Bijlage 1 Verslag bijeenkomst Jetten vastgesteld
Tekst van het document
Besprekingsverslag Bespreking
Overleg over Netcongestie Brabant - Limburg Provinciehuis Noord-Brabant, 16 juni 2022
VASTGESTELD
Aanwezig
Rob Jetten (Minister EZK), Mariëlle Hetem (Ministerie EZK) Anne-Marie Spierings (gedeputeerde Noord-Brabant, voorzitter), Irene Cortenbach (Provincie Noord-Brabant) Maarten van Gaans (gedeputeerde Limburg), Diederik Timmer (Provincie Limburg) Stijn Steenbakkers (wethouder Eindhoven), Rik Grashoff (wethouder Tilburg), Antoinette Maas (wethouder Land van Cuijk), Hans Peter Verroen (wethouder Bergen op Zoom) Manon van Beek (TenneT), Maarten Abbenhuis (TenneT) Jeroen Sanders (Enexis), Daphne Verreth (Enexis) Nico van Dooren (Port of Rotterdam/CES Rotterdam-Moerdijk) Loek Radix (Chemelot/CES Chemelot) Verslag
Willem de Graaff (Provincie Noord-Brabant) Kopie aan
1.
Netcongestie: duiding van het probleem, impact en consequenties en hoe nu verder?
De aanwezige bestuurders geven aan te zijn overvallen door het nieuws en verwoorden een breed gedragen zorg over het vestigingsklimaat voor zowel het grootbedrijf als ook het MKB. In dit verband wordt gerefereerd aan een peiling die door VNO/NCW Brabant Zeeland samen met LWV1 is uitgevoerd, waarin 67% van de ondernemers in Limburg aangeeft zich zorgen te maken over (tijdige) beschikbaarheid van extra elektriciteit. Ook worden vanuit Brabant de tientallen (buitenlandse) bedrijven genoemd die geïnteresseerd zijn in vestiging in Brabant of Limburg. Als deze bedrijven besluiten zich elders te vestigen, betekent dit verliezen van rond een miljard euro aan investeringen en duizenden arbeidsplaatsen. Ook geven de aanwezige bestuurders aan zich zorgen te maken over de realisatie van alle duurzaamheidsvoornemens, zoals realisatie van de RES’en en de CES’en. Hierbij wordt ook aangegeven dat de industrie op deze manier niet haar bijdrage kan leveren aan het noodzakelijk terugdringen van de stikstofuitstoot. Een ander urgent vraagstuk. Daarnaast hebben zij behoefte aan
1
VNO/NCW Brabant Zeeland en LWV zijn de werkgeversverenigingen die actief zijn in respectievelijk Noord-Brabant en Limburg.
Documentnummer:
duidelijkheid als het gaat over de (on)mogelijkheid van ontwikkelingen in de gebouwde omgeving, zoals grootschalige gebiedsontwikkeling. Tevens geven de wethouders en gedeputeerden aan zich te willen inzetten om oplossing van dit probleem te versnellen. In reactie geven de netbeheerders aan al heel lang bezig te zijn met de het tijdig inspelen op de groeiende vraag naar elektriciteit, echter de investeringen geen pas kunnen houden met de sterke toename van de vraag naar netcapaciteit. De netbeheerders geven aan de grootte van de problematiek te herkennen en hebben begrip voor de frustratie bij gebruikers en overheden. De netbeheerders willen samen met overheden en netgebruikers eraan werken om deze gezamenlijke problematiek op kortere termijn aan te pakken en op langere termijn te voorkomen. Daarbij waarderen de netbeheerders de handreikingen die vanuit overheden en bedrijfsleven worden gedaan om daaraan een bijdrage te leveren. De Minister geeft aan dat met name het wetgevingstraject de afgelopen tijd vertraagd is. De huidige transportschaarste is ook het gevolg van twee succesvolle ontwikkelingen, een sterke groei van de opwek van hernieuwbare energie en de sterke verduurzaming van de industrie. Door overheden en netbeheerders is tot op heden heel goed gewerkt, maar het blijkt niet genoeg te zijn.
Als concrete acties worden genoemd: Zwaardere programmatische sturing op netproblematiek die in heel Nederland kan gaan voorkomen; De Energiewet zou de spoedwet moeten zijn. Dit vergt dat we het besluitvormingstraject voor de Energiewet zo spoedig mogelijk doorlopen, voor de zomer voor advies naar Raad van State en vervolgens nog dit jaar start van een snelle behandeling in de Tweede en Eerste Kamer; Binnenkort is er besluitvorming over de backbone waterstof; De randen opzoeken van wat er wettelijk kan en mag; Minister gaat met de ACM in gesprek t.b.v. onderzoek om belemmerende voorschriften te wijzigen (zoals FCFS, maar ook rekenmethodiek rondom opslag). De RCR waar mogelijk en versnellend inzetten; Procedures in de ruimtelijke ordening ook vanuit gemeenten en provincies zo veel als mogelijk versnellen en elkaar helpen in capaciteit en kennis om dit mogelijk te maken; 2.
Commitment betrokken partijen
Alle partijen spreken hun commitment uit om bij te dragen aan oplossingen voor zowel korte als lange termijn. Hierbij staat samenwerking voorop, waarbij iedere partij zijn eigen verantwoordelijk houdt. Verschillende partijen geven ook aan dat zij voor zichzelf nu al taken zien. Zo geven de netbeheerders aan bereid te zijn grenzen op te zoeken, onder voorwaarde dat de veiligheid niet in het geding kom. Het bedrijfsleven wil ook een rol spelen en ziet mogelijkheden rondom datadeling (in data safehouses) om zo meer inzicht te kunnen bieden in de toekomstige elektriciteitsvraag. De decentrale overheden geven aan naast een meer algemene aanpak, ook een meer case-gerichte aanpak te willen zien. Juist in de concrete casuïstiek kunnen huidige projecten worden versneld en is ook veel te leren. Documentnummer:
2/5
De provincies geven aan dat ook aandacht moet zijn voor het Zesde CES Cluster2, met name in Brabant en Limburg. De minister geeft aan zich in te zetten voor het versnellen van trajecten rondom wet- en regelgeving en met de ACM de mogelijkheden te willen onderzoeken om al voor de inwerkingtreding onderdelen in te voeren. En geeft daarbij wel de risico’s op procedures vanuit individuele bedrijven aan. Ook is het Rijk in overleg met de Raad van State over capaciteitsuitbreiding om versnelling van de doorlooptijd van procedures mogelijk te maken. Kern is voor de Minister wel een hands on-aanpak waarbij er een goede wisselwerking is tussen alle partijen, waarbij ook de bestaande structuren als CES en MIEK benut worden. Verder is de Minister bereid om vaker de Rijkscoördinatieregeling (RCR) in te zetten en per situatie te willen bekijken of er niet vast gestart kan worden met voorbereidingen van de realisatie als de vergunning nog niet onherroepelijk is. Overheden kunnen elkaar in de versnelling helpen op het gebied van capaciteit en kennis. 3.
Voorstel voor opdracht en bestuurlijk coördinatornet congestie BrabantLimburg
De Minister doet het voorstel om de heer Ben Voorhorst aan te stellen als coördinator netcongestie Noord-Brabant-Limburg. Afgesproken wordt dat de Minister, samen met de provincies Limburg en Noord-Brabant de opdracht verstrekt aan de heer Voorhorst en hem te vragen om binnen een, in overleg te bepalen, korte periode te komen met een plan van aanpak, waarbij het streven is dit voor de zomer gereed te hebben. In dat voorstel moet het hoe en wat verder worden uitgewerkt en moet ook aandacht zijn voor de verbinding met CES en MIEK. Hierbij zal de opdracht van de heer Voorhorst liggen op het aanpakken van de onderwerpen zoals die bij de agendapunten 4 en 6 zijn genoemd en dat bij knelpunten en suggesties op nationale thema’s de verbinding gelegd wordt met nationale tafels (de onder agendapunt 5 genoemde onderwerpen). Daarmee heeft de opdracht dus betrekking op alle onderwerpen zoals onder de agendapunten 4, 5 en 6 zijn verwoord. Tevens wordt aandacht gevraagd voor goede communicatie waarin tussentijdse resultaten actief naar buiten worden gebracht. Alle aanwezige partijen stemmen in met dit voorstel, waarbij wordt aangegeven dat de provincies hierbij ook namens de decentrale overheden handelen (de RES’en). Verder geven de aanwezige partijen aan dat de heer Voorhorst voorzien dient te worden van goede ondersteuning.
De provincies hebben hiervoor al dedicated mensen beschikbaar, ook andere partijen geven aan mensen beschikbaar te willen stellen. Ook wordt nadrukkelijk het belang benoemd van het delen van gegevens. Partijen spreken uit hieraan mee te willen werken. Verder wordt als suggestie meegegeven om ook te kijken hoe elders wordt gewerkt (met name de taskforce in Amsterdam wordt genoemd). De Minister geeft aan dat wanneer de heer Voorhorst knelpunten in wet- en regelgeving signaleert, deze via de Minister geadresseerd kunnen worden bij het Rijk en de ACM.
2
Het CES Zesde Cluster bundelt de verspreide energie-intensieve bedrijven en zoekt naar een strategie om de verduurzaming van de industrie mogelijk te maken.
Documentnummer:
3/5
4.
Oplossingen voor Brabant en Limburg
Door de wethouder Land van Cuijk wordt de vraag gesteld of er subsidiemogelijkheden kunnen komen voor het delen van energie op bedrijventerreinen. Vanuit Chemelot komt de vraag of er garanties gegeven kunnen worden dat bedrijven die nu in de fase van site-selectie zijn, een garantie kunnen krijgen dat er over 5 jaar een voldoende aansluiting op het elektriciteitsnet beschikbaar is. De Ministers Jetten en Adriaansens zijn bereid in gesprek te gaan met de CEO’s van deze bedrijven. De netbeheerders geven aan dat de wijze waarop opslag (batterijen) nu in de berekening moet worden meegenomen, negatieve gevolgen heeft voor transportschaarste. Een deel van de huidige problematiek wordt veroorzaakt door grote aansluitingen die gevraagd zijn om tijdelijke opslag van elektriciteit (non firm ATO’s) of flexibel meebewegen met het aanbod van elektriciteit mogelijk te maken. Dit wordt opgelost in de nieuwe energiewet. De Minister wil dit onderwerp met de ACM bespreken en bezien of het afzien van handhaving door de ACM mogelijk is vanaf het moment dat de Energiewet voor besluitvorming aan de Kamer is aangeboden. Ten aanzien van het IP van TenneT is er behoefte bij met name Limburg om voor publicatie nog het gesprek te voeren over de prioritering. TenneT geeft aan dat deze ruimte er in principe niet meer is, omdat de consultatieperiode reeds is afgerond.
Er is sprake van een integrale afweging, waarbij de projecten op de korte termijn (< 5 jaar) vastliggen. Met projecten die na deze termijn gaan spelen, kan wel geschoven worden als het afwegingskader daartoe aanleiding geeft. TenneT zegt toe het IP voor 5 juli met de decentrale overheden te delen, zodat partijen elkaar niet verrassen. Om ook op de langere termijn gedeelde beelden te hebben over de vraag naar transportcapaciteit en het aanbod daarvan, wordt afgesproken om de energiesysteemstudies die de provincies nu laten uitvoeren (gericht op het energiesysteem van 2040 en verder) met de netbeheerders te delen. De netbeheerders moeten met het eindbeeld voor ogen, het net gaan aanleggen. Meer in de breedte geven partijen aan dat het noodzakelijk is om informatie met elkaar te delen. Hoe beter het inzicht is in toekomstige ontwikkelingen (zowel voor opwek als verbruik), en dus ook vanuit de CES’en (inclusief het Zesde Cluster), des te beter ook de prognose voor de toekomstige transportcapaciteit. 5.
Landelijke oplossingen
Alle partijen zijn van mening dat er nu onvoldoende juridische ruimte is om het elektriciteitsnet zo maximaal mogelijk in te zetten. Veel van de gewenste (juridische) ruimte wordt in de Energiewet geregeld. Partijen zouden in de geest van de nieuwe wet moeten kunnen handelen. De Minister pleit ervoor om het wetgevingstraject snel te laten verlopen. De Energiewet zou de spoedwet moeten zijn. De Minister geeft aan dat gezien de urgentie in sommige gevallen wanneer een vergunning nog niet onherroepelijk is er al kan worden gestart met werkzaamheden. Dit is ook de werkwijze bij een aantal aanlandingen van wind op zee. Dat daarbij een bestuurlijk risico gelopen wordt, is in dergelijke gevallen Documentnummer:
4/5
te accepteren. Hij wijst erop dat de energietransitie bijdraagt aan de oplossing van de stikstofproblematiek. 6.
Verstevigen van de werkwijze, programmeren en prioritering van CES, MIEK en andere trajecten (als RES, NAL, gebouwde omgeving)
Veel van de acties op de korte termijn zijn gericht op het creëren van ruimte op het bestaande netwerk. Maar hoe voorkomen we dat de ontstane ruimte voor zaken wordt gebruikt, die maatschappelijk gezien niet direct prioriteit zouden hebben? Dit is geen eenvoudige opgave, maar aanwezigen vinden dat hier niet voor weg moet worden gelopen. Met name vanuit de CES’en wordt aangegeven dat de huidige CES‘en zijn geënt op CO2-reductie en niet op energiegebruik, vergeet de NON-ETS bedrijven niet. Bovendien is de CES-aanpak nu nog te veel gebaseerd op vrijwilligheid. De minister geeft aan dat als een wettelijk kader helpt om het proces rondom de CES’en te versnellen, we dit moeten uitwerken en dat we, vanuit het oogpunt van klimaat, hier ook de grondstoffendiscussie in mee moeten nemen (o.a. m.b.t. de H2-backbone en de Delta-corridor). Enexis geeft daarbij aan dat betrokkenheid van het bedrijfsleven cruciaal is. Zowel op de korte termijn (congestiemanagement) als ook op de lange termijn (wat wordt de toekomstige vraag en hoe prioriteren en programmeren we die?). Conclusie is dat de capaciteit zo snel mogelijk moet worden vergroot, dat is altijd goed en dat is waar de netbeheerders ook al voor aan de slag zijn. 7.
Vervolgafspraken en communicatie
Ministerie en provincies werken samen met de heer Voorhorst aan een goede opdracht en stemmen hierover af met de deelnemers aan tafel. De bestaande structuren worden maximaal benut. De structuur die uiteindelijk wordt gekozen, moet gericht zijn op maximaal samenwerken, met behoud van de eigen verantwoordelijkheid. Ook de bestuurlijke structuur moet werkbaar zijn en snel handelen faciliteren. Met betrekking tot communicatie wordt afgesproken nog deze dag een persbericht uit te brengen over de benoeming van dhr. Voorhorst, waarin ook het commitment van andere aanwezige partijen naar voren komt.
Documentnummer:
5/5