Bijlage 2 - Toelichting bp Hooiberg 3 Castelre
Tekst van het document
Hooiberg 3 te Castelre
bestemmingsplan Hooiberg 3 te Castelre
Inhoudsopgave
toelichting
2
3
bestemmingsplan "Hooiberg 3 te Castelre" (ontwerp)
bestemmingsplan Hooiberg 3 te Castelre
toelichting
bestemmingsplan "Hooiberg 3 te Castelre" (ontwerp) 3
Toelichting bestemmingsplan
Hooiberg 3 te Castelre
Colofon
Gemeente
Baarle-Nassau
Projectlocatie
Hooiberg 3 5114 AH Castelre
Datum
20-10-2021 / 25-7-2022 / 28-04-2023
Status
Ontwerp
IMRO-code
NL.IMRO.0744.BPhooiberg3-ON01
Opgesteld door
Van Dun Advies BV Dorpsstraat 54 5113 TE Ulicoten T. 013 519 94 58 Postel 8 5711 ET Someren T. 0493 745 015 E. info@vandunadvies.nl I. www.vandunadvies.nl
Projectnummer
07009.040
Inhoudsopgave 1. Inleiding ........................................................................................................... 5 1.1
Aanleiding en doel ......................................................................................... 5
1.2
Geldend planologisch regime ........................................................................ 5
1.3
Procedure....................................................................................................... 6
1.4
Leeswijzer ...................................................................................................... 7
2. Planbeschrijving ............................................................................................... 8 2.1
Bestaande situatie ......................................................................................... 8
2.2
Beoogde situatie ............................................................................................ 9
3. Beleidskader ................................................................................................... 13 3.1
Provinciaal beleid ........................................................................................ 13
3.1.1 3.1.2 3.1.3 3.2
Omgevingsvisie Noord-Brabant .................................................................. 13 Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014 ............................................ 13 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant ............................................ 15
Gemeentelijk beleid .................................................................................... 22
3.2.1 3.2.2
Omgevingsvisie ........................................................................................ 22 Bestemmingsplan ..................................................................................... 23
4. Milieuhygiënische en planologische aspecten ................................................ 24 4.1
Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling .......................... 24
4.2
Waterhuishouding ....................................................................................... 24
4.2.1 4.2.2 4.2.3 4.3
Waterrelevant beleid ................................................................................. 24 Bestaande waterhuishoudkundige situatie ................................................... 26 Beoogde waterhuishoudkundige situatie ..................................................... 26
Natuur .......................................................................................................... 28
4.3.1 4.3.2
Natuurnetwerk Nederland (NNN)................................................................ 28 Wet natuurbescherming ............................................................................ 30
4.4
Ammoniak .................................................................................................... 34
4.5
Bodemkwaliteit ........................................................................................... 35
4.6
Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie ................................................ 35
4.6.1 4.6.2 4.6.3
Aardkunde ............................................................................................... 36 Cultuurhistorie .......................................................................................... 37 Archeologie .............................................................................................. 40
4.7
Bedrijven en milieuzonering ....................................................................... 41
4.8
Geur ............................................................................................................. 42
4.9
Luchtkwaliteit .............................................................................................. 42
4.10
Geluid........................................................................................................ 43
4.11
Verkeer ..................................................................................................... 44
4.12
Externe veiligheid .................................................................................... 44
4.12.1
Regelgeving ............................................................................................. 44
4.12.2
Toetsing aan beleid................................................................................... 44
4.13
Technische infrastructuur ........................................................................ 45
4.14
Volksgezondheid ...................................................................................... 45
5. Juridische planbeschrijving ............................................................................ 47 5.1
Juridische achtergrond................................................................................ 47
5.2
Toelichting verbeelding ............................................................................... 47
5.3
Toelichting regels ........................................................................................ 47
6. Uitvoerbaarheid .............................................................................................. 49 6.1
Financiële uitvoerbaarheid.......................................................................... 49
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid ............................................................. 49
6.2.1 6.2.2
Vooroverleg en omgevingsdialoog .............................................................. 49 Zienswijzen en beroep .............................................................................. 49
7. Bijlagen .......................................................................................................... 50
1. Inleiding In dit hoofdstuk komen de aanleiding en het doel, het geldend planologisch regime en de procedure aan bod. Daarnaast is in dit hoofdstuk een leeswijzer opgenomen. 1.1 Aanleiding en doel Initiatiefnemer is voornemens om het agrarisch bedrijf aan de Hooiberg 3 te Castelre uit te breiden met drie sleufsilo’s en de nodige erfverharding. Binnen het huidige bouwvlak is niet voldoende ruimte beschikbaar om extra sleufsilo’s aan te leggen. De nieuwe sleufsilo’s zijn noodzakelijk voor de opslag van ruwvoer ten behoeve van het houden van rundvee. Daarnaast wordt een legalisatie geregeld voor de bestaande sleufsilo’s en voersilo’s welke gelegen zijn buiten het bouwvlak. Tot slot wordt één bestaande sleufsilo in vorm gewijzigd en er vindt een kleine uitbreiding van de bestaande rundveestal plaats ten behoeve van melkrobots. Op het bedrijf worden zowel in de vergunde als in de beoogde situatie 158 stuks vrouwelijk jongvee en 268 melk- en kalfkoeien gehouden. De bedrijfsvoering van het melkveebedrijf is in overwegende mate aangewezen op de opslag van ruwvoer. Echter is op dit moment niet voldoende opslagcapaciteit aanwezig op het bedrijf. Het aanleggen van de 3 extra sleufsilo’s ten behoeve van de opslag van ruwvoer is derhalve noodzakelijk. Het initiatief betreft enkel uitbreiding van bebouwing, het aantal dieren op het bedrijf blijft ongewijzigd.
Omdat de sleufsilo’s en de voersilo’s buiten het bouwvlak niet zijn toegestaan is een partiële herziening van het bestemmingsplan opgesteld. 1.2 Geldend planologisch regime Het vigerend planologisch regime ter plaatse is vervat in het ‘Bestemmingsplan Buitengebied 2008’ van de gemeente Baarle-Nassau, aldus vastgesteld d.d. 16 juli 2009. Binnen dit bestemmingsplan hebben de gronden de bestemming ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf’ gekregen, zie Afbeelding 1. Daarnaast hebben de gronden de enkelbestemmingen ‘verwevingsgebied’ en ‘cultuurhistorisch waardevol gebied’.
Bestemmingsplan Hooiberg 3 te Castelre
5
Afbeelding 1: Uitsnede ‘Bestemmingsplan Buitengebied 2008’, bouwvlak rood omkaderd
1.3 Procedure Voor het beoogde initiatief dient een bestemmingsplan te worden vastgesteld, conform artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Het plan doorloopt als volgt de procedure. Allereerst wordt er een voorontwerpbestemmingsplan opgesteld waarin onderbouwd wordt dat het initiatief voldoet aan het gemeentelijk en provinciaal beleid en aan alle relevante milieu- en ruimtelijke ordeningsaspecten. In deze fase wordt overleg gevoerd met de gebruikelijke overlegpartners zoals gemeente, provincie en waterschap. Eventuele opmerkingen worden verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan. Volgens artikel 3.8 Wro is op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing. Dit houdt in dat het ontwerpbestemmingsplan gedurende 6 weken voor iedereen ter inzage wordt gelegd. Tijdens deze periode van 6 weken kan een ieder zienswijzen kenbaar maken. Binnen 12 weken nadat het ontwerpbestemmingsplan ter inzage heeft gelegen, moet de gemeente beslissen over de vaststelling van het bestemmingsplan. Hierbij worden eventuele zienswijzen in acht genomen. Nadat het bestemmingsplan is vastgesteld, wordt het opnieuw 6 weken ter inzage gelegd. Binnen deze 6 weken kan een ieder die tijdig een zienswijze kenbaar heeft gemaakt bij het ontwerp en belanghebbenden beroep indienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Bestemmingsplan Hooiberg 3 te Castelre
6
Als er geen beroep wordt ingesteld, dan is het bestemmingsplan daags na afloop van de beroepsperiode onherroepelijk. Zodra het bestemmingsplan in werking is getreden kunnen de benodigde omgevingsvergunningen voor het beoogde initiatief worden aangevraagd. 1.4 Leeswijzer In deze toelichting is in het eerste hoofdstuk een inleiding op het initiatief gegeven, waarin de aanleiding, het doel, het geldend planologische regime en de te doorlopen procedure zijn beschreven. In hoofdstuk 2 worden de bestaande en beoogde situatie omschreven. Het van toepassing zijnde nationaal, provinciaal en gemeentelijk beleid wordt uiteengezet in hoofdstuk 3. Hierna worden in hoofdstuk 4 de milieuhygiënische en planologische aspecten beschreven. De juridische achtergrond van het bestemmingsplan, een toelichting op de verbeelding en een toelichting op de regels wordt gegeven in hoofdstuk 5. De financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het initiatief wordt verantwoord in hoofdstuk 6.
Bestemmingsplan Hooiberg 3 te Castelre
7
2. Planbeschrijving In dit hoofdstuk worden de bestaande en beoogde situatie beschreven. Hierin komt naar voren welke veranderingen er plaatsvinden binnen het plangebied. 2.1 Bestaande situatie De bedrijfslocatie is gelegen aan de Hooiberg 3 te Castelre, kadastraal bekend als: gemeente BaarleNassau, Sectie: P, nummers: 430, 428 & 431. Op circa 1 kilometer ten oosten ligt de bebouwde kom van Minderhout (BE). Afbeelding 2 weergeeft luchtfoto’s van het plangebied.
1
3 2 2
1
Afbeelding 2: Ligging plangebied in omgeving
Op de locatie zijn twee rundveestallen (nr. 1 op Afbeelding 2), twee loodsen (nr. 2 op Afbeelding 2), één ziekenboeg (nr. 3 op Afbeelding 2), twee vaste mestopslagen en 8 sleufsilo’s aanwezig. Afbeelding 3 weergeeft een situatietekening van de bestaande situatie. De situatietekening van de bestaande situatie is op schaal opgenomen in Bijlage 1. De loodsen zijn noodzakelijk voor de opslag van machines en hooi en stro. Tevens is op de locatie één bedrijfswoning aanwezig. Er loopt een separate aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouw voor een loods/stal waarin droogstaande koeien worden gehouden. Deze stal/loods wordt gerealiseerd ter plaatse van de bestaande rundveestal aan de zuidzijde van het bedrijf. Deze stal/loods kan binnen de regels van het vigerende bestemmingsplan mogelijk gemaakt worden. Het bestaande bouwperceel heeft een oppervlakte van 1,59 hectare. Voor het melkveebedrijf is op 8 juli 2009 een vergunning in het kader van de Wet milieubeheer verleend voor het houden van 158 stuks vrouwelijk jongvee en 268 stuks vrouwelijk jongvee.
Bestemmingsplan Hooiberg 3 te Castelre
8
Afbeelding 3: Situatietekening bestaande situatie 2.2 Beoogde situatie De beoogde ontwikkeling betreft de aanleg van 3 sleufsilo’s ten behoeve van de opslag van ruwvoer en bijbehorende erfverharding. Daarnaast wordt er één sleufsilo gewijzigd uitgevoerd ten opzichte van de vergunde situatie. De sleufsilo’s zijn noodzakelijk aangezien er op dit moment een tekort is aan opslagmogelijkheden voor de opslag van ruwvoer op het eigen erf om de dieren te houden conform de vergunde situatie. De nieuwe sleufsilo’s worden aangelegd ten westen van de bestaande grote melkveestal. Hierdoor ontstaat een efficiënte bedrijfsvoering met korte loop- en vervoerslijnen. Daarnaast komen de sleufsilo’s op deze wijze zo ver mogelijk van omliggende woningen te liggen. Ten noord- en zuidoosten van de bedrijfslocatie zijn namelijk woningen gelegen. De sleufsilo’s worden uitgevoerd met prefab wanden met een maximale hoogte van 3 meter. Ze worden aangesloten op de bestaande percolaatopvangput. Twee van de drie nieuwe sleufsilo’s hebben de afmetingen van 26,4 bij 13,8 meter. De andere nieuwe sleufsilo heeft een afmeting van 70 bij 13,7 meter. De bestaande sleufsilo wordt gewijzigd uitgevoerd en de afmetingen zullen wijzigen naar 80,2 meter bij 13,7 meter. De erfverharding is noodzakelijk voor de manoeuvreerruimte ten
Bestemmingsplan Hooiberg 3 te Castelre
9
behoeve van bevoorrading en laden van ruwvoer. De toename in oppervlakte aan erfverharding zal 2.800 m² bedragen. Er zal ook nog een kleine uitbreiding bij de bestaande rundveestal plaatsvinden ten behoeve van melkrobots. Om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken is er een nieuw bouwvlak en een differentiatievlak opgesteld. Alle sleufsilo’s en bebouwing zullen binnen het differentiatievlak en bouwvlak gesitueerd worden. Het beoogde bouwvlak heeft een omvang van 1,48 hectare. Het differentiatievlak zal een omvang van 0,5 hectare hebben. Afbeelding 4 weergeeft de situering van het bouwvlak en het differentiatievlak. Deze situatietekening is in schaal opgenomen in Bijlage 1. De beoogde locatie is reeds voorzien van een ruime landschappelijke inpassing, waardoor het zicht naar de bedrijfslocatie vanuit de straatzijde zoveel mogelijk is beperkt. Deze landschappelijke inpassing zal in de beoogde situatie worden aangevuld en versterkt, zie Afbeelding 5. Ten zuiden en noorden van het bedrijf wordt een houtsingel aangeplant. Ten noordoosten van het bedrijf wordt een nieuwe zandwal met struweel en boomvormers aangelegd. Daarnaast zullen de nieuwe sleufsilo’s achter de bestaande bebouwing gerealiseerd worden, waardoor deze aan het zicht onttrokken zijn.
Bestemmingsplan Hooiberg 3 te Castelre
10
1
2 5
3
4
67
89
10 11
Afbeelding 4: Situatietekening beoogde situatie
Bestemmingsplan Hooiberg 3 te Castelre
11
Afbeelding 5: Landschappelijk inpassingsplan
Bestemmingsplan Hooiberg 3 te Castelre
12
3. Beleidskader In dit hoofdstuk wordt het relevante beleid uiteengezet. Het initiatief wordt getoetst aan het provinciaal en gemeentelijk beleid. Gezien het initiatief dusdanig kleinschalig van aard is dat het geen invloed heeft op nationaal beleid, wordt dit beleidskader niet beschreven. 3.1 Provinciaal beleid Het geldende ruimtelijke beleid van de provincie Noord-Brabant is omschreven in de Omgevingsvisie, Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014 en de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.
3.1.1
Omgevingsvisie Noord-Brabant
De provincie Noord-Brabant heeft op 14 december 2018 de omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld. De omgevingsvisie vindt zijn legitimatie in de Omgevingswet. Vanzelfsprekend staan de achterliggende doelen van de Omgevingswet dan ook centraal in de positiebepaling van de Brabantse Omgevingsvisie. Onder het motto ‘eenvoudig beter’, doelt de Omgevingswet op meer inzichtelijkheid, en een grotere voorspelbaarheid en gebruiksgemak van het Omgevingsrecht. Ook beoogt de wet meer bestuurlijke afwegingsruimte en een meer samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving in beleid, besluitvorming en regelgeving. Het doel van de omgevingsvisie is om de kwaliteit van de leefomgeving voor alle Brabanders te verbeteren. In de visie is voor verschillende programma’s de ambitie geformuleerd hoe de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit moet zien. Daarbij zijn mobiliserende tussendoelen gesteld voor 2030 om het einddoel te kunnen bereiken. De uitwerking in programma’s is een opgave die de visie volgt en die in opeenvolgende bestuursperiodes de opdracht en ruimte geeft om dat met eigen accenten in te vullen. Het belangrijkste programma dat hier een rol speelt is ‘omgevingskwaliteit’. Het Brabantse doel voor 2050 in dit programma is:
‘Brabant heeft een goede leefomgevingskwaliteit doordat wij op alle aspecten beter presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald. Brabant staat met zijn TOP-landschap van oude en nieuwe landschappen in de top 5 van Europa. De biodiversiteit binnen en buiten de natuurgebieden is op orde, de lucht- en waterkwaliteit voldoet en de bodem is vitaal.’ Het tussendoel voor 2030 in dit programma is:
‘Brabant heeft een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit doordat wij voor alle aspecten voldoen aan de wettelijke normen. Natuurgebieden zijn ingericht, de afname van biodiversiteit is naar een positieve trend omgebogen, waardevolle cultuurhistorische landschappen zijn behouden en er is breed draagvlak voor de nieuwe energie- en klimaatadaptieve landschappen door de ontwerpende aanpak.’ Deze basisopgave is veelomvattend en gaat over milieuaspecten zoals een schone bodem, schoon water (ondergrond) en schone lucht. Maar ook om landschappelijke- en cultuurhistorische aantrekkelijkheid, een goede woon- en werkomgeving met een aantrekkelijk aanbod aan voorzieningen, stilte en een natuurrijke omgeving, waarin biodiversiteit en recreatie hand in hand gaan. Het initiatief voldoet aan het tussendoel voor 2030 omdat aan alle milieu wet- en regelgeving wordt voldaan. Door een zorgvuldige landschappelijke inpassing van het plangebied wordt ook een positieve bijdrage geleverd aan de leefomgevingskwaliteit. Hiermee wordt een eerste stap gezet richting het einddoel van 2050. Het initiatief past dus binnen de Omgevingsvisie voor Noord-Brabant.
3.1.2
Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014
De Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014 (Sv 2014) betreft een herziening van de op 1 oktober 2010 vastgestelde Structuurvisie ruimtelijke ordening. De partiële herziening is door Provinciale Staten van Noord-Brabant op 7 februari 2014 vastgesteld en in werking getreden op 19 maart 2014. De Structuurvisie geeft de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 weer (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie. Het is de basis
Bestemmingsplan Hooiberg 3 te Castelre
13
voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt. De genoemde visie is vertaald in de regels van de Verordening ruimte Noord-Brabant en Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Daarnaast ondersteunt de structuurvisie het beleid op andere provinciale beleidsterreinen, zoals het economisch-, mobiliteits-, sociaal-, cultureel-, milieu- en natuurbeleid. Volgens de structurenkaart, zie Afbeelding 6, ligt het plangebied in het gemengd landelijk gebied en in de groenblauwe mantel. In het gemengde landelijke gebied vindt een vermenging van functies plaats. Naast het gebruik van de gronden ten behoeve van de land- en tuinbouw, is er ook plaats voor natuur, water, recreatie, toerisme en kleinschalige stedelijke functies. Omdat de locatie in het gemengde landelijk gebied ligt, hanteert de provincie het multifunctionele gebruik als uitgangspunt. Het uitbreiden van de sleufsilo’s bij een veehouderij past binnen een multifunctioneel gebied. Er vinden naast de bestaande veehouderij ook toerisme, kleinschalige stedelijke functies, waterfuncties, natuur en recreatie plaats. De groenblauwe structuur omvat samenhangende gebieden in Noord-Brabant, waaronder de ecologische hoofdstructuur, waar natuur- en waterfuncties behouden en ontwikkeld worden. De structuur bestaat voornamelijk uit beken en andere waterlopen en uit bos- en natuurgebieden.
Daarnaast liggen ook gebieden met een andere functie (zoals agrarisch of recreatie) binnen de groenblauwe mantel, als die gebieden van belang zijn voor de natuur- en waterfuncties. De agrarische sector is één van de grootste en belangrijkste grondgebruikers binnen de groenblauwe mantel. Nieuwe ontwikkelingen binnen dit gebied zijn mogelijk, als deze bestaande natuur-, bodem- en waterfuncties respecteren en waar mogelijk bijdragen aan een kwaliteitsverbetering van deze functies of het landschap. De ontwikkeling gaat gepaard met een landschappelijke inpassing waardoor de bestaande landschappelijke kwaliteiten van de groenblauwe mantel in de omgeving behouden en versterkt worden. Ook worden de belangrijke natuur-, bodem- en waterfuncties gerespecteerd. Uit bovenstaande toetsing blijkt dat het initiatief past binnen de uitgangspunten van de Sv 2014.
Bestemmingsplan Hooiberg 3 te Castelre
14
Afbeelding 6: Uitsnede structurenkaart Sv 2014, locatie aangegeven met een rode pijl
3.1.3
Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant
De Interim omgevingsverordening (Iov) betreft een samenvoeging van verschillende regelingen op provinciaal niveau met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. De Iov is daarbij een eerste stap op weg naar een definitieve omgevingsverordening, die op grond van de op handen zijnde Omgevingswet moet worden vastgesteld en die verplicht is voor provincies. De Iov is opgesteld vanuit een doelgroepenbenadering. Dit is ook het systeem dat de Omgevingswet, en de daaronder liggende wetgeving, hanteert. Dit betekent dat de regels in de Iov zijn gegroepeerd in hoofdstukken waarbij de doelgroep van de regel, de zogenaamde normadressaat, leidend is. Regels waar gemeenten bij vaststelling van een bestemmingsplan rekening mee moeten houden zijn opgenomen in hoofdstuk 3. Deze regels zijn in de vorm van instructieregels opgenomen waarbij de verschillende niveaus zijn opgedeeld in meerdere afdelingen. Voor elke ruimtelijke ontwikkeling geldt dat toepassing moet worden gegeven aan de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies zoals deze zijn opgenomen in paragraaf 3.1.2. Voor het overige dient getoetst te worden aan de regels die van toepassing zijn op het werkingsgebied waar een plangebied in is gelegen.
In dit geval is het plangebied gelegen binnen de aanduidingen ‘Cultuurhistorisch waardevol gebied’, ‘Gemengd landelijk gebied’, ‘Landelijk gebied’ en ‘Stalderingsgebied’, zie Afbeelding 7.
Bestemmingsplan Hooiberg 3 te Castelre
15
Afbeelding 7: Uitsnede kaart werkingsgebieden Iov
Voor wat betreft het Cultuurhistorisch waardevol gebied zijn de voorwaarden vervat in artikel 3.29. Gronden die zijn gelegen in dit werkingsgebied strekken tot behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden en kenmerken zoals beschreven op de Cultuurhistorische Waardenkaart. Aan dit artikel wordt in paragraaf 4.6.2 van deze toelichting getoetst. Voor ontwikkelingen van agrarische bedrijven dient getoetst te worden aan de rechtstreeks geldende Iov bepaling, artikel 2.73. Hierin staan regels opgenomen voor een zorgvuldige veehouderij. Ten behoeve van dit artikel is een BZV-toets uitgevoerd in het kader van het bestemmingsplan. Deze is bijgevoegd in bijlage 9 van onderhavig bestemmingsplan, hieruit kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een zorgvuldige veehouderij. Afdeling 3.6 bevat de voorwaarden voor een vitaal platteland, die onder andere van toepassing zijn op het gemengd landelijk gebied. Met het initiatief wordt een veehouderij gewijzigd. Er zal dus worden getoetst aan artikel 3.49 voor veehouderijen in landelijk gebied en voor aanvullende regels voor een nieuw dierenverblijf, artikel 3.50. Verder bevat artikel 3.52 aanvullende regels ten aanzien van het stalderingsgebied. Deze regels hebben betrekking op een toename in de oppervlakte dierenverblijven voor hokdieren.
Een hokdierhouderij is conform de Iov een veehouderij met uitzondering van een nertsenhouderij, melkrundveehouderij en schapenhouderij. Omdat er in de bestaande en de beoogde situatie sprake is van een melkveebedrijf en omdat er geen sprake is van een uitbreiding in dierenverblijven hoeft niet getoetst te worden aan artikel 3.52 van de Iov. Aan de relevante artikelen zal hierna worden getoetst.
Bestemmingsplan Hooiberg 3 te Castelre
16
Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies (paragraaf 3.1.2) Onder een evenwichtige toedeling van functies wordt verstaan dat invulling wordt gegeven aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Hiervoor moet rekening worden gehouden met: - zorgvuldig ruimtegebruik; - de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering; - meerwaardecreatie. Deze aspecten zijn in de Iov nader uitgewerkt in de artikelen 3.6 t/m 3.8. Daarnaast geldt voor ontwikkelingen in het landelijk gebied ook dat er sprake moet zijn van kwaliteitsverbetering (zie artikel 3.9). Deze artikelen worden hieronder nader toegelicht.
Zorgvuldig ruimtegebruik (artikel. 3.6)
Conform artikel 3.6 houdt zorgvuldig ruimtegebruik in dat in beginsel gebruik wordt gemaakt van een bestaand ruimtebeslag. Een bestaand ruimtebeslag is gelegen binnen het werkingsgebied ‘Stedelijk gebied’ of een bestaand bouwperceel. Wanneer er sprake is van een stedelijke ontwikkeling dient toepassing te worden gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking). Alle gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen dienen in beginsel te worden geconcentreerd binnen een bouwperceel, behalve in de gevallen dat: 1. nieuwvestiging mogelijk is op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk; 2. er feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte is en uitbreiding, al dan niet gelijktijdig met de vestiging van een functie, op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk is toegestaan. Op dit moment is geen ruimte aanwezig om voldoende sleufsilo’s binnen het bestaande bouwvlak te situeren. De ruimte binnen het bouwvlak wordt in de huidige bedrijfsopzet optimaal benut en in de huidige situatie zijn al niet alle sleufsilo’s binnen het bestaande bouwvlak gelegen, vanwege ruimtegebrek. Daar de ruimte binnen het bouwvlak niet aanwezig is, worden de beoogde sleufsilo’s ten behoeve van de opslag van ruwvoer binnen het bouwvlak/differentiatievlak gerealiseerd door het herzien van het bestemmingsplan.
Hierdoor ontstaat een optimale situatie met efficiënte bedrijfsvoering. In onderstaande toetsing is getoetst aan de bepalingen uit hoofdstuk 3 van de Interim omgevingsverordening. Hieruit blijkt dat wordt voldaan aan de bepalingen, waardoor afgeweken kan worden van het bestaand ruimtebeslag voor het realiseren van de sleufsilo’s. Tevens dient aan de sub b en c van artikel 3.6, lid 1 van de Iov voldaan te worden:
b. bij stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking);
De beoogde ontwikkeling betreft geen nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1 onder i van het Bro, waardoor de Ladder voor duurzame verstedelijking niet hoeft worden toegepast.
c. gebouwen, bijbehorende bouwwerken geconcentreerd binnen een bouwperceel.
en
andere
permanente
voorzieningen
worden
De beoogde bebouwing en bijbehorende voorzieningen zullen worden geconcentreerd binnen het beoogde agrarische bouwvlak, zie Bijlage 1. Conclusie: Gezien hetgeen hierboven beschreven wordt voldaan aan een zorgvuldig ruimtegebruik, zoals beschreven in artikel 3.6 van de Iov.
Toepassing van de lagenbenadering (artikel 3.7)
De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op verschillende lagen. Hierbij dient onderzocht te worden wat de effecten zijn op: - de ondergrond - de netwerklaag - de bovenste laag
Bestemmingsplan Hooiberg 3 te Castelre
17
Met het effect op de ondergrond worden o.a. de aspecten bodem, grondwater en archeologische waarden bedoeld. De netwerklaag omvat aspecten zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. In de beschouwing van de bovenste laag dienen aspecten zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu aan bod te komen. Hierbij dient te worden gekeken naar het verleden, heden en toekomst. De beoogde ontwikkeling mag geen negatieve effecten hebben op de waarden in de omgeving en dient ook in de toekomst geen beperkingen op te leveren voor de omgeving. De toetsing van de gevolgen van het initiatief op bovengenoemde aspecten is uitgebreid uiteengezet in hoofdstuk 4 van deze toelichting. Uit deze toetsing blijkt dat de beoogde ontwikkeling geen negatieve effecten op waarden in de omgeving zal opleveren.
Meerwaardecreatie (artikel 3.8)
Het aspect meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken. Het biedt de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren, waardoor er meerwaarde ontstaat. Daarnaast ontstaat een bijdrage aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. In dit bestemmingsplan wordt meerwaarde gecreëerd door de wijziging van het bedrijf te combineren met een goede landschappelijke inpassing.
Kwaliteitsverbetering (artikel 3.9)
Een bestemmingsplan in landelijk gebied moet gepaard gaan met een fysieke verbetering van het landschap. Daarnaast moet worden aangetoond hoe deze fysieke verbetering financieel, juridisch en feitelijk wordt verzekerd. Een verbetering kan o.a. bestaan uit een landschappelijke inpassing, behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen, het slopen van bebouwing of aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden. Deze vormen van kwaliteitsverbetering moeten worden geborgd in het bestemmingsplan. Over de exacte invulling van de kwaliteitsverbetering zijn in het regionaal ruimtelijk overleg tussen gemeenten en provincie afspraken gemaakt. Binnen de gemeente Baarle-Nassau is het afsprakenkader van de regio West-Brabant van toepassing. Op 18 december 2014 is de notitie ‘Afsprakenkader Kwaliteitsverbetering van het landschap in de regio West-Brabant’ vastgesteld. Hierin worden ontwikkelingen in drie verschillende categorieën omschreven. Categorie 1 omvat ontwikkelingen met nauwelijks tot geen landschappelijke invloed op hun omgeving. Tot categorie 2 behoren ontwikkelingen die beperkte invloed hebben op het landschap of van nature aan het buitengebied zijn gebonden. Voor deze ontwikkelingen kan invulling worden gegeven aan kwaliteitsverbetering door te voorzien in enkel een goede landschappelijke inpassing.
In categorie 3 vallen ontwikkelingen die met name mogelijk worden gemaakt middels een wijzigingsplan of een bestemmingsplanherziening, tenzij vermeld in een andere categorie. Het beoogde initiatief behoort tot categorie 2, ruimtelijke ontwikkelingen waarop de regels inzake kwaliteitsverbetering van toepassing zijn, maar waarbij het gaat om ontwikkelingen die een (zeer) beperkte invloed op het landschap hebben. Het betreft de aanleg van drie extra sleufsilo’s buiten het bouwvlak. Dit is een ontwikkeling die relatief beperkte invloed heeft op de omgeving en (traditioneel) past binnen het agrarische gebied. Derhalve wordt een ruimtelijke kwaliteitsverbetering vereist door maatregelen op of direct aansluitend op het eigen erf, bijvoorbeeld een goede landschappelijke inpassing. Op basis van de huidige planologische situatie en de gewenste planologische situatie is een landschappelijk inpassingsplan gemaakt dat aansluit bij de kwaliteiten en kenmerken van het ter plaatse aanwezige landschap, dit landschappelijk inpassingsplan is weergegeven in Bijlage 2. De
Bestemmingsplan Hooiberg 3 te Castelre
18
aanleg en instandhouding van deze landschappelijke inpassing wordt feitelijk en juridisch verzekerd middels het afsluiten van een anterieure overeenkomst tussen de gemeente en initiatiefnemer. De beoogde ontwikkeling is derhalve in overeenstemming met artikel 3.9 van de Iov. Veehouderij in Landelijk gebied (artikel 3.49) Een bestemmingsplan binnen het werkingsgebied landelijk gebied kan voorzien in een uitbreiding van, een vestiging van of een omschakeling naar een veehouderij, als wordt voldaan aan de voorwaarden die zijn opgenomen in artikel 3.49:
a. is geborgd dat ter plaatse alleen een zorgvuldige veehouderij is toegestaan;
De regels voor een zorgvuldige veehouderij zijn van toepassing bij uitbreiding van de oppervlakte dierenverblijf. In onderhavige aanvraag zal er geen toename zijn in oppervlakte dierenverblijf. De te slopen loods was een melkveestal en hiervoor in de plaats komt er een nieuwe loods met gedeeltelijk dierenverblijf en een uitbreiding van de bestaande melkveestal. Voor de volledigheid is er echter in het kader van het bestemmingsplan wel een BZV-toets uitgevoerd. In bijlage 9 is de uitdraai van deze BZV bijgevoegd. Hieruit blijkt dat er sprake is van een zorgvuldige veehouderij.
b. het bouwperceel ten hoogste 1,5 hectare bedraagt;
In de beoogde situatie heeft het bouwvlak een oppervlakte van 1,48 hectare en een differentiatievlak ten behoeve van de opslag van ruwvoer van 0,5 hectare. In hoofdstuk 2 van deze toelichting is de vorm en indeling van dit bouwvlak weergegeven. Op grond van artikel 3.53 lid 3 kan het bouwperceel worden vergroot tot 2,0 hectare voor bedrijven die afhankelijk zijn van de opslag van ruwvoer. Er dient daarvoor aan de volgende voorwaarden voldaan te worden:
a. de veehouderij vanwege de bedrijfsvoering in overwegende mate is aangewezen op de opslag van ruwvoer; b. de ruimte binnen het bouwperceel niet aanwezig is; c. het bestemmingsplan borgt dat deze 0,5 hectare uitsluitend gebruikt wordt ten behoeve van voorzieningen -geen gebouwen zijnde- voor de opslag van ruwvoer.
Er kan aan bovenstaande voorwaarden uit artikel 3.53 lid 3 voldaan worden. Een melkveebedrijf is per definitie afhankelijk van de opslag van ruwvoer. Er zal, naast het bouwvlak van 1,48 hectare, 0,5 hectare in gebruik worden genomen als differentiatievlak ten behoeve van de opslag van ruwvoer. De ruimte voor deze opslag is niet binnen het bouwperceel aanwezig. De benodigde opslagcapaciteit van voer voor het agrarische bedrijf aan de Hooiberg 3 in Castelré is uiteen gezet in Bijlage 3. De beoogde opslagvoorzieningen bestaan uit, zie ook Afbeelding 4: • Sleufsilo 1: 70 bij 13,72 meter (2,5 meter hoge wand) • Sleufsilo 2: 79,96 bij 13,72 meter (2,5 meter hoge wand) • Sleufsilo 3 en 4: 26,36 bij 13,79 meter (2,5 meter hoge wand) • Sleufsilo 5: 28 bij 9 meter (2,5 meter hoge wand) • Sleufsilo 6, 7, 8, 9, 10 en 11: In totaal 52,8 bij 39,38 meter (2,5 meter hoge wand). Als breedte voor deze sleufsilo is 39,38 meter genomen, om het schuine deel mee te kunnen berekenen. Er is gerekend met de vergunde/beoogde dieraantallen, dus 268 melk- en kalfkoeien en 158 stuks vrouwelijk jongvee. Naar verwachting zal het ruwvoer voor 75% bestaan uit gras en voor 25% uit maïs. Uit de berekening van de opslagcapaciteit blijkt dat de beoogde sleufsilo’s benodigd zijn om in de benodigde ruwvoeropslag te kunnen voorzien.
Er kan namelijk gesteld worden dat niet al het voer in 1 keer wordt ingekuild maar dat, gezien het ‘kuilseizoen’ (zeker bij het kuilgras), speling aanwezig is in de opslag, waardoor er werkelijk wat meer ruimte noodzakelijk is voor de opslag voor ruwvoer/ eventuele bijproducten. Bovendien is het dan mogelijk om verschillende oogsten en om bijproducten los op te slaan. Door de sleufsilo’s niet te hoog te vullen zal het ruwvoer minder last hebben van broei,
Bestemmingsplan Hooiberg 3 te Castelre
19
waardoor het voer beter geconserveerd wordt. Bovendien is het op een hoogte van 2,0 meter makkelijker het voer aan te rijden en om de voersnelheid te verhogen. Uit de berekende opslagcapaciteit blijkt dat er in de bestaande situatie op het bouwvlak niet voldoende ruimte aanwezig is voor de opslag van ruwvoer. De bestaande opslagcapaciteit is niet voldoende voor de beoogde situatie.
c. de ontwikkeling vanuit een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving inpasbaar is in de omgeving; Zie toetsing artikel 2.73, lid 2 onder c hierboven.
d. mestbewerking is uitgesloten tenzij dit ten behoeve van ter plaatse geproduceerde mest is; In de huidige en toekomstige situatie vindt er geen mestbewerking plaats.
e. is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12 % en in het buitengebied niet hoger is dan 20 %, tenzij er -indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages- maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert; Zie toetsing artikel 2.73, lid 2 onder d hierboven.
f.
de landschappelijke inpassing tenminste 10% van de omvang van het bouwperceel omvat;
De omvang van het bouwperceel bedraagt circa 15.000 m², 10% hiervan bedraagt 1.500 m². In Bijlage 2 is de beoogde landschappelijke inpassing weergegeven. Bij de totstandkoming van deze inpassing is rekening gehouden met deze voorwaarde. De totale oppervlakte van de landschappelijke inpassing bedraagt 4.732 m². De landschappelijke inpassing bedraagt dus tenminste 10% van de omvang van het bouwperceel.
g. de toelichting van het bestemmingsplan een verantwoording bevat dat een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving in de planontwikkeling. Initiatiefnemer heeft een omgevingsdialoog gevoerd. Een verslag van dit dialoog is bijgevoegd in bijlage 5 van onderhavig bestemmingsplan. Dit is tevens in hoofdstuk 6 van deze onderbouwing verwerkt.
Gezien het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling voldoet aan artikel 3.49 van de Interim omgevingsverordening. Aanvullende regels nieuw dierenverblijf (artikel 3.50)
Lid 1 Een bestemmingplan van toepassing op een veehouderij in Landelijk gebied bepaalt dat: a. een toename van de oppervlakte dierenverblijf binnen een bouwperceel alleen is toegestaan als: 1. maatregelen worden getroffen en in stand gehouden die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij; 2. de ontwikkeling vanuit een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving inpasbaar is in de omgeving; 3. is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12 % en in het buitengebied niet hoger is dan 20 %, tenzij er -indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages- maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert; 4. een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving in de planontwikkeling.
Bestemmingsplan Hooiberg 3 te Castelre
20
b. binnen gebouwen dieren -al dan niet in hokken- alleen op de grond gehouden mogen worden, ongeacht voorzieningen voor dierenwelzijn, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen waar een tweede bouwlaag gebruikt mag worden; Bovenstaande voorwaarden (uit lid a en b) zijn hiervoor allen behandeld. Hieruit valt te concluderen dat er kan worden voldaan aan de voorwaarden.
c. bij een gebruikswijziging van een aanwezig gebouw, gericht op het in gebruik nemen als dierenverblijf, toepassing wordt gegeven aan onderdeel a. In onderhavige aanvraag vindt geen gebruikswijziging plaats van een aanwezig gebouw.
Lid 2 Voor de toepassing van dit artikel geldt als dierenverblijf hetgeen gebruikt mag worden voor het houden van landbouwhuisdieren krachtens een omgevingsvergunning milieu, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder e, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of de omgevingsvergunning beperkte milieutoets, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder i, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of melding, bedoeld in artikel 1.10 Activiteitenbesluit milieubeheer. Voor het melkveebedrijf is op 8 juli 2009 een vergunning in het kader van de Wet milieubeheer verleend voor het houden van 158 stuks vrouwelijk jongvee en 268 stuks vrouwelijk jongvee.
Lid 3 Er is sprake van maatregelen die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij als is voldaan aan de Nadere regels zorgvuldige veehouderij, zoals door gedeputeerde staten vastgesteld op grond van artikel 5.11. Zie toetsing artikel 2.73, lid 2 onder d hierboven.
Gezien het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling voldoet aan artikel 3.50 van de Interim omgevingsverordening. Conclusie In deze paragraaf is de beoogde ontwikkeling getoetst aan de regels zoals gesteld in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. Zoals blijkt uit deze toelichting kan worden voldaan aan de voorwaarden die gelden voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling.
Bestemmingsplan Hooiberg 3 te Castelre
21
3.2 Gemeentelijk beleid Het gemeentelijk beleid is omschreven in de gemeentelijke omgevingsvisie en het bestemmingsplan.
3.2.1
Omgevingsvisie
Op 26 juni 2019 is de ‘Omgevingsvisie Baarle-Nassau’ vastgesteld. Hierin is de visie van de gemeente op de ruimtelijke toekomst van de dorpen en het buitengebied vervat. De toekomstige leefomgeving komt namelijk anders tot stand dan in het verleden. Transformatie en hergebruik hebben de plaats van uitbreiding en groei ingenomen. De gemeente nodigt initiatiefnemers dan ook uit om zelf met nieuwe ontwikkelingen te komen. Om initiatieven voor elkaar te krijgen wordt vervolgens een ‘ja mits’ beleid aangehouden in plaats van een ‘nee tenzij’ beleid. Om de gemeentelijke visie te bereiken zijn deelgebieden aangewezen waarvoor afzonderlijke doelen zijn opgesteld. Wanneer een nieuw initiatief zich aandient worden de volgende vragen gesteld: 1. In hoeverre draagt het initiatief bij aan de gestelde doelen? 2. Wat vindt de samenleving van het initiatief (is er draagvlak)? 3. Wat draagt het initiatief bij aan ruimtelijke kwaliteit? 4. Hoe kan het initiatief voldoen aan andere wet- en regelgeving? Als het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen is het versterken van de landschappelijke kwaliteit van het buitengebied van belang. Duurzaamheid en de gevolgen voor het milieu dienen in acht te worden genomen. Uit Afbeelding 8 blijkt dat het plangebied is gelegen binnen het landschap ‘oude landschappen’.
Karakteristiek voor de oude landschappen zijn de bebouwingsconcentraties in de buurtschappen en het (relatief) kleinschalige landschap. In een bebouwingsconcentratie komt de meeste bebouwing voor en zijn ook de meeste agrarische bedrijven gevestigd. Perspectief voor landbouw kan in dit landschap alleen worden gevonden binnen de regelgeving voor milieu en gezondheid. Daarnaast moeten agrarische ontwikkelingen ook landschappelijk inpasbaar zijn. In hoofdstuk 4 van deze toelichting zal uiteen worden gezet dat in de beoogde situatie zal worden voldaan aan de regelgeving omtrent milieu en gezondheid. Tevens zal de landschappelijke inpassing van het plangebied zorgen voor een positieve bijdrage aan de leefomgevingskwaliteit en biodiversiteit. Hierdoor is het initiatief passend in de omgevingsvisie van de gemeente Baarle-Nassau.
Bestemmingsplan Hooiberg 3 te Castelre
22
Afbeelding 8: Uitsnede visiekaart omgevingsvisie Gemeente Baarle-Nassau, plangebied zwart omcirkeld
3.2.2
Bestemmingsplan
Zoals al in de inleiding van deze toelichting beschreven is voor de locatie ‘Bestemmingsplan Buitengebied 2008’, zoals vastgesteld op 16 juli 2009, vigerend. De beoogde sleufsilo’s ten behoeve van de opslag van ruwvoer zijn buiten het vigerende bouwvlak gelegen. Daarnaast zijn de bestaande voersilo’s aan de westzijde van het bedrijf en enkele bestaande sleufsilo’s (deels) buiten het bouwvlak gelegen. Binnen het vigerende bestemmingsplan zijn er geen mogelijkheden opgenomen om de beoogde ontwikkelingen mogelijk te maken. Om deze reden is een partiële herziening van het bestemmingsplan voorbereid. De regels van deze herziening zullen zo veel mogelijk aansluiten bij het bestemmingsplan ‘Bestemmingsplan Buitengebied 2008’.
Bestemmingsplan Hooiberg 3 te Castelre
23
4. Milieuhygiënische en planologische aspecten Op grond van het bepaalde in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het verplicht om inzicht te bieden in de relevante milieuhygiënische en planologische aspecten. In dit hoofdstuk worden deze aspecten beschreven. 4.1 Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming over plannen en projecten. Het gaat hierbij enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Het gaat hierbij enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waardoor het milieu mogelijk nadelig wordt beïnvloed. Als uitgangspunt gelden voor plannen, waaronder partiële herzieningen, onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: ▪ Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden. ▪ Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten; Ten aanzien van het eerste criterium geldt dat er in deze situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden.
In paragraaf 4.3.2 is een uitgebreide toelichting opgenomen voor de mogelijke effecten van het plan op de Natura 2000-gebieden. Op basis van deze paragraaf kan worden geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling geen negatieve effecten voor Natura 2000gebieden tot gevolg heeft. Een project is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. Wanneer een activiteit niet voor komt in de C- of D-lijst is er geen sprake van een toekomstig m.e.r.(beoordelings)plichtig besluit. Er geldt voor een initiatief in dat geval geen (vormvrije) m.e.r.beoordelingsplicht. Voor agrarische bedrijven zijn mogelijk de grenswaarden uit categorie C14 en D14 voor het oprichten, wijzigen of uitbreiden van een installatie voor het fokken, houden of mesten van vee relevant. Met het initiatief is sprake van de aanleg van drie sleufsilo’s ten behoeve van de opslag van ruwvoer en het legaliseren van bestaande voersilo’s en sleufsilo’s welke buiten het bouwvlak zijn gelegen. Sleufsilo's zijn geen installaties voor het fokken, houden of mesten van vee. Dit betekent dat de activiteit die middels dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt niet voor komt in de C- of D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage.
Er is dus geen sprake van een toekomstig m.e.r.(beoordelings)plichtig besluit. Er geldt voor het initiatief derhalve geen (vormvrije) m.e.r.beoordelingsplicht. 4.2 Waterhuishouding Sinds 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets toe te passen. Deze verplichting is wettelijk geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Door middel van deze watertoets moet inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente voorafgaand aan de procedure het voornemen van de ruimtelijke ingreep aan het waterschap te verzenden. De gemeente en het waterschap kunnen afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen. In deze waterparagraaf komen de volgende onderdelen aan bod: - Beschrijving waterrelevant beleid; - Bestaande waterhuishoudkundige situatie; - Beoogde waterhuishoudkundige situatie.
4.2.1
Waterrelevant beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame
Bestemmingsplan Hooiberg 3 te Castelre
24
manier wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. De Nederlandse regering heeft invulling aan de KRW gegeven door middel van de Waterwet, die in werking is getreden op 22 december 2009. De Waterwet regelt het beheer van het oppervlakte- en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen het waterbeleid en ruimtelijke ordening. De visies met betrekking tot het waterbeleid worden door de verschillende bestuurslagen in diverse plannen beschreven. Provincie De wijze waarop de provincie omgaat met water, is beschreven in het Regionaal Water en Bodem Programma (2022-2027). Provinciale Staten hebben op 3 december 2021 het Regionaal Water en Bodem Programma (2022-2027) vastgesteld (RWP). Hiermee is de RWP de opvolger van het Provinciaal Milieu en waterplan (PMWP). Het RWP zal op 22 december 2021 in werking treden. Door middel van het RWP wordt beleid vastgesteld om te komen tot een klimaat robuust water en bodemsysteem in 2050, en zorg te dragen voor veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem in de provincie Noord-Brabant. Belangrijk uitgangspunt van het RWP is de Europese Kader Richtlijn Water (KRW) als een mijlpaal op weg naar een klimaatrobuust en veerkrachtig water- en bodemsysteem in 2050.
In dit programma ligt de focus op zuinig zijn op water en de bodem, en het wateren bodemsysteem moet toegerust zijn op natte én droge tijden (systeemgericht). Vele generaties lang had het waterbeleid als doel wateroverlast te voorkomen en water zo snel mogelijk af te voeren. Inmiddels weten we dat het doel om moet; we moeten zuinig zijn op ons water en de bodem. Doel van RWP: • Voldoende water • Schoon water • Veilig water • Vitale bodem • Klimaatadaptatie Waterschap Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerplan 2022-2027, wat tot stand is gekomen in samenspraak met de waterpartners. Zo zijn bijvoorbeeld relevante waterthema’s gekoppeld aan de belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen in de regio. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de Legger.
De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken plus bijbehorende beschermingszones liggen, aan welke afmetingen en vorm die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen vallen de werkzaamheden onder een Algemene regel. Dan kan er onder voorwaarden sprake zijn van vrijstelling van de vergunningsplicht. De Keur en de Algemene regels zijn te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de ‘beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak en de
Bestemmingsplan Hooiberg 3 te Castelre
25
hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Gemeente Op 29 september 2020 heeft het college ingestemd met een nieuw verbreed gemeentelijk rioleringsplan (vGRP) 2021-2025. Ter besluitvorming zal dit plan voorgelegd worden aan de gemeenteraad. In het vGRP staat hoe de gemeenten Baarle-Nassau en Baarle-Hertog de watertaken uitvoeren. De gemeenten Baarle-Nassau en Baarle-Hertog willen zich nadrukkelijk profileren als groene gemeenten met een veerkrachtig watersysteem, een goede waterkwaliteit, waarvan duurzaam gebruik wordt gemaakt en waarbij natuurwaarden worden hersteld. De rioleringszorg heeft drie hoofddoelen: • Het duurzaam beschermen van de volksgezondheid; • Het bevorderen van de kwaliteit van de leefomgeving; • Het duurzaam beschermen van natuur en milieu (bodem, grond- en oppervlaktewater). Binnen deze doelen worden ook de activiteiten voor het beheer en onderhoud van de hemelwatervoorzieningen en het opvangen van regenwater in bergingsvijvers opgepakt. Bij ruimtelijke ontwikkelingen, zoals onderhavige, wordt doormiddel van de watertoets per situatie met de waterschappen aandacht besteed aan ruimte water. Hierbij wordt gestreefd naar doelmatigheid, waarbij hydrologisch neutraal ontwikkelen een belangrijk aandachtspunt is.
4.2.2
Bestaande waterhuishoudkundige situatie
4.2.3
Beoogde waterhuishoudkundige situatie
In de bestaande waterhuishoudkundige situatie wordt het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk riool. Voor het overige wordt er uit de inrichting enkel niet-verontreinigd hemelwater geloosd. Dit hemelwater is afkomstig van regenwater dat op de daken en erfverharding valt. Gemiddeld valt er jaarlijks 0,8 m3 niet-verontreinigd hemelwater per m2 verhard oppervlak. Dit hemelwater wordt door middel van afschot van daken en erfverharding geloosd op omliggende perceelsloten. Op het bedrijf wordt aandacht besteed aan het schoonhouden van het verhard oppervlak. Er is sprake van good-house-keeping management. De erfverharding en de daken worden zo vaak als voor de goede orde noodzakelijk is schoon gehouden. Op het bedrijf vinden geen bijzondere activiteiten plaats die ertoe kunnen leiden dat er stoffen in aanraking kunnen komen met het hemelwater. Het niet-verontreinigde hemelwater kan dus zonder problemen worden geloosd op de omliggende perceelsloten. Zoals aangegeven is waterschap Brabantse Delta de beheerder van de kwaliteit en kwantiteit van het grond- en oppervlaktewater binnen het plangebied. Door middel van de Keur van Waterschap Brabantse Delta, die in werking is getreden op 1 januari 2019, kan worden bepaald bij welke ontwikkelingen mitigerende maatregen getroffen moeten worden.
Dit om versnelde afvoer van hemelwater op het watersysteem te voorkomen. Bij voorkeur wordt er voor gezorgd dat het hemelwater alsnog kan infiltreren in de bodem, eventueel via mitigerende maatregelen zoals een retentievoorziening. De Keur schrijft voor dat mitigerende maatregelen nodig zijn indien sprake is van een toename van het verhard oppervlak met meer dan 500 m2. De grootte van de retentievoorziening moet in dat gevel worden berekend conform de rekenregel die in de nieuwe Algemene regels van de Keur van de waterschappen is geïntroduceerd. Deze rekenregel luidt als volgt: Benodigde compensatie (in m3) = toename verhard oppervlak (m2) x ‘gevoeligheidsfactor’ x 0,06 (m) In de beoogde situatie is er een toename van circa 3.627 m² verhard oppervlak (2.800 m² aan erfverharding en 827 m² aan dakoppervlak). Omdat er een toename van verharding is dient er een compenserende maatregel getroffen te worden om het hemelwater op te vangen. De gevoeligheidsfactor is af te leiden uit de kaart die bij de nieuwe Keur is gevoegd. Hierbij is het grondgebied van het desbetreffende waterschap, in dit geval Brabantse Delta, verdeeld in drie
Bestemmingsplan Hooiberg 3 te Castelre
26
categorieën. Naarmate de gevoeligheid van een gebied of oppervlaktewatersysteem voor de gevolgen van piekafvoeren lager is, is minder compensatie nodig. Er worden drie waarden voor de gevoeligheidsfactor gehanteerd: ¼ (Laag), ½ (Gemiddeld) en 1 (Hoog). Zoals uit Afbeelding 9 blijkt zijn er voor de locatie aan de Hooiberg 3 te Castelre de gevoeligheidsfactoren van ¼ (Laag) en 1 (Hoog) van toepassing. Als worstcasescenario is uitgegaan van de gevoeligheidsfactor van 1.
Afbeelding 9: Kaart Gevoeligheidsfactor Keur Brabantse Delta
De factor 0,06 (m) vertegenwoordigt een waterschijf van 60 mm (600 m 3/ha) die de hoeveelheid water aangeeft die onder maatgevende omstandigheden daadwerkelijk op het watersysteem terecht zou komen als er geen voorziening wordt aangelegd. Deze is door het waterschap vastgelegd op basis van eigen onderzoek en toekomstscenario’s. Dit is een vast gegeven in de formule. Alle onderdelen van de rekenregel zijn bekend. Dit betekent dat de volgende rekensom gemaakt kan worden. Benodigde compensatie = 3.627 m2 x 1 x 0,06 = 217,6 m3 Als mitigerende maatregelen zal een retentievoorziening van minimaal 218 m³ worden aangelegd in de vorm van retentiesloten langs het bedrijf. Bij de uitwerking van de compenserende maatregelen zal ook rekening gehouden moeten worden met de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG). De voorziening mag namelijk niet dieper worden afgegraven dan de GHG ter plaatse. De gemiddelde hoogste grondwaterstand is af te leiden uit de gedetailleerde bodematlas van de provincie Noord-Brabant. Zoals uit Afbeelding 10 blijkt ligt de gemiddelde hoogste grondwaterstand ter plaatse van de beoogde sleufsilo’s tussen de 100 en 120 cm beneden maaiveld. De retentiecapaciteit van een sloot betreft de gemiddelde oppervlakte maal de gemiddelde hoogste grondwaterstand ter plaatse. Dit betekent dat bij een gemiddelde grondwaterstand, diepte van de
Bestemmingsplan Hooiberg 3 te Castelre
27
retentie, van 110 cm en een (stabiel) talud van 1;1,5 de nieuw aan te leggen sloot een oppervlakte van 225 m2 dienen te krijgen. De nieuw aan te leggen sloot met een minimale oppervlakte van 225 m² wordt in de beoogde situatie langs het bouwvlak gerealiseerd. Deze sloot zal dus voldoende capaciteit hebben om het hemelwater dat neerkomt op de nieuw aan te leggen erfverharding te bergen om versnelde lozing op het oppervlaktewater te voorkomen. Er zal geen hemelwater op de riolering worden geloosd.
Afbeelding 10: Uitsnede kaart Gemiddelde hoogste grondwaterstand provincie Noord-Brabant
Daarnaast zal bij de bouw van de sleufsilo’s gebruik worden gemaakt van milieuvriendelijke bouwmaterialen en niet van uitlogende bouwmaterialen, zoals lood, koper, zink en zacht PVC. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. Doordat het hemelwater niet vervuild is, is het geen probleem om het hemelwater te laten infiltreren. Het vervuild water zal apart worden afgevoerd via de percolaatput. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er ten aanzien van het aspect water geen belemmeringen zijn voor het initiatief. 4.3 Natuur Voorafgaand aan de beoogde wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van de groene wet- en regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven.