CConstaterende datBaarle-Nassau
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 BP Leliestraat 10 Toelichting

Gemeenteraad (openbaar) 20 december 2023, gemeente Baarle-NassauBij agendapunt: Voorstel tot gewijzigd vaststellen bestemmingsplan Leliestraat 10 te Baarle-Nassau16.275 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Leliestraat 10 te Baarle-Nassau

bestemmingsplan Leliestraat 10 te Baarle-Nassau

Inhoudsopgave

Toelichting

2 (ontwerp)

3

bestemmingsplan "Leliestraat 10 te Baarle-Nassau"

bestemmingsplan Leliestraat 10 te Baarle-Nassau

Toelichting

bestemmingsplan "Leliestraat 10 te Baarle-Nassau" (ontwerp) 3

Toelichting Bestemmingsplan

Leliestraat 10 te Baarle-Nassau

Colofon

Gemeente:

Baarle-Nassau

Projectlocatie:

Leliestraat 10 (kadastraal perceel: gemeente Baarle-Nassau, sectie C, nummer 3366) 5111 VK Baarle-Nassau

Datum:

08-04-2022 / 22-11-2022 / 06-02-2023 / 19-04-2023

Status:

Ontwerp

IMRO-Code:

NL.IMRO.0744.BPLeliestraat10-ON01

Opgesteld door:

Van Dun Ontwerp & Planologie Raadhuisstraat 32 5126 CJ Gilze T. 013 519 94 58 Postel 8 5711 ET Someren T. 0493 745 015 E. info@ontwerp-planologie.nl I. www.ontwerp-planologie.nl

Projectnummer:

21264.001 / EH

Pagina 2 van 44

Inhoudsopgave 1. Inleiding ........................................................................................................... 5 1.1.

Aanleiding en doel ........................................................................................... 5

1.2.

Geldend planologisch regime ............................................................................ 5

1.3.

Procedure ....................................................................................................... 6

1.4.

Leeswijzer ....................................................................................................... 6

2. Planbeschrijving............................................................................................... 7 2.1.

Bestaande situatie............................................................................................ 7

2.2.

Beoogde situatie .............................................................................................. 8

3. Beleidskader..................................................................................................... 9 3.1.

Nationaal beleid ............................................................................................... 9

3.1.1. 3.2.

Provinciaal beleid ............................................................................................. 9

3.2.1. 3.2.2. 3.2.3. 3.3.

Nationale omgevingsvisie ........................................................................... 9 Omgevingsvisie Noord-Brabant ................................................................... 9 Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014 ............................................ 10 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant ........................................... 11

Gemeentelijk beleid......................................................................................... 15

3.3.1. 3.3.2. 3.3.3.

Omgevingsvisie gemeente Baarle-Nassau ................................................... 15 Woonvisie gemeente Baarle-Nassau ........................................................... 16 Bestemmingsplan ..................................................................................... 16

4. Milieuhygiënische en planologische aspecten ................................................ 18 4.1.

Milieueffectrapportage en vormvrije M.E.R.-beoordeling ..................................... 18

4.2.

Waterhuishouding ........................................................................................... 18

4.2.1. 4.2.2. 4.2.3. 4.3.

Natuur ........................................................................................................... 21

4.3.1. 4.3.2. 4.4.

Waterrelevant beleid................................................................................. 19 Bestaande waterhuishoudkundige situatie .................................................. 20 Beoogde waterhuishoudkundige situatie ..................................................... 20 Natuurnetwerk Nederland (NNN) ............................................................... 21 Wet natuurbescherming ............................................................................ 23

Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie......................................................... 27

4.4.1. 4.4.2.

Cultuurhistorie en aardkunde..................................................................... 27 Archeologie .............................................................................................. 29

4.5.

Landschappelijke inpassing .............................................................................. 30

4.6.

Bodemkwaliteit ............................................................................................... 31

4.7.

Bedrijven en milieuzonering ............................................................................. 31

4.8.

Geur .............................................................................................................. 32

4.8.1. 4.8.2.

Omgekeerde werking ................................................................................ 33 Woon- en leefklimaat ................................................................................ 33

Pagina 3 van 44

4.9.

Luchtkwaliteit ................................................................................................. 34

4.9.1. 4.9.2. 4.10.

Niet in betekenende mate ......................................................................... 34 Woon- en leefklimaat ................................................................................ 35 Geluid ......................................................................................................... 37

4.10.1. 4.10.2.

Wegverkeerslawaai ................................................................................... 37 Industrielawaai ........................................................................................ 37

4.11.

Verkeer en parkeren .................................................................................... 37

4.12.

Externe veiligheid ........................................................................................ 38

4.12.1. 4.12.2. 4.13.

Regelgeving ............................................................................................. 38 Toetsing aan beleid .................................................................................. 38 Technische infrastructuur ............................................................................. 40

5. Juridische planbeschrijving ............................................................................ 41 5.1.

Juridische achtergrond .................................................................................... 41

5.2.

Toelichting verbeelding.................................................................................... 41

5.3.

Toelichting regels............................................................................................ 41

6. Uitvoerbaarheid ............................................................................................. 42 6.1.

Financiële uitvoerbaarheid ............................................................................... 42

6.2.

Maatschappelijke uitvoerbaarheid ..................................................................... 42

6.2.1. 6.2.2.

Vooroverleg en omgevingsdialoog .............................................................. 42 Zienswijzen en beroep .............................................................................. 42

7. Bijlagen .......................................................................................................... 43

Pagina 4 van 44

1. Inleiding

In dit hoofdstuk komen de aanleiding en het doel, het geldend planologisch regime en de procedure aan bod. Daarnaast is in dit hoofdstuk een leeswijzer opgenomen. 1.1. Aanleiding en doel Aanvrager is zelf woonachtig op de Leliestraat 8 te Baarle-Nassau, deze grond staat kadastraal bekend als gemeente Baarle-Nassau, sectie C, nummer 3366 en is in eigendom van de aanvrager. De aanvrager is voornemens een levensbestendige woning/seniorenwoning te realiseren voor de aanvrager zelf op hetzelfde perceel. Het maximaal aantal wooneenheden, welke zijn toegestaan binnen het vigerende bouwvlak, zijn al gerealiseerd. Een herziening van het vigerende bestemmingsplan is derhalve noodzakelijk om een bouwvlak te realiseren waarop een extra vrijstaande woning gerealiseerd kan worden. Afbeelding 1 geeft een beeld van het plangebied vanuit de straatzijde. Het college van burgemeesters en wethouders van de gemeente Baarle-Nassau heeft in de brief van 2 september 2021 kenbaar gemaakt aan aanvrager om principemedewerking te verlenen aan het toevoegen van een woning op de betreffende locatie. Aanvrager kan met dit positief besluit de bestemmingsplanherziening in werking zetten. Onderhavige ontwikkeling betreft een particulier initiatief, waarbij de aanvrager zelf uiteindelijk woonachtig zal zijn in de beoogde woning en de reeds bestaande woning vrij zal komen voor derden.

Afbeelding 1: Uitsnede Google Maps, zicht op het plangebied vanuit de straatzijde

1.2. Geldend planologisch regime Het vigerend planologisch regime voor wat betreft de verbeelding is vervat in het bestemmingsplan ‘Dorpen’, vastgesteld op 11-04-2012. Met het herziene bestemmingsplan ‘Dorpen, 1 e herziening’, vastgesteld op 24-02-2016, zijn enkele planregels toegevoegd en/of gewijzigd. De volgende bestemmingen en aanduidingen zijn van toepassing op het perceel aan de Leliestraat te Baarle-Nassau, zie Afbeelding 2: • Enkelbestemming: Wonen; • Dubbelbestemming: Waarde – Archeologie; • Bouwvlak; • Maatvoering: maximaal aantal wooneenheden: 5.

Pagina 5 van 44

Afbeelding 2: Uitsnede Ruimtelijke Plannen, bestemmingsplan ‘Dorpen’, Leliestraat 8 met rode pijl aangegeven

1.3. Procedure Voor het beoogde initiatief dient een bestemmingsplan te worden vastgesteld, conform artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Het plan doorloopt als volgt de procedure. Allereerst wordt er een conceptbestemmingsplan opgesteld waarin onderbouwd wordt dat het plan voldoet aan het gemeentelijk en provinciaal beleid en aan alle relevante milieu- en ruimtelijke ordeningsaspecten. In deze fase wordt overleg gevoerd met de gebruikelijke overlegpartners zoals provincie en waterschap. Parallel daar aan wordt een omgevingsdialoog gevoerd met de omwonenden van het plangebied op basis van de beleidsnota ‘Omgevingsdialoog bij ruimtelijke plannen’, die de ABG gemeenten in september 2019 hebben vastgesteld. Het is daardoor niet meer nodig om een voorontwerpbestemmingsplan ter inzage te leggen. Eventuele opmerkingen worden verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan. Volgens artikel 3.8 Wro is op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing. Dit houdt in dat het ontwerpbestemmingsplan gedurende 6 weken voor iedereen ter inzage wordt gelegd. Tijdens deze periode van 6 weken kan een ieder zienswijzen kenbaar maken. Binnen 12 weken nadat het ontwerpbestemmingsplan ter inzage heeft gelegen, moet de gemeente beslissen over de vaststelling van het bestemmingsplan.

Hierbij worden eventuele zienswijzen in acht genomen. Nadat het bestemmingsplan is vastgesteld, wordt het opnieuw 6 weken ter inzage gelegd. Binnen deze 6 weken kan een ieder die tijdig een zienswijze kenbaar heeft gemaakt bij het ontwerp en belanghebbenden beroep indienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als er geen beroep wordt ingesteld, dan is het bestemmingsplan daags na afloop van de beroepsperiode onherroepelijk. Zodra het bestemmingsplan in werking is getreden kunnen de benodigde omgevingsvergunningen voor het beoogde plan worden aangevraagd. 1.4. Leeswijzer In deze toelichting zijn in het eerste hoofdstuk een inleiding op het initiatief gegeven, waarin de aanleiding, het doel, het geldend planologische regime en de te doorlopen procedure zijn beschreven. In hoofdstuk 2 worden de bestaande en beoogde situatie omschreven. Het van toepassing zijnde nationaal, provinciaal en gemeentelijk beleid wordt uiteengezet in hoofdstuk 3. Hierna worden in hoofdstuk 4 de milieu-hygiënische en planologische aspecten beschreven. De juridische achtergrond van het bestemmingsplan, een toelichting op de verbeelding en een toelichting op de regels wordt gegeven in hoofdstuk 5. De financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het initiatief wordt verantwoord in hoofdstuk 6.

Pagina 6 van 44

2. Planbeschrijving

In dit hoofdstuk worden de bestaande en beoogde situatie beschreven. Hierin komt naar voren welke veranderingen er plaatsvinden binnen de planlocatie. 2.1. Bestaande situatie De enclavesituatie die Baarle-Nassau deelt met het Vlaamse Baarle-Hertog is ontstaan rond 1198, toen een tweedeling ontstond tussen de bezitten van de hertog van Brabant en de heer van Breda (de graaf van Nassau). Halverwege de zeventiende eeuw werden de bezittingen van de heer van Breda in de noordelijke- en de bezittingen van de hertog van Brabant in de zuidelijke Nederlanden ondergebracht. Zo ontstond de in Baarle-Nassau en in Baarle-Hertog versnipperde kern Baarle. In 1995 zijn deze grenzen als officiële Rijksgrenzen vastgesteld. Baarle is een typerend dorp voor de regio. De kern is te beschrijven als een kerkakker of tiendakkerdorp. Dit soort dorpen bestaan uit een centrale kern (met in dit geval een parochiekerk) en daaromheen verspreid een aantal kleine gehuchten en buurtschappen. Het plangebied ligt in het stedelijk gebied van Baarle-Nassau, in het centrum van Baarle-Nassau. Het plangebied is kadastraal bekend als gemeente Baarle-Nassau, sectie C, nummer 3366. Dit kadastrale perceel is gelegen aan de Leliestraat in de bebouwde kom van Baarle-Nassau. In de omgeving van het plangebied zijn voornamelijk woningen en enkele bedrijven gelegen, welke passen binnen de karakteristiek van een bebouwde kom.

Het plangebied is momenteel in gebruik als tuin behorende bij de woning aan de Leliestraat 8. De perceelsoppervlakte bedraagt 1140 m². Afbeelding 3 weergeeft het plangebied en de ligging van het plangebied in de omgeving.

Afbeelding 3: Uitsnede Kadastrale kaart, locatie blauw gearceerd en vergroot rood omlijnd

Pagina 7 van 44

2.2. Beoogde situatie Aanvrager is voornemens om ter plaatse van het kadastrale perceel van de gemeente Baarle-Nassau, sectie C, nummer 3366 een levensbestendige woning/seniorenwoning te realiseren voor zichzelf. Aanvrager is zelf woonachtig op de Leliestraat 8 te Baarlse-Nassau, deze woning is op hetzelfde perceel gesitueerd. Voor de beoogde ontwikkeling zal het perceel worden gesplitst. De beoogde woningbouwlocatie zal aansluitend aan de omliggende percelen worden ingericht. Afbeelding 4 weergeeft een beeld van de positionering van de woning met bijgebouw op het perceel en hoe het in verhouding staat tot de nabije omgeving. In Bijlage 1 is deze inrichtingsschets op schaal opgenomen.

Afbeelding 4: Stedenbouwkundig en landschappelijk inpassingsplan

Pagina 8 van 44

3. Beleidskader

In dit hoofdstuk wordt het relevante beleid uiteengezet. Het initiatief wordt getoetst aan het nationaal, provinciaal en gemeentelijk beleid. 3.1. Nationaal beleid

3.1.1. Nationale omgevingsvisie

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: • Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; • Duurzaam economisch groeipotentieel; • Sterke en gezonde steden en regio's; • Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen.

Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: • Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte; • Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: Wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; • Afwentelen wordt voorkomen: Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in het ontwikkelen van een sterke en gezonde regio en past daarmee binnen de prioriteiten van de NOVI. Uit de toetsing in hoofdstuk 3 van deze toelichting blijkt dat de beoogde ontwikkeling past binnen de kenmerken en uitgangspunten van het gebied. Uit de toetsing in hoofdstuk 4 van deze toelichting blijkt dat de beoogde ontwikkeling geen negatieve effecten zal hebben op de waarden in de omgeving. Hieruit blijkt dat de beoogde ontwikkeling de belangen van de NOVI ook goed afgewogen zijn. 3.2.

Provinciaal beleid Het geldende ruimtelijke beleid van de provincie Noord-Brabant is omschreven in de Omgevingsvisie, Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014 en de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.

3.2.1. Omgevingsvisie Noord-Brabant

De provincie Noord-Brabant heeft op 14 december 2018 de omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld. De omgevingsvisie vindt zijn legitimatie in de Omgevingswet. Vanzelfsprekend staan de achterliggende doelen van de Omgevingswet dan ook centraal in de positiebepaling van de Brabantse Omgevingsvisie. Onder het motto ‘eenvoudig beter’, doelt de Omgevingswet op meer inzichtelijkheid, en een grotere voorspelbaarheid en gebruiksgemak van het Omgevingsrecht. Ook beoogt de wet meer bestuurlijke afwegingsruimte en een meer samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving in beleid, besluitvorming en regelgeving. Het doel van de omgevingsvisie is om de kwaliteit van de leefomgeving voor alle Brabanders te verbeteren.

Pagina 9 van 44

In de visie is voor verschillende programma’s de ambitie geformuleerd hoe de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit moet zien. Daarbij zijn mobiliserende tussendoelen gesteld voor 2030 om het einddoel te kunnen bereiken. De uitwerking in programma’s is een opgave die de visie volgt en die in opeenvolgende bestuursperiodes de opdracht en ruimte geeft om dat met eigen accenten in te vullen. Het belangrijkste programma dat hier een rol speelt is ‘Werken aan de slimme netwerkstad’. Het Brabantse doel voor 2050 in dit programma is:

‘Het stedelijk netwerk van Brabant functioneert als één samenhangend duurzaam en concurrerend netwerk van steden en dorpen als onderdeel van de Noordwest-Europese metropool. Brabant kenmerkt zich door een sterke sociale cohesie, een excellent en duurzaam woon-, leef- en vestigingsklimaat met een comfortabel, betrouwbaar en multimodaal verkeers- en vervoersysteem en een uitstekende (digitale) infrastructuur.’ Het tussendoel voor 2030 in dit programma is:

‘Brabantse partijen werken aan de transformatie van het bestaand bebouwd gebied van Brabant. Ondersteund door de digitale ontwikkelingen zijn er belangrijke stappen gezet in de richting van een excellent en duurzaam woon-, leef- en vestigingsklimaat met een comfortabel, betrouwbaar en multimodaal verkeers- en vervoersysteem. Bewoners uit alle geledingen van de bevolking voelen zich verbonden met hun omgeving en met elkaar doordat zij meedenken en meedoen aan de veranderingen in hun omgeving.’ Brabant doet het goed. Om top kennis- en innovatieregio te blijven en deze positie te versterken is het nodig dat Brabant zich sterker inzet voor een toekomstbestendig woon-, leef- en vestigingsklimaat met een robuust mobiliteitssysteem. Binnen het netwerk zullen de verschillen toenemen. In en rond de grote steden is er een relatief hoge dynamiek: de economie en de bevolking van de stedelijke regio’s groeit. Andere delen van Brabant, met name de grensregio’s, krijgen te maken met krimp. De verschillen vragen om maatwerk: enerzijds zorgdragen voor de vitaliteit van krimpgebieden en de aanhaking hiervan op het centrale stedelijke netwerk en anderzijds het ondersteunen en versterken van het centrale stedelijke netwerk. Daarnaast is het van belang de laagdynamische gebieden die rust, ruimte, cultuurhistorie en natuur bieden te koesteren.

Om de doelen te bereiken wordt ingezet op een samenhangende ruimtelijke koers waarin stad, land en mobiliteit met elkaar worden verbonden. Uitbreiding van het bestaande stedelijk gebied in steden en dorpen is alleen wenselijk vanuit kwalitatieve overwegingen en bij een concrete marktvraag. De komende 10 jaar ligt er namelijk nog een forse woningbouwopgave, maar daarna loopt deze in omvang af. Dit betekent dat er de komende 10 jaar interessante kansen liggen om de kwaliteit van het stedelijk gebied op orde te brengen en de leegstand aan te pakken. Omdat conform het vigerende bestemmingsplan de bouw van de nieuwe woning binnen het bouwvlak niet is toegestaan wordt middels deze partiële herziening de realisatie van één extra woning mogelijk gemaakt. Daar sprake is van bestaand stedelijk gebied, valt dit plan onder een ‘inbreidingslocatie’. De kern Baarle-Nassau is aan te wijzen als een relatief laagdynamisch gebied. Het initiatief past binnen de doelstelling om hier te werken naar een slimme netwerkstad. De kwaliteit van het stedelijk gebied van de gemeente Baarle-Nassau neemt met dit plan toe. Er kan dus worden geconcludeerd dat het initiatief past binnen de Omgevingsvisie voor Noord-Brabant.

3.2.2. Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014

De Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014 (Sv 2014) betreft een herziening van de op 1 oktober 2010 vastgestelde Structuurvisie ruimtelijke ordening. De partiële herziening is door Provinciale Staten van Noord-Brabant op 7 februari 2014 vastgesteld en in werking getreden op 19 maart 2014. De Structuurvisie geeft de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 weer (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt. De genoemde visie is vertaald in de regels van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.

Pagina 10 van 44

Daarnaast ondersteunt de structuurvisie het beleid op andere provinciale beleidsterreinen, zoals het economisch-, mobiliteits-, sociaal-, cultureel-, milieu- en natuurbeleid. Volgens de Iov, zie Afbeelding 5 ligt het plangebied binnen een landelijke kern. De provincie vindt het belangrijk dat er in Noord-Brabant verschil blijft tussen de steden en de kernen in het landelijk gebied. De provincie wil dat er verschillende kwaliteiten worden ontwikkeld voor wonen en werken rond de steden en in het landelijk gebied om zo bij te dragen aan een onderscheidend leef- en vestigingsklimaat ter versterking van de kenniseconomie in Brabant. Bij de opgave voor wonen en werken wordt het accent sterker verlegd naar de te ontwikkelen kwaliteiten, de inzet op herstructurering en het beheer van het bestaand stedelijk gebied. Kleinere kernen maken meer deel uit van het omliggende landschap en hebben nog een natuurlijke overgang richting het landschap. Het benutten van lege plekken binnen het bestaand stedelijk gebied staat voorop. Bouwen in kernen in het landelijk gebied is voor eigen woningbehoefte, ruimte is beschikbaar voor ontwikkelingen van enige omvang. Daar het initiatief een inbreiding binnen bestaand stedelijk gebied betreft kan worden geconcludeerd dat het passend is binnen de uitgangspunten van de Structuurvisie 2010- partiële herziening 2014.

Afbeelding 5: Uitsnede Structuurvisie 210- partiële herziening 2014, locatie wit omlijnd

3.2.3. Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant

De Interim omgevingsverordening (Iov) betreft een samenvoeging van verschillende regelingen op provinciaal niveau met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. De Iov is daarbij een eerste stap op weg naar een definitieve omgevingsverordening, die op grond van de op handen zijnde Omgevingswet moet worden vastgesteld en die verplicht is voor provincies. De laatste versie van de Iov is op 11 maart 2022 door Provinciale Staten vastgesteld en is per 15 april 2022 in werking getreden. De Iov is opgesteld vanuit een doelgroepenbenadering. Dit is ook het systeem dat de Omgevingswet, en de daaronder liggende wetgeving, hanteert. Dit betekent dat de regels in de Iov zijn gegroepeerd in hoofdstukken waarbij de doelgroep van de regel, de zogenaamde normadressaat, leidend is. Regels waar gemeenten bij vaststelling van een bestemmingsplan rekening mee moeten houden zijn opgenomen in hoofdstuk 3. Deze regels zijn in de vorm van instructieregels opgenomen waarbij de verschillende niveau’s zijn opgedeeld in meerdere afdelingen. Voor elke ruimtelijke ontwikkeling geldt dat toepassing moet worden gegeven aan de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies zoals deze zijn opgenomen in paragraaf 3.1.2.

Voor het overige dient getoetst te worden aan de regels die van toepassing zijn op het werkingsgebied waar een plangebied in is gelegen. In dit geval is het plangebied gelegen binnen de aanduiding ‘Stedelijk gebied’, zie Afbeelding 6. Artikel 3.42 bevat voorwaarden voor de ontwikkeling van woonfuncties binnen Stedelijk gebied

Pagina 11 van 44

Afbeelding 6: Uitsnede Interim omgevingsverordening, locatie wit omkaderd

Aan de relevante artikelen zal hierna worden getoetst. Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies (paragraaf 3.1.2) Onder een evenwichtige toedeling van functies wordt verstaan dat invulling wordt gegeven aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Hiervoor moet rekening worden gehouden met: ▪ zorgvuldig ruimtegebruik; ▪ de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering; ▪ meerwaardecreatie. Deze aspecten zijn in de Iov nader uitgewerkt in de artikel 3.6 t/m 3.8. Artikel 3.9 is niet van toepassing, omdat het plangebied niet in het buitengebied gelegen is. Zorgvuldig ruimtegebruik (artikel. 3.6) Conform artikel 3.6 houdt zorgvuldig ruimtegebruik in dat in beginsel gebruik wordt gemaakt van een bestaand ruimtebeslag. Een bestaand ruimtebeslag ligt binnen het werkingsgebied ‘Stedelijk gebied’ of een bestaand bouwperceel. Wanneer er sprake is van een stedelijke ontwikkeling dient toepassing te worden gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking). Alle gebouwen, bijbehorende bouwwerken en ander permanente voorzieningen dienen te worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. In de beoogde situatie wordt gebruik gemaakt van een bestaand ruimtebeslag, aangezien het plangebied is gelegen binnen het werkingsgebied ‘Stedelijk gebied’.

Er is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling, aangezien er sprake is van het realiseren van één woning. De woning en de bijbehorende bouwwerken zullen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. Uit bovenstaande toetsing blijkt dat in de beoogde situatie wordt voldaan aan een zorgvuldig ruimtegebruik.

Pagina 12 van 44

Toepassing van de lagenbenadering (artikel 3.7) De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op verschillende lagen. Hierbij dient onderzocht te worden wat de effecten zijn op: • de ondergrond • de netwerklaag • de bovenste laag Met het effect op de ondergrond worden o.a. de aspecten bodem, grondwater en archeologische waarden bedoeld. De netwerklaag omvat aspecten zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. In de beschouwing van de bovenste laag dienen aspecten zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu aan bod te komen. Hierbij dient te worden gekeken naar het verleden, heden en toekomst. De beoogde ontwikkeling mag geen negatieve effecten hebben op de waarden in de omgeving en dient ook in de toekomst geen beperkingen op te leveren voor de omgeving. De toetsing van de gevolgen van het initiatief op bovengenoemde aspecten is uitgebreid uiteengezet in hoofdstuk 4 van deze toelichting. Uit deze toetsing blijkt dat de beoogde ontwikkeling in het heden en in de toekomst geen beperkingen zal opleveren voor de omgeving.

Meerwaardecreatie (artikel 3.8) Het aspect meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken. Het biedt de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren, waardoor er meerwaarde ontstaat. Daarnaast ontstaat een bijdrage aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. In dit bestemmingsplan wordt meerwaarde gecreëerd door het realiseren van een nieuwe seniorenwoning op een inbreidingslocatie. De ruimtelijke uitstraling naar de omgeving zal derhalve worden verbeterd. Duurzame stedelijke ontwikkeling (artikel 3.42) Artikel 3.42 bevat de voorwaarden voor de ontwikkeling van woonfuncties binnen Stedelijk gebied. Er is getoetst aan de gestelde voorwaarden uit artikel 3.42 van de Iov:

Een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen ligt binnen Stedelijk gebied en bevat een onderbouwing dat: a. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken; b. het een duurzame stedelijke ontwikkeling is. Op basis van artikel 5.4 van de Interim omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant maakt de gemeente Baarle-Nassau regionale woningbouwafspraken. De basis voor deze afspraken zijn de bevolkings- en woningbehoefteprognoses van de Provincie Noord-Brabant. Eind 2014 heeft de provincie Noord-Brabant de meest recente prognoses uitgebracht. Op basis hiervan heeft de gemeente Baarle-Nassau in het Regionaal Ruimtelijk Overleg van 9 december 2015 regionale woningbouwafspraken gemaakt over de periode 2015 t/m 2024. Daarin is vastgelegd dat de gemeente Baarle-Nassau een programma krijgt van 145 woningen (95 woningen op basis van de prognose plus 50 woningen overgeheveld van uit de regio). Gemeente Baarle-Nassau zal één van deze bouwtitels aan onderhavig initiatief toewijzen. In lid 2 van artikel 3.42 van de Iov zijn voorwaarden opgenomen waaraan een duurzame stedelijke ontwikkeling dient te voldoen. Aan deze voorwaarden wordt hieronder getoetst:

Pagina 13 van 44

Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen: a. bevordert een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving;

De voorgenomen ontwikkeling vindt plaats op een inbreidingslocatie in het stedelijk gebied van BaarleNassau. Door het toevoegen van één burgerwoning op deze locatie wordt de omgevingskwaliteit bevorderd en wordt optimaal invulling gegeven aan de mogelijkheden voor deze locatie binnen een veilige en gezonde leefomgeving.

b. bevordert zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden;

Het optimaal benutten van de bestaande bebouwde omgeving draagt bij aan het behoud van de openheid en kwaliteit van het buitengebied en aan hergebruik van leegkomende bebouwing of bebouwingslocaties in zowel stedelijk als landelijk gebied. Bij de beoogde ontwikkeling is sprake van het bevorderen van zorgvuldig ruimtegebruik door de mogelijkheden binnen de bestaande bebouwde omgeving optimaal te benutten.

c. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie;

Voor de nieuw te bouwen woningen geldt sinds 1 juli 2018 een aardgasverbod. Dit betekent dat de woning niet op het aardgas mag worden aangesloten. De woning zal derhalve worden voorzien van toekomstbestendige energievoorzieningen.

d. houdt rekening met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water;

De woning wordt op een duurzame wijze ontwikkeld met duurzame materialen en zal er op eigen terrein voldoende ruimte zijn voor de opvang van water (zie paragraaf 4.2). Tevens zal het groen op de locatie worden behouden en waar het kan versterkt worden.

e. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit; Door het ontwikkelen van de woning in de kern van Baarle-Nassau zijn alle dagelijkse voorzieningen per fiets of te voet bereikbaar. Daarnaast kunnen eventueel laadpalen voor elektrische auto’s op eigen terrein worden gerealiseerd. Hierdoor wordt invulling gegeven aan duurzame mobiliteit en een gezonde leefomgeving.

f.

draagt bij aan een duurzame, concurrerende economie.

De voorgenomen ontwikkeling staat een duurzame, concurrerende economie niet in de weg. De nieuwe woning zal duurzaam worden gebouwd. Conclusie Gelet op bovenstaande voldoet de ontwikkeling aan de voorwaarden die zijn opgenomen in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.

Pagina 14 van 44

3.3. Gemeentelijk beleid Het gemeentelijk beleid is omschreven in de gemeentelijke omgevingsvisie, de gemeentelijke woonvisie en het bestemmingsplan.

3.3.1. Omgevingsvisie gemeente Baarle-Nassau

De gemeente Baarle-Nassau heeft op 26 juni 2019 de omgevingsvisie vastgesteld. Deze omgevingsvisie geeft richting aan ruimtelijke ontwikkelingen. Er zijn 11 gebieden onderscheiden waarvoor verschillende doelen zijn geformuleerd die de gemeente Baarle-Nassau wil bereiken. Als er nieuwe initiatieven worden aangeboden worden de volgende vragen afgewogen: 1. In hoeverre draagt het initiatief bij aan de gestelde doelen? 2. Wat vindt de samenleving van het initiatief (is er draagvlak)? Volgens de Visiekaart Omgevingsvisie ligt het plangebied in een gebied dat is aangeduid als ‘Centrum’, zie Afbeelding 7.

Afbeelding 7: Uitsnede Visiekaart Omgevingsvisie, plangebied met de blauwe stip weergegeven

Op het gebied van wonen ligt de focus op het bestaand stedelijk gebied. Hierbij is het doel de woningvoorraad zo aan te passen dat deze past bij de toekomstige woningbehoefte en duurzaamheidsambitie. De beoogde ontwikkeling sluit hierop aan. Het toevoegen van één woning in het stedelijk gebied leidt tot uitbreiding van het bestaande woningaanbod. Op dit moment is er nog geen concreet bouwplan voor de nieuw te bouwen woning. Aanvrager zal de nieuwe woningbouwlocatie inrichten als een seniorenwoning, dit past bij de toekomstige woningbehoefte . De woning mag niet meer op het aardgas worden aangesloten en er zullen derhalve duurzame energetische alternatieven worden gebruikt. Ook zal de beoogde woning gecombineerd worden met landschapselementen.

Pagina 15 van 44

Zoals in Afbeelding 7 tevens te zien is ligt de locatie naast de voormalige spoorlijn het Bels lijntje. Deze spoorlijn is een belangrijk cultuurhistorisch erfgoed en wordt reeds als fietsroute gebruikt. Voor het Bels lijntje is een Trajectvesie Bels Lijntje- Spoorboekje opgesteld. Deze trajectvisie vormt het kader voor ‘de toekomstige ruimtelijke en programmatische ontwikkeling en de strategische marktpositionering van de vroegere spoorlijn tussen Turnhout en Tilburg’. De trajectvisie is bedoeld om te identiteit van het Bels lijntje te behouden, versterken en beter beleefbaar te maken. Dit wordt verwezenlijkt door onder andere bermen en taluds weer deels open te maken en hier ontwikkeling van schraal, bloemrijk grasland mogelijk te maken. Deze indeling van de bermen en taluds was namelijk van oorsprong eigen voor het Bels lijntje. Daarnaast is het Bels lijntje deels aangewezen als ecologische verbinding (EVZ). In de omgevingsvisie van staat echter vermeld dat de ecologische verbindingszone geen functie meer heeft in de bebouwde kom en tevens dat deze naar verwachting ook niet goed te herstellen zal zijn. Het doel van de gemeente is derhalve om het groene karakter te behouden, zonder hieraan de waarde ‘ecologische verbindingszone’ te koppelen.

Daarnaast geeft de gemeente aan om in gesprek te gaan met de provincie om de aanduiding EVZ uit de Interim omgevingsverordening te verwijderen. Dit is inmiddels gebeurd en de aanduiding ‘Natuur Netwerk Brabant – ecologische verbindingszone’ ter plaatse van het Bels lijntje aan de Leliestraat is verwijderd. Derhalve zal de beoogde ontwikkeling niet voor belemmeringen zorgen. Hiermee wordt geconcludeerd dat onderhavige ontwikkeling passend is binnen de Omgevingsvisie.

3.3.2. Woonvisie gemeente Baarle-Nassau

Voor het realiseren van de woonbestemming is het beleid uit de Woonvisie ‘Baarle BRUIST, in Baarle kom je thuis’ geraadpleegd. Deze woonvisie, vastgesteld d.d. juli 2018, omvat de doelen en ambities voor het wonen in de gemeente Baarle-Nassau voor de periode 2018-2023. In de woonvisie wordt de aantrekkelijkheid van het wonen in Baarle-Nassau benadrukt. Daarnaast wordt in de visie aangesloten bij recente trends en ontwikkelingen in de samenleving. Voor het behoud van de woonaantrekkelijkheid wordt ingezet op een woningaanbod dat past bij de identiteit van de gemeente en de kernen. Kernwaarden bij het woonkarakter van Baarle-Nassau zijn een dorps karakter en een groene landschappelijke uitstraling. De realisatie van een vrijstaande woning gecombineerd met landschappelijke inpassing zal bijdragen aan deze kernwaarden. Uit de woonvisie blijkt dat er op dit moment een aanhoudende vraag naar woningen is binnen de gemeente. Bij de nieuwbouwprojecten die de afgelopen jaren gerealiseerd zijn was ongeveer een derde van de nieuwe bewoners afkomstig van buiten Baarle-Nassau. Dit laatste toont aan dat Baarle-Nassau aantrekkingskracht heeft op woningzoekenden uit de regio. Met het realiseren van de seniorenwoning komt het voormalige woonhuis vrij voor derden, dit sluit aan bij de aanhoudende vraag naar koopwoningen binnen de gemeente.

De nieuw te realiseren seniorenwoning sluit derhalve aan bij de uitgangspunten van de gemeentelijke woonvisie.

3.3.3. Bestemmingsplan

Zoals al in de inleiding van deze toelichting beschreven is voor de planlocatie het bestemmingsplan ‘Dorpen’ geldend. Met het herziene bestemmingsplan ‘Dorpen, 1e herziening’, vastgesteld op 24-022016, zijn enkele planregels toegevoegd en/of gewijzigd. In het bestemmingsplan ‘Dorpen’ zijn de volgende aanduidingen opgenomen, zie Afbeelding 8: • Enkelbestemming: Wonen; • Dubbelbestemming: Waarde – Archeologie; • Bouwvlak; • Maatvoering: maximaal aantal wooneenheden: 5.

Pagina 16 van 44

Afbeelding 8: Uitsnede Ruimtelijke Plannen, bestemmingsplan ‘Dorpen’

Binnen de bestaande bestemming is het niet mogelijk om een woning toe te voegen aangezien er reeds 5 wooneenheden zijn gerealiseerd. Om deze reden wordt een herziening van het bestemmingsplan voorbereid. De regels van deze herziening zullen zo veel mogelijk aansluiten bij het bestemmingsplan ‘Dorpen. 1e herziening’ en het bestemmingsplan ‘Dorpen’.

Pagina 17 van 44

4. Milieuhygiënische en planologische aspecten

Op grond van het bepaalde in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het verplicht om inzicht te bieden in de relevante milieu-hygiënische en planologische aspecten. In dit hoofdstuk worden deze aspecten beschreven. 4.1. Milieueffectrapportage en vormvrije M.E.R.-beoordeling Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (M.E.R.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming over plannen en projecten. Het gaat hierbij enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waardoor het milieu mogelijk nadelig wordt beïnvloed. Als uitgangspunt gelden voor plannen, waaronder partiële herzieningen, onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: • Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden. • Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige M.E.R.- (beoordelings)plichtige besluiten; Ten aanzien van het eerste criterium geldt dat er in deze situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. In paragraaf 4.3.2 is een uitgebreide toelichting opgenomen voor de mogelijke effecten van het plan op de Natura 2000-gebieden.

Op basis van deze paragraaf kan worden geconcludeerd dat de realisatie van één woning geen negatieve effecten voor Natura-2000 gebieden tot gevolg heeft. Een plan is kaderstellend voor een toekomstig M.E.R.-(beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit M.E.R. Categorie D11.2 is mogelijk van toepassing bij onderhavig in initiatief. Deze categorie betreft een stedelijk ontwikkelingsproject wat 2.000 of meer woningen omvat. Uit uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (van 15 maart 2017; ECLI:NL:RVS:2017:694, van 31 januari 2018; ECLI:NL:RVS:2018:348, van 17 april 2019; ECLI:NL:RVS:2019:1253 en van 11 maart 2020; ECLI:NL:RVS:2020:729) blijkt dat het antwoord op de vraag of sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit M.E.R., afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen.

Uit deze uitspraken volgt eveneens dat het antwoord op de vraag of een activiteit kan worden aangemerkt als een activiteit als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit M.E.R., niet afhankelijk is van het antwoord op de vraag of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. Weliswaar is in de beoogde situatie sprake van een geringe toename van de bebouwingsmogelijkheden en weliswaar verandert het gebruik van het perceel door de realisatie van 1 woning, maar dat betekent niet dat hetgeen waarin het plan voorziet moet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit M.E.R. Daarbij is van belang dat sprake is van bestaand bebouwd gebied en dat het ruimtebeslag van de voorziene bebouwing beperkt is. Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een verplichting tot het opstellen van een M.E.R. en het doorlopen van de bijbehorende procedure. 4.2. Waterhuishouding Sinds 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets toe te passen. Deze verplichting is wettelijk geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Door middel van deze watertoets moet inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding.

In het kader van de watertoets dient de gemeente voorafgaand aan de procedure het voornemen van de ruimtelijke ingreep aan het waterschap te verzenden. De gemeente en het waterschap kunnen afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen. In deze waterparagraaf komen de volgende onderdelen aan bod: • Beschrijving waterrelevant beleid; • Bestaande waterhuishoudkundige situatie; • Beoogde waterhuishoudkundige situatie.

Pagina 18 van 44

4.2.1. Waterrelevant beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. De Nederlandse regering heeft invulling aan de KRW gegeven door middel van de Waterwet, die in werking is getreden op 22 december 2009. De Waterwet regelt het beheer van het oppervlakte- en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen het waterbeleid en ruimtelijke ordening. De visies met betrekking tot het waterbeleid worden door de verschillende bestuurslagen in diverse plannen beschreven. Provincie De wijze waarop de provincie omgaat met water, is beschreven in het Regionaal Water en Bodem Het beleid van de provincie Noord-Brabant richt zich op het bereiken en in stand houden van watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens, dier en plant. Daarbij zijn economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht en is het hebben en houden van een veilige en bewoonbare provincie een randvoorwaarde. Dit beleid is vertaald in de Omgevingsvisie en Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.

De belangrijkste aspecten zijn: ▪ Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem; ▪ Een betere waterveiligheid door preventie; ▪ Koppeling van waterberging en droogtebestrijding. In de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant zijn ook instructieregels opgenomen voor waterschappen. Op de kaart behorende bij deze instructieregels is te zien dat de planlocatie niet is gelegen in een ‘Grondwaterbeschermingsgebied’. Derhalve zijn deze regels niet van toepassing. De wijze waarop de provincie omgaat met water is beschreven in het Regionaal Water en Bodem Programma (2022-2027). Provinciale Staten hebben op 3 december 2021 het Regionaal Water en Bodem Programma (2022-2027) vastgesteld (RWP). Hiermee is de RWP de opvolger van het Provinciaal Milieu en waterplan (PMWP). Het RWP is op 22 december 2021 inwerking getreden. Door middel van het RWP wordt beleid vastgesteld om te komen tot een klimaat robuust water en bodemsysteem in 2050 en zorg te dragen voor veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem in de provincie Noord-Brabant. Belangrijk uitgangspunt van het RWP is de Europese Kader Richtlijn Water (KRW) als een mijlpaal op weg naar een klimaatrobuust en veerkrachtig water- en bodemsysteem in 2050. In dit programma ligt de focus op zuinig zijn op water en de bodem, en het water- en bodemsysteem moet toegerust zijn op natte én droge tijden (systeemgericht).

Vele generaties lang had het waterbeleid als doel wateroverlast te voorkomen en water zo snel mogelijk af te voeren. Inmiddels weten we dat het moet worden gewijzigd; we moeten zuinig zijn op ons water en de bodem. Doel van RWP: ▪ Voldoende water ▪ Schoon water ▪ Veilig water ▪ Vitale bodem ▪ Klimaatadaptatie Gemeenten en waterschappen dienen hun waterbeleid te baseren op de uitgangspunten die de provincie in haar RWP stelt. De RWP is enkel voor de provincie Noord-Brabant zelf bindend. Waterschap Waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het Waterbeheerprogramma 2022-2027. De doelstelling van het waterprogramma luidt als volgt; Met het Waterbeheerprogramma werkt het waterschap samen met andere organisaties aan een klimaatbestendig en veerkrachtig waterbeheer. Dat waterbeheer draagt bij aan een duurzame ontwikkeling van het werkgebied en daarbuiten. In 2050 is Nederland aangepast om de negatieve gevolgen van klimaatverandering op te vangen.

Pagina 19 van 44

De ambitie van het waterschap is samen met de omgeving te werken aan een klimaatbestendig en veerkrachtig waterlandschap voor de regio Midden- en West-Brabant. Het realiseren van deze ambitie wordt bereikt aan de had van zes beleidskeuzes; 1. Water als drager voor een vitale regio 2. Evenwicht in het water- en bodemsysteem 3. We werken samen 4. We werken duurzaam 5. We werken veerkrachtig en vernieuwend 6. We prioriteren op basis van verplichtingen en mogelijkheden Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de ‘beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Door middel van de Keur van Waterschap Brabantse Delta, die in werking is getreden op 1 maart 2015, kan worden bepaald bij welke ontwikkelingen mitigerende maatregen getroffen moeten worden.

Deze mitigerende maatregelen kunnen onder andere bestaan uit het realiseren van een retentievoorziening. De Keur van Waterschap Brabantse Delta schrijft per 1 april 2021 voor dat voor een toename van minder dan 500 m2 verhard oppervlak geen mitigerende maatregelen nodig zijn. Gemeente Op 29 september 2020 heeft het college ingestemd met een nieuw verbreed gemeentelijk rioleringsplan (vGRP) 2021-2025. Ter besluitvorming zal dit plan voorgelegd worden aan de gemeenteraad. In het vGRP staat hoe de gemeenten Baarle-Nassau en Baarle-Hertog de watertaken uitvoeren. De gemeenten Baarle-Nassau en Baarle-Hertog willen zich nadrukkelijk profileren als groene gemeenten met een veerkrachtig watersysteem, een goede waterkwaliteit, waarvan duurzaam gebruik wordt gemaakt en waarbij natuurwaarden worden hersteld. In de vGRP is bepaald dat alle nieuwbouwwoningen (zowel in- als uitbreidingen) binnen de gemeente Baarle-Nassau en de gemeente Baarle-Hertog dienen te worden aangesloten op de riolering. Dit wordt afgedwongen, doordat de lozing van verontreinigd water op oppervlaktewater en in de bodem niet is toegestaan. Dit is wettelijk geregeld door middel van het lozingenbesluit Wet Bodembescherming en het Zoneringsplan. Bij de verlening van een bouwvergunning wordt melding gemaakt van de verplichte aansluiting op de riolering.

Verder wordt bij elke ruimtelijke ontwikkeling door middel van de watertoets van het waterschap aandacht besteed aan de ruimte voor water. Hierbij wordt gestreefd naar doelmatigheid, waarbij hydrologisch neutraal ontwikkelen een belangrijk aandachtspunt is. Bij nieuwbouw dient een retentie van 60 mm/m2 over het totale oppervlak gerealiseerd te worden.

4.2.2. Bestaande waterhuishoudkundige situatie

In de bestaande waterhuishoudkundige situatie is geen sprake van het lozen van huishoudelijk afvalwater. Het plangebied is in de bestaande situatie in gebruik als tuin behorende bij de woning aan de Leliestraat 8 met enkele verharding. Er vinden op de gronden geen bijzondere activiteiten plaats die ertoe kunnen leiden dat er stoffen in aanraking kunnen komen met hemelwater. Het nietverontreinigende hemelwater kan dus zonder problemen in de bodem infiltreren.

4.2.3. Beoogde waterhuishoudkundige situatie

In de beoogde situatie wordt een woonkavel gecreëerd, ten behoeve van één woning. In de woning zal huishoudelijk afvalwater ontstaan. Hiervoor worden de nodige voorzieningen aangebracht en wordt de nieuwe woning aangesloten op de gemeentelijke riolering.

Pagina 20 van 44

Elke toename in verhard oppervlak leidt tot een zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem en kan leiden tot wateroverlast stroomafwaarts. Dit komt doordat neerslag via het verharde oppervlak sneller wordt afgevoerd naar het oppervlaktewater dan wanneer het oppervlak onverhard was gebleven en kon infiltreren. Zoals aangegeven is waterschap Brabantse Delta de beheerder van de kwaliteit en kwantiteit van het grond- en oppervlaktewater binnen het plangebied. Op grond van de Keur van Waterschap Brabantse Delta, die in werking is getreden op 1 maart 2015, is het ingevolge artikel 3.6 van de Keur van het Waterschap Brabantse Delta verboden zonder vergunning neerslag tot afvoer te laten komen naar oppervlaktewaterlichamen. Vrijstelling van dit verbod wordt verleend voor zover onder andere de toename van verhard oppervlak maximaal 500 m² bedraagt. Indien de toename meer dan 500 m² bedraagt dient een compenserende maatregel getroffen te worden. Deze mitigerende maatregelen kunnen onder andere bestaan uit het treffen van een retentievoorziening. De exacte afmetingen van de beoogde woning zullen nog nader bepaald worden. Vooralsnog wordt uitgegaan van een woning van ca. 150 m². Tevens is een maximale oppervlakte aan bijgebouwen van ca. 66 m² (60 +10% van de oppervlakte van het perceel boven 500 m2) mogelijk. De totale oppervlakte aan bebouwing zal derhalve maximaal ca.

210 m² zijn. Er zal eventueel nog verharding ten behoeve van een oprit en een terras en dergelijke worden aangelegd, maar het totaal aan verhard oppervlak zal niet meer dan 250 m² bedragen. De afvoer van hemelwater op het gemeentelijk riool is niet toegestaan. Daarnaast heeft de afvoer van het hemelwater vanaf de verharding op het oppervlaktewaterlichaam niet de voorkeur van het waterschap. Het Waterschap geeft de voorkeur aan infiltratie van het hemelwater boven afvoer naar het oppervlaktewater, mede gelet op het steeds toenemende belang van droogtebestrijding. De afvoer van het hemelwater zal dan ook niet op een oppervlaktelichaam worden afgevoerd, maar het zal binnen het eigen plangebied in de bodem infiltreren. Conform het gemeentelijk beleid dient bij nieuwbouw een retentie van 60 mm/m2 over het totale oppervlak gerealiseerd te worden. Dit kan bijvoorbeeld gerealiseerd worden door het plaatsen van infiltratiekratten, de aanleg van grindkoffers of het realiseren van een retentiepoeltje in een deel van de tuin. Het hemelwater zal in elk geval niet op aanliggende percelen terechtkomen. Alle voorzieningen dienen boven de hoogste grondwaterstand te worden aangelegd om als infiltratiecapaciteit te kunnen dienen voor opslag van het hemelwater.

Bij de nieuwbouw zal gebruik worden gemaakt van milieuvriendelijke bouwmaterialen en niet van uitlogende bouwmaterialen, zoals lood, koper, zink en zacht PVC. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. Conclusie Gelet op bovenstaande zal de beoogde ontwikkeling geen nadelige effecten hebben op de waterhuishouding 4.3. Natuur Voorafgaand aan de beoogde wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van de groene wet- en regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven.

4.3.1. Natuurnetwerk Nederland (NNN)

In de twintigste eeuw is veel Nederlandse natuur verdwenen. De overgebleven gebieden zijn vaak klein en liggen veelal ver uit elkaar. Hierdoor hebben bepaalde organismen moeite om gebieden te bereiken en zich er te handhaven, waardoor de diversiteit van planten, dieren en micro-organismen (de biodiversiteit) ook sterk achteruit gaat. Om de biodiversiteit te behouden en te versterken is het Natuurnetwerk Nederland opgericht. Het Natuurnetwerk Nederland is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. In het NNN liggen: • Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken;

Pagina 21 van 44

• • • •

Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van Noordzee en de Waddenzee; Alle Natura 2000-gebieden.

Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgelegd. Op grond van artikel 2.10.2 van het Barro moeten provincies bij provinciale verordening de NNN-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van artikel 2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen. Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in de NNN aan. Elk NNN-gebied heeft een zogenaamd natuurdoel. Een natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied. Natuur Netwerk Brabant (NNB) Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijke voor de begrenzing en de ontwikkeling van het NNN. De provincie Noord-Brabant heeft in zijn Interim omgevingsverordening (Iov) de gebieden opgenomen als Natuur Netwerk Brabant. Men wil in 2027 alle gaten in het netwerk hebben gedicht met nieuwe natuur. Ongeveer 90% van het Natuur Netwerk Brabant wordt gevormd door bestaande natuurgebieden. Tussen deze gebieden is men voornemens om verbindingen te leggen in de vorm van Ecologische verbindingszones. Door deze verbindingen tussen natuurgebieden kunnen dieren van het ene gebied naar het andere foerageren. De concrete ambities van de provincie Noord-Brabant staan in het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2016.

De begrenzing van het netwerk is daarnaast ook opgenomen in de Iov. Het NNB kent geen specifiek beschermingsregime, anders dan via het ruimtelijke spoor. De locatie aan de Leliestraat is gelegen naast de spoorlijn het Bels lijntje. Het Bels lijntje staat bekend als een ecologische verbindingszone. In de omgevingsvisie van de gemeente staat echter vermeld dat de ecologische verbindingszone geen functie meer heeft in de bebouwde kom en tevens dat deze naar verwachting ook niet goed te herstellen zal zijn. Het doel van de gemeente is derhalve om het groene karakter te behouden, zonder hieraan de waarde ‘ecologische verbindingszone’ te koppelen. Daarnaast geeft de gemeente aan om in gesprek te gaan met de provincie om de aanduiding EVZ uit de Interim omgevingsverordening te verwijderen. Dit is inmiddels gebeurd en de aanduiding ‘Natuur Netwerk Brabant – ecologische verbindingszone’ ter plaatse van het Bels lijntje aan de Leliestraat is verwijderd, zie Afbeelding 9. Derhalve zal de beoogde ontwikkeling niet voor belemmeringen zorgen.

Pagina 22 van 44

Afbeelding 9: Uitsnede Interim omgevingsverordening, locatie beoogde woning met rode kruis aangegeven

4.3.2. Wet natuurbescherming

In de Wet natuurbescherming zijn regels gesteld met betrekking tot gebiedsbescherming, soortenbescherming en bescherming van houtopstanden. In deze paragraaf wordt getoetst of de ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk liggende bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is al beschermd in het Barro en de provinciale verordening. In Nederland zijn 161 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Kempenland-West, Regte Heide & Riels Laag en Ulvenhoutse Bos. De provincie Noord-Brabant heeft geen bijzondere provinciale natuurgebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming (Wnb) wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen.

Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Het dichtstbij liggende Natura 2000-gebied is het Belgische Natura-2000 gebied Arendonk, Merksplas, Oud-Turnhout, Ravels en Turnhout, dat op een afstand van circa 5,1 kilometer ligt. Het dichtstbij liggende Natura 2000-gebied dat is gelegen in Nederland betreft het Natura 2000-gebied Regte Heide & Riels Laag, dat op een afstand circa 7,3 kilometer ligt. Elk plan kan negatieve effecten hebben op de Natura 2000-gebieden. Er zijn verschillende factoren die kunnen leiden tot de verstoring van beschermde vogel- en habitattypen en soorten. Vooral de storingsfactoren verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht spelen hierbij een belangrijke rol, omdat deze ook op grote afstand van een gebied voor effecten kunnen zorgen. Daarnaast kunnen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13607725/1