CConstaterende datBaarle-Nassau
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1. Toelichting Voske 6a, Baarle-Nassau

Commissie Mens en Maatschappij 7 december 2023, gemeente Baarle-NassauBij agendapunt: Voorstel tot gewijzigd vaststellen bestemmingsplan Voske 6a Baarle-Nassau17.404 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Toelichting bestemmingsplan

Voske 6a, Baarle-Nassau

Van Dun Advies BV Raadhuisstraat 32 5126 CJ Gilze Postel 8 5711 ET Someren KvK 180 61 619 T. F.

013 519 94 58 013 519 97 27

E. I.

info@vandunadvies.nl www.vandunadvies.nl

Projectlocatie:

Voske 6a, 5111 PE Baarle-Nassau

Gemeente:

Baarle-Nassau

Projectnummer:

17340.002V

Datum:

december 2022 (ontwerp) / oktober 2023

Opgesteld door:

Van Dun Advies B.V.

Status:

Ontwerp (voor vaststelling)

IMRO-code:

NL.IMRO.0744.BPVoske6a-ON01 (VG01)

Bestemmingsplan – Voske 6a, Baarle-Nassau - Toelichting

1

Inhoudsopgave 1.

INLEIDING..................................................................................................................... 3 1.1 Aanleiding en doel ............................................................................................................. 3 1.2 Vigerend planologisch regime ............................................................................................. 3 1.3 Procedure ......................................................................................................................... 4 1.4 Leeswijzer ......................................................................................................................... 4 2. PROJECTBESCHRIJVING ............................................................................................... 5 2.1 Bestaande situatie ............................................................................................................. 5 2.2 Beoogde situatie ................................................................................................................ 5 3. BELEIDSKADER .............................................................................................................. 7 3.1 Rijksbeleid ........................................................................................................................

7 3.1.1 Ladder duurzame verstedelijking ................................................................................. 7 3.2 Provinciaal beleid ............................................................................................................... 7 3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant .................................................................................... 7 3.2.2 Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014 (Sv 2014) .............................................. 8 3.2.3 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (Iov) ..................................................... 9 3.3 Gemeentelijk beleid ..........................................................................................................13 3.3.1 Omgevingsvisie Baarle-Nassau (ontwerp) ....................................................................13 3.3.2 Bestemmingsplan ......................................................................................................14 4. MILIEUHYGIËNISCHE EN PLANOLOGISCHE ASPECTEN..............................................

16 4.1 Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling.......................................................16 4.2 Waterhuishouding ............................................................................................................16 4.2.1 Waterrelevant beleid ..................................................................................................16 4.2.2 Bestaande waterhuishoudkundige situatie ...................................................................18 4.2.3 Beoogde waterhuishoudkundige situatie .....................................................................19 4.3 Natuur .............................................................................................................................19 4.3.1 Natuurnetwerk Nederland (NNN) ................................................................................19 4.3.2 Wet natuurbescherming .............................................................................................20 4.4 Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie ..........................................................................22 4.4.1 Cultuurhistorie en aardkunde .....................................................................................22 4.4.2 Archeologie ...............................................................................................................24 4.5 Bedrijven en

milieuzonering ..............................................................................................26 4.6 Geur ................................................................................................................................27 4.7 Geluid ..............................................................................................................................30 4.8 Luchtkwaliteit ...................................................................................................................32 4.9 Landschappelijke inpassing ...............................................................................................34 4.10 Bodemkwaliteit .................................................................................................................35 4.11 Externe veiligheid .............................................................................................................36 4.11.1 Regelgeving ..............................................................................................................36 4.11.2 Toetsing aan beleid ...................................................................................................37 4.12 Verkeer en parkeren .........................................................................................................37 4.12.1 Verkeer

.....................................................................................................................38 4.12.2 Parkeren ...................................................................................................................38 4.13 Technische infrastructuur ..................................................................................................38 5. JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING .............................................................................. 39 5.1 Juridische achtergrond ......................................................................................................39 5.2 Toelichting verbeelding .....................................................................................................39 5.3 Toelichting regels .............................................................................................................40 6. UITVOERBAARHEID .....................................................................................................

41 6.1 Financiële uitvoerbaarheid .................................................................................................41 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ......................................................................................41 6.2.1 Vooroverleg en omgevingsdialoog ..............................................................................41 6.2.2 Zienswijzen en beroep ...............................................................................................41 7. BIJLAGEN..................................................................................................................... 42

Bestemmingsplan – Voske 6a, Baarle-Nassau - Toelichting

2

1. Inleiding In dit hoofdstuk komen de aanleiding en het doel, het vigerend planologisch regime en de procedure aan bod. 1.1 Aanleiding en doel Op het perceel aan het Voske 6a te Baarle-Nassau is een voormalig agrarisch bedrijf gelegen. Ter plaatse is van oudsher een champignonkwekerij gevestigd. Al geruime tijd is deze kwekerij niet meer aanwezig en wordt de locatie voornamelijk gebruikt als opslag. Op onderstaande afbeelding is het perceel weergegeven welke is gelegen ten oosten van de kern Baarle-Nassau. Het Voske is de verbindingsweg tussen Baarle-Nassau en Poppel (België).

Afbeelding 1: Plangebied (geel kader) (www.ruimtelijkeplannen.nl) Initiatiefnemer is voornemens om ter plaatse een bedrijf op te richten voor het ontwerpen en realiseren van technische installaties en rekwisieten voor film, tv & reclamecampagnes. Hiervoor is naast een kantoorruimte met ontvangstruimte voor klanten ook een werkplaats/atelier nodig. Daarnaast is er op dit moment een inpandige bedrijfswoning aanwezig. Het is de bedoeling van initiatiefnemer om op termijn een vrijstaande bedrijfswoning te realiseren waarbij de inpandige woning komt te vervallen. Gevolg is wel dat, gezien de gewenste bedrijfsactiviteiten, de huidige agrarische bestemming niet toereikend blijft. Hiervoor is derhalve een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. Dit initiatief is aan het college van Baarle-Nassau voorgelegd middels een principeverzoek, ingediend door Krijger Advies. Hier is op 17 april 2018 door het college van burgemeester en wethouder een principebesluit genomen (kenmerk 18uit04329) waarin zij aangeven dat zij medewerking willen verlenen aan het initiatief, mits er voldaan wordt aan gestelde voorwaarden. Onderhavig bestemmingsplan is de verdere uitwerking van dit besluit. 1.2 Vigerend planologisch regime Het plangebied is opgenomen in de beheersverordening ‘Buitengebied Ulicoten-Noord en BaarleNassau-Oost’, vastgesteld op 23-04-2014.

In de beheersverordening zijn de plankaart en voorschriften (thans verbeelding en regels) van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ en ‘Buitengebied - partiële herziening 1994’, van toepassing. Hierin heeft het plangebied de bestemming ‘agrarisch bedrijf’ met direct aangrenzend de bestemming ‘tuin’. Het totale perceel heeft een oppervlak van circa 1,21 hectare, waarvan circa 0,79 hectare agrarisch bouwvlak. Voor het overige zijn geen bestemmingen/aanduidingen toegekend aan de locatie. Binnen de regels van de beheersverordening zijn voor het agrarisch gebruik en bouwvlak regels opgenomen maar geen mogelijkheden opgenomen om de agrarische bestemming te wijzigen.

Bestemmingsplan – Voske 6a, Baarle-Nassau - Toelichting

3

Afbeelding 2: Uitsnede bestemmingsplan ‘Buitengebied’ (1990) en ‘Buitengebied - partiële herziening 1994’ 1.3 Procedure Voor het gewenste initiatief dient een bestemmingsplan te worden vastgesteld, conform artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Blijkens artikel 3.8 Wro is op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing. Dit houdt in dat het ontwerpbestemmingsplan gedurende 6 weken voor eenieder ter inzage wordt gelegd. Tijdens deze periode van 6 weken kunnen belanghebbenden hun zienswijzen kenbaar maken. Gedurende de inzagetermijn ligt het ontwerpbestemmingsplan (verbeelding, regels en toelichting, inclusief bijbehorende bijlagen) ter inzage. Nadat het bestemmingsplan is vastgesteld, wordt het opnieuw 6 weken ter inzage gelegd. Binnen deze 6 weken kunnen belanghebbenden beroep indienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als er geen beroep wordt ingesteld, dan is het bestemmingsplan daags na afloop van de beroepsperiode onherroepelijk. Zodra het bestemmingsplan in werking is getreden kunnen de benodigde omgevingsvergunningen voor het beoogde initiatief worden aangevraagd.

1.4 Leeswijzer In voorliggende toelichting is in het eerste hoofdstuk een inleiding op het initiatief gegeven, waarin de aanleiding, het doel, het vigerend planologische regime en de te doorlopen procedure is beschreven. Hierna is in het tweede hoofdstuk een beschrijving opgenomen van de bestaande en beoogde situatie. In hoofdstuk 3 van voorliggende toelichting wordt het van toepassing zijnde beleid uiteengezet, welke het provinciaal en gemeentelijk beleid betreft. Hierna worden in hoofdstuk 4 de milieuhygiënische en planologische aspecten beschreven. De juridische planbeschrijving is vervat in hoofdstuk 5 van voorliggende toelichting waarin een beschrijving van de juridische achtergrond van onderhavig bestemmingsplan, een toelichting op de verbeelding en een toelichting op de regels wordt gegeven. De financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het initiatief wordt verantwoord in het daaropvolgende hoofdstuk.

Bestemmingsplan – Voske 6a, Baarle-Nassau - Toelichting

4

2. Projectbeschrijving 2.1 Bestaande situatie Het plangebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente Baarle-Nassau, even ten oosten van kern van Baarle-Nassau. Het plangebied is gelegen aan het Voske. Dit is de verbindingsweg tussen Baarle-Nassau en Poppel (België), zoals ook te zien is op onderstaande afbeelding. In de directe omgeving van het plangebied zijn binnen het cultuurlandschap vooral agrarisch gronden gelegen met beplanting in de vorm van bomen langs wegen en rondom de agrarische bedrijven in de omgeving.

Afbeelding 3: Ligging plangebied (blauwe cirkel) in de omgeving. Inzet is plangebied De locatie aan het Voske 6a te Baarle-Nassau is een voormalig agrarisch bedrijf zijnde een champignonkwekerij. Binnen het plangebied is één loods aanwezig welke intern is onderverdeeld in zes verschillende gedeelten. In deze loods is ook de bestaande bedrijfswoning gevestigd. Het oppervlak aan bedrijfsgebouwen in de huidige situatie is circa 1166 m2, waarvan 195 m2 geschikt is voor de bedrijfswoning. Naast de bebouwing is het plangebied voorzien van een aanzienlijke bospartij met in het midden een vijver. Het gehele plangebied is voorzien van een robuuste erfbeplanting. 2.2 Beoogde situatie In paragraaf 1.1 is reeds kort aangegeven wat het doel is van deze herziening. Initiatiefnemer is voornemens om ter plaatse een bedrijf op te richten voor het ontwerpen, realiseren en verhuren van technische installaties en rekwisieten voor film, tv & reclamecampagnes. Deze werkzaamheden wordt door initiatiefnemer zelf uitgevoerd en mogelijk wordt hij hierin ondersteund door een werknemer. Hiervoor is naast een kantoorruimte met ontvangstruimte voor klanten ook een werkplaats nodig. De werkzaamheden in de werkplaats bestaan voornamelijk uit zagen, slijpen, boren en lassen van diverse materialen (voornamelijk staal (metaal), kunststof en hout). De werkplaats heeft een omvang van maximaal 150 m2.

Daarnaast doet de inpandige ruimte ook dienst als atelier/studio voor het opnemen van video’s waarin gebruikt wordt gemaakt van de attributen die zijn ontwikkeld. Dit atelier/studio heeft een omvang van circa 200 m2. De overige ruimte circa 610 m2 is voor opslag van de attributen die zijn ontwikkeld. De werkzaamheden vinden voornamelijk plaats met gebruik van staal. De werkzaamheden zijn kleinschalig, omdat er steeds unieke projecten worden gebouwd en er dus geen serieproductie plaatsvindt. Het is dus niet te vergelijken met een metaalverwerkingsbedrijf waar voornamelijk wordt gewerkt met grote staalplaten en stansmachines. Daarvan is hier geen sprake. De activiteiten zijn vergelijkbaar met een kleinschalig aannemersbedrijf. Een dergelijk vergelijk Bestemmingsplan – Voske 6a, Baarle-Nassau - Toelichting

5

maakt, dat de bedrijfsactiviteiten vergelijkbaar zijn met een milieucategorie 2 bedrijf. Het opnemen van video’s behoren ook tot een milieucategorie 2. De beoogde bedrijfsactiviteiten zullen plaatsvinden binnen de bestaande gebouwen op het perceel. Daarnaast is er, zoals eerder vermeld, op dit moment een inpandige bedrijfswoning aanwezig. Het is de bedoeling van initiatiefnemer om op termijn een vrijstaande bedrijfswoning te realiseren waarbij de inpandige woning komt te vervallen. Deze beoogde bedrijfswoning zal binnen het beoogde bouwvlak gesitueerd worden. Een vrijstaande bedrijfswoning zorgt voor een betere scheiding tussen de bedrijfsactiviteiten en het woongedeelte binnen het perceel. Tevens is een dergelijke opstelling passend in het straatbeeld van het Voske waar bij, nagenoeg, elk bedrijf een vrijstaande bedrijfswoning aanwezig is. Met het vervallen van de inpandige woning, deze wordt inpandig gesloopt, is het mogelijk om dit gedeelte betrekken bij de bedrijfsruimte. Om dit te voorkomen is in het principebesluit opgenomen dat het oppervlak aan bedrijfsgebouwen na realisatie van de vrijstaande bedrijfswoning niet meer dan 800 m2 mag bedragen. Dit is in de regels bij dit bestemmingsplan geborgd. Dit zal ten koste gaan van de opslagruimte.

De beoogde bedrijfssituatie is voorzien binnen een bouwperceel van maximaal 5000 m2 met een bijbehorende niet-agrarische bestemming zijnde een bedrijvenbestemming. De overige gronden binnen het plangebied zullen de bestemming ‘Groen – Landschappelijke inpassing’ krijgen. Binnen de bestemming bedrijf worden alle toekomstige functies geclusterd. De bedrijfsactiviteiten vinden, zoals gezegd, inpandig plaats. Daarnaast moet er natuurlijk wel manoeuvreerruimte zijn rondom de gebouwen en moet het bouwvlak ruimte bieden voor op termijn de bedrijfswoning. In onderstaande afbeelding zijn de beoogde grenzen opgenomen. Hierbij is het bouwvlak gelijk aan het bestemmingsvlak ‘Bedrijf’ met een oppervlak van 5000 m2.

Afbeelding 4: Beoogde bestemmingsplansituatie Op de luchtfoto in Afbeelding 3 is te zien dat het plangebied veel groen omvat. Het gehele bedrijf wordt aan het zicht onttrokken door grote bomenpartijen en zelfs een bos met vijver aan de achterzijde van de bedrijfsgebouwen. Dit groen wordt in de beoogde situatie behouden. Aan de voorzijde is het bedrijf eveneens volledig aan het zicht onttrokken. Voor de realisatie van de vrijstaande bedrijfswoning, voor de huidige bedrijfsbebouwing, is het wellicht niet wenselijk om de woning, en dus ook het bedrijfsgebouw, aan de voorzijde volledig weg te stoppen. Aan deze zijde wordt derhalve een passende inpassing voorgesteld in het landschappelijk inpassingsplan welke is bijgevoegd in Bijlage 1. Bestemmingsplan – Voske 6a, Baarle-Nassau - Toelichting

6

3. Beleidskader In dit hoofdstuk wordt het voor onderhavige ontwikkeling relevante ruimtelijke rijksbeleid, provinciaal en gemeentelijk beleid uiteengezet. Daarnaast wordt de beoogde ontwikkeling in dit hoofdstuk tevens aan dit beleid getoetst. 3.1 Rijksbeleid Gezien onderhavig initiatief dermate kleinschalig van aard is heeft deze geen directe invloed op het rijksbeleid en vice versa. Binnen het ruimtelijke ordeningsbeleid van het rijk is één aspect opgenomen welke wel van belang en wordt derhalve in dit hoofdstuk kort beschreven.

3.1.1

Ladder duurzame verstedelijking

In geval van stedelijke ontwikkeling dient toepassing te worden gegeven aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. Deze is wettelijk verankerd in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Toepassing van de ladder is verplicht voor opgaven, die nieuwe stedelijke ontwikkelingen, gebaseerd op een regionale behoefte, mogelijk moeten maken. Onderhavig initiatief betreft een ontwikkeling naar een niet-agrarisch bedrijf . Uit de jurisprudentie is af te leiden dat een functiewijziging zonder nieuw ruimtebeslag, in beginsel niet als een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt aangemerkt. Ten behoeve van de functiewijziging van naar de nietagrarische bedrijfstak vindt de ontwikkeling enkel plaats binnen de oppervlakte van de bestaande (voormalige agrarische) bebouwing. Een deel wordt zelfs in de toekomst gesloopt. Bovendien leidt de functiewijziging niet tot veranderingen van zodanige aard en omvang dat de ruimtelijk relevante milieugevolgen groter zijn dan die op basis van het voorheen geldende bestemmingsplan. Hierdoor is er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling en hoeft er verder niet aan de ladder getoetst te worden. Zie hiervoor de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2017:1724 (Dongeradeel).

3.2 Provinciaal beleid Het geldende ruimtelijke beleid van de provincie Noord-Brabant is vervat in de Omgevingsvisie NoordBrabant, Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014 en de Interim omgevingsverordening NoordBrabant.

3.2.1

Omgevingsvisie Noord-Brabant

De provincie Noord-Brabant heeft op 14 december 2018 de omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld. De omgevingsvisie vindt zijn legitimatie in de Omgevingswet. Vanzelfsprekend staan de achterliggende doelen van de Omgevingswet dan ook centraal in de positiebepaling van de Brabantse Omgevingsvisie. Onder het motto ‘eenvoudig beter’, doelt de Omgevingswet op meer inzichtelijkheid, en een grotere voorspelbaarheid en gebruiksgemak van het Omgevingsrecht. Ook beoogt de wet meer bestuurlijke afwegingsruimte en een meer samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving in beleid, besluitvorming en regelgeving. Met als doel om de kwaliteit van de leefomgeving voor alle Brabanders te verbeteren. In de visie is voor verschillende programma’s de ambitie geformuleerd hoe de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit moet zien. Daarbij zijn mobiliserende tussendoelen gesteld voor 2030 om het einddoel te kunnen bereiken. De uitwerking in programma’s is een opgave die de visie volgt en die in opeenvolgende bestuursperiodes de opdracht en ruimte geeft om dat met eigen accenten in te vullen. Het belangrijkste programma dat hier een rol speelt is ‘omgevingskwaliteit’. Het Brabantse doel voor 2050 in dit programma is : ‘Brabant heeft een goede leefomgevingskwaliteit doordat wij op alle aspecten beter presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald.

Brabant staat met zijn TOP-landschap van oude en nieuwe landschappen in de top 5 van Europa. De biodiversiteit binnen en buiten de natuurgebieden is op orde, de lucht- en waterkwaliteit voldoet en de bodem is vitaal.’ Het tussendoel voor 2030 in dit programma is:

Bestemmingsplan – Voske 6a, Baarle-Nassau - Toelichting

7

‘Brabant heeft een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit doordat wij voor alle aspecten voldoen aan de wettelijke normen. Natuurgebieden zijn ingericht, de afname van biodiversiteit is naar een positieve trend omgebogen, waardevolle cultuurhistorische landschappen zijn behouden en er is breed draagvlak voor de nieuwe energie- en klimaatadaptieve landschappen door de ontwerpende aanpak.’ Deze basisopgave is veelomvattend en gaat over milieuaspecten, als een schone bodem, schoon water (ondergrond) en schone lucht. Maar ook om landschappelijke- en cultuurhistorische aantrekkelijkheid, een goede woon- en werkomgeving met een aantrekkelijk aanbod aan voorzieningen, stilte en een natuurrijke omgeving, waarin biodiversiteit en recreatie hand in hand gaan. Ook de veranderingen in zogenoemde ‘bovenlaag’ vallen hieronder. Hierbij wordt gedacht aan de aanpak van leefgebied, bebouwing en het terugdringen van emissies naar de lucht. Het initiatief voldoet aan het tussendoel voor 2030 in de zin dat aan alle milieu wet- en regelgeving wordt voldaan. Ook het juridisch-planologisch beëindigen van het agrarisch bedrijf ter plaatse draagt bij aan het voorkomen van agrarische emissies naar de lucht en het oplossen van (anders) leegkomende agrarische bebouwing.

Middels een zorgvuldige landschappelijke inpassing van het plangebied wordt daarbij een positieve bijdrage geleverd aan de leefomgevingskwaliteit. Hiermee wordt ook een eerste stap gezet richting het einddoel van 2050. Hiermee is het initiatief dus passend binnen de Omgevingsvisie voor Noord-Brabant.

3.2.2

Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014 (Sv 2014)

De Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014 (Sv 2014) betreft een herziening van de op 1 oktober 2010 vastgestelde Structuurvisie ruimtelijke ordening. De partiële herziening is door Provinciale Staten van Noord-Brabant op 7 februari 2014 vastgesteld en is in werking getreden op 19 maart 2014. De Structuurvisie geeft de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 weer (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt. De genoemde visie in de partiële herziening is doorvertaald in de regels van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Daarnaast ondersteunt de structuurvisie het beleid op andere provinciale beleidsterreinen, zoals het economisch-, mobiliteits-, sociaal-, cultureel-, milieu- en natuurbeleid. Volgens de structurenkaart, zie Afbeelding 5, is onderhavig plangebied gelegen in het gemengd landelijk gebied. In het gemengde landelijke gebied vindt een vermenging van functies plaats. Naast het gebruik van de gronden ten behoeve van de land- en tuinbouw, is er ook plaats voor natuur, water, recreatie, toerisme en kleinschalige stedelijke functies. Daar de locatie gelegen is in het gemengde landelijk gebied, hanteert de provincie het multifunctionele gebruik als uitgangspunt.

Onderhavig initiatief betreft een niet-agrarische functie en is onderdeel van een multifunctioneel gebied. Het gebied is multifunctioneel doordat naast onderhavige niet-agrarische functies ook veehouderijen aanwezig zijn en toerisme, kleinschalige stedelijke functies, waterfuncties, natuur en recreatie plaatsvinden. Onderhavig initiatief past derhalve binnen de uitgangspunten van de Sv 2014.

Bestemmingsplan – Voske 6a, Baarle-Nassau - Toelichting

8

Afbeelding 5: Uitsnede Svro 2014 3.2.3

Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (Iov)

De Interim omgevingsverordening (Iov) betreft een samenvoeging van verschillende regelingen op provinciaal niveau met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. De Iov is daarbij een eerste stap op weg naar een definitieve omgevingsverordening, die op grond van de op handen zijnde Omgevingswet moet worden vastgesteld en die verplicht is voor provincies. De laatste versie van de Iov is op 7 juli 2023 door Provinciale Staten vastgesteld en is per 1 augustus 2023 in werking getreden. De Iov is opgesteld vanuit een doelgroepenbenadering. Dit is ook het systeem dat de Omgevingswet, en de daaronder liggende wetgeving, hanteert. Dit betekent dat de regels in de Iov zijn gegroepeerd in hoofdstukken waarbij de doelgroep van de regel, de zogenaamde normadressaat, leidend is. Regels waar gemeenten bij vaststelling van een bestemmingsplan rekening mee moeten houden zijn opgenomen in hoofdstuk 3. Deze regels zijn in de vorm van instructieregels opgenomen waarbij de verschillende niveau’s zijn opgedeeld in meerdere afdelingen. Voor elke ruimtelijke ontwikkeling geldt dat toepassing moet worden gegeven aan de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies zoals deze zijn opgenomen in paragraaf 3.1.2.

Voor het overige dient getoetst te worden aan de regels die van toepassing zijn op het werkingsgebied waarin de planlocatie ligt. In dit geval ligt de planlocatie in de werkingsgebieden ‘Gemengd Landelijk gebied’ als onderdeel van het ‘Landelijk gebied’ en ‘Stalderingsgebied’, zie Afbeelding 6.

Afbeelding 6: uitsnede Iov Noord-Brabant, Hoofdstuk 3 - kader is plangebied Bestemmingsplan – Voske 6a, Baarle-Nassau - Toelichting

9

Afdeling 3.6 bevat de voorwaarden voor een vitaal platteland, die onder andere van toepassing zijn op het gemengd landelijk gebied. Met het initiatief wordt een niet-agrarisch bedrijf mogelijk gemaakt. Er zal derhalve worden getoetst aan artikel 3.73 voor vestiging niet-agrarische functie in het landelijk gebied. Verder bevat artikel 3.52 aanvullende regels ten aanzien van het stalderingsgebied. Deze regels hebben betrekking op een toename in de oppervlakte dierenverblijven voor hokdieren. Met het initiatief is geen veehouderij betrokken. De regels met betrekking tot het stalderingsgebied zijn derhalve niet van toepassing. Aan de relevante artikelen zal hierna worden getoetst. Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies (paragraaf 3.1.2) Onder een evenwichtige toedeling van functies wordt verstaan dat invulling wordt gegeven aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Hiervoor moet rekening worden gehouden met: • zorgvuldig ruimtegebruik; • de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering; • meerwaardecreatie. Deze aspecten zijn in de Iov nader uitgewerkt in de artikel 3.6 t/m 3.8. Daarnaast geldt voor ontwikkelingen in het landelijk gebied ook dat er sprake moet zijn van kwaliteitsverbetering (zie artikel 3.9). Deze artikelen worden hieronder nader toegelicht. Zorgvuldig ruimtegebruik (artikel.

3.6) Conform artikel 3.6 houdt zorgvuldig ruimtegebruik in dat in beginsel gebruik wordt gemaakt van een bestaand ruimtebeslag. Een bestaand ruimtebeslag ligt binnen het werkingsgebied ‘Stedelijk gebied’ of een bestaand bouwperceel. Wanneer er sprake is van een stedelijke ontwikkeling dient toepassing te worden gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking). Alle gebouwen, bijbehorende bouwwerken en ander permanente voorzieningen dienen te worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. Aan het Voske 6a is een bestaand bouwperceel gelegen van circa 6800 m2. Onderhavig bestemmingsplan voorziet niet in een uitbreiding van bebouwing, afgezien van een mogelijke vrijstaande bedrijfswoning op termijn. Deze woning past binnen het beoogde bouwperceel van circa 5000 m2. Het bestaand toegestane ruimtebeslag verandert niet en is voldoende voor de voorgenomen bedrijfsactiviteiten. De bestaande bedrijfsbebouwing wordt gebruikt voor het atelier/studio, werkplaats, bedrijfswoning en inpandige opslag van de attributen die worden ontwikkeld. Dit conform de afmetingen zoals opgenomen in paragraaf 2.2. Op termijn is er minder ruimte nodig wanneer de bestaande inpandige bedrijfswoning wordt vervangen naar een vrijstaande. Dan zal het bedrijfsgebouw afnemen tot 800 m2 wat ten koste gaat van de opslag.

Het gebouw is op dit moment in een dergelijke goede staat dat sloop niet alleen zeer kostbaar is maar ook, gezien het feit dat het één gebouw betreft waarbinnen ook de bedrijfswoning aanwezig is, niet bijdraagt aan een goede woonomgeving. Er moet immers dan ook herstelwerkzaamheden weer plaatsvinden om het gebouw bewoonbaar te houden. In geval van stedelijke ontwikkeling is een toelichting op deze ladder reeds opgenomen in paragraaf 3.1.1 van deze toelichting. Toepassing van de lagenbenadering (artikel 3.7) De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op verschillende lagen. Hierbij dient onderzocht te worden wat de effecten zijn op: • de ondergrond • de netwerklaag • de bovenste laag

Bestemmingsplan – Voske 6a, Baarle-Nassau - Toelichting

10

Met het effect op de ondergrond worden o.a. de aspecten bodem, grondwater en archeologische waarden bedoeld. De netwerklaag omvat aspecten zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. In de beschouwing van de bovenste laag dienen aspecten zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu aan bod te komen. Hierbij dient te worden gekeken naar het verleden, heden en toekomst. De beoogde ontwikkeling mag geen negatieve effecten hebben op de waarden in de omgeving en dient ook in de toekomst geen beperkingen op te leveren voor de omgeving. De toetsing van de gevolgen van het initiatief op bovengenoemde aspecten is uitgebreid uiteengezet in hoofdstuk 4 van deze toelichting. Meerwaardecreatie (artikel 3.8) Het aspect meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken. Het biedt de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren, waardoor er meerwaarde ontstaat. Daarnaast ontstaat een bijdrage aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn.

In dit bestemmingsplan wordt meerwaarde gecreëerd door de herontwikkeling van de bedrijfslocatie te combineren met een goede landschappelijke inpassing. Deze wordt geborgd middels een bestemming groen. Daarnaast is er sprake van een afname van de emissies waardoor ook het leefmilieu in de omgeving wordt verbeterd. Dit gaat niet ten koste van de economische draagkracht van het gebied daar er met het niet-agrarische bedrijf een nieuwe economische drager wordt opgenomen. Kwaliteitsverbetering (artikel 3.9) Een bestemmingsplan in landelijk gebied moet gepaard gaan met een fysieke verbetering van het landschap. Daarnaast moet worden aangetoond hoe deze fysieke verbetering financieel, juridisch en feitelijk wordt verzekerd. Een verbetering kan o.a. bestaan uit een landschappelijke inpassing, behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen, het slopen van bebouwing of aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden. Deze vormen van kwaliteitsverbetering moeten worden geborgd in het bestemmingsplan. Over de exacte invulling van de kwaliteitsverbetering zijn in het regionaal ruimtelijk overleg tussen gemeenten en provincie afspraken gemaakt. Binnen de gemeente Baarle-Nassau is het afsprakenkader van de regio Midden-West Brabant van toepassing. Hierin is de ontwikkeling aangemerkt als een categorie 3 ontwikkeling.

Voor deze ontwikkeling dient derhalve een financiële berekening te worden gemaakt om de waardevermeerdering van de gronden te bepalen. 20% van deze waardevermeerdering dient te worden geïnvesteerd in het landschap. Op basis van de huidige planologische situatie, de gewenste planologische situatie en het landschappelijke inpassingsplan is een economische berekening inzake de waardevermeerdering en kwaliteitsinvestering opgesteld. Deze berekening is opgenomen in Bijlage 2 . Uit deze berekening blijkt dat sprake is van een noodzakelijke investering in het kader van de kwaliteitsverbetering. In dezelfde bijdrage is een beheerpost opgenomen voor het aanwezige groen op deze locatie. Ook wordt aan de voorzijde de bestaande coniferenhaag vervangen door een inheemse struweelhaag. Hierdoor is er sprake van een positieve bijdrage aan de kwaliteitsverbetering. De instandhouding van deze landschappelijke inpassing wordt feitelijk en juridisch verzekerd middels de bestemming [Groen – Landschappelijke inpassing] op de verbeelding en door de opname van een voorwaardelijke verplichting in de regels van het bestemmingsplan. De beoogde ontwikkeling is derhalve in overeenstemming met artikel 3.9 van de Iov.

Bestemmingsplan – Voske 6a, Baarle-Nassau - Toelichting

11

Ontwikkeling van niet agrarische functies (paragraaf 3.6.7) Paragraaf 3.6.7 bevat de voorwaarden voor de ontwikkeling van niet agrarische functies in het landelijk gebied. Het initiatief moet getoetst worden aan artikel 3.73 ten aanzien van vestiging nietagrarische functie in landelijk gebied Vestiging niet-agrarische functie in landelijk gebied (artikel 3.73) In artikel 3.73, eerste lid, van de Iov is vastgelegd dat op een bestaand bouwperceel binnen het landelijk gebied kan worden voorzien in de vestiging van een niet-agrarische functie als dit past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied. Daarbij dienen de volgende aspecten te worden betrokken:

1. Een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving;

De beoogde ontwikkeling van het landelijke gebied betreft een gemengde plattelandseconomie met in hoofdzaak een agrarische economie met daarbij passende bestemmingen. Er is naast land- en tuinbouw in een gemengde plattelandseconomie ruimte voor de ontwikkeling van niet-agrarische functies, zoals toerisme, recreatie, kleinschalige bedrijvigheid, zorgfuncties et cetera. Dit kan door verbreding van agrarische activiteiten maar ook als zelfstandige functie, met name op vrijkomende locaties. Met de beoogde ontwikkeling wordt bebouwing van een vrijkomend agrarisch bedrijf hergebruikt voor een nieuwe functie. Hierdoor wordt leegstand en verloedering van het buitengebied voorkomen. Waardoor het initiatief bijdraagt aan de ontwikkeling van een gemengde plattelandseconomie.

2. Welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders;

De toetsing van de gevolgen van het initiatief op de genoemde aspecten is uitgebreid uiteengezet in hoofdstuk 4 van deze ruimtelijke onderbouwing.

3. Hoe een ontwikkeling bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het landelijk gebied.

In de toetsing aan artikel 3.6 tot en met 3.9 van de Iov is reeds aangetoond dat de beoogde ontwikkeling bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit door: de sanering van in ongebruik geraakte champignonkwekerij te combineren met hergebruik van bestaande bebouwing. Er is hierdoor sprake van een afname in emissie van o.a. stikstof, geur en fijnstof, waardoor het leefmilieu in de omgeving verbeterd. Doordat alle bebouwing in de beoogde situatie in gebruik wordt genomen ten behoeve van de bedrijfsfunctie is er geen sprake van overtollige bebouwing. Met het initiatief wordt leegstand en verloedering van het buitengebied voorkomen. Voor de bedrijfsgebouwen geldt daarnaast dat wanneer de vrijstaande bedrijfswoning wordt gerealiseerd, de vrijkomende ruimte binnen het gebouw niet ten behoeve van het bedrijf mag worden gebruik. Het oppervlak aan bedrijfsgebouwen wordt dan vastgelegd op 800 m2.

Verder moet worden aangetoond dat:

a. Er geen splitsing van het bouwperceel plaatsvindt;

Er is geen sprake van splitsing van het bouwperceel. Het bestaande bouwvlak wordt volledig herbestemd tot bedrijfsbestemming.

b. Overtollige bebouwing wordt gesloopt;

Zoals reeds uiteen is gezet is er binnen de planlocatie geen sprake van overtollige bebouwing. Alle vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen worden hergebruikt ten behoeve van de bedrijfsfunctie. Initiatiefnemer kan de vrijkomende agrarische gebouwen hier namelijk goed voor gebruiken. Bovendien verkeren de gebouwen bouwkundig nog in een goede staat en zijn ze eenvoudig in te richten voor de beoogde bedrijfsfunctie. Het zou dan ook kapitaalvernietiging - zowel economisch als milieukundig - zijn om deze gebouwen af te breken. Voor de bedrijfsgebouwen geldt wel dat wanneer de vrijstaande bedrijfswoning wordt gerealiseerd, de vrijkomende ruimte binnen het gebouw niet ten behoeve van het bedrijf mag worden gebruik. Het oppervlak aan bedrijfsgebouwen wordt dan vastgelegd op 800 m2.

Bestemmingsplan – Voske 6a, Baarle-Nassau - Toelichting

12

c. De vestiging geen betrekking heeft op een kantoor met baliefunctie, lawaaisport of mestbewerking.

Met de beoogde ontwikkeling wordt geen kantoor met baliefunctie, lawaaisport of mestbewerking gerealiseerd.

Conform artikel 3.73, tweede lid, dient een bestemmingsplan dat de vestiging mogelijk maakt te borgen dat de functie, ook op lagere termijn, past binnen de ontwikkelingsrichting. Er dienen daartoe regels te worden gesteld:

a. over een bij de omgeving passende omvang en publieksaantrekkende werking;

Als een binnen de omgeving passende omvang geldt op grond van artikel 3.73, derde lid, sub a, voor bedrijvigheid, dat deze kleinschalig is en past binnen een gemengde omgeving waardoor het niet doelmatig is om deze te vestigen op een bedrijventerrein. Hiervoor hanteert de provincie nog steeds de voorwaarden uit de voormalige Verordening ruimte. Hierin was de maximale omvang van een niet-agrarisch bedrijf vastgelegd op 5.000 m2 en de maximaal toegestane milieucategorie op 2. De planlocatie heeft een omvang van 5000 m2. Conform de VNG-handreiking Bedrijven en milieuzonering behoort ontwikkelings- en montagebedrijf tot de categorie vergelijkbaar met een ‘kleinschalig aannemersbedrijf.’, oftewel milieucategorie 2. De beoogde bedrijfsfunctie is dus passend binnen de omgeving, waardoor het niet doelmatig is om deze te vestigen op een bedrijventerrein. Wanneer het bedrijf verder wil groeien en de activiteiten zich uitbreiden zal een beter geschikte locatie gezocht moeten worden. De dan vrijkomende locatie aan de Voske 6a zal dan enkel een milieucategorie 2 functie mogen bevatten binnen dezelfde omvang.

b. Welke specifieke gebruiksactiviteit is toegestaan;

In de voorwaarden van het bestemmingsplan wordt vastgelegd dat ter plaatse een ontwikkelings- en montagebedrijf is toegestaan met een maximale omvang van 5000 m2 bestemmingsvlak en binnen de bestaande gebouwen. Na realisatie van een vrijstaande bedrijfswoning is er slecht 800 m2 aan bedrijfsgebouwen toegestaan.

c. Dat opslag en stalling plaatsvindt in gebouwen;

In de voorwaarden van het bestemmingsplan wordt buitenopslag als strijdig met de bestemming aangemerkt.

d. Dat de ontwikkeling verplaatst naar een passende locatie als deze niet langer past binnen de maximaal toegestane omvang.

In de regels van het bestemmingsplan wordt niet voorzien in uitbreidingsmogelijkheden voor het ontwikkelings- en montagebedrijf, of anderszins, waardoor het bedrijf bij uitbreiding genoodzaakt is om elders op een passende locatie te vestigen.

Er kan derhalve worden geconcludeerd dat het initiatief voldoet aan de voorwaarden voor de vestiging van een niet-agrarische functie in het landelijk gebied. Conclusie Gelet op bovenstaande voldoet de ontwikkeling aan de voorwaarden die zijn opgenomen in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. 3.3 Gemeentelijk beleid Het gemeentelijk beleid is vervat in de gemeentelijke structuurvisie en het bestemmingsplan.

3.3.1

Omgevingsvisie Baarle-Nassau (ontwerp)

De gemeente Baarle-Nassau heeft op 26 juni 2019 de ‘Omgevingsvisie Baarle-Nassau’ vastgesteld. Deze visie is in het licht van de toekomstige Omgevingswet opgesteld en biedt een visie van de gemeente op de ruimtelijke toekomst van de dorpen en het buitengebied. Het plangebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente binnen de oude landschappen van Baarle-Nassau, blijkens Afbeelding 7. Hier komt de meeste bebouwing voor en zijn ook de meeste agrarische bedrijven gevestigd. Door de ontwikkelingen in de agrarische sector (schaalvergroting) en Bestemmingsplan – Voske 6a, Baarle-Nassau - Toelichting

13

de aanwezigheid van burgerwoningen die in loop der jaren hier zijn gevestigd is het perspectief voor deze sector in deze gebieden klein. Naar verwachting zullen ook hier de meeste vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen (VAB) voorkomen, zoals op onderhavige locatie. Meer diversiteit in het buitengebied is een trend die hoort bij de veranderingen in de agrarische sector. Economische activiteiten worden gestimuleerd om de omgeving aantrekkelijk te houden. Bij nieuwe ontwikkelingen is belangrijk dat het karakter van het gebied behouden blijft. De vestiging van een categorie 2 bedrijf past nog steeds bij de ontwikkelrichting van het gebied en voldoet aan de voorwaarden zoals omschreven in de Omgevingsvisie. Dit type bedrijvigheid werk niet belemmerend voor de omliggende woningen en agrarische bedrijven. Daarnaast wordt de vrijkomende bebouwing hergebruikt en wordt leegstand en verrommeling voorkomen. Het geheel wordt landschappelijk ingepast en de ontwikkeling speelt vooral in op behoud van de kenmerken van het perceel en omgeving, zo neemt de overlast op de omgeving niet toe evenals de verkeersaantrekkende werking.

Afbeelding 7: Uitsnede ‘Visiekaart Omgevingsvisie gemeente Baarle-Nassau’, blauw kader is plangebied Gezien de voorgenomen ontwikkelingen zijn deze in overeenstemming met de nog in ontwerp zijnde omgevingsvisie van Baarle-Nassau.

3.3.2

Bestemmingsplan

Zoals reeds in de inleiding van voorliggende toelichting beschreven is voor het plangebied de beheersverordening ‘Buitengebied Ulicoten-Noord en Baarle-Nassau-Oost’ geldend. In deze beheersverordening zijn de plankaart en voorschriften (thans verbeelding en regels) van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ en ‘Buitengebied - partiële herziening 1994’, van toepassing. Hier zijn de volgende aanduidingen opgenomen: • Agrarisch gebied (artikel 5); • Tuin (artikel 22); • Agrarisch bouwvlak, circa 0,79 hectare.

Bestemmingsplan – Voske 6a, Baarle-Nassau - Toelichting

14

Voor het overige zijn geen bestemmingen/aanduidingen toegekend aan de locatie. In de beheersverordening zijn de regels van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Ulicoten-Noord en BaarleNassau-Oost’ onverminderd van toepassing (deze verwijzen echter naar de bijgevoegde voorschriften behorende bij het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ en ‘Buitengebied - partiële herziening 1994’). Binnen de beheersverordening is de beoogde ontwikkeling van initiatiefnemer niet rechtstreeks mogelijk. Om deze reden wordt een herziening van het bestemmingsplan voorbereid.

Bestemmingsplan – Voske 6a, Baarle-Nassau - Toelichting

15

4. Milieuhygiënische en planologische aspecten Op grond van het bepaalde in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het verplicht om inzicht te bieden in de relevante milieuhygiënische en planologische aspecten. In dit hoofdstuk worden deze aspecten beschreven. 4.1 Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen, waaronder partiële herzieningen, onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: • Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten; • Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden. Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. Onderhavig initiatief is echter niet opgenomen in de activiteiten kolom van de lijst van het besluit m.e.r. Toetsing aan de richtlijn is derhalve niet noodzakelijk.

Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden dienen getoetst de worden aan de m.e.r.-richtlijn. In paragraaf 4.3.2 is getoetst dat onderhavig initiatief geen significant negatief effect heeft op Natura 2000 gebieden. Daarom hoeft er voor onderhavig initiatief geen passende beoordeling gemaakt worden. Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de bijbehorende procedure. 4.2 Waterhuishouding Per 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets toe te passen. Deze verplichting is wettelijk geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In deze watertoets moet inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente voorafgaand aan de procedure het voornemen van de ruimtelijke ingreep aan het waterschap te verzenden. De gemeente en het waterschap kunnen afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen. In deze waterparagraaf komen de volgende onderdelen aan bod: ▪ Beschrijving waterrelevant beleid; ▪ Bestaande waterhuishoudkundige situatie; ▪ Beoogde waterhuishoudkundige situatie.

4.2.1

Waterrelevant beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. De Nederlandse regering heeft invulling aan de KRW gegeven middels de Waterwet, die in werking is getreden op 22 december 2009. De Waterwet regelt het beheer van het oppervlakte- en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen het waterbeleid en ruimtelijke ordening. De visies met betrekking tot het waterbeleid worden door de verschillende bestuurslagen in diverse plannen beschreven. Provincie Het beleid van de provincie Noord-Brabant richt zich op het bereiken en in stand houden van watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens, dier en plant. Daarbij zijn economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht en is het hebben en houden van een veilige en bewoonbare provincie een randvoorwaarde. Dit beleid is vertaald in de Omgevingsvisie en Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. De belangrijkste aspecten zijn:

Bestemmingsplan – Voske 6a, Baarle-Nassau - Toelichting

16

• • •

Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem; Een betere waterveiligheid door preventie; Koppeling van waterberging en droogtebestrijding.

Zoals reeds uiteen is gezet in paragraaf 3.2.3 liggen er binnen de Iov geen werkingsgebieden voor wat betreft het aspect water op de planlocatie. Er zijn derhalve geen voorwaarden waar in het kader van de Iov aan getoetst dient te worden. De watertoets en de wijze waarop de provincie daar mee omgaat is beschreven in het Provinciaal Milieu en Waterplan (PMWP). Provinciale Staten hebben op 18 december 2015 het Provinciaal Milieuen Waterplan 2016 – 2021 ‘Samen naar een duurzaam gezonde en veilige leefomgeving in Brabant vastgesteld (PMWP). Hiermee zijn twee aparte provinciale plannen samengevoegd, te weten het voormalige ‘PWP 2010-2015’ en het ‘Provinciale Milieuplan 2012-2015’. Het doel van dit plan is het creëren van een gezonde leefomgeving voor mens, dier en plant, waarin we veilig kunnen wonen en waar ruimte is voor economische, maatschappelijke en ecologische ontwikkelingen. Het aspect water maakt hier onderdeel van uit. Kort gezegd gaat het PMWP voor: • voldoende water voor mens, plan en dier; • schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht); • bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s; • verduurzaming van de grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening. Gemeenten en waterschappen dienen hun waterbeleid te baseren op de uitgangspunten die de provincie in hun PMWP stelt. De PMWP is enkel voor de provincie Noord-Brabant zelf bindend.

Afbeelding 8: Uitsnede 'Provinciaal Milieu en Waterplan, Gezondheid-1', blauwe pipet is plangebied Zoals weergegeven is in Afbeelding 8 heeft het plangebied in het PMWP de waterhuishoudkundige functie ‘Water voor het gemengd landelijk gebied’ toegekend gekregen. Deze aanduiding komt overeen met de aanduiding ‘gemengd landelijk gebied’ uit de Structuurvisie ruimtelijke ordening en Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Het waterbeheer richt zich op een goede waterhuishouding voor een duurzame en concurrerend landelijk gebied. Randvoorwaarden zijn de verplichtingen uit de Kaderrichtlijn Water en afstemming met de maatregelen voor de Natura 2000gebieden en de Natte natuurparels. Voor het overige geldt geen specifiek beschermingsbeleid Op de kaart 2 en 3 behorende bij de PMWP heeft onderhavige locatie geen aanduiding gekregen. Gezien vanuit het beleidskader van de PMWP is dus geen specifiek beschermingsregime van toepassing binnen het plangebied. Gezien hetgeen hierboven beschreven dat er geen aanduiding opgenomen is op de kaarten 2 en 3 en dat op kaart 1 geen specifiek beschermingsbeleid geldt, past onderhavig initiatief binnen het beleidskader van de PMWP.

Bestemmingsplan – Voske 6a, Baarle-Nassau - Toelichting

17

Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Deze kerntaken zijn opgenomen in het Waterbeheerprogramma 2022 – 2027 (WBP). Daarin staan ook de doelstellingen en ambities van het waterschap. Het waterschapsbestuur geeft hiermee de koers aan voor de komende zes jaar. In het WBP staan de kerntaken van het waterschap centraal. Dat zijn zorgen voor voldoende en schoon water voor natuur en landbouw, bescherming tegen overstromingen en het zuiveren van afvalwater. In dit plan is verwoord dat het waterschap aan een beter watersysteem werkt, voor mensen en voor flora en fauna. Het watersysteem moet robuuster worden: veiliger, minder kwetsbaar voor regenval en droogte, schoner, natuurlijker en beter toegankelijk voor recreanten. Deze thema’s pakt het waterschap in samenhang aan, omdat een integrale aanpak meerwaarde oplevert voor het resultaat. De ambitie van het waterschap is samen met de omgeving te werken aan een klimaatbestendig en veerkrachtig waterlandschap voor de regio Midden- en West-Brabant. Het realiseren van deze ambitie wordt bereikt aan de had van zes beleidskeuzes: 1. Water als drager voor een vitale regio; 2. Evenwicht in het water- en bodemsysteem; 3. We werken samen; 4. We werken duurzaam; 5.

We werken veerkrachtig en vernieuwend; 6. We prioriteren op basis van verplichtingen en mogelijkheden. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de ‘beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken plus bijbehorende beschermingszones liggen, aan welke afmetingen en vorm die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen vallen de werkzaamheden onder een Algemene regel. Dan kan er onder voorwaarden sprake zijn van vrijstelling van de vergunningsplicht. De Keur en de Algemene regels zijn te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta.

Door middel van de Keur van Waterschap Brabantse Delta, die in werking is getreden op 1 maart 2015, kan worden bepaald bij welke ontwikkelingen mitigerende maatregen getroffen moeten worden. Deze mitigerende maatregelen kunnen onder andere bestaan uit het realiseren van een retentievoorziening. De Keur van Waterschap Brabantse Delta schrijft per 1 april 2021 voor dat voor een toename van minder dan 500 m² verhard oppervlak geen mitigerende maatregelen nodig zijn.

4.2.2

Bestaande waterhuishoudkundige situatie

In de bestaande waterhuishoudkundige situatie wordt het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk riool. Voor het overige wordt er uit de inrichting enkel niet-verontreinigd hemelwater geloosd. Dit hemelwater is afkomstig van regenwater dat op de daken en erfverharding valt. Gemiddeld valt er jaarlijks 0,8 m3 niet-verontreinigd hemelwater per m2 verhard oppervlak. Dit hemelwater wordt door middel van afschot van daken en erfverharding geloosd op omliggende perceelssloten. Op het bedrijf wordt aandacht besteed aan het schoonhouden van het verhard oppervlak. De erfverharding en de daken worden zo vaak als voor de goede orde noodzakelijk is schoon gehouden. Op het bedrijf vinden geen bijzondere activiteiten plaats die ertoe kunnen leiden dat er stoffen in aanraking kunnen komen met het hemelwater daar alle bedrijfsactiviteiten inpandig plaatsvinden. Het niet-verontreinigde hemelwater kan dus zonder problemen worden geloosd op de omliggende perceelssloten.

Bestemmingsplan – Voske 6a, Baarle-Nassau - Toelichting

18

4.2.3

Beoogde waterhuishoudkundige situatie

De beoogde waterhuishoudkundige situatie zal niet veranderen ten opzichte van de bestaande situatie. De huidige situatie is voor één bedrijf/huishouden en in de beoogde situatie gaat het ook om een waterhuiskundige situatie voor één bedrijf/huishouden. Ook in de beoogde waterhuishoudkundige situatie wordt het afvalwater van huishoudelijke aard van de woning geloosd op het gemeentelijk riool. Er is geen sprake van een toename van verhard oppervlak. In geval van het realiseren van de vrijstaande bedrijfswoning geldt dat er dan geen sprake mag zijn van een toename van het bestaand dakoppervlak, daar een deel van de loods gesloopt dient te worden. Voor het overige wordt er uit het perceel enkel niet-verontreinigd hemelwater geloosd. Dit hemelwater is afkomstig van regenwater dat op de daken en erfverharding valt. Gemiddeld valt er jaarlijks 0,8 m³ niet-verontreinigd hemelwater per m2 verhard oppervlak. Dit hemelwater wordt door middel van afschot van daken en erfverharding geloosd op omliggende sloten. 4.3 Natuur Voorafgaand aan de gewenste wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van de groene wet- en regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven.

4.3.1

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

In de twintigste eeuw is veel Nederlandse natuur verdwenen. De overgebleven gebieden zijn vaak klein en liggen veelal ver uit elkaar. Hierdoor hebben bepaalde organismen moeite om gebieden te bereiken en zich er te handhaven, waardoor de diversiteit van planten, dieren en micro-organismen (de biodiversiteit) ook sterk achteruit gaat. Om de biodiversiteit te behouden en te versterken is het Natuurnetwerk Nederland opgericht. De Natuurnetwerk Nederland is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. In het NNN liggen: • Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; • Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; • Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; • Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van Noordzee en de Waddenzee; • Alle Natura 2000-gebieden. Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgelegd. Op grond van artikel 2.10.2 van het Barro moeten provincies bij provinciale verordening de NNN-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van artikel 2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen. Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in de NNN aan.

Elk NNN-gebied heeft een zogenaamd natuurdoel. Een natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied.

Natuur Netwerk Brabant (NNB)

Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijke voor de begrenzing en de ontwikkeling van het NNN. De provincie Noord-Brabant heeft in zijn Verordening de gebieden opgenomen als Natuur Netwerk Brabant. Men wil in 2027 alle gaten in het netwerk hebben gedicht met nieuwe natuur. Ongeveer 90% van het Natuur Netwerk Brabant wordt gevormd door bestaande natuurgebieden. Tussen deze gebieden is men voornemens om verbindingen te leggen in de vorm van Ecologische verbindingszones. Door deze verbindingen tussen natuurgebieden kunnen dieren van het ene gebied naar het andere foerageren. De concrete ambities van de provincie Noord-Brabant staan in het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2016. De begrenzing van het netwerk is daarnaast ook opgenomen in de Iov. Het NNB kent geen specifiek beschermingsregime, anders dan via het ruimtelijke spoor. Conform de kaart ‘Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden’ van de Iov is binnen de planlocatie geen NNB

Bestemmingsplan – Voske 6a, Baarle-Nassau - Toelichting

19

aanwezig, zie Afbeelding 9 . De beoogde ontwikkelingen hebben daarom geen invloed op de concrete ambities uit het Natuurbeheerplan 2016.

Afbeelding 9: Uitsnede kaart ‘Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden’ Iov 4.3.2

Wet natuurbescherming

De Wet natuurbescherming vervangt vanaf 1 januari 2017 drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. Doel van de Wet natuurbescherming is drieledig: 1. bescherming van de biodiversiteit in Nederland; 2. decentralisatie van verantwoordelijkheden; 3. vereenvoudiging van regels. In deze paragraaf wordt getoetst of de ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13511625/1