Bijlage 2 - Regionaal handelingsperspectief HvB
Tekst van het document
1
Regionaal handelingsperspectief woonwagen- en standplaatsenbeleid
21 juni 2022
1
Inhoudsopgave 1. 2. 3. 4. 5. 6.
Vooraf Bestuursopdracht Betrokkenen Proces Situatie in Hart van Brabant Afspraken A. Er komt een centraal regionaal inschrijfpunt voor standplaatszoekenden. B. Elke gemeente en corporatie hanteert het regionale toewijzingssysteem. C. Met behulp van het richtinggevende woonwensenonderzoek bepaalt elke gemeente zelf of, hoeveel, waar en wanneer er standplaatsen worden aangelegd. D. Er wordt een regionale klankbordgroep met woonwagenbewoners en standplaatszoekenden ingesteld. E. Jaarlijks wordt de stand van zaken rondom de implementatie van het woonwagenbeleid op bestuurlijk niveau gedeeld. F. Gemeenten bepalen zelf of en in hoeverre regelgeving omtrent veiligheid en integriteit ingezet wordt bij de nadere uitwerking van het beleidskader op lokaal niveau
Bijlagen 1. 2. 3. 4.
Aantal woonwagenstandplaatsen in Nederland (2021) Nadere uitwerking toewijzingssysteem standplaatsen Nadere analyse resultaten woonwensenonderzoek Toepassing Wet Bibob
2
1. Vooraf Het landelijk Beleidskader voor gemeentelijk woonwagen- en standplaatsenbeleid dat in de zomer van 2018 door BZK1 is uitgegeven, reikt gemeenten de kaders aan waarmee zij het lokale woonwagenbeleid binnen het mensenrechtelijke kader kunnen ontwikkelen. Het biedt bouwstenen die gemeenten kunnen gebruiken om invulling te geven aan het gemeentelijke huisvestingsbeleid voor woonwagenbewoners. Het Beleidskader komt er in de kern op neer dat gemeenten geen “uitsterfbeleid”2 meer mogen voeren ten aanzien van woonwagens en dat zij, indien in de gemeente geen woonwagencentrum (meer) aanwezig is, woonwagenvoorzieningen moeten faciliteren, wanneer daar behoefte aan is. Het Beleidskader is het antwoord op diverse Europese en internationale rechterlijke uitspraken, waarin is geoordeeld dat de rechten van woonwagenbewoners inzake huisvesting, door diverse gemeenten onvoldoende worden gerespecteerd en dat woonwagenbewoners in verband met deze rechten niet gelijk worden behandeld ten opzichte van niet-woonwagenbewoners3.
Ook de Nationale Ombudsman is in een rapport van 17 mei 2017 tot deze conclusie gekomen.4 Met het oog op deze uitspraken is het Beleidskader gestoeld op de volgende uitgangspunten: het beschermen van woonwagenbewoners tegen discriminatie, het waarborgen van hun mensenrechten en het bieden van rechtszekerheid en duidelijkheid.5 Dit betekent volgens het Beleidskader voor gemeenten concreet het volgende: - de gemeente stelt het beleid voor woonwagens en standplaatsen vast als onderdeel van het volkshuisvestingsbeleid; - het beleid dient voldoende rekening te houden met en ruimte te geven voor het woonwagenleven van woonwagenbewoners; - hiervoor is nodig dat de behoefte aan standplaatsen helder is; - corporaties voorzien in de huisvesting van woonwagenbewoners voor zover deze tot de doelgroep behoren; - de afbouw van standplaatsen is niet toegestaan (behoudens uitzonderlijke omstandigheden) zolang er behoefte is aan standplaatsen; - een woningzoekende woonwagenbewoner die dit wenst, heeft binnen een redelijke termijn kans op een standplaats. 1
De bovenstaande actiepunten worden in het Beleidskader beschouwd als een inspanningsverplichting. Binnen de grenzen van het Beleidskader wordt wél de gemeentelijke beleidsvrijheid gerespecteerd, om het woonwagenbeleid, met eerbiediging van de grond- en mensenrechten van woonwagenbewoners, op basis van de lokale behoefte te ontwikkelen.6
1 Beleidskader gemeentelijk woonwagen-en standplaatsenbeleid, 12 juli 2018 Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties 2 Het niet aanleggen van nieuwe standplaatsen wordt ook gezien als ‘uitsterfbeleid’ omdat de jongeren dan geen kans maken op een standplaats maar moeten wachten tot er iemand overlijdt. 3 Zie ook het Advies van het College voor de Rechten van de Mens aan BZK d.d. 28-03-2018 4 Nationale Ombudsman, Woonwagenbewoner zoekt standplaats: Een onderzoek naar de betrouwbaarheid van de overheid voor woonwagenbewoners, 17 mei 2017, Rapportnummer: 2017/060. 5 Beleidskader, p. 7 en 19. 6 Beleidskader, p. 13.
3
2. Bestuursopdracht In de regio Hart van Brabant hebben de gemeenten ervoor gekozen gezamenlijk een regionaal handelingsperspectief op te stellen. De gemeentelijke bestuurders hebben hiervoor een bestuursopdracht gegeven (december 2020). Hierin is aangegeven dat met het regionaal handelingsperspectief een basis gelegd wordt voor het uitvoeren van een behoefteonderzoek naar standplaatsen en een gedeelde werkwijze omtrent inschrijving en toewijzing. Het perspectief moet in ieder geval in gaan op: a) de huidige situatie in de verschillende gemeenten, b) een advies over het al dan niet gaan werken met een eenduidig, regionaal inschrijving-en toewijzingssysteem en eenduidige toewijzingsregels c) afstemming over definities (oa spijtoptant, woonwagenbewoner, redelijke wachttijden/slaagkansen) d) een afspraak over de wijze waarop de behoefte aan standplaatsen in beeld wordt gebracht e) regionale afstemming over de wijze waarop de wet Bibob ingezet kan worden. Het regionaal handelingsperspectief biedt (gezamenlijke) uitgangspunten voor verdere uitwerking.
4
3. Betrokkenen Bij het opstellen van het regionaal handelingsperspectief zijn acht gemeenten betrokken (Heusden is voor dit onderwerp aangesloten bij de regio NoordoostBrabant west), drie corporaties (Casade, Leystromen en Tiwos2), de provincie en de regionale eenheid Zeeland West-Brabant (in verband met de veiligheidsproblematiek). Er is een bestuurlijke klankbordgroep geformeerd waarvan de wethouder van de gemeente Hilvarenbeek de voorzitter is. Aan deze klankbordgroep nemen ook deel de wethouders van de gemeenten Gilze-Rijen, Loon op Zand en Tilburg, de bestuurders van Casade en Tiwos en de adviseur van de regioburgemeester eenheid Zeeland West-Brabant. Naast deze bestuurlijke klankbordgroep bestaat een werkgroep met ambtenaren van Hilvarenbeek, Loon op Zand, Oisterwijk, Waalwijk en Tilburg. De ambtenaren nemen ook deel aan de bestuurlijke klankbordgroep. De provincie begeleidt dit proces.
2
Deze corporaties hebben woonwagenstandplaatsen in deze regio.
5
4. Proces In het regionaal handelingsperspectief zijn afspraken opgenomen die de acht gemeenten met de drie corporaties willen maken. Hiermee worden stappen gezet om het Beleidskader te implementeren. In juni 2021 heeft een expertmeeting plaats gevonden waar het concept regionaal handelingsperspectief (work in progress 1 juni 2021) is gepresenteerd. De aanwezige bestuurders hebben toen aangegeven achter deze conceptafspraken te staan, maar dat er eerst een behoefteonderzoek uitgevoerd diende te worden voordat de afspraken definitief gemaakt worden. In het concept regionaal handelingsperspectief van 1 juni 2021 waren de volgende afspraken opgenomen: A. Er komt een centraal inschrijfpunt voor standplaatszoekenden. B. Het toewijzingsysteem voor een standplaats dient generiek te zijn. C. De regio voert gezamenlijk een behoefteonderzoek, specifiek gericht op woonwagenbewoners uit. D. De regio voert een objectieve verdeelsleutel in voor het aantal standplaatsen per gemeente. E. Elke gemeente hanteert dezelfde definities en omschrijvingen. F. De doelgroep wordt betrokken bij het beleid. G. Jaarlijks wordt de stand van zaken op bestuurlijk niveau gedeeld. H. Elke gemeente kan, indien mogelijk de wet Bibob inzetten.
Tussen 1 juni 2021 en nu is er bij verschillende concept-afspraken een nadere uitwerking gedaan. Dit leidt tot een nieuwe set van afspraken die de basis vormen voor het definitieve handelingsperspectief: A. Er komt een centraal regionaal inschrijfpunt voor standplaatszoekenden. B. Elke gemeente en corporatie hanteert het regionale toewijzingssysteem. C. Met behulp van het richtinggevende woonwensenonderzoek bepaalt elke gemeente zelf of, hoeveel, waar en wanneer er standplaatsen worden aangelegd. D. Er wordt een regionale klankbordgroep met woonwagenbewoners en standplaatszoekenden ingesteld. E. Jaarlijks wordt de stand van zaken rondom de implementatie van het woonwagenbeleid op bestuurlijk niveau gedeeld. F. Gemeenten bepalen zelf of en in hoeverre regelgeving omtrent veiligheid en integriteit ingezet wordt bij de nadere uitwerking van het beleidskader op lokaal niveau. In hoofdstuk 6 wordt per item een korte toelichting gegeven.
6
5. Situatie in Hart van Brabant In onderstaande tabel is per gemeente het aantal standplaatsen opgenomen. Deze zijn ook gerelateerd aan een aantal woningen in de betreffende gemeente. Tabel 1, aantal standplaatsen per 1 juni 2021 Aantal Aantal woningen Gemeente standplaatsen (CBS, 1-1-2021) Dongen 7 11.456 Gilze en 0 11.392 Rijen Goirle 6 10.423 Hilvarenbeek 4 6.865 Loon op 1 10.478 Zand Oisterwijk 4 11.718 Tilburg 68 101.883 Waalwijk 22 21.996 totaal 112 186.211
Aantal standplaatsen / 1000 woningen 0,61 = 0,6 0,00 = 0,0 0,58 = 0,6 0,58 = 0,6 0,10 = 0,1 0,34 = 0,3 0,67 = 0,7 1,00 = 1,0 0,60
In de regio Hart van Brabant zijn op dit moment gemiddeld 0,60 standplaatsen per 1.000 woningen. In de meeste gemeenten kunnen belangstellenden voor een standplaats zich inschrijven op een belangstellende lijst. In Loon op Zand houdt de gemeente deze zelf bij, in de andere gemeenten gaat dat via Nijbod. In Gilze Rijen kunnen mensen zich bij de gemeente melden. Op onderstaande kaart is de ligging van de woonwagenlocaties aangegeven.
7
Tabel 2, eigendom grond en woonwagens per woonwagenlocatie Aantal Naam standplaat Eigendom Gemeente woonwagenpark sen grond Dongen Kalmoestuin 7 Casade Gilze-Rijen 0 Goirle Hilvarenbeek Loon op Zand Oisterwijk Tilburg Tilburg
De Hemeltjes
6 3-4 1 3-4 5 4
Gemeente Gemeente Gemeente Leystromen Particulier/Tiwos Tiwos
Leystromen / particulier Bewoner Bewoner Leystromen Bewoner Bewoner
8 3 6
Particulier/Tiwos Tiwos Tiwos
Bewoner Bewoner Bewoner
6 4 4 6 10 8
Tiwos Tiwos Tiwos Tiwos Tiwos Tiwos
Bewoner Bewoner Bewoner Bewoner Bewoner Bewoner Tiwos (zijn feitelijk grondgebonden woningen)
Tilburg Tilburg Tilburg Tilburg Tilburg Tilburg
Capelsestraat t Brieltje Bloemisterijstraat Donkhof Kapitein Nemostraat Marjolein Marjoleinhof Reitse Hoevenstraat Rugdijk Sportweg Scherpenzeelerf Stappegoorweg Sweelincklaan
Tilburg Waalwijk Waalwijk Waalwijk
Wielingen Altenaweg Orteliuslaan Villa Gagel
4 6 6 5
Tiwos Gemeente Casade Casade
Waalwijk
Schoutstraat
5
Casade
Tilburg Tilburg Tilburg
Eigendom woonwagens Bewoner
Bewoner Bewoner Casade 3 van bewoner, 2 van Casade
Voor een overzicht van het aantal standplaatsen in Nederland en per provincie wordt verwezen naar de bijlage.
8
6. Afspraken
A. Er komt één centraal regionaal inschrijfpunt voor standplaatszoekenden De inschrijving voor woonwagenstandplaatsen wordt centraal georganiseerd, zodat de woonwagenbewoner met één inschrijving zijn of haar belangstelling kenbaar kan maken voor meerdere woonwagenlocaties én er regionaal een goed beeld ontstaat van de behoefte. Op deze manier wordt de inschrijving voor standplaatsen geüniformeerd en inzichtelijk gemaakt. Er wordt gestreefd naar één centraal inschrijfpunt voor alle huur (sociale en vrije sector) standplaatsen. De voorkeur gaat uit van een implementatie in Woning in Zicht. Op die manier is er sprake van zoveel als mogelijk uniformering. Een mogelijke implementatie is besproken met keyusers van Woning in Zicht. Er lijken geen principiële bezwaren te zijn, maar een aantal zaken behoeven nog nadere uitwerking en afstemming met de leverancier van de software. Na besluitvorming zal er een nadere uitwerking van dit punt plaatsvinden door de regionale werkgroep die zich bezig heeft gehouden met dit handelingsperspectief. Daarbij zal er ook gekeken worden welke afspraken nodig zijn ten aanzien van voorrangsregels, urgentie en het toepassen van een hardheidsclausule. Zodra de mogelijkheden en consequenties duidelijk zijn, zal hierover een definitieve uitspraak gevraagd worden.
B. Elke gemeente en corporatie hanteert het regionale toewijzingssysteem In Hart van Brabant worden de sociale huurwoningen via Woninginzicht door de corporaties toegewezen. We gaan ervanuit dat daarin een module voor de standplaatsen in opgenomen kan worden. Het verhuren van woonruimte is bij uitstek de expertise van corporaties en niet die van gemeenten. Gemeenten blijven wel altijd een rol spelen omdat zij het afstammingsbeginsel moeten toetsen en zij gebruik kunnen maken van de hardheidsclausule. Het registreren en toewijzen zien we als een gezamenlijke verantwoordelijkheid en wordt de komende jaren samen nader uitgewerkt. Uitgangspunten voor het toewijzingssysteem: A. Wonen in familieverband B. Wonen in een woonwagen C. Mensen uit de regio Hart van Brabant hebben voorrang op mensen uit de rest van Nederland Op basis van bovenstaande uitgangspunten is het toewijzingssysteem inclusief voorrangsregeling gebaseerd. Per woonwagenlocatie wordt met voorrangsgroepen gewerkt: -
1e groep: kinderen of kleinkinderen die sinds hun geboorte als kind altijd op deze locatie hebben gewoond. Zij wonen dus nog bij hun ouders of grootouders in. 2e: kinderen of ouders van bewoners van deze locatie die nu in een woning of op een andere woonwagenlocatie wonen. 3e: een woonwagenbewoner die al meer dan drie jaar inwoont bij iemand anders op deze locatie. 9
-
4e: een woonwagenbewoner die in deze gemeente woont waar de standplaats vrijkomt. 5e: overige familieleden van de bewoners op deze woonwagenlocatie. 6e: een woonwagenbewoner die in een van de andere gemeenten woont waar deze regels gelden binnen Hart van Brabant. 7e; overige woonwagenbewoners die een standplaats zoeken. 8e: overige standplaatszoekenden die niet voldoen aan het afstammingsbeginsel
Samengevat ziet de procedure voor nieuwe inschrijvingen totdat een centraal inschrijfpunt is ingericht, er als volgt uit: 1. Een standplaatszoekende schrijft zich in bij de regionale inschrijflocatie, betaalt al dan niet inschrijfgeld en bewijst dat hij of zij woonwagenbewoner is via het afstammingsbeginsel. 2. De standplaatszoekende geeft in het inschrijfformulier aan welke gemeente en woonwagenlocatie zijn of haar 1e, 2e en 3e voorkeur heeft of waarvoor hij zij voor ingeschreven wil worden. 3. De gemeente(n) waar hij/zij zich voor in heeft geschreven toets(en)t het afstammingsbeginsel. 4. Indien de inschrijver een woonwagenbewoner is wordt met behulp van het puntensysteem (zie bijlage) het aantal startpunten bepaald, daarna krijgt hij/zij er per maand een punt erbij. 5. Wanneer er een standplaats vrijkomt, wordt bij de eerste 10 personen het aantal punten nogmaals gecontroleerd om vast te stellen of er wijzigingen in de situatie zijn geweest en het puntenaantal nog klopt. Vervolgens wordt de standplaats aangeboden aan degene met de meeste punten. Voor gemeenten waar al een wachtlijst was hoeft geen nieuwe inschrijving plaats te vinden maar wordt de verdeling van vrijkomende standplaatsen wel conform de regionale voorrangsregels toegepast. In de bijlage zijn de puntentelling en nadere spelregels bij het regionaal toewijzingssysteem opgenomen.
C. Met behulp van het richtinggevende woonwensenonderzoek bepaalt elke gemeente zelf of, hoeveel, waar en wanneer de standplaatsen worden aangelegd In 2021 is een regionaal kwantitatief behoefteonderzoek naar de standplaatsen uitgevoerd. Dit onderzoek moest zich vooral richten op de wens om in familieverband in een woonwagen op een woonwagenlocatie te wonen. In totaal zijn 124 mensen uitgenodigd om deel te nemen aan het onderzoek via het invullen van een vragenlijst. Dit zijn mensen die als standplaatszoekende op een wachtlijst in de gemeenten of bij Nijbod staan geregistreerd. 59% van hen heeft de vragenlijst geretourneerd. Het onderzoek geeft een goed beeld van wat de mensen die op een wachtlijst voor een standplaats staan, wensen. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat uitbreiding van het aantal standplaatsen nodig is. De meeste respondenten willen met name in Tilburg en Waalwijk wonen.
10
Echter, hoeveel, waar en wanneer de standplaatsen gerealiseerd moeten worden kan niet rechtstreeks uit dit onderzoek worden aangegeven. Ten eerste omdat 41% van de standplaatszoekenden niet gereageerd heeft. Van deze 41% weten we niet met zekerheid of zij nog op zoek zijn naar een standplaats en zo ja in welke gemeente. Bovendien blijkt in de praktijk dat een deel van de standplaatszoekenden graag op een voorkeurslocatie willen wonen en daar ook vaak op willen wachten dan wel op een andere wijze (sneller) op deze locatie terecht komen. Een standplaats op een andere locatie biedt voor deze groep geen oplossing. Regionaal hebben we verkend of het mogelijk is te werken met een regionale verdeelsleutel, waarbij de gemeenten die naar verhouding weinig standplaatsen hebben een grotere taakstelling zouden krijgen en gemeenten met relatief veel standplaatsen een kleine taak bij het aanleggen van nieuwe standplaatsen. Een dergelijke objectieve verdeelsleutel lijkt niet te passen bij deze doelgroep, omdat zij een duidelijke voorkeur uitspreken voor het wonen in familieverband en locaties. Een regionale verdeelsleutel zou er voor zorgen dat mensen gedwongen zouden worden om te verhuizen als zij aanspraak zouden willen maken op een standplaats. Daarnaast is onderzocht in hoeverre het mogelijk is om aan te sluiten bij de wachttijden en slaagkansen voor reguliere sociale huurwoningen.
Het landelijke beleidskader stelt immers dat de wachttijd voor een standplaats te vergelijken zou moeten zijn met de tijd die iemand nodig heeft om een sociale huurwoning te vinden. In de praktijk is dit echter een lastige vergelijking, omdat standplaatszoekenden een sterke voorkeur hebben voor het wonen in familieverband en daardoor een heel specifiek zoekprofiel hebben. Dit zoekprofiel is niet te vergelijken met andere doelgroepen die op dit moment bij Woning in Zicht staan ingeschreven. Dit onderzoek wordt daarom beschouwd als richtinggevend en aan de hand van de toekomstige ervaringen met de regionale wachtlijsten en de regionale toewijzingsregels kan de behoefte aan standplaatsen gedetailleerder in beeld worden gebracht. Met behulp van dit onderzoek bepaalt elke gemeente of en hoeveel standplaatsen zij extra aan wil leggen. Per gemeente kan geïnventariseerd worden of verdichting dan wel uitbreiding op bestaande locaties mogelijk is (de zogenaamde quick-wins). In de bijlage is de nadere analyse van de resultaten van het woonwensenonderzoek opgenomen.
D. Er wordt een regionale klankbordgroep met woonwagenbewoners en standplaatszoekenden ingesteld. Tijdens het opstellen van de toewijzingscriteria en –volgorde is gebruik gemaakt van de expertise van de Vereniging voor Behoud van de Woonwagencultuur Nederland (VBWN) en de ervaringen in Noordoost Brabant. Als de toewijzingsregels straks regio breed van kracht zijn, willen we blijven volgen wat de effecten zijn van deze aanpak. Om dit goed te kunnen doen is ook hier de betrokkenheid van (vertegenwoordigers) van de groep woonwagenbewoners van belang. De regels hebben immers effect op woonwagenbewoners en standplaatszoekenden in de regio. Vanwege de regionale implementatie en om ervoor te zorgen dat het gesprek niet over individuele belangen gaat heeft het de voorkeur om een regionale klankbordgroep in te 11
stellen. Uiteraard staat dat het lokale overleg dat verschillende gemeenten, al dan niet samen met hun corporatie, hebben met woonwagenbewoners uit hun gemeente, niet in de weg. Een dergelijke regionale klankbordgroep bestaat idealiter uit mensen die al een plek hebben en mensen die nog op zoek zijn naar een standplaats. De afvaardiging zou circa 6 tot maximaal 8 personen, afkomstig uit verschillende gemeenten moeten zijn (gemeenten met een grotere populatie zouden een extra persoon kunnen afvaardigen). Bij de terugkoppeling die respondenten van de regionale besluitvorming gaan krijgen, zal de mogelijkheid geboden worden om aan te melden voor de regionale klankbordgroep.
E. Jaarlijks wordt de stand van zaken rondom de implementatie van het woonwagenbeleid op bestuurlijk niveau gedeeld Via het poho ROV informeren de portefeuillehouders elkaar eenmaal per jaar over de voortgang van de implementatie van het nieuwe beleid in hun gemeente.
F. Gemeenten bepalen zelf of en in hoeverre regelgeving omtrent veiligheid en integriteit ingezet wordt bij de nadere uitwerking van het beleidskader op lokaal niveau Gemeenten hebben diverse mogelijkheden om te sturen op thema’s van openbare orde en veiligheid. Dit kan zowel bestuursrechtelijk als civielrechtelijk zijn. Dit laatste alleen voor zover zij tevens eigenaar zijn van de gronden waarop woonwagenstandplaatsen zijn gevestigd. Een deel van het instrumentarium is bedoeld om preventief de openbare orde te reguleren. Andere instrumenten kunnen als reactie op een (concrete) openbare ordeverstoring worden ingezet. Met het oog op de uitgangspunten van het Beleidskader is het van belang dat de inzet van al deze instrumenten non-discriminatoir gebeurt en met inachtneming van het recht op gelijke behandeling. Ook mag niet de schijn worden gewekt dat woonwagenbewoners nadeliger of anders worden behandeld vanwege het feit dat zij woonwagenbewoner zijn.
12
Bijlage 1
Woonwagenstandplaatsen in Nederland
Aantal woonwagenstandplaatsen in Nederland volgens de herhaalmeting woonwagenstandplaatsen in Nederland, BZK, maart 2021, eindrapport Companen.
Per provincie is het aantal locaties en standplaatsen in bovenstaande tabel opgenomen. In Nederland is er gemiddeld 1,1 standplaats per 1.000 woningen. In Noord-Brabant is dit 1,5 standplaats per 1.000 woningen. In de regio Hart van Brabant zijn er op dit moment 0,6 standplaatsen per 1.000 woningen.
13
Bijlage 2
Nadere uitwerking toewijzingssysteem standplaatsen
Spelregels bij het regionaal toewijzingssysteem a) Een standplaatszoekende kan zich vanaf 18 jaar inschrijven. b) Standplaatszoekenden schrijven zich bij een regionale woonruimteverdeelsysteem (waarschijnlijk WIZ). Indien er dan inschrijfgeld wordt gevraagd zal dit ook voor de standplaatszoekenden gaan gelden. c) De standplaatszoekende toont aan dat hij of zij een woonwagenbewoner is via het afstammingsbeginsel. Dit kan via een verklaring van de provincie of woonadres en geboortedata van de ouders en grootouders. De gemeente toetst dit in het BRP. d) Onder afstammingsbeginsel wordt verstaan: personen die kunnen aantonen dat zij en/of hun ouders in een woonwagen hebben gewoond. e) Een standplaatszoekende die met een financiële vergoeding (= niet zijnde de wettelijke verhuiskostenvergoeding) van de voormalige standplaats is vertrokken, komt de eerste tien jaar na in werking treden van de nieuwe regels niet in aanmerking voor toekenning van een standplaats. f) Standplaatszoekende die wegens ongeoorloofd gedrag (denk aan bijvoorbeeld hennepteelt, huurachterstanden, agressie, e.d.) van een standplaats zijn verwijderd of als zodanig bekend staan bij politie of de afdeling Veiligheid, komt minimaal 2 jaar niet in aanmerking voor toekenning van een standplaats in de regio (te rekenen vanaf het moment van huisuitzetting dan wel van de feitelijke ontruiming van de standplaats.
Een corporatie kan dit o.a. toetsen aan de hand van de verhuurdersverklaring (conform de dan geldende wet- en regelgeving). g) Indien de huurder en zijn geregistreerde partner (huwelijk, samenlevingscontract via de notaris) of medehuurder beiden zijn overleden en er is nog sprake van inwonend kind(eren) boven de 18 jaar, dan kan het huurcontract worden overgeschreven op het oudste nog inwonende kind, bijvoorbeeld voor een periode van maximaal 2 jaar. Daarover worden dan maatwerkafspraken gemaakt, passend binnen de dan geldende wet- en regelgeving. h) Hardheidsclausule, urgentie en voorrang: wordt meegenomen bij de uitwerking van een regionaal inschrijf- en toewijzingspunt. i) Eenmalige puntentoekenning bij inschrijving, de woonsituatie geldt per 12 juli 2018: Inschrijver woont vanaf de geboorte 100 onafgebroken bij de (groot)ouders op een punten standplaats maar hier blijven mensen wonen nadat de inschrijver een standplaats krijgt toegewezen (=starter) Inschrijver is woonwagenbewoner, woont op 80 punten een standplaats, is de hoofdbewoner, en de huidige standplaats komt vrij (=doorstromer). Inschrijver is woonwagenbewoner maar woont 70 punten in een reguliere woning (= spijtoptant) Inschrijver is woonwagenbewoner en woont 60 punten (aantoonbaar) minimaal 3 jaar op een standplaats maar is geen hoofdbewoner; de standplaats komt niet vrij. (=inwonende van een woonwagen)
14
Elke maand dat men staat ingeschreven op een wachtlijst.*
1 punt per maand
*Voor mensen die eerder op een wachtlijst stonden ingeschreven geldt die eerdere inschrijfdatum als startdatum van de inschrijving.
j)
De inschrijver krijgt een bevestiging dat men ingeschreven staat voor de voorkeurslocaties. De inschrijver krijgt geen informatie over de rangorde per locatie. Deze kan met nieuwe inschrijvingen later ook wijzigen. k) Binnen de voorrangsgroep bepaalt het puntenaantal de volgorde. l) Wanneer in een voorrangscategorie standplaatszoekenden een gelijk aantal punten hebben vindt een loting plaats. m) Het ruilen van standplaatsen is alleen mogelijk binnen een gemeente en mits beide verhuurders akkoord gaan met deze ruil én de huurders voldoen aan alle gestelde criteria onder c, e en f. n) De gemeente/corporatie houdt een wachtlijst bij en zal, totdat er een centraal inschrijfpunt is, conform bestaande afspraken de vrijkomende standplaatsen verdelen. o) Voor een sociale standplaats komen alleen huishoudens in aanmerking die voldoen aan het passendheidsbeginsel conform de dan geldende wet- en regelgeving. Bij een eventuele aanbieding volgt nog een laatste check op het puntenaantal en zal worden gevraagd om een inkomensverklaring. Pas daarna wordt de standplaats definitief toegewezen. p) Vooralsnog geldt dit verdeelsysteem alleen voor huurstandplaatsen. q) Voor nieuwe koopstandplaatsen geldt dat deze worden verkocht met de afspraak dat opvolgend kopers ook volgens het afstammingsbeginsel woonwagenbewoner zijn. Dit wordt bij de kooptransactie door de notaris gecheckt.
r) Bij de situatie dat er een koopwoonwagen op een huurstandplaats komt zal de verhuurder afspraken maken dat de koopwoonwagen weer verwijderd wordt als de huurstandplaats wordt opgezegd. s) Hoewel het niet direct tot problemen hoeft te leiden, is het raadzaam om een recht van opstal te vestigen indien het eigendom van de standplaats en het eigendom van de woonwagen in verschillende handen zijn. De juridische scheiding zorgt ervoor dat de constructie eigendomswoonwagen op een huurstandplaats niet tot ongewenste gevolgen leidt.
15
Bijlage 3
Nadere analyse resultaten woonwensenonderzoek
Woonwensenonderzoek woonwagenstandplaatsen en hoe verder? Datum: 1 juni 2022 Inleiding In de regio Hart van Brabant hebben de gemeenten ervoor gekozen gezamenlijk een regionaal handelingsperspectief woonwagen-en standplaatsenbeleid op te stellen. Hiertoe is in december 2020 een bestuursopdracht gegeven en in juni 2021 is een eerste concept van het regionaal handelingsperspectief opgesteld. In dit concept is een van de afspraken dat gezamenlijk een kwantitatief behoefteonderzoek naar de standplaatsen wordt uitgevoerd. Dit onderzoek moest zich vooral richten op de wens om in familieverband in een woonwagen op een woonwagenlocatie te wonen. De regio heeft dit onderzoek uitgezet onder de mensen die als standplaatszoekende staan ingeschreven bij de gemeente of bij Nijbod. De rapportage en de resultaten zijn op de Hart van Brabantdag 23 februari 2022 toegelicht (zie bijlage behoefteondezoek en de presentatie). In de conclusie is aangegeven dat nadere analyse van de resultaten nodig was om een goede vergelijking tussen vraag en aanbod te kunnen maken. In dit memo delen we onze bevindingen. Resultaat woonwensenonderzoek en nadere analyse In totaal zijn 124 mensen uitgenodigd om deel te nemen aan het onderzoek via het invullen van een vragenlijst. Dit zijn mensen die als standplaatszoekende op een wachtlijst in de gemeenten of bij Nijbod staan geregistreerd.
59% van hen heeft de vragenlijst geretourneerd. Om de resultaten uit dit onderzoek goed te kunnen duiden, en een behoefte aan standplaatsen mee te kunnen aantonen, zijn nog enkele tussenstappen vereist. Immers net zoals bij reguliere woningen resulteren niet alle behoeften in een daadwerkelijke verhuizing. Daarnaast zijn er enkele opmerkingen te maken bij de resultaten. Opmerkingen: - Respons 59% van de aangeschreven mensen heeft de vragenlijst ingevuld en geretourneerd. De huidige woonsituatie van deze 73 mensen is divers, ze wonen in een woonwagen, in een huis, ze wonen binnen en buiten de regio, ze wonen in bij andere mensen. Mogen we de conclusie trekken dat allen die, ook na aandringen, niet hebben willen deelnemen géén standplaats wensen? Of dienen we toch voor hen nog een behoefte op te nemen? - Woonwens versus daadwerkelijke verhuizing Dit onderzoek is opgezet als een behoefteonderzoek, dat wil niet zeggen dat de wens ook de werkelijke behoefte weerspiegelt. Het aantal mensen dat daadwerkelijk verhuist is vaak lager dan het aantal mensen met een woonwens. Dat zal onder woonwagenbewoners niet anders zijn. Woonwagenbewoners willen graag bij familie wonen en een groot deel van hen heeft aangegeven dat zij liever wachten op een standplaats op de locatie van hun voorkeur dan dat zij ergens anders een standplaats aangeboden krijgen.
- Woonwens van mensen die nu niet in de regio wonen Uit het onderzoek geven 73 mensen aan dat zij een standplaats wensen. Van deze 73 mensen wonen 9 mensen niet in de regio en of hebben zij geen familie in de regio wonen. 16
Aangezien in het Beleidskader wordt aangegeven dat rekening moet worden gehouden met ‘wonen in familieverband’ en het voorgestelde toewijzingsysteem voorrang geeft aan mensen uit de regio, komen deze 9 mensen op korte termijn niet in aanmerking voor een standplaats. Dit roept de vraag op of de wensen van mensen buiten de regio meegenomen moeten worden als behoefte. -
Inschrijving als standplaatszoekende Het Beleidskader is in juli 2018 uitgekomen. Het blijkt dat 51% van de respondenten zich na die tijd als standplaatszoekende heeft ingeschreven. Waarom heeft een groot deel van de mensen zich nu pas ingeschreven? In een enkele gemeente bestond er niet eerder een wachtlijst maar in de meeste gemeenten wil. Wilde men voor die tijd geen standplaats? Nadere analyse - Vergelijking markt voor woonwagens en sociale huur Met behulp van data uit Woninginzicht is gekeken naar de wijze waarop de toegang tot regionale sociale woningmarkt zich verhoudt tot de toegang tot standplaatsen in de regio. Corporatiebezit Aanbod in regio Aantal mutaties afgelopen 5 jaar Actueel aantal woningzoekenden Actueel aantal actief woningzoekenden Aantal reacties per advertentie Inschrijfduur (mnd) (bij toewijzing) Zoekduur (mnd) (bij toewijzing) Slaagkans
Standplaatsen 42.933 15.597
112 (3 leeg) 16
100.513
124
18.976
73
154,2
Onbekend
105,7
Onbekend
10,9
Onbekend
3,2%
Onbekend
Helaas kon NIjbod geen gegevens aanleveren over de reacties, inschrijfduur en zoekduur omdat het verkrijgen van een standplaats op een andere wijze plaatsvindt (zie paragraaf praktijk voor een nadere toelichting). Bijzonderheden Omdat de doelgroep zich wellicht beter laat vergelijken met enkele andere specifieke doelgroepen, is ook geprobeerd daar een vergelijk in te maken. Dit om te zien hoeveel mensen er bijvoorbeeld op de wachtlijst voor deze bijzonder complexen voor specifieke doelgroepen staan: Westerpark Woongroep de Standplaatsen Stam Doelgroep Turkse Ouderen … Woonwagen bewoners Aantal woningen 17 21 112 (3 leeg) Aantal mutaties 4 (24%) 3 (14%) 16 (14%) afgelopen 5 jaar
17
Aantal woningzoekenden op wachtlijst
19 (min. 13 < 7 jaar ins) (max. 2 > 7 jaar ins)
Onbekend
124
Op basis van deze informatie zou de conclusie kunnen worden getrokken dat het aanbod ten opzichte van de omvang van de doelgroep regionaal weinig reden geeft tot (groots) ingrijpen als dit vergeleken wordt met de reguliere sociale huurmarkt of de specifieke woongroepen waar mee vergeleken is. - Maatwerk Uit het woonwensenonderzoek blijkt dat er vier locaties zijn waar standplaatszoekenden graag willen wonen. Onderzocht kan worden of deze mensen nu inwonend zijn op deze locaties en wat de uitbreidingsmogelijkheden van deze locaties zijn. Tabel: waar willen de respondenten graag wonen? Gemeente Naam locatie Aantal Dongen Kalmoestuin 1 Goirle De Hemeltjes 1 Hilvarenbeek De Beerten 6 Loon op Zand Capelsestraat 2 Tilburg Donkhof 1 Tilburg Kapitein Nemostraat 1 Tilburg Marjoleinhof 6 Tilburg Reitsehoevestraat 1 Tilburg Rugdijk 1 Tilburg Scherpenzeelerf 2 Tilburg Stappegoorweg 1 Tilburg Sweelincklaan 1 Tilburg Wielingen 1 Waalwijk Altenaweg 5 Waalwijk Orteliuslaan 5 Nieuwe locatie 2 Geen voorkeur 36 Totaal 73 Overigens hebben 38 mensen geen voorkeur voor een locatie aangegeven. Hiervan hebben 13 mensen wel aangegeven graag in Waalwijk, Tilburg, Loon op Zand en Oisterwijk te willen wonen. Uit de praktijk In veel gemeenten in Hart van Brabant wordt Nijbod ingeschakeld als beheerorganisatie om onder andere vrijgekomen standplaatsen aan te bieden.
Wanneer een standplaats vrij komt wordt deze aan de eerste persoon op de wachtlijst aangeboden. In de praktijk blijkt echter dat dat kandidaten die geen familie zijn van de mensen op de locatie doorgaans bereid zijn om afstand te doen van de standplaats ten gunste van een direct familielid. De doelgroep hecht erg veel waarde aan het wonen in familieverband zodat het kan voorkomen dat iemand al 20 jaar op een wachtlijst staat nog steeds niet in aanmerking is gekomen voor een standplaats en anderen al na een korte inschrijftijd. Dit heeft te maken met de locatie en de mensen die er al wonen, de bewoners bepalen vaak zelf wie toegelaten wordt op een locatie. 18
Streefwaarde als objectieve verdeelsleutel Het aantal standplaatsen is niet evenredig verdeeld over Nederland, maar ook binnen onze regio zijn er verschillen. Gemiddeld zijn er in de regio Hart van Brabant 0,61 standplaatsen per 1000 woningen, maar er zijn gemeenten die gemiddeld meer standplaatsen hebben en er zijn ook gemeenten waarbij het aantal standplaatsen per 1000 woningen op 0,1 of 0 ligt. Zouden we een afspraak maken waarbij het regionaal gemiddelde een streefwaarde voor alle gemeenten wordt, dan zou dit betekenen dat de gemeenten Tilburg en Waalwijk geen opgave hebben en andere gemeenten juist een grote opgave. Het behoefteonderzoek laat bovendien zien dat er een aanzienlijke groep is die een duidelijk voorkeur heeft voor het wonen in de gemeenten Tilburg of Waalwijk. Daar zijn ook woonwagenbewoners bij die best bereid zijn om uit te wijken naar een andere gemeente, maar dat is niet bij iedereen zo. Een regionale streefwaarde zou dus ook betekenen dat een deel van de standplaatszoekenden als het ware gedwongen wordt om naar andere gemeenten te verhuizen. Vervolg, hoe te komen tot het bepalen van de woonbehoefte? Het onderzoek geeft een goed beeld van wat de mensen die op een wachtlijst voor een standplaats staan wensen. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat uitbreiding van het aantal standplaatsen nodig is.
De meeste respondenten willen met name in Tilburg en Waalwijk wonen. Echter, hoeveel, waar en wanneer de standplaatsen gerealiseerd moeten worden kan niet rechtstreeks uit dit onderzoek worden aangegeven. Ten eerste omdat 41% van de standplaatszoekenden niet gereageerd heeft. Van deze 41% weten we niet met zekerheid of zij nog op zoek zijn naar een standplaats en zo ja in welke gemeente. Bovendien blijkt in de praktijk dat een deel van de standplaatszoekenden graag op een voorkeurslocatie willen wonen en daar ook vaak op willen wachten dan wel op een andere wijze (sneller) op deze locatie terecht komen. Een standplaats op een andere locatie biedt voor deze groep geen oplossing. Een objectieve verdeelsleutel per gemeente lijkt dus niet te passen bij deze doelgroep. Ook aansluiten bij wachttijden en slaagkansen van sociale huurwoningen past niet bij de wijze waarop standplaatszoekende een standplaats bemachtigen. Dit onderzoek wordt daarom beschouwd als richtinggevend en aan de hand van de toekomstige ervaringen met de regionale wachtlijsten en de regionale toewijzingsregels kan de behoefte aan standplaatsen veel gedetailleerder in beeld worden gebracht. Per gemeente kan geïnventariseerd worden of verdichting dan wel uitbreiding op bestaande locaties mogelijk is (de zgn quick wins).
19
Bijlage 4
Toepassing Wet Bibob
Wet Bibob Het bestuursrechtelijke “preventiemiddel” bij uitstek is de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob). Kort gezegd kan op grond van artikel 3 van deze wet een vergunning worden geweigerd of ingetrokken, als sprake is van een “ernstig gevaar” dat de vergunning mede zal worden gebruikt om: a. uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of b. strafbare feiten te plegen. Om vast te stellen of zich een ernstig gevaar voordoet, wordt voorafgaande aan de vergunningverlening en vastgoedtransacties een Bibob-onderzoek verricht naar degene die de vergunning aanvraagt en diens “zakelijke relaties”. Ook nadat de vergunning is verleend kan een dergelijk onderzoek worden gedaan. Gemeenten doen dat onderzoek in de eerste plaats zelf. Als echter na het eigen onderzoek nog steeds twijfel bestaat over de “integriteit” van de betrokkene, kan een adviesvraag bij het Landelijk Bureau Bibob (LBB) worden gedaan. Komt uit het onderzoek een ernstig gevaar naar voren, dan kan de vergunning worden geweigerd of ingetrokken. Aanhaken bij andere vergunningen De Wet Bibob werkt niet uit zichzelf, maar uitsluitend als in een (wettelijk) vergunningstelsel een uitdrukkelijke verbinding is gemaakt met de Wet Bibob. Denk daarbij aan de Wabo, de huisvestingsvergunning, de APV en ook aan vastgoedtransacties.
Wet Bibob bij uitgifte standplaatsen Het voorgaande betekent dat de gemeente ook via de uitgifte van standplaatsen c.q. de verstrekking van rechten, op grond van haar eigendomsrecht, de mogelijkheid heeft om de Wet Bibob toe te passen. Woningcorporaties hebben die bevoegdheid niet. Op deze manier kunnen gemeenten bijvoorbeeld in een huurovereenkomst met de woonwagenbewoner bedingen, dat bij een gebleken ernstig gevaar op grond van Bibob-onderzoek, de huurovereenkomst wordt ontbonden. Wet Bibob bij omgevingsvergunning bouwen Art 2.2 van de Wabo (Wet algemene bepalingen Omgevingsrecht) regelt dat een omgevingsvergunning bouwen kan worden geweigerd, indien sprake is van een “ernstig gevaar” in de zin van artikel 3 lid 1 van de Wet Bibob. Daarmee bestaat direct een bruikbare grondslag voor de voorliggende vraag. Voordat namelijk op een beschikbaar gestelde standplaats een woonwagen kan worden geplaatst, zal daarvoor een omgevingsvergunning bouwen moeten worden aangevraagd in de zin van artikel 2.1 lid 1 onder a van de Wabo. Op grond van deze bepaling is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.
Wet Bibob bij huisvestingsvergunningen Een andere vergunning die in verband met woonwagenbewoners mogelijk relevant kan zijn, betreft de huisvestingsvergunning die op grond van de gemeentelijke huisvestingsverordening verplicht kan zijn gesteld op grond van de Huisvestingswet. Artikel 15 lid 5 van de Huisvestingswet bepaalt, voor zover relevant het volgende:
20
“5. De vergunning kan, in afwijking van het eerste lid, worden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.”. Aldus kan – net als de omgevingsvergunning bouwen – ook de huisvestingsvergunning worden geweigerd, indien sprake is van een “ernstig gevaar” in de zin van de Wet Bibob. Daarbij zal wel op grond van een gemeentelijke huisvestingsverordening voor woonwagens, een vergunningplicht moeten gelden. Overige relevante vergunningstelsels openbare orde en veiligheid Er zijn mogelijk ook andere vergunningstelsels die relevant kunnen zijn voor woonwagenbewoners. Zo kunnen er gemeentelijke exploitatievergunningstelsels gelden op grond van de Algemene plaatselijke verordening (APV), voor bepaalde type bedrijvigheid dat op een woonwagencentrum plaatsvindt. Dit kan per gemeente verschillend geregeld zijn, in die zin dat gemeenten verschillende vergunningstelsels in hun APV kunnen hebben staan. Vastgoedtransactie Naast vergunningen, kan de Wet Bibob ook worden toegepast op zogenoemde vastgoedtransacties tussen de gemeente en een woonwagenbewoner. Het belangrijkste verschil met een vergunningstelsel, is dat bij vastgoedtransacties de contractsvrijheid voorop staat.
Bepaalt artikel 3 lid 1 van de Wet Bibob expliciet dat een vergunning kan worden geweigerd of ingetrokken, ingeval van een ernstig gevaar, heeft bij vastgoedtransacties te gelden dat contactspartijen vrij kunnen afspreken welke consequentie er verbonden wordt aan een bepaalde gevaarsconclusie. Zo zou bijvoorbeeld kunnen worden afgesproken dat bij de conclusie ernstig gevaar, de vastgoedtransactie wordt ontbonden.
21