Bijlage 3 Concept Verordening jeugdhulp 2023 Baarle-Nassau
Tekst van het document
Pagina 17 van 22
onvoldoende meewerken aan een dergelijk onderzoek gevolgen kan hebben voor de verstrekking, vorm, inhoud en/of hoogte van de individuele voorziening. Artikel 12 Verslag Deze bepaling is opgenomen in het belang van een zorgvuldige dossiervorming en een zorgvuldige procedure. Het college verstrekt de schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek in de vorm van een vraaganalyse en Plan van Aanpak, om de cliënt in staat te stellen een aanvraag te doen voor een maatwerkvoorziening. Dat moet in beginsel schriftelijk. Een goede weergave maakt het voor de gemeente inzichtelijk om een juiste beslissing te nemen te nemen op een aanvraag en draagt bij aan een inzichtelijke communicatie met de cliënt. De schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek wordt ook gebruikt als een met de cliënt overeengekomen plan waarin de gemaakte afspraken en de verplichtingen die daaruit voortvloeien, zijn vastgelegd. Het is in dat geval passend dat het college en de cliënt dit plan ondertekenen. Het later toevoegen van opmerkingen of het aanbrengen van wijzigingen of het herstellen van feitelijke onjuistheden is eveneens vormvrij (tweede lid). Artikel 13 Besluit In dit artikel zijn verschillende procedure afspraken opgenomen die gelden bij de procedure toegang jeugdhulp via de gemeente.
Deze hebben te maken met het besluit en de start zorg van een jeugdhulpaanbieder bij een afgegeven besluit. Het tweede lid geeft aan dat opschorting kan plaatsvinden op basis van de Algemene Wet Bestuursrecht. Het vierde lid regelt de toeleiding naar jeugdhulp in crisissituaties. In gevallen waar onmiddellijke start van de hulp nodig is (en het besluit niet kan worden afgewacht) kan het besluit tot inzet van een individuele voorziening genomen worden na de daadwerkelijke start van de hulp. Het besluit tot inzetten van de hulp moet vervolgens binnen 6 weken na de start van de hulp zijn vastgelegd in een beschikking. Artikel 14 beschikking In dit artikel wordt uiteengezet dat het college zijn besluit vastlegt in een beschikking. Daarnaast wordt uitgewerkt dat in de beschikking in ieder geval wordt aangegeven of de voorziening in natura of PGB verstrekt wordt en hoe bezwaar kan worden gemaakt. Tevens wordt verwezen naar het Plan van Aanpak, wat onderdeel uitmaakt van de beschikking. In het geval van hoog specialistische jeugdhulp wordt de aard en omvang van de in te zetten hulp beschreven in het Plan van Aanpak, die door het samenwerkingsverband hoog specialistische jeugdhulp samen met de gezaghebbende ouder(s) en/of jeugdige is opgesteld.
Artikel 15 Regels voor pgb Jeugdigen of hun ouders kunnen zelf bijbetalen wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder duurder is dan de in de betreffende situatie goedkoopst adequate door het college te bieden individuele voorziening in natura. Het college kan het pgb slechts weigeren voor dat gedeelte dat duurder is dan deze door het college te bieden individuele voorziening in natura. Er wordt op basis van het tweede lid getoetst of ouders in staat zijn om de rechten en plichten die zijn verbonden aan het PGB op een verantwoorde manier uit te voeren. Hiervoor hanteert de toegang de richtlijnen die hiervoor door het Rijk zijn verstrekt, op basis van een checklist. In het derde lid wordt aangegeven dat als een jeugdige/ouder in aanmerking wil komen voor een pgb, hij daarvoor een budgetplan opstellen. Er wordt in het derde lid aangegeven welke onderdelen in ieder geval opgenomen moeten zijn in dat budgetplan. Een aantal zaken vloeien rechtstreeks voort uit de wet. De Jeugdwet noemt in artikel 8.1.1 namelijk een aantal criteria om in aanmerking te kunnen komen voor een pgb. Deze criteria komen terug in het budgetplan en het college kan op deze manier toetsen of aan de wettelijke voorwaarden wordt voldaan. In het vierde lid wordt uitgewerkt welke voorwaarden van toepassing zijn op de berekening en hoogte van het PGB.
Hierbij wordt gebruik gemaakt van het opgestelde budgetplan. Er wordt rekening gehouden met het feit of er sprake is van formele en informele hulp. Bij formele hulp wordt maximaal 90% van de hoogte van pgb tarief van de goedkoopste individuele voorziening in natura toegekend. Het verschil met het uurtarief in natura is verklaarbaar doordat een gecontracteerde aanbieder meer administratieve en verantwoordingsverplichtingen heeft aan de gemeente. Een zorgaanbieder in de vrije markt heeft deze verplichting niet. In het vijfde lid staat beschreven op welke manier tarieven van pgb’s worden geïndexeerd ten opzichte van het voorgaande jaar en voorgaande jaren. Uitgangspunt is dat bij de indexering van formele zorg
Pagina 18 van 22
dezelfde indexering wordt gebruikt als bij de tarieven van zorg in natura wordt gebruikt. Bij informele hulp wordt jaarlijks aangesloten bij het maximaal op grond van de wet langdurige zorg geldende PGB uur-tarief voor hulp van niet-professionele zorgverleners (lid 6b). In het zesde lid wordt uitgewerkt dat informele hulp alleen kan worden ingezet voor persoonlijke verzorging en begeleiding. Van formele hulp is, kortweg, sprake als de hulp verleend wordt in het kader van de uitoefening van een bedrijf of beroep. De hulp wordt dan verleend door een jeugdhulpaanbieder of door een zelfstandige jeugdhulpverlener (ZZP-er), die onder toezicht staan van de in de Jeugdwet aangewezen inspecties. Van formele hulp is ook sprake als de hulpverlener een BIG of SKJ-registratie heeft. In lid 7 wordt hierbij één (belangrijke) uitzondering gemaakt en dat is wanneer de hulpverlener een bloed- of aanverwant is in de 1e of 2e graad (o.a. (groot)ouders, broers, zussen en (adoptie)kinderen). Bij hulpverlening door een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad, is altijd sprake van informele hulp. Ook al gaat het om een hulpverlener die bijvoorbeeld BIG-geregistreerd is en voldoet aan de criteria van geregistreerde jeugdhulpaanbieders; dan nog geldt dat in het kader van deze verordening als informele hulp.
De achtergrond daarvan is dat ook familieleden met een zorg-gerelateerd beroep of opleiding in eerste instantie een affectieve relatie hebben met de budgethouder. Dat is dan ook doorslaggevend voor het bijbehorende pgb-tarief. Informele hulp is derhalve alle hulp die geboden wordt door bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad, of door personen die niet beroeps of bedrijfsmatig jeugdhulp verlenen. In de praktijk gaat het dan eigenlijk altijd om personen uit het sociale netwerk. Bloedverwanten Bloedverwantschap ontstaat door: • geboorte; • afstamming van dezelfde voorvader; • erkenning; • gerechtelijke vaststelling van het vaderschap; • adoptie. Bloedverwanten zijn in de: Eerste graad: • (adoptie)ouders; • (adoptie)kinderen. Tweede graad: • grootouders; • kleinkinderen; • broers en zussen In lid 8 wordt de mogelijkheid geboden om jeugdhulp te verlenen op basis van een verklaring als bedoeld in artikel 8ab lid 1 van de Regeling jeugdwet. Met de ministeriële regeling voor hulp uit het sociaal netwerk bestaat per 1 mei 2019 de mogelijkheid om de verstrekking van vergoedingen voor informele hulp uit een pgb, zo te regelen dat er niet ongewenst een arbeidsrelatie ontstaat. Op basis van deze regeling kunnen budgethouders die geen arbeidsrelatie met hun informele hulpverlener wensen, aan hun informele hulpverlener, vanuit het pgb een maximale tegemoetkoming geven.
Deze tegemoetkoming valt niet onder de werking van de Wml of overige wetten van het arbeidsrecht. De budgethouder moet een verklaring indienen bij de SVB om de tegemoetkoming uit te laten betalen aan zijn hulpverlener. Een budgethouder mag voor dezelfde hulpverlener niet zowel een verklaring als een overeenkomst bij de SVB indienen. De budgethouder moet dus de keuze maken tussen het verstrekken van een tegemoetkoming/onkostenvergoeding aan zijn informele hulpverlener, of het sluiten van een overeenkomst met zijn hulpverlener waarop de Wml van toepassing is. Lid 11 geeft aan dat het college de mogelijkheid heeft om een pgb te weigeren, als blijkt dat in de afgelopen jaren pgb is verleend, waarbij niet voldaan wordt aan de voorwaarden en resultaten van een pgb. Het college kan dan bijvoorbeeld besluiten om wel Zorg in Natura in te zetten, om zodoende wel resultaten te behalen. In lid 12 worden een aantal kostenposten genoemd die niet uit het pgb gefinancierd mogen worden. Het pgb is enkel en alleen bedoeld voor financiering van de noodzakelijke jeugdhulp.
Pagina 19 van 22
Artikel 16 Advisering Dit artikel geeft aan dat het voor het college mogelijk is om een extern deskundige om advies te vragen in het onderzoek. Hierbij moet toestemming worden gevraagd aan de jeugdige en/of ouders. Hoofdstuk 5 Toezicht en handhaving Artikel 17 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering Lid 1 berust mede op artikel 8.1.2 lid 1 van de wet, waarin is vastgelegd dat de jeugdige of zijn ouders het college alle informatie verstrekt die van belang kan zijn voor de verlening van een pgb. In deze verordening wordt de toepassing van deze informatieplicht verbreed naar de voorzieningen in natura. Immers, ook van jeugdigen en/of ouders met jeugdhulp in natura kan verlangd worden dat ze voldoende gegevens en inlichtingen verstrekken om het college in staat te stellen te beoordelen of terecht een beroep op de voorziening wordt of is gedaan. De medewerkingsverplichting uit het derde lid van artikel 8.1.2 van de wet ziet toe op alle denkbare vormen van medewerking om toe te kunnen zien op een rechtmatige verstrekking van een individuele voorziening, zowel pgb als in natura. Lid 2 regelt in welke gevallen het college een besluit tot verlening van een individuele voorziening kan beëindigen of wijzigen, dan wel intrekken of herzien. Bij ‘wijzigen’ gaat het om het aanpassen van de aanspraak naar de toekomst toe.
De tegenhanger is ‘herzien’, wat een wijziging van de aanspraak over het verleden betreft. Intrekking ziet eveneens op het verleden: een aanspraak wordt dan beëindigd vanaf een in het verleden gelegen datum. De bepaling is afgeleid van artikel 8.1.4 van de Jeugdwet die de herziening en intrekking regelt van verstrekte pgb's. Hoewel de Jeugdwet enkel spreekt van ‘herzien’ of ‘intrekken’ is uit de toelichting af te leiden dat hiermee ook beëindigen of wijzigen wordt bedoeld. Dat is daarom expliciet benoemd in deze bepaling. Verder breidt de verordeningsbepaling de herzienings- / intrekkingsbevoegdheid uit tot de individuele voorziening in natura. Het gaat hier om een 'kan'-bepaling. Het college is dus niet verplicht gebruik te maken van zijn bevoegdheid tot herziening of intrekking. In lid 4 is op basis van de Jeugdwet uitgewerkt dat het college een pgb kan invorderen als dit is herzien of ingetrokken in verband met onjuiste of onvolledige informatieverstrekking door de jeugdige/ouder (zie artikel 8.1.4 lid 3 Jeugdwet). Alvorens tot invordering te kunnen overgaan, moet het college het bedrag echter eerst terugvorderen. Terugvordering is niet geregeld in de Jeugdwet. Het is daarom van belang hiervoor een grondslag op te nemen in de verordening. Net zoals bij herziening en intrekking gaat het bij terugvordering om een bevoegdheid van het college.
Met ingang van 1 april 2017 is artikel 8b, tweede lid, onderdeel c, van de regeling Jeugdwet van kracht. Het artikel bepaalt dat de voor budgethouders verplicht gestelde modelzorgovereenkomsten een zogenoemd derdenbeding bevatten, waarmee het college ten onrechte gedeclareerde ondersteuning kan verhalen op de ondersteuner die jeugdhulp levert. Artikel 18 bestrijding, oneigenlijk gebruik, misbruik en niet-gebruik Op grond van artikel 2.9 onderdeel d van de Jeugdwet moeten in de verordening regels worden gesteld over de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening in natura of een pgb alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Deze bepaling is een uitwerking van deze wettelijke plicht. Lid 1. Het is van belang dat jeugdigen en ouders zich bewust zijn van de rechten, maar ook de plichten die verbonden zijn aan een jeugdhulpvoorziening. Denk bijvoorbeeld aan de plicht om het college op de hoogte te houden van alle relevante feiten en omstandigheden (informatieplicht, zie artikel 17 lid 1 van deze verordening). Of de regels rondom verantwoording van een pgb. Het college moet de jeugdige en ouders hierover informeren en ook uitleggen welke mogelijke consequenties het kan hebben als men zich niet houdt aan deze verplichtingen. Lid 2.
In deze bepaling is de grondslag gegeven om een toezichthouder aan te wijzen die zich bezig houdt met het toezicht op een rechtmatige uitvoering van de Jeugdwet (zie artikel 5:11 Awb). Anders dan in de Wmo 2015, is in de Jeugdwet niet bepaald dat het college een toezichthouder moet aanwijzen. Desalniettemin kan uit de wetsgeschiedenis worden afgeleid dat het mogelijk is een toezichthouder aan te wijzen. Zo wordt in de Memorie van Toelichting bijvoorbeeld de medewerkingsverplichting jegens de toezichthouder benoemd (zie TK 2013-2014, 33684, nr. 11). Het toezicht door de aangewezen toezichthouder ziet niet op de kwaliteit van de door de jeugdhulpaanbieders geleverde jeugdhulp. Zowel gecontracteerde als pgb-aanbieders vallen onder het kwaliteitstoezicht van de Inspectie Gezondheidszorg en jeugd (IG&J) en de inspectie Veiligheid en justitie (zie hoofdstuk 9 van de Jeugdwet). De gemeente heeft in het kader van contractering en
Pagina 20 van 22
monitoring een rol bij het toezien op en het controleren van de kwaliteit. Voor zover de gemeente signalen ontvangt over de kwaliteit van de te leveren of geleverde zorg, stuurt de gemeente deze door naar het IG&J. Het kwaliteitstoezicht op mogelijk aanvullende kwaliteitseisen is aan de gemeente zelf. Het toezicht door de gemeentelijke toezichthouder Jeugd ziet o.a. op de rechtmatigheid van ingediende declaraties door jeugdhulpaanbieders. Het college stelt nadere regels vast over de taken en bevoegdheden van de gemeentelijke toezichthouder. De toezichthouder is bij de uitoefening van zijn taak gebonden aan de regels zoals vastgelegd in de artikelen 5:11 t/m 5:20 van de Awb. Lid 3. In deze bepaling is vastgelegd dat het college nadere regels kan vaststellen over de (reikwijdte van) taken en bevoegdheden van de gemeentelijke toezichthouder Jeugd (zie bijvoorbeeld artikel 5:14 Awb). Artikel 19 Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering Het college kan de uitvoering van de Jeugdwet, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de jeugdige of zijn ouders, door aanbieders laten verrichten (artikel 2.11, eerste lid, van de Jeugdwet).
Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.12 va de Jeugdwet). Daarbij dient in ieder rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden. Hoofdstuk 6 Klachtregeling en vertrouwenspersoon Artikel 20 Kwaliteitseisen In dit artikel is geregeld dat aanbieders en gecertificeerde instellingen voor een goede kwaliteit dienen zorg te dragen. Daarnaast is geregeld dat het college op verscheidene manieren op de kwaliteit kan toezien, onverminderd andere handhavingsbevoegdheden. Artikel 21 Klachtregeling Dit artikel regelt het gemeentelijke klachtrecht. De gemeente is al op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van bestuursorganen en personen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn.
Artikel 22 Vertrouwenspersoon en cliëntondersteuning In artikel 2.6, eerste lid, onder f, van de wet is bepaald dat het college ervoor verantwoordelijk is dat jeugdigen, hun ouders of pleegouders een beroep kunnen doen op een vertrouwenspersoon. Met de vertrouwenspersoon wordt een functionaris bedoeld zoals deze nu al werkzaam is binnen de jeugdzorg. Onafhankelijkheid, beschikbaarheid en toegankelijkheid zijn belangrijke factoren (wettelijke vereisten) voor een goede invulling van deze functie. Hoofdstuk 7 Inspraak Artikel 23 Inspraak en medezeggenschap In dit artikel zijn bepalingen opgenomen over de medezeggenschap bij de gemeente. De mogelijkheid tot medezeggenschap tegenover de aanbieder is al geregeld in artikel 4.2.4 en verder van de wet. Met het tweede lid wordt het aan het college overgelaten om de exacte invulling van de medezeggenschap vorm te geven. Hoofdstuk 8 Slotbepalingen Artikel 24 Hardheidsclausule Deze bepaling regelt de toepassing van een hardheidsclausule als instrument voor het college om onvoorziene omstandigheden het hoofd te bieden. Artikel 25 Nadere regels In dit artikel wordt bepaald dat gemeente Baarle-Nassau nadere regels jeugdhulp kan vaststellen. Dit document bevat richtlijnen over de uitvoering van deze verordening.
Pagina 21 van 22
Artikel 27 Intrekkingen oude verordening In het derde lid is als hoofdregel opgenomen dat aanvragen die nog bij het college in behandeling zijn, op grond van deze verordening beoordeeld zullen worden. Omdat dit nadelige gevolgen voor de cliënt kan hebben, is in het vierde lid bepaald dat de vorige verordening gebruikt mag worden, als dit evident voordeliger is voor de cliënt. Dit ter voorkoming dat de cliënt gedupeerd is als zijn aanvraag enige tijd bij het college in behandeling is geweest en zijn rechtspositie door het tijdsverloop wordt aangetast. De zelfde regeling is voor de bezwaarfase opgenomen in het zesde lid. Artikel 28 Inwerkingtreding Dit artikel regelt de inwerkingtreding van deze verordening en de wijze waarop deze wordt geciteerd.
Pagina 22 van 22