en resultaten laboratoriumonderzoek ....................................................................... 13 5.1 Samenstelling en analyseparameters ...................................................................................... 13 5.2 Toetsingscriteria ....................................................................................................................... 13 5.3 Toetsingen ................................................................................................................................ 16 6 Conclusies en aanbevelingen ..................................................................................................... 18 6.1 Conclusies ................................................................................................................................ 18 6.2 Resumé en aanbevelingen ....................................................................................................... 19

Bijlagen Bijlage 1: Regionale ligging locatie Bijlage 2: Situatietekening met boorlocaties Bijlage 3: Profielbeschrijvingen Bijlage 4: Analysecertificaten grond, asbest en grondwater Bijlage 5: Toetsingstabellen grond en grondwater Bijlage 6: PFAS toetsingen Bijlage 7: XRF toetsing

Verkennend bodem- en asbestonderzoek, Alphenseweg (tussen 19 en 23) te Baarle-Nassau Rapport: 2500472 versie 1, 16 mei 2025

Samenvatting Algemeen In opdracht van Bouwbedrijf Gebr. van Gisbergen B.V. is door Silt Milieu B.V. een verkennend bodemen asbestonderzoek uitgevoerd ter plaatse van een locatie gelegen aan de Alphenseweg (tussen 19 en 23) te Baarle-Nassau. De aanleiding voor de uitvoering van het onderzoek is de voorgenomen ontwikkeling op de locatie. Als gevolg hiervan dient de milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater vastgelegd te worden. Daarnaast dient door middel van onderhavig onderzoek beoordeeld te worden of aanvullende procedures noodzakelijk zijn in het kader van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Grondwater wordt beoordeeld conform de Bkl (bijlage Vd). Bij het verkennend bodemonderzoek overschrijdt het gehalte aan zink in grondmengmonster MM01 (bestaande uit de boringen PB01 en B13) de voormalige tussenwaarde. Naar aanleiding van deze resultaten is een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd rondom deze boringen. Het doel van het verkennend bodemonderzoek in deze situatie (ONV) is de kwaliteit van de bodem op een locatie die onverdacht is bepalen. Met deze onderzoeksstrategie kan worden aangetoond dat op een locatie de bodem en of het grondwater relatief onbelast zijn. Daarnaast wordt getracht om met een relatief geringe onderzoeksinspanning na te gaan of de verdenking van verontreiniging van de bodem met asbest terecht is.

Conclusies en aanbevelingen Middels onderhavig bodem- en asbestonderzoek is de milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater vastgelegd. Nader bodemonderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Op basis van de bevindingen uit onderhavig bodemonderzoek zijn er, ons inziens, vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen c.q. beperkingen voor de voorgenomen ontwikkeling op deze locatie. Wanneer men grond van de locatie wil afvoeren dient men rekening te houden met afzetkosten. Een acceptant van de grond kan een aanvullend onderzoek eisen (lees partijkeuring). In het grondmengmonster MM01 (bovengrond, baksteen) zijn analytisch verhoogde gehaltes aan PCB, zink en lood aangetoond. Daar het gehalte zink boven de voormalige tussenwaarde is, is besloten aanvullend onderzoek uit te voeren. De bovengrond van de boringen B13 en PB01 is herbemonsterd en geanalyseerd. Hieruit blijken de individuele monsters maximaal licht verontreinigd te zijn met zink. De gehalten overschrijden de interventiewaarde niet. De separate analyses worden beschouwd als zijnde het meest representatief. In het grondmengmonster ASBMM01 is analytisch een verhoogd gehalte aan asbest aangetoond. Dit gehalte overschrijdt de detectiegrens doch niet de helft van de interventiewaarde. In de grondmengmonsters ASBMM02 en ASBMM03 worden analytisch geen verhoogde gehaltes aan asbest aangetoond.

De detectiegrens wordt hierbij niet overschreden.

1

Verkennend bodem- en asbestonderzoek, Alphenseweg (tussen 19 en 23) te Baarle-Nassau Rapport: 2500472 versie 1, 16 mei 2025

1 Inleiding 1.1

Opdrachtvorming

In opdracht van Bouwbedrijf Gebr. van Gisbergen B.V. is door Silt Milieu B.V. een verkennend bodemen asbestonderzoek uitgevoerd ter plaatse van een locatie gelegen aan de Alphensewewg (tussen 19 en 23) te Baarle-Nassau. De regionale ligging van de locatie is weergegeven in bijlage 1. 1.2

Aanleiding en doel

De aanleiding voor de uitvoering van het onderzoek is de voorgenomen ontwikkeling op de locatie. Als gevolg hiervan dient de milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater vastgelegd te worden. Daarnaast dient door middel van onderhavig onderzoek beoordeeld te worden of aanvullende procedures noodzakelijk zijn in het kader van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Grondwater wordt beoordeeld conform de Bkl (bijlage Vd). Het doel van het verkennend bodemonderzoek in deze situatie (ONV) is de kwaliteit van de bodem op een locatie die onverdacht is bepalen. Met deze onderzoeksstrategie kan worden aangetoond dat op een locatie de bodem en of het grondwater relatief onbelast zijn. Daarnaast wordt getracht om met een relatief geringe onderzoeksinspanning na te gaan of de verdenking van verontreiniging van de bodem met asbest terecht is. Bij het verkennend bodemonderzoek overschrijdt het gehalte aan zink in grondmengmonster MM01 (bestaande uit de boringen PB01 en B13) de voormalige tussenwaarde. Naar aanleiding van deze resultaten is een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd rondom deze boringen. Opgemerkt wordt dat bij een bodemonderzoek sprake is van een steekproefsgewijze bemonstering die erop is gericht om te kunnen beoordelen of (mogelijke) bodemverontreinigingen aanwezig zijn, evenals het bepalen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem.

De mogelijkheid blijft daarom bestaan dat puntverontreinigingen, welke niet voortkomen uit het historisch onderzoek, niet door het onderzoek worden aangetoond. Tevens wordt erop gewezen dat het uitgevoerde onderzoek een momentopname is. 1.3

Opzet van het bodemonderzoek

Het bodemonderzoek is uitgevoerd conform de Nederlandse normen NEN5740:2023 en NEN5707+C2:2017. Het veldwerk is onder certificaat uitgevoerd op grond van beoordelingsrichtlijn BRL-SIKB 2000. Het hierbij behorende procescertificaat (EC-SIK-02238, 15 maart 2024) en keurmerk van Silt Milieu B.V. is van toepassing op het gehele proces van het veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek, vanaf acceptatie tot aan de overdracht van de veldgegevens en monsters. Zoals in de betreffende protocollen wordt vereist, is tussen Silt Milieu B.V. en haar opdrachtgever geen sprake van een relatie die de onafhankelijkheid en integriteit van Silt Milieu B.V. zou kunnen beïnvloeden en/of haar werkzaamheden zou kunnen belemmeren. Silt Milieu B.V. verklaart hierbij dan ook dat zij in geval van de geoffreerde werkzaamheden op geen enkele juridische, financiële, personele of andere wijze gelieerd is aan de opdrachtgever. In de BRL-SIKB 2000 wordt verwezen naar de Nederlandse normen voor bodemonderzoek die eveneens bepalend zijn voor de uitvoering van het bodemonderzoek. De belangrijkste en meest bepalende normeringen zijn de NEN5725:2023 “Bodem-Landbodem-Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek” en de NEN5740:2023 “Bodem-Landbodem-Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”.

Evenals de NEN5707+C2:2017 “Bodem – Inspectie en monsterneming van asbest in de bodem en partijen grond”. Hierbij gelden de ten tijde van het uitvoeren van het veldwerk, vigerende versies van deze documenten.

2

Verkennend bodem- en asbestonderzoek, Alphenseweg (tussen 19 en 23) te Baarle-Nassau Rapport: 2500472 versie 1, 16 mei 2025

1.4

Gevolgde richtlijnen en opbouw rapportage

Silt Milieu B.V. is een onafhankelijk bureau dat naast NEN-EN-ISO 9001, NEN-EN-ISO 14001, VCA**, CO2-prestatieladder (trede 5), is gecertificeerd conform BRL SIKB 1000 (protocol 1001, 1002 en 1003), BRL SIKB 2000 (protocol 2001, 2002, 2003 en 2018) en BRL SIKB 6000 (protocol 6001 en 6003). De werkzaamheden zijn door Silt Milieu B.V. onder procescertificaat (EC-SIK-02238, 15 maart 2024) uitgevoerd, te weten conform BRL-SIKB 2000 en de daaraan gekoppelde protocollen: • 2001 (versie 7.0): “Plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen”; • 2002 (versie 7.0): “Het nemen van grondwatermonsters”; • 2018 (versie 7.0): “Locatie-inspectie en monsterneming van asbest in bodem”. Ondanks het zorgvuldig, conform de normen, uitgevoerde onderzoek kan de representativiteit niet worden gegarandeerd: er blijft altijd een kans aanwezig dat een op locatie aanwezige verontreiniging niet wordt gedetecteerd als gevolg van de aanwezige trefkans en de uitmiddeling bij het samenstellen van (meng)monsters. Lokale afwijkingen ten opzichte van de volgens de norm voorgeschreven steekmonsters kunnen nimmer worden uitgesloten. Dit rapport is tot stand gekomen op basis van een overeenkomst van opdracht tussen Silt Milieu B.V. in kwaliteit van adviseur en haar opdrachtgever, op welke rechtsverhouding exclusief de DNR 2011 voorwaarden toepasselijk zijn.

Silt Milieu B.V. is slechts in verhouding tot haar opdrachtgever verantwoording schuldig over de inhoud en wijze van totstandkoming van het rapport. Derden kunnen dan ook geen rechten ontlenen aan de inhoud van het rapport. Voorliggend rapport presenteert de resultaten van het vooronderzoek (hoofdstuk 2), de onderzoekshypothese en –strategie (hoofdstuk 3), de resultaten van het veldwerk (hoofdstuk 4) en analytisch onderzoek en de aan het onderzoek te verbinden interpretatie van de onderzoeksresultaten (hoofdstuk 5) en conclusies en aanbevelingen (hoofdstuk 6).

3

Verkennend bodem- en asbestonderzoek, Alphenseweg (tussen 19 en 23) te Baarle-Nassau Rapport: 2500472 versie 1, 16 mei 2025

2 Vooronderzoek 2.1

Inleiding en opzet vooronderzoek

Het milieuhygiënisch vooronderzoek conform NEN 5725 is uitgevoerd voorafgaand aan het feitelijke onderzoek van de bodem (veld- en laboratoriumonderzoek). Het doel van het vooronderzoek is inzicht te krijgen in de mogelijke aanwezigheid van verontreinigingen op de onderzoekslocatie en in de directe omgeving. Hierbij wordt een inschatting gemaakt van de aard, mate, oorzaak en ligging van mogelijke verontreinigingen. Om dit doel te bereiken wordt relevante informatie over de onderzoekslocatie en eventueel de beïnvloeding vanuit de directe omgeving verzameld, geanalyseerd en geïnterpreteerd. De te verzamelen informatie is afhankelijk van de aanleiding en het doel van het vooronderzoek en heeft betrekking op locatiegegevens, bodemopbouw, geohydrologie, te verwachten bodemkwaliteit en potentieel bodembedreigende activiteiten op de onderzoekslocatie. De aanleiding voor het opstellen van onderhavig vooronderzoek sluit aan bij aanleiding A ‘Uitvoeren van bodemonderzoek, saneren van een milieubelastende activiteit en/of realiseren van een gebouw op een bodemgevoelige locatie’. De resultaten van het vooronderzoek worden gebruikt bij het vaststellen van de onderzoekshypothese en -strategie en kunnen worden gebruikt bij de interpretatie van de resultaten van het bodemonderzoek. De belangrijkste door Silt Milieu B.V. geraadpleegde bronnen zijn in onderstaande tabel vermeld.

tabel 2.1 Vooronderzoek, openbare bronnen Bronnaam

Website / contactpersoon

Geraadpleegd

Opmerking

Provincie

www.brabant.nl

12 februari 2025

Stortplaatsenkaart, grondwaterbeschermingsgebieden

Omgevingsdienst

https://noordbrabant.nazca4u.nl/rapportage/

12 februari 2025

-

Gemeente

Baarle-Nassau

13 maart 2025

-

Kadaster

https://kadaster.nl/

12 februari 2025

Eigendomssituatie en topografie

Topografie

https://www.topotijdreis.nl/

12 februari 2025

Topografische gegevens uit verleden en heden

Bodemloket

https://www.bodemloket.nl/

12 februari 2025

Bekende bodeminformatie

Internet

http://www.ikme.nl/

12 februari 2025

NGE-gegevens

https://www.grondwatertools.nl/

12 februari 2025

-

Dino-loket

https://www.dinoloket.nl/

12 februari 2025

Geohydro-opbouw

Archieven Silt Milieu B.V.

-

12 februari 2025

Betreft tevens de archieven van Lankelma Geotechniek Zuid B.V. en Bodex Milieu B.V.

In de navolgende paragrafen wordt de verkregen informatie uit het vooronderzoek nader toegelicht. 2.2

Algemene gegevens en afbakening onderzoekslocatie

Bebouwing Maaiveldtype Ligging Gebruik Omgeving

: : : : :

Kadastrale aanduidingen

:

Oppervlakte kadastrale percelen : Oppervlakte onderzoekslocatie : Topografische veldcoördinaten :

Geen Onverhard Noordoostelijk van centrum Baarle-Nassau Grasland Zuiden: beklinkerde weg ‘Alphenseweg’ Overige zijden: grondgebonden woningen met tuinen Gemeente: Baarle-Nassau Sectie: C Nummers: 2296 en 4466 3.693 m2 3.693 m2 X 123.476 Y 384.169

4

Verkennend bodem- en asbestonderzoek, Alphenseweg (tussen 19 en 23) te Baarle-Nassau Rapport: 2500472 versie 1, 16 mei 2025

De ligging van de onderzoekslocatie is weergegeven op de regionale overzichtskaart en de situatietekening, welke zijn opgenomen als respectievelijk bijlage 1 en bijlage 2. 2.3

Voormalige, huidige en toekomstige (bedrijfs)activiteiten

2.3.1 Topografische gegevens Uit topografische gegevens blijkt dat de locatie in het verleden in gebruik was als landbouwgrond. Van omstreeks 1938 tot 2010 bevond zich bebouwing op het zuidelijke deel van de onderzoekslocatie. In onderstaande figuren is de onderzoekslocatie op topografische kaarten uit meerdere tijdsperioden weergegeven. figuur 1: situatie omstreeks 1900

figuur 2: situatie omstreeks 1938

figuur 3: situatie omstreeks 1980

figuur 4: situatie omstreeks 2010

2.3.2 Bedrijfsactiviteiten Er zijn geen gegevens bekend van potentieel bodembedreigende bedrijfsactiviteiten op onderhavige onderzoekslocatie of in de nabije omgeving hiervan. 2.4

Boven- en ondergrondse tanks

Ter plaatse van de onderzoekslocatie en in de directe omgeving hiervan zijn voor zover bekend geen (ondergrondse) tanks aanwezig (geweest). 2.5

Overzicht milieukundige bodemonderzoeken

Bij de gemeente Baarle-Nassau zijn geen gegevens bekend van bodemonderzoeken en/of potentieel bodembedreigende activiteiten ter plaatse van en/of in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. Via de omgevingsrapportage zijn gegevens bekend van een bodemonderzoek in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. In onderstaande tabel zijn de bevindingen hiervan in het kort omschreven.

5

Verkennend bodem- en asbestonderzoek, Alphenseweg (tussen 19 en 23) te Baarle-Nassau Rapport: 2500472 versie 1, 16 mei 2025

tabel 2.2 Uitgevoerd bodemonderzoek Locatie

Soort onderzoek (kenmerk, datum, auteur)

Analyseresultaten/conclusies Bovengrond

Ondergrond

Grondwater

Cor van der Bokstraat e.o. (locatiecode NB074401261)

Verkennend bodemonderzoek, BK Ingenieurs B.V., projectnummer 193586, d.d. 7 november 2019

Niet verontreinigd.

Niet verontreinigd.

Niet onderzocht.

2.6

Bodemkwaliteitskaart

Door de gemeente Baarle-Nassau is een interactieve bodemkwaliteitskaart (Bodemkwaliteitskaart Midden- & West-Brabant, door AnteaGroup) en de Bodemkwaliteitskaart PFAS (kenmerk: 0462683.100, d.d. 28 oktober 2020, door AnteaGroup) vastgesteld. De gegevens met betrekking tot onderhavige onderzoekslocatie worden in onderstaande tabel weergegeven. tabel 2.3 Bodemkwaliteitskaart Onderdeel Bodemkwaliteitskaart Midden- & West-Brabant, door AnteaGroup Ontgravingskaart bovengrond

Achtergrondwaarde

Ontgravingskaart ondergrond

Achtergrondwaarde

Gebiedsspecifieke toepassingskaart

Wonen

Bodemfunctieklassenkaart

Wonen

Grondwaterbeschermingsgebieden

Onderhavige onderzoekslocatie is niet gelegen in of nabij een grondwaterbeschermingsgebied

Voormalige stortplaatsen

Onderhavige onderzoekslocatie is niet gelegen in of nabij een voormalige stortplaats

Ontgrondingen 1950 – 1998

Onderhavige onderzoekslocatie is niet gelegen in of nabij een ontgronding

Bodemkwaliteitskaart PFAS (kenmerk: 0462683.100, d.d. 28 oktober 2020, door AnteaGroup) Zonekaart PFAS van de bovengrond

Zone 3 – Middenwest-Brabant

Zonekaart PFAS van de ondergrond

Zone 9 – Ondergrond

Zonekaart GenX van de bovengrond

Zone 14 – GenX zones 1 t/m 5 BG

Zonekaart GenX van de ondergrond

Zone 15 – GenX zones 1 t/m 5 OG

Ontgravingskaart bovengrond

Landbouw/natuur

Ontgravingskaart ondergrond

Landbouw/natuur

Toepassingskaart bovengrond

Landbouw/natuur

Toepassingskaart ondergrond

Landbouw/natuur

Grondwaterbeschermingsgebieden

Niet aanwezig

2.7

Bodemopbouw en geohydrologie

De op basis van de geraadpleegde bronnen verwachte ondiepe geologie op de locatie is weergegeven in tabel 2.4. Hierbij dient te worden opgemerkt dat het de geologische bodemopbouw betreft die door TNO is geïnterpoleerd op basis van onderzoek in de omgeving. De werkelijke laagopbouw en –samenstelling kunnen hiervan afwijken. tabel 2.4 Geohydrologische bodemopbouw*

*

Diepte [m-mv]

Formatienaam

Lithologie

0,00 – 3,25

Formatie van Stramproy

Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit midden, fijn en grof zand, weinig klei en zandige klei en een spoor veen, bruinkool en grind

3,25 – 3,75

Formatie van Stramproy

Kleiige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit zandige klei, klei en midden zand, weinig veen, fijn en grof zand en een spoor bruinkool

3,75 – 8,25

Formatie van Stramproy

Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit midden, fijn en grof zand, weinig klei en zandige klei en een spoor veen, bruinkool en grind

8,25 – 17,75

Formatie van Waalre

Kleiige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit zandige klei, klei en midden zand, weinig veen, fijn en grof zand en een spoor grind

17,75 – 29,25

Formatie van Peize en Formatie van Waalre

Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit midden en grof zand, met weinig zandige klei, fijn zand en grind en een spoor klei en veen

29,25 – 29,75

Formatie van Waalre

Kleiige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit zandige klei, klei en midden zand, weinig veen, fijn en grof zand en een spoor grind

29,75 – 52,20

Formatie van Peize en Formatie van Waalre

Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit midden en grof zand, met weinig zandige klei, fijn zand en grind en een spoor klei en veen

Bron: Landelijk DGM model V1.3 – 2009, NITG-TNO, de werkelijke diepte en formatienaam kan afwijken (met name nabij geologische breukzones)

6

Verkennend bodem- en asbestonderzoek, Alphenseweg (tussen 19 en 23) te Baarle-Nassau Rapport: 2500472 versie 1, 16 mei 2025

Het grondwater in het ondiepe (freatische) grondwater stroomt regionaal gezien in overwegend zuidwestelijke richting. De locatie ligt niet in het intrekgebied van een grondwaterwinning c.q. een grondwaterbeschermingsgebied. Er is geen informatie achterhaald waaruit blijkt dat de onderzoekslocatie in het verleden is opgehoogd, gedempt of ontgrond. 2.8

Terreinverkenning en asbest

Voor aanvang van de veldwerkzaamheden is door Silt Milieu B.V. op 4 maart 2025 een terreinverkenning op de onderzoekslocatie uitgevoerd door de erkende veldwerker de heer N. Coppens. Tijdens deze verkenning is de locatie in ogenschouw genomen. Er zijn geen bijzonderheden opgemerkt ten opzichte van hetgeen verwacht kan worden op basis van de gegevens van het vooronderzoek. De locatie is daadwerkelijk in gebruik zoals in voorgaande paragraaf (paragraaf 2.2) omschreven. Er zijn tijdens de terreininspectie geen bijzonderheden (zoals verdachte plekken, artefacten of bodembeschermende voorzieningen, puin en/of asbest op het maaiveld, asbest beschoeiingen, verzakkingen, verhogingen, verkleuringen, brandplaatsen) geconstateerd, welke een aanwijzing zouden kunnen zijn voor een mogelijke bodemverontreiniging. In het terrein zijn geen duidelijke terpen, kuilen of glooiingen waargenomen en op het perceel zijn geen watergangen of waterpartijen aanwezig. De volledige locatie is onbebouwd en onverhard. 2.9

Overig

Voor zover bekend hebben ter plaatse van de onderzoekslocatie in het verleden geen milieubedreigende activiteiten c.q. calamiteiten plaatsgevonden. Ter plaatse van de onderzoekslocatie is voor zover bekend geen sprake van een (voormalige) stortlocatie. Op het perceel zijn geen leggerof waterschapssloten gelegen. Explosieven De Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (IKME) geeft voor Nederland een landelijk overzicht op een kleine schaal van de (verwachte) ligging van resten van ondergronds en bovengronds militair erfgoed. De onderzoekslocatie is gesitueerd in de zone ‘Overige gebieden’. Binnen deze zone kunnen resten worden verwacht van kleinere objecten en structuren zoals crashlocaties, veldgraven en onderduikholen. Op de locatie zijn (mogelijk) ondergrondse kabels en of leidingen (in eigen beheer of NUTS) aanwezig. Voorafgaande aan de werkzaamheden is door Silt Milieu B.V. een KLIC-melding verricht. 2.10 Resultaten vooronderzoek Op basis van de resultaten van dit vooronderzoek is de locatie als zijnde ‘verdacht’ gekwalificeerd ten aanzien van bodemverontreiniging. Op het zuidelijke deel van de locatie heeft in het verleden bebouwing gestaan.

7

Verkennend bodem- en asbestonderzoek, Alphenseweg (tussen 19 en 23) te Baarle-Nassau Rapport: 2500472 versie 1, 16 mei 2025

3 Hypothese en onderzoeksstrategie 3.1

Hypothese

Op basis van de resultaten van het vooronderzoek is de locatie ten aanzien van de grond en het grondwater als een ‘heterogeen diffuus verontreinigd gebied’ gekwalificeerd. Op verzoek van de opdrachtgever wordt de locatie onderzocht op het voorkomen van asbest in grond. De grond wordt onderzocht conform de NEN5707. 3.2

Onderzoeksstrategie

Grond en grondwater Bij het vaststellen van de onderzoeksstrategie is de boor-, bemonsterings- en analysestrategie gehanteerd zoals beschreven in de NEN5740:2023 ‘Onderzoeksstrategie voor een verdachte locatie, diffuus belaste niet-lijnvormige locatie met een heterogeen verdeelde stof op schaal van monsterneming’ (VED-HE-NL). In deze wordt de onderzoeksstrategie voor een verdachte locatie, diffuse bodembelasting, heterogeen verdeelde verontreiniging op schaal van monsterneming voor een niet-lijnvormige locatie (VED-HENL) gehanteerd. De verdachte laag betreft de bovengrond. De verdachte parameters betreffen alle parameters uit de standaardpakketten. Op verzoek van de opdrachtgever wordt de bovengrond ook onderzocht op PFAS. Tevens wordt één grond(meng)monster van de ondergrond geanalyseerd. Aanvullend onderzoek Naar aanleiding van een aangetoond verhoogd gehalte (> voormalige tussenwaarde) aan zink in mengmonster MM01 tijdens het verkennend bodemonderzoek zijn aanvullende boringen en analyses uitgevoerd (maatwerk). In onderstaande tabel zijn de uit te voeren veld- en laboratoriumwerkzaamheden weergegeven. tabel 3.1 Onderzoeksstrategie verkennend en aanvullend bodemonderzoek Oppervlakte locatie A (m²)

Aantal boringen

Aantal te analyseren (meng)monsters grondwaterb

boring tot 0,5 m in de verdachte laag

boring tot de onderzijde van de verdachte laag met een maximum van 2 m

boring met peilbuisa,b

bovengrond (verdachte laag) en ondergrond

3.000 < A ≤ 4.000

12

2

1

4x NENG 2x PFAS

1x NENW

Inkadering (aanvullend)

-

10

-

2x zink

-

a

b

Deze boringen worden doorgezet tot 0,5 m onder de verdachte laag. Indien het grondwater zich dieper dan 5 m-mv bevindt, kan plaatsing van peilbuizen achterwege blijven. De peilbuizen worden in dat geval vervangen door boringen tot tenminste 5 m-mv. Wanneer de verontreiniging vooral in het grondwater wordt verwacht, wordt het aantal peilbuizen uitgebreid tot 4p (p is de getalswaarde van de oppervlakte van de locatie, in ha).

Analysepakketten: NENG standaardpakket voor landbodem en grond, bestaande uit: samplemate malen, droge stof- organische stof- en lutumgehalte, negen zware metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink), minerale olie G.C., polycyclische aromatische koolwaterstoffen en polychloorbifenylen; NENW standaardpakket voor grondwater, bestaande uit: negen zware metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink), minerale olie G.C., vluchtige aromatische koolwaterstoffen (benzeen, tolueen, ethylbenzeen, som-xylenen, styreen en naftaleen), vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen (vinylchloride, 1,1-dichlooretheen, dichloormethaan, trans-1,2-dichlooretheen, cis1,2-dichlooretheen, som 1,2-dichlooretheen, 1,1-dichloorethaan, chloroform, trichloormethaan, 1,1,1-trichloorethaan, tetrachloormethaan, 1,2-dichloorethaan, trichlooretheen, 1,1-dichloorpropaan, 1,2-dichloorpropaan, 1,3-dichloorpropaan, som dichloorpropanen, 1,1,2trichloorethaan, tetrachlooretheen en bromoform); PFAS perfluorbutaanzuur (PFBA), perfluorbutaansulfonaat (PFBS), perfluorpentaanzuur (PFPeA), perfluorpentaansulfonaat (PFPeS), perfluorhexaanzuur (PFHxA), perfluorhexaansulfonaat (PFHxS), perfluorheptaanzuur (PFHpA), perfluorheptaansulfonaat (PFHpS), perfluoroctaanzuur (PFOA), perfluoroctaansulfonaat (PFOS), perfluornonaanzuur (PFNA), perfluordecaanzuur (PFDA),

perfluordecaansulfonaat (PFDS), perfluorundecaanzuur (PFUnDA), perfluordodecaanzuur (PFDoDA), perfluortridecaanzuur (PFTrDA), perfluortetradecaanzuur (PFTeDA), perfluorhexadecaanzuur (PFHxDA), perfluoroctadecaanzuur (PFODA), perfluoroctaansulfonylamide(N-ethyl)acetaat, N-methylperfluoroctaansulfonamide (MeFOSA), N-methylperfluoroctaansulfonamide acetaat, perfluoroctaansulfonamide (FOSA), 10:2 fluortelomeer sulfonzuur (10:2 FTS), 4:2 fluortelomeer sulfonzuur (4:2 FTS), 6:2 fluortelomeer sulfonzuur (6:2 FTS), 8:2 fluortelomeer fosfaat diester (8:2 diPAP) en 8:2 fluortelomeer sulfonzuur (8:2 FTS).

8

Verkennend bodem- en asbestonderzoek, Alphenseweg (tussen 19 en 23) te Baarle-Nassau Rapport: 2500472 versie 1, 16 mei 2025

Asbest Voor de onderzoekslocatie is bij het vaststellen van de onderzoeksstrategie de boor-, bemonsteringsen analysestrategie gehanteerd, zoals beschreven in de NEN5707+C2:2017 ‘Diffuus belaste locaties met een heterogeen verdeelde asbestverontreiniging’. In onderstaande tabel zijn overzichten opgenomen van de uit te voeren veld- en laboratoriumwerkzaamheden. tabel 3.2 Uit te voeren veld- en laboratoriumwerkzaamheden verkennend onderzoek asbest Oppervlak (m2) 3.000 < A ≤ 4.000

asbestgaten 12

Veldwerk boringen -

grond 3 x NEN5707

9

Analyses puin -

Verkennend bodem- en asbestonderzoek, Alphenseweg (tussen 19 en 23) te Baarle-Nassau Rapport: 2500472 versie 1, 16 mei 2025

4 Veldwerkzaamheden De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd onder procescertificaat van de BRL-SIKB 2000, conform de protocollen 2001, 2002 en 2018 van de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer. Evenals de daaraan gekoppelde Nederlandse Eenheidsnormen (NEN). 4.1

Grond

Het plaatsen van de boringen en het plaatsen van de peilbuis is door de erkend veldwerker de heer N. Coppens uitgevoerd op 4 maart 2025. Op 25 april 2025 zijn aanvullende werkzaamheden uitgevoerd door de erkend veldwerker S.A. Dieleman. Op instructie en onder controle van voornoemde erkend persoon zijn (veld)werkzaamheden uitgevoerd door de assistent de heer C. van der Vleuten. De veldwerkers verklaren hierbij de werkzaamheden onafhankelijk van de opdrachtgever te hebben uitgevoerd, conform de eisen van de BRL-SIKB 2000 en de daarbij horende protocollen. In tabel 4.1 zijn ten behoeve van het onderzoek de uitgevoerde werkzaamheden opgenomen. tabel 4.1 Uitgevoerde werkzaamheden Boring B01, B02, B04 t/m B08 en B10 t/m B14 PB01 Herb, B13 Herb, B101 t/m B104 en B201 t/m B204 B03 en B09 PB01

Diepte [m-mv] 0,5 1,2

Filterdiepte [m-mv] -

2,0 4,8

3,8 – 4,8

De bodem op de locatie bestaat tot de verkende diepte van 4,8 m-mv overwegend uit matig fijn, zwak tot matig siltig zand, afgewisseld met laagjes leem. Met name de bovengrond is humushoudend. De situering van de onderzoekslocatie en de geplaatste boringen en de peilbuis is opgenomen in bijlage 2. Voor de complete boorbeschrijvingen wordt verwezen naar bijlage 3. Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden van het aanvullend bodemonderzoek is gebruik gemaakt van de XRF meter. Röntgenfluorescentiespectrometrie (XRF) is een techniek om de chemische samenstelling van een grondmonster te kunnen bepalen. Deze meet online de gehalten zware metalen met een aanzienlijke nauwkeurigheid (maximaal circa 20% afwijking). Naar aanleiding van deze meter zijn in het veld steekproefgewijs grondmonsters gemeten. In bijlage 7 zijn de resultaten opgenomen. Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden is geen aanvullende informatie naar voren gekomen welke tot een aanpassing van de boorstrategie heeft geleid. In de uitkomende grond zijn lokaal waarnemingen gedaan die duiden op de mogelijke aanwezigheid van verontreinigende stoffen in de bodem. In tabel 4.2 volgt per monsternametraject een opsomming van de waargenomen afwijkingen.

10

Verkennend bodem- en asbestonderzoek, Alphenseweg (tussen 19 en 23) te Baarle-Nassau Rapport: 2500472 versie 1, 16 mei 2025

tabel 4.2 Waargenomen afwijkingen Boring

Diepte boring [m-mv] 4,80 2,00 1,20

Traject afwijking Grondsoort Waargenomen afwijkingen [m-mv] PB01 0,00 - 0,70 Zand zwak baksteenhoudend B13 0,00 - 0,70 Zand sporen baksteen PB01 Herb. 0,00 - 0,50 Zand zwak baksteenhoudend 0,50 - 0,70 Zand zwak baksteenhoudend B13 Herb. 1,20 0,00 - 0,50 Zand sporen baksteen 0,50 - 0,70 Zand sporen baksteen B101 1,20 0,00 - 0,50 Zand zwak baksteenhoudend 0,50 - 0,70 Zand zwak baksteenhoudend B102 1,20 0,00 - 0,50 Zand zwak baksteenhoudend 0,50 - 0,70 Zand zwak baksteenhoudend B103 1,20 0,00 - 0,50 Zand zwak baksteenhoudend 0,50 - 0,70 Zand zwak baksteenhoudend B104 1,20 0,00 - 0,50 Zand zwak baksteenhoudend 0,50 - 0,70 Zand zwak baksteenhoudend B201 1,20 0,00 - 0,50 Zand sporen baksteen B202 1,20 0,00 - 0,70 Zand sporen baksteen B203 1,20 0,00 - 0,50 Zand sporen baksteen B204 1,20 0,00 - 0,50 Zand sporen baksteen # de aangetroffen bijmengingen met baksteen worden als niet asbestverdacht beschouwd ten aanzien van bodemverontreiniging Gradatie: Zwak : bij puin <5% Matig : bij puin 5-15% Sterk : bij puin 15-50% Uiterst : bij puin 50-80% Volledig : bij puin >80%

De uitkomende grond is per grondlaag van maximaal 50 cm bemonsterd. Eventuele afwijkende grondlagen zijn separaat bemonsterd. De grondmonsters zijn direct luchtdicht verpakt (volledig afgevuld) in glazen potten met polypropyleen deksel. 4.2

Asbest

Veiligheid De arbeidshygiënische maatregelen tijdens het uitvoeren van het onderzoek moeten voldoen aan de voorschriften uit het Arbeidsomstandighedenbesluit (hoofdstuk 4: afdeling 1 en 2). De maatregelen zijn uitgewerkt in de CROW-publicatie 400 “Werken in en met verontreinigde grond”. Voorafgaand aan het onderzoek is een beoordeling uitgevoerd van mogelijke blootstellingrisico’s aan schadelijke stoffen. Indien het vochtpercentage in de bodem meer bedraagt dan 10%, zijn er geen risico’s aanwezig met betrekking tot het vrijkomen van asbestvezels. Voorafgaand aan de uitvoer van de veldwerkzaamheden is vastgesteld dat het bodemvochtgehalte meer dan 10% betrof. Tijdens de beoordeling van de locatie zijn geen blootstellingsrisico’s gedefinieerd. Derhalve zijn naast de standaard persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM: veiligheidsschoenen en handschoenen) geen aanvullende maatregelen getroffen c.q. PBM gebruikt. 4.2.1 Visuele inspectie maaiveld en weersomstandigheden De veldwerkzaamheden zijn door de erkende veldwerker de heer N. Coppens uitgevoerd op 4 maart 2025. De veldwerker verklaart hierbij de werkzaamheden onafhankelijk van de opdrachtgever te hebben uitgevoerd, conform de eisen van het protocol 2018. Bij de uitgevoerde inspectie van het maaiveld zijn geen bodemvreemde materialen, kleuren e.d.

aangetroffen, welke een aanwijzing zouden kunnen zijn voor een mogelijke bodemverontreiniging. Er zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Als meer dan 25% van het maaiveld niet zichtbaar is, moeten objecten en vegetatie die de inspectie hinderen worden verwijderd. Het verwijderen van vegetatie moet zodanig geschieden dat geen asbestverdachte materialen worden beschadigd en zodoende asbestvezels in de lucht worden gebracht. In onderstaande tabel zijn de gegevens van de maaiveldinspectie opgenomen.

11

Verkennend bodem- en asbestonderzoek, Alphenseweg (tussen 19 en 23) te Baarle-Nassau Rapport: 2500472 versie 1, 16 mei 2025

tabel 4.3 Maaiveldinspectie Visuele maaiveldinspectie Weersomstandigheden Gesteldheid maaiveld

Grondsoort Inspectie-efficiëntie Aanwezigheid asbestverdacht materiaal maaiveld

Zicht: > 50 m Neerslag: < 10 mm (droog) Waterplassen: < 25% (geen) Vegetatie: < 25 % Vegetatie verwijderd: nee Zand Circa 70-90% Nee

4.2.2 Visuele inspectie grove fractie Op basis van de opgestelde onderzoeksstrategie is een 14-tal inspectiegaten gegraven (G01 t/m G14). Voor de uiteindelijke situering van de inspectiegaten, verwijzen wij naar bijlage 2 van deze rapportage. In bijlage 3 zijn de boorprofielen weergegeven. De uitkomende bodemmaterialen zijn naast het inspectiegat uitgespreid en visueel beoordeeld op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen. Hierbij zijn geen asbestverdachte materialen >20 mm aangetroffen. Vervolgens is de grond gezeefd met een grove zeef (maaswijdte 20 mm). Ook hierbij zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Van de fijne fractie is vervolgens een drietal mengmonsters samengesteld op basis van samenstelling van grond. 4.3

Grondwater

De peilbuis is, na inachtneming van de geldende rustperiode van minimaal een week, door de erkende veldwerker de heer S.A. Dieleman bemonsterd op 14 maart 2025. Op instructie en onder controle van voornoemde erkend persoon zijn (veld)werkzaamheden uitgevoerd door de veldwerker in opleiding de heer T. van der Heijden. De veldwerkers verklaren hierbij de werkzaamheden onafhankelijk van de opdrachtgever te hebben uitgevoerd, conform de eisen van protocol 2002. Na de grondwaterstand gemeten te hebben is de voorgeschreven hoeveelheid water uit de peilbuis afgepompt, hierna heeft de monstername van het grondwater plaatsgevonden. Tijdens de bemonstering van het grondwater is het elektrisch geleidend vermogen (EGV), de zuurgraad (pH) en de troebelheid van het grondwater bepaald. De gemeten zuurgraad, het elektrisch geleidend vermogen en de troebelheid zijn niet afwijkend ten opzichte van een natuurlijke situatie. De gemeten waarden zijn weergegeven in tabel 4.4. tabel 4.4 Peilbuisgegevens Peilbuis

Filterdiepte [m-mv]

Grondwaterstand [m-mv]

pH [-]

EGV [µS/cm]

Troebelheid [NTU#]

PB01

3,80 - 4,80

3,28

6,4

237

10,2

# Tijdens de monstername van het grondwater wordt de troebelheid van het grondwater in NTU (Nephelometric Turbidity Unit) gemeten. Verondersteld wordt dat het grondwater in de bodem van nature een troebelheid van 0 tot 10 NTU heeft. Het meten van een troebelheid hoger dan 10 NTU is niet bezwaarlijk maar kan bij de interpretatie van de analyseresultaten worden gebruikt.

4.4

Afwijkingen BRL-SIKB 2000 protocollen 2001, 2002 en 2018

Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden zijn geen kritieke afwijkingen opgetreden in het kader van de BRL-SIKB 2000 protocollen 2001, 2002 en 2018.

12

Verkennend bodem- en asbestonderzoek, Alphenseweg (tussen 19 en 23) te Baarle-Nassau Rapport: 2500472 versie 1, 16 mei 2025

5 Analyses en resultaten laboratoriumonderzoek 5.1

Samenstelling en analyseparameters

De grond(meng)monsters en het grondwatermonster zijn in het laboratorium van SGS Environmental Analytics te Rotterdam (door de RvA erkend) chemisch geanalyseerd. De analyses zijn uitgevoerd conform Accreditatieschema AS3000. Het aantal samengestelde en/of analytisch onderzochte grond(meng)monsters en/of grondwatermonsters is in overeenstemming met de onderzoeksstrategie zoals opgenomen in hoofdstuk 3. Daar alleen het zuidelijke deel van onderhavige onderzoekslocatie verdacht is en in het overige deel zintuiglijk geen bijmengingen zijn aangetroffen, is de bovengrond van het overige deel van de locatie onderzocht als onverdacht. In onderstaande tabel 5.2 en tabel 5. is inzichtelijk gemaakt hoe de betreffende monsters (grond en asbest) zijn samengesteld (o.a. zintuiglijke waarnemingen en diepte geanalyseerde bodemlaag) en worden de resultaten vermeld. Tevens zijn in tabel de resultaten van het grondwateronderzoek weergegeven. De analysecertificaten zijn weergegeven in bijlage 4. De resultaten zijn getoetst aan de achtergrondwaarden en interventiewaarden en weergegeven in bijlage 5. 5.2

Toetsingscriteria

Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) in werking getreden. Tegelijkertijd treedt ook de Regeling bodemkwaliteit 2022 (Rbk 2022) in werking. 5.2.1 Overgangsfase omgevingsplan Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet krijgt de gemeente door overgangsrecht een tijdelijk deel van het omgevingsplan (ook wel omgevingsplan van rechtswege genoemd). Het tijdelijk deel van het omgevingsplan bestaat voor het onderwerp bodem uit de volgende onderdelen: -

-

Bruidsschatregels voor bodem: Voor het thema bodem geeft het Invoeringsbesluit (aangevuld door het Aanvullingsbesluit) de zogenaamde bruidsschatregels mee aan het omgevingsplan. Het zijn tijdelijke regels die de gemeente zelf nog moet omzetten; de bodemfunctieklassenkaart en gebiedsspecifiek beleid voor het toepassen van grond of baggerspecie.

Gemeenten krijgen tot eind 2031 (of zoveel eerder als het gebiedsspecifieke beleid eerder de geldigheid verliest) de tijd om het tijdelijk deel van het omgevingsplan en andere regels over de fysieke leefomgeving (bijvoorbeeld uit bestaande gemeentelijke verordeningen) om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. De gemeente heeft hiervoor een bepaalde beleidsvrijheid. Gemeenten kunnen afwijken van de algemene regels door maatwerk vast te stellen. Er zijn wel voorwaarden verbonden aan de beleidsvrijheid. Zo moeten gemeenten voldoen aan de gestelde instructieregels. Om gemeenten te ondersteunen bij de voorbereiding op het maken van regels over bodem in het omgevingsplan zijn diverse hulpmiddelen beschikbaar. De omgezette regels moeten voldoen aan de eisen aan de Omgevingswet en zijn digitaal beschikbaar via het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). 5.2.2 Rijksregels Voor milieubelastende activiteiten staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) algemene rijksregels. Voor milieubelastende activiteiten waarbij bodemverontreiniging kan ontstaan, staan in het Bal maatregelen die de bodem beschermen.

13

Verkennend bodem- en asbestonderzoek, Alphenseweg (tussen 19 en 23) te Baarle-Nassau Rapport: 2500472 versie 1, 16 mei 2025

Hoofdstuk 3 van het Bal is de richtingaanwijzer. Hierin staat welke paragrafen van hoofdstuk 4 en 5 van het Bal gelden voor de milieubelastende activiteit. In hoofdstuk 4 van het Bal staan regels om de bodem te beschermen tegen milieubelastende activiteiten die de bodem kunnen verontreinigen. Het Bal geeft daarnaast aan wanneer de modules eindonderzoek bodem en beschermende voorzieningen uit hoofdstuk 5 van toepassing zijn. 5.2.3 Toetsing Omgevingswet Teneinde de mate van verontreiniging van de bodem te kunnen beoordelen, zijn de chemische analyseresultaten getoetst aan bijlage IIA van het Bal en bijlage B, tabel 1, Regeling Bodemkwaliteit 2022 (interventiewaarde bodemkwaliteit voor grond) en bijlage Vd van het Bkl (signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering voor grondwater). In onderstaand schema wordt de gebruikte terminologie voor grond weergegeven: figuur 1: Kwaliteitsklassen voor landbodem en grond Landbouw/natuur

Wonen

Industrie

Matig verontreinigd

Sterk verontreinigd

↑ (interventiewaarde bodem)

De analyseresultaten zijn getoetst conform de Bodem Toets- en Validatieservice (BoToVa), waarbij de analyseresultaten (de meetwaarden) zijn gecorrigeerd aan het in het laboratorium gemeten gehalte aan organische stof en lutum. 5.2.4 Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie In het Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie PFAS1 zijn de toepassingsnormen opgenomen. In onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van de toepassingswaarden die in de onderscheiden situaties waarin grond en baggerspecie worden toegepast, kunnen worden gehanteerd. Dit zijn toepassingswaarden voor het toepassen van grond en baggerspecie, waarmee invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht. Het is momenteel nog niet mogelijk om een cumulatieve toepassingswaarde voor PFAS vast te stellen. Daarom zijn er in het handelingskader alleen toepassingswaarden voor individuele PFAS aangegeven. De aangegeven toepassingswaarden kunnen binnen de randvoorwaarden die daarvoor in het Bal zijn gegeven, op lokaal of regionaal niveau worden gespecificeerd als er aanleiding is om een andere waarde vast te stellen. Ook is het mogelijk om de zorgplicht voor specifieke toepassingen nader in te vullen. De nummers in de eerste kolom corresponderen met de nummers van de paragrafen waarin de toepassingswaarden in het hiernavolgende worden toegelicht.

Opgemerkt wordt dat onderhavige monsters ten aanzien van PFAS enkel zijn getoetst aan het landelijk beleid. Men dient rekening te houden dat eventueel lokaal beleid kan afwijken ten opzichte van het landelijk beleid. tabel 5.1 Toepassingsnormen PFAS voor het toepassen van grond en baggerspecie Categorie

Toepassingswaarde [μg/kg d.s.] (2) (3) (4) (5) (7)

Toepassingssituatie Op de landbodem

4.1

1

Grond en baggerspecie toepassen Bodemkwaliteitsklasse wonen of industrie

Bodemfunctieklasse wonen of industrie

landbouw/natuur

wonen of industrie

versie december 2023 (https://open.overheid.nl/documenten/dpcdee421ec8377efafeaf463e5d632d30a7c38b567/pdf)

14

PFOS = 3 PFOA = 7 Overige PFAS = 3 PFOS = 1,4 PFOA = 1,9 Overige PFAS = 1,4

Verkennend bodem- en asbestonderzoek, Alphenseweg (tussen 19 en 23) te Baarle-Nassau Rapport: 2500472 versie 1, 16 mei 2025

landbouw/natuur, wonen of industrie

4.2

4.3

4.4 4.5, vervallen

4.6, vervallen 4.7

4.8.1 4.8.2

landbouw/natuur

Baggerspecie verspreiden, als bedoeld in artikel 4.1269, derde lid onder a van het Bal (verspreiden inclusief verspreiden in weilanddepots van baggerspecie afkomstig uit regionale wateren op aangrenzende percelen of op landbouwgronden gelegen tot 10 km afstand van de plaats van vrijkomen) Grond en baggerspecie grootschalig toepassen

Grond en baggerspecie toepassen in grondwaterbeschermingsgebieden Grond en baggerspecie toepassen onder grondwaterniveau, met inbegrip van grootschalige toepassing. In een oppervlaktewaterlichaam(9) Grond toepassen Baggerspecie verspreiden in hetzelfde oppervlaktewaterlichaam of aansluitende (sedimentdelende)(10) stroomafwaarts gelegen oppervlaktewaterlichamen (als bedoeld in artikel 4.1269, derde lid onder b en c van het Bal) Baggerspecie toepassen in hetzelfde oppervlaktewaterlichaam in toepassingen, als bedoeld in artikel 4.1269, tweede lid onder f, g en h van het Bal Het in een ander oppervlaktewaterlichaam: • verspreiden van baggerspecie (bij niet-sedimentdelende oppervlaktewaterlichamen) als bedoeld in artikel 4.1269, derde lid onder b van het Bal en • het toepassen van baggerspecie en grond in toepassingen als bedoeld in artikel 4.1269, tweede lid onder f, g en h van het Bal.

4.9.1

Baggerspecie en grond toepassen in niet-vrijliggende diepe plassen die in open verbinding staan met een rijkswater (1) (6)

4.9.2

Baggerspecie en grond toepassen in andere diepe plassen dan bedoeld onder 4.9.1(6)

PFOS = 1,4 PFOA = 1,9 Overige PFAS = 1,4 PFOS = 3 PFOA = 7 Overige PFAS = 3 PFOS = 3 PFOA = 7 Overige PFAS = 3 Gebiedskwaliteit, indien niet bekend 0,1 Vervalt, zie categorie 4.1, 4.2 en 4.3

Vervalt, zie categorie 4.8.2, 4.9.1 en 4.9.2 Toepasbaar, wel meten en toetsen op uitschieters(8). Toepasbaar, wel meten en toetsen op uitschieters(8). Rijkswater:

PFOS = 3,7 PFOA = 0,8 Overige PFAS = 0,8

Anders:

PFOS = 1,1 PFOA = 0,8 Overige PFAS = 0,8

PFOS = 3,7 PFOA = 0,8 Overige PFAS = 0,8 PFOS = 1,1 PFOA = 0,8 Overige PFAS = 0,8

Voetnoten bij tabel: (1) Onder ‘diepe plas’ wordt verstaan: diepe plas als bedoeld in bijlage I, deel A van het Bal. Onder ‘vrijliggende diepe plas’ wordt verstaan: diepe plas, die niet is gelegen in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk en die bovendien boven de spronglaag nauwelijks wordt gevoed door oppervlaktewater van elders (de verblijftijd van het water is voor 90% van het jaar langer dan een maand). Als de diepe plas is gelegen in een groter oppervlaktewaterlichaam wordt de rest van het oppervlaktewaterlichaam beschouwd als oppervlaktewater van elders. Onder ‘niet-vrijliggende diepe plas’ wordt verstaan: diepe plas, gelegen in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk, of diepe plas die niet aan de definitie van vrijliggende plas voldoet. De definities van vrijliggende en nietvrijliggende diepe plas komen overeen met hetgeen is opgenomen in bijlage B van de Rbk2022. (2) Op de waarden uit deze tabel hoeft geen bodemtypecorrectie te worden toegepast als het gehalte van organische stof minder dan 10% bedraagt. Als het gehalte organisch stof ligt tussen 10-30% dient wel een bodemtypecorrectie uitgevoerd te worden. Als het gehalte organisch stof boven de 30% is aangetoond dient het gehalte organisch stof van 30% gebruikt te worden bij de bodemtypecorrectie. (3) Tenzij een lokale toepassingswaarde is vastgesteld (zie paragraaf 5).

(4) PFOS en PFOA worden getoetst aan de hand van de sommatie van de concentraties lineair en vertakt. Overige PFAS worden getoetst per stof (dus niet gesommeerd). (5) Deze toepassingswaarde is alleen van toepassing op plassen waarin voor 3 juli 2020 een verondieping heeft plaatsgevonden. Voor andere gevallen geldt dat de waterbeheerder als bevoegd gezag in overleg met gemeente en provincie een uitvoerige afweging moeten maken of deze verondieping gewenst is (bijvoorbeeld vanuit het oogpunt van het bevorderen van de natuurwaarde) en welke voorwaarden hieraan moeten worden gesteld. Hierbij moet op basis van de zorgplicht zelf worden bepaald welke kwaliteit grond en baggerspecie verantwoord kan worden toegepast. (6) Alleen indien in de nabijheid van de diepe plas geen kwetsbaar object is gelegen. (7) Indien meetgehalten onder de bepalingsgrens liggen, mag de beoordelaar naar analogie van bijlage G, onderdeel I van de Rbk2022, ervan uitgaan dat de kwaliteit van de grond, grondwater, baggerspecie, bodem, bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam voldoet aan de toepassingswaarden. (8) Metingen om uitschieters te identificeren zijn bedoeld om te bepalen of er in partijen mogelijk sprake kan zijn van puntbronvervuilingen. Als vuistregel kan hiervoor de P95-waarde van een bepaalde PFAS worden gehanteerd.

Bagger uit rijkswateren: In 2007 is voor een aantal metalen het onderscheid tussen matig verontreinigde locaties en hot spots gemaakt op basis van bagger uit het rivierengebied (Maas en Rijn). Per stof zijn uit deze gegevens P95-waarden afgeleid. Destijds zijn geen PFAS gemeten, maar aangevuld met recente projecten van RWS is hieruit een P95-percentiel af te leiden: PFOS = 8,2 μg/kg d.s., PFOA = 0,8 μg/kg d.s., EtFOSAA = 5,5 μg/kg d.s., MeFOSAA = 1,0 μg/kg d.s.. Op basis hiervan kan voor overige PFAS de laagste van de genoemde waarden, 0,8 μg/kg d.s., worden aangehouden. Bagger uit regionale wateren: In 2019 is in het kader van het herverontreinigingsniveau (HVN) een inventarisatie uitgevoerd van de gehalten PFAS in bagger uit regionale watergangen. Hiervoor zijn PFAS-gehalten verzameld en verwerkt in een database. Uitsluitend voor de stoffen die voldoende vaak zijn gemeten, zijn uit deze gegevens P95-waarden afgeleid: PFOS = 2,2 μg/kg d.s., PFOA = 0,9 μg/kg d.s., EtFOSAA = 1,8 μg/kg d.s. Voor overige PFAS kan de waarde 0,8 μg/kg d.s., worden aangehouden. Hogere dan voornoemde waarden in respectievelijk bagger uit rijkswateren en regionale wateren kunnen een aanwijzing zijn voor de aanwezigheid van een puntbronvervuiling in de partij.

Wat vervolgens de mogelijkheden zijn voor de betreffende partij, hangt onder meer af van de aantallen gemeten uitschieters, de hoogte van de gemeten waarden en de lokale situatie. Dit is aan het bevoegd gezag om te beoordelen. (9) Onder oppervlaktewaterlichaam wordt verstaan: oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in bijlage I, deel A, bij de Omgevingswet. (10) Oppervlaktewaterlichamen zijn ‘sedimentdelend’ als sediment vrij uitgewisseld kan worden tussen de oppervlaktewaterlichamen door stroming, wind of getij.

5.2.5 Asbest De landelijke normen voor asbest in grond, bodem en puingranulaat zijn vastgesteld op 100 mg/kg d.s. gewogen gehalte. Het gewogen gehalte is het serpentijngehalte vermeerderd met tienmaal het amfiboolgehalte. Deze waarde geldt zowel als interventiewaarde bodemkwaliteit, als kwaliteitseis bij het toepassen van grond, baggerspecie en bouwstoffen. De interventiewaarde bodemkwaliteit voor asbest in grond is opgenomen in bijlage IIA van het Bal.

15

Verkennend bodem- en asbestonderzoek, Alphenseweg (tussen 19 en 23) te Baarle-Nassau Rapport: 2500472 versie 1, 16 mei 2025

In de NEN5707+C2:2017 is opgenomen dat indien het asbestgehalte kleiner is dan de helft van de interventiewaarde (afkomstig uit de Circulaire bodemsanering), het statistisch aannemelijk is dat ook in een nader onderzoekstraject de interventiewaarde niet zal worden overschreden. In deze gevallen geldt er geen noodzaak tot het uitvoeren van een nader onderzoek asbest. Bij een asbestgehalte groter dan de helft van de interventiewaarde is een nader onderzoek asbest verplicht. De hoogst bepaalde waarde binnen een (deel)locatie is hiervoor bepalend. 5.3

Toetsingen

5.3.1 Grond In tabel 5.2 zijn (indien van toepassing) alleen de onderzochte parameters vermeld, waarvan de gehalten de betreffende toetsingswaarden overschrijden. tabel 5.2 Resultaten grondonderzoek Monsternr. MM01

Samenstelling [m-mv] B13 (0,00 - 0,50) PB01 (0,00 - 0,50)

Herbemonstering en heranalyse B13-Herb B13 Herb. (0,00 - 0,50)

PB01-Herb

PB01 Herb (0,00 - 0,50)

MM02

B06 (0,00 - 0,50) B07 (0,00 - 0,50) B08 (0,00 - 0,50) B09 (0,00 - 0,50) B10 (0,00 - 0,50) B11 (0,00 - 0,50) B01 (0,00 - 0,50) B02 (0,00 - 0,50) B03 (0,00 - 0,50) B04 (0,00 - 0,50) B05 (0,00 - 0,50) B12 (0,00 - 0,50) B14 (0,00 - 0,50) B03 (1,50 - 2,00) B09 (1,00 - 1,30) PB01 (0,70 - 1,20) PB01 (1,70 - 2,00)

MM03

MM04

Bodemsamenstelling/ bijmengingen Matig fijn matig siltig zand, humeus, baksteen

Analyseparameters NEN5740 pakket grond

Parameters >LN PCB Zink Lood

Toets T101 IND

Toets T130 ≤ IW

Matig fijn matig siltig zand, humeus, baksteen Matig fijn matig siltig zand, humeus, baksteen

Zink lu/os

Zink

WO

≤ IW

Zink lu/os

-

LN

≤ IW

Matig fijn zwak tot matig siltig zand, humeus Matig fijn zwak tot matig siltig zand, humeus

NEN5740 pakket grond

Lood

WO

≤ IW

NEN5740 pakket grond

IND

≤ IW

Matig fijn zwak tot matig siltig zand

NEN5740 pakket grond

Nikkel Zink Molybdeen Lood -

LN

≤ IW

tabel 5.3 Resultaten grondonderzoek PFAS Monsternr.

Samenstelling [m-mv]

PFASMM01

B06 (0,00 - 0,50) B07 (0,00 - 0,50) B08 (0,00 - 0,50) B09 (0,00 - 0,50) B10 (0,00 - 0,50) B11 (0,00 - 0,50) B01 (0,00 - 0,50) B02 (0,00 - 0,50) B03 (0,00 - 0,50) B04 (0,00 - 0,50) B05 (0,00 - 0,50) B12 (0,00 - 0,50) B14 (0,00 - 0,50)

PFASMM02

LN WO IND MV SV

Bodemsamenstelling/ bijmengingen Matig fijn zwak tot matig siltig zand, humeus

Parameters >AW PFAS

Toepassen op landbodem (Bbk) LN

Matig fijn zwak tot matig siltig zand, humeus

PFAS

LN

Verklaring gebruikte afkortingen: Landbouw/natuur Wonen Industrie Matig verontreinigd Sterk verontreinigd

5.3.2 Asbest In tabel 5.4 is een overzicht weergegeven van de totale gehalten aan asbest. In de tabel zijn per traject alleen de gemiddelde totaal gewogen gehalten opgenomen per (deel)locatie (lees: wanneer sprake is van een verkennend asbestonderzoek). Het berekende totale gewogen gehalte is een sommatie van de grove fractie (indien aangetoond tijdens de visuele inspectie van de sleuven/gaten) en de concentratie van de fijne fractie (analytisch gemeten in het laboratorium).

16

Verkennend bodem- en asbestonderzoek, Alphenseweg (tussen 19 en 23) te Baarle-Nassau Rapport: 2500472 versie 1, 16 mei 2025

tabel 5.4 Resultaten verkennend onderzoek asbest Monsternr.

Samenstelling en bodemlaag [mmv]

ASBMM01 (grond) ASBMM02 (grond) ASBMM03 (grond)

G01 (0,00 - 0,50) G02 (0,00 - 0,50) G04 (0,00 - 0,50) G05 (0,00 - 0,50) G06 (0,00 - 0,50) G07 (0,00 - 0,50) G08 (0,00 - 0,50) G10 (0,00 - 0,50) G11 (0,00 - 0,50) G12 (0,00 - 0,50) G13 (0,00 - 0,50) G14 (0,00 - 0,50)

+ +/--

Gewogen asbestconcentratie [mg/kg.ds] Grove fractie Fijne fractie Totaal n.a. 0,423 0,423

Toets

n.a.

<2

<2

--

n.a.

< 0,1

< 0,1

--

-

Verklaring van de tekens: concentratie overschrijdt interventiewaarde (=grenswaarde) concentratie overschrijdt waarde voor nader onderzoek (1/2 interventiewaarde) concentratie lager dan de detectiegrens concentratie overschrijdt niet de helft van de grenswaarde

5.3.3 Grondwater In tabel 5.5 zijn alleen de onderzochte parameters vermeld, waarvan de concentraties de betreffende streefwaarden overschrijden. tabel 5.5 Resultaten grondwateronderzoek Monsternr. PB01

Analyse NEN5740 grondwater

Parameters >SW Barium

Verklaring van de tekens: * groter dan streefwaarde en kleiner of gelijk ½ (streefwaarde+I) waarde ** groter dan ½ (SW+I) waarde en kleiner of gelijk interventiewaarde *** groter interventiewaarde gehalte niet verhoogd t.o.v. streefwaarde dan wel detectiegrens

17

Toets (Wbb) *

Verkennend bodem- en asbestonderzoek, Alphenseweg (tussen 19 en 23) te Baarle-Nassau Rapport: 2500472 versie 1, 16 mei 2025

6 Conclusies en aanbevelingen In opdracht van Bouwbedrijf Gebr. van Gisbergen B.V. heeft Silt Milieu B.V. een verkennend bodemen asbestonderzoek uitgevoerd op een locatie gelegen aan de Alphensewewg 19 te Baarle-Nassau. De aanleiding voor de uitvoering van het onderzoek is de voorgenomen ontwikkeling op de locatie. Als gevolg hiervan dient de milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater vastgelegd te worden. Daarnaast dient door middel van onderhavig onderzoek beoordeeld te worden of aanvullende procedures noodzakelijk zijn in het kader van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Grondwater wordt beoordeeld conform de Bkl (bijlage Vd). 6.1

Conclusies

Algemeen De bodem op de locatie bestaat tot de verkende diepte van 4,8 m-mv overwegend uit matig fijn, zwak tot matig siltig zand, afgewisseld met laagjes leem. Met name de bovengrond is humushoudend. In de uitkomende grond zijn met name in de bovengrond lokaal bijmengingen (baksteen) aangetroffen die duiden op de mogelijke aanwezigheid van verontreinigende stoffen in de bodem. Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden is geen aanvullende informatie naar voren gekomen welke tot een aanpassing van de boorstrategie heeft geleid. Grond In het grondmengmonster MM01 (bovengrond, baksteen) zijn analytisch verhoogde gehaltes aan PCB, zink en lood aangetoond. Daar het gehalte zink boven de voormalige tussenwaarde is, is besloten aanvullend onderzoek uit te voeren. De bovengrond van de boringen B13 en PB01 is herbemonsterd en geanalyseerd. Hieruit blijken de individuele monsters maximaal licht verontreinigd te zijn met zink. De gehalten overschrijden de interventiewaarde niet. De separate analyses worden beschouwd als zijnde het meest representatief. De indicatieve kwaliteitsklasse betreft maximaal wonen. In het zintuiglijk niet verontreinigde grondmengmonster MM02 (bovengrond) is analytisch een verhoogd gehalte aan lood aangetoond.

In het zintuiglijk niet verontreinigde grondmengmonster MM03 (bovengrond) zijn analytisch verhoogde gehaltes aan nikkel, zink, molybdeen en lood aangetoond. De gehaltes overschrijden de interventiewaarde niet. De kwaliteitsklasse van de bovengrond betreft maximaal Industrie. In het zintuiglijk niet verontreinigde grondmengmonster MM04 (ondergrond) zijn analytisch geen verhoogde gehaltes aangetoond. Allen liggen onder de interventiewaarde. De kwaliteitsklasse van de ondergrond betreft Landbouw/Natuur. PFAS Volgens het Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie voldoen de grondmengmonsters PFASMM01 en PFASMM02 (beide bovengrond) aan de klasse Landbouw/Natuur voor het toepassen op landbodem. De PFAS-toetsing is als bijlage 6 toegevoegd. Grondwater In het grondwater uit peilbuis PB01 is analytisch een licht verhoogde concentratie aan barium aangetoond. Deze concentratie overschrijdt de streefwaarde doch niet de interventiewaarde. Alle concentraties voldoen aan de signaleringsparameters en voorkeurswaarden volgens het Landelijke BKL en de Beoordeling Zoet en Zout Grondwater Noord-Brabant voor grondwatersanering aan de hand van lokale normen. Asbest in grond In het grondmengmonster ASBMM01 is analytisch een verhoogd gehalte aan asbest aangetoond. Dit gehalte overschrijdt de detectiegrens doch niet de helft van de interventiewaarde.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16998430/1