Bijlage 1. Toelichting Voske 6a, Baarle-Nassau
Tekst van het document
Gebiedsbescherming
De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk gelegen bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is reeds beschermd in het Barro en provinciale verordening. In Nederland zijn 164 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Kempenland-West, Kampina en Oisterwijkse Vennen en Regte Heide en Riels laag. De provincie Noord-Brabant heeft geen bijzondere provinciale natuurgebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning i.h.k.v. Wet Natuurbescherming (Wnb) wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied betreft Regte Heide & Riels Laag welke is gelegen op een afstand van circa 4,9 kilometer.
Bestemmingsplan – Voske 6a, Baarle-Nassau - Toelichting
20
Verschillende bedrijfsactiviteiten kunnen negatieve effecten hebben op de Natura 2000-gebieden. Er zijn verschillende factoren welken kunnen leiden tot de verstoring van beschermde vogel- en habitattypen en soorten. Met name bij de ontwikkeling van veehouderijen zijn de storingsfactoren verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht van toepassing. Op onderhavige locatie is binnen het vigerend planologisch regime een veehouderij mogelijk toegestaan. In de beoogde situatie komt deze toestemming echter te vervallen. Hierdoor zijn mogelijk significante negatieve effecten afkomstig van een veehouderij niet meer van toepassing. De activiteiten met betrekking tot het beoogd gebruik behelst geen emissies van stikstof. Naast de verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht kunnen andere factoren eveneens leiden tot een verstoring van habitattypen en soorten. De beoogde bedrijfssituatie leidt verder niet tot andere voorkomende storende factoren op omliggende Natura 2000-gebieden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling. Dit komt door de ruimte afstand tot het gebied van 4,2 kilometer.
Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten.
Bescherming van soorten
De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren.
In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in het plangebied voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: • Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); • Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); • Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Gelet op de aard van het initiatief aan het Voske 6a dient met name bepaald te worden of ter plaatse van de op termijn nieuw te realiseren vrijstaande bedrijfswoning beschermde natuurwaarden bevinden, die verstoord zouden kunnen worden. Immers wordt er aan de bestaande bedrijfsbebouwing in eerste aanleg niets veranderd. Verboden handelingen dienen desondanks zoveel mogelijk te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten dient zo veel mogelijk voorkomen te worden.
Gezien het huidige gebruik van de bedrijfsgebouwen is de aanwezigheid van beschermde of bijzondere soorten daar echter niet te verwachten.
Bestemmingsplan – Voske 6a, Baarle-Nassau - Toelichting
21
Tevens kan door middel van de Flora- en Faunascan van Arcadis gekeken worden of de werkzaamheden voor het realiseren van de beoogde situatie een bedreiging vormen voor de beschermde soorten. De resultaten van deze scan zijn opgenomen in Afbeelding 10. Het huidige landschapselement waar de huidige loods en bedrijfswoning staan kan getypeerd worden als graslandgebied met sloten, in combinatie met landschapselementen, bosjes en poelen en vijvers. De ruimtelijke ingreep betreft het wijzigen van de agrarische bestemming in een bedrijvenbestemming zonder uitbreiding van bedrijfsgebouwen op termijn kan de huidige inpandige bedrijfswoning worden beëindigd waarbij een vrijstaande woning kan worden gerealiseerd binnen het bestaande bouwvlak. Uit de scan volgt dat de aanwezigheid van beschermde soorten en een overtreding van hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming onwaarschijnlijk is.
Afbeelding 10: Resultaten uit Arcadis Flora- en faunascan Bescherming van houtopstanden De bescherming van houtopstanden zoals die is vastgelegd in de Wnb vloeit voort uit de voormalige Boswet. Voorwaarden zijn gericht op de instandhouding van het bosareaal. Bij houtopstanden groter dan 10 are of 20 rijbomen en liggend buiten de bebouwde kom geldt een meldplicht, herplantplicht en mogelijke oplegging van een kapverbod. Met het initiatief is geen sprake van het vellen van houtopstanden. Geconcludeerd kan worden dat er geen ontheffing noodzakelijk is in het kader van de Wet natuurbescherming. 4.4 Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie Voorafgaand aan de realisatie van de beoogde bedrijfsopzet dient onderzocht te worden of er sprake is van aantasting van archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden.
4.4.1
Cultuurhistorie en aardkunde
De cultuurhistorie en aardkunde binnen het plangebied wordt beschouwd aan de hand van het wettelijk toetsingskader en het daaruit volgende provinciaal beleid. Wettelijk toetsingskader Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken.
Bestemmingsplan – Voske 6a, Baarle-Nassau - Toelichting
22
Op 5 juli 2011 is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2012 moet ieder nieuw project een analyse van cultuurhistorische waarden bevatten. In aansluiting op de vaststelling van de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in mei 2011 zijn op 17 juni 2011 het Bro, het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz) aangepast. Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en verlening van een omgevingsvergunning. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een omgevingsvergunning moet voldoen. Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De wetgever wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het proces naar voren wordt gehaald. In het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden.
Bij het vaststellen van een bestemmingsplan is daarmee de plicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Uit de cultuurhistoriekaart van de provinciale Interim omgevingsverordening Noord-Brabant blijkt dat het plangebied niet gelegen is in een cultuurhistorisch vlak of een aardkundig waardevol gebied. Daarnaast kent de locatie geen complexen van cultuurhistorisch belang. Hierdoor zal bij uitvoering van het plan geen afbreuk gedaan worden aan cultuurhistorische waarden of aardkundig waardevol gebied. De Erfgoedwet, van kracht sinds 1 juli 2016, bundelt wet- en regelgeving op het gebied van behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland in één nieuwe wet. Een groot deel van de bestaande wet- en regelgeving (Monumentenwet, Wet ruimtelijke ordening) is overgenomen in de Erfgoedwet, bijvoorbeeld de aanwijzing van rijksmonumenten, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Voor het eerst is er nu één integrale wet die betrekking heeft op museale objecten, musea, monumenten en archeologie op het land en onder water.
Voorheen was het behoud en beheer van ons erfgoed geregeld in zes verschillende wetten met elk hun eigen procedures en beschermingsmaatregelen. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Daarnaast worden aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Samen met de Omgevingswet die naar verwachting in 2021 wordt ingevoerd, wordt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleid provincie Noord-Brabant Aardkundige waarden zijn onderdelen van het landschap die iets vertellen over de oorsprong van het gebied. Het landschap in Noord-Brabant is honderden tot honderdduizenden of zelfs miljoenen jaren terug ontstaan. Deze dekzandruggen, stuifduinen en meanderende beeklopen zijn gezichtsbepalend voor het Brabants landschap. De provincie wil deze onvervangbare gebieden behouden vanwege de ecologische en cultuurhistorische betekenis. Daarom nam de provincie gebieden van provinciale of nationale betekenis op in haar structuurvisie ruimtelijke ordening. In de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is extra ruimtelijke bescherming voor het beheer en behoud van die gebieden geregeld. De Provincie heeft de 'Aardkundig waardevolle gebiedenkaart NoordBrabant’ ontwikkeld, welke is opgenomen in de verbeelding van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.
De kaart geeft aan op welke gebieden de bestaande beleidsregels betrekking hebben en welke waarden er gelden. Het plangebied is niet gelegen in een aardkundig waardevol gebied. Dit blijkt uit de kaartlaag ‘stedelijke ontwikkeling en erfgoed’, zie Afbeelding 11.
Bestemmingsplan – Voske 6a, Baarle-Nassau - Toelichting
23
Afbeelding 11: Uitsnede kaart 'Instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed' Iov De CHW bevat tevens de meest recente erfgoedinformatie van het Rijk inclusief archeologische en bouwkundige monumenten, archeologische verwachtingswaarden en beschermde stads- en dorpsgezichten. Ook alle informatie die op de CHW 2006 te vinden was is opgenomen op de nieuwe CHW, zie Afbeelding 11. Hieruit blijkt dat plangebied is gelegen ter plaatse van gronden die zijn aangewezen als ‘Archeologische landschappen’ en behoort tot de regio Baronie. Het aspect archeologie wordt verder beschreven in navolgende paragraaf. Het Voske is aangewezen als historisch geografische lijn van redelijk hoge waarde. Vanwege de ligging van het plangebied aan het Voske vormt het plangebied slecht een van de aanwezige bedrijven of woningen aan het Voske. Voorgenomen initiatief leidt niet tot een verslechtering van de historisch geografische lijn daar de Voske niet wordt aangetast. Ter plaatse van de huidige locatie is al reeds bebouwing aanwezig welke wordt behouden. De mogelijke herbouw van inpandige bedrijfswoning tot vrijstaande bedrijfswoning zal plaatsvinden voor de huidige bebouwing en op eMet het landschappelijk inpassingsplan is zelfs beoogd het zicht op de locatie te verbeteren.
Afbeelding 12: Uitsnede Cultuurhistorische waardenkaart provincie Noord-Brabant (plangebied rood omcirkeld) 4.4.2
Archeologie
Voor archeologie geldt de nationale wetgeving die afkomstig is uit Europees beleid. Het Verdrag van Valletta (of wel: ‘Verdrag van Malta’) regelt hoe er omgegaan moet worden met het Europees
Bestemmingsplan – Voske 6a, Baarle-Nassau - Toelichting
24
archeologisch erfgoed. Nederland heeft het verdrag in 1992 mede ondertekend. De uitgangspunten van dit Europese verdrag zijn in de Nederlandse wet- en regelgeving verankerd door middel van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). De Wamz is in werking getreden op 1 september 2007 en wijzigt hiermee de Monumentenwet uit 1988, de Ontgrondingenwet (Ow), de Wet milieubeheer (Wm), de Woningwet (Ww) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro). ). Sinds de invoering van deze wet zijn gemeenten belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Vanaf 1 juli 2016 is dit op dezelfde wijze als via de Wamz verwerkt in de Erfgoedwet en in de toekomst zal dit verwerkt worden in de Omgevingswet. Tot de Omgevingswet ingaat gelden voor onderdelen, die gaan over de fysieke leefomgeving, de bepalingen uit de Monumentenwet. Dit is opgenomen in de overgangsregeling van de Erfgoedwet. Het uitgangspunt is dat er verplicht rekening gehouden moet worden met het behoud van het archeologisch erfgoed in de bodem. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden door middel van archeologisch onderzoek. Bij het ontwikkelen van ruimtelijke plannen moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Het beleid van de gemeente Baarle-Nassau ten aanzien van archeologie is vervat in de Paraplubeheersverordening Baarle-Nassau 2023.
In combinatie met de archeologische beleidskaart vormt deze het beleidsinstrumentarium voor de gemeente om haar wettelijke taak als bevoegde overheid voor archeologie uit te kunnen voeren. In Afbeelding 13 is een uitsnede van deze archeologische beleidskaart te zien ter plaatse van het plangebied.
Afbeelding 13a: Uitsnede beleidskaart 'Nota Archeologie'
Bestemmingsplan – Voske 6a, Baarle-Nassau - Toelichting
25
Afbeelding 14: uitsnede Paraplubeheersverordening Baarle-Nassau 2023 Uit de Paraplubeheersverordening Baarle-Nassau 2023 van de gemeente Baarle-Nassau is op te maken dat op het plangebied de aanduiding ‘waarde – archeologie 2’, ‘waarde – archeologie 3’ en ‘overige zone – bosgebied’ is opgenomen. Onderhavig plan betreft het wijzigen van het gebruik van de bestaande bebouwing. De agrarische functie wordt ten behoeve van een bedrijfsfunctie gewijzigd. Doordat er geen fysieke ingrepen plaatsvinden worden verdere mogelijke archeologische waarden in situ behouden. Nader onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. In de toekomst is het voornemen om ter plaatse de bestaande inpandige woning te laten vervallen en hiervoor een vrijstaande bedrijfswoning op te richten. Aansluitend dient een deel van de loods te worden gesloopt. Hierbij is het aannemelijk dat er ingrepen plaatsvinden in de bodem welke dieper zijn dan 40 cm en groter dan 100 m2. Wanneer aan de orde dient er een onderzoek te worden uitgevoerd om te bepalen of er archeologische waarden aanwezig zijn en, indien aanwezig, in hoeverre deze behouden kunnen worden. Om dit te borgen in het bestemmingsplan wordt hiervoor archeologische dubbelbestemmingen, ‘Waarde – Archeologie 2’ en ‘Waarde – Archeologie 3’ alsmede de ‘overige zone – bosgebied’ binnen het plangebied opgenomen.
4.5 Bedrijven en milieuzonering De handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (editie 2009) is een publicatie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en dient als hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het waar nodig ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen:
Bestemmingsplan – Voske 6a, Baarle-Nassau - Toelichting
26
• •
Het reeds in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; Aan bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren.
De VNG-publicatie is een hulpmiddel om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen concreet in te vullen. Gemeenten beslissen uiteindelijk zelf over een bepaalde locatie. De handreiking geeft informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten en bijbehorende richtafstanden van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit. Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen: • Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype) die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer. • Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Ook gebieden direct naast de hoofdinfrastructuur gelegen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. Onderhavige locatie is gelegen in omgevingstype ‘rustig buitengebied’. Dit omgevingstype wordt gekenmerkt door een matige functiescheiding. In de omgeving bevinden zich direct naast woningen andere functies zoals o.a. (agrarische) bedrijven en burgerwoningen.
Het beoogde bedrijf is gezien de werkzaamheden te kwalificeren als een milieucategorie 2 bedrijf. De werkzaamheden zijn kleinschalig, omdat er steeds unieke projecten worden gebouwd en er dus geen serieproductie plaatsvindt. Het bedrijf is dus niet te vergelijken met een metaalverwerkingsbedrijf waar voornamelijk wordt gewerkt met grote staalplaten en stansmachines. Daarvan is hier geen sprake. De activiteiten zijn vergelijkbaar met een kleinschalig aannemersbedrijf. Uit het principebesluit van het college is opgenomen dat dit aangetoond moet worden middels een akoestisch onderzoek Hiertoe is een dergelijk uitgevoerd waaruit blijkt dat de geluidsbelasting op de omliggende woningen passend zijn bij een categorie 2 bedrijf. Ook zijn op 30 meter rondom het bedrijf, gelijk aan de richtafstand, rekenpunten opgenomen. Op deze punten wordt voldaan aan het ‘Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau’. Een dergelijk vergelijk maakt, dat de bedrijfsactiviteiten vergelijkbaar zijn met een milieucategorie 2 bedrijf. Voor een bedrijf uit deze milieucategorie, gelegen in rustig buitengebied is de richtafstand dus gesteld op 30 meter voor het aspect geluid. Zie ook de alinea hiervoor. De dichtstbij gelegen woning van derden, gelegen aan de Voske 5, bevindt zich op een afstand van ca. 28 meter de rand van de bestemming ‘Bedrijf’.
De afstand van de gebouwen binnen het plangebied en de woning aan de Voske 5 bedraagt 55 meter. Ten opzichte van de gebouwen en voorzieningen ten behoeve van het bedrijf op het perceel Voske 8 bedraagt de afstand 32 meter. Voor het aspect geluid blijkt uit het bijgevoegde akoestisch onderzoek dat er geen grenswaarden worden overschreden. Derhalve vormt de ontwikkeling van de locatie Voske 6a niet tot een belemmering. Op grond hiervan kan worden gesteld dat wordt voldaan aan de ‘Bedrijven en Milieuzonering’. 4.6 Geur Voor veehouderijen zijn nationale regels vastgesteld in de Wet geurhinder en veehouderij. Hierin staan regels inzake geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld staan. Voor kleinere bedrijven zijn deze regels opgenomen in het Activiteitenbesluit. De wetgeving heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting door het opnemen van geurnormen of vaste afstanden. Hierbij is het mogelijk dat de gemeenteraad afwijkende normen vaststelt in een gemeentelijke geurverordening. Met deze opgenomen normen moet rekening gehouden worden bij beslissingen in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. De gemeente Baarle-Nassau heeft een verordening vastgesteld om af te wijken van deze wettelijke normen. Bestemmingsplan – Voske 6a, Baarle-Nassau - Toelichting
27
Voorgaande is in zoverre van belang dat aangezien de bestemming op onderhavige wijzigt van een agrarische bestemming naar de bestemming ‘Bedrijf’ en het een vrijstaande bedrijfswoning mogelijk maakt, is het belangrijk dat deze nieuwe woning niet in een overbelast gebied verkeerd wat betreft geur van omliggende veehouderijen (omgekeerde werking). Ook dienen nieuwe woningen de omliggende veehouderijen niet nader te beperken. In bijlage 4 is hiervoor een geuronderzoek opgenomen. Uit dit geuronderzoek blijkt dat er verschillende toetsingskaders zijn voor het aspect geur. In onderstaande tabel is een overzicht gegeven aan welke normen er (kunnen) gelden voor het aspect geur.
Tabel 1: Samenvatting te hanteren normen: Ligging en aard GGO
Afstandseis/norm
Waarde
Norm Wgv/AB Afstand Afstand gevel Afstand
10 Oue 50 meter 25 meter 50 meter
Wgv/AB Buiten bebouwde kom – met ef* Buiten bebouwde kom – zonder ef Buiten bebouwde kom Voormalig veehouderij**
Geurbelasting gehanteerd door gemeente Baarle-Nassau bij ruimtelijke plannen t.b.v. Woon- en leefklimaat. Deelgebied D – Vab – niet wonen
Norm
< 28 Oue Voldoende / >=28 Oue Onvoldoende
Iov Norm < 20 Oue *) = ef - emissiefactor (dieren met een geuremissiefactor waardoor de geurbelasting berekend kan worden) **) = woningen die vallen onder de werking van artikel 14, lid 2 en 3 Wgv.
Voor het toetsen van de geurbelasting en/of geurafstand op de nieuwe woning wordt uitgegaan de omgekeerde werking dus zowel de vaste afstanden, geurbelasting van de meeste bepalende veehouderij (in het kader van een goed woon-leefklimaat) als de achtergrondbelasting. Dit is in het geuronderzoek uitbreid beschreven. De conclusie die daar is opgenomen zal hieronder herhaald worden. Te beginnen met de vaste afstanden tot de omliggende veehouderijen. (Omdat delen van deze teksten één-op-één zijn overgenomen uit de onderzoeken zijn deze betreffende teksten hieronder cursief gemaakt)
“In de voorgaande hoofdstukken zijn de vaste afstanden bepaald en geurberekeningen uitgevoerd voor de locatie aan de Voske 6a te Baarle-Nassau ten opzichte van de omliggende veehouderijen. Uit deze toetsing kan geconcludeerd worden dat er in de bestaande situatie geen belemmeringen zijn voor de wijziging van de bedrijfsactiviteiten. Wanneer de gewenste vrijstaande bedrijfswoning (herbouw) wordt beoordeeld ligt deze woning mogelijk binnen de vaste afstanden van nabij gelegen veehouderij (Voske 8) en binnen de wettelijke geurcontouren van de tegenovergelegen veehouderij aan de Voske 5. Op grotere afstand liggen nog veehouderijen die buiten de vaste afstanden en geurnomen liggen. Deze vormen wederzijds geen belemmeringen. Op basis van het door de gemeente gehanteerde normen voor de achtergrondbelasting is het bedrijf gelegen in de achtergrondgeurcontour van de omliggende veehouderijen en ligt de berekende waarden boven de norm voor de achtergrondbelasting. De belasting in de beoogde situatie, met de tegenover gelegen veehouderij aan de Voske 5, op het plangebied is:
Bestemmingsplan – Voske 6a, Baarle-Nassau - Toelichting
28
Rekenpunt
Achtergrondbelasting
Helft van de Achtergrondbelasting
Voorgrondbelasting Voske 5
Meest bepalende belasting
Percentage geurgehinderden
Milieukwaliteit
Tabel 2: Overzicht geurbelasting in de achtergrond en percentage geurgehinderden met Voske 5
1012 1013 1014 1015 1016 1017 1018 1019 1022 1029 1032 1039 1042 1043 1044 1045 1046 1047 1048 1049
34,540 34,719 33,650 31,400 30,361 29,089 27,955 25,865 32,864 25,625 30,818 24,954 29,956 29,933 29,463 28,035 27,357 26,422 25,514 24,452
17,270 17,360 16,825 15,700 15,181 14,545 13,978 12,933 16,432 12,813 15,409 12,477 14,978 14,967 14,732 14,018 13,679 13,211 12,757 12,226
24,356 25,133 24,788 23,609 22,74 21,41 19,871 18,404 22,922 17,684 20,888 17,066 19,052 18,649 18,746 18,384 17,912 17,24 16,658 16,432
Voorgrond Voorgrond Voorgrond Voorgrond Voorgrond Voorgrond Voorgrond Voorgrond Voorgrond Voorgrond Voorgrond Voorgrond Voorgrond Voorgrond Voorgrond Voorgrond Voorgrond Voorgrond Voorgrond Voorgrond
34% 35% 35% 34% 33% 32% 31% 29% 33% 29% 31% 28% 30% 30% 29% 29% 29% 28% 27% 27%
Extreem slecht Extreem slecht Extreem slecht Extreem slecht Extreem slecht Extreem slecht Extreem slecht Extreem slecht Extreem slecht Extreem slecht Extreem slecht Extreem slecht Extreem slecht Extreem slecht Extreem slecht Extreem slecht Extreem slecht Extreem slecht Extreem slecht Extreem slecht
De vergunde rechten van alle agrarische bedrijven in de omgeving worden wel gerespecteerd daar deze reeds al beperkt worden door de huidige bedrijfswoning als geurgevoelig object dan wel door woningen van derden. Er vindt derhalve geen inbreuk op de mogelijkheden voor uitbreiding plaats zolang de herbouw van de bedrijfswoning nog niet heeft plaatsgevonden. In het kader van het woon- en leefklimaat kan geconcludeerd worden dat de huidige geurbelasting in overgrote deel van het plangebied binnen een milieukwaliteit valt welke aangemerkt kan worden als ‘Extreem slecht’ en ‘slechte geursituatie’. De belangrijkste bijdrage wordt geleverd door de veehouderij aan de Voske 5. Van deze locatie is bekend dat het bedrijf nog geen ontwikkelingen kenbaar heeft gemaakt om het bedrijf voort te zetten na 1 januari 2020 in verband met deelname stoppersmaatregel. Ook is de potentie van deze locatie als veehouderijlocatie minder daar er geurgevoelige objecten zeer nabij zijn gelegen. Wanneer de veehouderij stopt, dan wel geen geuremissies heeft, is er in het kader van het woon- en leefklimaat een milieukwaliteit van ‘matig’ en is het een ‘Voldoende geurniveau’, op basis van de beleidsregel. Zie hiervoor tabel 3:
Bestemmingsplan – Voske 6a, Baarle-Nassau - Toelichting
29
Rekenpunt
Achtergrond-belasting
Helft van de Achtergrond-belasting
Voorgrond-belasting Heikant 12
Meest bepalende belasting
Percentage geurgehinderden
Milieukwaliteit
Tabel 3: Overzicht geurbelasting in de achtergrond en percentage geurgehinderden zonder Voske 5
1012 1013 1014 1015 1016 1017 1018 1019 1022 1029 1032 1039 1042 1043 1044 1045 1046 1047 1048 1049
17,385 17,372 17,347 17,261 17,125 17,12 17,074 17,071 17,286 17,18 17,418 17,061 17,522 17,272 17,424 17,473 17,365 17,404 17,181 17,127
8,6925 8,686 8,6735 8,6305 8,5625 8,56 8,537 8,5355 8,643 8,59 8,709 8,5305 8,761 8,636 8,712 8,7365 8,6825 8,702 8,5905 8,5635
4,12 4,133 4,127 4,181 4,159 4,15 4,134 4,089 4,221 4,161 4,291 4,234 4,334 4,356 4,354 4,385 4,34 4,302 4,292 4,311
Achtergrond Achtergrond Achtergrond Achtergrond Achtergrond Achtergrond Achtergrond Achtergrond Achtergrond Achtergrond Achtergrond Achtergrond Achtergrond Achtergrond Achtergrond Achtergrond Achtergrond Achtergrond Achtergrond Achtergrond
18% 18% 18% 18% 18% 18% 18% 18% 18% 18% 18% 18% 18% 18% 18% 18% 18% 18% 18% 18%
Matig Matig Matig Matig Matig Matig Matig Matig Matig Matig Matig Matig Matig Matig Matig Matig Matig Matig Matig Matig
Voorwaarde is wel dat dit laatste slechts wordt bereikt indien de Voske 5 geen/nauwelijks een bijdrage levert aan de geurbelasting. Wanneer de herbouw van de bedrijfswoning aan de orde is zal opnieuw beoordeeld moeten worden of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit dient geborgd te worden in het bestemmingsplan. Advies Wanneer herbouw van de bedrijfswoning tot een vrijstaande woning aan de orde is, is er momenteel sprake van het belemmeren van de veehouderij aan de Voske 5 en mogelijk de veehouderij aan de Voske 8. Herbouw is dan pas mogelijk indien de veehouderijen aan de Voske 5 en 8 niet nader belemmerd worden of is beëindigd. Hiervoor dienen aanvullende bepalingen worden opgenomen in het bestemmingsplan. In het kader van de achtergrond geurbelasting en het woon- en leefklimaat geldt dat momenteel de veehouderij aan de Voske 5 nog beschikt over rechten om dieren te houden. Hierdoor is de realisatie van de vrijstaande bedrijfswoning nog niet mogelijk. Om toekomstige ontwikkelingen mogelijk te maken zal er voor de realisatie van de woning een afwijkingsbevoegdheid worden opgenomen. Hierin wordt bepaald dat voorafgaand aan de realisatie van de woning aangetoond moet worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.” Het hiervoor opgenomen advies is geborgd in dit bestemmingsplan in de regels en verbeelding.
4.7 Geluid De Wet geluidhinder is sinds 1979 het juridisch kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. Deze wet zorgt voor de bescherming van geluidsgevoelige bestemmingen tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai. In de omgeving van het plangebied is geen spoorweg of industrieterrein gelegen. Het plangebied is wel gelegen binnen de geluidszone van de Voske. Met de beoogde ontwikkeling wordt echter geen nieuw geluidsgevoelig object opgericht. Er hoeft derhalve geen onderzoek te worden gedaan naar de geluidsinvloed van industrieterreinen in de omgeving of omliggende wegen en spoorlijnen op geluidsgevoelige objecten binnen het plangebied. Vanuit het bedrijf vindt wel geluidsproductie plaats. De geluidsproductie van ontwikkelings- en montagebedrijf is voornamelijk inpandig en afkomstig van werkzaamheden in de werkplaats welke plaatsvinden in de dagperiode. De werkzaamheden vinden voornamelijk plaats met gebruik van staal. De werkzaamheden zijn kleinschalig, omdat er steeds unieke projecten worden gebouwd en er dus geen serieproductie plaatsvindt. Daarnaast zijn transportbewegingen van- en naar de inrichting en het Bestemmingsplan – Voske 6a, Baarle-Nassau - Toelichting
30
laden en lossen binnen de inrichting zelf relevante geluidsactiviteiten. In de Wet geluidhinder is bepaald dat voor locaties in het bestemmingsplan waar woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen kunnen worden gerealiseerd, de geluidbelasting wordt onderzocht binnen de zones behorende bij verkeersbewegingen, spoorwegen en industrieterreinen. In het kader van de Bedrijven en Milieuzonering is de invloed van het project met de genoemde activiteiten op de omgeving ter plaatse, een milieucategorie 2 bedrijf. Voor het aspect geluid, is de richtafstand voor een bedrijf met milieucategorie 2 in een rustig buitengebied, 30 meter. Daarnaast worden geen nieuwe geluidsgevoelige functies opgericht. Zoals in paragraaf 4.5 reeds is vermeld is voor de locatie een akoestisch onderzoek opgesteld met de beoogde bedrijfsactiviteiten en de verwachte vervoersbewegingen van en naar de inrichting. Dit akoestisch onderzoek is als Bijlage 3 bij deze toelichting gevoegd. Uit dit onderzoek komt naar voren: (Omdat delen van deze teksten één-op-één zijn overgenomen uit de onderzoeken zijn deze betreffende teksten hieronder cursief gemaakt)
Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau Uit de rekenresultaten blijkt dat voor de representatieve bedrijfssituatie bij alle beoordelingspunten gelegen op 30 meter uit de grens van het bedrijf sprake is van een geluidsbelasting van 42 dB(A) etmaalwaarde of lager. Op basis hiervan kan gesteld worden dat deze bedrijfssituatie naar aard en omvang gelijk te stellen is met een milieucategorie 2 bedrijf. Ter plaatse van de geluidgevoelige bestemmingen bedraagt de geluidbelasting maximaal 35 dB(A) etmaalwaarde. Ter plaatse van de geluidgevoelige bestemmingen wordt ruimschoots voldaan aan de grenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Maximaal geluiddrukniveau Uit de rekenresultaten blijkt dat in de dagperiode ter plaatse van de toetspunt 17 sprake is van een geringe overschrijding van de richtwaarde van 65 dB(A) van 2 dB. Ter plaatse van de geluidgevoelige bestemmingen wordt ruimschoots voldaan aan de grenswaarden van het Activiteitenbesluit milieubeheer. De maximale geluidniveaus in de dagperiode zijn op een afstand van 30 meter van de grens van het bouwblok weliswaar maximaal 2 dB(A) hoger dan de richtwaarden van 65 dB(A), hetgeen echter niet impliceert dat er geen sprake is van een milieucategorie 2 bedrijf. Het betreft namelijk een richtwaarde.
Voor een milieucategorie 1 en 2 bedrijf kan ook sprake zijn van bijvoorbeeld laad-en losactiviteiten en het sluiten van autoportieren. Voorbeelden hiervan zijn o.a. parkeerplaatsen en loslaadplaatsen bij kantoren en supermarkten. Daarnaast kan nog opgemerkt worden dat de optredende maximale geluidniveaus ruim gelegen zijn onder de grenswaarde van het Activiteitenbesluit. Op basis hiervan en de geringe overschrijding van de richtwaarden voor milieucategorie 2 en gelet op het feit dat de bedrijfslocatie gelegen is binnen een gebied dat aangemerkt kan worden als een gemengd landelijk gebied kan de geringe overschrijding als aanvaardbaar aangemerkt worden. Ten slotte kan geconcludeerd worden dat op basis van de rekenresultaten als gevolg van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en het maximaal geluiddrukniveau het bedrijf naar aard en omvang gelijk te stellen is met een milieucategorie 2 bedrijf. Derhalve is er vanuit het aspect geluid geen belemmering voor het plan.
Bestemmingsplan – Voske 6a, Baarle-Nassau - Toelichting
31
4.8 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn geïmplementeerd op het gebied van grenswaarden voor diverse stoffen. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico's van luchtverontreiniging. Voor de kwaliteit van de buitenlucht zijn in bijlage 2 bij de Wm bepaalde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht opgenomen. Deze milieukwaliteitseisen betreffen grenswaarden van concentraties voor zwaveldioxide, stikstofoxiden (NO x als NO2) zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5), lood, koolmonoxide en benzeen. De luchtkwaliteitseisen vormen in de Wet Luchtkwaliteit geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen als: I. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; II. een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; III. een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; IV. een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Beoordeling
I
Uit de GCN-kaarten, zie Afbeelding 14, blijkt dat de achtergrondconcentratie PM10 en PM2,5 ter plaatse van het Voske respectievelijk 18,52 µg/m3 en 11,41 µg/m3 bedraagt. Ook de omliggende objecten liggen, blijkens de GCN-kaarten, volledig binnen de jaargemiddelde concentratie van respectievelijk 18 µg/m³ en 12 µg/m³. Concluderend blijkt dat met de beoogde initiatief aan het Voske 6a ruimschoots wordt voldaan aan de grenswaarde voor PM10 en PM2,5 van 40 µg/m³ en 25 µg/m³.
Afbeelding 14: Achtergrond concentratie Fijnstof PM10 (links) en PM2,5 (rechts) Voor de overige stoffen, stikstofdioxide en zwaveldioxide, zijn er op basis van de GCN-kaarten in de gehele gemeente Baarle-Nassau geen overschrijdingen van de grenswaarden.
II & III
Onderhavig plan maakt het mogelijk een bestaand agrarisch bedrijf om te zetten naar een bedrijfsbestemming, met de mogelijkheid om de bestaande inpandige bedrijfswoning wordt vervangen door een vrijstaande bedrijfswoning. Dit is een ontwikkeling van een dermate kleine schaal. Daarbij komt dat er geen wijziging in de situatie plaatsvindt ten opzichte van de luchtkwaliteit. Het huidige gebruik van het pand aan het Voske 6a, is met betrekking tot de bedrijfswoning al een gevoelige functie in de zin van de luchtkwaliteit voor omliggende bedrijven en functies. De in de toekomst mogelijke vrijstaande woning kan op dit moment planologisch gezien al opgericht worden binnen het bouwvlak en blijft een gevoelige functie. Gezien het hier eerder benoemde leidt het plan derhalve – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit en is de bepalingen met betrekking tot ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) niet van toepassing.
IV
Gezien de schaal van het project is geen beoordeling noodzakelijk binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Bestemmingsplan – Voske 6a, Baarle-Nassau - Toelichting
32
NO2
De emissie van NOx wordt voor 95% veroorzaakt door energieverbruik, met name in het verkeer en door verbranding in verwarmingsketels. Bijna 62% van de nationale NOx uitstoot is afkomstig van verkeer en vervoer. De landbouw veroorzaakt 4% van de totale emissie. De emissie is vooral afkomstig van de glastuinbouw. Met betrekking tot hotspots is van de emissie vanuit de primaire sector alleen de emissie vanuit stationaire bronnen relevant. De mobiele bronnen worden gebruikt om het land (in brede zin, dus bouwland, grasland, kwekerijen etc.) te bewerken, waardoor deze emissie gelijkmatig over het land verdeeld is. Aangezien de mobiele bronnen (trekkers en zelfrijdende machines) in de landbouw en de visserij sterk verspreid zijn, kan alleen de glastuinbouw in principe een concentratie in de emissie veroorzaken. Voor de kortdurende blootstelling van de mens aan piekconcentraties van NO 2 geldt een grenswaarde van 200 µg/m³ voor het uurgemiddelde van NO2, die niet vaker dan 18 maal per kalenderjaar mag worden overschreden. De norm voor langdurende blootstelling van de bevolking is de grenswaarde van 40 µg/m3 voor de jaargemiddelde NO2-concentratie. De achtergrondconcentratie ter plaatse bedraagt volgend de GCN-kaart van Nederland 13,46 µg /m3.
Gezien de beperkte emissie in de omgeving en de lage achtergrondconcentratie ter plaatse zijn geen problemen voor de luchtkwaliteit te verwachten.
Afbeelding 15: Uitsnede GCN-kaart Fijnstof NO2, referentiejaar 2020, RIVM Omliggende bedrijven
Voor de dichtstbijzijnde agrarische bedrijven is de bestaande bedrijfswoning al op korte afstand gelegen en in het kader van de Wet luchtkwaliteit reeds een gevoelige functie. In de nieuwe functie als bedrijfswoning binnen een bedrijfsbestemming (en in de toekomst een vrijstaande bedrijfswoning) blijft de woning nog steeds een gevoelige functie. Daar binnen het plangebied op geen enkel punt sprake is van een overschrijding van de grenswaarden, deze blijven ruimschoots onder de norm, is het aannemelijk dat bij ontwikkelingen van omliggende bedrijven deze niet worden belemmerd door de woning aan de Voske 6a.
Stofemissies
Met betrekking tot eventuele stofoverlast als gevolg van het op- en overslaan van de goederen kan gesteld worden dat deze niet in betekenende mate aanwezig is. De kans op verstuiving binnen de inrichting is zeer gering daar de goederen in gesloten verpakking geleverd worden op het bedrijf en deze worden immers inpandig opgeslagen.
Bestemmingsplan – Voske 6a, Baarle-Nassau - Toelichting
33
Naar aanleiding van het initiatief vindt geen wijziging in de situatie plaats in het kader van luchtkwaliteit. Daarbij is hiervoor aangetoond dat er op de locatie sprake is van een goed woon- en leefklimaat voor wat betreft het aspect luchtkwaliteit. Gezien de emissie van burgerwoningen nihil is en de lage achtergrondconcentratie ter plaatse zijn geen problemen voor de luchtkwaliteit te verwachten. Ten aanzien van luchtkwaliteit zijn er derhalve geen bezwaren ten aanzien van de gewenste ontwikkeling. 4.9 Landschappelijke inpassing In het kader van de door de provincie vereiste kwaliteitsverbetering van het landschap is in paragraaf 3.2.3. aangetoond dat naast een berekening van de kwaliteitsverbetering een goede landschappelijke inpassing van het plangebied noodzakelijk is, categorie 3. Hierbij wordt de relatie gelegd met paragraaf 3.1.2 van de Iov dat gaat over de algehele ‘zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit’. Landschappelijke inpassing betekent een zodanige vormgeving en inpassing dat deze optimaal is afgestemd op bestaande dan wel nog te ontwikkelen ruimtelijke, natuurlijke en cultuurhistorische landschapskwaliteiten. Landschappelijke inpassing vindt plaats op of direct aansluitend aan het bouwblok/bestemmingsvlak. De locatie aan het Voske 6a ligt in het halfopen cultuurlandschap van de gemeente Baarle-Nassau.
Hierbij zijn oorspronkelijke veel voorkomen elementen grotendeels verdwenen. Bij de landschappelijke inpassing is er voor gekozen om het zicht op belangrijke elementen te behouden. De locatie is reeds volledig ingepast door een bosje aan de achterzijde en oostelijke zijde. Aan de voorzijde zijn eveneens bosplantsoen en een conifeerhaag (westelijke zijde) aanwezig. De bestaande landschappelijke inpassing aan alle zijde wordt behouden en waar mogelijk versterkt. In Bijlage 7 bij deze toelichting is een nadere onderbouwing van de landschappelijke elementen opgenomen. Voor de beoogde ontwikkeling wordt de bestaande inpassing deels gerevitaliseerd ten behoeve van de doorgroei van planten en bomen. De voorzijde van het perceel bestaat momenteel, zoals vermeld, uit een coniferen haag. Deze wordt in de beoogde situatie gesaneerd aangezien dit geen gebiedseigen beplanting is en daarnaast in een vervallen staat verkeert. Hiervoor in de plaats wordt een struweelhaag aangeplant om de bedrijfspanden zoveel mogelijk aan het zicht te onttrekken. De omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door het besloten zandontginninglandschap. Kenmerken van deze landschapstypologie zijn de grillige kavelstructuur gecombineerd met bossingels, bosschages, hagen en bomenrijen.
In de omgeving is duidelijk te zien dat (beoogde) plannen bijdragen aan het terugbrengen en verbeteren van deze van oudsher, beplante kavelstructuren. Zo worden er veelvoudig houtsingels en struweelhagen aangeplant naast nieuwe bedrijfsvoeringen. De struweelhaag zoals voorgesteld is dan ook passend binnen de locatie en zijn omgeving en sluit aan op de van oudsher groenstructuren. Onderstaand beplantingsplan is opgenomen als bijlage bij de regels en zal als zodanig geborgd zijn. Dit zal bestaan uit populier, berk, els, eik et cetera, inheemse beplanting die passend is bij de omgeving. De bebouwing wordt volledig van het perceel van het zicht ontnomen. Zie voor de hiervoor genoemde inpassing onderstaande Afbeelding 16.
Bestemmingsplan – Voske 6a, Baarle-Nassau - Toelichting
34
Afbeelding 16: Landschappelijke inpassing 4.10 Bodemkwaliteit Voor onderhavig plangebied is in het kader van de Wet bodembescherming, de Regeling bodemkwaliteit en de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013, een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek geeft de bodemgesteldheid weer van het perceel aan het Voske 6a te Baarle-Nassau. Het onderzoek is als Bijlage 5 bij deze toelichting opgenomen. Hieronder volgen de conclusies van het bodemonderzoek.
Uit de veld- en analyseresultaten kan het volgende worden geconcludeerd: - Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden zijn zintuiglijk geen afwijkingen waargenomen. - Er zijn visueel op het maaiveld en in de bodem geen asbestverdachte (plaat)materialen waargenomen. - Uit de analyseresultaten kan het volgende worden afgeleid: A) Vml. bovengrondse HBO tank, circa 2.500 liter: - In de bovengrond ter plaatse van mengmonster M01 is geen verhoogd gehalte aan minerale olie aangetroffen. - In het grondwater zijn geen verhoogde concentraties aan minerale olie en btexn aangetroffen. -
De tevoren gestelde hypothese ‘verdachte’ locatie kan worden verworpen aangezien geen bodemverontreiniging is aangetroffen. Nader onderzoek en/of nadere maatregelen worden ten aanzien van deze deellocatie niet noodzakelijk geacht. B) Gehele locatie, circa 1.500 m2: - In de bovengrond ter plaatse van mengmonster M02 zijn geen verhoogde gehalten aangetroffen. - In de ondergrond ter plaatse van mengmonster M03 zijn geen verhoogde gehalten aangetroffen. - In het grondwater is een licht verhoogde concentratie aan cadmium aangetroffen. Aangenomen wordt dat de licht verhoogde concentratie aan cadmium een natuurlijk verhoogde achtergrondwaarde betreft.
Bestemmingsplan – Voske 6a, Baarle-Nassau - Toelichting
35
De tevoren gestelde hypothese ‘onverdachte’ locatie dient formeel gezien te worden verworpen. De verhoging in het grondwater is echter zeer gering en kan als niet significant beschouwd worden. Nader onderzoek en/of nadere maatregelen worden derhalve niet noodzakelijk geacht. De resultaten van het verrichte onderzoek dienen geen belemmering te vormen voor de bestemmingsplanprocedure en de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de nieuwbouw (herbouw red.) van een woning. Ten aanzien van het aspect bodem zijn er derhalve geen bezwaren voor de gewenste ontwikkeling. 4.11 Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen). Externe veiligheid gaat nadrukkelijk niet over de veiligheid van de mensen die werkzaam zijn binnen het bedrijf of binnen een risicogebied van een transportroute.
4.11.1 Regelgeving
De regelgeving rondom externe veiligheid is opgenomen in diverse besluiten en regelingen. Besluiten en regelingen, waarin de aanvaardbare risico’s zijn vastgelegd, voor Voske 6a kunnen zijn: • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), • Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), De normen in de besluiten zijn vastgelegd in de vorm van grenswaarden en richtwaarden. De grenswaarden geven de milieukwaliteit aan die op een bepaald tijdstip ten minste moet zijn bereikt, en die, waar zij aanwezig is, ten minste in stand moet worden gehouden. De richtwaarden geven de kwaliteit aan die op een bepaald tijdstip zoveel mogelijk moet zijn bereikt en die, waar zij aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De externe veiligheidsrisico’s worden uitgedrukt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) binnen het invloedsgebied. In onderstaand kader worden deze risico’s nader uitgelegd. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft inzicht in de theoretische kans op overlijden van een individu op een bepaalde horizontale afstand van een risicovolle activiteit. Het plaatsgebonden risico wordt bepaald door te stellen dat een (fictief) persoon zich 24 uur per dag gedurende een heel jaar onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt.
De plaatsgebonden risicocontour is een contour waarbij alle punten met een gelijk risico met elkaar verbonden worden. Deze punten worden bepaald door de kans van optreden van diverse ongevalscenario’s. De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico is 10-6 per jaar en geldt voor nieuwe situaties. Hierbinnen mogen geen kwetsbare objecten worden toegevoegd en ook nieuwe beperkt kwetsbare objecten, zijn in beginsel niet toegestaan. Als het plaatsgebonden risico 10-8 per jaar is, wordt het als verwaarloosbaar beschouwd. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico wordt behalve de ongevalfrequentie en het aantal transporten van gevaarlijke stoffen, tevens bepaald door de hoeveelheid aanwezige mensen in de nabijheid van een mogelijk ongeval. Met het groepsrisico wordt aangegeven hoe groot het aantal dodelijke slachtoffers bij een ongeval kan zijn op basis van de hoeveelheid aanwezige mensen. Naarmate de groep slachtoffers groter wordt, moet de kans op een dergelijk ongeval (kwadratisch) kleiner zijn. Bij het bepalen van het groepsrisico wordt getoetst aan de oriëntatiewaarde, hiervoor zijn geen vaste contouren beschikbaar.
Invloedsgebied Gebied aan weerszijden van een weg, spoorweg of binnenwater waar ten hoogste 1% van de in dat gebied aanwezige personen kan overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval op die weg, spoorweg of binnenwater waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Voor wat betreft risicobedrijven is het invloedsgebied het gebied, dat in het Reglement externe veiligheid inrichtingen is bepaald, waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico.
Bestemmingsplan – Voske 6a, Baarle-Nassau - Toelichting
36
Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan normen vermeld in bovengenoemde regelgeving. Een ontwikkeling is niet toegestaan indien deze leidt tot een overschrijding van de grenswaarden. Van de richtwaarden kan gemotiveerd worden afgeweken.
4.11.2 Toetsing aan beleid
Afbeelding 17: Uitsnede Risicokaart Nederland (www.risicokaart.nl) Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Gezien de aard van de voorgenomen activiteiten (exploitatie van een kleinschalig aannemersbedrijf) op de planlocatie is het Bevi niet van toepassing. De werkzaamheden omvatten niet het gebruik, opslag of vervoer van gevaarlijke stoffen. Uit de risicokaart blijkt dat er geen risicovolle inrichtingen en kwetsbare objecten aanwezig zijn op of nabij het plangebied, de meest nabijgelegen inrichtingen welke op Afbeelding 17 is weergegeven liggen aan de Heikant 8 en 12 op ruim 440 meter. Ter plaatse zijn propaantanks aanwezig van respectievelijk 8 m³ en 5 m³. Waardoor er geen belemmeringen zijn voor de beoogde ontwikkelingen op het plangebied. Onderhavig plan voorziet tevens niet in de realisatie van nieuwe beperkt kwetsbare objecten. Aangezien onderhavige plangebied niet is gelegen binnen een risicoaanduiding of binnen veiligheidsafstanden zijn geen risico’s aanwezig voor de voorgenomen ontwikkelingen. Derhalve kan worden geconcludeerd dat er voor dit plan geen belemmeringen zijn vanuit het oogpunt van externe veiligheid. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) De ontwikkeling is gelegen buiten de invloedsfeer van zowel het spoortraject als de [Rijks]weg. Derhalve is verdere beoordeling aan het Bevt niet van toepassing.
Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) In het vigerende bestemmingsplan is in de nabijheid geen dubbelbestemming ‘Leiding – […]’ opgenomen. Ook zijn binnen de risicokaart geen leidingen in de buurt gelegen. Derhalve hebben de ontwikkeling is gelegen buiten de invloedsfeer van de in het Bevb opgenomen buisleidingen Derhalve is verdere beoordeling aan het Bevb niet van toepassing.
Conclusie
Gezien voorgaande toetsing aan het beleid omtrent de externe veiligheid blijkt dat er voor het plan geen belemmeringen zijn in het kader van externe veiligheid. 4.12 Verkeer en parkeren Bij iedere ruimtelijke ontwikkeling is een onderbouwing van benodigd van de verkeersafwikkeling en parkeerbehoefte.
Bestemmingsplan – Voske 6a, Baarle-Nassau - Toelichting
37
4.12.1 Verkeer De ontsluiting van het Voske 6a is adequaat en de beoogde verandering leiden niet tot een verslechtering van de afwikkeling van het personen- en goederenvervoer daar het Voske de lokale verbindingsweg is tussen de kern Baarle-Nassau en het Belgische Poppel. Deze weg wordt derhalve ook gebruikt door vrachtwagens welke goederen leveren aan de (agrarische) bedrijven aan het Voske. Ook voor de nieuwe functie zijn er dagelijkse verkeersbewegingen. Deze zijn afkomstig van personenauto’s/bestelbussen eventueel met aanhanger. Zwaar vrachtverkeer is niet van toepassing. Het bedrijf beschikt zelf over een dergelijke bestelbus met aanhanger en een personenauto. Daarmee worden materialen en attributen vervoerd. Dit kan meerdere keren per week plaatsvinden. Daarnaast kunnen klanten op afspraak de locatie ook per auto bereiken. De aanwezigheid van de beoogde bedrijfsopzet zorgt niet voor een veranderen samenstelling van de vervoersstromen in de directe omgeving.
4.12.2 Parkeren
Ten behoeve van het voorgenomen gebruik van de gronden in het plangebied dient verzekerd te zijn dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig is. De basisregel is dat parkeren op eigen terrein dient plaats te vinden. Op onderhavige locatie is genoeg verharding aanwezig voor eigen gebruik en bezoekers om te kunnen parkeren. De gemeente Baarle-Nassau heeft hiervoor een eigen parkeernota vastgesteld. Dit betreft de ‘Nota parkeren 2011’. Deze nota gebruikt de normen uit de CROW (ASVV 2004) als basis, maar houdt rekening met de specifieke situatie in Baarle-Nassau en de wensen die er zijn voor wat betreft parkeren op het eigen en openbaar terrein. In overeenstemming met de CROW publicatie ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’, kan aan de parkeereis worden voldaan indien dit geheel op eigen terrein kan plaats vinden. Voor deze locatie is van belang dat het stallen van de voertuigen die horen bij het bedrijf, zijnde een bus, eventueel met trailer en maximaal twee auto’s voor privégebruik op het terrein moet kunnen plaatsvinden. Volgens de CROW publicatie is het bedrijf in te schalen als een bedrijf welke arbeidsextensief en bezoekersextensief is.
Er is immers werk voor één persoon welke al woonachtig op locatie is, één (tijdelijke) werknemer komt van elders en daarnaast zijn de werkzaamheden kleinschalig omdat er steeds unieke projecten worden gebouwd, dus veel bezoekers zullen er doorgaans niet zijn. Bij uitzondering zijn er tijdens opnames eventueel voor korte tijd meerdere personen aanwezig. Het gebied zelf is aan te merken als buitengebied. De parkeerkencijfers voor een dergelijk gebied liggen tussen de 0,8 en 1,3 parkeerplaatsen per 100 m2 bvo. Daar er op dit moment circa 1170 m2 aan bebouwing aanwezig is, inclusief inpandige woning, volgt uit de berekening dat er tussen de 10 en 16 parkeerplaatsen noodzakelijk zijn. Wanneer er een vrijstaande woning is gerealiseerd bedraagt de bedrijfsbebouwing nog maximaal 800 m2 en het aantal parkeerplaatsen tussen de 7 en 11. In deze berekening is het uitgangspunt dat er 5% bezoekers zijn en de overige 95% dus vaste aanwezigen zijn. Eerder is aangegeven dat er rekening wordt gehouden met twee personen die werkzaam zijn voor het bedrijf en dat deze beschikken over voertuigen die horen bij het bedrijf, zijnde een bus, eventueel met trailer, en maximaal twee auto’s voor privégebruik. Dit komt neer op 6 parkeerplekken, uitgaande dat elk onderdeel zijn eigen parkeerruimte heeft en ruimte voor bezoekers.
De berekende waarden vanuit het CROW is dus een aanzienlijke overschatting van de werkelijke parkeerbehoefte. Daar de loods voorziet in de behoeve van de stalling van de bus (met trailer) dient er verder nog parkeervoorzieningen aanwezig te zijn voor de auto’s en eventuele bezoekers, in totaal 6 parkeerplaatsen. Gezien de ruimte binnen de bedrijvenbestemming van 5000 m2 is dit mogelijk op eigen terrein. Derhalve levert het parkeren geen belemmeringen op voor het plan. 4.13 Technische infrastructuur In of nabij het plangebied liggen geen planologisch relevante buisleidingen en lopen tevens geen relevante straalpaden (zoals te zien op de risicokaart in Afbeelding 17). Voordat de woning herbouwd wordt zal er een KLIC-melding gemaakt worden om relevante kabels en leidingen van het plangebied in beeld te brengen.
Bestemmingsplan – Voske 6a, Baarle-Nassau - Toelichting
38
5. Juridische planbeschrijving In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de juridische regeling van dit bestemmingsplan. 5.1 Juridische achtergrond De Wet ruimtelijke ordening (Wro) verplicht gemeenten bestemmingsplannen op te stellen. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan (ook: wijzigingsplan) in ieder geval moet bestaan. Het gaat om een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Daarnaast biedt zowel de Wro als het Bro opties voor een nadere juridische inrichting van een bestemmingsplan. Hierbij moet worden gedacht aan de toepassing van afwijkingsmogelijkheden en wijzigingsbevoegdheden en het toepassen van nadere eisen. Uitgangspunt is dat het bestemmingsplan moet voorzien in een passende regeling voor de komende tien jaar. Dat is in principe de geldigheidsduur van een bestemmingsplan. Het juridisch bindende onderdeel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het bestemmingsplan.
Bij bestemmingsplannen gaat het om de belangen van burgers en bedrijven. Zij dienen zich snel en op eenvoudige wijze een juist beeld te kunnen vormen van de planologische mogelijkheden en beperkingen op één of meerdere locatie(s). Daarnaast is de vergelijkbaarheid van ruimtelijke plannen van belang voor degenen die deze plannen in grotere samenhang wensen te bezien. Hierbij kan gedacht worden aan degenen die betrokken zijn bij de planvoorbereiding, de planbeoordeling en het monitoren van beleid. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zo ook voor de regels. Voor bestemmingsplannen zoals voorliggend plan, is het verplicht de regels van de SVBP te volgen. 5.2 Toelichting verbeelding Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangewezen en begrensd.
Op de verbeelding zijn de volgende bestemmingen en aanduidingen opgenomen: • Enkelbestemming: o Bedrijf; o Groen – Landschappelijke inpassing; • Dubbelbestemming: o Waarde – Archeologie 2; o Waarde – Archeologie 3; • Gebiedsaanduiding: o overige zone – bosgebied; • Functieaanduiding: o specifieke vorm van bedrijf – ontwikkeling en montage; • Bouwaanduiding: o specifieke bouwaanduiding – woning uitgesloten; • Maatvoering: o maximum bebouwd oppervlak (m2). Voor de benaming van de bestemmingen en aanduidingen is aangesloten bij recentelijk vastgestelde bestemmingsplannen binnen de gemeente Baarle-Nassau. Voor het overige wordt aangesloten bij het SVBP. Ten opzichte van de vigerende verbeelding komt de agrarische bestemming te vervallen en komt hiervoor een bedrijvenbestemming met aanduiding om de bedrijfsactiviteiten te borgen. De omvang
Bestemmingsplan – Voske 6a, Baarle-Nassau - Toelichting
39
van de bedrijvenbestemming is kleiner en het verschil wordt binnen de bestaande bestemming ‘Groen – Landschappelijke inpassing’ opgenomen. Daarnaast zijn er dubbelbestemmingen en een gebiedsaanduiding opgenomen om de archeologische waarden te behouden. De bouwaanduiding wordt opgenomen om de vigerende planologische ruimte van het bedrijf aan de Voske 8 te beschermen. 5.3 Toelichting regels De regels behorende bij voorliggend bestemmingsplan bestaan bestemmingsregels, algemene regels en overgangs- en slotregels.