CConstaterende datBaarle-Nassau
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 12 - Ecologische quickscan

Gemeenteraad (openbaar) 24 juni 2026, gemeente Baarle-NassauBij agendapunt: Raadsvoorstel Bopa Alphenseweg 19, 5111 NA Baarle-Nassau, Alphenseweg 23, 5111 NA Baarle-Nassau12.196 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Natuur

ECOLOGISCHE QUICKSCAN Onderzoek naar beschermde natuurwaarden ten behoeve van ruimtelijke ontwikkeling

Locatie: Alphenseweg Baarle-Nassau Rapportnummer: 2025-BE-1227 In opdracht van: Gispro b.v. ’t Bogtje 8 5095 CD Hooge Mierde

Ecologische quickscan Alphenseweg Baarle-Nassau, BE-1227

Colofon Rapportage Brabant Eco Rapportnummer 2025-BE-1227 Opdrachtgever Gispro b.v. Contactpersoon Mevrouw N. Snels Locatie Alphenseweg Baarle-Nassau Auteur Emma Heeren Collegiale controle Frenk van de Wal Opleverdatum 13 februari 2025

De Lange Kant 27 5061 PX Oisterwijk 06-24218274 www.brabanteco.nl

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

Overname, verveelvoudiging of openbaarmaking van dit rapport is niet toegestaan zonder vermelding van bron.

Dit rapport is met de grootste zorg samengesteld. Desondanks aanvaardt Brabant Eco geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek door toepassing van adviezen.

1

Ecologische quickscan Alphenseweg Baarle-Nassau, BE-1227

Inhoudsopgave SAMENVATTING ................................................................................................................... 3 1.

INLEIDING EN ONDERZOEK ........................................................................................... 4 1.1 Aanleiding ............................................................................................................................. 4 1.2 Doelstelling ........................................................................................................................... 4 1.3 Criteria................................................................................................................................... 4 1.4 Geldigheid onderzoek........................................................................................................... 4

2.

PROJECTGEGEVENS ....................................................................................................... 5 2.1 Ligging van het plangebied .................................................................................................. 5 2.2 Omschrijving van het invloedsgebied ................................................................................. 5 2.3 Voorgenomen ontwikkeling ................................................................................................. 6

3.

PRAKTIJK ECOLOGISCHE QUICKSCAN ............................................................................ 8 3.1 Bureauonderzoek ................................................................................................................. 8 3.2 Veldonderzoek ...................................................................................................................... 8 3.3 Beschrijving plangebied ten tijde van het veldbezoek....................................................... 9

4.

BESCHERMDE NATUURWAARDEN .............................................................................. 12 4.1 Gebiedsbescherming .......................................................................................................... 12 4.2 Houtopstanden ................................................................................................................... 13 4.3 Soortenbescherming .......................................................................................................... 14

5.

RESULTATEN EN ADVIES ............................................................................................. 22 5.1 Resultaten en advies beschermde gebieden en houtopstanden ..................................... 22 5.2 Resultaten en advies beschermde soorten ....................................................................... 22 5.3 Aanbevelingen .................................................................................................................... 23

6.

BRONNEN ................................................................................................................... 25

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

2

Ecologische quickscan Alphenseweg Baarle-Nassau, BE-1227

SAMENVATTING

Opdrachtgever is voornemens om het plangebied, gelegen tussen Alphenseweg 19 en 23 te BaarleNassau te herontwikkelen. Er worden circa veertien woningen gerealiseerd. Bij deze werkzaamheden is de opdrachtgever gebonden aan de Omgevingswet. Omdat overtreding van de Omgevingswet in het kader van ecologie op voorhand niet uitgesloten kan worden is aan Brabant Eco de opdracht gegeven voor het uitvoeren van een ecologische quickscan in het plangebied in het kader van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling. Dit voorliggend rapport geeft een beschrijving van het plangebied en het uitgevoerde onderzoek. Daarnaast geeft dit rapport inzicht in de mogelijke knelpunten in het kader van de natuurwetgeving en -beleid en de mogelijke effecten op beschermde flora en fauna en op beschermde natuurgebieden als gevolg van het project. Het rapport kan voor de opdrachtgever als bewijsstuk dienen voor het verrichtte natuuronderzoek. Op basis van uitgevoerd onderzoek zijn geen effecten met werkzaamheden te verwachten die van negatieve invloed zijn op de mogelijk aanwezige beschermde soorten en hun functioneel leefgebied. De aanwezige bebouwing in het plangebied betreft een schuurtje dat volledig uit damwand bestaat en geen geschikte tussenruimtes heeft waarin beschermde soorten nest-, rust- of verblijfplaatsen kunnen vinden.

In de schuur zijn bovendien geen sporen waargenomen, zoals ontlasting of prooiresten van marterachtigen of krijtsporen en braakballen van uilen. De hazelaar en de hulststruiken zuidelijk gelegen van het schuurtje kunnen mogelijk geschikt zijn als nestgelegenheid voor algemene Vogelrichtlijnsoorten. Door deze vegetatie buiten het broedseizoen te verwijderen, worden negatieve effecten op eventuele broedgevallen voorkomen. Biotopen of standplaatsen van overige beschermde flora en fauna ontbreken. Natuurgebieden worden niet aangetast door de ontwikkeling in het plangebied. De eventuele stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden dient aangetoond of uitgesloten te worden met een Aeriusberekening. Nader onderzoek of een omgevingsvergunning in het kader van de ecologie is niet nodig. De zorgplicht is altijd van toepassing. Natuurinclusief bouwen wordt aanbevolen. Emma Heeren Brabant Eco Februari 2025

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

3

Ecologische quickscan Alphenseweg Baarle-Nassau, BE-1227

1. INLEIDING EN ONDERZOEK In dit hoofdstuk staan de aanleiding en doelstelling van deze ecologische quickscan beschreven. Ook staan de criteria en de geldigheid van dit onderzoek vermeld. Op enkele uitzonderingen na, zijn de provincies het bevoegd gezag van de wet. De provincies organiseren de vergunningverlening en handhaving. Zie bijlage 2.

1.1 Aanleiding Volgens opdrachtgever Gispro b.v. is het voornemen om in het plangebied, tussen Alphenseweg 19 en 23 te Baarle-Nassau circa veertien woningen te realiseren. Bij deze werkzaamheden is opdrachtgever gebonden aan de Omgevingswet. In opdracht heeft Brabant Eco een ecologische quickscan uitgevoerd voor het plangebied en directe omgeving in het kader van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling.

1.2 Doelstelling Het doel van dit verkennend onderzoek is om vast te stellen of de geplande ontwikkeling mogelijk effect heeft op beschermde flora en fauna en op beschermde natuurgebieden. Ingeschat wordt of er binnen het invloedsgebied van de voorgenomen ingreep mogelijk planten- en diersoorten aanwezig zijn, die volgens de Omgevingswet een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloeden kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Omgevingswet zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. De centrale vraag luidt: Is de voorgenomen ontwikkeling in strijd met de natuurwetgeving en dienen eventuele vervolgstappen genomen te worden voordat met de uitvoering gestart kan worden? Als blijkt dat de ingreep leidt tot een mogelijke overtreding van de Omgevingswet, wordt bepaald naar welke soorten en functies eventueel aanvullend onderzoek nodig is en of nadere toetsing in het kader van beschermde gebieden noodzakelijk is.

1.3 Criteria Op dit natuuronderzoek zijn de volgende criteria van toepassing: o Het onderzoek is uitgevoerd door ecologisch deskundigen. Een ecologisch deskundige heeft aantoonbare specifieke ecologische kennis en ervaring en geeft ecologisch advies en/of begeleidt werkzaamheden op het gebied van habitats en soorten. o Het onderzoek is uitgevoerd door een onafhankelijk bureau. Brabant Eco en Frenk van de Wal verklaren hierbij geen enkel belang te hebben in de uitkomst van dit onderzoek. o De resultaten zijn zo objectief en betrouwbaar mogelijk verkregen. o Het onderzoek voldoet aan de interne proces- en kwaliteitseisen van Brabant Eco.

1.4 Geldigheid onderzoek Dit onderzoek is uitgevoerd conform de landelijk geldende richtlijnen. Onderzoeksgegevens mogen maximaal drie jaar oud zijn in gebieden waar weinig of geen ruimtelijke of kwalitatieve veranderingen zijn opgetreden in de afgelopen drie jaar. In gebieden waarvoor dit niet geldt, moeten de gegevens recenter zijn.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

4

Ecologische quickscan Alphenseweg Baarle-Nassau, BE-1227

2. PROJECTGEGEVENS

In dit hoofdstuk worden de belangrijkste gegevens ten aanzien van de voorgenomen ontwikkelingen weergegeven. Allereerst wordt ingegaan op de geografische ligging van het plangebied en de kenmerken van het invloedsgebied. Vervolgens worden de voorgenomen ontwikkelingen en het toekomstige gebruik beschreven.

2.1 Ligging van het plangebied Het plangebied is westelijk gelegen aan de Alphenseweg, in de kern van Baarle-Nassau. Het plangebied is nabij de grens met België gelegen. Baarle-Nassau is een plaats en gemeente in de provincie Noord-Brabant. De ligging van het plangebied in de wijdere omgeving is weergegeven in onderstaande afbeelding.

Baarle-Nassau

Afbeelding 1: Ligging plangebied (rode cirkel) in de wijdere omgeving. Bron: Google Earth.

2.2 Omschrijving van het invloedsgebied Het plangebied bestaat uit weiland, met een schuurtje, boom en struiken gelegen in het noordoosten. Het invloedsgebied bestaat vooral uit cultuurgronden afgewisseld met tuinpercelen behorende bij de woningen Op onderstaande afbeelding wordt het plangebied globaal aangegeven.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

5

Ecologische quickscan Alphenseweg Baarle-Nassau, BE-1227

Afbeelding 2: Globaal omlijnd plangebied in blauw. Bron: Google Earth.

Afbeelding 3: Globaal omlijnd plangebied in blauw, schuurtje met boom en struiken in rood omlijnt. Bron: Google Earth.

2.3 Voorgenomen ontwikkeling Het initiatief betreft de herontwikkeling van het plangebied, gelegen tussen Alphenseweg 19 en 23 te BaarleNassau. Het voornemen is om circa veertien woningen te realiseren. Hiervoor zullen het aanwezige schuurtje en de omliggende vegetatie in het noordoosten worden verwijderd. De totale perceel oppervlakte bedraagt circa 3.693 m².

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

6

Ecologische quickscan Alphenseweg Baarle-Nassau, BE-1227

Afbeelding 4. Beoogde situatie. Bron: Van Gisbergen gewoon goed.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

7

Ecologische quickscan Alphenseweg Baarle-Nassau, BE-1227

3. PRAKTIJK ECOLOGISCHE QUICKSCAN

Een aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt getoetst aan de Omgevingswet. In het kader van deze wet is het noodzakelijk te weten welke flora- en faunasoorten potentieel voorkomen in het plangebied en of er met de voorgenomen ingreep negatieve effecten te verwachten zijn op de kwaliteit van beschermde natuurgebieden in de omgeving. De ecologische quickscan, ook wel quickscan flora en fauna genoemd, is de eerste stap van ecologisch onderzoek en geeft de mogelijke effecten van een ruimtelijke ingreep weer op beschermde planten, dieren en natuurgebieden. De ecologische waarden worden in kaart gebracht middels bureau- en veldonderzoek. De volgende vragen worden beantwoord: o Welke beschermde soorten zijn potentieel aanwezig binnen het invloedsgebied van de beoogde ingreep? o Wat zijn de effecten van de voorgenomen plannen op deze aanwezige soorten? o Wordt de Omgevingswet ten aanzien van het onderdeel ecologie overtreden? o Welke mogelijkheden zijn er om negatieve effecten op de beschermde soorten te minimaliseren of te voorkomen? o Is er een aanvullend onderzoek nodig naar soorten of functies? o Is het noodzakelijk om voor de voorgenomen plannen een omgevingsvergunning in het kader van de ecologie aan te vragen bij de provincie Noord-Brabant? Een ecologische quickscan is een momentopname en betreft geen volwaardig specifiek soortenonderzoek.

Er zijn in dit verkennend onderzoek geen nadere inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een nadere inventarisatie bestaat uit meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode(n) van het jaar.

3.1 Bureauonderzoek Het bureauonderzoek heeft zich gericht op bekende ruimtelijke plannen, zowel lokaal, provinciaal, als nationaal. Door middel van literatuuronderzoek is onderzocht of zich in de nabijheid van het plangebied gebieden bevinden die beschermd zijn in het kader van de natuurwetgeving en is er een inschatting gemaakt op het voorkomen van beschermde soorten. Hierbij is gebruik gemaakt van de database van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF), zie bijlage 1, aangevuld met gegevens uit relevante recente verspreidingsatlassen en actuele websites, onder andere RAVON, Sovon, FLORON en Waarneming.nl. NDFF Verspreidingsatlas is een naslagwerk met afbeeldingen en informatie over duizenden soorten die in de Nederlandse natuur voorkomen. De verspreidingskaarten worden gemaakt met gevalideerde gegevens uit de Nationale Databank Flora en Fauna. De inhoud van de atlas wordt mede verzorgd door zes verenigingen en stichtingen: de Nederlandse Mycologische Vereniging (NMV), FLORON, het Landelijk Informatiecentrum Kranswieren (LIK) en stichting ANEMOON, stichting RAVON en de Zoogdiervereniging. Voor de gebiedsgerichte bescherming is onderzoek uitgevoerd naar aanwezigheid van relevante natuurterreinen in de omgeving, het betreft de Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Daarvoor is o.a.

gebruik gemaakt van de website van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en die van de provincie Noord-Brabant.

3.2 Veldonderzoek Op maandag ochtend 3 februari 2024 hebben ecologen Frenk van de Wal en Emma Heeren in het kader van het natuurwaardenonderzoek het veldonderzoek uitgevoerd aan het plangebied en de directe omgeving. De weersomstandigheden waren zonnig met een noordoostenwind met windkracht 2 en droog. De gemiddelde temperatuur lag rond de 4 graden Celsius. Tijdens het veldonderzoek werd de ecologische potentie van het invloedsgebied in relatie met het mogelijk voorkomen van beschermde soorten onderzocht. In het plangebied en omgeving is zoveel mogelijk informatie verzameld over de aan- of afwezigheid van beschermde soorten. Hierbij zijn waarnemingen, Brabant Eco; ecologische dienstverlening

8

Ecologische quickscan Alphenseweg Baarle-Nassau, BE-1227 zowel visueel als auditief, en sporenonderzoek cruciaal. Er is gekeken naar de aanwezigheid van vraat-, loop- en veegsporen, nesten, holen, uitwerpselen, prooiresten en haren. Daarnaast is op basis van terreinkenmerken beoordeeld of het plangebied geschikt is voor de in de regio voorkomende beschermde soorten. De aanwezige habitats tijdens het veldbezoek en de waarnemingen uit de NDFF werden vergeleken met de habitatvereisten van beschermde planten- en diersoorten. Op basis van deze vergelijking en expert judgement is beoordeeld welke van deze soorten in het plangebied kunnen voorkomen.

3.3 Beschrijving plangebied ten tijde van het veldbezoek Het plangebied aan de Alphenseweg, gelegen tussen Alphenseweg 19 en 23, bevindt zich in de kern van Baarle-Nassau, in een omgeving met burgerbebouwing. Het grenst in het zuiden aan de Alphenseweg en aan de overige zijden aan hagen, tuinen en bebouwing van naburige percelen. In het westen wordt het perceel begrensd door de De la Sallestraat. Langs de Alphenseweg staat een bomenrij bestaande uit amberbomen. Het perceel omvat een grasland/voormalige paardenweide met kort gemaaide grassen en algemene kruiden zoals duizendblad, fijnstraal, kruipende boterbloem en gewoon biggenkruid. In het noordoosten bevindt zich een schuurtje met houten spanten, wanden en een dak van damwandpanelen. Rondom het schuurtje groeit verwilderde vegetatie, bestaande uit hulst, laurier, hedera en een hazelaar. Tot slot is het plangebied in het zuiden voorzien van een gaashekwerk.

Foto 1: Overzicht plangebied vanaf het zuiden.

Foto 2: Alphenseweg vanaf het noorden.

Foto 3: Alphenseweg vanaf het zuiden.

Foto 4: Overzicht grasland, vanaf het zuiden.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

9

Ecologische quickscan Alphenseweg Baarle-Nassau, BE-1227

Foto 5: Overzicht grasland, vanaf het noorden.

Foto 6: Schuurtje met vegetatie, vanaf het westen.

Foto 7: Schuurt van dichtbij.

Foto 8: Binnenzijde schuurtje.

Foto 9: Grasland vanaf het noordoosten.

Foto 10: Grasland vanaf het zuidoosten.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

10

Ecologische quickscan Alphenseweg Baarle-Nassau, BE-1227

Foto 11: Overzicht grasland vanaf het zuidwesten.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

Foto 12: Overzicht plangebied vanaf het zuiden.

11

Ecologische quickscan Alphenseweg Baarle-Nassau, BE-1227

4. BESCHERMDE NATUURWAARDEN In dit hoofdstuk worden de beschermde gebieden en soorten beschreven die zich (mogelijk) in de nabijheid van het plangebied bevinden. Er wordt aangegeven of de voorgenomen ingreep mogelijk negatieve effecten heeft op deze beschermde gebieden en soorten en of er met de werkzaamheden beschermde houtopstanden verdwijnen.

4.1 Gebiedsbescherming Door middel van bureaustudie is onderzocht of het plangebied binnen of in de nabijheid van beschermde natuurgebieden gelegen is. Daarbij is gebruikgemaakt van de gegevens van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu en de provincie NoordBrabant

4.1.1 Natura 2000 Het plangebied ligt op minimaal 3 kilometer afstand van zuidoostelijk gelegen gronden behorend tot Natura 2000-gebied ‘Arendonk, Merksplas, Oud-Turnhout, Ravels en Turnhout’. Op ongeveer 5 kilometer afstand naar het zuiden ligt Natura 2000-gebied ‘Vennen, heiden en moerassen rond Turnhout’ en noordoostelijk op 6 kilometer Natura 2000-gebied ‘Regte Heide & Riels Laag’. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied weergegeven. De ligging van het plangebied wordt met een rode cirkel aangegeven. Natura 2000-gebieden zijn in rood aangegeven.

Minimaal 3 kilometer tussen het plangebied en gronden behorend tot Natura 2000

Afbeelding 5: Natura 2000-gebieden. De afstand tussen het plangebied en Natura 2000 is met een pijl aangegeven. Bron: Natura2000.eea.europa.eu

Met de meest nabije Natura 2000-gebieden op minder dan 25 kilometer afstand valt een negatief effect van de geplande acties op Natura 2000-gebieden niet uit te sluiten (Aanpak Stikstof). Door de korte afstand kan er mogelijk verspreiding van schadelijke stoffen via de lucht of het water naar Natura 2000-gebieden plaatsvinden. Een stikstofberekening om eventuele stikstofdepositie ten gevolge van de geplande inrichtings-, sloop- en/of bouwwerkzaamheden op Natura 2000-gebieden aan te tonen of uit te sluiten is daarom noodzakelijk.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

12

Ecologische quickscan Alphenseweg Baarle-Nassau, BE-1227

4.1.2 Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt op minimaal 450 meter afstand van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren: Bels Lijntje. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied weergegeven. De ligging van het plangebied wordt met een rode cirkel aangegeven. De NNN-gebieden in groene kleur.

Minimaal 450 meter tussen het plangebied en gronden behorend tot Natuurnetwerk Nederland

Afbeelding 6: Natuurnetwerk Nederland-gebieden. De afstand tussen het plangebied en NNN is met een pijl aangegeven. Bron: Atlasleefomgeving.

In of in de directe nabijheid van een NNN-gebied zijn geen ontwikkelingen toegestaan die de ‘wezenlijke kenmerken of waarden’ aantasten. Het plangebied ligt niet in, of direct aangrenzend aan het NNN-gebied. De significante aantasting van en negatieve effecten door externe werking op de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN zijn, gezien de omvang, de aard, het effectbereik en de locatie van het voornemen, op voorhand uit te sluiten.

4.1.3 Conclusie Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. De voorgenomen activiteiten hebben mogelijk geen negatief effect op instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden. Een Aerius-berekening is nodig om externe effecten op Natura 2000-gebieden uit te sluiten.

4.2 Houtopstanden Volgens artikel 11.111 van het Besluit activiteiten leefomgeving in de Omgevingswet is het verboden een houtopstand (bos, houtwallen, heester- en struikhagen, struwelen en bosplantsoenen) geheel of gedeeltelijk te vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaande melding daarvan bij de Gedeputeerde Staten. Het betreft hier houtopstanden van tenminste 10 are of rijbeplanting van minimaal 20 bomen. Verder geldt er ook een herplantplicht voor gekapte houtopstanden. Indien het totale oppervlakte of aantal bomen klein is dan deze 10 are of 20 bomen, dan gelden de rijksregels over het vellen en herplanten niet. Binnen het plangebied zijn geen houtopstanden aanwezig die door het planvoornemen zullen verdwijnen. Er zijn dan ook geen verdere verplichtingen met betrekking tot houtopstanden binnen de Omgevingswet. De hazelaar in het noordoosten wordt beschouwd als erfbeplanting. Voor het kappen van bomen wordt geadviseerd voorafgaand aan de kap een kapvergunning aan te vragen om te voorkomen dat uitzonderingsregels van de gemeente van toepassing zijn.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

13

Ecologische quickscan Alphenseweg Baarle-Nassau, BE-1227

4.3 Soortenbescherming Bijlage 1, project Alphenseweg met nummer BE-1227 d.d. 27 januari 2025 geeft een overzicht van de waargenomen planten- en diersoorten in en in de omgeving van het plangebied volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF. De NDFF, Nationale Databank Flora en Fauna is de meest omvangrijke landelijke informatiebron van verspreidingsgegevens en bevat betrouwbare waarnemingen van planten en dieren in Nederland. Nieuwe gegevens worden met regelmaat toegevoegd. Alle gegevens in de NDFF zijn door soortexperts gevalideerd. Bijlage 3 betreft een lijst van beschermde soorten onder de Habitatrichtlijn. Deze soorten zijn beschermd onder bijlage IV van de Habitatrichtlijn. Dit betreft soorten wiens voortplantings- en rustplaatsen beschermd dienen te worden en waarvoor Nederland tot het natuurlijke verspreidingsgebied behoort. Bijlage 4 betreft een lijst aan soorten van nationaal belang welke verder niet in de Vogel- of Habitatrichtlijn zijn opgenomen maar waarvoor wel rijksregels gelden om ze te beschermen. Per soortgroep wordt in onderstaande paragrafen beschreven welke soorten worden verwacht in het plangebied, welke soorten er zijn waargenomen tijdens veldbezoek, welke soorten voorkomen in de omgeving, en welke effecten (mogelijk) aan de orde zijn.

4.3.1 Flora Volgens de NDFF zijn de laatste vijf jaar geen beschermde plantensoorten waargenomen binnen een straal van twee kilometer rond het plangebied. Veldbezoek flora Het plangebied bestaat uit grasland met een soortenarme vegetatie, waarin voornamelijk kort gemaaide grassen en algemene kruidensoorten zoals duizendblad, fijnstraal, scherpe boterbloem, brandnetel en gewoon biggenkruid voorkomen. Het perceel werd in het verleden begraasd door paarden, wat heeft bijgedragen aan een verrijking van de bodem door bemesting en vertrapping. Hierdoor is de bodem waarschijnlijk stikstofrijk, wat de groei van algemene en snelgroeiende plantensoorten bevordert. De bodem in het plangebied wordt gekenmerkt als hoge zwarte enkeerdgrond met lemig fijn zand. Dit bodemtype bevat van nature veel organisch materiaal en heeft een goede waterhuishouding. In combinatie met de stikstofrijke omstandigheden resulteert dit in een voedselrijk milieu, waarin voornamelijk algemene kruiden en grassen voorkomen. Door het intensieve gebruik in het verleden en de huidige vegetatiesamenstelling zijn er geen aanwijzingen dat het plangebied geschikt is als groeiplaats voor zeldzame of beschermde plantensoorten. Daarom worden geen negatieve effecten op beschermde flora verwacht door de voorgenomen ontwikkeling.

Foto 13: Scherpe boterbloem in het plangebied.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

Foto 14: Brandnetels in het plangebied.

14

Ecologische quickscan Alphenseweg Baarle-Nassau, BE-1227 Deelconclusie flora Er zijn geen beschermde plantensoorten waargenomen in het plangebied, noch geschikt biotoop dat bewijs zou leveren dat deze soort(en) er aanwezig zouden kunnen zijn. Er is geen vervolgonderzoek noodzakelijk. Er kan volstaan worden met de zorgplicht.

4.3.2 Vleermuizen Alle soorten vleermuizen vallen onder de groep strikt beschermde soorten. Dit betekent dat ze beschermd zijn tegen verstoring van vaste rust- en verblijfplaatsen. Onder deze vaste rust- en verblijfplaatsen wordt verstaan: ‘het gehele systeem waarvan een populatie gebruik maakt tijdens de jaarcyclus van de soort’. Dit houdt in dat niet alleen verblijfplaatsen, maar ook belangrijke verbindingen hiertussen (vlieg- en foerageerroutes) beschermd zijn. Voor alle vleermuissoorten geldt geen vrijstelling of vergunningverlening indien het puur gaat om een ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. De checklist Vleermuisprotocol 2021 geeft voor gebouwen de volgende drie aandachtspunten: Zijn er potentieel aanwezige ruimtes voor winter-, kraam-, zomer- en paarverblijfplaatsen, zijn er sporen van aanwezigheid en is er sprake van een foerageergebied? De vleermuissoorten die volgens de NDFF de laatste vijf jaar zijn waargenomen binnen een straal van twee kilometer rond het plangebied zijn te vinden in de onderstaande tabel. Vleermuissoort Gewone dwergvleermuis Laatvlieger

Verblijfplaatsen in Vooral bebouwing Vaak bebouwing

Tabel 1: Waargenomen vleermuizen binnen een straal van twee kilometer.

Veldbezoek vleermuizen Het plangebied is beoordeeld op de geschiktheid als vleermuishabitat. Er zijn vleermuizen die in bomen hun verblijfplaatsen onderhouden en soorten die in gebouwen verblijven. De in het plangebied staande boom is tijdens het veldbezoek geïnspecteerd op holtes, gaten of loshangende schors waarin vleermuizen mogelijk verblijfplaatsen kunnen hebben. Hiervan zijn geen waarnemingen gedaan. Vleermuisverblijfplaatsen in bebouwing kunnen worden aangetroffen onder dakpannen, tussen dakbeschot, boeiboorden, onder gevelbekleding, in spleten en kieren in muren of in de spouw via open stootvoegen. Het schuurtje in het noordoosten beschikt niet over geschikte bouwstructuren met tussenruimtes waarin vleermuizen verblijfplaatsen kunnen vinden. De aangrenzende bebouwing in het westen en oosten heeft geen openingen in de wanden, zoals stootvoegen, en de zijgevels van het oostelijke gebouw beschikken niet over overhangende kantpannen (zoals te zien op foto 2, 3 en 11). De bebouwing in het westen heeft een dakoverstek langs de zijgevels, dat direct aansluit op de wanden. Het perceel grenst verder aan hagen en achtertuinen van naburige woningen. Mogelijk zijn er in de omgeving gebouwen met potentie voor vleermuizen, maar deze blijven behouden en worden door de aanwezige tuinen en hagen ruimtelijk gescheiden van het plangebied.

Bovendien worden de nieuw te bouwen woningen voorzien van tuinen aan alle zijden, wat een extra barrière vormt voor eventuele vleermuisroutes of verblijfsplaatsen. Mogelijk zal het plangebied gebruikt worden als foerageergebied. Het is echter geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen omdat in de directe omgeving voldoende alternatieve foerageergebieden aanwezig zijn, zoals tuinen behorende tot naburige woningen. Vleermuizen oriënteren zich op lijnvormige elementen in het landschap, zoals bomenlanen, kanalen of houtwallen, om zich te verplaatsen van verblijfplaatsen naar foerageergebieden. In het zuiden van het plangebied bevindt zich een bomenlaan bestaande uit amberbomen, die kunnen fungeren als vliegroute voor vleermuizen. Deze bomenrij maakt echter geen deel uit van de ingreep en zal behouden blijven.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

15

Ecologische quickscan Alphenseweg Baarle-Nassau, BE-1227 Deelconclusie vleermuizen Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord, verwond of gedood en wordt er geen rust- of verblijfplaats beschadigd of vernield. Er is dus geen omgevingsvergunning nodig voor deze soortgroep. In de omgeving van het plangebied is en blijft voldoende geschikt foerageergebied aanwezig voor vleermuizen. De werkzaamheden hebben geen significant negatief effecten op foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen.

4.3.3 Marterachtigen Marterachtigen hebben voor hun overleving drie zaken nodig: dekking, verbinding en rustplaatsen. Deze dieren zijn vooral ’s nachts actief waardoor het fysiek aantreffen van individuen tijdens een veldbezoek zeer onwaarschijnlijk is. De marterachtigen die volgens de NDFF de laatste vijf jaar zijn waargenomen binnen een straal van twee kilometer rond het plangebied zijn te vinden in de onderstaande tabel. Marter soort Steenmarter

Bescherming Beschermd

Tabel 2: Waargenomen marterachtigen binnen een straal van twee kilometer.

Steenmarter De steenmarter is een soort van steenachtige biotopen en schuilplaatsen. De soort komt met name voor aan de rand van dorpen en steden, maar is ook te vinden nabij boerderijen en kleinschalige cultuurlandschappen. De steenmarter vindt vaste verblijfplaatsen in oude schuurtjes met weinig menselijke activiteit of woningen met toegankelijke zolder-, en of kruipruimten. Veldbezoek marterachtigen Het plangebied beschikt over weinig tot geen ruigte, met uitzondering van de verwilderde vegetatie in het noordoosten. De binnenzijde van het schuurtje is geïnspecteerd op het voorkomen van sporen, zoals ontlasting of prooiresten, maar deze zijn niet waargenomen. Deelconclusie marterachtigen In het plangebied zijn beperkte ruigten aanwezig die kunnen fungeren als schuil- of verblijfplaats voor marterachtigen. Met de beoogde werkzaamheden worden naar verwachting geen leefgebieden van marterachtigen verstoord of vernietigd. Nader onderzoek is niet aan de orde en er kan worden volstaan met de zorgplicht.

4.3.4 Overige grondgebonden zoogdieren De overige grondgebonden zoogdieren omvatten alle verder in het wild levende zoogdieren, waaronder vooral knaagdieren, evenhoevigen en insecteneters. Sommige van deze soorten zijn beschermd, maar een aantal van deze soorten vallen er in de provincie Noord-Brabant tot de vrijgestelde soorten. Voor soorten uit deze categorie betekent dat bij ruimtelijke ontwikkeling er geen omgevingsvergunning hoeft te worden gevraagd en dat rust- of verblijfplaatsen verwijderd mogen worden, wanneer geen andere bevredigende oplossing bestaat. Het is echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. In de onderstaande tabel zijn de overige grondgebonden zoogdieren te vinden die volgens de NDFF de laatste vijf jaar zijn waargenomen binnen een straal van twee kilometer rond het plangebied. Overige zoogdiersoort Eekhoorn

Bescherming Beschermd

Tabel 3: Waargenomen beschermde grondgebonden zoogdieren binnen een straal van twee kilometer.

Eekhoorn Eekhoorns zijn te vinden in verschillende bosomgevingen, waaronder loof-, naald- en gemengd bos. Ze komen ook voor in tuinen, parken en houtwallen. Als er voldoende voedsel beschikbaar is, kunnen ze ook in bebouwde gebieden worden aangetroffen. Hun voedsel bestaat hoofdzakelijk uit boomzaden, zoals eikels, noten en zaden uit kegels van naaldbomen. Ook eten ze als aanvulling daarop (afhankelijk van het jaargetijde) knoppen, bladeren, bessen,

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

16

Ecologische quickscan Alphenseweg Baarle-Nassau, BE-1227 paddenstoelen, rupsen, vogeleieren en jonge vogels. Specifieke voedselbomen kunnen zijn: eiken-, beuken-, walnoot-, hazelnoten- en pijnbomen. Eekhoorns bouwen nesten in bomen. Naast één hoofdnest zijn ook vaak vijf tot zes bijnesten aanwezig. Veldbezoek overige grondgebonden zoogdieren Het plangebied biedt geen geschikt leefgebied voor eekhoorns, aangezien de enkele boom in het noordoosten geïsoleerd staat en geen verbinding is met grotere bossen. Er zijn geen sporen van eekhoorns waargenomen, zoals nestels of geknaagde takken. Voor overige grondgebonden zoogdieren zoals konijnen en hazen biedt het grasland mogelijk foerageermogelijkheden, maar er zijn geen sporen van deze dieren gevonden. De bodem waarschijnlijk stikstofrijk, wat het voortplantingspotentieel voor deze soorten beperkt. Te veel stikstof in de bodem kan de plantengroei verstoren, wat invloed heeft op het ecosysteem waarin bepaalde zoogdieren, zoals konijnen of hazen, zich bevinden. Deelconclusie overige grondgebonden zoogdieren Gezien de afwezigheid van geschikte verblijfplaatsen, wordt het plangebied niet als belangrijk leefgebied voor deze soorten beschouwd, hoewel rekening gehouden moet worden met de zorgplicht bij de uitvoering van de werkzaamheden.

4.3.5 Vogels In de Omgevingswet worden alle broedende vogels strikt beschermd op grond van de Vogelrichtlijn waardoor alle bewoonde nesten in het broedseizoen vallen onder de bescherming van deze wet. Net als de oude Wet natuurbescherming hanteert de Omgevingswet geen standaardperiode voor het broedseizoen, maar voor de volledigheid wordt vaak gesproken van half maart tot half juli. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Men dient daarom gedurende kap- en sloopwerkzaamheden rekening te houden met het broedseizoen van vogels. Overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels wordt voorkomen door bepaalde werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Van een aantal vogelsoorten worden de nesten ook buiten het broedseizoen beschermd. De zogenaamde ‘Jaarrond beschermde nesten’. Als deze nesten door een ruimtelijke ontwikkeling verdwijnen, kan afhankelijk van de soort die het nest gebruikt, een vergunningsaanvraag noodzakelijk zijn. De bescherming van vogels in Noord-Brabant kan worden opgedeeld in 5 categorieën. Categorie 1-4 De eerste 4 categorieën betreffen vogels welke zeer honkvast broeden (1-4) of welke zelf niet of nauwelijks in staat zijn om een eigen nest te bouwen (4).

De vogelsoorten uit deze categorieën die volgens de NDFF de laatste vijf jaar zijn waargenomen in een straal van twee kilometer rond het plangebied zijn te vinden in de onderstaande tabel. Vogelsoort

Beschermingscategorie*

Nestplaats

Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Havik Huismus Kerkuil Ooievaar Ransuil Roek Sperwer Steenuil Wespendief

4 4 2 4 2 3 3 4 2 4 1 4

In bomen In bomen In gebouwen en nestkasten In bomen In gebouwen en nestkasten In gebouwen en nestkasten In bomen, op gebouwen en nestpalen In bomen en op de grond In bomen In bomen In gebouwen, boomholtes en nestkasten In bomen

Tabel 4: Waargenomen vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten binnen een straal van twee kilometer. *Categorie 1: Jaarrond gebruikte nesten (steenuil) 2: Zeer honkvaste koloniebroeders of afhankelijk van bebouwing

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

17

Ecologische quickscan Alphenseweg Baarle-Nassau, BE-1227 3: Zeer honkvaste broeders of afhankelijk van bebouwing (geen kolonie) 4: Vogels die ieder jaar terugkeren naar een specifiek nest

Categorie 5 Categorie 5-soorten zijn honkvaste broeders, maar voldoende flexibel. Hun nesten zijn alleen jaarrond beschermd als er sprake is van ecologisch zwaarwegende redenen. De vogelsoorten uit deze categorie die volgens de NDFF de laatste vijf jaar zijn waargenomen in een straal van twee kilometer rond het plangebied zijn te vinden in de onderstaande tabel. Vogelsoort Blauwe reiger Boerenzwaluw Bonte vliegenvanger Boomklever Boomkruiper Bosuil Ekster Gekraagde roodstaart Grauwe vliegenvanger Groene specht Grote bonte specht Huiszwaluw IJsvogel Kleine bonte specht Koolmees Pimpelmees Spreeuw Torenvalk Zwarte kraai Zwarte mees Zwarte roodstaart Zwarte specht

Nestplaats In bomen In gebouwen In boomholtes en nestkasten In boomholtes In boomholtes en nestkasten In boomholtes, nestkasten en gebouwen In bomen In boomholtes, nestkasten en holen In boomholtes en tegen gebouwen In boomholtes In boomholtes Tegen gebouwen In steile wanden In boomholtes In boomholtes en nestkasten In boomholtes en nestkasten In boomholtes, gebouwen en nestkasten In gebouwen, bomen en nestkasten In bomen In boomholtes, nestkasten en muizengangen In gebouwen In boomholtes

Tabel 5: Waargenomen vogelsoorten waarvan de nesten alleen jaarrond beschermd zijn als er sprake is van ecologisch zwaarwegende redenen.

Gierzwaluw De gierzwaluw is voor zijn voortplanting bijna uitsluitend gebonden aan menselijke bewoning en daarom komt hij in de zomer veelal in grotere dorpen en steden voor. Omdat ze moeilijk van de grond kunnen opstijgen hebben ze een sterke voorkeur voor hoge nestplaatsen met een ruime aan- en uitvliegroute, zo kunnen ze makkelijk in vlucht komen door zich eruit te laten vallen. Deze koloniebroeders gebruiken het liefst elk jaar hetzelfde nest. Uilen Steenuil en kerkuil schuwen de menselijke omgeving niet en broeden ook onder daken en op zolders van huizen, loodsen en schuren, maar waarbij de aanwezigheid van geschikt foerageergebied in de directe omgeving noodzakelijk is. Nest- en rustplaatsen van steenuil en kerkuil zijn jaarrond beschermd. Soms maken ze gebruik van nestkasten die speciaal voor hen zijn opgehangen. De ransuil is een uilensoort die in verschillende habitats voorkomt, waaronder bosgebieden, parken, open landschappen met verspreide bomen en agrarisch gebied met houtwallen en bosjes. Ze nestelen zich vaak in bomen, meestal in verlaten nesten van andere vogels zoals kraaien of eksters. Ze geven ook de voorkeur aan bomen met dichte takken of holen in oude bomen. Huismus Vanwege de beperkte actieradius (enkele honderden meters) van de huismus (Baijens et al.

2005) zijn drie essentiële onderdelen van het leefgebied van belang voor de huismus: nestlocatie, habitat met

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

18

Ecologische quickscan Alphenseweg Baarle-Nassau, BE-1227 voedselaanbod en beschutting. Alle voorzieningen dienen dichtbij elkaar te liggen. Gewoonlijk binnen een straal van enkele honderden meters van de nestlocatie. Deze uitgesproken standvogels nestelen bij voorkeur onder dakpannen, in gaten en kieren van gebouwen en mussenkasten. Ooievaar Als carnivoor eet de ooievaar een breed scala aan dierlijke prooien, inclusief insecten, vissen, amfibieën, reptielen, kleine zoogdieren en kleine vogels. Hij pakt het meeste voedsel van de grond, tussen lage vegetatie en uit ondiep water. Het is een monogame broeder, maar vormt geen paar voor het leven. Het paar bouwt een nest bestaande uit grote takken, dat soms jaren wordt gebruikt. Roek Het leefgebied van de roek is open akker- en weideland, afgewisseld met bomen, bosjes, bomenrijen en heggen. De vogel gedijt goed in menselijk cultuurland als hij niet wordt bejaagd. Vooral de aanwezigheid van akkers is gunstig. Roeken hebben voorkeur voor hoge bomen, bij voorkeur niet in een bos maar een losse opstand. Het boomtype maakt niet zoveel uit. Als in het voorjaar de boomkruinen nog kaal zijn, zijn alle nesten van een roekenkolonie goed zichtbaar. Roofvogels De habitat van roofvogels bestaat, afhankelijk van de soort, uit een bos of een grote (half)open vlakte waar de vogels kunnen jagen.

Daarnaast hebben ze in hun leefgebied een geschikte boom nodig waarin een nest gebouwd kan worden. Overige Vogelrichtlijnsoorten Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien de sloopwerkzaamheden buiten het broedseizoen gestart worden, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 11.37 (Bal) (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Omgevingswet wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Indien binnen het broedseizoen gestart gaat worden met de sloopwerkzaamheden, kan dit enkel nadat tijdens een broedvogelinspectie door een deskundig ecoloog is bevestigd dat er geen broedgevallen aanwezig zijn. Met betrekking tot het verwijderen van de aanwezige beplanting buiten het broedseizoen wordt geadviseerd om ook het snoeiafval buiten het broedseizoen te verwijderen. Een grote stapel snoeiafval vormt namelijk een ideale broedlocatie voor kleine vogelsoorten als de winterkoning.

Indien onverhoopt een dergelijke soort hierin tot broeden komt, mag het snoeiafval niet eerder worden verwijderd dan wanneer de jongen definitief zijn uitgevlogen. Veldbezoek vogels Het aanwezige schuurtje beschikt niet over geschikte bouwstructuren waarin beschermde soorten nest-, rust-, roest- of verblijfplaatsen kunnen vinden. Er zijn bovendien geen krijtsporen of braakballen in en nabij het schuurtje waargenomen. De naburige bebouwing met pannendaken kunnen geschikt zijn voor huismussen en gierzwaluwen, maar aangezien het plangebied momenteel niet voorzien is van beschutting en bebouwing, is het voor deze soorten niet aantrekkelijk. Door tijdens de beoogde werkzaamheden natuurinclusieve maatregelen uit te voeren, zoals het inbouwen van gierzwaluw- en huismuskasten en het aanleggen van inheemse struiken en hagen, kan het leefgebied voor deze vogelsoorten verbeteren. Naast verblijfplaatsen kan het plangebied mogelijk ook fungeren als foerageergebied voor roofvogels en uilen. Het grasland in het plangebied is echter niet geschikt als foerageergebied voor deze soorten, aangezien zij grote open ruimtes nodig hebben om te jagen. Het grasland in de bebouwde kern van BaarleNassau is relatief klein, biedt weinig dekking of variëteit in het landschap en ligt ver van grotere bossen of akkerlanden die als belangrijke jachtgebieden voor deze soorten kunnen dienen.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

19

Ecologische quickscan Alphenseweg Baarle-Nassau, BE-1227 Deelconclusie vogels Het plangebied maakt geen onderdeel uit van verblijfplaatsen van beschermde vogelsoorten. Als foerageergebied voor uilen en roofvogels is het onwaarschijnlijk dat het plangebied essentieel is. De bomen en struiken in het noordoosten kunnen wel fungeren als nestgelegenheid voor overige vogelrichtlijnsoorten. Door deze vegetatie buiten het broedseizoen te verwijderen, worden negatieve effecten op mogelijke broedgevallen voorkomen. Er zullen geen vaste rust- of verblijfplaatsen van huismussen, gierzwaluwen, uilen of roofvogels verloren gaan, en er worden geen verbodsbepalingen uit de Omgevingswet overtreden. Nader onderzoek is niet aan de orde en er kan worden vosltaan met de zorgplicht.

4.3.6 Amfibieën, vissen en reptielen Amfibieën en vissen zijn gedurende een groot deel van hun leven afhankelijk van waterstructuren. Vooral tijdens het voortplantingsseizoen is het erg belangrijk om waterstructuren in plangebieden te onderzoeken op de aanwezigheid amfibieën die de waterstructuren als voortplantingslocatie gebruiken. Hierbij gaat het bij amfibieën om een waterstructuur van maximaal 1,5 meter diep. Nederlandse reptielen komen met name voor op hogere zandgronden, met name bij stuwwallen, kust- en rivierduingordels. De soorten die volgens de NDFF de laatste vijf jaar zijn waargenomen in een straal van twee kilometer rond het plangebied zijn te vinden in de onderstaande tabel. Soort Alpenwatersalamander Boomkikker

Soortgroep en bescherming Amfibieën, beschermd Amfibieën, beschermd

Tabel 6: Waargenomen amfibieën, vissen en reptielen binnen een straal van twee kilometer.

Alpenwatersalamander De Alpenwatersalamander overwintert voornamelijk op het land. Er zijn ook waarnemingen van kleine aantallen dieren die de hele winter in het water verblijven. Vanaf januari trekken ze naar het water met een piek begin maart. De meeste volwassen dieren worden tot en met juni waargenomen met een piek in april en de eerste heft van mei. Daarna nemen het aantal volwassen dieren in het water snel af. De eerste juveniele dieren kruipen medio juni het land op. De eerste drie jaar, tot ze geslachtsrijp zijn, verblijven ze op het land. De Alpenwatersalamander is niet kieskeurig wat betreft zijn voortplantingsbiotoop. In het voorjaar is hij in allerlei typen water te vinden, zolang het niet snel stromend of rijk aan vis is. Agrarische gronden worden gemeden als landhabitat. Boomkikker De boomkikker heeft een voorkeur voor het landschapstype ‘bos en struweel’ en stelt hoge eisen aan zijn leefgebied. Als landhabitat zijn vooral zonnig gelegen zoom- en mantelvegetaties, vegetaties van meerjarige kruiden en braamstruwelen van belang. De boomkikker plant zich voort in visvrije, zonnig gelegen en matig voedselrijke wateren met een goed ontwikkelde oever- en watervegetatie. Veldbezoek amfibieën, vissen en reptielen In het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig, waardoor het voorkomen van vissen op voorhand kan worden uitgesloten.

Ook negatieve effecten op het voortplantingshabitat van amfibieën kunnen worden uitgesloten. Volgens gegevens uit de NDFF komen er geen reptielen voor binnen een straal van 2 kilometer rond het plangebied. Geschikte biotopen voor beschermde reptielen zijn niet waargenomen. Deelconclusie amfibieën, vissen en reptielen De aanwezigheid van deze beschermde soorten is uit te sluiten. Beschermde amfibie- of vissoorten zullen geen gebruik maken van het plangebied als voortplantingsgebied, de ontwikkeling is landgebonden en er zullen geen waterstructuren worden aangetast. In theorie zou het mogelijk zijn dat er in het plangebied enkele algemene amfibiesoorten, zoals de bruine kikker of gewone pad in landfase voorkomen. Hoewel deze soorten beschermd zijn, worden ze niet bedreigd in hun voorkomen en staan ze vermeld als

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

20

Ecologische quickscan Alphenseweg Baarle-Nassau, BE-1227 vrijgestelde soorten in de provincie Noord-Brabant. Nader onderzoek is niet aan de orde en er kan worden volstaan met de zorglicht.

4.3.7 Ongewervelden De beschermde soorten ongewervelden die volgens de NDFF de laatste vijf jaar binnen een straal van twee kilometer rond het plangebied zijn waargenomen zijn te vinden in de onderstaande tabel. Soort Bosbeekjuffer Grote vos Grote weerschijnvlinder

Soortgroep en habitat Libellen, bosbeken Dagvlinder, vochtige open bossen, waardplant: iep, kers en wilgen Dagvlinder, loofbossen, of bosjes in beekdalen, waardplant: boswilg

Tabel 7: Waargenomen beschermde ongewervelden binnen een straal van twee kilometer.

Bosbeekjuffer Bosbeekjuffers zijn te vinden langs langzaam stromende beken en rivieren met veel vegetatie. Ze geven de voorkeur aan helder, schoon water en zijn vaak te vinden bij bosrijke gebieden in de buurt van waterlichamen. Grote vos De grote vos komt voor in verschillende leefgebieden, waaronder bossen, parken, tuinen en andere gebieden met veel vegetatie. Volwassen grote vossen voeden zich voornamelijk met nectar uit bloemen. De rupsen voeden zich met verschillende soorten loofbomen, waaronder wilg, populier en fruitbomen. Volwassen grote vossen overwinteren vaak in holle bomen of schuilplaatsen om de koude maanden te overleven. Grote weerschijnvlinder Het habitat van de grote weerschijnvlinder bestaat uit oudere, vochtige loofbossen, wilgenbroekbossen of groepen samenhangende bosjes in beekdalen. De grote weerschijnvlinder vliegt in het genoemde habitat vooral op open plaatsen, bij bospaden, bosranden of daar waar beekjes het bos doorsnijden. Op de vliegplaatsen groeien wilgen op beschutte plaatsen in de halfschaduw en staan enkele grotere, markante bomen. Veldbezoek ongewervelden Biotopen van de hierboven genoemde beschermde soorten komen niet voor in het plangebied en de nabije omgeving.

Overige ongewervelden zijn afhankelijk van bijzondere habitattypen als oude (eiken)bossen met boomholtes en rottend hout, of onvervuilde, voedselarme wateren met specifieke vegetaties. Deze biotopen zijn niet aanwezig in het plangebied en de directe omgeving. Deelconclusie ongewervelden In het plangebied is geen geschikt leefgebied voor beschermde dagvlinders, nachtvlinders en libellen en deze zijn tijdens het veldbezoek ook niet waargenomen. Ook voor overige soorten ongewervelden zoals beschermde kevers, kreeften of slakken vormt het plangebied geen geschikt habitat. Het plangebied biedt uitsluitend leefgebied voor algemene vlinder- en (zwervende) libellensoorten en overige algemene soorten ongewervelden.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

21

Ecologische quickscan Alphenseweg Baarle-Nassau, BE-1227

5. RESULTATEN EN ADVIES In dit hoofdstuk wordt beschreven welke verbodsbepalingen uit de Omgevingswet mogelijk worden overtreden met de voorgenomen ingreep. Ook worden daarbij eventueel te nemen vervolgstappen aangegeven.

5.1 Resultaten en advies beschermde gebieden en houtopstanden 5.1.1 Natura 2000 – stikstofdepositieonderzoek Zoals beschreven in hoofdstuk 4 kan op voorhand niet worden uitgesloten dat door stikstofdepositie in de aanleg- en gebruiksfase negatieve effecten optreden op omliggende Natura 2000-gebieden. Daarom dient een AERIUS-berekening te worden uitgevoerd. Voor de overige verstoringsfactoren geldt dat hiervan geen negatieve effecten te verwachten zijn op omliggende Natura 2000-gebieden.

5.1.2 Natuurnetwerk Nederland – niet aan de orde Het plangebied is niet gelegen in Natuurnetwerk Nederland. Negatieve gevolgen van de voorgenomen werkzaamheden zijn redelijkerwijs uitgesloten. Vervolgonderzoek in het kader van NNN is niet noodzakelijk.

5.1.3 Houtopstanden – niet aan de orde Het plangebied bevat geen houtopstanden die middels het planvoornemen zullen verdwijnen. Er bestaan dan ook geen verdere verplichtingen aangaande houtopstanden binnen de Omgevingswet. Gebied Natura 2000 Natuurnetwerk Nederland Houtopstanden

Afstand plangebied 3 km 450 m

Ingreep verstorend Mogelijk Nee

Nader onderzoek Ja Nee

Vergunningaanvraag Mogelijk Nee

Opmerkingen

N.v.t.

Nee

Nee

Nee

-

Stikstofdepositieonderzoek -

Tabel 8: Overzicht gebiedsbescherming en te nemen vervolgstappen.

5.2 Resultaten en advies beschermde soorten 5.2.1 Vleermuizen – zorgplicht Het te slopen schuurtje beschikt niet over geschikte bouwstructuren die als verblijfplaatsen voor vleermuizen kunnen dienen. Hierdoor zijn er geen verblijfplaatsen voor vleermuizen in het gebouw aanwezig. Rondom het plangebied blijft voldoende geschikt foerageergebied voor vleermuizen beschikbaar. De voorgenomen werkzaamheden hebben geen significante negatieve effecten op foerageergebieden of vliegroutes van vleermuizen, mits het schijnen van kunstlicht op de bomenlaan en groenelementen wordt voorkomen.

5.2.2 Grondgebonden zoogdieren – zorgplicht Het is mogelijk dat er individuen van vrijgestelde soorten grondgebonden zoogdieren binnen het plangebied kunnen voorkomen. De zorgplicht is altijd van kracht.

5.2.3 Broedvogels – zorgplicht Er zijn geschikte nestgelegenheden voor algemene Vogelrichtlijnsoorten aanwezig in de boom en struiken binnen het plangebied. Een negatief effect op deze soorten kan worden voorkomen door buiten het broedseizoen te werken.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

22

Ecologische quickscan Alphenseweg Baarle-Nassau, BE-1227

5.2.4 Overige soortgroepen Voor de volgende soortgroepen geldt dat met de voorgenomen ingreep geen negatieve effecten worden verwacht: flora, marterachtigen, amfibieën, reptielen, vissen en ongewervelden. Soortgroep

Verblijfplaatsen Foerageergebied

Geschikt habitat Nee Nee Ja

Ingreep verstorend Nee Nee Niet significant

Nader onderzoek Nee Nee Nee

Vergunningaanvraag Nee Nee Nee

Vliegroutes

Ja

Mogelijk

Nee

Nee

Marterachtigen Overige grondgebonden zoogdieren Broedvogels Jaarrond beschermd Algemeen

Nee Nee

Nee Nee

Nee Nee

Nee Nee

Voorkom het schijnen van kunstlicht op omliggende groenelementen Voorkom het schijnen van kunstlicht op naastgelegen laanbeplanting -

Nee

Nee

Nee

Nee

-

Ja

Mogelijk

Nee

Nee

Amfibieën Reptielen Vissen Ongewervelden

Nee Nee Nee Nee

Nee Nee Nee Nee

Nee Nee Nee Nee

Nee Nee Nee Nee

Werkzaamheden buiten het broedseizoen uitvoeren -

Flora Vleermuizen

Opmerkingen

Tabel 9: Overzicht geschiktheid plangebied voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen.

5.3 Aanbevelingen Bij onvoorziene omstandigheden zoals bijvoorbeeld indien een soort die niet in de quickscan wordt genoemd in het terrein wordt geconstateerd bij aanvang van de werkzaamheden, dient hier passend op te worden gereageerd. Het is hierbij nodig om contact op te nemen met een ter zake kundige en een maatregel toe te passen, zodat de wet niet wordt overtreden. Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat holen van algemene soorten als konijn, egel en diverse muizensoorten worden vergraven. De volgende maatregelen zijn nodig om rekening te houden met deze soorten: o Indien er verstoring plaatsvindt, dient er een passende vluchtroute beschikbaar te zijn. Dit geldt in het bijzonder voor vogels en grondgebonden zoogdieren (zoals muizen en egels). o Werk vanaf één zijde en bij voorkeur van een drukke naar een rustige locatie toe, zoals een open veld of ruigte. Werk ook op een aangepast tempo, zodat dieren kunnen vluchten. Gelet op de zorgplicht dienen voorafgaand aan de werkzaamheden alle maatregelen te worden getroffen om nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel mogelijk te voorkomen, beperken of ongedaan te maken. Dit geldt altijd en voor alle planten- en diersoorten. Natuurinclusief bouwen Diverse fauna soorten staan onder druk door steeds verder afnemende broed- en nestgelegenheid.

Natuurinclusief bouwen is een verzamelterm voor tal van maatregelen en manieren om natuur te integreren bij de bouw van woningen, kantoren en andere gebouwen. Natuurinclusief bouwen bevordert de biodiversiteit en ons leefklimaat. Vogelbescherming Nederland heeft een checklist ontwikkeld, waarmee iedere bouwonderneming zijn projecten en de directe omgeving natuurvriendelijker kan maken (www.checklistgroenbouwen.nl). Daarnaast zijn er op de website www.bouwnatuurinclusief.nl veel tips om natuurinclusief te bouwen.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

23

Ecologische quickscan Alphenseweg Baarle-Nassau, BE-1227 Voor de ontwikkeling van het plangebied Alphenseweg raden wij de volgende natuurinclusieve maatregelen aan: o Bij de aanleg van groenstructuren in het plangebied wordt bij voorkeur inheems (streekeigen) groen aangeplant. Groei en bloei van deze planten en de momenten waarop rupsen, bijen of vogels sterk van hun blad, nectar en stuifmeel afhankelijk zijn, zijn op elkaar afgestemd. Dit is een belangrijk verschil met uitheemse soorten, die vaak eerder en te vroeg uitlopen/bloeien. De voorkeur gaat uit naar en bes- en nootdragende struiken zoals sporkehout (vuilboom), Gelderse roos, wilde kardinaalsmuts, lijsterbes, hondsroos, sleedoorn of hazelaar. Deze zijn ten gunste van foerageerfuncties voor vogels, maar ook kleine knaagdieren, insecten en insecteneters zoals vleermuizen zullen hiervan profiteren. Huismussen zullen schuilgelegenheid vinden in stekelige struiken zoals bijv. (groenblijvende) hulst of meidoorn. Lindes trekken tijdens hun relatief lange bloeitijd grote aantallen insecten aan, en dus ook eerdergenoemde insecteneters. o Veel vleermuissoorten zijn afhankelijk van bebouwing als nestgelegenheid, maar onze huizen en verdere bebouwing worden steeds dichter. Vleermuizen kunnen zelf geen nest bouwen, maar maken gebruik van al bestaande holtes, zoals spleten en spouwen.

Ze verblijven op verschillende plekken, afhankelijk van de periode van het jaar en de functie (zoals winter- of kraamverblijfplaats). Door het plaatsen van inmetselstenen worden vleermuizen enorm geholpen bij het bieden van een verblijfplaats. Naast het plaatsen van vleermuisvoorzieningen kunt u ook ruimtes in het gebouw vrijlaten voor vleermuizen. Denk hierbij aan open stootvoegen om de spouw toegankelijk te maken, ruimte achter de gevelbetimmering te laten of ruimte maken in (dubbele) daklijsten. o Om de populatie huismussen en gierzwaluwen in de omgeving uit te breiden kunnen er hout betonnen inbouw of gevelkasten worden gebruikt om te dienen als nestgelegenheid in de nieuw te bouwen woningen. Het aanbrengen van houten nestkasten is ook mogelijk, maar is minder duurzaam. Op deze manier kan de in de directe omgeving aanwezige populatie zich naar het plangebied uitbreiden en wordt de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd.

Afbeelding 7: voorbeelden van inbouwkasten; vleermuis, huismus en gierzwaluw. Bron: Vivara pro.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

24

Ecologische quickscan Alphenseweg Baarle-Nassau, BE-1227

6. BRONNEN

Websites www.kaartbankbrabant.nl www.atlasleefomgeving.nl www.floron.nl www.iplo.nl www.minlnv.nederlandsesoorten.nl/ www.natura2000.eea.europa.eu www.natuurmonumenten.nl www.NDFF.nl www.ravon.nl www.rijksoverheid.nl www.sovon.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vivarapro.nl www.vogelbescherming.nl www.waarneming.nl www.wikipedia.nl www.vivarapro.nl

Andere bronnen Checklist Vleermuisprotocol 2021 Limpens et al., 2014, 2017 Baijens et al., 2005 Netwerk Groene Bureaus Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen, ministerie van Economische Zaken

Bijlagen Bijlage 1: De verspreidingslijst van NDFF Bijlage 2: Beleidskader Bijlage 3: Lijst van beschermde soorten onder de Habitatrichtlijn Bijlage 4: Soorten van nationaal belang

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

25

Uitvoerportaal Alphenseweg

BE-1227

875 records Middelpunt < 1km²

Middelpunt > 5km²

Middelpunt 1km² - 5km²

Vlak

schaal 1 : 1000

De NDFF is de meest omvangrijke landelijke informatiebron van verspreidingsgegevens en bevat betrouwbare waarnemingen van planten en dieren in Nederland. Nieuwe gegevens worden met regelmaat toegevoegd. Alle gegevens in de NDFF zijn door soortexperts gevalideerd. Nader (veld-)onderzoek kan noodzakelijk zijn om aanwezigheid van een soort te bevestigen of uit te sluiten.

27 januari 2025 16:04:31

1

Auteur: Jeannette Welten

Uitvoerportaal Alphenseweg

BE-1227 Zoekvraag Soort

Soortgroep

Wet en Beleid

Periode

Alle

Alle

Wnb - andere soorten 27 januari 2020 tot (NB) 27 januari 2025 Jaarrond beschermde nesten Wnb - Vogelrichtlijn Wnb - Habitatrichtlijn

Samenvatting

Bronhouder

Zoekgebied

Alle

Alles rakend aan of binnen zoekgebied

(unieke soorten) / totaal aantal waarnemingen

De NDFF is de meest omvangrijke landelijke informatiebron van verspreidingsgegevens en bevat betrouwbare waarnemingen van planten en dieren in Nederland. Nieuwe gegevens worden met regelmaat toegevoegd. Alle gegevens in de NDFF zijn door soortexperts gevalideerd. Nader (veld-)onderzoek kan noodzakelijk zijn om aanwezigheid van een soort te bevestigen of uit te sluiten.

27 januari 2025 16:04:31

2

Auteur: Jeannette Welten

Uitvoerportaal Alphenseweg

BE-1227 Beleid BKN landelijk gebied Alpenwatersalamander Blauwe reiger Boerenzwaluw Bonte vliegenvanger Boomklever Boomkruiper Boomvalk Bosuil Buizerd Eekhoorn Ekster Fazant Gaai Geelgors Gekraagde roodstaart Gele kwikstaart Gewone dwergvleermuis Gierzwaluw Goudhaan Grasmus Grauwe vliegenvanger Groene specht Groenling Grote bonte specht Havik Heggenmus Holenduif Houtduif Huismus Huiszwaluw Kauw Kievit Kneu Koolmees Laatvlieger Matkop Merel Patrijs Pimpelmees Putter Ransuil Roodborst Sperwer

(59) 843 11 9 9 8 24 11 1 5 15 24 70 1 1 1 2 1 27 65 2 2 3 14 4 20 1 8 4 10 90 34 10 4 2 96 6 1 24 4 71 4 1 11 5

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16998426/1