Bijlage 1 - Toelichting Schrans 2 te Castelré
Tekst van het document
Toelichting Bestemmingsplan
Schrans 2 te Castelré
Colofon
Gemeente:
Baarle-Nassau
Projectlocatie:
Schrans 2 5114 AB Castelré
Datum:
04-12-2023
Status:
Ontwerp
IMRO-Code:
NL.IMRO.0744.BPSchrans2-ON01
Opgesteld door:
Van Dun Ontwerp & Planologie Raadhuisstraat 32 5126 CJ Gilze T. 013 519 94 58 Postel 8 5711 ET Someren T. 0493 745 015 E. info@ontwerp-planologie.nl I. www.ontwerp-planologie.nl
Projectnummer:
22115.002 / BK
Pagina 2 van 48
Inhoudsopgave 1. Inleiding ........................................................................................................... 5 1.1.
Aanleiding en doel ........................................................................................... 5
1.2.
Ligging planlocatie ........................................................................................... 5
1.3.
Geldend planologisch regime ............................................................................ 6
1.4.
Procedure ....................................................................................................... 6
1.5.
Leeswijzer ....................................................................................................... 7
2. Planbeschrijving............................................................................................... 8 2.1.
Bestaande situatie............................................................................................ 8
2.2.
Beoogde situatie .............................................................................................. 9
3. Beleidskader................................................................................................... 11 3.1.
Provinciaal beleid ............................................................................................ 11
3.1.1. 3.1.2. 3.2.
Omgevingsvisie Noord-Brabant .................................................................. 11 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant ........................................... 11
Gemeentelijk beleid......................................................................................... 17
3.2.1. 3.2.2. 3.2.3.
Omgevingsvisie gemeente Baarle-Nassau ................................................... 17 Woonvisie gemeente Baarle-Nassau ........................................................... 18 Bestemmingsplan ..................................................................................... 18
4. Milieuhygiënische en planologische aspecten ................................................ 20 4.1.
Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling ...................................... 20
4.2.
Waterhuishouding ........................................................................................... 20
4.2.1. 4.2.2. 4.2.3. 4.3.
Natuur ........................................................................................................... 25
4.3.1. 4.3.2. 4.4.
Waterrelevant beleid................................................................................. 20 Bestaande waterhuishoudkundige situatie .................................................. 23 Beoogde waterhuishoudkundige situatie ..................................................... 24 Natuurnetwerk Nederland (NNN) ............................................................... 25 Wet natuurbescherming ............................................................................ 26
Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie......................................................... 28
4.4.1. 4.4.2.
Cultuurhistorie en aardkunde..................................................................... 29 Archeologie .............................................................................................. 32
4.5.
Landschappelijke inpassing .............................................................................. 33
4.6.
Bodemkwaliteit ............................................................................................... 34
4.7.
Spuitzones ..................................................................................................... 34
4.8.
Bedrijven en milieuzonering ............................................................................. 35
4.9.
Geur .............................................................................................................. 36
4.9.1. 4.9.2. 4.10.
Omgekeerde werking ................................................................................ 36 Woon- en leefklimaat ................................................................................ 36 Luchtkwaliteit .............................................................................................. 37
Pagina 3 van 48
4.10.1. 4.10.2. 4.11.
Niet in betekenende mate ......................................................................... 37 Woon- en leefklimaat ................................................................................ 38 Geluid ......................................................................................................... 40
4.11.1. 4.11.2.
Wegverkeerslawaai ................................................................................... 40 Industrielawaai ........................................................................................ 41
4.12.
Verkeer en parkeren .................................................................................... 41
4.13.
Externe veiligheid ........................................................................................ 41
4.13.1. 4.13.2. 4.14.
Regelgeving ............................................................................................. 41 Toetsing aan beleid .................................................................................. 42 Technische infrastructuur ............................................................................. 43
5. Juridische planbeschrijving ............................................................................ 44 5.1.
Juridische achtergrond .................................................................................... 44
5.2.
Toelichting verbeelding.................................................................................... 44
5.3.
Toelichting regels............................................................................................ 44
6. Uitvoerbaarheid ............................................................................................. 46 6.1.
Financiële uitvoerbaarheid ............................................................................... 46
6.2.
Maatschappelijke uitvoerbaarheid ..................................................................... 46
6.2.1. 6.2.2.
Vooroverleg en omgevingsdialoog .............................................................. 46 Zienswijzen en beroep .............................................................................. 46
7. Bijlagen .......................................................................................................... 47
7.1. 7.2. 7.3. 7.4. 7.5. 7.6. 7.7. 7.8. 7.9. 7.10. 7.11. 7.12.
Bijlage 1: Landschappelijk inpassingsplan ......................................................... 47 Bijlage 2: Notitie invoergegevens AERIUS ......................................................... 47 Bijlage 3: AERIUS-berekening realisatiefase ...................................................... 47 Bijlage 4: AERIUS-berekening gebruiksfase ....................................................... 47 Bijlage 5: QuickScan flora- en fauna ................................................................. 47 Bijlage 6: Archeologisch onderzoek................................................................... 47 Bijlage 7: Bodemonderzoek ............................................................................. 47 Bijlage 8: Asbestonderzoek .............................................................................. 47 Bijlage 9: Akoestisch onderzoek ....................................................................... 47 Bijlage 10: Vooroverlegreactie waterschap Brabantse Delta ............................. 47 Bijlage 11: Vooroverlegreactie provincie Noord-Brabant .................................. 47 Bijlage 12: Verslag omgevingsdialoog ............................................................ 47
Pagina 4 van 48
1. Inleiding In dit hoofdstuk komen de aanleiding en het doel, de ligging van de planlocatie, het geldend planologisch regime en de procedure aan bod. Daarnaast is in dit hoofdstuk een leeswijzer opgenomen. 1.1. Aanleiding en doel Eigenaar van de Schrans 2, 5114 AB te Castelré is voornemens deze locatie te ontwikkelen. Op de locatie is een woning met bijgebouw aanwezig. De eigenaar van de Schrans 2 is woonachtig in de woning. Aangezien de eigenaar vanuit de woning overlast ondervindt van onder andere verkeer en privacy aantasting, is het wenselijk om de huidige woning te slopen en een nieuwe woning te realiseren op een grotere afstand van de weg. Daarnaast bestaat de wens om de woonbestemming en het maximale bouwvolume te vergroten. Ook wordt de maximale dakgoothoogte verhoogd. Aan het einde van 2019 is een principeverzoek ingediend inzake de gewenste ontwikkelingen op locatie. Begin 2022 heeft de eigenaar van de Schrans 2 meerdere gesprekken gevoerd over de gewenste ontwikkeling op locatie. Uit deze gesprekken is gebleken dat de gemeente het verplaatsen van de woning, het vergroten van de woonbestemming en de maximale bouwvolume en het verhogen van de maximale dakgoothoogte wenselijk acht. 1.2. Ligging planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Schrans 2 te Castelré en is gelegen in het buitengebied van de gemeente Baarle-Nassau.
De planlocatie is kadastraal bekend als gemeente Baarle-Nassau, sectie P, nummers 97 en 93 en heeft een grootte van 17.370 m2. Op onderstaande Afbeelding 1 is een luchtfoto met het plangebied weergegeven.
Afbeelding 1: Ligging van de planlocatie in de omgeving, de locatie is rood omlijnd
Pagina 5 van 48
1.3. Geldend planologisch regime Het vigerend planologische regime is vervat in het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2008’ van de gemeente Baarle-Nassau. Op 16 juli 2009 is het bestemmingsplan vastgesteld en op 19 oktober 2011 onherroepelijk geworden na uitspraak van de Raad van State. De volgende bestemmingen en aanduidingen zijn van toepassing op de planlocatie aan de Schrans 2 te Castelré, zie Afbeelding 2: − Enkelbestemming: ‘Wonen’; en − Enkelbestemming: ‘Agrarisch, agrarische functie met natuurwaarden’.
Afbeelding 2: Uitsnede bestemmingsplan ‘Buitengebied 2008’, de locatie is rood omlijnd Het realiseren van een nieuwe woning op een grotere afstand tot de weg is niet mogelijk binnen het vigerende bestemmingsplan, aangezien de woonbestemming maar een grootte heeft van circa 710 m2. Het overige gedeelte van de planlocatie kent de bestemming ‘Agrarisch met functie natuurwaarden’, waar geen woning op gerealiseerd kan worden. Derhalve wordt met onderhavig bestemmingsplan de woonbestemming vergroot, de maximale bouwvolume van de woning vergroot en de maximale bouwhoogte verhoogd. 1.4. Procedure Voor het beoogde initiatief dient een bestemmingsplan te worden vastgesteld, conform artikel 3.1 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Het plan doorloopt als volgt de procedure. Allereerst wordt er een voorontwerpbestemmingsplan opgesteld waarin onderbouwd wordt dat het initiatief voldoet aan het gemeentelijk en provinciaal beleid en aan alle relevante milieu- en ruimtelijke ordeningsaspecten. In deze fase wordt overleg gevoerd met de gebruikelijke overlegpartners zoals gemeente, provincie en waterschap. Eventuele opmerkingen worden verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan.
Pagina 6 van 48
Volgens artikel 3.8 Wro is op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing. Dit houdt in dat het ontwerpbestemmingsplan gedurende 6 weken voor iedereen ter inzage wordt gelegd. Tijdens deze periode van 6 weken kan een ieder zienswijzen kenbaar maken. Binnen 12 weken nadat het ontwerpbestemmingsplan ter inzage heeft gelegen, moet de gemeente beslissen over de vaststelling van het bestemmingsplan. Hierbij worden eventuele zienswijzen in acht genomen. Nadat het bestemmingsplan is vastgesteld, wordt deze opnieuw 6 weken ter inzage gelegd. Binnen deze 6 weken kan een ieder die óf tijdig een zienswijze kenbaar heeft gemaakt bij het ontwerp óf belanghebbenden is, beroep indienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als er geen beroep wordt ingesteld, dan is het bestemmingsplan daags na afloop van de beroepsperiode onherroepelijk. Zodra het bestemmingsplan in werking is getreden kunnen de benodigde omgevingsvergunningen voor het beoogde initiatief worden aangevraagd. 1.5. Leeswijzer In deze toelichting zijn in het eerste hoofdstuk een inleiding op het initiatief gegeven, waarin de aanleiding, het doel, de ligging van de planlocatie, het geldend planologische regime en de te doorlopen procedure zijn beschreven. In hoofdstuk 2 worden de bestaande en beoogde situatie omschreven.
Het van toepassing zijnde nationaal, provinciaal en gemeentelijk beleid wordt uiteengezet in hoofdstuk 3. Hierna worden in hoofdstuk 4 de milieu-hygiënische en planologische aspecten beschreven. De juridische achtergrond van het bestemmingsplan, een toelichting op de verbeelding en een toelichting op de regels wordt gegeven in hoofdstuk 5. De financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het initiatief wordt verantwoord in hoofdstuk 6.
Pagina 7 van 48
2. Planbeschrijving In dit hoofdstuk worden de bestaande en beoogde situatie beschreven. Hierin komt naar voren welke veranderingen er plaatsvinden binnen de planlocatie. 2.1. Bestaande situatie De planlocatie is gelegen in het buitengebied van Castelré, gemeente Baarle-Nassau, op circa 10 kilometer van de kern van Baarle-Nassau en op circa 350 meter van de kern van Hoogstraten (België). In de directe omgeving van de planlocatie zijn hoofdzakelijk woningen, landbouwgronden en natuurgronden gelegen. De planlocatie ligt in de bijna enclave Castelré, een gebied dat vrijwel geheel omsloten door Belgisch gebied en slechts over een breedte van 200 meter aan de rest van Nederland vast zit. Castelré ligt op een zandige hoogte tussen de lager gelegen stroomdalen van de drie grensriviertjes; het Merkske in het noorden, de Hollandse Loop in het zuiden en de Mark in het westen. De bewoning van Castelré is in twee plaatsen geconcentreerd. Het Groeske is de oudste kern. Zuidelijk daarvan ligt de Schootsenhoek, die van jongere datum is. De planlocatie is tussen deze twee plaatsen gesitueerd. Op onderstaande luchtfoto is de ligging van de planlocatie in de omgeving te zien.
Afbeelding 3: Uitsnede Google Maps, ligging van de projectlocatie Op de planlocatie is een woning met bijgebouwen aanwezig. Ook is op de locatie (op het kadastrale perceel met nummer 93) een vergunde paardenstal aanwezig. De huidige woning is op circa 2,5 meter van de openbare weg, Schrans, gelegen. Ook is de woning op korte afstand van de Hoogstratensebaan gelegen. Dit leidt tot aantasting van het woongenot van de eigenaren van Schrans 2. In de regio van Castelré is de Dodendraadroute gelegen. Deze wandelroute trekt jaarlijks veel wandelaars aan. Naast de oprit van de Schrans 2 staat een informatiebord over genoemde route, waar veel groepen wandelaars, fietsers en auto’s stoppen om nadien verder te wandelen langs de Schrans 2. Ook worden er auto’s van wandelaars geparkeerd naast de woning. De eigenaar van de Schrans 2 heeft op deze
Pagina 8 van 48
reden een groot gedeelte van het jaar de jaloezieën permanent gesloten omwille van rechtstreekse inkijk in de woonkamer en slaapkamer. Daarnaast ondervinden de eigenaren van de planlocatie meerdere vormen van verkeersoverlast. De Schrans zorgt voor een rechtstreekse verbinding tot verschillende agrarische gebieden, waardoor regelmatig zwaar verkeer, zoals tractoren en dorsmachines, de Schrans 2 passeren. Daarnaast eindigt de Schrans ook als zandpad, wat een verbinding vormt met het Groeske. Deze weg wordt vaak gebruikt door crossvoertuigen. Dit zorgt voor de nodige geluidsoverlast, gevaarlijke situaties en beschadigingen aan de berm. Ten slotte ondervinden de eigenaren van de planlocatie tijdens de avondspits overlast van schijnende koplampen. Door de huidige situering van de woning ten aanzien van de Hoogstratensebaan schijnen de koplampen rechtstreeks binnen in het woongedeelte van de woning aan de Schrans 2. Vanwege genoemde aantasting van het woongenot is derhalve de wens ontstaan om de woning aan de Schrans 2 te Castelré te slopen en een nieuwe woning te realiseren op een grotere afstand tot de weg. 2.2. Beoogde situatie De beoogde ontwikkeling betreft het vergroten van de woonbestemming, het slopen van de huidige woning, het vergroten van de maximale bouwvolume van de woning, het verhogen van de maximale dakgoothoogte en het bouwen van een nieuwe woning.
De nieuwe woning zal op een grotere afstand van de weg worden gesitueerd. Daarnaast zal de woning een aantal graden westwaarts worden gedraaid, zodat er geen overlast van koplampen kan worden ondervonden. Daarnaast zal de beoogde ontwikkeling gecombineerd worden met een zorgvuldige landschappelijke inpassing. De landschappelijke inpassing zal aansluiten bij de omgeving. Alle aanwezige bebouwing op de planlocatie zal in de beoogde situatie worden gesloopt. Vervolgens zal er een nieuwe woning met nieuwe bijgebouwen worden gebouwd. Op de onderstaande situatietekening is te zien hoe de beoogde situatie vorm zal krijgen, zie Afbeelding 4. In Bijlage 1 is het landschappelijk inpassingsplan op schaal opgenomen.
Afbeelding 4: Landschappelijk inpassingsplan Pagina 9 van 48
De woonbestemming en het bouwvlak zullen in de beoogde situatie vergroot worden van circa 710 m2 naar een grootte van maximaal 1.500 m2. Daarnaast zal de maximale bouwvolume van 600 m3 worden vergroot naar 750 m3. Ten slotte zal de maximale dakgoothoogte van 4,5 meter worden verhoogt naar 6 meter.
Pagina 10 van 48
3. Beleidskader In dit hoofdstuk wordt het relevante beleid uiteengezet. Het initiatief wordt getoetst aan het provinciaal en gemeentelijk beleid. Gezien het initiatief dusdanig klein van aard is dat het geen invloed heeft op nationaal beleid, wordt dit beleidskader niet beschreven. 3.1. Provinciaal beleid Het geldende ruimtelijke beleid van de provincie Noord-Brabant is omschreven in de Omgevingsvisie en de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.
3.1.1. Omgevingsvisie Noord-Brabant
De provincie Noord-Brabant heeft op 14 december 2018 de omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld. De omgevingsvisie vindt zijn legitimatie in de Omgevingswet. Vanzelfsprekend staan de achterliggende doelen van de Omgevingswet dan ook centraal in de positiebepaling van de Brabantse Omgevingsvisie. Onder het motto ‘eenvoudig beter’, doelt de Omgevingswet op meer inzichtelijkheid, en een grotere voorspelbaarheid en gebruiksgemak van het Omgevingsrecht. Ook beoogt de wet meer bestuurlijke afwegingsruimte en een meer samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving in beleid, besluitvorming en regelgeving. Het doel van de omgevingsvisie is om de kwaliteit van de leefomgeving voor alle Brabanders te verbeteren. In de visie is voor verschillende programma’s de ambitie geformuleerd hoe de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit moet zien. Daarbij zijn mobiliserende tussendoelen gesteld voor 2030 om het einddoel te kunnen bereiken. De uitwerking in programma’s is een opgave die de visie volgt en die in opeenvolgende bestuursperiodes de opdracht en ruimte geeft om dat met eigen accenten in te vullen. Het belangrijkste programma dat hier een rol speelt is ‘omgevingskwaliteit’. Het Brabantse doel voor 2050 in dit programma is:
‘Brabant heeft een goede leefomgevingskwaliteit doordat wij op alle aspecten beter presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald. Brabant staat met zijn TOP-landschap van oude en nieuwe landschappen in de top 5 van Europa. De biodiversiteit binnen en buiten de natuurgebieden is op orde, de lucht- en waterkwaliteit voldoet en de bodem is vitaal.’ Het tussendoel voor 2030 in dit programma is:
‘Brabant heeft een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit doordat wij voor alle aspecten voldoen aan de wettelijke normen. Natuurgebieden zijn ingericht, de afname van biodiversiteit is naar een positieve trend omgebogen, waardevolle cultuurhistorische landschappen zijn behouden en er is breed draagvlak voor de nieuwe energie- en klimaatadaptieve landschappen door de ontwerpende aanpak.’ Deze basisopgave is veelomvattend en gaat over milieuaspecten zoals een schone bodem, schoon water (ondergrond) en schone lucht. Maar ook om landschappelijke- en cultuurhistorische aantrekkelijkheid, een goede woon- en werkomgeving met een aantrekkelijk aanbod aan voorzieningen, stilte en een natuurrijke omgeving, waarin biodiversiteit en recreatie hand in hand gaan. Het initiatief voldoet aan het tussendoel voor 2030 omdat aan alle milieu wet- en regelgeving wordt voldaan. Door een zorgvuldige landschappelijke inpassing van de planlocatie wordt ook een positieve bijdrage geleverd aan de leefomgevingskwaliteit. Hiermee wordt een eerste stap gezet richting het einddoel van 2050. Het initiatief past dus binnen de Omgevingsvisie voor Noord-Brabant.
3.1.2. Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant
De Interim omgevingsverordening (Iov) betreft een samenvoeging van verschillende regelingen op provinciaal niveau met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. De Iov is daarbij een eerste stap op weg naar een definitieve omgevingsverordening, die op grond van de op handen zijnde Omgevingswet moet worden vastgesteld en die verplicht is voor provincies.
Pagina 11 van 48
De Iov is opgesteld vanuit een doelgroepenbenadering. Dit is ook het systeem dat de Omgevingswet, en de daaronder liggende wetgeving, hanteert. Dit betekent dat de regels in de Iov zijn gegroepeerd in hoofdstukken waarbij de doelgroep van de regel, de zogenaamde normadressaat, leidend is. Regels waar gemeenten bij vaststelling van een bestemmingsplan rekening mee moeten houden zijn opgenomen in hoofdstuk 3. Deze regels zijn in de vorm van instructieregels opgenomen waarbij de verschillende niveau’s zijn opgedeeld in meerdere afdelingen. Voor elke ruimtelijke ontwikkeling geldt dat toepassing moet worden gegeven aan de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies zoals deze zijn opgenomen in paragraaf 3.1.2. Voor het overige dient getoetst te worden aan de regels die van toepassing zijn op het werkingsgebied waarin de planlocatie ligt. In dit geval ligt de planlocatie in de werkingsgebieden ‘Cultuurhistorisch waardevol gebied’, ‘Behoud en herstel van watersystemen’, ‘Reservering waterberging’, ‘Groenblauwe mantel’, ‘Landelijk gebied’, ‘Beperkingen veehouderij’ en ‘Stalderingsgebied’, zie Afbeelding 5.
Afbeelding 5: Uitsnede Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Artikel 3.27 bevat regels ten behoeve van het behoud en herstel van watersystemen. Er zal derhalve worden getoetst aan artikel 3.27. In artikel 3.29 zijn regels ten aanzien van de aanduiding ‘Cultuurhistorische waardevol gebied’ opgenomen. Deze regels zijn gericht op behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden en kenmerken. Er zal derhalve worden getoetst aan artikel 3.29 voor Cultuurhistorische waarden. Artikel 3.36 bevat regels ten behoeve van de reservering waterberging ten behoeve van het behoud van het waterbergend vermogen van dat gebied. Er zal derhalve worden getoetst aan artikel 3.36.
Pagina 12 van 48
Afdeling 3.6 bevat de voorwaarden voor een vitaal platteland, die onder andere van toepassing zijn op de groenblauwe mantel. Met het initiatief wordt de bestemming ‘Wonen' vergroot. Er zal derhalve worden getoetst aan artikel 3.68 voor Wonen in Landelijk gebied. In artikel 3.51 zijn de afwijkende regels ten aanzien van de aanduiding ‘beperkingen veehouderij’ opgenomen. Deze regels beperken de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijen. Met het initiatief wordt de bestaande woonbestemming vergroot, er wordt derhalve geen veehouderij opgericht, waardoor er geen bedrijfsmatige veehouderijactiviteiten plaatsvinden binnen de planlocatie. Het artikel is derhalve niet van toepassing op het initiatief. Verder bevat artikel 3.52 aanvullende regels ten aanzien van het stalderingsgebied. Deze regels hebben betrekking op een toename in de oppervlakte dierenverblijven voor hokdieren. Met het initiatief wordt de woonbestemming ter plaatse vergroot. De regels met betrekking tot het stalderingsgebied zijn derhalve niet van toepassing. Aan de relevante artikelen zal hierna worden getoetst. Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies (paragraaf 3.1.2) Onder een evenwichtige toedeling van functies wordt verstaan dat invulling wordt gegeven aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving.
Hiervoor moet rekening worden gehouden met: ▪ zorgvuldig ruimtegebruik; ▪ de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering; ▪ meerwaardecreatie. Deze aspecten zijn in de Iov nader uitgewerkt in de artikel 3.6 t/m 3.8. Daarnaast geldt voor ontwikkelingen in het landelijk gebied ook dat er sprake moet zijn van kwaliteitsverbetering (zie artikel 3.9). Deze artikelen worden hieronder nader toegelicht.
Zorgvuldig ruimtegebruik (artikel. 3.6)
Conform artikel 3.6 houdt zorgvuldig ruimtegebruik in dat:
a. de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing, behalve in de gevallen dat: 1. nieuwvestiging mogelijk is op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk; 2. er feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte is en uitbreiding, al dan niet gelijktijdig met de vestiging van een functie, op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk is toegestaan.
Het initiatief betreft het vergroten van de woonbestemming en het bouwvlak voor de bouw van een nieuwe woning. De bestaande woning zal worden gesloopt, waardoor in de beoogde situatie niet meer gebouwen worden gerealiseerd dan in de huidige situatie het geval is. Binnen het bestaande ruimtebeslag (het bestaande bouwperceel, wat wordt vergroot) wordt de bestaande bebouwing vervangen door nieuwe bebouwing, waardoor geconcludeerd wordt dat er gebruik wordt gemaakt van een bestaand ruimtebeslag, namelijk een bestaand bouwperceel. Vanuit feitelijke en kwalitatieve overwegingen is er binnen het bestaande bouwvlak onvoldoende ruimte voor de realisatie van een nieuwe woning. De sloop van de huidige woning en de realisatie van de nieuwe woning, op een grotere afstand van de weg, zal leiden tot een verbetering van het woon- en leefklimaat. Momenteel wordt er vanuit de huidige woning namelijk overlast ondervonden van voornamelijk verkeer van de Hoogstratensebaan. Aangezien de bestaande woning zich dicht tegen de weg bevindt en de woning schuin richting de Hoogstratensebaan is gesitueerd, is er naast geluidsoverlast van wegverkeer ook sprake van overlast van de koplampen van voertuigen die de woning binnen schijnen. Hierdoor is het niet mogelijk om de overlast van het verkeer, middels het treffen van extra maartregelen aan de bestaande woning, op te lossen.
Door het vergroten van het bouwvlak en het bestemmingsvlak zal het mogelijk worden om de beoogde woning met de voorzijde te situeren naar de Schrans en niet meer naar Hoogstratensebaan. Ook zal de woning door het vergroten van het bouwvlak en het
Pagina 13 van 48
bestemmingsvlak verder van de Hoogstratensebaan gesitueerd worden. Dit zal leiden tot een verbetering van het woon- en leefklimaat en dan voornamelijk een verbetering van het aspect ‘geluid’. Verder heeft de ontwikkeling geen betrekking op een stedelijke ontwikkeling die voorziet in een regionale behoefte. Toepassing van de ladder is daarom niet nodig. Ten slotte zal de nieuwe bebouwing, net zoals de bestaande bebouwing, binnen het bouwperceel worden opgericht en daarbinnen geconcentreerd worden.
Toepassing van de lagenbenadering (artikel 3.7)
De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op verschillende lagen. Hierbij dient onderzocht te worden wat de effecten zijn op: − de ondergrond; − de netwerklaag; en − de bovenste laag. Met het effect op de ondergrond worden o.a. de aspecten bodem, grondwater en archeologische waarden bedoeld. De netwerklaag omvat aspecten zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. In de beschouwing van de bovenste laag dienen aspecten zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu aan bod te komen. Hierbij dient te worden gekeken naar het verleden, heden en toekomst. De beoogde ontwikkeling mag geen negatieve effecten hebben op de waarden in de omgeving en dient ook in de toekomst geen beperkingen op te leveren voor de omgeving. De toetsing van de gevolgen van het initiatief op bovengenoemde aspecten is uitgebreid uiteengezet in hoofdstuk 4 van deze toelichting.
Meerwaardecreatie (artikel 3.8)
Het aspect meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken. Het biedt de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren, waardoor er meerwaarde ontstaat. Daarnaast ontstaat een bijdrage aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit zoals bedoeld in artikel 3.9 van de Iov kan deel uit maken van de meerwaardecreatie. Middels deze Ruimtelijke onderbouwing wordt meerwaarde gecreëerd door het plan te combineren met de aanleg van een zorgvuldig gekozen landschappelijke inpassing. Daarnaast zal de verouderde woning worden gesloopt en zal er een nieuwe woning worden gerealiseerd die past binnen de kwaliteiten van de omgeving.
Kwaliteitsverbetering (artikel 3.9)
Een bestemmingsplan in landelijk gebied moet gepaard gaan met een fysieke verbetering van het landschap. Daarnaast moet worden aangetoond hoe deze fysieke verbetering financieel, juridisch en feitelijk wordt verzekerd. Een verbetering kan o.a. bestaan uit een landschappelijke inpassing, behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen, het slopen van bebouwing of aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden. Deze vormen van kwaliteitsverbetering moeten worden geborgd in het bestemmingsplan. De uitvoering van kwaliteitsverbetering van het landschap heeft de provincie Noord-Brabant vastgelegd in het ‘Afsprakenkader Kwaliteitsverbetering van het landschap in de regio Noord-Brabant’. Deze notitie bevat eenduidige afspraken die de regio West-Brabant en de provincie Noord-Brabant gezamenlijk hebben gemaakt met betrekking tot de toepassing van het principe Kwaliteitsverbetering van het landschap. Deze notitie geeft aan hoe de gemeenten in de regio West-Brabant toepassing geven aan artikel 3.2. Kwaliteitsverbetering van het landschap van de provinciale verordening. Deze notitie biedt:
Pagina 14 van 48
− − − −
een eenduidig beleidskader voor de West-Brabantse gemeenten met instemming van de provincie Noord-Brabant; de mogelijkheid tot maatwerk voor gemeenten blijft mogelijk om de ‘couleur locale’ te behouden, niet alles wordt dicht getimmerd; een eenduidige regionale methodiek; duidelijkheid over hoe de rood-met-groen koppeling kan worden opgenomen in te ontwikkelen bestemmingsplannen in overeenstemming met de Verordening Ruimte.
In de notitie zijn een drietal categorieën opgesteld: − Categorie 1: Ruimtelijke ontwikkelingen met nauwelijks tot geen landschappelijke invloed en waarbij geen (extra) kwaliteitsverbetering van het landschap wordt geëist. − Categorie 2: Ruimtelijke ontwikkelingen met weinig landschappelijke invloed, dan wel ruimtelijke ontwikkelingen die van nature aan het buitengebied zijn gebonden, of plaatsvinden in hiervoor aangewezen gebieden. De kwaliteitsverbetering vindt plaats in de vorm van landschappelijke inpassingsmaatregelen. Deze categorie is niet limitatief. − Categorie 3: Ruimtelijke ontwikkelingen welke niet tot categorie 1 of 2 behoren. De kwaliteitsverbetering wordt berekend op basis van de bestemmingswinst.
Categorie
In de notitie zijn drie categorieën opgenomen, waaronder een ruimtelijke ontwikkeling geschaard kan worden. De ontwikkeling op de planlocatie (vergroten woonbestemming tot 1.500 m2, vergroten maximale bouwvolume tot 750 m3 en verhogen maximale dakgoothoogte) valt in categorie 1. Hierdoor is geen extra kwaliteitsverbetering van het landschap geëist.
Cultuurhistorische waarden (artikel 3.29) Paragraaf 3.2.4 bevat voorwaarden voor aardkundige-, cultuurhistorische- en landschappelijke waarden. Het initiatief moet getoetst worden aan artikel 3.29 ten aanzien van Cultuurhistorische waarden. In artikel 3.29 is het volgende bepaald:
‘Een bestemmingsplan van toepassing op Cultuurhistorisch waardevol gebied: a. is mede gericht op behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden en kenmerken zoals beschreven in de Cultuurhistorische Waardenkaart; b. stelt regels ter bescherming van de cultuurhistorische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden.’
In de beoogde situatie wordt een nieuwe woning gerealiseerd. De bestaande woning zal worden gesloopt, waardoor in de toekomstige situatie niet meer bebouwing wordt gebouwd dan in de huidige situatie. In hoofdstuk 4.4 van onderhavige toelichting wordt omschreven dat rekening zal worden gehouden met het behoud, herstel en de duurzame ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden en kenmerken zoals beschreven in de Cultuurhistorische Waardenkaart.
Behoud en herstel van watersystemen (artikel 3.27) ‘Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Behoud en herstel van watersystemen strekt mede tot de verwezenlijking en het behoud, beheer en herstel van watersystemen. Lid 2 Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid stelt regels die: a. het oprichten van bebouwing beperken; b. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen of verharde oppervlakten beperken; c. het ophogen van gronden beperken.’ In de beoogde situatie wordt weliswaar bebouwing opgericht in de vorm van een nieuwe woning, maar om dit mogelijk te maken wordt de bestaande woning met bijgebouwen gesloopt, waardoor in
Pagina 15 van 48
verhouding niet meer bebouwing wordt opgericht dan in de huidige situatie. Hierdoor zal voor wat betreft het behoud en herstel van watersystemen niks veranderen. De regels met betrekking tot het behoud en herstel van watersystemen worden opgenomen in de regels van onderhavig bestemmingsplan.
Reservering waterberging (artikel 3.36) ‘Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Reservering waterberging strekt mede tot behoud van het waterbergend vermogen van dat gebied. Lid 2 De toelichting bij een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid bevat een verantwoording over de wijze waarop de geschiktheid van het gebied voor waterberging behouden blijft indien dat bestemmingsplan voorziet in een ontwikkeling van functies.’ De ontwikkeling op de planlocatie voorziet niet in een ontwikkeling van functies. De woonbestemming zal in de beoogde situatie worden vergroot, zodat de bestaande woning kan worden gesloopt en er een nieuwe woning kan worden gebouwd op een grotere afstand van de weg. De ontwikkeling zal geen verandering opleveren voor de reservering waterberging. De regels met betrekking tot de reservering waterberging zak worden opgenomen in de regels van onderhavig bestemmingsplan.
Wonen in Landelijk gebied (artikel 3.68) Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied bepaalt dat: a. alleen bestaande burgerwoningen en bedrijfswoningen zijn toegestaan;
Op de planlocatie is in de huidige situatie reeds een bestaande burgerwoning aanwezig. In de beoogde situatie zal de bestaande burgerwoning worden vervangen door een nieuwe woning met bijgebouwen. In de beoogde situatie zullen geen nieuwe woningen worden toegevoegd.
b. zelfstandige bewoning van bedrijfsgebouwen, recreatiewoningen en andere niet voor bewoning bestemde gebouwen is uitgesloten.
De woning op de planlocatie betreft een burgerwoning, waardoor geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van een bedrijfsgebouw, recreatiewoning of andere niet voor bewoning bestemde gebouwen.
Afwijkende regels (burger)woningen (artikel 3.69) In afwijking van Artikel 3.68 Wonen in Landelijk gebied kan een bestemmingsplan voorzien in: a. de bouw van een woning ter vervanging van een bestaande woning binnen het bouwperceel , als is verzekerd dat: 1. de bestaande woning feitelijk wordt opgeheven;
Zoals hiervoor omschreven is het wenselijk dat de bestaande woning op de planlocatie wordt gesloopt en dat ter plaatse een nieuwe woning wordt gerealiseerd. Hierdoor wordt de bestaande woning feitelijk opgeheven.
2. overtollige bebouwing wordt gesloopt.
Op locatie is in de huidige situatie één bijgebouw aanwezig. Dit bijgebouw zal ook gesloopt en vervangen worden door een nieuw bijgebouw. Verder is er op locatie geen overtollige bebouwing aanwezig.
Er kan derhalve worden geconcludeerd dat het initiatief voldoet aan de voorwaarden voor wonen in het landelijk gebied. Conclusie Gelet op bovenstaande voldoet de ontwikkeling aan de voorwaarden die zijn opgenomen in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.
Pagina 16 van 48
3.2. Gemeentelijk beleid Het gemeentelijk beleid is omschreven in de gemeentelijke omgevingsvisie, de woonvisie en het bestemmingsplan.
3.2.1. Omgevingsvisie gemeente Baarle-Nassau
De gemeente Baarle-Nassau heeft op 26 juni 2019 de omgevingsvisie vastgesteld. Deze omgevingsvisie geeft richting aan ruimtelijke ontwikkelingen. Er zijn 11 gebieden onderscheiden waarvoor verschillende doelen zijn geformuleerd die de gemeente Baarle-Nassau wil bereiken. Als er nieuwe initiatieven worden aangeboden worden de volgende vragen afgewogen: 1. In hoeverre draagt het initiatief bij aan de gestelde doelen? 2. Wat vindt de samenleving van het initiatief (is er draagvlak)?
Afbeelding 6: Uitsnede Visiekaart Omgevingsvisie, plangebied rood omlijnd Volgens de Visiekaart Omgevingsvisie ligt het plangebied in een gebied dat is aangeduid als ‘Oude landschappen’, zie Afbeelding 6. Karakteristiek voor de oude landschappen zijn de bebouwingsconcentraties in de buurtschappen en het (relatief) kleinschalige landschap. Hier komt de meeste bebouwing voor en zijn ook de meeste agrarische bedrijven gevestigd. Naast de algemene principes die de gemeente hanteert voor het buitengebied, gelden onder andere de volgende doelen specifiek voor de oude landschappen: − De karakteristiek van de oude landschappen in stand houden en versterken. − Een verbijzondering van de oude landschappen vormen de buurtschappen. De schaalvergroting van de landbouw, met name de bouw van steeds groter wordende stallen, verandert de schaal en daarmee het karakter van de buurtschappen. We willen de karakteristiek van de buurtschappen in stand houden door: • Vernieuwen van bebouwing te laten prevaleren boven nieuwbouw en vrijkomende gebouwen leeg laten staan; • De omvang van de buurtschappen zoveel mogelijk in stand te houden en de compactheid te bewaren;
Pagina 17 van 48
•
Te voorkomen dat de buurtschappen over de grens van de oude landschappen groeien, zodat de begrenzing en daarmee herkenbaarheid van de landschapstypen behouden blijft.
Aangezien de eigenaren van de Schrans 2 te Castelré aantasting van het woongenot ondervinden, door onder andere verkeersoverlast en privacy aantasting, is gewenst om de woning aan de Schrans 2 te slopen en een nieuwe woning te realiseren op een grotere afstand van de weg. Om deze reden is vernieuwing van de woning geen oplossing. De nieuw te realiseren woning zal landschappelijk worden ingepast middels landschapselementen dit zal bijdragen aan het karakteristieke en kleinschalige landschap. Hiermee wordt geconcludeerd dat onderhavige ontwikkeling passend is binnen de Omgevingsvisie
3.2.2. Woonvisie gemeente Baarle-Nassau
Voor het realiseren van de nieuwe woning is het beleid uit de Woonvisie ‘Baarle BRUIST, in Baarle kom je thuis’ geraadpleegd. Deze woonvisie, vastgesteld d.d. juli 2018, omvat de doelen en ambities voor het wonen in de gemeente Baarle-Nassau voor de periode 2018-2023. In de woonvisie wordt de aantrekkelijkheid van het wonen in Baarle-Nassau benadrukt. Daarnaast wordt in de visie aangesloten bij recente trends en ontwikkelingen in de samenleving. Voor het behoud van de woonaantrekkelijkheid wordt ingezet op een woningaanbod dat past bij de identiteit van de gemeente en de kernen. Kernwaarden bij het woonkarakter van Baarle-Nassau zijn een dorps karakter en een groene landschappelijke uitstraling. De bouw van de nieuwe woning, de sloop van de bestaande (verouderde) woning en de realisatie van de landschappelijke inpassing/natuurontwikkeling zullen bijdragen aan deze kernwaarden. De ontwikkeling ziet niet op het ontwikkelen van extra woningen, maar enkel op de sloop van de bestaande woning en de bouw van een nieuwe woning. Deze ontwikkeling draagt echter wel bij aan de doelen van de gemeente Baarle-Nassau, zoals omschreven in de woonvisie. Aangezien de ontwikkeling bijdraagt aan de woonaantrekkelijkheid van Castelré. De verouderde woning wordt gesloopt en er wordt een nieuwe woning op een betere ligging op het perceel aan de Schrans 2 teruggebouwd.
3.2.3. Bestemmingsplan
Zoals al in de inleiding van deze toelichting beschreven is voor de planlocatie het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2008’ geldend. Hier zijn de volgende aanduidingen opgenomen: − Enkelbestemming: ‘Wonen’; en − Enkelbestemming: ‘Agrarisch, agrarische functie met natuurwaarden’.
Pagina 18 van 48
Afbeelding 7: Uitsnede bestemmingsplan ‘Buitengebied 2008’, de locatie is rood omlijnd In het bestemmingsplan is de beoogde ontwikkeling niet rechtstreeks mogelijk. Om deze reden wordt een herziening van het bestemmingsplan voorbereid. De regels van deze herziening zullen zo veel mogelijk aansluiten bij het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2008’.
Pagina 19 van 48
4. Milieuhygiënische en planologische aspecten Op grond van het bepaalde in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het verplicht om inzicht te bieden in de relevante milieu-hygiënische en planologische aspecten. In dit hoofdstuk worden deze aspecten beschreven. 4.1. Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming over plannen en projecten. Het gaat hierbij enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waardoor het milieu mogelijk nadelig wordt beïnvloed. Als uitgangspunt gelden voor plannen, waaronder partiële herzieningen, onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: − Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden. − Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten; Ten aanzien van het eerste criterium geldt dat er in deze situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. In 4.3.2 is een uitgebreide toelichting opgenomen voor de mogelijke effecten van het plan op de Natura 2000-gebieden.
Op basis van deze paragraaf kan worden geconcludeerd dat de sloop van een bestaande woning en de bouw van een nieuwe woning geen negatieve effecten voor Natura2000 gebieden tot gevolg heeft. Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. Onder de grenzen uit de C- en D-lijst van het Besluit m.e.r. geldt sinds 7 juli 2017 een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht. Dit houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. De sloop van een bestaande woning en de bouw van een nieuwe woning op hetzelfde perceel komt in de C- en D-lijst van het Besluit m.e.r. niet voor. In het besluit m.e.r. is onder D 11.2 de activiteit ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’ opgenomen. Het initiatief betreft het herbouwen van een bestaande woning op een andere locatie op het perceel. Er is geen sprake van ‘aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject’. Het gaat dus om een functiewijziging, die verder geen milieuhygiënische effecten heeft op de omgeving.
Er geldt voor het initiatief derhalve geen (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsplicht. Daarnaast is er sprake van een bestaande functie. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er voor het initiatief geen (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. 4.2. Waterhuishouding Sinds 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets toe te passen. Deze verplichting is wettelijk geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Door middel van deze watertoets moet inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente voorafgaand aan de procedure het voornemen van de ruimtelijke ingreep aan het waterschap te verzenden. De gemeente en het waterschap kunnen afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen. In deze waterparagraaf komen de volgende onderdelen aan bod: − Beschrijving waterrelevant beleid; − Bestaande waterhuishoudkundige situatie; − Beoogde waterhuishoudkundige situatie.
4.2.1. Waterrelevant beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier
Pagina 20 van 48
wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. De Nederlandse regering heeft invulling aan de KRW gegeven door middel van de Waterwet, die in werking is getreden op 22 december 2009. De Waterwet regelt het beheer van het oppervlakte- en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen het waterbeleid en ruimtelijke ordening. De visies met betrekking tot het waterbeleid worden door de verschillende bestuurslagen in diverse plannen beschreven. Provincie De wijze waarop de provincie omgaat met water, is beschreven in het Regionaal Water en Bodem Programma (2022-2027). Provinciale Staten hebben op 3 december 2021 het Regionaal Water en Bodem Programma (2022-2027) vastgesteld (RWP). Hiermee is de RWP de opvolger van het Provinciaal Milieu en waterplan (PMWP). Het RWP is op 22 december 2021 in werking treden. Door middel van het RWP wordt beleid vastgesteld om te komen tot een klimaat robuust water en bodemsysteem in 2050, en zorg te dragen voor veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem in de provincie NoordBrabant. Belangrijk uitgangspunt van het RWP is de Europese Kader Richtlijn Water (KRW) als een mijlpaal op weg naar een klimaatrobuust en veerkrachtig water- en bodemsysteem in 2050.
In dit programma ligt de focus op zuinig zijn op water en de bodem, en het wateren bodemsysteem moet toegerust zijn op natte én droge tijden (systeemgericht). Vele generaties lang had het waterbeleid als doel wateroverlast te voorkomen en water zo snel mogelijk af te voeren. Inmiddels is het duidelijk dat het doel om moet; zuinig zijn op het water en de bodem. Doel van RWP: − Voldoende water; − Schoon water; − Veilig water; − Vitale bodem; − Kimaatadaptatie. Gemeenten en waterschappen dienen hun waterbeleid te baseren op de uitgangspunten die de provincie in hun RWP stelt. De RWP is enkel voor de provincie Noord-Brabant zelf bindend. Zoals weergegeven is in Afbeelding 8 heeft de planlocatie in het RWP de waterhuishoudkundige functie ‘Gebiedsbegrenzing: exact’ toegekend gekregen. Het waterbeheer in deze gebieden richt zich op zodanige realisatie van de gewenste woon- en werkomstandigheden dat de waterhuishouding zoveel mogelijk bijdraagt aan de instandhouding en mogelijk verbetering van de grotere watersystemen waarvan het betreffende bebouwde gebied deel uitmaakt. Het beoogde plan betreft de sloop van een bestaande woning en de bouw van een nieuwe woning op een andere plek op de locatie, waardoor er geen effecten op de grotere watersystemen te verwachten zijn.
Afbeelding 8: Uitsnede kaart Regionaal Water en Bodem Programma, locatie met rode pijl aangegeven Waterschap Het waterschap Brabantse Delta heeft haar doelstellingen en ambities voor de periode 2022-2027 uiteengezet in het waterbeheerprogramma. Het waterbeheerprogramma komt voort uit afspraken in
Pagina 21 van 48
de Omgevingswet. Met het Waterbeheerprogramma werkt het waterschap Brabantse Delta samen met andere organisaties aan een klimaatbestendig en veerkrachtig waterbeheer, die bijdraagt aan een duurzame ontwikkeling van het werkgebied en daarbuiten. Water is namelijk een belangrijke medebepalende factor bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het waterbeheer is belangrijk voor de bescherming tegen overstromingen, het vasthouden van water, de zorg voor een goede waterkwaliteit en het versterken van de natuur. Om de doelstellingen en ambities in het Waterbeheerprogramma van het Brabantse Delta te bereiken, werkt het waterschap samen met onder andere medeoverheden, belangenorganisaties, bedrijven en burgers. Een duurzame en flexibele werkwijze vormt daarbij het uitgangspunt. In het Waterbeheerprogramma neemt het waterschap Brabantse Delta de kerntaken als uitgangspunt. Deze taken zijn: bescherming tegen overstromingen en zorgen voor schoon en gezond water dat voldoende voorhanden is. Het waterschap kijkt bij het plannen en uitvoeren van die kerntaken zo integraal mogelijk naar alle wateropgaven: − Klimaat adaptatie; − Waterveiligheid; − Gezond water; − Voldoende water; − Vaarwegen; − Waterketen. Gemeenten en waterschappen dienen hun waterbeleid te baseren op de uitgangspunten die de provincie in hun RWP stelt.
Waterschap Waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het Waterbeheerprogramma 2022-2027. De doelstelling van het waterprogramma luidt als volgt; Met het Waterbeheerprogramma werkt het waterschap samen met andere organisaties aan een klimaatbestendig en veerkrachtig waterbeheer. Dat waterbeheer draagt bij aan een duurzame ontwikkeling van het werkgebied en daarbuiten. In 2050 is Nederland aangepast om de negatieve gevolgen van klimaatverandering op te vangen. De ambitie van het waterschap is samen met de omgeving te werken aan een klimaatbestendig en veerkrachtig waterlandschap voor de regio Midden- en West-Brabant. Het realiseren van deze ambitie wordt bereikt aan de had van zes beleidskeuzes; 1. Water als drager voor een vitale regio 2. Evenwicht in het water- en bodemsysteem 3. We werken samen 4. We werken duurzaam 5. We werken veerkrachtig en vernieuwend 6. We prioriteren op basis van verplichtingen en mogelijkheden Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie.
Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de ‘beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Door middel van de Keur van Waterschap Brabantse Delta, die in werking is getreden op 1 maart 2015, kan worden bepaald bij welke ontwikkelingen mitigerende maatregen getroffen moeten worden. Deze mitigerende maatregelen kunnen onder andere bestaan uit het realiseren van een retentievoorziening.
Pagina 22 van 48
De Keur van Waterschap Brabantse Delta schrijft per 1 april 2021 voor dat voor een toename van minder dan 500 m2 verhard oppervlak geen mitigerende maatregelen nodig zijn. Gemeente Op 29 september 2020 heeft het college ingestemd met een nieuw verbreed gemeentelijk rioleringsplan (vGRP) 2021-2025. Ter besluitvorming zal dit plan voorgelegd worden aan de gemeenteraad. In het vGRP staat hoe de gemeenten Baarle-Nassau en Baarle-Hertog de watertaken uitvoeren. De gemeenten Baarle-Nassau en Baarle-Hertog willen zich nadrukkelijk profileren als groene gemeenten met een veerkrachtig watersysteem, een goede waterkwaliteit, waarvan duurzaam gebruik wordt gemaakt en waarbij natuurwaarden worden hersteld. In de vGRP is bepaald dat alle nieuwbouwwoningen (zowel in- als uitbreidingen) binnen de gemeente Baarle-Nassau en de gemeente Baarle-Hertog dienen te worden aangesloten op de riolering. Dit wordt afgedwongen, doordat de lozing van verontreinigd water op oppervlaktewater en in de bodem niet is toegestaan. Dit is wettelijk geregeld door middel van het lozingenbesluit Wet Bodembescherming en het Zoneringsplan. Bij de verlening van een omgevingsvergunning wordt melding gemaakt van de verplichte aansluiting op de riolering. In het waterbeleid zijn de zorgplichten uit de Waterwet verder ingevuld.
Het gemeentelijke waterbeleid schrijft onder meer voor dat stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater op een deugdelijke manier moeten worden ingezameld, geborgen, getransporteerd en/of lokaal gezuiverd. Alle nieuwe nieuwbouw- en herstructureringsprojecten dienen in principe hydrologisch neutraal te worden uitgevoerd waarbij de wettelijke voorkeursvolgorden gehanteerd worden. Hemelwater wordt daarom, ook als er geen toename is van het verhard oppervlak, bij voorkeur in de bodem geïnfiltreerd en schoon gehouden. Voor het aanpassen van verhard oppervlak geldt een retentie-eis van 7 mm voor het vervangende oppervlak en 78 mm voor een eventuele toename van verhard oppervlak. Verhard oppervlak wat niet aangepakt wordt, hoeft niet gecompenseerd te worden.
4.2.2. Bestaande waterhuishoudkundige situatie
In de bestaande waterhuishoudkundige situatie wordt het huishoudelijk afvalwater al geloosd op het gemeentelijk riool. Voor het overige wordt er vanuit de planlocatie enkel niet-verontreinigd hemelwater geloosd. Dit hemelwater is afkomstig van regenwater dat op de daken en erfverharding valt. Gemiddeld valt er jaarlijks 0,8 m3 niet-verontreinigd hemelwater per m2 verhard oppervlak. Dit hemelwater wordt door middel van afschot van daken en erfverharding geloosd op omliggende perceelsloten. In de directe nabijheid van de planlocatie is een watergang aanwezig. Ten oosten van de planlocatie is een B-watergang gelegen, zie onderstaande uitsnede van de legger.
Afbeelding 9: Uitsnede leggerkaart Brabantse Delta
Pagina 23 van 48
De B-watergang ten oosten van de planlocatie wordt zowel in de huidige situatie als in de beoogde situatie niet aangetast zonder vergunning van het waterschap Brabantse Delta.
4.2.3. Beoogde waterhuishoudkundige situatie
In de beoogde waterhuishoudkundige situatie wordt het afvalwater van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk riool. Dit blijft onveranderd ten opzichte van de bestaande waterhuishoudkundige situatie. Aangezien de woonbestemming in de beoogde situatie groter zal worden, bestaat er de mogelijkheid dat de erfverharding ook iets zal worden vermeerderd. Elke toename in verhard oppervlak leidt tot een zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem en kan leiden tot wateroverlast stroomafwaarts. Dit komt doordat neerslag via het verharde oppervlak sneller wordt afgevoerd naar het oppervlaktewater dan wanneer het oppervlak onverhard was gebleven en kon infiltreren. Zoals aangegeven is waterschap Brabantse Delta de beheerder van de kwaliteit en kwantiteit van het grond- en oppervlaktewater binnen het plangebied. Op grond van de Keur van Waterschap Brabantse Delta, die in werking is getreden op 1 maart 2015, is het ingevolge artikel 3.6 van de Keur van het Waterschap Brabantse Delta verboden zonder vergunning neerslag tot afvoer te laten komen naar oppervlaktewaterlichamen. Vrijstelling van dit verbod wordt verleend voor zover onder andere de toename van verhard oppervlak maximaal 500 m² bedraagt. Indien de toename meer dan 500 m² bedraagt dient een compenserende maatregel getroffen te worden.
Deze mitigerende maatregelen kunnen onder andere bestaan uit het treffen van een retentievoorziening. De afvoer van hemelwater op het gemeentelijk riool is niet toegestaan. Daarnaast heeft de afvoer van het hemelwater vanaf de verharding op het oppervlaktewaterlichaam niet de voorkeur van het waterschap. Het Waterschap geeft de voorkeur aan infiltratie van het hemelwater boven afvoer naar het oppervlaktewater, mede gelet op het steeds toenemende belang van droogtebestrijding. De afvoer van het hemelwater zal dan ook niet op een oppervlaktelichaam worden afgevoerd, maar het zal binnen het eigen plangebied in de bodem infiltreren. Conform het gemeentelijk beleid dient bij nieuwbouw een retentie van 60 mm/m2 over het totale oppervlak gerealiseerd te worden. Dit kan bijvoorbeeld gerealiseerd worden door het plaatsen van infiltratiekratten, de aanleg van grindkoffers of het realiseren van een retentiepoeltje in een deel van de tuin. Het hemelwater zal in elk geval niet op aanliggende percelen terechtkomen. Alle voorzieningen dienen boven de hoogste grondwaterstand te worden aangelegd om als infiltratiecapaciteit te kunnen dienen voor opslag van het hemelwater. De exacte afmetingen van de beoogde woning zullen nog nader bepaald worden. Vooralsnog wordt uitgegaan van een woning van ca. 150 m². Tevens is een maximale oppervlakte aan bijgebouwen van ca. 150 m² mogelijk.
De totale oppervlakte aan bebouwing zal derhalve maximaal ca 300 m² zijn. Er zal eventueel nog verharding ten behoeve van een oprit en een terras en dergelijke worden aangelegd, maar het totaal aan verhard oppervlak zal niet meer dan 500 m² bedragen. Vanuit de gemeente geldt een bergingseis van 78 mm voor een eventuele toename aan verharding. Voor het aanpassen van verhard oppervlak geldt een bergingseis van 7 mm. Hierdoor dient op grond van het gemeentelijk beleid een compenserende maatregel getroffen te worden om het hemelwater op te vangen. Op locatie is reeds circa 230 m2 aan bestaand verhard oppervlak aanwezig. Dit bestaande oppervlak zal in de beoogde situatie worden vervangen, waardoor voor 230 m2 een bergingseis van 7 mm geldt. De grootte van de retentievoorziening wordt berekend conform de volgende rekenregel: Benodigde compensatie (in m3) = 230 (m2) x 0,007 (m) = 1,6 m3 Zoals hiervoor omschreven zal de maximale oppervlakte van de woning en de bijgebouwen circa 300 m2 bedragen. Daarnaast zal er circa 100 m2 aan verharding worden gerealiseerd ten behoeve van een oprit en een terras. Voor de toename van circa 170 m2 aan verharding geldt op grond van het gemeentelijk beleid een bergingseis van 78 mm. De grootte van de retentievoorziening wordt berekend conform de volgende rekenregel: Benodigde compensatie (in m3) = 170 (m2) x 0,078 (m) = 13,3 m3
Pagina 24 van 48
Zoals blijkt uit vorenstaande rekenregels dient er op de planlocatie een retentievoorziening van (afgerond) 15 m3 gerealiseerd worden. Deze bergingseis is opgenomen in de regels van het bestemmingsplan, waardoor de opvang van hemelwater gewaarborgd is. De opvang van het hemelwater zal plaatsvinden middels het realiseren van een greppel, vijver of opvangvoorziening. De retentievoorziening zal gerealiseerd worden op het perceel achter de beoogde woning, binnen de agrarische bestemming. Bij de nieuwbouw zal gebruik worden gemaakt van milieuvriendelijke bouwmaterialen en niet van uitlogende bouwmaterialen, zoals lood, koper, zink en zacht PVC. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. Conclusie Hieruit kan worden geconcludeerd dat er ten aanzien van het aspect water geen belemmeringen zijn voor het initiatief. 4.3. Natuur Voorafgaand aan de beoogde wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van de groene wet- en regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven.