CConstaterende datBaarle-Nassau
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - Toelichting bp Hooiberg 3 Castelre

Gemeenteraad (openbaar) 27 september 2023, gemeente Baarle-NassauBij agendapunt: Voorstel tot het ongewijzigd vaststellen van het bestemmingsplan ‘Hooiberg 3 te Castelré’15.603 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

4.3.1

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

In de twintigste eeuw is veel Nederlandse natuur verdwenen. De overgebleven gebieden zijn vaak klein en liggen veelal ver uit elkaar. Hierdoor hebben bepaalde organismen moeite om gebieden te bereiken en zich er te handhaven, waardoor de diversiteit van planten, dieren en micro-organismen

Bestemmingsplan Hooiberg 3 te Castelre

28

(de biodiversiteit) ook sterk achteruit gaat. Om de biodiversiteit te behouden en te versterken is het Natuurnetwerk Nederland opgericht. De Natuurnetwerk Nederland is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. In het NNN liggen: - Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; - Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; - Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; - Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van Noordzee en de Waddenzee; - Alle Natura 2000-gebieden. Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgelegd. Op grond van artikel 2.10.2 van het Barro moeten provincies bij provinciale verordening de NNN-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van artikel 2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen. Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in de NNN aan. Elk NNN-gebied heeft een zogenaamd natuurdoel. Een natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied. Natuur Netwerk Brabant (NNB) Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van het NNN.

De provincie Noord-Brabant heeft in zijn Interim omgevingsverordening (Iov) de gebieden opgenomen als Natuur Netwerk Brabant. Men wil in 2027 alle gaten in het netwerk hebben gedicht met nieuwe natuur. Ongeveer 90% van het Natuur Netwerk Brabant wordt gevormd door bestaande natuurgebieden. Tussen deze gebieden is men voornemens om verbindingen te leggen in de vorm van Ecologische verbindingszones. Door deze verbindingen tussen natuurgebieden kunnen dieren van het ene gebied naar het andere foerageren. De concrete ambities van de provincie Noord-Brabant staan in het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2016. De begrenzing van het netwerk is daarnaast ook opgenomen in de Iov. Het NNB kent geen specifiek beschermingsregime, anders dan via het ruimtelijke spoor. Conform de kaart ‘Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden’ van de Iov is binnen het plangebied geen NNB aanwezig, zie Afbeelding 11. De beoogde ontwikkelingen hebben daarom geen invloed op de concrete ambities uit het Natuurbeheerplan 2016. Daarbij wordt opgemerkt dat door de aanleg van de zorgvuldige landschappelijke inpassing de ecologische waarden in de omgeving versterkt zullen worden.

Bestemmingsplan Hooiberg 3 te Castelre

29

Afbeelding 11: Kaart Natuur Netwerk Brabant Iov, locatie bij de rode plus

4.3.2

Wet natuurbescherming

In de Wet natuurbescherming zijn regels gesteld met betrekking tot gebiedsbescherming, soortenbescherming en bescherming van houtopstanden. In deze paragraaf wordt getoetst of de ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk liggende bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is al beschermd in het Barro en provinciale verordening. In Nederland zijn 164 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Regte Heide en Riels laag en Ulvenhoutse Bos. De provincie Noord-Brabant heeft geen bijzondere provinciale natuurgebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning in het kader van Wet Natuurbescherming (Wnb) wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000beheerplannen.

Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden.

Bestemmingsplan Hooiberg 3 te Castelre

30

Het dichtstbij liggende Belgische Natura 2000-gebied betreft Heesbossen, Vallei van Marke en Merkske en Ringven met valleigronden langs de Heerlese Loop, dat op een afstand van 2,5 kilometer ligt. Het dichtstbij liggende Nederlandse Natura 2000-gebied betreft Ulvenhoutse Bos, dat op een afstand van circa 14 kilometer ligt. De uitbreiding van de veehouderij kan negatieve effecten hebben op de Natura 2000-gebieden. Er zijn verschillende factoren die kunnen leiden tot de verstoring van beschermde vogel- en habitattypen en soorten. Vooral de storingsfactoren verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht zijn van toepassing bij de ontwikkeling van veehouderijen. Daarnaast kunnen andere factoren eveneens leiden tot een verstoring van habitattypen en soorten, indien een ontwikkeling op korte afstand van een gebied plaatsvindt.

Verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht

Middels het rekenprogramma AERIUS kan de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden worden berekend. Hiermee wordt het effect op verzuring en vermesting in beeld gebracht. Wanneer met het rekenprogramma AERIUS kan worden aangetoond dat een initiatief geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft, kan de ontwikkeling doorgang vinden. Indien er wel sprake is van een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden moet onderbouwd worden hoe deze toename in depositie ongedaan wordt gemaakt (door het treffen van maatregelen of extern salderen). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit heeft op 17 juni 2020 een Kamerbrief gepubliceerd waarin een aantal aanvullende stappen staan die het kabinet zal nemen naar aanleiding van het advies van de Commissie Remkes. Deze publicatie is opgesteld in aanloop naar het Kamerdebat over het eindadvies voor de structurele aanpak van de stikstofproblematiek ‘Niet alles kan overal’. In deze publicatie heeft het kabinet als doelstelling gesteld om tijdelijke emissies gedurende de realisatiefase van kleinschalige projecten niet langer te onderwerpen aan gedetailleerde depositieberekeningen. Hiervoor zal onderzoek worden gedaan naar de mogelijkheid om een drempelwaarde voor de realisatiefase van projecten in te stellen.

In het kader van deze doelstelling is geen AERIUS-berekening gemaakt van de tijdelijke emissies tijdens de realisatiefase van het initiatief. Het bedrijf is in het bezit van een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming d.d. 3 mei 2016. Deze vergunning is van rechtswege per 01-01-2017 is overgaan in een vergunning als bedoeld in artikel 2.7 lid 2 van de Wet natuurbescherming. Daar dit de bestaande, planologisch legale situatie direct voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan betreft geldt die vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming als uitgangssituatie. Om aan te tonen dat er als gevolg van de beoogde ontwikkeling geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden plaatsvindt zijn middels het rekenprogramma AERIUS berekeningen gemaakt voor de realisatie- en gebruiksfase van het initiatief. De uitgangspunten voor deze berekeningen zijn uiteengezet in Bijlage 6. In Bijlage 7 en 8 zijn de rekenresultaten van deze berekeningen opgenomen. Hieruit blijkt dat de stikstofdepositie in zowel de realisatie- als de gebruiksfase van het plan niet groter is dan 0,00 mol/ha/jaar. Het aspect stikstofdepositie vormt derhalve geen belemmering voor vaststelling en uitvoering van het plan.

Overige storingsfactoren

Vanwege de ruime afstand van het plangebied tot de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Ulvenhoutse Bos (NL) en Heesbossen, Vallei van Marke en Merkske en Ringven met valleigronden langs de Heerlese Loop (BE) leidt het initiatief verder niet tot andere voorkomende storende factoren op omliggende Natura 2000-gebieden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling.

Bestemmingsplan Hooiberg 3 te Castelre

31

Conclusie Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Er is derhalve op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van gebiedsbescherming noodzakelijk. Bescherming van soorten De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming.

Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in het plangebied voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: - Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); - Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); - Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Gelet op de aard van het initiatief aan de Hooiberg 3 te Castelre, dient met name bepaald te worden of ter plaatse van de nieuw te realiseren sleufsilo’s beschermde natuurwaarden voorkomen, die verstoord zouden kunnen worden.

Verboden handelingen dienen te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten is zonder ontheffing niet toegestaan. Door middel van de ‘Effectenindicator soorten’ van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is gekeken of de werkzaamheden voor het realiseren van de beoogde situatie een bedreiging vormt voor de beschermde diersoorten. Voor de realisatie is er sprake van de activiteiten ‘overig bouwwerk bouwen’ en ‘handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’. Uit de effectenindicator volgt dat de aanwezigheid van beschermde soorten onwaarschijnlijk is, zie onderstaande afbeeldingen. Hieruit kan geconcludeerd worden dat het aantreffen van beschermde natuurwaarden niet aan de orde is. De aanwezigheid van beschermde of bijzondere soorten is tevens niet te verwachten gezien het huidige intensieve gebruik van het bouwvlak, de aanwezige verharding en de landbouwgronden die zijn gelegen aan het bouwvlak. Er zijn derhalve geen beschikte biotopen aanwezig en het aantreffen van beschermde of bedreigde plantensoorten is daarmee uitgesloten.

Omdat groenstructuren, zoals bomen, struiken of kruidenrijke vegetaties en natuurlijke waterstructuren op de locatie van de beoogde sleufsilo’s en de uitbreiding van de rundveestal ontbreken, is het treffen van amfibieën, vissen, reptielen en broedvogels eveneens uitgesloten. Er zal tot slot geen bebouwing gesloopt worden wat kan leiden tot het verstoren van vaste verblijfsplaatsen

Bestemmingsplan Hooiberg 3 te Castelre

32

van beschermde soorten. Een omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van soorten is op grond van de Wet natuurbescherming derhalve niet noodzakelijk.

Bestemmingsplan Hooiberg 3 te Castelre

33

Afbeelding 12: Conclusie ‘Effectenindicator soorten’

Bescherming van houtopstanden De bescherming van houtopstanden zoals die is vastgelegd in de Wnb vloeit voort uit de voormalige Boswet. Voorwaarden zijn gericht op de instandhouding van het bosareaal. Bij houtopstanden groter dan 10 are of 20 rijbomen en gelegen buiten de bebouwde kom geldt een meldplicht, herplantplicht en mogelijke oplegging van een kapverbod. Binnen het plangebied is hier geen sprake van. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van houtopstanden noodzakelijk is. 4.4 Ammoniak Ammoniak is een belangrijk milieuthema bij veehouderijen. De Wet ammoniak en veehouderij (Wav) is het toetsingskader voor ammoniakemissies van veehouderijen. In de Wav zijn regels gesteld voor het oprichten en uitbreiden van veehouderijen die in of op minder dan 250 meter van een (zeer) kwetsbaar bos- of natuurgebied liggen. Deze bedrijven mogen hun bedrijf slechts uitbreiden indien de ammoniakemissie na uitbreiding niet hoger is dan het gecorrigeerde emissieplafond. Wanneer de ammoniakemissie op grond van de geldende vergunning lager is dan het gecorrigeerd emissieplafond, mag de ammoniakemissie na uitbreiding niet hoger zijn dan de vergunde ammoniakemissie. Er is te zien dat het bedrijf buiten een zone van 250 meter van een zeer kwetsbaar gebied ligt.

In het kader van de Wet ammoniak en veehouderij kan het bedrijf uitbreiden in ammoniak. De beoogde ontwikkeling betreft echter geen toename in de ammoniakemissie, omdat de dieraantallen gelijk blijven ten opzichte van de vergunde situatie.

Bestemmingsplan Hooiberg 3 te Castelre

34

Afbeelding 13: Kaart Wav-gebieden, locatie met rode pijl aangeduid

4.5 Bodemkwaliteit De aanleg van sleufsilo’s ten behoeve van de opslag van ruwvoer kan als bodembedreigende activiteit worden aangemerkt. In het Activiteitenbesluit zijn regels opgenomen voor de bescherming van de bodemkwaliteit. Alle sleufsilo’s worden aangesloten op een reeds bestaande percolaatopvangput. Middels het treffen van deze technische maatregel en voorziening is er sprake van een verwaarloosbaar risico op bodemverontreiniging. Overige wijzigingen ten opzichte van bodembedreigende activiteiten vinden binnen de bedrijfslocatie niet plaats. Voor de bouw van extra sleufsilo’s en een deel van een stal is geen bodemonderzoek nodig. Ten aanzien van het aspect bodem zijn er derhalve geen bezwaren voor de gewenste ontwikkeling. 4.6 Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie Voorafgaand aan de realisatie van de beoogde bedrijfsopzet moet onderzocht worden of er sprake is van aantasting van archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden.

Bestemmingsplan Hooiberg 3 te Castelre

35

4.6.1

Aardkunde

Aardkundige waarden zijn onderdelen van het landschap die iets vertellen over de oorsprong van het gebied. Het landschap in Noord-Brabant is honderden tot honderdduizenden of zelfs miljoenen jaren terug ontstaan. Deze dekzandruggen, stuifduinen en meanderende beeklopen zijn gezichtsbepalend voor het Brabants landschap. De provincie wil deze onvervangbare gebieden behouden vanwege de ecologische en cultuurhistorische betekenis. Daarom nam de provincie gebieden van provinciale of nationale betekenis op in haar structuurvisie ruimtelijke ordening. In de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is extra ruimtelijke bescherming voor het beheer en behoud van die gebieden geregeld. De Provincie heeft de 'Aardkundig waardevolle gebiedenkaart Noord-Brabant’ ontwikkeld, welke is opgenomen in de verbeelding van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. De kaart geeft aan op welke gebieden de bestaande beleidsregels betrekking hebben en welke waarden gelden. Het plangebied is niet gelegen in een aardkundig waardevol gebied, zie Afbeelding 14. Er worden derhalve geen aardkundige waarden aangetast met de beoogde ontwikkeling.

Afbeelding 14: Uitsnede aardkundig waardevolle gebiedenkaart

Bestemmingsplan Hooiberg 3 te Castelre

36

4.6.2

Cultuurhistorie

De cultuurhistorie binnen het plangebied wordt beschouwd aan de hand van het wettelijk toetsingskader en het daaruit volgende provinciaal beleid. Wettelijk toetsingskader Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Op 5 juli 2011 is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2012 moet ieder nieuw bestemmingplan een analyse van cultuurhistorische waarden bevatten. In aansluiting op de vaststelling van de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in mei 2011 zijn op 17 juni 2011 het Bro, het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz) aangepast. Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van plannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een plan moet voldoen.

Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De wetgever wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. In de toelichting van een plan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het plan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historisch (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De Erfgoedwet, van kracht sinds 1 juli 2016, bundelt wet- en regelgeving op het gebied van behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland in één nieuwe wet. Een groot deel van de bestaande wet- en regelgeving (Monumentenwet, Wet ruimtelijke ordening) is overgenomen in de Erfgoedwet, bijvoorbeeld de aanwijzing van rijksmonumenten, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend.

Voor het eerst is er nu één integrale wet die betrekking heeft op onze museale objecten, musea, monumenten en archeologie op het land en onder water. Voorheen was het behoud en beheer van ons erfgoed geregeld in zes verschillende wetten met elk hun eigen procedures en beschermingsmaatregelen. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Daarnaast worden aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Samen met de Omgevingswet die naar verwachting in 2019 wordt ingevoerd, wordt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Provinciaal beleid De provincie Noord-Brabant ziet het ruimtelijke erfgoed als een belangrijk onderdeel van haar identiteit en wil het een plaats geven in de verdere ontwikkeling van Brabant. Het Brabantse erfgoed is daarom opgenomen op de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Prominent onderdeel van deze kaart is het provinciaal cultuurhistorisch belang, met name erfgoed dat van belang is voor de regionale identiteit. Het provinciaal belang is beperkt tot het landelijk gebied, waar de provincie haar belangrijkste taak heeft. De kaartlagen ‘cultuurhistorische vlakken’ en ‘complexen van cultuurhistorisch belang’ zijn dan ook overgenomen in de Interim omgevingsverordening Noord- Brabant.

Uit de cultuurhistoriekaart van de provinciale Interim omgevingsverordening Noord-Brabant blijkt dat het plangebied is gelegen in een gebied met cultuurhistorische waarden, zie Afbeelding 15. Het plangebied is niet gelegen een aardkundig waardevol gebied of een complex van cultuurhistorisch belang.

Bestemmingsplan Hooiberg 3 te Castelre

37

Afbeelding 15: Uitsnede kaart Aardkundige-, cultuurhistorische- en landschappelijke waarden

Gronden die zijn gelegen in een Cultuurhistorisch waardevol gebied strekken tot behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden en kenmerken zoals beschreven op de CHW. De CHW bevat tevens de meest recente erfgoedinformatie van het Rijk inclusief archeologische en bouwkundige monumenten, archeologische verwachtingswaarden en beschermde stads- en dorpsgezichten. Uit de Cultuurhistorische Waardenkaart blijkt dat het plangebied is gelegen in het cultuurhistorisch landschap ‘Baronie’ en ‘Castelre’ en het cultuurhistorisch waardevol gebied ‘Akkercomplex Castelre’. Daarnaast is tussen de (beoogde) sleufsilo’s een historisch geografische lijn opgenomen. De locatie is tot slot gelegen binnen de aanduiding Indicatieve Archeologie waarden (Erfgoedinformatie van het Rijk) is opgenomen voor een grote trefkans van archeologische waarden. Het aspect archeologie wordt verder beschreven in navolgende paragraaf.

Bestemmingsplan Hooiberg 3 te Castelre

38

Afbeelding 16: Uitsnede CHW-viewer Noord-Brabant, plangebied zwart omcirkeld

Het landschap van Castelre is van cultuurhistorisch belang, omdat het een van de best bewaard gebleven agrarische ensembles van Noord-Brabant is door de samenhang van de nederzetting Castelre, het akkercomplex van Castelre, de voormalige Castelreesche Heide, de beekdalen en de meanderende beken. Belangrijke waarden en kenmerken zijn de zichtrelatie vanaf het open akkercomplex met de in België gelegen dorpen Hoogstraten en Minderhout, de bebouwingsstructuur met historische boerderijen, de zandpaden, de steilranden, de openheid en de groenstructuren. De strategie voor het cultuurhistorisch waardevol gebied is dan ook: - in stand houden, versterken en herstellen van de verschillende componenten; - het behouden van de vele historische zandpaden en wegen; - de economische dragers afstemmen op de cultuurhistorische identiteit van Castelre; - eisen stellen aan de architectuur van de gebouwen; - het vergroten van de cultuurhistorische waardering door vergroting van de beleving. De beoogde ontwikkeling betreft niet de bouw van nieuwe gebouwen en het historische zandpad zal behouden blijven. De beoogde sleufsilo’s zullen zorgvuldig landschappelijk ingepast, zodat de sleufsilo’s aan het zicht worden onttrokken en dat er een zachte overgang naar het achterliggende landschap ontstaat. De cultuurhistorische identiteit zal derhalve niet aangetast worden.

Verder is de locatie gelegen in de regio De Baronie. De Baronie is onderdeel van het dekzandplateau dat doorsneden wordt door beken. Het zandlandschap bestaat uit een grofmazige mozaïek van oude en jonge zandontginningen en bossen. Kenmerkend voor de oude zandontginningen zijn dorpen en buurtschappen zonder open akkercomplexen en bijhorende groenstructuren. Op enkele plaatsen komen open akkercomplexen voor. De bebouwing en de akkers liggen vaak op de rand van de beekdalen, de graslanden (beemden) in het beekdal en de (voormalige) heidevelden op de hogere zandgronden. De jongere ontginningen hebben vaak een open karakter met een rationeel patroon van wegen, waterlopen en percelen. De openheid wordt onderbroken door erfbeplanting en wegbeplanting. De omgeving van de locatie wordt gekenmerkt door het open akkercomplex. Hier is in het landschappelijk inpassingsplan bij aangesloten door de aanleg van beplanting op de

Bestemmingsplan Hooiberg 3 te Castelre

39

perceelgrenzen. Hierdoor wordt openheid van het landschap geaccentueerd. De beoogde bedrijfsontwikkeling sluit daarmee aan bij de ontwikkelingsstrategie van de regio De Baronie. De weg tussen de sleufsilo’s is aangewezen als historisch geografische lijn van hoge waarde. Het plangebied wordt zorgvuldig landschappelijk ingepast, zodat de sleufsilo’s aan het zicht worden onttrokken en dat er een zachte overgang naar het achterliggende landschap ontstaat. Het initiatief heeft dus geen negatief effect op de historisch geografische waarde.

4.6.3

Archeologie

Voor archeologie geldt de nationale wetgeving die afkomstig is uit Europees beleid. Het Verdrag van Valletta (of wel: 'Verdrag van Malta') regelt hoe er omgegaan moet worden met het Europees archeologisch erfgoed. Nederland heeft het verdrag in 1992 mede ondertekend. De uitgangspunten van dit Europese verdrag zijn in de Nederlandse wet- en regelgeving verankerd door middel van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). De Wamz is in werking getreden op 1 september 2007 en wijzigt hiermee de Monumentenwet uit 1988, de Ontgrondingenwet (Ow), de Wet milieubeheer (Wm), de Woningwet (Ww) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Sinds de invoering van deze wet zijn gemeenten belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Vanaf 1 juli 2016 is dit op dezelfde wijze als via de Wamz verwerkt in de Erfgoedwet en in de toekomst zal dit verwerkt worden in de Omgevingswet. Tot de Omgevingswet ingaat gelden voor onderdelen, die gaan over de fysieke leefomgeving, de bepalingen uit de Monumentenwet. Dit is opgenomen in de overgangsregeling van de Erfgoedwet. Het uitgangspunt is dat er verplicht rekening gehouden moet worden met het behoud van het archeologisch erfgoed in de bodem. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden door middel van archeologisch onderzoek.

Bij het ontwikkelen van ruimtelijke plannen moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Het beleid van de gemeente Baarle-Nassau ten aanzien van archeologie is vervat in de ‘Nota Archeologie’, aldus vastgesteld in december 2011. In combinatie met de archeologische beleidskaart vormt deze het beleidsinstrumentarium voor de gemeente om haar wettelijke taak als bevoegde overheid voor archeologie uit te kunnen voeren. In Afbeelding 17 is een uitsnede van deze archeologische beleidskaart opgenomen ter plaatse van het plangebied. De gronden ter plaatse van het plangebied vallen voornamelijk binnen de historische kern en de randzone van de historische kern. De nieuwe sleufsilo’s en de uitbreiding van de rundveelstal komen in de rand van de historische kern en binnen ‘Archeologische verwachting hoog: laag jv, hoog lb’. Deze eenheden hebben een archeologische verwachtingswaarde van categorie 3. De historische kern heeft een archeologische verwachtingswaarde van categorie 2. Op de verbeelding zijn de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 2’ en ‘Waarde - Archeologie 3’ opgenomen. De (gewijzigde) sleufsilo’s zullen niet dieper dan 40 centimeter onder maaiveld worden aangelegd, waardoor de beoogde sleufsilo’s mogelijk aanwezige archeologische waarden niet zullen aantasten.

De uitbreiding van de rundveestal en de landschappelijke inpassing zullen tevens mogelijke archeologische waarden niet aantasten. In het verleden zijn deze gronden in gebruik geweest als landbouwgrond, waardoor ze ernstig verstoord zijn door de toepassing van diverse landbouwwerkzaamheden, zoals diepploegen en – woelen. De gronden rondom de rundveestal zijn bovendien tevens verstoord geweest tijdens de bouw van de stal. Derhalve is een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. Bovendien is het op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet verplicht om een toevalsvondst aan het bevoegd gezag te melden, mocht hier toch nog sprake van zijn. Er zal derhalve geen sprake zijn van het aantasten van mogelijk aanwezige archeologische waarden en door de opname van de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 2’ en ‘Waarde – Archeologie 3’ worden archeologische waarden bij toekomstige activiteiten of werkzaamheden niet aangetast. Ten aanzien van het aspect archeologie zijn er derhalve geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkelingen binnen het plangebied.

Bestemmingsplan Hooiberg 3 te Castelre

40

Afbeelding 17: Uitsnede archeologische beleidskaart Baarle-Nassau

4.7 Bedrijven en milieuzonering De handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (editie 2009) is een publicatie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en dient als hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het waar nodig ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: ▪ Het al in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; ▪ Aan bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. De VNG-publicatie is een hulpmiddel om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen concreet in te vullen. Gemeenten beslissen uiteindelijk zelf over een bepaalde locatie. De handreiking geeft informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten (geur, stof, geluid en veiligheid) en bijbehorende richtafstanden van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit. Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen: ▪ Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype) die is ingericht volgens het principe van functiescheiding.

Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer. ▪ Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Ook gebieden die direct naast de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. Hier zijn dan ook kleinere richtafstanden te rechtvaardigen (behalve voor het aspect veiligheid). De planlocatie ligt conform de definitie in de VNG-publicatie in het omgevingstype ‘rustig buitengebied’. In de directe omgeving vindt geringe functiemenging plaats. Tevens is er weinig verstoring door verkeer. Qua aanvaardbare milieubelasting is dit omgevingstype dus vergelijkbaar met een rustige woonwijk.

Bestemmingsplan Hooiberg 3 te Castelre

41

Wat betreft veehouderijen wordt in de volgende paragraaf getoetst aan de wetgeving die specifiek van toepassing is voor veehouderijen met betrekking tot het aspect geur. Een rundveebedrijf behoort tot milieucategorie 3.2. Voor een bedrijf uit deze milieucategorie, liggend in rustig gebied, is de richtafstand 30 meter voor de aspecten stof en geluid. De woning aan de Hooiberg 5 is op een afstand van meer dan 30 meter van het bouwvlak gelegen. De woningen aan de Hooiberg 8 en 10 zijn wel binnen een afstand van 30 meter gelegen, maar dit was in de bestaande situatie ook al het geval. Het initiatief heeft geen toename van het aantal transportbewegingen tot gevolg. Met de beoogde extra sleufsilo’s zullen het aantal verkeersbewegingen naar waarschijnlijkheid zelfs afnemen. Door de grotere opslagcapaciteit op de bedrijfslocatie zullen minder verkeersbewegingen van en naar het bedrijf komen ten behoeve van het afleveren van voer. Het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen aan de Hooiberg 8 en 10 zal dus niet verslechteren. Daarnaast zijn de woningen op een afstand van meer dan 50 meter van het dichtstbij gelegen bedrijfsgebouw gelegen. Er wordt dus voldaan aan een verantwoorde afstand tussen de bedrijvigheid en omliggende woningen.

4.8 Geur De Wet geurhinder en veehouderij betreft een wet waarmee de nationale regels betreffende geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld staan. Voor kleinere bedrijven zijn deze regels opgenomen in het Activiteitenbesluit. De wetgeving heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting door het opnemen van geurnormen of vaste afstanden. Met deze opgenomen normen moet rekening gehouden worden bij beslissingen in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. In het Activiteitenbesluit zijn ten aanzien van het aspect geur voor sleufsilo’s vaste afstanden tot een geurgevoelig object opgenomen. Conform artikel 3.46 lid 4 dient de afstand van de sleufsilo’s voor het opslaan van kuilvoer minimaal 25 meter tot een geurgevoelig object te bedragen. Het dichtstbijzijnde geurgevoelige object ligt buiten de bebouwde kom aan de Hooiberg 5. De beoogde sleufsilo’s komen op een afstand van circa 100 meter van de geurgevoelige object te liggen. Het nieuwe bouwvlak of het nieuwe differentiatievlak maakt het ook niet mogelijk om op kortere afstand van de geurgevoelige objecten voorzieningen of gebouwen toe te staan. Tot slot zal het aantal te houden dieren in de beoogde situatie niet wijzigen ten opzichte van de vergunde situatie.

Hiermee wordt voor de beoogde ontwikkeling voldaan aan de vaste afstand zoals gesteld in het Activiteitenbesluit. 4.9 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn geïmplementeerd op het gebied van grenswaarden voor diverse stoffen. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico's van luchtverontreiniging. Voor de kwaliteit van de buitenlucht zijn in bijlage 2 bij de Wm bepaalde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht opgenomen. Deze milieukwaliteitseisen betreffen grenswaarden van concentraties voor zwaveldioxide, stikstofoxiden (NO x als NO2) zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5), lood, koolmonoxide en benzeen. Met de aanleg van de sleufsilo’s zou enkel de emissie van NO 2 mogelijk bepalend kunnen zijn voor de luchtkwaliteit in de omgeving. Deze stof komt vrij bij verbrandingsmotoren van tractoren dan wel loaders bij het inkuilen en uithalen ruwvoer. De norm voor het jaargemiddelde bedraagt 40-60 μg/m³. Op het bedrijf veroorzaken mobiele bronnen een zéér beperkte emissie NO 2. Gezien de beperkte emissie en de lage achtergrondconcentratie ter plaatse (13,65 μg/m³) zijn ten aanzien van NO2 met zekerheid geen problemen voor de luchtkwaliteit te verwachten, zie Afbeelding 18.

Bestemmingsplan Hooiberg 3 te Castelre

42

Afbeelding 18: Uitsnede GCN en GDN kaart NO2, plangebied zwart omcirkeld

Emissies van overige stoffen, waaraan volgens de Wet Luchtkwaliteit getoetst moet worden, zijn verwaarloosbaar en leiden niet tot overschrijdingen van de grenswaarden zoals opgenomen in de Wet. De emissies van de overige stoffen zullen niet veranderen, omdat de dieraantallen in de beoogde situatie gelijk blijven. Ten aanzien van luchtkwaliteit zijn er derhalve geen bezwaren ten aanzien van de gewenste ontwikkeling. 4.10 Geluid De Wet geluidhinder is sinds 1979 het juridisch kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. Deze wet zorgt voor de bescherming van geluidsgevoelige bestemmingen tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai. Hierbij wordt o.a. gebruik gemaakt van zonering en geluidsnormen. De geluidsproductie van een melkveehouderij is in hoofdzaak afkomstig van transportbewegingen, het laden en lossen en overige motoren binnen de inrichting. In de Wet geluidhinder is bepaald dat voor locaties in het bestemmingsplan waar woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen kunnen worden gerealiseerd, de geluidbelasting moet worden onderzocht binnen de zones behorende bij verkeersbewegingen, spoorwegen en industrieterreinen. In de beoogde situatie is geen sprake van een nieuwe geluidgevoelige bestemming, het betreft namelijk de aanleg van nieuwe sleufsilo’s.

In de inrichting vinden wel (nieuwe) activiteiten plaats die een geluidsuitstraling hebben naar de omgeving. Het gaat daarbij om het vullen en uithalen van de sleufsilo’s. Deze activiteiten vinden plaats op het buitenterrein van de inrichting. De activiteiten die op het buitenterrein plaatsvinden, betreffen het rijden over het terrein met landbouwwerktuigen (tractoren, loaders, e.d.) en de laad- en losactiviteiten van vrachtwagens en

Bestemmingsplan Hooiberg 3 te Castelre

43

tractoren. De eventuele geluidbelasting als gevolg van de bedrijfsvoering is laag en de activiteiten vinden nabij de stallen plaats. Daarnaast vindt het inkuilen slechts incidenteel plaats, namelijk alleen tijdens de oogstperiode. Voor het overige vinden alleen dagelijks korte perioden vervoersbewegingen plaats voor het uithalen van voer. De vervoersbewegingen van en naar het bedrijf zullen door de toename in opslagcapaciteit zelfs afnemen, omdat meer voer op het eigen terrein opgeslagen kan worden. Gezien het beperkte aantal akoestisch relevante activiteiten zijn er geen nadelige gevolgen te verwachten. 4.11 Verkeer Binnen het plangebied dient een adequate afwikkeling van personen- en goederenvervoer verzekerd te zijn, waaronder een goede aansluiting op de aanwezige infrastructuur van weg, water of spoor. Het initiatief heeft geen toename van het aantal transportbewegingen tot gevolg. Met de beoogde extra sleufsilo’s zullen het aantal verkeersbewegingen naar waarschijnlijkheid zelfs afnemen. Door de grotere opslagcapaciteit op de bedrijfslocatie zullen minder verkeersbewegingen van en naar het bedrijf komen ten behoeve van het afleveren van voer. Er zijn derhalve geen negatieve effecten en belemmeringen te verwachten omtrent de afwikkeling van personen- en goederenvervoer.

4.12 Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen). Externe veiligheid gaat nadrukkelijk niet over de veiligheid van de mensen die werkzaam zijn binnen het bedrijf of binnen een risicogebied van een transportroute.

4.12.1 Regelgeving

De regelgeving rondom externe veiligheid is opgenomen in diverse besluiten en regelingen. Besluiten en regelingen, waarin de aanvaardbare risico’s zijn vastgelegd, zijn: - Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) - Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) - Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) De normen in de besluiten zijn vastgelegd in de vorm van grenswaarden en richtwaarden. De grenswaarden geven de milieukwaliteit aan die op een bepaald tijdstip ten minste moet zijn bereikt, en die, waar zij aanwezig is, ten minste in stand moet worden gehouden. De richtwaarden geven de kwaliteit aan die op een bepaald tijdstip zoveel mogelijk moet zijn bereikt en die, waar zij aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden.

4.12.2 Toetsing aan beleid

Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen waar (beperkt) kwetsbare objecten mogelijk worden gemaakt moeten worden getoetst aan normen vermeld in bovengenoemde regelgeving. Een ontwikkeling is niet toegestaan indien deze leidt tot een overschrijding van de grenswaarden. Van de richtwaarden kan gemotiveerd worden afgeweken. Met het initiatief wordt geen nieuw (beperkt) kwetsbaar object opgericht. Uit Afbeelding 19 volgt dat er in de omgeving van het plangebied bovendien geen relevante risicovolle inrichting, transportroutes of buisleidingen zijn gelegen. Verdere toetsing aan de regelgeving ten aanzien van externe veiligheid is derhalve niet noodzakelijk.

Bestemmingsplan Hooiberg 3 te Castelre

44

Afbeelding 19: Uitsnede risicokaart Nederland

4.13 Technische infrastructuur In of nabij het plangebied liggen geen planologisch relevante buisleidingen en lopen tevens geen relevante straalpaden (zoals te zien op de risicokaart in Afbeelding 19). Voor de sleufsilo’s zal slechts gegraven worden tot een diepte van 30 cm onder maaiveld. Derhalve is een KLIC-melding niet noodzakelijk. 4.14 Volksgezondheid Wat betreft volksgezondheid geldt dat gezondheidsrisico’s een optelsom zijn van blootstelling, gevaar en impact. Bij blootstelling wordt er gekeken hoeveel ziekteverwekkers een persoon binnen moet krijgen om geïnfecteerd te raken of ziek te worden. Gevaren zijn er in diverse vormen, zoals biologisch (bijv. ziekteverwekkende bacteriën), chemisch (bijv. diergeneesmiddelen of bestrijdingsmiddelen) of fysisch (zoals elektriciteit of ter plaatse gewond raken). Impact staat voor de grootte van het effect dat veroorzaakt wordt. Iedere veehouderij moet voldoen aan diverse wet- en regelgeving voor diverse milieuaspecten, zoals ammoniakuitstoot, geur, fijnstof, aanwezigheid en gebruik van gevaarlijke stoffen, aan- en afvoer van meststoffen, geluid, brandveiligheid, etc. Indien een veehouderij niet voldoet, zal een vergunning dus

Bestemmingsplan Hooiberg 3 te Castelre

45

niet verleend worden. Er mag vanuit worden gegaan dat de grenswaarden die in de wet zijn opgenomen de volksgezondheid in voldoende mate beschermen. Bij naleving van de milieuwetgeving, het volledig benutten van de technische mogelijkheden en het management van de hygiënebarrière worden de volksgezondheidsrisico’s bij het initiatief tot een minimum beperkt. Er zijn al diverse onderzoeken uitgevoerd naar de mogelijke relatie tussen (intensieve) veehouderij en volksgezondheid. De laatste onderzoeken dateren van 16 juni 2017 en 1 september 2018 en zijn vervolgonderzoeken op het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO), dat op 7 juli 2016 is gepubliceerd. Voor melkveehouderijen zijn de effecten op de volksgezondheid naar de omgeving zeer beperkt gebleken vanwege de beperkte emissies van met name fijnstof. Vooralsnog wordt er bij melkveehouderijen daarom getoetst aan de wettelijke grenswaarden voor diverse stoffen, zoals geur en fijnstof. Daar deze grenswaarden nationaal zijn vastgesteld en de beoogde bedrijfsopzet hieraan voldoet, mag er vanuit worden gegaan dat deze waarden de volksgezondheid afdoende beschermen. Daarnaast betreft de beoogde ontwikkeling geen uitbreiding in het aantal te houden dieren. Er worden slechts extra sleufsilo’s mogelijk gemaakt.

De afstand van de sleufsilo’s tot woningen in de omgeving is voldoende groot om het risico naar de omgeving te beperken.

Bestemmingsplan Hooiberg 3 te Castelre

46

5. Juridische planbeschrijving In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de juridische regeling van dit bestemmingsplan. 5.1 Juridische achtergrond De Wet ruimtelijke ordening (Wro) verplicht gemeenten bestemmingsplannen op te stellen. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan (ook: wijzigingsplan) in ieder geval moet bestaan. Het gaat om een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Daarnaast biedt zowel de Wro als het Bro opties voor een nadere juridische inrichting van een bestemmingsplan. Hierbij moet worden gedacht aan de toepassing van afwijkingsmogelijkheden en wijzigingsbevoegdheden en het toepassen van nadere eisen. Het juridisch bindende onderdeel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen betreffende de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels evenals de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het bestemmingsplan. Bij bestemmingsplannen gaat het om de belangen van burgers en bedrijven.

Zij dienen zich snel en op eenvoudige wijze een juist beeld te kunnen vormen van de planologische mogelijkheden en beperkingen op één of meerdere locatie(s). Daarnaast is de vergelijkbaarheid van ruimtelijke plannen van belang voor degenen die deze plannen in grotere samenhang wensen te bezien. Hierbij kan gedacht worden aan degenen die betrokken zijn bij de planvoorbereiding, de planbeoordeling en het monitoren van beleid. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zo ook voor de regels. Voor bestemmingsplannen, zoals dit plan, is het verplicht de regels van de SVBP te volgen. 5.2 Toelichting verbeelding Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangewezen en begrensd. Op de verbeelding zijn de volgende bestemmingen en aanduidingen opgenomen: ▪ Enkelbestemming: Agrarisch – Agrarisch bedrijf; ▪ Enkelbestemming: Groen – Landschappelijke inpassing; ▪ Dubbelbestemming: Waarde – Archeologie 2; ▪ Dubbelbestemming: Waarde – Archeologie 3; ▪ Bouwvlak; ▪ Functieaanduiding: specifieke vorm van agrarisch – differentiatievlak voeropslag; ▪ Gebiedsaanduiding: overige zone – cultuurhistorisch vlak.

Voor de benaming van de bestemmingen en aanduidingen is aangesloten bij het ‘Bestemmingsplan Buitengebied 2008’. Voor het overige wordt aangesloten bij het SVBP. Het agrarische bouwvlak is op de verbeelding van vorm veranderd en gewijzigd van 1,59 naar 1,48 hectare. Er is een differentiatievlak van 0,5 hectare opgenomen ten behoeve van de voeropslag. Bovendien is de landschappelijke inpassing vastgelegd met de bestemming ‘Groen – Landschappelijke inpassing’. De gebiedsaanduiding ‘overige zone – cultuurhistorisch vlak’ is opgenomen om de waarden van het cultuurhistorisch waardevol gebied te borgen. 5.3 Toelichting regels De regels behorende bij dit bestemmingsplan bestaan uit inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en overgangs- en slotregels.

Bestemmingsplan Hooiberg 3 te Castelre

47

De regels bij dit bestemmingsplan worden gewijzigd ten opzichte van het geldende bestemmingsplan. Echter waar het mogelijk is wordt aangesloten bij de regels van het vigerende bestemmingsplan. De regels hebben betrekking op de in de verbeelding opgenomen bestemmingen en aanduidingen. Ter borging van de aanleg en instandhouding van het landschappelijk inpassingsplan is een voorwaardelijke gebruiksverplichting opgenomen in de regels. Hiervan kan alleen worden afgeweken mits er voldaan blijft worden aan het regionale afsprakenkader voor kwaliteitsverbetering van het landschap. Bovendien is geborgd dat het differentiatievlak uitsluitend gebruikt mag worden ten behoeve van voorzieningen voor de opslag van ruwvoer.

Bestemmingsplan Hooiberg 3 te Castelre

48

6. Uitvoerbaarheid In dit hoofdstuk wordt de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan uiteengezet. 6.1 Financiële uitvoerbaarheid De voorgestane ontwikkeling aan de Hooiberg 3 te Castelre betreft een particulier initiatief. De met de ontwikkeling gepaard gaande kosten worden dan ook gedragen door de desbetreffende particuliere initiatiefnemer. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente gegarandeerd. Dit plan heeft geen financiële consequenties voor de gemeente. Dit kan worden vastgelegd in een anterieure overeenkomst, waarbij de eventuele planschade voor rekening komt voor de initiatiefnemer. De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond. 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel aan te tonen dat het plan maatschappelijk draagvlak heeft. In dat kader is de gelegenheid tot inspraak geboden.

6.2.1

Vooroverleg en omgevingsdialoog

In het kader van artikel 3.1.1 Bro is overleg gevoerd over het voorontwerp bestemmingsplan met de gebruikelijke overlegpartners, Waterschap Brabantse Delta en provincie Noord-Brabant. Hier zijn enkele reacties op terug gekomen. Deze reacties zijn samengevat in de Nota vooroverleg reacties in bijlage 4. De opmerkingen zijn verwerkt in het bestemmingsplan. De gemeente Baarle-Nassau heeft de beleidsnota ‘Omgevingsdialoog bij ruimtelijke plannen’ opgesteld. Indien er sprake is van een bestemmingsplan verwacht de gemeente dat initiatiefnemer actief communiceert met omwonenden over de beoogde ontwikkeling. Een rapport over dit communicatietraject, inclusief hoe omgegaan wordt met gemaakte opmerkingen (indien van toepassing), dient overlegd te worden. Initiatiefnemer heeft een omgevingsdialoog gevoerd, het verslag hiervan is bijgevoegd in bijlage 5.

6.2.2

Zienswijzen en beroep

De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vindt plaats volgens artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening. Het ontwerp wordt in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode wordt een ieder in de gelegenheid gesteld zijn zienswijzen kenbaar te maken tegen het plan. De eventueel ingebrachte zienswijzen worden behandeld in de zienswijzenota. De eventuele wijzigingen t.o.v. het ontwerp zullen hierin worden verwoord. Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kan een ieder die tijdig een zienswijze kenbaar heeft gemaakt bij het ontwerp en belanghebbenden beroep instellen tegen het vaststellingsbesluit bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tevens kan er beroep worden ingesteld tegen de eventueel gewijzigde onderdelen. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking. Gezien een ieder de mogelijkheid heeft om te reageren op het bestemmingsplan door het kenbaar maken van zienswijzen, wordt na afloop van de hierboven beschreven procedure het plan als maatschappelijk uitvoerbaar beschouwd.

Bestemmingsplan Hooiberg 3 te Castelre

49

7. Bijlagen Bijlage 1: Plattegrondtekening bestaande en beoogde situatie Bijlage 2: Landschappelijk inpassingsplan Bijlage 3: Berekening opslagcapaciteit Bijlage 4: Nota vooroverleg reacties Bijlage 5: Verslag omgevingsdialoog Bijlage 6: Invoergegevens AERIUS Bijlage 7: Gebruiksfase AERIUS Bijlage 8: Bouwfase AERIUS Bijlage 9: Uitdraai BZV

Bestemmingsplan Hooiberg 3 te Castelre

50

Bestemmingsplan Hooiberg 3 te Castelre

51

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13144593/1