Bijlage 3 Toelichting
Tekst van het document
Op basis hiervan is een schets gemaakt, die weergeeft wat de doelstelling van initiatiefnemers is, welke eindplaatje de resultante is van de oorspronkelijke plannen van initiatefnemers (hoveniersbedrijf), hun aanvullende wensen voor een terras en kleinschalige verblijfsrecreatie, en de planologische ruimte die het provinciale en gemeentelijke beleid geeft. Het overleg met gemeente en provincie heeft tot gevolg gehad dat een deel van de kampeerplaatsen is verschoven in zuidelijke richting, waardoor recreatie en natuur meer met elkaar worden verweven en, samen met natuureducatie een meerwaarde creëren ten opzichte voor de totale beleving van het gebied.
Geconcludeerd kan worden dat zowel de gebouwelijke opschoning als opschoning van de landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van het gebied en de bewustwording hiervan een meerwaarde vormen. Artikel 3.9 kwaliteitsverbetering landschap Lid 1. Een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in Landelijk Gebied bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving.
| bestemmingsplan Zigraeck 5 Baarle Nassau | status: ontwerp |
Pagina | 3 5
Lid 2. Het bestemmingsplan motiveert dat de verbetering past binnen de gewenste ontwikkeling van het gebied én op welke wijze de uitvoering is geborgd door dat: a. dit financieel, juridisch en feitelijk is geborgd in het plan; of b. de afspraken uit het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken, worden nagekomen. Lid 3. Een verbetering van de landschappelijke kwaliteit kan mede de volgende aspecten omvatten: a. de op grond van deze verordening verplichte landschappelijke inpassing; b. het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur of de relatie stad-land; c. het behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen; d. het wegnemen van verharding; e. het slopen van bebouwing; f. de realisering van het Natuur Netwerk Brabant en ecologische verbindingszones; g. het aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden. Lid 4. Ingeval er toepassing wordt gegeven aan het tweede lid onder b geldt dat een passende financiële bijdrage in een landschapsfonds is verzekerd én over de besteding van dat fonds periodiek verslag wordt gedaan in het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken.
Beoordeling Ad. Lid 1 In hoofdstuk 2 is een analyse van het plangebied gemaakt en zijn de huidige waarden van het landschap beschreven. Op basis van deze analyse en in combinatie met de gewenste ontwikkeling en opwaardering van de landschappelijke kwaliteiten, is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Dit landschappelijk inpassingsplan is toegevoegd als bijlage 3 van de plantoelichting. Ad. Lid 2 In onderhavig geval wordt toepassing gegeven aan lid 2a. Vanuit het bereiken van een goede omgevingskwaliteit geldt in Brabant sinds 2014 de regeling Kwaliteitsverbetering landschap. Een bestemmingsplan dat een ontwikkeling mogelijk maakt in Landelijk gebied voorziet daartoe in een regeling. Veel gemeenten hebben in het kader van het regionaal overleg afspraken gemaakt met de provincie over de toepassing van de kwaliteitsverbetering landschap. De gemeente Baarle-Nassau is aangesloten bij het Regionaal Ruimtelijk Overleg West-Brabant. Afspraken over kwaliteitsverbetering zijn gemaakt in het 'Afsprakenkader Kwaliteitsverbetering van het landschap' in de regio West-Brabant.
De regio heeft in het afsprakenkader drie categorieën onderscheiden: categorie 1: ruimtelijke ontwikkelingen met nauwelijks tot geen landschappelijke invloed en waarbij geen (extra) kwaliteitsverbetering van het landschap wordt geëist; categorie 2: ruimtelijke ontwikkelingen met weinig landschappelijke invloed, dan wel ruimtelijke ontwikkelingen die van nature aan het buitengebied zijn gebonden, of plaatsvinden in hiervoor aangewezen gebieden. De kwaliteitsverbetering vindt plaats in de vorm van landschappelijke inpassingsmaatregelen. Deze categorie is niet limitatief;
| bestemmingsplan Zigraeck 5 Baarle Nassau | status: ontwerp |
Pagina | 3 6
categorie 3: ruimtelijke ontwikkelingen welke niet tot categorie 1 of 2 behoren. De kwaliteitsverbetering wordt berekend op basis van de bestemmingswinst. Het 'Afsprakenkader Kwaliteitsverbetering van het landschap' kwalificeert de vestiging, uitbreiding en omschakeling naar een recreatief bedrijf met mogelijkheden voor natuureducatie, hoveniersactiviteiten en kleinschalige horeca als een categorie 3 ontwikkeling. Hieruit volgt dat voor deze ontwikkeling het perceel landschappelijk moet worden ingepast inclusief bijdrage aan kwaliteitsverbetering van het landschap. Verschel & Van Dun heeft een taxatie uitgevoerd ter bepaling van de waardevermeerdering van de gronden als gevolg van de voorgenomen bestemmingsherziening. De taxatie is opgenomen als bijlage 6 van de toelichting. Verschel & Van Dun heeft een bestemmingswinst van € 66.988,- berekend. 20% van dit bedrag (€ 13.397,50) dient te worden geïnvesteerd in kwaliteitsverbetering van het landschap. Nadat is bepaald welk bedrag in de kwaliteitsverbetering van landschap moet worden geïnvesteerd, is de vraag waarin moet worden geïnvesteerd. De IOV heeft hiervoor een aantal manieren opgenomen waarop de kwaliteitsverbetering kan worden uitgevoerd. Voorgesteld wordt om deze manieren in de regio West-Brabant maximaal te benutten.
In ieder geval moet kwaliteitsverbetering altijd resulteren in fysieke en zichtbare verbetering van het landschap. Ook wanneer een storting wordt gedaan, moet dit uiteindelijk resulteren in fysieke maatregelen in het buitengebied en is ook onderstaande van toepassing voor uitvoering door gemeenten. Initiatiefnemer heeft in overleg met de gemeente Baarle-Nassau (en Staatsbosbeheer) gekozen om het bedrag te investeren in landschappelijke inpassing. De inrichting van het plangebied zoals is neergelegd in het in maart 2021 door IKL opgestelde Natuurontwikkelingsplan betreft een investering van € 29.859,24 . De plankosten zijn maximaal (20%) van kwaliteitsverbetering: € 2679,50. De kosten voor beheer en onderhoud van het groen bedragen € 31.051,55 . De totale investering in het landschap bedraagt daarmee € 60.910,79. Er wordt daarmee ruimschoots gecompenseerd. De berekening van de investeringen in aanleg en onderhoud van de landschappelijke inpassing is opgenomen in bijlage 6 van deze toelichting. Ad. Lid 3 Een verbetering van de landschappelijke kwaliteit wordt behaald door de investering in de op grond van de IOV verplichte aanleg- en onderhoud van de landschappelijke inpassing. Ad. Lid 4 In dit geval wordt geen toepassing gegeven aan het tweede lid onder b.
Artikel 3.15 bescherming natuur netwerk Brabant Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Natuur Netwerk Brabant: a. strekt tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken; b. bevat regels gericht op de bescherming van de ecologische waarden en kenmerken en houdt daarbij ook rekening met andere aanwezige waarden en kenmerken, zoals rust, stilte,
| bestemmingsplan Zigraeck 5 Baarle Nassau | status: ontwerp |
Pagina | 3 7
cultuurhistorische waarden en kenmerken; c. staat, zolang het Natuur Netwerk Brabant niet is gerealiseerd, bestaande bebouwing en bestaande planologische gebruiksactiviteiten toe. Lid 2 Als ecologische waarden en kenmerken gelden de natuurbeheertypen zoals vastgelegd op de beheertypenkaart en de ambitiekaart van het natuurbeheerplan. Lid 3 Als de inrichting en beheer van het Natuur Netwerk Brabant binnen een gebied is verzekerd, stelt de gemeente binnen negen maanden een bestemmingsplan vast overeenkomstig het eerste lid.
Het natuurbeheertype ter plaatse van het te verwijderen NNB betreft: N16.04 Vochtig bos met productie (nieuw per 01-01-2018). Hieronder wordt verstaan: loofbossen die gedomineerd worden door diverse boomsoorten zoals populier, es, esdoorn, beuk, haagbeuk, eik, iep en els. Het is een grotendeels gesloten bos met een weelderige ondergroei. Dit bostype is de productievariant van delen van het haagbeuken- en essenbos en beek- en rivierbegeleidend bos.
Natuurbeheertypen
Dit bostype levert een belangrijke bijdrage aan de houtvoorziening door de goede groei van diverse gewilde (hardhout) loofboomsoorten. In potentie kan dit bostype de meeste houtige soorten bevatten. De diversiteit is laag tot matig hoog. Vooral soorten van oudere, meer ontwikkelde bosgroeiplaatsen ontbreken vaak nog, terwijl makkelijk koloniserende sporenplanten en vogels al aanwezig zijn. Door snelle groei en sterfte kan binnen afzienbare tijd een gevarieerde bosstructuur ontstaan, met veel dood hout en een weelderige struiklaag en bodemvegetatie. Populier kan een belangrijke bijdrage leveren aan snelle bosontwikkeling en de productie van aanzienlijke hoeveelheid zaaghout en (dik) dood hout. De ondergroei bij populier wordt echter vaak (nog) gedomineerd door ruigtekruiden zoals grote brandnetel. Ook in door andere boomsoorten gedomineerde bossen treedt regelmatig verruiging op in grotere open plekken. Dit
| bestemmingsplan Zigraeck 5 Baarle Nassau | status: ontwerp |
Pagina | 3 8
kan de verjonging van gewenste boom- en struiksoorten belemmeren. Kleinschalige kap en aanplant wanneer zaadbronnen van gewenste soorten nog ontbreken kan de (kwalitatieve en kwantitatieve) productie en samenstelling bevorderen. Door deze aanvullende bosverjongingsactiviteiten met primair lokaal gewenste inheemse boom- en struiksoorten wordt versneld een nieuwe gewenste bosgeneratie van voldoende ecologische kwaliteit gerealiseerd. Het beheertype Vochtig bos met productie omvat bossen op basenrijke bodems gedomineerd door (meereisende) loofboomsoorten. Houtoogst is een doel en vindt periodiek plaats met een hogere intensiteit dan in de Vochtige bossen beheertypen zonder productie, of boomsoorten die oorspronkelijk van buiten Europa zijn ingevoerd zijn dominant over meer dan 20% van het areaal van het betreffende bosgebied, ook als er geen productiedoelstelling is. Op onderstaande (oude) luchtfoto is dit productiebos nog te zien:
Artikel 3.17 afwijkende regels ontwikkelingen in natuur netwerk Brabant Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Natuur Netwerk Brabant kan een ontwikkeling toelaten als is voldaan aan de voorwaarden gesteld voor: a. nieuwe ontwikkelingen in het Natuur Netwerk Brabant, overeenkomstig artikel 3.18; b. het nee, tenzij-principe, overeenkomstig artikel 3.19; c. de saldo-benadering, overeenkomstig artikel 3.20; d. een kleinschalige uitbreiding, overeenkomstig artikel 3.21. Lid 2 Het eerste lid is niet van toepassing op Natura 2000 - gebied.
Een deel van de ontwikkeling vindt plaats binnen het Natuur Netwerk Brabant, waarvoor in beginsel compensatie noodzakelijk is conform het bepaalde in artikel 3.21 en volgende; echter, nu sprake is van een kennelijke omissie, zal een verzoek worden ingediend bij Gedeputeerde Staten om herbegrenzing.Vanwege de kennelijke omissie is fysieke compenstie niet nodig. Desondanks is initiatiefnemer bereid om in combinatie met de realisatie van de recreatieve voorziening nieuwe natuur te ontwikkelen. Artikel 3.21 kleinschalige herbegrenzing Lid 1 Een bestemmingsplan kan een ontwikkeling binnen Natuur Netwerk Brabant mogelijk maken in het geval dat: a. de aantasting van areaal Natuur Netwerk Brabant kleinschalig is; b. de ontwikkeling slechts leidt tot een beperkte aantasting van de ecologische waarden en | bestemmingsplan Zigraeck 5 Baarle Nassau | status: ontwerp |
Pagina | 3 9
kenmerken van het Natuur Netwerk Brabant; c. de ontwikkeling leidt tot een kwalitatieve of kwantitatieve versterking van de ecologische waarden en kenmerken van het Natuur Netwerk Brabant als geheel; d. er een afweging van alternatieven heeft plaatsgevonden; e. er sprake is van een goede landschappelijke en natuurlijke inpassing; f. er bij verlies van ecologische waarden en kenmerken wordt voldaan aan artikel 3.22 Compensatie; g. op welke wijze de uitvoering en monitoring zijn verzekerd. Lid 2 Voor een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid doen burgemeester en wethouders een verzoek als bedoeld in artikel 6.2 Procedure grenswijziging werkingsgebied op verzoek.
In casu bestaat het plangebied uit groepen bomen (welke veelal in slechte staat verkeren als gevolg van vraat door de Letterzetter) rondom een grasveld met een kunstvijver, hetgeen is beschreven in het ecologisch onderzoek en het landschappelijk inpassingsplan. Verder is er een graslandje in het zuidelijk deel, met een rij grote zomereiken. De om te vormen delen van het plangebied zijn het grasveld; hier groeien soorten als Engels raaigras, smalle weegbree, varkensgras, melganzenvoet en klein kruiskruid. De te verwijderen bomen betreft een groep Servische sparren zonder enige ondergroei. Ook zijn er nu nog twee opstallen; een tuinhuis en een werktuigstalling. De omgeving rondom het plangebied is landelijk ingericht (akkers en weilanden). Echte natuurwaarden zijn derhalve niet aanwezig. De ontwikkeling ziet enerzijds op de uitbreiding van het bouwperceel met aan het buitengebied gelieerde activiteiten (hoveniersbedrijf, kleinschalig kamperen, horecarustpunt en natuureducatie) waardoor de aantasting van het areaal Natuurnetwerk (waarvan het naar de weg gekeerde deel abusievelijk de typering NNB heeft gekregen) onontkoombaar is, en heeft anderzijds tot doel een kwaliteitswinst voor de landschappelijke en natuurlijke waarden te behalen, door de ontwikkeling groots op de pakken. In hoofdstuk 3 van deze plantoelichting is al aan de orde gekomen hoe dit plaatsvindt.
De visie hoe de natuurlijke kwaliteiten gewaarborgd worden, is neergelegd in het separaat toegevoegde landschappelijk inrichtings-/natuurontwikkelingsplan, dat tevens gekoppeld is aan de planregels, middels een voorwaardelijke verplichting. Om het project van initiatiefnemer uitvoerbaar te maken, zal de gemeente Baarle-Nassau een verzoek om herbegrenzing van het Nationaal Natuurnetwerk Brabant indienen. Een deel van dit gebied zal door de provincie Noord Brabant voorzien worden van een ander natuurbeheertype en een ander deel waarvan de ecologische waarde als gevolg van versnippering, functiemenging en aantasting door de Letterzetter minimaal is, zal in de zuidzijde van het plangebied nieuwe natuur worden ontwikkeld, zodat er één aansluitend natuurnetwerk in ontwikkeling wordt gebracht.
| bestemmingsplan Zigraeck 5 Baarle Nassau | status: ontwerp |
Pagina | 4 0
Figuur: deel van plangebied dat ambtshalve wijziging ondergaat (aangeduid met rode kruisen)
Op onderstaande landschappelijke inrichtingstekening is weergegeven hoe de nieuwe natuur wordt ontwikkeld. Hierop is te zien dat de aanwezige sloot langs het perceel een breder stroomgebied gaat krijgen door de sloot te laten meanderen. Hierdoor ontstaat een vegetatierijk stroomgebied dat aantrekkelijk is voor (nieuwe) planten- en diersoorten. Omdat de recreatieve ontwikkeling van het plangebied hand in hand gaat met de feitelijke natuurlijke kwaliteit ervan, betekent dit, dat de realisatie van de voorgenomen natuurontwikkeling na vaststelling van onderhavig bestemmingsplan meteen ter hand wordt genomen. Initiatiefnemer heeft alle kennis en materieel in huis om de aanleg en het onderhoud van de nieuwe natuur uit te voeren en op deskundige wijze zorg te dragen voor het reguliere- en ontwikkelingsbeheer. Voor de kwaliteitsverbetering van het landschap, alsmede om te komen tot een ambtshalve herbegrenzing van het Natuurnetwerk Brabant is het landschappelijk inrichtings-/natuurontwikkelingsplan aangepast aan de voorstellen die vanuit de provincie met gemeente en initiatiefnemer zijn besproken, hetgeen heeft geleid tot een nieuwe landschappelijke inpassing en opwaardering van het plangebied die zich als volgt laat schetsen:
| bestemmingsplan Zigraeck 5 Baarle Nassau | status: ontwerp |
Pagina | 4 1
Landschappelijke inpassing en natuurontwikkeling
Het te behouden deel van het Natuurnetwerk zal een andere duiding van natuurbeheertype krijgen, namelijk dat van kruidenrijk- en faunarijk grasland met toevoeging van landschapselementen (N12.02). Deze wijziging van het natuurbeheertype, alsmede de d va het NNB zal oor de provincie Noord- Brabant planologisch worden geregeld. De voorwaardelijke verplichting welke aan elke bestemming is toegevoegd, waarborgt dat het gebruik van de gronden/bebouwing overeenkomstig de bestemming uitsluitend is toegestaan indien de landschappelijke inpassing, zoals opgenomen in bijlage 1 van de planregels binnen 2 jaar is aangeplant, versterkt en ook als zodanig in stand wordt gehouden. Artikel 3.26 attentiezone waterhuishouding Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Attentiezone waterhuishouding strekt tot bescherming van de waterhuishouding en sluit functies en activiteiten uit die een negatief effect hebben op de hydrologische instandhoudingsdoelen van het hierbinnen gelegen Natuur Netwerk Brabant. Lid 2 Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid stelt in ieder geval regels over: a. het verzetten van grond van meer dan 100 m³ of op een diepte van meer dan 60 centimeter beneden maaiveld, voor zover geen vergunning is vereist op grond van de Ontgrondingenwet; b. de aanleg van drainage ongeacht de diepte, tenzij het gaat om vervanging van een bestaande drainage; c.
het verlagen van de grondwaterstand anders dan door middel van het graven van sloten of het toepassen van drainagemiddelen, met uitzondering van grondwateronttrekkingen; d. het beperken van het buiten een agrarisch bouwperceel aanbrengen van
| bestemmingsplan Zigraeck 5 Baarle Nassau | status: ontwerp |
Pagina | 4 2
oppervlakteverhardingen of verharde oppervlakten. Lid 3 Het tweede lid is niet van toepassing op werkzaamheden die behoren tot het normale beheer en onderhoud.
In de artikelen 3.4 en 4.3.1 van onderhavig bestemmingsplan zijn regels gesteld aan het uitvoeren van een werk geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, welke geheel tegemoet komen aan de instructie als bedoeld in artikel 3.26 lid 2 IOV. Artikel 3.28 aardkundige waarden Een bestemmingsplan van toepassing op Aardkundig waardevol gebied: a. is mede gericht op behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de aardkundige waarden en kenmerken zoals beschreven in de Aardkundig Waardevolle Gebiedenkaart Noord-Brabant; b. stelt regels ter bescherming van de aardkundige waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden. De bestemmingsomschrijving bij de bestemming Natuur en de bestemming Recreatie bepaalt dat deze bestemmingen mede tot doel hebben om de aanwezige waarden binnen het plangebied, waaronder de aardkundige waarden, te beschermen en behouden concorm het bepaalde in het landschappelijk inpassingsplan. Het betreft waarden en kenmerken van een gebied die vanwege geologische, geomorfologische, bodemkundige en (geo)hydrologische verschijnselen en processen en vanwege de natuurlijke ontstaansgeschiedenis van de bodem van belang zijn. De historische kaartenreeks zoals opgenomen in het landschappelijk inpassingsplan geeft weer dat het project in de overgang ligt van het beekdal 't Merkske en de jonge grootschalige heide-ontginningen.
Een overgangszone met afwisselend akker, weiland, deels omzoomd met opgaande beplanting en aansluitend op het nattere beekdalgebied. De straat Zigraeck vormt een stevige ontginnings-as, tussen genoemde gebieden vanuit verleden en het hier ontstane cluster bebouwing vormt een soort gehuchtje. De artikelen 3.4.3 onder a en 4.3.3 van de planregels geven het afwegingskader voor omgevingsvergunningplichtige werken, geen bouwwerk zijnde. Artikel 3.32 Landschappelijke waarden in de groenblauwe mantel Lid 1. Een bestemmingsplan van toepassing op de Groenblauwe mantel: a. strekt tot behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de daarmee samenhangende ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden en kenmerken; b. stelt regels ter bescherming van de ecologische, landschappelijke en hydrologische waarden en kenmerken van het gebied; c. borgt dat een ontwikkeling gepaard gaat met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden en kenmerken. Lid 2. De toelichting bij een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid bevat een beschrijving van de aanwezige ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden en kenmerken.
| bestemmingsplan Zigraeck 5 Baarle Nassau | status: ontwerp |
Pagina | 4 3
Het achterste deel van het plangebied ligt binnen het aardkundig waardevolle gebied 'Merkske'. Het omvat het beekdal van het Merkske en aangrenzende delen van het omliggende dekzandlandschap. Ook een deel van het dal van de Mark op de Belgisch-Nederlandse grens behoort tot het gebied. Het Merkske en de Mark hebben een actieve vrij meanderende loop. De typische processen en reliëfvormen horende bij dergelijke beken en rivieren zijn zeer goed zichtbaar: vorming stootoevers, oeverwallen, kronkelwaarden, afgesneden meanders. Vooral het stroomafwaartse deel van het beekdal van het Merkske is opvallend diep ingesneden in het omliggende dekzandlandschap. In het aan de beekdalen grenzende licht golvende dekzandlandschap komen kleine oppervlakten landduinen en dekzandruggen voor. Het plangebied is onderdeel van een lint/cluster halfopen bebouwing dat de grens vormt tussen kleinschaliger landschap en het rationele agrarische gebied ten oosten van de bebouwing. Het natuurgebied rond ’t Merkske vormt een kleinschalig zeer afwisselend gebied, met landschapselementen, kruidenrijke weitjes en natte laagtes. Naast de ecologisch waarde van het gebied, is het een trekpleister voor natuur-recreatieve beleving, waarbij dit project een poort vormt voor dit gebied, waarbij dit een geweldige locatie is om dit project te realiseren en de recreatiemogelijkheden te bieden.
Artikel 3.73 vestiging niet-agrarische functie in landelijk gebied Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in de vestiging van een niet-agrarische functie op een bestaand bouwperceel als aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. de vestiging past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokken: b. een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving; c. welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders; d. hoe de vestiging bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit, waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het Landelijk gebied. e. er vindt geen splitsing plaats van het bouwperceel; f. overtollige bebouwing wordt gesloopt; g. de vestiging heeft geen betrekking op: h. een kantoor met baliefunctie; i. lawaaisport; j. mestbewerking. Lid 2 Het bestemmingsplan dat de vestiging mogelijk maakt, borgt dat de functie, ook op langere termijn, past binnen de ontwikkelingsrichting en stelt daartoe regels: a. over een bij de omgeving passende omvang en publieksaantrekkende werking; b. welke specifieke gebruiksactiviteit is toegestaan; c. dat opslag en stalling plaatsvindt in gebouwen; d.
dat de ontwikkeling verplaatst naar een passende locatie als deze niet langer past binnen de maximaal toegestane omvang. Lid 3 Als een binnen de omgeving passende omvang geldt voor: a. bedrijvigheid, dat deze kleinschalig is en past binnen een gemengde omgeving waardoor het niet doelmatig is om deze te vestigen op een bedrijventerrein; b. een detailhandelsvoorziening, een omvang van het verkoopvloeroppervlak van ten hoogste
| bestemmingsplan Zigraeck 5 Baarle Nassau | status: ontwerp |
Pagina | 4 4
200 m²; c. een voorziening ten dienste van vrije-tijd en zorg, een omvang van de bebouwing van ten hoogste 1 hectare. De ontwikkelingsrichting is verwoord in het bestemmingsplan buitengebied 2009: agrarisch verwante bedrijven kunnen zich vestigen op een voormalige agrarische bedrijfslocatie in het buitengebied, maar niet op locaties waarvan de agrarische bestemming kan worden gehandhaafd voor de opvang van te verplaatsen agrarische bedrijven en niet op locaties waar sloop van bedrijfsgebouwen heeft plaatsgevonden met gebruikmaking van de regeling ‘ruimte-voor-ruimte’. Voorwaarde is dat deze bedrijven passen in de omgeving. Dit betekent in elk geval dat de groene hoofdstructuur ervan gevrijwaard moet blijven. Verder mag het bedrijf in beginsel niet meer ruimte in beslag nemen dan het voormalige agrarische bouwblok. Buitenopslag is niet toegestaan, tenzij deze rechtstreeks voortvloeit uit de aard van het bedrijf. In casu is er sprake van een ruim 20 jaar bestaand agrarisch verwant bedrijf dat is gevestigd in voormalige agrarische bedrijfsbebouwing. In het vigerende bestemmingsplan is de bestemming 'wonen' toegekend voor wat betreft het deel waarop de hoofdbebouwing staat en 'landschappelijke en/of kultuurhistorische waarden' voorzover gelegen ten noorden van de woonbestemming. In de procedure van het (vigerende) bestemmingsplan Buitengebied is een zienswijze ingediend.
In het kader van de behandeling van deze zienswijze heeft de gemeenteraad bij de vaststelling van het bestemmingsplan bepaald dat het bedrijf positief bestemd diende te worden. Abusievelijk heeft deze positieve bestemming niet plaatsgevonden. In het kader van het bij de Raad van State ingediende beroep tegen het vastgestelde bestemmingsplan is dit aanleiding geweest het bestemmingsplan op dit punt te vernietigen. Feit is dus, dat ware het hoveniersbedrijf in het bestemmingsplan buitengebied 2008 (vastgesteld op 16 juni 2009) correct bestemd geworden, er een bouwvlak zou zijn toegekend voor een agrarisch verwant bedrijf. Daarom kan worden gesteld dat de vestiging van het hoveniersbedrijf past binnen de ontwikkelingsrichting die het bevoegd gezag zich voor deze locatie tot doel heeft gesteld. Het hoveniersbedrijf mag een maximaal bebouwd gebruiksoppervlak beslaan van 400 m2, waarbij, mede gezien de omvang aan buitenruimte voor de mogelijke opkweek van beplanting, het niet wenselijk is om dit op een bedrijventerrein te projecteren. Het gemeentelijk beleid van Baarle-Nassau is er op gericht om geen nieuwe grootschalige locaties voor verblijfsrecreatie mogelijk te maken.
De gemeente wil inzetten op kleinschaligheid en biedt onder andere de mogelijkheid tot het creëren van mini campings bij agrarische bedrijven en het oprichten van Bed and breakfastruimten bij woningen en agrarische bedrijven. Het aantal standplaatsen is gemaximeerd op 15 standplaatsen. Voorwaarde is dat deze nieuwe minicampings leiden tot verrijking c.q. verbreding van het toeristisch product in de streek. De ingebruikneming van een nieuwe minicamping moet gepaard gaan met de uitvoering van een door Burgemeester en Wethouders goed te keuren beplantingsplan. Aan de Bed and breakfastruimten is een oppervlak van maximaal 150 m² gekoppeld. Door de combinatie te leggen met natuureducatie, extensieve recreatie in de natuur en kleinschalig kamperen en bed & breakfast, zoals in hoofdstuk 3 beschreven is, vindt een verrijking van het toeristisch product plaats. De omvang van de vrije-tijdsfunctie bedraagt, inclusief de vijver, nog geen 0,8 ha. Detailhandel zal hier niet plaatsvinden. Overtollige bebouwing is reeds gesloopt en er komt geen kantoor met baliefunctie, noch een lawaaisport of mestbewerking. Onderhavig bestemmingsplan waarborgt in artikel 3 en 4 van de planregels dat de functies (qua gebruik, bebouwde oppervlakte en gebruiksoppervlakte) passen binnen de ontwikkelingsrichting | bestemmingsplan Zigraeck 5 Baarle Nassau | status: ontwerp |
Pagina | 4 5
en stelt daartoe regels over een bij de omgeving passende omvang en publieksaantrekkende werking, de specifiek toegestane gebruiksactiviteit, en dat opslag en stalling plaatsvindt in gebouwen. Artikel 3.75 aanvullende regels voor vrije-tijds voorziening Lid 2 In geval een bestemmingsplan de vestiging van verblijfsrecreatie, waaronder de bouw van een recreatiewoning, toestaat, geldt in aanvulling op artikel 3.73 Vestiging niet-agrarische functie in Landelijk gebied, tweede lid dat het bestemmingsplan borgt dat: a. het terrein en de woningen bedrijfsmatig worden beheerd; b. permanente bewoning is uitgesloten. In artikel 4.4.1 van de planregels wordt geborgd dat dat het terrein en de verblijfsrecreatievoorzieningen bedrijfsmatig worden beheerd en dat permanente bewoning van bijbehorende bouwwerken, recreatiewoningen of verblijfsrecreatieve voorzieningen uitgesloten. Artikel 5.3 wijziging grenzen van werkingsgebieden Lid 1 Gedeputeerde Staten zijn bevoegd de in deze verordening opgenomen grenzen van een werkingsgebied te wijzigen als één of meer van de volgende gevallen zich voordoet: a. de wijziging is nodig voor een doelmatige uitvoering; b. de wijziging draagt bij aan het doel waarvoor het werkingsgebied is opgenomen; c. de wijziging past binnen de uitgangspunten en basisprincipes van deze verordening; d. er is sprake van kennelijke onjuistheden in de begrenzing; e.
de begrenzing van een gebied is niet langer in overeenstemming met een bestemmingsplan dat overeenkomstig artikel 3.8, derde lid, Wet ruimtelijke ordening is vastgesteld. Lid 2 In aanvulling op het eerste lid geldt voor een wijziging van de grenzen van het Natuur Netwerk Brabant dat: a. een wijziging van de grens van Natura2000 niet is toegestaan; b. de wijziging tot doel heeft de ecologische samenhang van het Natuur Netwerk Brabant te verbeteren; c. de kwalitatieve en kwantitatieve ambities van het Natuur Netwerk Brabant worden behouden of versterkt. Lid 3 In aanvulling op het eerste lid geldt voor een wijziging van de grenzen van Attentiezone Waterhuishouding dat de beoogde ontwikkeling waarvoor de wijziging nodig is, geen nadelig effect heeft op de waterhuishouding ter plaatse.
Zoals uit bovenstaande toets aan artikel 3.21 en artikel 3.26 blijkt, is er ten behoeve van het behalen van de doelstellingen van de Interim Omgevingsverordening, althans het verbeteren van de landschappelijke kwaliteit zodanig dat het perceel doelmatiger kan worden gebruikt en de natuurgebieden ook een eenheid kunnen gaan vormen, een herbegrenzing van het Natuur Netwerk Brabant en de groenblauwe mantel noodzakelijk. Hiervoor zal na de ontwerpfase van onderhavig bestemmingsplan een verzoek worden ingediend bij de Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant.
| bestemmingsplan Zigraeck 5 Baarle Nassau | status: ontwerp |
Pagina | 4 6
4.3
Gemeentelijk beleid
4.3.1
Bestemmingsplan
Voor het plangebied vigeren de volgende bestemmingsplannen: Naam bestemmingsplan
Bestemmingen
Vaststelling Raad
Bestemmingsplan Buitengebied 2008
- agrarisch met waarden - natuurwaarden - extensiveringsgebied - natuur - aardkundig waardevol gebied - wonen
6 juni 2009
Beheersverordening 'Buitengebied Baarle-Nassau' met verwijzing naar bestemmingsplan Buitengebied 1990 en 1994
- agrarisch met landschappelijke en/of kultuurhistorische waarde
11 december 2013
4.3.2
Visie Vrije tijdseconomie 2030
Het doel van deze visie vrijetijdseconomie (vastgesteld op 23 mei 2018) is het geven van een kwaliteitsimpuls aan de vrijetijdseconomie van de gemeente Baarle-Nassau. Deze impuls leidt op termijn tot een gezond, vraaggericht, toekomstbestendig én onderscheidend aanbod. Hierbij zijn de ‘troeven’ die de identiteit van Baarle vormen ook daadwerkelijk zichtbaar en beleefbaar. Kortom, een vitale sector, die steeds meer kwaliteit biedt aan haar inwoners en aan haar gasten. Dit leidt uiteindelijk tot een hogere tevredenheid van bezoekers, die zodoende meer besteden, wat leidt tot meer werkgelegenheid in de toeristische sector. In deze visie wordt erkend dat het buitengebied wordt gezien als parel van Baarle. Het wordt alleen nog onvoldoende benut. Het buitengebied is nog relatief onbekend bij het publiek, in ieder geval bij het publiek van buiten de eigen gemeente. In het buitengebied spelen diverse trends en ontwikkelingen, zoals het vrijkomen van agrarische bestemmingen, die mogelijk ten goede kunnen worden benut. Recreatie kan in het buitengebied een economische drager zijn naast de agrarische sector. Ook kunnen verbindingen tussen kern en buitengebied bijdragen aan de beleving van de grenssituatie en de enclaves. De hieronder aangegeven acties dragen bij aan de bekendheid en beleefbaarheid van het buitengebied én de verbinding tussen centrum en buitengebied: 1.
Bekendheid natuurgebieden vergroten; 2. Kleinschalige (markt)initiatieven passend bij het buitengebied stimuleren en mogelijk maken; 3. Kwaliteitsimpuls recreatieve routes: hierbij is er vooral aandacht voor de verbinding leggen tussen centrum en buitengebied met (nieuwe) recreatieve routes, maar ook de bewegwijzering (van buiten naar binnen) en beleving van routes en paden. De bekendheid van de natuurgebieden kan sterker worden door in de communicatie (via de kanalen van Toerisme Baarle) de natuurparels als onderdeel van de bestemming Baarle (als regio) te betrekken. Daarbij is speciale aandacht voor de zichtbaarheid ter plekke gewenst door relevante plekken in het buitengebied te ‘merken’. Ook het mogelijk maken van natuurgerichte vormen van extensieve recreatie zijn hiervoor een middel, zoals in Beekvallei ’t Merkske.
| bestemmingsplan Zigraeck 5 Baarle Nassau | status: ontwerp |
Pagina | 4 7
De gemeente zal in haar omgevingsvisie helder en duidelijk aangeven wat ze als wenselijk ziet in het buitengebied. Hierbij zijn de volgende criteria essentieel: passend bij de identiteit van het buitengebied en Baarle, inspelend op kansrijke doelgroepen, en bijdragend aan de diversiteit van het aanbod. De gemeente zal deze ontwikkelingen ruimtelijk ook mogelijk gaan maken en zelf de bestaande initiatiefnemers benaderen om in gesprek te gaan over de kansrijkheid en wenselijkheid van hun initiatief. In Baarle-Nassau wordt gewerkt aan het opstellen van een omgevingsvisie en een nieuw bestemmingsplan buitengebied. De visie vrijetijdseconomie zal een vertaling krijgen in de omgevingsvisie. In het bestemmingsplan worden bepalingen opgenomen die rechtstreeks kunnen worden toegestaan. Gedacht wordt aan een regeling voor verbrede landbouw en het vrijgeven van Bed & Breakfasts. De gemeente wil dus mogelijk maken dat vrijkomende agrarische bebouwing kan worden benut voor nieuwe recreatieve ontwikkelingen. Via flexibele bepalingen kunnen ontwikkelingen worden toegestaan waarvoor nog een maatwerkafweging nodig is. De visie vrijetijdseconomie wordt gebruikt als afwegingskader. In de afwegingen zullen de volgende criteria worden betrokken, waar de gemeente in beginsel positief tegenover staat: Afwegingskader initiatieven buitengebied i. Er is sprake van kleinschalige initiatieven.
Hieronder verstaat de gemeente die vormen van verblijfs- en dagrecreatie waarbij het aantal recreanten (per tijdseenheid en/of oppervlakte-eenheid) beperkt is en waarvan de ruimtelijke impact ook beperkt is. a. Voor verblijfsrecreatie geldt: het gaat om bed & breakfasts, pension etc.. Ook aan een grootschaliger initiatief zoals een groepsaccommodatie of klein hotel bestaat mogelijk behoefte. De gemeente wil hier ook positief tegenover staan, en zal het gesprek hierover aangaan, waarbij de kwaliteit van het initiatief leidend zal zijn. b. Voor dagrecreatie geldt: het gaat om initiatieven die de functies natuur(beleving) en natuurgerichte recreatie ondersteunen, zoals een theetuin, een rustpunt, andere vormen van horeca, outdoor, educatieve, culturele of sportieve evenementen, etc. ii. Er is sprake van kwaliteit: de initiatieven voegen kwaliteit toe (dus niet meer van hetzelfde) en sluiten aan op de gewenste beleving van recreanten (leefstijlen Geel, Lime en Aqua). Initiatieven dragen bij voorkeur bij aan het beleefbaar maken van de kernkwaliteiten van Baarle (zie ook de speerpunten). iii. Initiatieven op passende plekken. Initiatieven zijn gelokaliseerd op een passende plek, waar slechts geringe mate van verstoring plaatsvindt of eventuele knelpunten kunnen worden opgelost.
Kwaliteitsimpuls door recreatieve routes Wandelen en fietsen met beleving en verbonden met gebiedsthema’s wordt met spoed opgepakt. De gemeente wil in samenwerking met ondernemers, gebiedspartners en Toerisme Baarle een totaalproduct bieden aan de wandelaar en fietser. Daarin zal storytelling een belangrijke rol moeten spelen. Het totaalproduct aan routes zal worden opgenomen op de site en app van Toerisme Baarle. Er wordt met gebiedspartners gewerkt aan diverse manieren om het routegebonden aanbod te versterken. In dit kader vindt ook een inventarisatie van de huidige situatie plaats. Het buitengebied zal themagericht wordenbenaderd. Thema’s kunnen zorgen voor inhoud aan de beleving van wandel- en fietsroutes. De basis wordt op orde gebracht en vervolgens kan aan beleefbaarheid worden gewerkt én de verbinding met het centrum. Deze acties worden grotendeels reeds opgepakt in het (deel)project Natuurrecreatie buitengebied.
| bestemmingsplan Zigraeck 5 Baarle Nassau | status: ontwerp |
Pagina | 4 8
Onderhavig project is het voorbeeld waarop de visie vrijetijdseconomie op de gewenste wijze ten uitvoer wordt gebracht en past geheel in datgene wat de gemeente Baarle-Nassau beoogt te realiseren met deze visie in combinatie met de Omgevingsvisie.
4.3.3
Omgevingsvisie
Op 26 juni 2019 is de Omgevingsvisie vastgesteld. Met betrekking tot Beekdal Merkske, waarin het onderhavige plangebied grotendeels is gelegen, worden de volgende doelen gesteld, welke specifiek zijn voor het beekdal. Het Merkske ligt (samen met de Schouwloop) in een langgerekt beekdal dat de grens vormt tussen Baarle-Nassau en België. Het is een van de zeldzame beken die in het verleden nooit is ’genormaliseerd’ (en dus ook nooit ‘hersteld’ is hoeven worden). Dat betekent niet dat het allemaal puur natuur is in het beekdal. Om verschillende redenen is er in de loop van de geschiedenis aan de watergang ‘gesleuteld’, onder andere om basenrijk kwelwater op te vangen en daarmee de graslanden aan weerszijden van de beek te bevloeien (als vorm van bemesting om zo voor hoge grasopbrengsten te zorgen). Maar de meandering van het stroompje, de percelering van de graslanden, de dichte beplanting langs de kavels zorgen voor hoge natuurwaarden en een erg aantrekkelijk beeld. De landbouw heeft de gronden langs de beek niet meer nodig en de beleidsstatus is gericht op behoud en verdere ontwikkeling van de kwaliteiten. In dit gebied is het beekdal aangevuld met een stuk natuurgebied op de Castelreese Heide. De beleidsstatus en de inrichting hiervan sluiten op elkaar aan. Samen zijn ze een natuurgebied van formaat.
Karakteristiek voor het beekdal is dus de meanderende beek, omzoomd door een lappendeken van relatief kleine graslandpercelen in een besloten kleinschalig landschap. Het gebied is beperkt toegankelijk. Naast de algemene principes die worden gehanteerd voor het buitengebied, gelden de volgende doelen specifiek voor het beekdal: De karakteristiek van het beekdal in stand houden en versterken, evenals de aan het beekdal verbonden natuurwaarden. De toegankelijkheid van het beekdal vergroten voor extensief recreatief medegebruik, zonder daarmee het karakter van het gebied aan te tasten. Grootschalige ontwikkelingen, zoals nieuwe bebouwing, grootschalige landbouw of grootschalige verblijfsrecreatie passen niet in het beekdal. De toegankelijkheid voor extensief medegebruik zal worden vergroot door onder meer wandelen fietsroutes aan te leggen. Deze routering zorgt tevens voor een geleiding van bezoekersstromen zodat kwetsbare gebieden ontzien kunnen worden. Dit wordt gedaan in gezamenlijkheid met de grondeigenaren, belangenorganisaties (buurgemeenten, terreinbeherende instanties, ZLTO), VVV en omwonenden.
Onderhavig project is een uitvloeisel van de samenwerking tussen initiatiefnemer (grondeigenaar), gemeente, provincie en Staatsbosbeheer, waardoor het behoud van het landschap en het extensieve recreatieve medegebruik op een kwalitatief goede wijze ten uitvoer wordt gebracht.
| bestemmingsplan Zigraeck 5 Baarle Nassau | status: ontwerp |
Pagina | 4 9
Hoofdstuk 5 Milieu-planologische aspecten 5.1
Milieu effect rapportage
In 2001 is de Europese richtlijn milieubeoordeling van plannen opgesteld. In 2006 is deze richtlijn geïmplementeerd in de Nederlandse milieuregelgeving door middel van een wijziging van de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage 1994. Bij deze wijzigingen is de figuur van de plan-mer (mer = milieu effect rapportage) geïntroduceerd. Ten aanzien van plannen die (uiteindelijk) kunnen leiden tot concrete projecten of activiteiten met mogelijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn overheden verplicht een plan-mer uit te voeren. De plan-mer dient een passende beoordeling van de gevolgen van het plan voor het milieu te bevatten. Ook ten aanzien van bestemmingsplannen welke mogelijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben geldt deze onderzoeksplicht onder voorwaarden. Onderhavig plan valt niet onder de in onderdeel C van de bijlage van het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten. Bijlage D (onder 27) van het Besluit m.e.r. bepaalt dat een m.e.r onderzoeksplicht geldt voor de eerste bebossing of de ontbossing dan wel de wijziging of uitbreiding daarvan met het oog op een andere ruimtelijke functie van de grond. In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1°. gronden met een agrarische bestemming en een oppervlakte van 100 hectare of meer, of 2°.
gronden met een andere dan een agrarische bestemming en een oppervlakte van 10 hectare of meer. Het lijdt geen twijfel dat er in casu geen sprake is van (gedeeltelijke) ontbossing in een omvang dat er sprake is van een m.e.r.onderzoeksplicht. Immers, het totale plangebied bedraagt niet meer dan 2,5 ha. Ook voor de overige activiteiten is er, gelet op de beperkte omvang en impact, geen sprake van een mer-plicht. Overigens wordt in deze plantoelichting wel degelijk getoetst aan alle milieu-aspecten en wordt beoordeeld of er eventueel waarden zijn welke onaanvaardbaar kunnen worden aangetast door onderhavig initiatief.
5.2
Geluidhinder
5.2.1
Wegverkeerslawaai
De Wet geluidhinder (Wgh) is van toepassing op woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen (onder meer onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen en andere gezondheidszorggebouwen) en geluidsgevoelige terreinen (onder meer woonwagenstandplaatsen). Uit art. 74 Wgh vloeit voort dat in principe alle wegen voorzien zijn van een geluidzone, met uitzondering van wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied of wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km/uur geldt. De zonebreedte is afhankelijk van het gebied (stedelijk of buitenstedelijk) en het aantal rijstroken. Binnen de zones moet een akoestisch onderzoek worden verricht. De maximaal toelaatbare geluidsbelasting voor woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en terreinen bedraagt in
| bestemmingsplan Zigraeck 5 Baarle Nassau | status: ontwerp |
Pagina | 5 0
die zone 48 dB (art. 82 Wgh). Gelet op het feit dat op de nieuwbouw van de bedrijfsruimte de Wet geluidhinder niet van toepassing is omdat het geen geluidgevoelig object is, en omdat de woning van een woonbestemming omgezet wordt naar een bedrijfswoning (in casu akoestisch gezien geen relevante wijziging), is het uitvoeren van een akoestisch onderzoek derhalve niet noodzakelijk. Ook in het kader van de melding op grond van het activiteitenbesluit is het uitvoeren van een akoestisch onderzoek naar inrichtingsgerelateerd geluid niet noodzakelijk.
5.2.2
Railverkeer en industrielawaai
In de nabijheid van het plangebied is geen spoorlijn gesitueerd.
5.3
Bodem- en grondwaterkwaliteit
In het kader van het onderhavige plan wordt binnen het plangebied een nieuwe functie toegelaten in de vorm van een bedrijfsgebouw (grotendeels vervangende nieuwbouw). Dit nieuwe bedrijfsgebouw zal, naast de opslag van bedrijfsmaterieel gereedschap en voorraden, tevens worden gebruikt als educatie-/bezoekerscentrum met sanitairvoorziening mede ten behoeve van het kleinschalig kamperen. Het betreft derhalve een gebouw waarin mensen verblijven. Hieruit volgt dat het onderhavige project de realisatie van een bouwwerk behelst waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven en is een verkennend bodemonderzoek derhalve noodzakelijk.
In mei 2019 is door Bakker Milieuadviezen Waalwijk een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Op basis van dit bodemonderzoek kan voor de onderzoekslocatie het volgende worden geconcludeerd: Deellocatie uitbreiding woning. - In de bovengrond zijn alle parameters uit het NEN 5740-pakket in gehalten beneden de AW 2000 aangetroffen; - In de ondergrond zijn alle parameters uit het NEN 5740-pakket in gehalten beneden de AW 2000 aangetroffen; - In het grondwater is sprake van een licht verhoogd gehalte aan barium. Deze verhoging heeft geen consequenties; Deellocatie te bouwen bedrijfsruimte + aan te leggen camping. - In beide bovengrondmengmonsters zijn alle parameters uit het NEN 5740-pakket in gehalten beneden de AW 2000 aangetroffen; - In beide ondergrondmengmonsters zijn alle parameters uit het NEN 5740-pakket in gehalten beneden de AW 2000 aangetroffen; - In het grondwater is sprake van licht verhoogde gehalten aan barium, cadmium en zink. Deze verhogingen hebben geen consequenties. Op grond van de resultaten van het uitgevoerde bodemonderzoek vormt de bodemkwaliteit geen enkele belemmering of beperking voor de voorgenomen
| bestemmingsplan Zigraeck 5 Baarle Nassau | status: ontwerp |
Pagina | 5 1
bouwplannen en voor de bestemming camping.
Het onderzoek is integraal als bijlage bij de planstukken gevoegd.
Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. De regels van het Besluit bodemkwaliteit zijn hierop van toepassing.
5.4
Luchtkwaliteit
Wetgeving Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5.2 van de Wet milieubeheer; 'Wet Luchtkwaliteit'). Hierin wordt een programma-aanpak geïntroduceerd. Alle projecten binnen een programmagebied kunnen hierdoor doorgang vinden mits de Nederlandse overheden voldoende maatregelen nemen om overal in het gebied aan de grenswaarden te voldoen.
Kleine en grote projecten De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en grote' projecten. Kleine projecten dragen niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in het Besluit “Niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)”. Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten - die jaarlijks meer dan 3 procent van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van PM10 en NO2 bijdragen- een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing.
Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) Dit is een Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 31 oktober 2007, nr. DJZ2007004707, houdende regels omtrent de aanwijzing van categorieën van gevallen die in ieder geval niet in betekenende mate bijdragen als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, onder c, van de Wet milieubeheer (Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)). Het gaat hierbij om de volgende categorieën: 1. inrichtingen 2. infrastructuur 3. kantoorlocaties 4. woningbouwlocaties
| bestemmingsplan Zigraeck 5 Baarle Nassau | status: ontwerp |
Pagina | 5 2
Voor woningbouw geldt dat woningbouwprojecten van netto niet meer dan 1500 woningen (in geval van één ontsluitingsweg) niet in betekende mate bedragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit (art. 4 lid 1 Besluit NIBM jo. art. 4 lid 2, bijlage 3B.2 Regeling NIBM). Of het onderhavige project valt onder de Regeling NIBM is met name gerelateerd aan de verkeersaantrekkende werking van deze functie. Aangezien de gebouwelijke uitbreiding betrekking heeft op het stallen van bedrijfsmaterieel waar dit tot op heden in verspreid liggende gebouwtjes plaatsvindt, zal er hierdoor weinig tot geen sprake zijn van toenemende verkeersaantrekkende werking. Het kleinschalige kampeerterrein is beperkt van omvang en de educatie- en bezoekersruimte zal ook geen enorme (gemotoriseerde) verkeersstromen tot gevolg hebben. Via de NIBM-rekentool is een worst-case berekening gemaakt waaruit blijkt dat bij een (niet te verwachten) toename van het aantal verkeersbewegingen van 100 voertuigen per dag (waarvan 50 vrachtwagens) nog altijd sprake is va 'niet in betekenende mate' bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.
De Wet luchtkwaliteit staat daarom niet aan onderhavige ontwikkeling in de weg.
5.5
Externe veiligheid
5.5.1
Risicovolle inrichtingen (Bevi)
De veiligheid rond bedrijven wordt gereguleerd in de vigerende milieuvergunning (of een geldende Algemene Maatregel van Bestuur) en het Besluit externe veiligheid inrichtingen van 21 oktober 2004 (Bevi). In het Bevi worden specifieke regels opgenomen voor specifieke risicovoIle inrichtingen. In het Bevi heeft iedere risicovolle inrichting een veiligheidszone gekregen. Dit heet de plaatsgebonden risicocontour (PR-contour). Binnen deze contour mogen nieuwe kwetsbare objecten (zoals woningen, scholen, ziekenhuizen, grootschalige kantoren, hotels, winkelcentra, campings) of beperkt kwetsbare objecten (zoals verspreid liggende woningen, bedrijfswoningen dan wel bedrijfsgebouwen van derden, kleinere kantoren, hotels en winkels, sporthallen, zwembaden) niet of niet zonder meer worden opgericht. Het Bevi gaat uit van een PR-contour 10-6/jr. Het kan gaan om inrichtingen waarbij door middel van een vaste afstand wordt voldaan aan deze contour (zogenaamde “categoriale inrichtingen”) en inrichtingen waarbij deze contour individueel moet worden berekend (Quantitative Risk Assement (QRA)). Dit is geregeld in Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). | bestemmingsplan Zigraeck 5 Baarle Nassau | status: ontwerp |
Pagina | 5 3
Bij het nemen van een planologische besluit (zoals de vaststelling van een bestemmingsplan of een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan) moet het bevoegd gezag deze contour in acht nemen voor kwetsbare objecten. Hierbij geldt de PR-contour 10-6/jr. als grenswaarde. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de contour als richtwaarde, d.w.z. in principe moet PR 10-6/jr. aangehouden worden, maar er mag gemotiveerd van worden afgeweken. Naast het plaatsgebonden risico kent het Bevi ook het groepsrisico (GR). Het groepsrisico geeft aan wat de kans is op een ongeval met ten minste 10, 100 of 1000 dodelijke slachtoffers in de omgeving van de beschouwde bron. Het aantal personen dat in de omgeving van de bron verblijft bepaalt daardoor mede de hoogte van het groepsrisico. Voor het GR geldt geen harde juridische norm (zoals de PR-contour 10-6/jr. wel is) maar een zogenaamde oriënterende waarde. Het berekende groepsrisico wordt weergegeven in een curve, waarbij de kans op een ongeval wordt uitgezet tegen het aantal mensen dat daarbij omkomt. In dezelfde grafiek wordt de oriënterende waarde uitgezet. Als die wordt overschreden door een ruimtelijke ontwikkeling moet dat worden verantwoord. Hiermee wordt in beeld gebracht of en in welke mate het bevoegd gezag het GR wel of niet aanvaardbaar vindt, al dan niet na het nemen van maatregelen.
Bij een bedrijfsruimte en (verblijfs)recreatie is er sprake van realisatie van een (beperkt) kwetsbaar object. Volgens de Risicokaart Brabant en informatie van de gemeente Baarle-Nassau ligt in de directe omgeving van het plangebied (binnen een straal van 1 km) geen risicovolle inrichting van derden. De meest nabijgelegen risicovolle inrichting betreft een bunker van defensie aan de Haldijk 2 te Ulicoten; de afstand bedraagt ruim 1,8 km. Het plangebied ligt derhalve niet in binnen PR-contouren 10-6/jr. en GR-invloedsgebieden van risicovolle (Bevi)inrichtingen.
Figuur: Uitsnede risicokaart Brabant met het plangebied
| bestemmingsplan Zigraeck 5 Baarle Nassau | status: ontwerp |
Pagina | 5 4
5.5.2
Vervoer gevaarlijke stoffen
Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Daarmee wordt de opdracht aan het bevoegd gezag voor ruimtelijke besluiten nadrukkelijk vastgelegd om rekening te houden met de risico's van transport van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor. In het basisnet is de omvang voor de verschillende transportmodaliteiten vastgelegd. Voor zover het gaat om het vervoer van gevaarlijke stoffen zijn met name de rijks-, provincialeen spoorwegen van belang. In de regio Baarle-Nassau zijn dit de N 639, N 260 en de N 14 (op Belgisch grondgebied). Voor deze wegen is de PR-contour 10 -6/jr. niet berekenbaar geweest. Dit houdt in dat voor dit aspect geen knelpunt aanwezig is. Ook de oriënterende waarde van het groepsrisico wordt niet overschreden. Het plangebied bevindt zich verder circa 10 km verwijderd van de spoorlijn Antwerpen-Breda.
5.5.3
Besluit externe veiligheid buisleidingen
Een buisleiding die wordt gebruikt voor transport van gevaarlijke stoffen, vormt een risico voor de veiligheid. Als de leiding gaat lekken, kunnen de gevaarlijke stoffen vrijkomen en ontstaat er een kans op explosie, vergiftiging van mensen of dieren of verontreiniging van het milieu. In het Besluit externe veiligheid buisleidingen zoals dit per 1 januari 2011 geldt, staan veiligheidseisen voor de exploitant en de gemeente. Exploitanten hebben een zorgplicht en moeten ervoor zorgen dat hun buisleidingen veilig zijn. Gemeenten moeten buisleidingen in hun bestemmingsplannen opnemen en bij nieuwbouw zorgen voor genoeg afstand tot de buisleidingen. In de ruime omgeving van het plangebied bevindt zich een ondergrondse buisleiding van de Gasunie, op een afstand van circa 7 km van het plangebied. De PR-contour 10-6/jr. bedraagt bij deze leiding 0 meter.
5.6
Milieuzonering
Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygiënische aspecten wordt milieuzonering gehanteerd. Hieronder wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige gebieden zoals woongebieden.
5.6.1
Bedrijven en Milieuzonering; Staat van bedrijfsactiviteiten
Om milieuzonering hanteerbaar te maken wordt gebruik gemaakt van de Staat van bedrijfsactiviteiten zoals die is opgenomen in de VNG brochure 'Bedrijven en milieuzonering', van maart 2009. In deze Staat worden bedrijfsactiviteiten ingedeeld in een zestal categorieën met toenemende potentiële milieuemissies. Op grond van deze Staat kan een beleidsmatige selectie worden gemaakt van de op het plangebied toe te laten bedrijfsactiviteiten. De bedrijven zijn op basis van de Standaard Bedrijfs Indeling (SBI-codes) in deze Staat gerangschikt.
| bestemmingsplan Zigraeck 5 Baarle Nassau | status: ontwerp |
Pagina | 5 5
Per bedrijfsactiviteit is voor elk ruimtelijk relevante milieucomponent (geur, stof, geluid en gevaar) een richtafstand aangegeven die in beginsel moet worden aangehouden tussen een bedrijf en milieugevoelige objecten (woningen) om hinder en schade aan mensen binnen aanvaardbare normen te houden. Bij het bepalen van deze richtafstanden zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: het betreft 'gemiddelde' moderne bedrijfsactiviteiten met gebruikelijke productieprocessen en voorzieningen; de richtafstanden hebben betrekking op de omgevingstype 'rustige woonwijk' , 'rustig buitengebied' of vergelijkbare omgevingstypen; de richtafstanden bieden in beginsel ruimte voor normale groei van de bedrijfsactiviteiten. De grootste afstand van de milieucomponenten vormt de indicatie voor de aan te houden afstand van de bedrijfsactiviteit tot een milieugevoelig object. Elk bedrijf c.q. bedrijfsactiviteit wordt in een bepaalde milieucategorie ingedeeld. Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kortere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype 'gemengd gebied', dat gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij drukke wegen al een hogere milieubelasting kent. In zo'n geval is het ruimtelijk aanvaardbaar dat de richtafstanden met één afstandsstap worden verlaagd.
Bij de beoordeling of de positieve bestemming van het hoveniersbedrijf in zijn algemeenheid en het nieuw te realiseren bedrijfsgebouw in het bijzonder vanuit planologisch oogpunt aanvaardbaar zijn, dient ook bekeken te worden of er bedrijven in de omgeving van het plangebied zijn gelegen welke in hun bedrijfsvoering belemmerd kunnen worden door het project, dan wel of er functies in de omgeving zijn welke negatieve invloed zouden kunnen hebben op het project en omgekeerd. Het hoveniersbedrijf met (verblijfs)recreatieve- en natuureducatieve activiteiten is gelegen in het buitengebied. Volgens de Handreiking Bedrijven en Milieuzonering (VNG) vallen plantsoenendiensten en hoveniersbedrijven met een bedrijfsoppervlak > 500 m² binnen milieucategorie 3.1; hierbij geldt een richtafstand van 50 meter tot een rustige woonwijk in een nieuwe situatie, in verband met geluidhinder. Plantsoenendiensten en hoveniersbedrijven met een bedrijfsoppervlak < 500 m² vallen binnen milieucategorie 2; hierbij geldt een richtafstand van 30 meter tot een rustige woonwijk. De afstand tussen het hoveniersbedrijf (zuidelijke gevel van de bedrijfswoning) en het dichtstbijgelegen milieugevoelige object (rand bouwvlak behorende bij woning Zigraeck 3) bedraagt circa 50 meter. De afstand tussen de bedrijfsbebouwing van het hoveniersbedrijf en betreffende woning zal ten minste 110 meter gaan bedragen.
In casu staat het aspect milieuzonering gerelateerd aan de hoveniersactiviteiten niet aan een positieve bestemming in de weg. De recreatieve activiteiten in de omvang waarin deze zullen worden vormgegeven zullen minder impact hebben (lagere milieucategorie) op omliggende woningen dan de hoveniersactiviteiten. Immers, de recreatieve activiteiten zijn met name gericht op natuurbeleving en natuureducatie, welke zich goed voegen in de omgeving en geen onaanvaardbare negatieve gevolgen voor het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen hebben. Volgens de Handreiking Bedrijven en Milieuzonering (VNG) vallen 'kampeerterreinen, vakantiecentra e.d. met keuken dan wel binnen milieucategorie 3.1 (richtafstand van 50 meter tot een rustige woonwijk in een nieuwe situatie, in verband met geurhinder), maar daarbij wordt uitgegaan van grote campings en bungalowparken; een natuurkampeerterrein met slechts 15 plaatsen is qua impact op de omgeving van een veel kleinere orde. Voornoemde kampeerterreinen en vakantiecentra zijn | bestemmingsplan Zigraeck 5 Baarle Nassau | status: ontwerp |
Pagina | 5 6
juist gericht op de grotere mensenmassa's waardoor er sprake is van een cumulatie van met name menselijk stemgeluid; deze groep recreanten stellen geen specifiek belang in recreatie in de natuur en gedragen zich daardoor anders dan recreanten die doelbewust een zeer kleinschalige camping zoeken waar het ervaren van de natuur op de eerste plaats staat. De Afdeling Bestuursrechtspraak (zie uitspraak ABRS 27 juni 2012, 201112199/1/R2) heeft deze redenering bevestigd en heeft uitgesproken dat een gemeente zich in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat kleinschalig kamperen (in dat geval 25 kampeerplaatsen) niet hoeft te worden gelijkgesteld met verblijfsrecreatie van de categorie 3.1 als bedoeld in de VNG-brochure. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat het kleinschalig kamperen ondergeschikt is en gelet op onder andere het aantal toegestane standplaatsen van beperkte omvang is.
5.7
Wet natuurbescherming
Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze vervangt drie wetten; de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. De gebiedsbescherming wordt geregeld in hoofdstuk 2 van de Wnb. Met de Wnb wordt een eind gemaakt aan de discussies over de implementatie van de Europese richtlijnen.