Bijlage 2 Toelichting
Tekst van het document
CONCEPT VAST TE STELLEN PLAN “MAAIJKANT 11”
INITIATIEFNEMER Ulicoten VOF Eiermijndreef 3 5764 RH De Rips
CONCEPT VAST TE STELLEN PLAN “MAAIJKANT 11” Plangebied:
Maaijkant 11 5113 BC Ulicoten
Adviseur
FarmConsult Postbus 91 7241 CW Lochem KvK nummer: 08207868 Vestigingsnummer: 000016141881 Projectleider Henk Ebbers tel. 06-82478417 henk.ebbers@forfarmers.eu Opsteller Henk Ebbers tel. 06-82478417 henk.ebbers@forfarmers.eu
Datum: Identificatienummer Versie en status
15-06-2022 IMRO.0744.BPMaaijkant 11_2021-ON01 2.0 Concept
1.1 AANLEIDING. .............................................................................................. 4 1.2 VOORGAANDE PLANNEN ............................................................................. 6 HOOFDSTUK 2 ANALYSE VAN HET PLANGEBIED .................................................... 6 2.1 Beschrijving van het plangebied .................................................................................... 6 2.2 Landschap ....................................................................................................................... 8 2.3 Wet Natuurbescherming ................................................................................................ 9 2.4 Flora en fauna ............................................................................................................... 11 2.5 Archeologie en cultuurhistorie ..................................................................................... 12
HOOFDSTUK 3 RUIMTELIJKE ONTWIKKELING ..................................................... 13 3.1 Ruimtelijke ontwikkeling ............................................................................................. 13 3.2 Stedebouwkundig ontwerp, architectuur en beeldkwaliteit ....................................... 15 3.3 Openbare ruimte, ontsluiting en parkeren ................................................................... 15 3.4 Landschappelijke inpassing.......................................................................................... 20
HOOFDSTUK 4 BELEIDSKADER ........................................................................... 21 4.1 Rijksbeleid .................................................................................................................... 21 4.2 Provinciaal beleid ......................................................................................................... 22 4.3 Gemeentelijk beleid ...................................................................................................... 24
HOOFDSTUK 5 MILIEU-PLANOLOGISCHE ASPECTEN ............................................ 25 5.1 Milieu-effect rapportage ............................................................................................... 25 5.2 Geluidhinder ................................................................................................................. 25 5.3 Bodem en grondkwaliteit ............................................................................................. 25 5.4 Luchtkwaliteit ............................................................................................................... 26 5.5 Externe veiligheid ......................................................................................................... 27 5.6 Volksgezondheid........................................................................................................... 30 5.7 Milieuzonering .............................................................................................................. 35 5.8 Kabel, leidingen en straalpaden ................................................................................... 39
HOOFDSTUK 6 WATERPARAGRAAF ..................................................................... 40 6.1 Waterbeleid .................................................................................................................. 40 6.2 Overleg Waterschap ..................................................................................................... 44
HOOFDSTUK 7 JURIDISCHE VORMGEVING .......................................................... 44 7.1 Algemeen ...................................................................................................................... 44 7.2 Planmethodiek .............................................................................................................. 44 7.3 Verbeelding .................................................................................................................. 45 7.4 Planregels ..................................................................................................................... 45
HOOFDSTUK 8 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID, KOSTENVERHAAL EN PLANSCHADE ..................................................................................................... 46 HOOFDSTUK 9 CONCLUSIE................................................................................. 46 HOOFDSTUK 10 PROCEDURE EN MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID ........... 46 10.1 Procedure ................................................................................................................... 46 10.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ............................................................................. 47 10.3 Omgevingsdialoog ...................................................................................................... 47
2
BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING ......................................................................... 49 BIJLAGE 1: NATUURBESCHERMINGSWETVERGUNNING ....................................... 50 BIJLAGE 2: VERSCHIL BEREKENING FEITELIJK, PLANOLOGISCH LEGALE SITUATIE – BOUWPLAN........................................................................................................ 51 BIJLAGE 3: ONDERZOEK FLORA EN FAUNA ......................................................... 52 BIJLAGE 4: ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK ......................................................... 53 BIJLAGE 5: AKOESTISCH ONDERZOEK ................................................................ 54 BIJLAGE 6: LANDSCHAPPELIJKE INPASSING ........................................................ 55 BIJLAGE 7: STALDERINGSBEWIJS ....................................................................... 56 BIJLAGE 8: LUCHTKWALITEITSBEREKENING ....................................................... 57 BIJLAGE 9: GEURVOORGRONDBEREKENINGEN.................................................... 58 BIJLAGE 10: GEURACHTERGRONDVERGELIJKING ................................................ 59 BIJLAGE 11: BZV SCORE..................................................................................... 60 BIJLAGE 12: DIER- EN EMISSIETABELLEN ...........................................................
61 BIJLAGE 13: OMGEVINGSDIALOOG MET ACTUALISATIE....................................... 62 BIJLAGE 14: NOTA VOOROVERLEG BESTEMMINGSPLAN MAAIKANT 11-2021 ........ 63 BIJLAGE 14-1: VOOROVERLEGREACTIE PROVINCIE NOORD-BRABANT (DATUM: 9 SEPTEMBER 2021 EN 5 OKTOBER 2021) ............................................................. 64 BIJLAGE 14-2: VOOROVERLEGREACTIE WATERSCHAP BRABANTSE DELTA (DATUM: 29 SEPTEMBER 2021) ......................................................................................... 65 BIJLAGE 15: STANDAARDADVIES 2021 INZAKE EXTERNE VEILIGHEID.................. 66
3
1.1 AANLEIDING. Op 15 juli 2015 is het bestemmingsplan ‘Maaijkant 11 Ulicoten’ vastgesteld. Op basis van de uitspraak van de voorzieningenrechter d.d. 14 december 2015 is het bestemmingsplan op 22 juni 2016 gewijzigd vastgesteld, waarna het inwerking is getreden. Het bestemmingsplan Maaijkant 11 Ulicoten is opgesteld op basis van de plannen van de vorige eigenaar. De huidige eigenaren hebben een andere visie op de bedrijfsvoering ter plaatse, dit willen zij combineren met een verduurzamingsslag zodat direct aan de eindnormen van de IOV wordt voldaan. Op basis daarvan is op 23 maart 2018 een aanvraag Omgevingsvergunning ingediend voor een aangepast bouwplan. Aangepast betekent in dit verband aangepast ten opzichte van de plannen van vòòr 2015. Het in 2018 ingediende bouwplan voldoet aan de (bouw)regels van het bestemmingsplan ‘Maaijkant 11 Ulicoten’. Bovendien wordt tegemoet gekomen aan de klachten van de omwonenden over het verkeer van en naar het bedrijf. De aanpassingen bestaan uit het beter inrichten van het erf waardoor aan- en afvoerend verkeer op het erf kan manoeuvreren en niet meer hoeft te keren op de kruising Maaijkant-Maaijkantsestraat. Verder wordt het bedrijf aan de zijde van de Maaijkantsestraat beter landschappelijk ingepast. Daarbij nemen de emissies èn het aantal dieren nemen af in vergelijking met de vergunde situatie.
Het huidige(ingediend 23 maart 2018) bouwplan ziet er als volgt uit:
Op één punt voldoet het huidige bouwplan echter niet aan de regels van het bestemmingsplan Maaijkant 11 Ulicoten en dat betreft de grens van landschapsplan d.d. 8 december 2014, zoals dat onderdeel uitmaakt van het rechtsgeldige bestemmingsplan. Het landschapsplan belemmert op enkele plekken de nieuw te situeren stallen. Omdat het landschapsplan onderdeel uitmaakt van de regels kan alleen voor een bouwplan dat exact binnen de grens van het landschapsplan valt, een Omgevingsvergunning verleend worden. Om het op 23 maart 2018 ingediende bouwplan wel te kunnen realiseren, is als eerste stap op 30 april 2019 een principeverzoek met aangepast landschapsplan ingediend. Het aangepaste landschapsplan dient juridisch planologisch te worden vastgelegd in een nieuw bestemmingsplan, het huidige bestemmingsplan bevat namelijk geen flexibiliteitsbepalingen op dit punt. Uitvoering van het landschapsplan is op voorhand ruimtelijk acceptabel omdat het nu geldende bouwvlak niet hoeft te worden vergroot en daarmee geen uitbreiding van het bouwvlak optreedt. Bovendien neemt de oppervlakte landschappelijke inpassing toe van 5.070 m2 naar 5.255 m2 Op 26 september 2019 heeft het college van B&W van Baarle-Nassau besloten onder voorwaarden medewerking te verlenen aan het principeverzoek.
De belangrijkste voorwaarde is dat het aangepaste landschapsplan blijft voldoen aan de geldende wet- en regelgeving. Voor het bouwplan is een mer opgesteld. Op 23 juli 2018 is door het bevoegd gezag beoordeeld dat het mer inhoudelijk correct is en voldoet aan de Notitie Reikwijdte en Detailniveau.
4
Kort samengevat zijn de verschillen tussen het bouwplan waarvoor het bestemmingsplan is vastgesteld en het huidige bouwplan als volgt: Omschrijving
Ammoniak Geur Fijn stof Aantal dieren Landschappelijke inpassing in m2
Bestemmingsplan Maaijkant 11 Ulicoten 8.388,11 99.390 587.152 8.403 5.070
Feitelijk
4.998,18 52.003 405.282 5.824
Huidig bouwplan
3523,54 54.934 162.596 4.780 5.255
.
Verder zal de landschappelijke inpassing in het huidige bouwplan ook aan de zijde van de Maaijkantsestraat worden uitgevoerd, hierdoor wordt het bedrijf vanuit het straatbeeld beter landschappelijk ingepast in de omgeving. Uit voorgaande tabel blijkt het huidige bouwplan op de aspecten ammoniak en fijn stof een verbetering voor de omgeving is. De geuremissie neemt toe, echter aan de gestelde geurnormen wordt ruimschoots voldaan. Verschillen tussen het vorige bouwplan, waarvoor het uit het bestemmingsplan Maaijkant 11 Ulicoten is opgesteld en het huidige bouwplan zijn: In de nieuwe situatie, in het huidig bouwplan, worden de gebouwen anders gesitueerd hetgeen houderij-technisch de voorkeur heeft, daarbij wordt de hoeveelheid beplanting vergroot en tevens wordt aan alle andere eisen uit het bestemmingsplan voldaan. Het huidige bouwplan bevat meer nieuwbouw dan het oude plan waarvoor de vergunningen reeds zijn verleend. In het onderliggende plan werden de bestaande bedrijfsgebouwen gerenoveerd. In het huidige bouwplan worden de bestaande stallen gesloopt en vervangen door nieuwbouw. Daardoor kunnen de nieuwe stallen verder van de as van de weg (Maaijkantsestraat) gebouwd worden waardoor deze gebouwen passen binnen het vigerende bestemmingsplan.
Hierdoor kan aan de Maaijkantsewegzijde extra beplanting aangebracht worden waardoor de bebouwing meer aan het zicht wordt onttrokken en beter landschappelijk ingepast worden. Met het nieuwe plan ontstaat ook een andere verkeersrouting. De aanwezige inrit aan de Maaijkantsestraat, nu de hoofdinrit naar het bedrijf, zal in de toekomst alleen nog gebruikt worden voor het aanvoeren van opfokzeugen. De hoofdaanvoer vindt in het nieuwe plan plaats via de Maaijkant. Hiermee is het mogelijk om het manoeuvreren en parkeren van aan- en afvoerend verkeer op het eigen terrein te laten plaatsvinden. Ten opzichte van de bestaande situatie, waarbij de vrachtwagens in een aantal gevallen langs of op de weg werden geparkeerd, is dat een verbetering. Bovendien maakt het bedrijf een verduurzamingsslag, het gehele bedrijf wordt emissiearm gemaakt en voldoet direct aan de eindnormen van de IOV. Daarbij neemt het totaal aantal dieren af en wordt de oppervlakte landschappelijke inpassing groter. De emissies zoals vermeld in de kolom ‘huidig bouwplan’ zijn opgenomen als voorwaardelijke verplichting in de regels en gelden als plafond. Deze getallen zijn vermeld in de eerste kolom. In de tweede kolom staat een herberekening op basis van het aanpassen van de emissiefactoren van de combiluchtwassers in de Regeling geurhinder en veehouderij van 21 juli 2018.
De voorliggende herziening voorziet in een regeling om af te wijken van de gebruiksregel in artikel 3.4.1 die bindend voorschrijft dat het perceel slechts in gebruik genomen mag worden als binnen 2 jaar wordt voldaan aan het uitvoeren van de landschappelijke inpassing op basis van landschappelijk
5
inpassingsplan dat onderdeel uitmaakt van de regels van het bestemmingsplan Maaijkant 11 Ulicoten. Verder wordt landschappelijke inpassing als afzonderlijke enkelbestemming opgenomen Tevens wordt een flexibiliteitsbepaling opgenomen die het afwijken van de grens van de landschappelijke inpassing mogelijk maakt mits voldaan kan worden aan de overige voorwaarden die het bestemmingsplan stelt. Voor het overige blijft het bestemmingsplan wat betreft regels gelijk aan het bestemmingsplan Maaijkant 11 Ulicoten. Het bouwplan wordt gerealiseerd op het perceel kadastraal bekend als gemeente Baarle-Nassau sectie M nr.203 en plaatselijk bekend als Maaijkant 11 te Ulicoten. Het perceel heeft een oppervlakte van circa 25.000 m². Het plangebied is gelegen in het buitengebied van Ulicoten (gemeente Baarle-Nassau), aan de kruising van de Maaijkant en de Maaijkantsestraat, ten noord-oosten van het kerkdorp Ulicoten. Op een afstand van bijna 2 km ligt de Nederlands-Belgische grens.
1.2 VOORGAANDE PLANNEN Naam bestemmingsplan Wijzigingsplan Maaijkant 11 Bestemmingsplan Buitengebied Maaijkant 11 Ulicoten
Bestemmingen Nieuw en gekoppeld agrarisch bouwvlak Primair agrarisch gebied Agrarisch-agrarisch bedrijf
Vaststelling gemeenteraad 7 september 2000 1 februari 1990 22 juni 2016
Hoofdstuk 2 Analyse van het plangebied In dit hoofdstuk wordt de ligging van het plangebied op gemeentelijk niveau en de feitelijke situatie van het plangebied beschreven. Ook wordt er ingegaan op de aanwezige functionele structuur van het plangebied en omgeving. Ook worden de huidige natuur-, landschaps- en cultuurhistorische waarden van het plangebied beschreven alsmede de eventuele aanwezigheid van beschermde planten en dieren. 2.1 BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED Het plangebied betreft de inrichting en naastgelegen gronden in eigendom op de locatie Maaijkant 11 te Ulicoten, zie de begrenzing op de navolgende luchtfoto en heeft een oppervlakte van circa 25.000 m2. De inrichting ligt in het buitengebied van Ulicoten, aan de kruising van de Maaijkant en de Maaijkantsestraat, ten noordoosten van het dorp Ulicoten. Op een afstand van bijna 2 km ligt de Nederlands-Belgische grens. De omgeving wordt gekenmerkt door agrarische bedrijvigheid. De omgeving Maaijkant en Maaijkantsestraat betreft een gemengd landelijk gebied. Dit gebied is van oudsher al agrarisch in gebruik. De laatste 100 jaar is dit gebruik verder geaccentueerd door schaalvergroting. De ruilverkaveling heeft hieraan ook bijgedragen. Het gebied ten noorden van Ulicoten kent meer laanbeplantingen en relatief veel burgerwoningen.
In het gemengd landelijk gebied ten noorden van Ulicoten liggen circa 35 agrarische bedrijven (intensieve veehouderijen). De 21 burgerwoningen liggen vooral in de bebouwingslinten van Maaijkant, Hondseind en langs de Chaamseweg/Hazenberg. In het landschap zijn veel
6
landschapselementen waar te nemen; dit zijn enerzijds percelen welke begroeid zijn met houtopstanden en anderzijds laan- en erfbeplanting. Het bedrijf ligt op ca. 9,8 km van de Natura2000-gebieden Ulvenhoutsebos en Regte Heide & Riels Laag. Op 4,2 km afstand ligt het dichtstbijzijnde belgische Natura-2000-gebied ‘Heesbossen, Vallei van Marke en Merkske en Ringven met valleigronden langs de Heerlese Loop’.
7
2.2 LANDSCHAP De aanwezige bebouwing binnen de inrichting bestaat uit een aantal varkensstallen met bijbehorende erfverharding en silo’s, de oorspronkelijke hoeve (bedrijfswoning) met schuur en twee voormalige varkensstallen aan de zuidoostkant van de inrichting. Het zicht vanuit omliggende wegen op de locatie wordt op veel plekken afgeschermd door bebouwing en beplanting op buurerven. Vanaf de ten zuiden en zuidwesten gesitueerde wegen zijn enkele kortdurende doorzichten mogelijk. Komend uit het noordoosten is een wat langer durend zicht op de locatie mogelijk.
Geomorfologie De Geomorfologische kaart geeft de mate van reliëf en de vormen die in het landschap te onderscheiden zijn weer. Volgens de Geomorfologische kaart van Nederland (1:50.000) ligt het plangebied binnen een gebied met Terrasafzettingswelvingen (3L12). Op 200 m ten noorden en 300 m ten zuiden van het plangebied bevinden zich ter hoogte van de aanwezige twee beken dalvormige laagtes. De locatie ligt aan de rand van een dekzandplateau dat voornamelijk gevormd is gedurende de laatste ijstijd, het Weichselien, circa 120.000 tot 10.000 jaar geleden. Het klimaat was in deze periode droger en het landschap schaars begroeid. Hierdoor kon de wind gemakkelijk vat krijgen op de bodem en grote hoeveelheden zand verplaatsen. Dit heeft geleid tot het ontstaan van zandruggen en kleine zand-opduikingen in het landschap.
8
2.3 WET NATUURBESCHERMING Door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is op 29 mei 2019 (op basis van een uitspraak van het Europese Hof van Justitie) een uitspraak gedaan waarbij het PAS als systeem houdbaar werd bevonden, echter de mogelijkheid om ontwikkelingsruimte te claimen tot een grens van 0,05 mol per ha werd niet in orde bevonden. Verder werden opmerkingen geplaatst over het gebruik van het rekenmodel Aerius bij berekeningen op relatief korte afstand, waarbij 700 meter van het bedrijf tot een Natura-2000 gebied als grens wordt gezien. Voor het bouwplan is door GS van Noord-Brabant in november 2018 een verklaring van geen bedenkingen verleend. De inrichting beschikt over een rechtsgeldige Natuurbeschermingswetvergunning welke destijds is verleend voor een ammoniakemissie van 8.274,67 kg NH3/jaar (o.b.v. Rav 24 oktober 2012). De beschikking is bijgevoegd als bijlage. Nadien zijn de ammoniakemissiefactoren voor gespeende biggen en vleesvarkens geactualiseerd. Op basis van de actuele emissiefactoren ziet de Wnbvergunde situatie toe op 8.388,24 kg NH3/jaar. Het bouwplan heeft een ammoniakemissie van 3.523,54 kg NH3/jaar.
De stikstofdepositie is op basis van de actuele ammoniakemissiefactoren berekend in AERIUS-versie 2020 Op basis van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 januari staat vast dat geen vergunningplicht geldt voor wijziging van een project op basis van ‘intern salderen’. Op basis van de brief van de ODBN d.d. 15 maart 2021 kan vastgesteld worden dat bij dit bouwplan sprake is van ‘intern salderen (referentiesituatie – beoogd respectievelijk 8.388,24 kg – 4.993,28 kg ammoniak. De beoogde situatie zoals beoordeeld door de ODBN ging nog uit van een enkelvoudig emissie-arm systeem voor stal 5, echter in het bouwplan wordt deze stal ook nog van een luchtwasser voorzien. Om die reden is de ammoniakemissie van het bouwplan 3.523,54 kg. Op die manier wordt op voorhand voldaan aan de 85% reductie-eis op basis van Omgevingsverordening Noord-Brabant. Uit de verschilberekening volgt dat het bouwplan op alle Natura 2000 gebieden minimale verschillen oplevert boven 0,00 mol/ha/jaar. Dit wordt verklaard door het zogeheten “randeffect”. De volledige berekening alsmede de toelichting van het “randeffect” is in de bijlagen opgenomen.
9
Het bedrijf ligt op ca. 9,8 km van de Natura2000-gebieden Ulvenhoutsebos en Regte Heide & Riels Laag. Op 4,2 km afstand ligt het dichtstbijzijnde Belgische Natura2000-gebied ‘Heesbossen, Vallei van Marke en Merkske en Ringven met valleigronden langs de Heerlese Loop’. Gezien de relatief grote afstanden tot de Natura 2000-gebieden kunnen overige effecten (zoals verdroging, vernatting en verstoring) op de Natura 2000-gebieden worden uitgesloten.
10
2.4 FLORA EN FAUNA De Wet Natuurbescherming (Wnb) bevat verbodsbepalingen voor activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten. Voor alle planten en dieren geldt een algemene zorgplicht. Voor laag beschermde soorten geldt een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het verbod op het opzettelijk verstoren van vogels is beperkt tot verstoringen die van wezenlijke invloed zijn op de staat van instandhouding van de soort. De Wnb verdeelt de beschermde soorten in twee groepen: 1. strikt beschermde soorten, waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn 2. andere beschermde soorten Faunaconsult heeft op 22 februari 2017 een veldinspectie uitgevoerd en de bevindingen uitgewerkt in een rapportage van 2 maart 2017. In bijlage 2 is deze rapportage bijgevoegd. De aanwezige biotopen zijn beoordeeld op hun geschiktheid als habitat voor beschermde diersoorten en beschermde planten. Tevens werd er gezocht naar (tekenen van aanwezigheid van) voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van beschermde dieren, beschermde planten en vogelnesten. De te slopen gebouwen zijn van binnen en van buiten geïnspecteerd. Aan de hand van verspreidingsgegevens is vervolgens ingeschat welke beschermde soorten mogelijk in het gebied voorkomen. Bevindingen flora- en fauna inspectie In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Wnb zijn beschermd.
Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten), waarvoor in de provincie Noord-Brabant een vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de zorgplicht. Actualisatie gegevens op basis van de NDFF-quickscanhulp.nl Op 22 juli 2021 is een rapportage gemaakt via het Natuurloket op basis van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). Dit document, NDFF-quickscanhulp.nl geeft de bekende verspreiding van soorten weer. Het document is toegevoegd als toevoeging bij bijlage 3. Handreiking kleine marters in relatie tot soortenbescherming Vanaf 1 oktober 2017 zijn de kleine martersoorten in Noord-Brabant beschermd. Om die reden wordt in dit onderdeel specifiek getoetst aan de Handreiking kleine marters in relatie tot soortenbescherming zoals opgesteld door de Zoogdiervereniging. In de Handreiking wordt uiteengezet dat het bij kleine marterachtigen gaat om 3 soorten: wezel hermelijn bunzing Op basis van de NDFF (bijgevoegd als aanvulling bij bijlage 3) kan worden vastgesteld dat de bunzing en de hermelijn zich niet in het plangebied ophouden. Als afstand wordt 1- 1,5 km aangegeven. Voor de wezel wordt 0-1 km aangegeven.
Ten behoeve van onderzoek worden 3 stappen omschreven: Stap 1: Habitatgeschiktheid bepalen Stap 2: Nader veldonderzoek
11
Stap 3: Onderbouwing: het bepalen van de effecten van de activiteiten en uitwerken van mogelijke maatregelen In dit geval levert toetsing op basis van stal 1 het volgende op: Als bronnenonderzoek is gebruikt gemaakt van de NDFF van 22 juli 2021. Zoals beschreven geeft de NDFF aan dat het mogelijk is in dit gebied tussen 0-1 km wezels voorkomen. Vervolgens is gekeken naar het plangebied als biotoop voor de wezel. Op basis van de flora en faunainspectie uitgevoerd door Faunaconsult op en vastgelegd in een rapport d.d. 2 maart 2017 is het plangebied gekenschetst als: het plangebied bestaat uit varkenstallen, aan de zijde van de Maaijkant is een houtsingel aangebracht. Verder is het bedrijf omgeven door graslanden bestaand uit Engels raaigras. Naast de Maaijkantestraat bevindt zich een greppel zonder waterplanten. Verder is tijdens het veldbezoek vastgesteld dat in de houtsingel geen holen of nesten van beschermde zoogdieren aanwezig zijn. Hierbij wordt opgemerkt dat de houtsingel aan weerszijden uitkomt in open gebied, het vormt dus geen verbindingszone. Het plangebied is tussen 2017 en 2021 niet gewijzigd, de kans dat zich werkelijk een wezel in het plangebied ophoudt is uiterst onwaarschijnlijk. Nader veldonderzoek is om die reden niet noodzakelijk.
2.5 ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE Om het archeologisch erfgoed binnen de gemeente op adequate wijze te beschermen heeft de gemeenteraad op 5 september 2012 een Archeologieverordening vast gesteld. In de verordening wordt aan de hand van verschillende categorieën bepaald wanneer archeologisch onderzoek nodig is (en wanneer niet). Dit is afhankelijk van de archeologische verwachtingswaarde die op een bepaalde locatie geldt. De verwachtingswaarden zijn aangegeven op de ook door de gemeenteraad vastgestelde beleidskaart.
Uitsnede beleidskaart archeologie 2012, gemeente Baarle-Nassau
De locatie heeft een middelhoge archeologische verwachtingswaarde. In zones met een middelhoge archeologische verwachting worden archeologische vindplaatsen van landbouwers verwacht, maar in een lagere dichtheid dan in zones met een hoge archeologische verwachting.
12
In gebieden met een middelhoge verwachtingswaarde dienen bij voorkeur geen werkzaamheden te worden uitgevoerd die tot fysieke aantasting van de (verwachte) archeologische resten leiden. Het beleid is dus gericht op behoud van de bestaande situatie: behoud in situ. Dit kan bijvoorbeeld door te streven naar extensieve vormen van grondgebruik. Indien verstoring niet vermeden kan worden, dient in een vroege fase van de planvorming archeologisch onderzoek plaats te vinden. In zijn algemeenheid geldt dat onderzoek niet nodig is als kan worden aangetoond dat: in het gebied reeds in ‘relevante mate’ verstoring plaats heeft gevonden die dieper reikt dan de verwachte archeologische vondstlaag. Wanneer er volgens de initiatiefnemer sprake is van een verstoord bodemprofiel (ontgravingen, diepploegen, diep funderen etc.) van betreffend plangebied, dan dient dit middels verkennend booronderzoek conform de vigerende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie of op andere wijze overtuigend aangetoond te worden. de bodemverstorende handelingen in het gebied op een zodanige plek plaatsvinden respectievelijk van dien aard zijn dat geen verstoring van de verwachte archeologische resten plaatsvindt, hetzij doordat archeologie in het plan wordt opgenomen, hetzij doordat kan worden aangetoond dat de ingrepen niet verstorend zullen zijn.
Omdat het uitgangspunt van de archeologische monumentenzorg behoud in situ is, is archeologievriendelijk bouwen een oplossing. Het staat initiatiefnemers daarom vrij om aan te tonen dat het bouwplan de onderliggende verwachte archeologische waarden niet verstoort en daarmee archeologie vriendelijk is. Het is van belang dat er geen beschermde archeologische waarden worden verstoord. Vanuit het "zorgvuldigheidsprincipe" dient erop te worden toegezien dat er geen mogelijke overtreding wordt begaan en dat eventuele risico's in kaart worden gebracht voordat er onomkeerbare ingrepen in de bodem worden verricht. In 2015 heeft Econsultancy BV het vereiste archeologisch vooronderzoek uitgevoerd (bijlage 3). Het bureauonderzoek toonde aan dat mogelijk archeologische waarden op de locatie zouden kunnen bevinden vanwege het feit dat de locatie op een kleine dekzandrug tussen twee beekdalen ligt. Daarom is aansluitend een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd. De bodemopbouw in het plangebied bestaat uit dekzandafzettingen, afgedekt door een eerdlaag. De boringen in het plangebied geven aan dat het terrein is verstoord tot een diepte van 70-130 cm mv. Op basis van de waargenomen bodemverstoringen is geconcludeerd dat archeologische waarden niet meer in situ worden verwacht.
Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek adviseerde Econsultancy om het plangebied vrij te geven. Dit is ook zo overgenomen in het wijzigingsplan van 2015. Bij het aantreffen van archeologische waarden tijdens graafwerkzaamheden zal melding gedaan worden bij het provinciaal Meldpunt Archeologische Bodemvondsten NoordBrabant. Het archeologisch onderzoeksrapport is als bijlage bijgevoegd.
Hoofdstuk 3 ruimtelijke ontwikkeling 3.1 RUIMTELIJKE ONTWIKKELING
13
3.1.1 Planbeschrijving Het huidige bedrijf aan de Maaijkant 11 te Ulicoten is in eigendom van Ulicoten VOF, vertegenwoordigd door Nicole en Mark Heijligers. Het huidige bedrijf is enige jaren geleden aangekocht omdat de locatie voldoende (milieutechnische) ontwikkelruimte biedt en de mogelijkheid biedt om naar eigen inzicht nieuwe bedrijfbebouwing op te richten en een moderne duurzame varkenshouderij te realiseren die voldoet aan de visie en inzichten van de huidige ondernemers en de huidige wet- en regelgeving. De huidige stallen zijn grotendeels verouderd, nog niet geheel uitgevoerd volgens de Best Beschikbare Technieken, en voldoen ook niet aan de inzichten en eisen van de huidige ondernemer. Het bedrijfsontwikkelingsplan van de vorige eigenaar stuitte op bezwaren bij omwonenden. Het huidige voornemen van Ulicoten VOF resulteert in een forse afname van emissies ten opzichte van de feitelijke situatie en de vergunde situatie (2008). De omvang van de bedrijfsgebouwen neemt toe, maar zal landschappelijk verantwoord ingepast worden. De kwaliteit en omvang van de erfbeplanting zal aanzienlijk verbeteren ten opzichte van de feitelijke en de in 2008 vergunde situatie.
Het gewijzigde bedrijfsontwikkelingsplan is tijdens de merprocedure voorgelegd aan de omwonenden en gemeente, op basis waarvan uiteindelijk afspraken zijn gemaakt en vastgelegd als garantie dat niet het ‘oude’ bedrijfsontwikkelingsplan van de vorige ondernemer gerealiseerd gaat worden (vergunde situatie van 2008), maar het in 2016 aan omwonenden gepresenteerde nieuwe plan. Ulicoten VOF heeft het voornemen om op deze locatie een compleet nieuwe zeugenhouderij te realiseren. Alle bestaande stallen worden gesloopt, behalve stal 5. Deze stal is als laatste bijgebouwd, verkeert nog is goede staat en is niet aan vervanging toe. Stal 5 is al emissiearm uitgevoerd en voldoet aan de huidige wet- en regelgeving. Doordat vrijwel het gehele bedrijf herbouwt wordt kan het bedrijf toekomstgericht opgezet worden, met oog voor duurzaamheid, de modernste inzichten en technieken. Dit komt ten goede aan de (milieu)belasting naar de omgeving, het dierenwelzijn en de diergezondheid. De ondernemersvisie van Ulicoten VOF richt zich op het samen met de toeleveranciers en afnemers duurzaam en maatschappelijk verantwoord produceren. Voor een rendabele, toekomstgerichte bedrijfsvoering is het noodzakelijk dat de grootte van het bedrijf gelijke tred houdt met de ontwikkeling in binnen- en buitenland. Kostenverlaging en schaalvergroting spelen een belangrijke rol bij investeringsbeslissingen.
Door de voorgenomen schaalvergroting ontstaat een rendabele bedrijfsvoering en kan geïnvesteerd worden in een duurzame en maatschappelijke verantwoorde productie
5
14
3.1.2 Overige bouwplanonderdelen Het plan heeft betrekking op nieuwbouw van nagenoeg alle bedrijfsgebouwen. Alleen de bestaande stal 5 blijft behouden. Stal 6 en 7 worden gebouwd op bestaand agrarisch grasland. Stal 1, 2 en 3 zijn gesitueerd ter plaatse van de te slopen stallen 1, 2 en 4. In de aanvraag worden de nieuw te bouwen stallen voorzien van gecombineerde biologische luchtwassers met watergordijn en een biologische wasser (BWL 2009.12.V4). Het bedrijfsontwikkelingsplan ziet toe op een dierbezetting van 898 kraamzeugen (met bijbehorende biggen), 3.372 guste- en dragende zeugen, 504 opfokzeugen en 6 dekberen. Na realisatie van het voornemen bedraagt het totale staloppervlak 15.750 m2. Het totale verharde oppervlak (bebouwing en erfverharding) bedraagt na realisatie van het project 17.567 m2. 3.1.3 Toekomstige ontwikkelingen Een bestemmingsplan wordt opgesteld voor een periode van 10 jaar. In deze periode kunnen nieuwe ontwikkelingen plaats vinden die momenteel niet te voorzien zijn. Deze ontwikkelingen kunnen betrekking hebben op o.a. emissiearme stalsystemen (nieuwe stalsystemen met grotere reducties van emissies) of ontwikkelingen op het gebied van huisvestingssystemen (nieuwe systemen met een grotere welzijnsfactor).
Om deze ontwikkelingen in de toekomst, gedurende de looptijd van dit bestemmingsplan, mogelijk te maken zonder dat deze een negatieve invloed zouden kunnen hebben op de omgeving of het milieu, is bij de planregels een voorwaardelijke bepaling opgenomen. 3.2 STEDEBOUWKUNDIG ONTWERP, ARCHITECTUUR EN BEELDKWALITEIT Het schetsplan is in het kader van het vooroverleg aanvraag Omgevingsvergunning op 25 januari 2017 ingediend ter toetsing van de redelijke eisen van Welstand. Onder voorbehoud van een kleine aanpassing, welke inmiddels is aangebracht in het plan, is het bouwplan akkoord volgens de welstandscommissie. 3.3 OPENBARE RUIMTE, ONTSLUITING EN PARKEREN De locatie ligt in het buitengebied, aan de kruising van de Maaijkant en de Maaijkantsestraat, ten noordoosten van het kerkdorp Ulicoten. De bedrijfsgebouwen worden ontsloten via één uitrit aan de Maaijkantsestraat.. De bedrijfswoning en de weegbrug worden ontsloten door twee uitritten: één aan de Maaijkant en een uitrit aan de Maaijkantsestraat. Om ervoor te zorgen dat de vrachtwagens de weegbrug eenvoudig kunnen op en afrijden wordt een extra uitrit aan de Maaijkantsestraat aangelegd. Zowel bij de bedrijfswoning als bij de stallen is parkeerruimte aanwezig voor personenauto’s en bestelbusjes Voorheen moesten vrachtwagens keren op het kruispunt Maaijkantsestraat -Maaijkant.
Door de aanleg van de extra, tijdelijke inrit en de weegbrug hoeven vrachtwagens niet meer te keren op de openbare weg. Als vrachtwagens tegelijkertijd komen lossen kunnen ze nabij de weegbrug (binnen de inrichting) wachten.
15
Uitrit bedrijfsgebouwen (Maaijkantsestraat)
Foto huidige ontsluiting van de inrichting aan Maaijkantsestraat ter hoogte van de stallen
Uitrit Bedrijfswoning Inrit aan Maaijkantsestraat t.b.v. bereikbaarheid weegbrug
Figuur 4.3: Foto huidige ontsluiting van de bedrijfswoning aan de Maaijkant
De rijroute van zware transporten van en naar de locatie vindt plaats via Maaijkantsestraat Chaamseweg-Hazenberg - Ulicotenseweg - N639 in de richting van de A58 en A27. Van daaruit kan het vrachtverkeer zich verspreiden in de gewenste richtingen. De transportbewegingen behorende bij het bedrijf hebben betrekking op vrachtwagenbewegingen ten behoeve van aanvoer van dieren, veevoeders en hulpstoffen en afvoer van dieren, kadavers, drijfmest en afvalstoffen. Transporten met dieren, mest en voeders gaan voor en na het laden/lossen bij de bedrijfsgebouwen via de weegbrug. Het vrachtverkeer komt uit westelijke richting over de Maaijkantsestraat, rijdt via Maaijkant het terrein op naar de weegbrug en rijdt vervolgens terug via de tijdelijke uitrit naar de Maaijkantsestraat om te laden of te lossen bij de stallen. Bij vertrek vervolgen de vrachtwagens dezelfde route in tegengestelde richting (zie figuur 4.4).
16
Rijroute feitelijke situatie met weegbrug
Huidig bouwplan De rijroute van zware transporten van en naar de locatie blijft ongewijzigd ten opzichte van de bestaande situatie en vindt plaats via Maaijkantsestraat - Chaamseweg-Hazenberg - Ulicotenseweg N639 in de richting van de A58 en A27. Van daaruit kan het vrachtverkeer zich verspreiden in de gewenste richtingen. Deze route loopt niet door de bebouwde kom van Ulicoten. De transportbewegingen behorende bij het bedrijf hebben betrekking op vrachtwagenbewegingen ten behoeve van aanvoer van dieren, veevoeders en hulpstoffen en afvoer van dieren, kadavers, drijfmest, spuiwater en afvalstoffen. Transporten met dieren, mest en voeders gaan voor en na het laden/lossen bij de bedrijfsgebouwen via de weegbrug. Het grootste aandeel van het vrachtverkeer komt uit westelijke richting over de Maaijkantsestraat, rijdt via oprit aan de Maaijkant het terrein op om, al dan niet via de weegbrug, door te rijden naar de voorzijde van de stallen te laden of te lossen. Vervolgens keert de vrachtwagen en rijdt dezelfde route in tegengestelde richting. Een klein deel van het transport (het lossen van opfokzeugen, laden van slachtzeugen en laden van spuiwater) gebruikt de ontsluiting aan de Maaijkantsestraat. Op het bedrijf zijn 15 medewerkers werkzaam. Bezoekers (dierenartsen en adviseurs ed.) komen in beginsel niet tegelijkertijd. Dit zijn hooguit 2 auto’s tegelijk.
Binnen de inrichtingsgrenzen is voldoende ruimte aanwezig om personenauto’s van medewerkers en bezoekers te parkeren. Op de de hierna volgende tekening zijn de voorgenomen inritten aan Maaijkant en Maaijkantsestraat en erfverharding weergegeven. Manoeuvreren en parkeren kan geheel binnen de inrichting plaatsvinden. Hierdoor blijft zowel binnen de inrichting als aan de openbare weg een overzichtelijke en verkeersveilige situatie behouden.
17
Zwaar transport: Voer: Verdeeld over de week; maximaal 1 transport droge voeders en 2 transporten natte bijproducten per dag (=maximaal 6 bewegingen per dag): Aanvoer premixen: 1 per week (2 verkeersbewegingen/dag) Aanvoer bijproducten: 4,5 per week (10 verkeersbewegingen/dag) Aanvoer mengvoer: 1,5 per week (4 verkeersbewegingen/dag) Aanvoer granen: 1,5 per week (4 verkeersbewegingen/dag) Aanvoer conserveringszuur: 1 per week (2 verkeersbewegingen/dag) Dieren: afvoer slachtzeugen nooit op dezelfde dag als afvoer biggen en aanvoer opfokzeugen (= maximaal 6 bewegingen per dag): Afvoer biggen: 2 per week (4 verkeersbewegingen/etmaal) Aanvoer opfokzeugen: 1 per week (2 verkeersbewegingen/dag) Afvoer slachtzeugen: 1 per week (2 verkeersbewegingen/dag) Mest en spuiwater: (= maximaal 26 en 10 bewegingen per dag) Afvoer mest: 1 x per maand (5 dagen op rij, 13 transporten/etmaal) Afvoer spuiwater: 1x per 2 weken (5 transporten / dag). Overig zwaar transport (= max.
4 verkeersbewegingen/dag , maar deze rijden het erf niet op) Afvoer kadavers: 2 per week (2 verkeersbewegingen/dag) Afvoer bedrijfsafval: 1 per week (2 verkeersbewegingen/dag) Lichte vervoersbewegingen: 40 verkeersbewegingen / dag Medewerkers: 10 auto’s (20 verkeersbewegingen/dag) Dierenarts, adviseurs ed.: 5 auto’s (10 verkeersbewegingen/dag) Bezorgdiensten: 5 busjes per dag (10 verkeersbewegingen/dag)
18
Rekening houden met voorgaande uitgangsgegevens resulteert een reguliere werkdag in maximaal de volgende aantallen transportbewegingen: Omschrijving
Aantal verkeersbewegingen Dag Avond Nacht
Ingang Maaijkant Afvoer biggen* Aanvoer voer Afvoer mest Afvoer kadavers en bedrijfsafvalstoffen** Personenauto’s/bestelbusjes Vrachtwagens weegbrug (extra verkeer)***
4 6 26 4 40**** 24
Ingang Maaijkantsestraat Aanvoer opfokzeugen (afvoer slachtzeugen)* Afvoer spuiwater
2*** 10***
* Op dagen dat biggen worden geladen of opfokzeugen gelost worden, worden geen slachtzeugen
geladen. ** Rijden het terrein niet op, maar laden aan de openbare weg.
De vrachtwagens de laden en lossen aan de Maaijkantsestraat komen voor en na het laden/lossen op de weegbrug. Hierdoor ontstaan 2x12 extra verkeersbewegingen. **** In de praktijk komen de medewerkers met maximaal 4 auto’s naar het bedrijf en komen adviseurs, dierarts, bezoekers en bezorgdiensten met maximaal 2 tegelijk. ***
Op basis van bovenstaande uitgangspunten is door Geurts uit Oss een akoestisch rapport opgesteld. Dit rapport is tevens als bijlage bijgevoegd. De conclusies uit het rapport zijn hierna weergegeven.
Vervolgens is op 9 augustus 2018 een aanvulling op het akoestisch onderzoek gemaakt omdat de hoogte van het emissiepunt van de luchtwassers werd veranderd en de luchtsnelheid van de
19
uittredende lucht werd verhoogd. Conclusie van Geurts was dat de wijzigingen geen effect hebben op de totale geluidsbelasting van bij woningen. Deze aanvulling is eveneens bijgevoegd. 3.4 LANDSCHAPPELIJKE INPASSING Door Guido Paumen Landschapsarchitectuur is op 8 december 2014 reeds een landschappelijk inpassingsplan opgesteld (PNR 5715AA-270612/081214 => hierna: 081214). Dit landschapsplan is geborgd in de bestemmingsplanwijziging van 2015. Gebruik van het perceel is op basis van het vigerende bestemmingsplan is alleen toegestaan mits het bijbehorend landschappelijk inpassingsplan 081214 binnen twee jaar na het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning, geheel is uitgevoerd en in stand wordt gehouden. Voor het huidige bouwplan is het landschappelijk inpassingsplan 081214 als ‘basis’ aangehouden en overgenomen in het landschappelijk inpassingsplan van 19 februari 2018 (PNR 5715AA270612/081214 => hierna: 270612/081214). Dit plan voldoet aan alle provinciale en gemeentelijke eisen. Naast deze basis is het landschappelijk inpassingsplan voorzien van een ‘plus’ door middel van extra oppervlak aan beplanting, zoals hieronder toegelicht. Het landschappelijk inpassingsplan 270612/081214 is bijgevoegd als bijlage.
Het bouwperceel heeft een oppervlak van 2,5 ha, waarvan op basis van de Omgevingsverordening en het vigerende bestemmingsplan minimaal 20% (5.000 m2) benut moet worden voor landschappelijke inpassing. Het ‘basis’ landschappelijk inpassingsplan 08122014 ziet toe op 5.070 m2 beplanting. In het voorkeursalternatief wordt bovenop de ‘basis’ nog een ‘plus’ van 185 m2 aan extra beplanting gerealiseerd. Doordat in het voorkeursalternatief de ontsluiting van de locatie aan de voorzijde van de inrichting gesitueerd is kunnen de stallen met een U-vormige groensingel worden ingepast in het landschap. In figuur 5.5 is deze U-vorm weergegeven. De gele pijl geeft de ‘plus’ van extra beplanting weer. In totaal wordt hierdoor 5.255 m2 (=21% van 2,5 ha) benut voor beplanting.
Het landschappelijk inpassingsplan 081214 (=‘basis’) wordt gewaarborgd in het vigerende bestemmingsplan. De extra beplanting in landschappelijk inpassingsplan 270612/081214 (=‘plus’) wordt niet gewaarborgd door het bestemmingsplan, maar kan geborgd worden in voorschriften van de omgevingsvergunning.
Investeringsbedrag Afsprakenkader kwaliteitsverbetering Het Afsprakenkader Kwaliteitsverbetering van het landschap in de regio West-Brabant bevat eenduidige afspraken tussen de regio West-Brabant en de provincie Noord-Brabant en is een nadere uitwerking van de Omgevingsverordening en de provinciale Handreiking kwaliteitsverbetering van het landschap. De uitbreiding van het bouwblok wordt volgens het regionale afsprakenkader aangemerkt als een categorie 3 ontwikkeling. Dit betreft ontwikkelingen die een beduidende invloed
20
hebben op de omgeving en waarbij vergroting van de geldende bouwmassa/-oppervlakte, vergroting van het geldende bestemmingsvlak en/of bestemmingswijziging aan de orde is. De omvang van de bijdrage wordt gerelateerd aan de omvang en invloed van de ontwikkeling en bedraagt bij uitbreiding van een bestemmingsvlak 20% van de waardevermeerdering van de grond, zijnde €20,-/m2 (waarde agrarisch bouwvlak €25,-/m2 -/- waarde niet te bebouwen agrarische grond €5,-/m2). In casus betekent dit een totale kwaliteitsverbetering van 15.000 m2 naar 25.000 m2, zijnde 10.000 m² x €20,- x 20% = €40.000,-. Dit is het bedrag dat volgens de rekenmethodiek van het afsprakenkader minimaal geïnvesteerd moet worden in de kwaliteitsverbetering van het landschap. Het landschappelijk inpassingsplan van 2014 is door Guido Paumen Landschapsarchitectuur uitgebreid met extra oppervlak aan beplanting. Dit uitgebreide landschappelijk inpassingsplan is bijgevoegd als bijlage 5. Het bedrag voor kwaliteitsverbetering wordt volledig geïnvesteerd op de huiskavel. De kosten voor realisatie en beheer van het landschappelijke inpassingsplan 2018 is begroot op €50.317,-. Een nadere uitwerking is in het landschappelijk inpassingsplan opgenomen. Samenvattend Het landschappelijk inpassingsplan bestaat uit de ‘basis’ van plan 081214, aangevuld met een ‘plus’ in plan 190218.
Landschappelijk inpassingsplan 081214 (=’basis’) voorziet in 5.070 m2 aan beplanting (20% van 2,5 ha) met een kostenbegroting van €40.209,-. Het landschappelijk inpassingsplan 081214/190218 (=’basis’+‘plus’) voorziet in 5.255 m2 aan beplanting (21% van 2,5 ha) met een kostenbegroting van €50.317,-. Ten aanzien van landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering wordt voldaan aan de regels van de interim Omgevingsverordening en de nog vast te stellen Omgevingsverordening, het vigerende bestemmingsplan.
Hoofdstuk 4 Beleidskader 4.1 RIJKSBELEID Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Daar streeft het Rijk naar met een krachtige aanpak die ruimte geef aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Dit doet het Rijk samen met andere overheden en met een Europese en mondiale blik. Bij deze aanpak hanteert het Rijk een filosofie die uitgaat van vertrouwen, heldere verantwoordelijkheden, eenvoudige regels en een selectieve Rijksbetrokkenheid. Zo ontstaat er ruimte voor maatwerk en ontwikkelingen van burgers en bedrijven. In deze structuurvisie schetst het Rijk ambities voor Nederland in 2040: een visie hoe Nederland er in 2040 voor moet staan. Uitgaande van de verantwoordelijkheden van het Rijk zijn de ambities uitgewerkt in Rijksdoelen tot 2028 en is aangegeven welke nationale belangen daarbij aan de orde zijn. Deze tijdshorizon is gesteld omdat in de loop van de tijd nieuwe ontwikkelingen en opgaven kunnen vragen om bijstelling van de rijksdoelen. Voor de ambities zijn Rijksinvesteringen slechts een van de instrumenten die worden ingezet. Ook kennis, bestuurlijke afspraken en kaders worden ingezet. De huidige financiële Rijkskaders (begroting) zijn randvoorwaardelijk voor de concrete invulling van die rijksambities.
Een actualisatie van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid is nodig om de nieuwe aanpak vorm te geven. De verschillende
21
beleidsnota's op het gebied van ruimte en mobiliteit zijn gedateerd door nieuwe politieke accenten en veranderende (wereldwijde) omstandigheden zoals de economische crisis, klimaatverandering en toenemende regionale verschillen die onder andere ontstaan omdat groei, stagnatie en krimp gelijktijdig plaatsvinden. Deze structuurvisie geeft een nieuw, integraal kader voor het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en vormt de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. Het Rijk is verantwoordelijk voor een goed systeem van ruimtelijke ordening inclusief zorgvuldige, transparante ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Dat betekent dat het systeem zo ingericht moet zijn dat integrale planvorming en besluitvorming op elk schaalniveau mogelijk is en dat bestaande en toekomstige belangen goed kunnen worden afgewogen. Gebruikswaarde, toekomstwaarde en belevingswaarde zijn hier onderdeel van. Het gaat dan zowel om belangen die conflicteren als belangen die elkaar versterken. Conclusie Bij nieuwe ontwikkelingen, aanleg en herstructurering moet in elk geval aandacht zijn voor de gevolgen voor de waterhuishouding, het milieu en het cultureel erfgoed. 4.2 PROVINCIAAL BELEID 4.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant Provinciale Staten hebben op 14 december 2018 de Omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld.
In deze Omgevingsvisie wordt letterlijk in vogelvlucht de doorkijk gemaakt van Brabant 2018 naar Brabant 2050. Met name voor de landbouw is van belang dat de PS hechten aan een goede omgevingskwaliteit waarbij de concentratie van schadelijke stoffen in bodem, lucht en water dient af te nemen. Door het uitvoeren van het bouwplan neemt ten opzichte van de vergunde situatie de emissie van ammoniak, fijnstof en geur af. Ook de verbeterde ontsluiting en de betere landschappelijke inpassing van het bouwplan sluiten aan op dit beleid van PS van Noord-Brabant. 4.2.2 Omgevingsverordening Noord-Brabant Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op 8 juli 2017 de 'Wijziging Verordening ruimte 2014, actualisatie 2017' vastgesteld (=Verordening ruimte). In de verordening staan rechtstreeks werkende regels opgenomen die betrokken moeten worden bij de planologische besluiten over omgevingsvergunningen bouwen, gebruik en afwijking van het bestemmingsplan. Uitgangspunt voor veehouderijen is dat alleen nog ontwikkelingsruimte wordt geboden als daarmee de ontwikkeling naar een zorgvuldige veehouderij in gang wordt gezet.
Een toename van de bestaande oppervlakte dierenverblijf voor een veehouderij is alleen toegestaan indien: maatregelen worden getroffen die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij; voldaan wordt aan Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij (BZV); de ontwikkeling vanuit een goede leefomgeving inpasbaar is in de omgeving; is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12 % en in het buitengebied niet hoger is dan 20 %, tenzij in overbelaste situaties maatregelen worden getroffen die tot een ‘proportionele’ afname leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert; is aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt
22
van maximaal 31,2 µg/m3; een zorgvuldige omgevingsdialoog is gevoerd. gestaldeerd is. Bij een toename van de oppervlakte hokdierenverblijf moet voor elke vierkante meter stal waarmee wordt uitgebreid, ten minste 110% aan staloppervlak voor hokdieren elders in hetzelfde stalderingsgebied worden gesloopt of herbestemd.
4.2.3 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. Op 25 oktober 2019 hebben Provinciale Staten van Noord-Brabant de Interim omgevingsverordening vastgesteld. De Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant is op 5 november 2019 in werking getreden (geconsolideerde versie is van 8-12-2020). Alle provinciale regels over de fysieke leefomgeving staan voortaan bij elkaar in één digitaal document: de Omgevingsverordening. Provincies zijn verplicht om een omgevingsverordening te hebben voordat de Omgevingswet per 1 juli 2022 inwerking treedt. De Omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid, zoals de omgevingsvisie. In principe zijn de huidige regels gehandhaafd met het huidige beschermingsniveau. De beleidsneutrale omzetting betekent niet dat er helemaal geen wijzigingen ten opzichte van de huidige verordeningen zijn verwerkt. Op hoofdlijnen gaat het om:
een meer gebruikersvriendelijke opbouw met regels die per gebruikersgroep (burgers en bedrijven, gemeenten, waterschap) bij elkaar staan en minder bijlagen; aanpassingen waardoor de regels beter passen in het systeem van de omgevingswet, bijvoorbeeld voor de grondwaterbeschermingsgebieden; aanpassingen vanwege de vastgestelde omgevingsvisie, zoals de nieuwe manier van samenwerken en meer inzet op omgevingskwaliteit.
Ten aanzien van het bouwplan kan geconcludeerd worden dat de locatie in gemengd landelijk gebied ligt. De locatie ligt niet in een gebied met de aanduiding beperkingen veehouderij. Stalderingsmeters zijn reeds aangekocht, het stalderingsbewijs is als bijlage toegevoegd. Het project voldoet aan de voorwaarden en criteria voor een zorgvuldige veehouderij. De milieu-aspecten zijn in hoofdstuk 5 verder uitgewerkt 4.2.4 Ontwerp Omgevingsverordening Noord-Brabant. De ontwerp omgevingsverordening heeft ter inzage gelegen van 9 april 2021 tot en met 20 mei 2021. Naar verwachting zal de Omgevingsverordening in het vierde kwartaal door Provinciale Staten worden vastgesteld. Vanuit de Omgevingsvisie is de Omgevingsverordening een belangrijk instrument om de doelen zoals in de Omgevingsvisie verwoord te realiseren. Ten opzichte van de interim Omgevingsverordening is een aantal zaken aangepast. Deze aanpassingen zijn onder te verdelen in aanpassingen als gevolg van het systeem van de aanstaande Omgevingswet en aanpassingen welke het gevolg zijn van nieuwe inzichten.
23
Aanpassingen als gevolg van de Omgevingswet
Vanwege het vervallen van de Wet bodembescherming (bij inwerkingtreding van de Omgevingswet) zijn nieuwe regels opgenomen om verontreiniging van het grondwater te voorkomen. De aanwijzing van voor verzuring gevoelige kwetsbare gebieden (Wav-kaarten) is vervallen De rechtstreeks werkende regels voor de ontwikkeling van veehouderij en mestbewerking vervallen. Deze regels zijn in de ontwerp Omgevingsverordening vervangen door voorbeschermingsregels. Er is een attentiezone geluid opgenomen langs provinciale wegen waarbinnen aandacht wordt gevraagd voor het oprichten van geluidgevoelige bebouwing. Wijzigingen op basis van gewijzigd provinciaal inzicht:
In het ontwerp zijn regels opgenomen voor een maximale boordiepte voor bodemenergiesystemen Verder zijn regels opgenomen voor grondverzet in grondwaterbeschermingszones, inclusief de toepassing voor PFAS-houdende grond Regels voor het kappen van houtopstanden zijn aangepast aan de Brabantse Bossenstrategie Omgevingskwaliteit heeft een centrale plek gekregen bij de instructieregels voor het omgevingsplan aan gemeenten. Hierbij is een bouw-sloop regeling vormgegeven en is een ruime maatwerkregeling opgenomen ter versterking van omgevingskwaliteit De mogelijkheden voor collectieve woonvormen in het buitengebied zijn verruimd Er zijn wijzigingen doorgevoerd in de gebieden op de kaart die aangeven waar welke regels gelden. Naast actualisaties zijn er ook gebieden vervallen of samengevoegd. Met betrekking tot het bouwplan geldt dat de ontwerp Omgevingsverordening geen nieuwe punten bevat die van invloed zijn op de planologische voorwaarde, de vergunningverlening en de realisatie van het bouwplan. 4.3 GEMEENTELIJK BELEID Ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan Maaijkant 11 Ulicoten wordt de grens van de landschappelijk inpassing verlegt, waardoor per saldo een grotere oppervlakte landschappelijke inpassing kan worden uitgevoerd. De landschappelijke inpassing wordt afzonderlijk bestemd om daarmee dit onderdeel van het bouwplan op de juiste wijze juridisch te borgen.
Verder wordt in de regels een flexibiliteitsbepaling opgenomen waardoor het mogelijk is deze grens aan te passen mits de oppervlakte landschappelijke inpassing in elk geval gelijkt blijft aan de 5.255 m2 van het onderhavige plan. Voor het overige wordt het bestemmingsplan verandert en deze minimale veranderingen zijn niet strijdig met het gemeentelijk ruimtelijk beleid.
24
Hoofdstuk 5 Milieu-planologische aspecten 5.1 MILIEU-EFFECT RAPPORTAGE Voor het huidige bouwplan is in de periode 2017-2018 een mer opgesteld. Op 23 juli 2018 is door het bevoegd gezag geconcludeerd dat het mer akkoord is en voldoende informatie bevat om een juiste afweging te maken met betrekking tot de milieu-aspecten van het bouwplan. 5.2 GELUIDHINDER In paragraaf 3.3. is dit onderwerp behandelt, op basis van het uitgevoerde akoestische rapport kan geconcludeerd worden dat aan de gestelde eisen wordt voldaan. 5.3 BODEM EN GRONDKWALITEIT Volgens de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) is het plangebied gekarteerd als hoge zwarte enkeerdgronden; lemig fijn zand (zEZ23). Enkeerdgronden zijn oude bouwlanden, die vanaf de late Middeleeuwen op de Pleistocene zandgronden zijn ontstaan door het opbrengen van mest (uit potstallen) vermengd met plaggen, die gestoken werden op de woeste gronden (zoals heide, bossen en beekdalen). Dergelijke gronden zijn eerst ontstaan op de hogere delen van het landschap en hebben zich later uitgebreid tot de lagere delen. Ze bestaan uit dikke lagen leemarme en humusrijke gronden. De locatie heeft grondwatertrap VI. Dit zijn gebiedsdelen met een goede ontwatering en zijn zeer geschikt voor landbouw en vormden mede daarom, vooral in het verleden, een aantrekkelijk vestigingsgebied.
Tevens is het grondwaterpeil een indicatie voor de conservering van metalen en organische resten. Vanwege deze diepe grondwaterstand is niet te verwachten dat de toekomstige bebouwing het grondwaterpeil zal beïnvloeden.
Tabel: Grondwatertrappen-indeling
In het kader van het onderhavige plan wordt binnen het plangebied nieuwe varkensstallen gebouwd. In deze stallen verblijven de medewerkers kortdurend, namelijk tijdens diercontrole werkzaamheden en het verplaatsen van de dieren. Het betreft om die reden gebouwen waarin niet voortdurend mensen verblijven. Hieruit volgt dat het onderhavige bouwplan niet de realisatie van een bouwwerk behelst waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven en is een verkennend bodemonderzoek derhalve niet noodzakelijk. Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. De regels van het Besluit bodemkwaliteit zijn hierop van toepassing.
25
5.4 LUCHTKWALITEIT De invloed van het nieuwe bouwplan op de luchtkwaliteit is gevoerd met behulp van het ISL3A programma versie 2020_2 en bijgevoegd als bijlage .
Navolgend de belangrijkste bevindingen. Op landelijk niveau leveren fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) in een aantal gebieden knelpunten op. De overige stoffen waaraan getoetst moet worden volgens de Wet Luchtkwaliteit, leveren in Nederland geen knelpunten op (lood, zwaveldioxide, koolmonoxide en benzeen).
26
Vanaf 1 januari 2015 dient ook getoetst te worden aan de grenswaarde voor PM2,5 (zeer fijnstof) van 25 µg/m3. De achtergrondconcentratie PM2,5 ligt in Nederland ruimschoots onder deze grenswaarde. Het RIVM heeft in 2015 een nadere analyse uitgevoerd naar de statistische relatie tussen de jaargemiddelde concentraties PM10 en PM2.5. Uit deze analyse blijkt dat bij een jaargemiddelde concentratie PM10 van 32,5 μg/m3, de kans dat de jaargemiddelde concentratie PM2.5 gelijk is aan of hoger is dan 24 μg/m3, kleiner is dan 1%. De resultaten van deze analyse tonen aan dat wanneer wordt voldaan aan de maatgevende grenswaarde voor PM10, vrijwel altijd ook wordt voldaan aan de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie PM2.5 (bron: Infomil). Op grond van gevalideerde meetresultaten uit het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit is de achtergrondconcentratie bepaald. De jaargemiddelde achtergrondconcentraties bedragen (jaar 2020 (gegevens 2020) 1): 18,62 µg/m3 voor PM10, 11,45 µg/m3 voor PM2,5 en 13,71 µg/m3 voor NO2. De achtergrondconcentraties liggen ter plaatse ruim onder de grenswaarden van 40 en 31,2 µg/m3 voor PM10, 25 µg/m3 voor PM2,5 en 40 µg/m3 voor NO2. Over de loop van jaren is sprake van een daling van de achtergrondconcentraties (zeer) fijnstof en stikstofdioxide. De referentie situatie (feitelijke situatie) omvat een fijnstofemissie van 405.282 gram per jaar.
Na realisatie van het bouwplan wordt deze emissie 162.596 gram. Verder blijkt uit de ISLA3A berekening dat de belasting op het dichtstbijzijnde gevoelige object, dat is Maaijkant 7 17,56 µg/m3 bedraagt (norm is 40) en de overschrijding 6,1 dagen bedraagt, terwijl de norm 35 bedraagt. De Wet Luchtkwaliteit staat niet aan het realiseren van het bouwplan in de weg. Voor het overige kan vermeld worden dat de WHO-norm van 20 µg/m3 op alle gevoelige objecten wordt behaald. Cumulatie fijn stof Sinds 1 januari 2019 moet op grond van de Regeling beoordeling luchtkwaliteit in bepaalde gevallen te toetsen wat het effect is van dicht bij elkaar gelegen veehouderijen op de luchtkwaliteit. Deze toetsing moet uitgevoerd worden indien: