Bijlage 2. toelichting ontwerp bestemmingsplan Gierlestraat 1 (1077917)
Tekst van het document
Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De wetgever wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het proces naar voren wordt gehaald. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en verlener van omgevingsvergunning zijn daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De Erfgoedwet, van kracht sinds 1 juli 2016, bundelt wet- en regelgeving op het gebied van behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland in één nieuwe wet. Een groot deel van de bestaande wet- en regelgeving (Monumentenwet, Wet ruimtelijke ordening) is overgenomen in de Erfgoedwet, bijvoorbeeld de aanwijzing van rijksmonumenten, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend.
Voor het eerst is er nu één integrale wet die betrekking heeft op onze museale objecten, musea, monumenten en archeologie op het land en onder water. Voorheen was het behoud en beheer van ons erfgoed geregeld in zes verschillende wetten met elk hun eigen procedures en beschermingsmaatregelen. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Daarnaast worden aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Samen met de Omgevingswet die naar verwachting in 2021 wordt ingevoerd, wordt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. De redengevende beschrijving van de cultuurhistorische schuur is opgenomen in bijlage 3 van dit bestemmingsplan. Beleid provincie Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven, zie figuur 14. Beoordeling
Bestemmingsplan toelichting 191040
Pagina 27 van 48
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Figuur 14: Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart (bron: brabant.nl)
Uit figuur 14 blijkt dat het plangebied is gelegen ter plaatse van gronden die zijn aangewezen als ‘Archeologische landschappen’. De planlocatie is tevens gelegen in het historisch zichtrelatievlak ‘Molenbiotoop’. Dit betreft de molenbiotoop rondom de industrie- en poldermolen aan de Molenstraat 75 in Baarle-Hertog. Er wordt geen nieuwe bebouwing opgericht, waardoor de zichtlijnen op de molenbiotoop niet verstoord worden. De Turnhoutseweg is aangewezen als historisch geografische lijn van redelijk hoge waarde. Vanwege de ligging van het plangebied aan de Turnhoutseweg en de rotonde Turnhoutseweg/N260 vormt het plangebied een zichtlocatie op de bebouwde kom van Baarle. Met deze combinatie van factoren wordt een positieve impuls gegeven aan de locatie specifiek en de historisch geografische lijn ‘Turnhoutseweg’ als geheel. 5.4.2
Archeologische beleidskaart gemeente Baarle-Nassau
Wettelijk toetsingskader Voor archeologie geldt de nationale wetgeving die afkomstig is uit Europees beleid. Het Verdrag van Valletta (of wel: 'Verdrag van Malta') regelt hoe er omgegaan moet worden met het Europees archeologisch erfgoed. Nederland heeft het verdrag in 1992 mede ondertekend. De uitgangspunten van dit Europese verdrag zijn in de Nederlandse wet- en regelgeving verankerd door middel van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). De Wamz is in werking getreden op 1 september 2007 en wijzigt hiermee de Monumentenwet uit 1988, de Ontgrondingenwet (Ow), de Wet milieubeheer (Wm), de Woningwet (Ww) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Sinds de invoering van deze wet zijn gemeenten belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Vanaf 1 juli 2016 is dit op dezelfde wijze als via de Wamz verwerkt in de Erfgoedwet en in de toekomst zal dit verwerkt worden in de Omgevingswet. Tot de Omgevingswet ingaat gelden voor onderdelen, die gaan over de fysieke leefomgeving, de bepalingen uit de Monumentenwet. Dit is opgenomen in de overgangsregeling van de Erfgoedwet. Het uitgangspunt is dat er verplicht rekening gehouden moet worden met het behoud van het archeologisch erfgoed in de bodem. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden door middel van archeologisch onderzoek.
Bij het ontwikkelen van ruimtelijke plannen moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming.
Bestemmingsplan toelichting 191040
Pagina 28 van 48
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Beoordeling Uit de archeologische beleidskaart van de gemeente Baarle-Nassau is op te maken dat de planlocatie is gelegen ter plaatse van de archeologische kaarteenheid ‘archeologische verwachtingswaarde hoog, hoog jv, hoog lb met daaroverheen de waarde ‘archeologische vindplaats’ (categorie 2). In dit gebied dient bij voorkeur geen werkzaamheden te worden uitgevoerd die tot fysieke aantasting van de (verwachte) archeologische resten leiden. Het beleid is dus gericht op het behoud van de bestaande situatie. Hieruit volgt dat op gronden met een archeologische verwachtingswaarde die behoort tot categorie 2 (Waarde – Archeologie 1) maximaal 100 m2 tot een diepte van 40 cm beneden maaiveld geroerd mag worden. Voor gronden met een archeologische verwachtingswaarde die behoort tot categorie 3 (Waarde – Archeologie 2) geldt dat maximaal 500 m2 tot een diepte van 40 cm beneden maaiveld geroerd mag worden.
Figuur 15: Uitsnede Archeologische beleidskaart gemeente Baarle-Nassau
Conclusie Op de planlocatie zullen geen grondroerende werkzaamheden plaats vinden. Hierdoor zullen de potentieel aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied niet onevenredig worden aangetast. Op de verbeelding worden de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’ en ‘Waarde – Archeologie 2’
Bestemmingsplan toelichting 191040
Pagina 29 van 48
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
overgenomen. Tijdens de omgevingsvergunningaanvraag zal beoordeeld worden of een archeologisch onderzoek noodzakelijk is. 5.4.3
Aardkundig waardevolle gebieden
Aardkundige waarden zijn onderdelen van het landschap die iets vertellen over de oorsprong van het gebied. Het landschap in Noord-Brabant is honderden tot honderdduizenden of zelfs miljoenen jaren terug ontstaan. Deze dekzandruggen, stuifduinen en meanderende beeklopen zijn gezichtsbepalend voor het Brabants landschap. De provincie wil deze onvervangbare gebieden behouden vanwege de ecologische en cultuurhistorische betekenis. Daarom nam de provincie gebieden van provinciale of nationale betekenis op in haar structuurvisie ruimtelijke ordening. In de Verordening ruimte is extra ruimtelijke bescherming voor het beheer en behoud van die gebieden geregeld.
Figuur 16: Aardkundig waardevolle gebiedenkaart
In figuur 16 is de aardkundig waardevolle gebiedenkaart te zien. De Provincie heeft de 'Aardkundig waardevolle gebiedenkaart Noord-Brabant’ ontwikkeld, welke is opgenomen in de verbeelding van de Verordening Ruimte. De kaart geeft aan op welke gebieden de bestaande beleidsregels betrekking hebben en welke waarden gelden. Het plangebied is niet gelegen in een aardkundig waardevol gebied. 5.5
Ecologie
Vanuit Europa is de bescherming van (plant en dier) soorten en gebieden geregeld in de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. In Nederland is de natuurwetgeving verankerd in de Wet Natuurbescherming. Europese Vogel- en Habitatrichtlijn De Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn hebben tot doel de bescherming van (vogel)soorten en hun natuurlijke habitats. Elke lidstaat is verplicht om speciale beschermingszones (SBZ’s) aan te wijzen, die samen één Europees netwerk van natuurgebieden vormen: “Natura 2000”. Wanneer in een gebied bepaalde soorten voorkomen, of een bepaald percentage van de Europese populatie herbergt, dan komt dit gebied in aanmerking voor plaatsing onder de betreffende richtlijnen. De planlocatie valt in zijn geheel niet binnen de aangewezen Vogelrichtlijn- of Habitatrichtlijngebieden. Wet Natuurbescherming De Wet natuurbescherming is een 'kaderwet'. Dat betekent dat er alleen algemene principes en verantwoordelijkheden in staan. De details zijn geregeld in een groot aantal algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen. Sommige bepalingen uit de Wet natuurbescherming zijn het gevolg van afspraken op internationaal en Europees niveau, zoals de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn en het CITESverdrag.
Bestemmingsplan toelichting 191040
Pagina 30 van 48
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen kunnen wettelijk beschermde dieren en plantensoorten in hun algemeenheid of wettelijk beschermde gebieden in het geding zijn. Om de natuurwaarden van de projectlocatie te kunnen beoordelen moet er getoetst worden aan wat beschreven staat in de Wet natuurbescherming. Daarnaast is het beleid aangaande het Natuurnetwerk van belang. Gebiedsbescherming Op grond van de Wet natuurbescherming is het verboden activiteiten te verrichten die leiden tot aantasting van wettelijk beschermde soorten en van hun voortplantingsplaats, vaste rustplaats of vaste verblijfplaats. De Wet natuurbescherming regelt de bescherming van gebieden die om hun ecologische waarde beschermd moeten worden. Daaronder vallen onder andere de zogenaamde Natura 2000-gebieden. De planlocatie ligt niet in een speciale beschermingszone als bedoeld in de Wet natuurbescherming. Het ligt ook niet binnen het Natuurnetwerk. Het beleid dat daarop van toepassing is heeft geen betrekking op de planlocatie. Al jaren is er in Natura 2000-gebieden een overschot aan stikstof (ammoniak en stikstofoxiden). Dit kan schadelijk zijn voor de natuur. Het belemmert ook vergunningverlening voor economische activiteiten.
Wanneer middels de AERIUS Calculator kan worden aangetoond dat een initiatief geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft, kan de ontwikkeling doorgang vinden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft ‘Arendonk, Merksplas, Oud-Turnhout, Ravels en Turnhout’ wat is gelegen op een afstand van circa 2,2 kilometer in België. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied in Nederland betreft ‘Regte Heide & Riels Laag’, wat is gelegen op een afstand van circa 10,0 kilometer. Gezien de afstand van het plangebied tot deze gebieden zal de beoogde ontwikkeling niet tot andere voorkomende storende factoren op omliggende Natura 2000-gebieden leiden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling. Op de planlocatie vinden geen ontwikkelingen plaats die een toename in stikstofdepositie tot gevolg kunnen hebben. Het initiatief betreft een woonfunctie toevoegen aan de cultuurhistorisch waardevolle schuur. Ten opzichte van het vigerend planologisch regime zal het aantal verkeersbewegingen van en naar de planlocatie licht toenemen. Uit de stikstofdepositieberekeningen (bijlage 4) volgt dat er geen Natura 2000 gebieden zijn waarvoor de drempelwaarde van 0,0 mol/ha/jaar wordt overschreden.
In de berekening wordt geen depositie getoond, omdat deze lager is dan 0,0 mol/ha/jaar. Beschermde soorten Het is in theorie mogelijk dat binnen het plangebied dier- en plantensoorten van de Habitatrichtlijnen voorkomen of dier- en plantensoorten die beschermd zijn op grond van de Flora- en Faunawet. Volgens de publicatie “Rekening houden met Habitatrichtlijnsoorten in Noord-Brabant” van de Provincie Noord-Brabant kunnen de volgende beschermde soorten mogelijk in het plangebied worden aangetroffen, concreet zijn dit de kamsalamander, de heikikker, de poelkikker, de rugstreeppad, de vleermuis en de drijvende waterweegbree. Met uitzondering van vleermuis bestaat de habitat van deze soorten voornamelijk uit stromend dan wel stilstaand water. Door Brabant Eco is een ecologische quickscan uitgevoerd op de planlocatie, zie bijlage 5 van de afzonderlijke bijlagen. De conclusie van het rapport is alsvolgt: Op basis van de uitgevoerde quickscan wordt geconcludeerd dat er geen beschermde flora en fauna in het plangebied voorkomen. Met de inpandige verbouwing van de cultuurhistorische Vlaamse schuur zijn geen overtredingen te verwachten ten aanzien van de Wet natuurbescherming. De Vlaamse schuur is volledig ongeschikt voor verblijf- schuil- en nestplaatsen van beschermde diersoorten.
De ingreep zal naar verwachting leiden tot een zeer beperkt en tijdelijk verlies van leefgebied van enkele overige beschermde soorten. Echter zal de aanleg van de boomgaard en het daaronder liggende kruidenrijk grasveld dit tijdelijke verlies ruimschoots compenseren. Conclusie Bestemmingsplan toelichting 191040
Pagina 31 van 48
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Gelet op de ruimtelijke ontwikkeling ter plaatse van de planlocatie kan gesteld worden dat de beschermde soorten niet belemmerd worden door het beoogde initiatief. Er geldt altijd een algemene zorgplicht voor beschermde en onbeschermde soorten.
Figuur 17: Binnenkant Vlaamse schuur
Bestemmingsplan toelichting 191040
Pagina 32 van 48
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Figuur 18: buitenkant Vlaamse schuur
Op bovenstaande afbeelding is de binnenkant van de Vlaamse schuur te zien. De woning wordt gerealiseerd in deze bestaande Vlaamse schuur. De vleermuis leeft in bomen en/of in gebouwen. Voor het realiseren van het initiatief wordt de Vlaamse schuur of onderdelen daarvan niet gesloopt. Deze schuur betreft een oude Vlaamse schuur, het dak is niet geïsoleerd en het gebouw heeft een enkel steens muur. De muren zijn niet opgebouwd met spouwmuren, waardoor er geen ruimtes aanwezig zijn waaronder of waartussen beschermde soorten kunnen kruipen. Door de opbouw van de Vlaamse schuur kan er mogelijk tocht optreden binnenin de schuur. In de Vlaamse schuur worden (oude) materialen van het voormalig agrarisch bedrijf opgeslagen. Binnen de schuur vindt zo af en toe nog beweging plaats. Op en rondom het boerenerf vindt veel beweging plaats. Dit zorgt voor verstoring waardoor er geen prettig verblijfsklimaat is voor beschermde soorten. Het is dan ook nagenoeg uitgesloten dat er vleermuizen of vogels zitten in of rondom de Vlaamse schuur. Ten behoeve van de ruimtelijke ontwikkeling worden geen bomen gekapt. De planlocatie wordt daarnaast landschappelijk ingepast waardoor de biodiversiteit op en rondom het boerenerf versterkt, dit heeft weer een positief effect voor de beschermde soorten in de omgeving.
Gelet op het bovenstaande en de beoogde ontwikkeling op de locatie Gierlestraat 1 kan gesteld worden dat de beschermde soorten niet belemmerd worden. Een nader onderzoek wordt daarom niet noodzakelijk geacht, maar er geldt altijd een algemene zorgplicht voor beschermde en onbeschermde soorten. 5.6
Wegverkeerslawaai
Bij het ontwikkelen van een ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan. De beoordeling van het aspect geluid in ruimtelijke plannen vindt zijn grondslag in vooral de Wet geluidhinder en daarnaast in de Wet ruimtelijke ordening, op basis van het voorzien in een goed woon- en leefklimaat. In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) is een woning een geluidsgevoelig object. Langs alle wegen - met uitzondering van 30 km/h-wegen en woonerven- bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van een binnen- of buitenstedelijke ligging. De planlocatie ligt aan de Gierlestraat. De Gierlestraat heeft ter plaatse van de planlocatie een snelheidsregime van 60 km/h. Er wordt een nieuwe woonbestemming mogelijk gemaakt.
Bestemmingsplan toelichting 191040
Pagina 33 van 48
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Op basis van de Wet geluidhinder moet bij een bestemmingsplanwijziging waarbij nieuwe geluidgevoelige bestemmingen mogelijk worden gemaakt, de geluidbelasting op deze nieuwe bestemmingen, als zij binnen de geluidzone van een (spoor)weg of industrieterrein zijn gelegen, worden bepaald. Een nieuwe wooneenheid binnen een gebouw wordt gezien als een nieuwe geluidgevoelige bestemming. Op de planlocatie wordt één nieuwe woningen gerealiseerd binnen de bestaande Vlaamse schuur. De planlocatie bevindt zich ten noorden van de Gierlestraat en ten oosten van de Turnhoutseweg. Het berekenen van de geluidbelasting heeft tot doel te bepalen of de voorkeursgrenswaarde van Lden – 48 dB uit de Wet geluidhinder wordt overschreden. Is dit het geval dan dient een hogere waarde verleend te worden om realisatie van het bouwplan mogelijk te maken en dienen bouwkundige voorzieningen te worden bepaald om aan de binnen niveaus van de Wet geluidhinder en de geluidweringseisen van het Bouwbesluit te voldoen. De Gierlestraat en de Turnhoutseweg dienen formeel getoetst te worden aan de Wet geluidhinder. Een akoestisch onderzoek op basis van de Wet geluidhinder is dus voor de nieuwe woning noodzakelijk. De geluidsbelasting van deze wegen zal worden berekend op de nieuwbouw en worden getoetst aan (kwalitatieve) eisen voor een goede ruimtelijke ordening.
Akoestisch onderzoek Op 7 juni 2022 is door Kraaij Akoestisch Adviesbureau een akoestisch onderzoek uitgevoerd voor de locatie Gierlestraat 1 te Baarle-Nassau. Het volledige onderzoek is als afzonderlijke bijlage toegevoegd aan onderhavige toelichting. Hieronder is de korte samenvatting en advies uit het onderzoek weergegeven. Samenvatting en advies Vanwege de Gierlestraat, de Schaluinen en de N260 voldoet de geluidbelasting op de gevels aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Het geluid van deze wegen is vanuit de Wgh als niet relevant te beschouwen voor de planlocatie. De geluidbelasting vanwege de Turnhoutseweg bedraagt ten hoogste 49 – 51 dB op de westgevel en overschrijdt daarmee de voorkeursgrenswaarde van 48 dB dus wel. Het geluid vanwege deze weg is dus wel relevant voor de planlocatie. Met een gecumuleerde geluidbelasting van 46 – 57 dB kan het akoestisch woon- en leefklimaat op basis van de Milieukwaliteitsmaat in tabel 2.2 worden beoordeeld als ‘goed tot matig’. Gelet op bovenstaande kwalificatie in relatie tot de stedelijke ligging van de planlocatie en daarbij de aanwezigheid van minimaal twee geluidluwe gevels, kan het akoestisch woon- en leefklimaat als aanvaardbaar worden aangemerkt.
In onderhavige situatie is dus sprake van een goede ruimtelijke ordening Omdat alle onderzochte maatregelen om de geluidbelasting vanwege de Turnhoutseweg te reduceren tot de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet doeltreffend zijn of op problemen stuiten van stedenbouwkundige, technische of financiële aard, zal een hogere grenswaarde aangevraagd moeten worden bij de gemeente Baarle-Nassau voor de geluidbelasting vanwege deze weg, De aan te vragen hogere waarde betreft in onderhavige situatie 51 dB vanwege de Turnhoutseweg. Aan de noord- en oostzijde van het pand is de geluidbelasting lager dan 53 dB. Hiermee zijn deze gevels als geluidluw te beschouwen. De aanwezigheid van een geluidluwe gevel of -buitenruimte is een aanvullende voorwaarde, waaraan dus voldaan wordt, om een hogere grenswaarde te kunnen aanvragen. Indien uitgegaan wordt van nieuwbouw en de hoogste gecumuleerde geluidbelasting dient de karakteristieke geluidwering van de uitwendige gevelconstructie, in navolging van het Bouwbesluit, minimaal te voldoen aan 24 dB (57 – 33 dB) voor een verblijfsgebied. Voor een verblijfsruimte geldt een 2 dB lagere eis van 22 dB om een goed woon- en leefklimaat in alle woonruimten te kunnen waarborgen. 5.7
Bedrijven en milieuzonering
Bij de ontwikkeling van woningen dient rekening te worden gehouden met eventuele milieuhinder als gevolg van (bedrijfs)activiteiten. Uitgangspunt daarbij is dat bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt en dat ter plaatse van de woning vanuit een goede ruimtelijke ordening sprake is van een aanvaardbaar woon- en Bestemmingsplan toelichting 191040
Pagina 34 van 48
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
leefklimaat. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt toch getoetst aan de richtafstanden uit de VNG-publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. Milieucategorie In de VNG-publicatie is een gebied ingedeeld in twee typen: rustige woonwijk/rustig buitengebied of gemengd gebied. Het plangebied is gelegen tegen de rand van de dorpskern Baarle waar verschillende functies voorkomen. Daarnaast is het plangebied gelegen aan een doorgaande weg. Gelet op bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het om een gemengd gebied gaat. Vanwege de aanwezigheid van een gemengd gebied mag de richtafstand met één stap worden teruggebracht. Milieuzones Alle bedrijven in een straal van 150 meter van het plangebied zijn beoordeeld. In onderstaande tabel is de afstand weergegeven ten opzichte van het plangebied. Tabel 1: Richtafstanden bedrijven, omgevingstype ‘gemengd gebied’ Bedrijfsomschrijving Adres Cat. Geur Stof
Bedrijf t.b.v. industriële en agro-automatisering Agrarisch bedrijf Tankstation Antiekhandel
Geluid
Gevaar
Gierlestraat 3
2
10
0
10
10 m
Afstand tot van bouwvlak tot bouwvlak planlocatie 0m
Gierlestraat 2 Turnhoutseweg 42 Turnhoutseweg 40
2 2 1
0 10 0
0 0 0
10 10 0
10 m 10 m 0m
23 m 40 m 55 m
Op de locatie Gierlestraat 3 is de bestemming ‘Bedrijf’ aanwezig. Binnen deze bestemming is het mogelijk om bedrijven op te richten met milieucategorie 1 en 2 zoals aangegeven in de Staat van Bedrijfsactiviteiten. Bedrijven met milieucategorie 2 hebben een richtafstand van 10 meter binnen het gemengd gebied. Het bedrijf op de locatie Gierlestraat 3 heeft een richtafstand van 10 meter. De toekomstige woning en het bedrijfsgebouw liggen op 10 meter afstand van elkaar, zoals te zien is in figuur 19. Het bedrijf aan de Gierlestraat 3 kent een net nieuw gebouwd bedrijfsgebouw. Hierdoor is het onwaarschijnlijk dat het bedrijfsgebouw opnieuw zou worden gebouwd dichterbij de Vlaamse schuur. Ook voor de Vlaamse schuur is het onwaarschijnlijk dat dit gebouw dichterbij het bedrijf komt te liggen, aangezien de Vlaamse schuur de functieaanduiding ’cultuurhistorische waarden’ kent. Tevens hebben beide gebouwen een bouwvlak rondom het gebouw. Hierdoor wordt verwacht dat de twee gebouwen op de locatie Gierlestraat 1-3 niet dichterbij elkaar komen te liggen. Doordat de bedrijfsactiviteiten van het industriële en agro-automatiseringsbedrijf binnen plaats vinden, kan gesteld worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat op de planlocatie Gierlestraat 1.
Daarnaast vindt geen onevenredige aantasting plaats voor de bedrijfsvoering/ bedrijfsontwikkeling van de omliggende (agrarische) bedrijven.
Bestemmingsplan toelichting 191040
Pagina 35 van 48
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Figuur 19: richtafstand toekomstige situatie Gierlestraat 1-3
Geurhinder veehouderijen Wettelijk toetsingskader De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) betreft een wet waarmee de nationale regels inzake geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld staan. De Wet geurhinder en veehouderij heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting, onder andere als gevolg van emissies door veehouderijen. Met minimumafstanden en maximale waarden voor geurbelasting krijgen geurgevoelige objecten bescherming tegen geurhinder. Met de in de Wet geurhinder en veehouderij opgenomen grenswaarden moet rekening gehouden worden bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zoals het wijzigen van een bestemming. De Wet geurhinder en veehouderij vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning. Indirect heeft de Wet geurhinder en veehouderij ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt ‘omgekeerde werking’ genoemd.
Voor wat betreft geurhinder van veehouderijen betekent dit dat de volgende aspecten in oogschouw moeten worden genomen: • Wordt er een onevenredige inbreuk gemaakt op de mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling van de nabij gelegen veehouderijen? • Is ter plaatse van het plangebied een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd? Woon- en leefklimaat Een geurgevoelig object is een gebouw dat is bestemd voor en geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf. Het gebouw moet hiervoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze worden gebruikt. De woning aan de Gierlestraat 1 te Baarle-Nassau kan gezien worden als geurgevoelig object. Voor de planlocatie dient te worden uitgegaan van een goed woon- en leefklimaat. Bij de beoordeling of het leefklimaat ter plaatse van de planlocatie acceptabel is, dient de geurbelasting veroorzaakt door alle in de buurt gelegen veehouderijen samen (achtergrondbelasting) en de geurbelasting op het plangebied door de individuele bedrijven (voorgrondbelasting en vaste afstand) veroorzaakt in beeld te worden gebracht. Beoordeeld moet worden of de belasting acceptabel is. Bestemmingsplan toelichting 191040
Pagina 36 van 48
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Geurverordening De Wet geurhinder en veehouderij geeft de gemeenten de bevoegdheid om, binnen gestelde marges, bij verordening afwijkende geurnormen op te stellen in een gebiedsvisie. De gemeente Baarle-Nassau kent de Gebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij welke sinds 3 februari 2022 definitief is vastgesteld. In deze paragraaf worden de geurnormen uit de Gebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij gehanteerd. Geurgevoelig object Voor de planlocatie Gierlestraat 1 dient bepaalt te worden welke normen uit de Geurvisie Wet geurhinder en veehouderij gehanteerd dienen te worden. De gemeente Baarle-Nassau is conform bijlage 1 van de Meststoffenwet gelegen binnen een concentratiegebied. De bestaande woning aan Gierlestraat 1 ligt, nadat de bebouwde komgrenzen zijn verplaatst, binnen de bebouwde kom. Hierdoor dienen omliggende veehouderijbedrijven conform de Wet geurhinder en veehouderij een vaste afstand te hanteren van 50 meter. Dit geldt voor veehouderijbedrijven met dieren zonder en met een geuremissiefactor. Voor de locatie Gierlestraat 1 is de geurnorm 3,0 Ou volgens de Geurvisie Wet geurhinder en veehouderij van de gemeente Alphen-Chaam. De dichtstbijzijnde veehouderij is gelegen op een afstand van 390 meter van de planlocatie. De richtafstand voor een veehouderij wordt hiermee behaald. Een verdere berekening is hierdoor niet benodigd.
Woon- en leefklimaat op basis van geuremissie In de Gebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij zijn in artikel 5 grenswaarden opgenomen voor de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object. Deze grenswaarden worden weergegeven in odour units per kubieke meter (ouE/m3). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de ligging binnen of buiten concentratiegebieden en de bebouwde kom. De gemeente Baarle-Nassau is conform bijlage 1 van de Meststoffenwet gelegen binnen een concentratiegebied. De locatie Gierlestraat 1 is, nadat de bebouwde komgrenzen verplaatst zijn, gelegen binnen de bebouwde kom, waardoor conform artikel 5, lid 5.5 van de Gebiedsvisie Wgv een geurbelasting van 3 odour units (ouE/m³) op een gevoelig object is toegestaan. Verder worden eisen gesteld aan de afstand tussen een veehouderij met dieren zonder een geuremissiefactor en een geurgevoelig object. De norm van 3 ouE/m³ geldt altijd, tenzij het gaat om het houden van dieren waarvoor geen geuremissiefactoren zijn vastgesteld in de Wet geurhinder en veehouderij. Dan geldt een vaste afstand. De woning op de locatie Gierlestraat 1 kan gezien worden als een geurgevoelig object in het kader van de Wet geurhinder en veehouderij voor omliggende bedrijven.
Gekeken moet worden of op de planlocatie een acceptabel woon- en leefklimaat aanwezig is en of de ontwikkeling op de planlocatie geen beperkende werking heeft voor omliggende veehouderijen. Het woon- en leefklimaat als het gevolg van de geurbelasting van omliggende veehouderijen is in onderstaande afbeelding weergegeven. De Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant heeft voor heel Noord-Brabant, op basis van een export van de bronnen uit Web-BVB met behulp van V-Stacks Gebied, de achtergrondbelasting bepaald. De gehanteerde emissiegegevens dateren van februari 2021 en zijn daarmee actueel. De emissie van elk bedrijf is geconcentreerd op de x- en y-coördinaat zoals die in het Web-BVB is ingevoerd. Hierdoor geeft de onderstaande kaart een indicatie van het woon- en leefklimaat. Opgemerkt dient te worden dat in de directe nabijheid van een veehouderij de achtergrondbelasting net anders kan zijn. Als uit deze kaart blijkt dat er overbelaste situaties aan de orde zijn, is een gedetailleerde achtergrondberekening benodigd. Uit onderstaande figuur, een uitsnede van de achtergrondbelastingkaart van de Omgevingsdienst Zuidoost Brabant, blijkt dat de kwaliteit van de leefomgeving op basis van de achtergrond belasting als ‘zeer goed’ is aan te merken. Aan de hand van deze kaart kan tevens worden opgemerkt dat de norm van 3 ouE/m³ op de planlocatie niet wordt overschreden.
Op de planlocatie is er geen sprake van een overbelaste situatie. Een aanvullende berekening voor het bepalen van de achtergrondbelasting of voorgrondbelasting is in deze situatie dan ook niet noodzakelijk. Er is derhalve sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat op basis van geuremissie
Bestemmingsplan toelichting 191040
Pagina 37 van 48
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Figuur 20: uitsnede kaart Achtergrondbelasting geur
Woon- en leefklimaat op basis van vaste afstanden In de omgeving van de planlocatie zijn enkele agrarische bedrijven gevestigd. In de Wet geurhinder en veehouderij worden eisen gesteld aan de afstand tussen een veehouderij met dieren zonder geuremissiefactor en een geurgevoelig object. Conform artikel 4.1 van de Wet geurhinder en veehouderij gelden voor agrarische bedrijven met dieren zonder geuremissiefactor vaste afstanden tussen het dierverblijf en geurgevoelige objecten. De minimale afstand buiten de bebouwde kom betreft 50 meter. Daarnaast dient op grond van artikel 5.1 van de Wet geurhinder en veehouderij een minimale afstand aangehouden te worden van 50 meter van de gevel van het dierenverblijf tot het geurgevoelig object. Aan de Tommel 1 is de dichtstbijzijnde veehouderij, op Nederlandse grond gevestigd, waarbij de vaste afstanden van toepassing zijn. Het bouwvlak op de planlocatie Gierlestraat 1 is op circa 590 meter afstand van het bestaande agrarisch bouwvlak aan Tommel 1. De dichtstbijzijnde veehouderij op Belgische grond is gelegen aan de Tommel 9, op een afstand van circa 390 meter van de planlocatie Gierlestraat 1. De afstand van 50 meter wordt hiermee behaald. Aan de noordzijde van de planlocatie liggen op Belgisch grondgebied stallen van de voormalige boerderij welke in bezit is van de initiatiefnemer.
Er is geen vee meer aanwezig op deze locatie en de stallen worden in de toekomst gesloopt. Initiatiefnemer is ook niet meer voornemens om een volwaardig agrarisch bedrijf op te richten. Het voornemen is om het samenhangend boerenerf te behouden op de planlocatie, het nieuw vestigen van een agrarisch bedrijf is niet passend op deze locatie. Op de planlocatie is sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat op basis van vaste afstanden. Conclusie Gelet op de afstand van de planlocatie tot de dichtstbijzijnde veehouderij wordt de desbetreffende veehouderij door de ruimtelijke ontwikkeling niet belemmerd en is ter plaatse van de planlocatie sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect geurhinder en veehouderij vormt geen belemmering voor de ruimtelijke ontwikkeling op de locatie Gierlestraat 1. 5.8
Externe veiligheid
Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen en waterwegen) en Bestemmingsplan toelichting 191040
Pagina 38 van 48
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten en regelingen. De belangrijkste zijn: ▪ Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); ▪ Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); ▪ Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. De risico's dienen te worden beoordeeld op het plaatsgebonden en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. Hoe hoger het groepsrisico, hoe groter deze kans. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven in de vorm van contouren rond een risicobron. Het groepsrisico wordt weergegeven in een grafiek: de fN-curve. Deze curve geeft aan hoe groot de kans is op een ongeval met een bepaald aantal slachtoffers. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans dat iemand die zich op een bepaalde plaats bevindt, komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen.
Het rijk heeft als maatgevende risicocontour de kans op overlijden van 10-6 per jaar gegeven (indien een persoon zich gedurende een jaar binnen deze contour bevindt is de kans op overlijden groter dan één op een miljoen jaar). Ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan het plaatsgebonden risico 10-6. Het plaatsgebonden risico 10-6 is voor ruimtelijke besluiten vertaald naar grenswaarden en richtwaarden. De wetgeving is erop gericht om voor bestaande situaties geen personen in kwetsbare objecten (zoals woningen, scholen, ziekenhuizen en grote kantoren) en zo min mogelijk personen in beperkt kwetsbare objecten (zoals kleine kantoren en sportcomplexen) bloot te stellen aan een plaatsgebonden risico dat hoger is dan 10-6 per jaar. Nieuwe ontwikkelingen van kwetsbare objecten binnen de risicocontour van 10-6 per jaar zijn niet toegestaan. Nieuwe ontwikkelingen van beperkt kwetsbare objecten zijn ongewenst, maar wel toegestaan indien gemotiveerd kan worden waarom dit noodzakelijk is. Daarnaast dient aangetoond te worden dat afdoende maatregelen worden genomen om de risico's en de gevolgen van een eventueel ongeval te beperken. Groepsrisico Het groepsrisico is een maat voor de kans dat een bepaald aantal mensen overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen.
De hoogte van het groepsrisico hangt af van: ▪ de kans op een ongeval; ▪ het effect van het ongeval; ▪ het aantal personen dat in de omgeving van de bron(inrichting of transportroute) verblijft; ▪ de mate waarin de personen in de omgeving beschermd zijn tegen de gevolgen van een ongeval. Het groepsrisico kan worden weergegeven in een grafiek met op de horizontale as het aantal dodelijke slachtoffers en op de verticale as de kans per jaar op tenminste dat aantal slachtoffers. Het groepsrisico wordt bepaald binnen het zogenaamde invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Hoe meer personen in het invloedsgebied aanwezig zijn, hoe groter het aantal (potentiële) slachtoffers is, en hoe hoger het groepsrisico. Bij het opstellen van een bestemmingsplan, waarvan het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van een risicobron, geldt een verantwoordingsplicht.
Bestemmingsplan toelichting 191040
Pagina 39 van 48
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Figuur 21: Uitsnede risicokaart Nederland
Inrichtingen De verantwoordingsplicht groepsrisico is van toepassing binnen het invloedsgebied van een risicovolle inrichting waarop het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van toepassing is. In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle inrichtingen. Voor de toepassing van het Bevi, wordt een ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie. Om te bepalen of in de omgeving van de planlocatie risicovolle bedrijven of inrichtingen aanwezig zijn is de risicokaart van Nederland geraadpleegd. De gemeente Baarle-Nassau heeft geen beleid voor externe veiligheid. Uit figuur 21 blijkt dat binnen een afstand van 1600 meter van de planlocatie geen risicovolle bedrijven of inrichtingen aanwezig zijn. Transport Naast de invloed van de risicovolle inrichtingen speelt de verantwoordingsplicht groepsrisico een rol bij transportassen waarop Beluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), van toepassing is. Dit besluit verplicht het bevoegd gezag om een beoordeling en afweging van de externe veiligheid mee te nemen bij ruimtelijke plannen die in de directe nabijheid zijn gelegen van een transportas waarover gevaarlijke stoffen plaatsvinden.
Op basis van het Bevt, welke vanaf 1 april 2015 van kracht is, dient bij nieuwe ontwikkelingen welke zijn gelegen binnen 200 meter van een transportas, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt, rekening te worden gehouden met de ruimtelijke ontwikkeling. De planlocatie ligt binnen het invloedsgebied van 200 meter van de transportas. De Turnhoutseweg, waaraan de planlocatie ligt, is een provinciale weg waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Op de risicokaart van de provincie Noord-Brabant staan wegen aangeduid waarover vervoer plaats vindt van gevaarlijke stoffen waarvan bekend is dat er een overschrijding van de wettelijke norm (plaatsgebonden risico 10-6) plaatsvindt. De Turnhoutseweg is niet aangeduid als een weg waar de wettelijke norm overschreden wordt. Er is geen overschrijding van het groepsrisico externe veiligheid. Buisleidingen Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van kracht geworden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. In de directe omgeving (in een straal van > 500 meter) van de planlocatie zijn geen buisleidingen
Bestemmingsplan toelichting 191040
Pagina 40 van 48
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
gelegen die van invloed zijn op het plangebied. Een verantwoording van het groepsrisico op grond van het Bevb is dus niet aan de orde. Conclusie De risicokaart toont in de directe omgeving (binnen een straal van > 250 meter) van de planlocatie Gierlestraat 1 geen risicovolle inrichtingen. De planlocatie ligt binnen het invloedsgebied van 200 meter van een transportas. Deze transportas is niet aangeduid als een weg waar de wettelijke norm overschreden wordt. De planlocatie is niet gelegen in de directe omgeving (binnen een straal van > 250 meter) van een risicorelevante buisleidingen gelegen. Er is geen overschrijding van het groepsrisico externe veiligheid. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de ruimtelijke ontwikkeling op de locatie Gierlestraat 1. 5.9
Kabels en leidingen
Op of in de directe nabijheid van de planlocatie, zijn geen transportleidingen dan wel andere belangrijke kabels en leidingen gelegen, welke de realisatie van het bouwplan kunnen belemmeren. De KLIC-melding wordt uitgevoerd om eventuele kabels en leidingen in beeld te brengen. 5.10
Luchtkwaliteit
Conform de Wet Luchtkwaliteit kan elk project dat NIBM (niet in betekenende mate) bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Als het plan NIBM aan de luchtkwaliteit bijdraagt, hoeft geen uitgebreid luchtonderzoek meer uitgevoerd te worden. Op 1 augustus 2009 is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Het NSL zorgt ervoor dat Nederland binnen de door Europa gestelde termijn zal voldoen aan de Europese grenswaarden op het gebied van fijn stof en stikstofdioxide. In het NSL is een lijst met ruimtelijke infrastructurele projecten opgenomen met een maatregelenpakket, dat ervoor gaat zorgen dat de huidige overschrijdingen van de luchtkwaliteit worden opgelost en de negatieve effecten van geplande ruimtelijke ontwikkelingen worden gecompenseerd. Bij inwerkingtreding van het NSL heeft gevolgen voor het NIBM. Een plan is vanaf 1 augustus 2009 NIBM als het een toename van de concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2) veroorzaakt die niet meer bedraagt dan 3 % van de jaargemiddelde concentratie van die stof. Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 microgram/m³ voor zowel PM10 en NO2.
De categorieën die altijd NIBM zijn, de volgende: Woningbouw: ▪ 1500 woningen (netto) bij minimaal één ontsluitingsweg; ▪ 3000 woningen (netto) bij minimaal twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Er vindt op het plangebied een toevoeging plaats van maximaal een woning. Een project wat NIBM bijdraagt omvat maximaal een toevoeging van 1500 woningen bij minimaal één ontsluitingsweg plaats. Gesteld kan worden dat de beoogde ontwikkeling in het plangebied een ‘niet in betekenende mate’ bijdrage levert die beschouwd kan worden als verslechtering van de luchtkwaliteit. De ontwikkeling in het plangebied zal niet resulteren in een significante toename van het verkeer op de ontsluitingswegen van het plangebied. Voor het onderhavige plan geldt een grens van 3%. De verkeersbewegingen als gevolg van de ontwikkeling in het plangebied zal naar verwachting geen invloed hebben op de luchtkwaliteit ter plaatse en derhalve de 3% grens niet overschrijden. Een nader onderzoek naar het aspect luchtkwaliteit wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Omdat bij de beoogde ontwikkeling sprake is van een nieuwe woonfunctie, dient ook een beoordeling plaats te vinden of voldaan wordt aan de wettelijke luchtkwaliteitseisen c.q. inzicht te worden gegeven in de heersende concentraties.
De coördinaten van het plangebied Gierlestraat 1 zijn bij benadering: ▪ x = 123505 ▪ y = 382229 Bestemmingsplan toelichting 191040
Pagina 41 van 48
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
De Grootschalige Concentratie- en Depositiekaart Nederland (GCN) van het RIVM tonen ter hoogte van deze coördinaten, de volgende achtergrondconcentraties: 2020: PM10: 18.36 μg/m3 en NO2: 13.81 μg/m3 2025: PM10: 16.53 μg/m3 en NO2: 11.63 μg/m3 2030: PM10: 15.29 μg/m3 en NO2: 9.76 μg/m3 Deze waarden liggen ruim beneden de grenswaarde van PM10 en NO2 van 40 µg/m3. Hiermee vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de ontwikkeling van het plangebied. Om het woon- en leefklimaat met betrekking tot de luchtkwaliteit te bepalen wordt gebruik gemaakt van de monitoringstool van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Uit de monitoringstool volgt dat ter plaatse van het plangebied zowel in de huidige situatie als voor 2025 de jaargemiddelde concentraties van NO2 en PM10 ruimschoots onder de grenswaarden van 40 microgram per kubieke meter lucht liggen. Het aantal dagen per jaar dat de etmaalgemiddelde concentratie van PM10 groter is dan 50 microgram per kubieke meter lucht ligt eveneens ruimschoots onder de grenswaarde van 35 dagen per jaar. De grenswaarde van 25 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie voor PM 2,5 wordt eveneens niet overschreden. 5.11
Toetsing besluit milieueffectrapportage
Bij besluit van 21 februari 2011 heeft de wetgever het Besluit milieueffectrapportage en het Besluit omgevingsrecht gewijzigd. De belangrijkste wijziging betreft het meer 'in lijn brengen' van het Besluit m.e.r. met de Europese richtlijn m.e.r. Dit houdt in dat onder andere de zogenaamde drempelwaarde voor activiteiten een indicatief karakter heeft gekregen. Met dit wijzigingsbesluit is bepaald dat voor activiteiten die op de bij het besluit behorende C‐ en D‐lijst zijn opgenomen, altijd aandacht aan m.e.r. geschonken dient te worden. Op hoofdlijnen komt het erop neer dat voor activiteiten die behoren tot de C‐lijst een m.e.r.‐plicht volgt en voor activiteiten op de D‐lijst volgt dan wel een m.e.r.‐ beoordelingsplicht dan wel een motivering dat geen m.e.r.(beoordeling) nodig is. Onder lijst D van het Besluit m.e.r. valt een stedelijk ontwikkelingsproject als het een project meer dan 2.000 woningen omvat. Binnen het plangebied omvat de ontwikkeling het vergroten van de inhoud van een bestaande woning. Gesteld kan worden dat de milieueffecten gevolgen van het vergroten van de inhoud van een bestaande woning van dien aard zijn dat er geen m.e.r.-plicht of m.e.r –beoordeling aan de orde is. In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r.
is een handreiking opgesteld over de vraag hoe moet worden vastgesteld of activiteit met een omvang onder de drempelwaarde toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst en die een omvang hebben beneden de drempelwaarden, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrij m.e.r.-beoordeling gebruikt. Uit deze toets kunnen twee conclusies komen: belangrijke nadelige milieueffecten kunnen worden uitgesloten of belangrijke nadelige milieueffecten zijn niet uitgesloten. In het eerste geval is de activiteit niet m.e.r.-beoordelingsplichtig in het andere geval dient een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure te worden gevolgd. De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEGrichtlijn milieueffectbeoordeling. Beoordeling Drempelwaarde lijst D In het plangebied is sprake van de aanleg, wijziging of uitbreiding van een klein stedelijke ontwikkelingsproject. het vergroten van de inhoud van een bestaande woning valt onder de activiteiten D.11.2. in bijlage II van het Besluit m.e.r. waarvoor de term ‘stedelijke ontwikkeling’ geldt.
De drempelwaarde voor een m.e.r.beoordelingsplichtige activiteiten van D.11.2. in bijlage II van het Besluit vermeld: ▪ Een oppervlakte van 100 ha of meer; ▪ Een aangesloten gebied; ▪ 2000 of meer woningen. Bestemmingsplan toelichting 191040
Pagina 42 van 48
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
De ontwikkeling ligt ver beneden de drempelwaarde zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. Gevoelige gebieden In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en winterwingebieden. Het plangebied is in geen van dergelijke gevoelige gebieden gelegen. Er is dus geen sprake van significante nadelige effecten voor het milieu. Milieugevolgen In voorgaande paragrafen van dit hoofdstuk zijn de verschillende milieueffecten beschouwd, zoals geluid, luchtkwaliteit etc. Gelet op de kenmerken van het project, de locatie en de kenmerken van de effecten, kan worden geconcludeerd dat het project niet leidt tot significante nadelige milieueffecten. Er is daarom geen aanleiding of noodzaak voor het doorlopen van een formele m.e.r.-beoordelingsprocedure of m.e.r.-procedure. Conclusie Het uitvoeren van een (vorm-vrije) m.e.r.-beoordeling is niet noodzakelijk.
Bestemmingsplan toelichting 191040
Pagina 43 van 48
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Hoofdstuk 6 6.1
Juridische aspecten
Inleiding
Het onderhavige bestemmingsplan is, in navolging van het vigerende bestemmingsplan ‘Gierlestraat 1-3 te Baarle-Nassau’, een globaal bestemmingsplan. In de regels behorende bij de onderhavige herziening, is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de juridische regelgeving, zoals deze zijn gehanteerd in de bestemmingsplannen ‘Gierlestraat 1-3 te Baarle-Nassau’ en ‘Dorpen’. 6.2
Algemene toelichting verbeelding
De verbeelding is getekend uitgaande van het rapport ‘Digitaal Uitwisselbare Ruimtelijke Plannen’ (DURP) en het rapport ‘Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen’ (SVBP). Hierdoor wordt het mogelijk met toevoeging van een codering de plannen digitaal uit te wisselen. De verbeelding is getekend op een kadastrale ondergrond. Op de verbeelding zijn vrijwel alle functies apart bestemd, waardoor het direct mogelijk is om met het bijbehorende renvooi te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen het plangebied gegeven zijn. In de bijbehorende regels zijn de bestemmingsomschrijving en de bouwregels te vinden. Bestemmingsvlak en bouwvlak Elke bestemming bestaat doorgaans uit een bestemmingsvlak en een bouwvlak. Het bestemmingsvlak geeft aan waar een bepaald gebruik toegestaan is. Het bouwvlak is een gebied op de verbeelding waarvoor de mogelijkheden om te bebouwen in de bestemmingsregels zijn aangegeven. Bouwvlakken worden op de verbeelding doorgaans voorzien van aanduidingen die betrekking hebben op de maatvoering en/of functie. Aanduidingen De letteraanduiding van de bestemmingen zijn ingetekend in het bestemmingsvlak. Nadere specificaties die iets zeggen over het gebruik of bouwmogelijkheden zijn aangegeven door aanduidingen. Als deze specificaties op het hele bestemmingsvlak van toepassing zijn, staan de aanduidingen achter de bestemmingsaanduiding in het bestemmingsvlak. 6.3
Algemene toelichting regels
De regels zijn gebaseerd op het rapport ‘Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen’ (SVBP). Hierin zijn afspraken en aanbevelingen opgenomen met betrekking tot de opbouw en de presentatie van het bestemmingsplan (digitaal en analoog). Deze afspraken en aanbevelingen zijn op 1 januari 2010 wettelijk vastgesteld. De bestemmingsplanregels bestaan uit vier hoofdstukken: ▪ Hoofdstuk 1 Inleidende regels; ▪ Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels; ▪ Hoofdstuk 3 Algemene regels; ▪ Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels 6.3.1
Hoofdstuk 1
Inleidende regels
Artikel 1 Begrippen In dit artikel worden de begrippen die van toepassing zijn op de regels verklaard. Een en ander voorkomt dat er bij de uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde begrippen. Artikel 2 Wijze van meten In het artikel 'wijze van meten' is een regeling opgenomen waarin bepaald is hoe de voorgeschreven maatvoering in het plan gemeten moet worden.
Bestemmingsplan toelichting 191040
Pagina 44 van 48
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
6.3.2
Hoofdstuk 2
Bestemmingsregels
Artikel 3 Bedrijf De voor ‘Bedrijf’ aangewezen gronden zijn bestemd voor een bedrijf, tuinen en erven, langzaamverkeersroutes, Artikel 4 ‘Groen – landschappelijke inpassing De voor ‘Groen – landschappelijke inpassing’ aangewezen gronden zijn bestemd voor behoud, herstel en/of ontwikkeling van het groen en bij deze bestemming behorende voorzieningen zoals groenvoorzieningen, water, nutsvoorzieningen, speelvoorzieningen, parkeervoorzieningen. Artikel 5 Waarde – Archeologie 1 De voor 'Waarde – Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor bescherming van en onderzoek naar verwachte en onbekende archeologische waarden. Artikel 6 Waarde – Archeologie 2 De voor 'Waarde – Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor bescherming van en onderzoek naar verwachte en onbekende archeologische waarden. Artikel 7 Waarde – beeldbepalend De voor ‘Waarde – beeldbepalend’ aangewezen gronden zijn bestemd voor het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden. 6.3.3
Hoofdstuk 3
Algemene regels
Artikel 8 Anti-dubbeltelregel Het artikel 'Anti-dubbeltelregel' bevat bepalingen om te voorkomen dat met het bestemmingsplan strijdige situaties ontstaan of worden vergroot. De redactie is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening en overeenkomstig opgenomen. Artikel 9 Algemene bouwregels In dit artikel is een aantal aanvullende bouwregels opgenomen die voor alle bestemmingen kunnen gelden, zoals een regeling voor ondergronds bouwen. Artikel 10 Algemene gebruiksregels In dit artikel is een aantal algemene gebruiksregels opgenomen. Het betreft hier een standaardregeling die voor alle bestemmingen kunnen gelden. Artikel 11 Algemene afwijkingsregels In dit artikel is een aantal algemene afwijkingsmogelijkheden opgenomen. Het betreft hier een standaardregeling die het mogelijk maakt om bij de uitvoering van bouwplannen beperkte afwijkingen van het plan mogelijk te maken. Artikel 12 Algemene wijzigingsregels In dit artikel is een aantal algemene wijzigingsmogelijkheden opgenomen. Het betreft hier een standaardregeling die het mogelijk maakt om bij de uitvoering van bouwplannen beperkte afwijkingen van het plan mogelijk te maken die niet met toepassing van de afwijkingsbepalingen geregeld kunnen worden. Artikel 13 Overige regels In dit artikel zijn de regels opgenomen die niet onder een andere regel zijn te vatten.
6.3.4
Hoofdstuk 4
Overgangs- en slotregels
Bestemmingsplan toelichting 191040
Pagina 45 van 48
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Artikel 14 Overgangsrecht In de overgangsrechtregel is een regeling opgenomen voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het inwerking treden van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd. De redactie is wettelijk vastgelegd en overeenkomstig opgenomen. Artikel 15 Slotregel In de slotregel wordt de officiële naam van het plan weergegeven.
Bestemmingsplan toelichting 191040
Pagina 46 van 48
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Hoofdstuk 7 7.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
De ontwikkeling op de locatie Gierlestraat 1 te Baarle-Nassau is een particulier initiatief. De in dit bestemmingsplan beschreven ontwikkeling zal volledig vanuit particulier initiatief gerealiseerd en gefinancierd worden. Het terrein is particulier eigendom. Investeringen vanuit de gemeente zijn derhalve niet noodzakelijk. Er wordt planschadeovereenkomst voor het kostenverhaal gesloten. 7.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
7.2.1
Inleiding procedure
Planologische procedure Voordat een bestemmingsplan geldig is, volgt de gemeente een procedure. De procedure bestaat uit drie fasen: vooroverleg, ontwerp en vastgesteld plan. In de vooroverlegfase wordt vooroverleg gepleegd met alle betrokken overheden en partijen. De achtereenvolgende fase is de ontwerpfase. Tijdens de ter inzageperiode (6 weken) heeft eenieder het recht om een zienswijze te geven. De zienswijzen worden verwerkt en beantwoord in een zienswijzenrapportage. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan. Relatie onderhavig bestemmingsplan met eerdere bestemmingsplannen Het onderhavige bestemmingsplan is, in navolging van het vigerende bestemmingsplan ‘Gierlestraat 1-3 te Baarle-Nassau’, een gedetailleerd bestemmingsplan. In de regels behorende bij de onderhavige herziening, is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de juridische regelgeving, zoals deze in dit plan is gehanteerd. Het onderhavig bestemmingsplan wordt middels een zogenoemde ‘postzegelbestemmingsplannen’ juridischplanologisch mogelijk gemaakt. 7.2.2
Omgevingsdialoog
De gemeente Baarle-Nassau heeft de beleidsnota ‘Omgevingsdialoog bij ruimtelijke plannen’ opgesteld. Indien er sprake is van een partiële herziening van het bestemmingsplan verwacht de gemeente dat initiatiefnemer actief communiceert met omwonenden over de beoogde ontwikkeling. Een rapport over dit communicatietraject, inclusief hoe omgegaan wordt met gemaakte opmerkingen (indien van toepassing), dient overlegt te worden. In dat kader heeft initiatiefnemer een omgevingsdialoog gevoerd. Het verslag hiervan is aan de gemeente overlegd, maar wordt in het kader van de privacywet niet aan deze toelichting toegevoegd. Voor het plan aan de Gierlestraat 1 is een omgevingsdialoog gehouden. In februari en maart 2023 is initiatiefnemer langs de deuren geweest om het initiatief toe te lichten en eventuele vragen te beantwoorden. De omwonenden hebben positief gereageerd op het initiatief. Er zijn geen vragen of opmerkingen gegeven welke hebben geleid tot het aanpassen van het wijzigingsplan. In verband met de privacy is de omgevingsdialoog geanonimiseerd en is deze versie toegevoegd als bijlage aan onderhavig plan. 7.2.3
Vooroverleg
Op grond van artikel 3.1.1 van het Bro wordt bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg gepleegd met het waterschap, diensten van het rijk en provincie die betrokken zijn bij de ruimtelijke ordening en eventueel andere gemeenten. Het plan is in het kader van het vooroverleg beschikbaar gesteld aan de volgende partners: ▪ Provincie Noord-Brabant ▪ Waterschap Brabantse Delta ▪ Veiligheidsregio Midden-West-Brabant Bestemmingsplan toelichting 191040
Pagina 47 van 48
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Reactie provincie Noord-Brabant Op 13 november 2023 heeft de provincie Noord-Brabant in het kader van het vooroverleg een reactie gegeven op het concept bestemmingsplan betreffende Gierlestraat 1 te Baarle-Nassau. De provincie geeft enkele opmerkingen m.b.t. de IOV, de splitsing van het perceel en de landschappelijke inpassing. De opmerkingen zijn verwerkt. De vooroverlegreacties zijn in bijlage 7 toegevoegd aan de bijlagen. Reactie waterschap Brabantse Delta Het Waterschap Brabantse Delta geeft aan geen opmerkingen te hebben op het vooroverleg. Het vooroverleg heeft niet geleid tot aanvullingen of aanpassingen. Reactie veiligheidsregio Midden-West-Brabant De veiligheidsregio Midden- en West-Brabant heeft een advies uitgebracht voor de locatie Gierlestraat 1 te Baarle-Nassau. De veiligheidsregio geeft aan geen opmerkingen te hebben op het vooroverleg. Het vooroverleg heeft niet geleid tot aanvullingen of aanpassingen. 7.2.4
Ontwerpbestemmingsplan
p.m. 7.2.5
Vaststelling
p.m.
Bestemmingsplan toelichting 191040
Pagina 48 van 48