Bijlage 1 - Toelichting ontwerp bestemmingsplan Fransebaan 4, Ulicoten
Tekst van het document
Het NNB kent geen specifiek beschermingsregime, anders dan via het ruimtelijke spoor. Conform de themakaart 'natuur en landschap' is op deze locatie sprake van 'droog bos met productie'.
Figuur 15: Uitsnede Natuurbeheerplan
Wet Natuurbescherming De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk Nederland liggende bijzondere provinciale natuurgebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wnb. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is al beschermd in het Barro en provinciale verordening. In Nederland zijn 164 Bestemmingsplan toelichting 211620 I 11-05-2022
Pagina 27 van 39
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Natura 2000-gebieden aangewezen. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft Habitatrichtlijngebied 'Regte Heide & Riels Laag' in Nederland, op een afstand van circa 10 kilometer. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning in het kader van Wet Natuurbescherming (Wnb) wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Voor de soortenbescherming is wettelijk bovendien rechtstreeks verwezen naar het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1.
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren.
Bij het beoordelen van de in het plangebied voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: ▪ Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); ▪ Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); ▪ Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Onderzoek Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft Habitatrichtlijngebied ‘Regte Heide & Riels Laag’ in Nederland, op een afstand van circa 10 kilometer. Als een project negatieve gevolgen heeft voor een Natura 2000-gebied, kan het plan in beginsel niet worden vergund. Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, stikstof, verzuring en vermesting. Ten aanzien van gebiedsbescherming: gezien de afstand van het plangebied tot deze gebieden en het feit dat er vanuit de aanwezige woning geen sprake is van emissie van ammoniak, zijn negatieve effecten op de beschermde natuurgebieden uit te sluiten.
Verder zal de beoogde ontwikkeling niet tot andere voorkomende storende factoren op omliggende Natura 2000-gebieden leiden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten Bestemmingsplan toelichting 211620 I 11-05-2022
Pagina 28 van 39
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
en bewuste verandering soortensamenstelling. Er is derhalve geen omgevingsvergunning in het kader van de Wet natuurbescherming benodigd. Ten aanzien van soortenbescherming: gelet op de aard van deze bestemmingsplanherziening, namelijk het bestemmen van een bestaande woning, is er geen sprake van een verstoring van aanwezige natuurwaarden en soorten. Er is slechts sprake van een planologische wijziging; ter plaatse blijven de omstandigheden, zoals deze reeds 40 jaar zijn, ongewijzigd. Juist via het verwijderen van de tennisbaan en het herinrichting hiervan als weide met een waterpartij draagt het juist bij een de versterking van de aanwezige waarden en soorten. Conclusie Uit een oogpunt van natuur en ecologie zijn er geen belemmeringen voor de vaststelling van dit bestemmingsplan. Evenmin is vanuit een oogpunt van stikstof sprake van een verhoging van de emissie, nog afgezien van het feit dat de afstand tot het Natura 2000-gebied circa 10 kilometer bedraagt. Slechts de functie wijzigt. Er vinden niet meer bouw- of transportbewegingen plaats. 4.7
Wegverkeerslawaai
Wettelijk toetsingskader Bij het ontwikkelen van een ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan. De beoordeling van het aspect geluid in ruimtelijke plannen vindt zijn grondslag in vooral de Wet geluidhinder en daarnaast in de Wet ruimtelijke ordening, op basis van het voorzien in een goed woon- en leefklimaat. In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) is een woning een geluidsgevoelig object. Langs alle wegen - met uitzondering van 30 km/h-wegen en woonerven- bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van een binnen- of buitenstedelijke ligging. Beoordeling De woonfunctie op de planlocatie Fransebaan 4 is in het midden van de jaren ‘80 van de vorige eeuw ontstaan. Dit betekent dat de woning op het moment van in werking treden van de Wet geluidhinder aanwezig was. Nu de woning evenwel niet als zodanig bestemd is, is sprake van een zogenaamde saneringswoning. Deze woning dient in het kader van de Wet geluidhinder te worden aangemerkt als een nieuw te bestemmen woning, waarop de artikelen 82 en 83 Wgh van toepassing zijn. In algemene zin kan met betrekking tot de akoestische situatie van het plangebied het volgende opgemerkt.
In de omgeving bevinden zich geen spoorwegen of zoneringsplichtige industrieterreinen. Van geluidhinder veroorzaakt door dergelijke geluidbronnen is dan ook geen sprake. In de omgeving van de planlocatie Fransebaan 4 bevinden zich wel enkele wegen. Aan de zuidzijde van het plangebied bevindt zich de Fransebaan en aan de oostzijde de Oude Bredasebaan. De Fransebaan en de Oude Bredasebaan zijn geen van beide bestemd voor doorgaand verkeer. De verkeersfunctie van deze wegen is daardoor beperkt en de verkeersintensiteit is laag. De woning Fransebaan 4 ligt op circa 220 meter afstand van de Fransebaan en op circa 260 meter van de Oude Bredasebaan. Gezien de lage verkeersintensiteiten en de ruime afstand ondervindt de woning geen geluidsbelasting van enige betekenis van deze wegen. Conclusie Omdat de woning Fransebaan 4 als zodanig bestemd wordt is toetsing aan de normen van de Wet geluidihinder nodig. In de directe nabijheid bevinden zich evenwel geen geluidhinderbronnen, die van invloed zijn op het akoestische leefklimaat. 4.8
Bedrijven en milieuzonering
Wettelijk toetsingskader Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met eventuele milieuhinder als gevolg van (bedrijfs-)activiteiten. Uitgangspunt daarbij is dat bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt en dat ter plaatse van woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor het bepalen van de aan Bestemmingsplan toelichting 211620 I 11-05-2022
Pagina 29 van 39
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
te houden afstanden wordt de VNG-publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstand geldt tussen enerzijds de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningsvrij bouwen mogelijk is. De gegeven afstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. Omgevingstype In de VNG-uitgave wordt aangegeven, dat een gemengd gebied een gebied is met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied beschouwd worden. Indien sprake is van een gemengd gebied kan de milieucategorie met één afstandsstap worden verlaagd.
Beoordeling De planlocatie ligt in het, door de VNG-publicatie aangegeven, ‘rustig buitengebied’. Binnen een straal van circa 200 meter zijn geen bedrijven gelegen. Dit betekent dat er geen milieuzonering over de planlocatie is gelegen. De beoogde ruimtelijke ontwikkeling belemmert de omliggende bedrijven niet in hun bedrijfsontwikkeling. Geurhinder veehouderijen Wettelijk toetsingskader De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) betreft een wet waarmee de nationale regels inzake geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld staan. De Wet geurhinder en veehouderij heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting, onder andere als gevolg van emissies door veehouderijen. Met minimumafstanden en maximale waarden voor geurbelasting krijgen geurgevoelige objecten bescherming tegen geurhinder. Met de in de Wet geurhinder en veehouderij opgenomen grenswaarden moet rekening gehouden worden bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zoals het wijzigen van een bestemming. De Wet geurhinder en veehouderij vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning. Indirect heeft de Wet geurhinder en veehouderij ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt ‘omgekeerde werking’ genoemd.
Voor wat betreft geurhinder van veehouderijen betekent dit dat de volgende aspecten in oogschouw moeten worden genomen: ▪ Wordt er een onevenredige inbreuk gemaakt op de mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling van de nabij gelegen veehouderijen? ▪ Is ter plaatse van het plangebied een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd? Woon- en leefklimaat Een geurgevoelig object is een gebouw dat is bestemd voor en geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf. Het gebouw moet hiervoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze worden gebruikt. De woning aan de Fransebaan 4 te Ulicoten kan gezien worden als geurgevoelig object. Voor de planlocatie dient te worden uitgegaan van een goed woon- en leefklimaat. Bij de beoordeling of het leefklimaat ter plaatse van de planlocatie acceptabel is, dient de geurbelasting veroorzaakt door alle in de buurt gelegen veehouderijen samen (achtergrondbelasting) en de geurbelasting op het plangebied door de individuele bedrijven (voorgrondbelasting en vaste afstand) veroorzaakt in beeld te worden gebracht. Beoordeeld moet worden of de belasting acceptabel is. De Wet geurhinder en veehouderij geeft de gemeenten de bevoegdheid om, binnen gestelde marges, bij verordening afwijkende geurnormen op te stellen in een gebiedsvisie. De gemeente Baarle-Nassau kent voor Bestemmingsplan toelichting 211620 I 11-05-2022
Pagina 30 van 39
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
het gebied waarin de planlocatie is gelegen geen geurverordening, in deze paragraaf worden de geurnormen uit de Wet geurhinder en veehouderij gehanteerd. Woon- en leefklimaat op basis van geuremissie In de Wet geurhinder en veehouderij zijn in artikel 3 grenswaarden opgenomen voor de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object. Deze grenswaarden worden weergegeven in odour units per kubieke meter (ouE/m3). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de ligging binnen of buiten concentratiegebieden en de bebouwde kom. De gemeente Baarle-Nassau is conform bijlage 1 van de Meststoffenwet gelegen binnen een concentratiegebied. De locatie Fransebaan 4 is gelegen buiten de bebouwde kom, waardoor conform artikel 3, lid 1b van de Wgv een geurbelasting van 14 odour units (ouE/m³) op een gevoelig object is toegestaan. Verder worden eisen gesteld aan de afstand tussen een veehouderij met dieren zonder een geuremissiefactor en een geurgevoelig object. De norm van 14 ouE/m³ geldt altijd, tenzij het gaat om het houden van dieren waarvoor geen geuremissiefactoren zijn vastgesteld in de Wet geurhinder en veehouderij. Dan geldt een vaste afstand. De woning op de locatie Fransebaan 4 kan gezien worden als een geurgevoelig object in het kader van de Wet geurhinder en veehouderij voor omliggende bedrijven.
Gekeken moet worden of op de planlocatie een acceptabel woon- en leefklimaat aanwezig is en of de ontwikkeling op de planlocatie geen beperkende werking heeft voor omliggende veehouderijen. Het woon- en leefklimaat als het gevolg van de geurbelasting van omliggende veehouderijen is in onderstaande afbeelding weergegeven. De Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant heeft voor heel Noord-Brabant, op basis van een export van de bronnen uit Web-BVB met behulp van V-Stacks Gebied, de achtergrondbelasting bepaald. De gehanteerde emissiegegevens dateren van februari 2021 en zijn daarmee actueel. De emissie van elk bedrijf is geconcentreerd op de x- en y-coördinaat zoals die in het Web-BVB is ingevoerd. Hierdoor geeft de onderstaande kaart een indicatie van het woon- en leefklimaat. Opgemerkt dient te worden dat in de directe nabijheid van een veehouderij de achtergrondbelasting net anders kan zijn. Als uit deze kaart blijkt dat er overbelaste situaties aan de orde zijn, is een gedetailleerde achtergrondberekening benodigd. Uit onderstaande figuur, een uitsnede van de achtergrondbelastingkaart van de Omgevingsdienst ZuidoostBrabant, blijkt dat de kwaliteit van de leefomgeving op basis van de achtergrond belasting als ‘goed’ is aan te merken. Op de planlocatie is er geen sprake van een overbelaste situatie.
Een aanvullende berekening voor het bepalen van de achtergrondbelasting of voorgrondbelasting is in deze situatie dan ook niet noodzakelijk. Er is derhalve sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat op basis van geuremissie.
Figuur 16: Uitsnede achtergrondbelastingkaart, Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant
Woon- en leefklimaat op basis van vaste afstanden In de omgeving van de planlocatie zijn enkele agrarische bedrijven gevestigd. In de Wet geurhinder en veehouderij worden eisen gesteld aan de afstand tussen een veehouderij met dieren zonder geuremissiefactor en een geurgevoelig object. Conform artikel 4.1 van de Wet geurhinder en veehouderij gelden voor agrarische Bestemmingsplan toelichting 211620 I 11-05-2022
Pagina 31 van 39
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
bedrijven met dieren zonder geuremissiefactor vaste afstanden tussen het dierverblijf en geurgevoelige objecten. De minimale afstand buiten de bebouwde kom betreft 50 meter. Daarnaast dient op grond van artikel 5.1 van de Wet geurhinder en veehouderij een minimale afstand aangehouden te worden van 50 meter van de gevel van het dierenverblijf tot het geurgevoelig object. Aan de Bredaseweg 15 is een veehouderij gevestigd waarbij de vaste afstanden van toepassing zijn. Het bouwvlak op de planlocatie Fransebaan 4 is op circa 640 meter afstand van het bestaande agrarisch bouwvlak aan Bredaseweg 15. De afstand van 50 meter wordt hiermee behaald. Er is sprake van een acceptabel woonen leefklimaat op basis van vaste afstanden. Conclusie Gelet op voorgaande kan geconcludeerd worden dat het aspect geur geen belemmering vormt voor de ontwikkelingen op de planlocatie Fransebaan 4. 4.9
Externe veiligheid
Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten en regelingen. De belangrijkste zijn: ▪ Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); ▪ Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); ▪ Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. De risico's dienen te worden beoordeeld op het plaatsgebonden en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. Hoe hoger het groepsrisico, hoe groter deze kans. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven in de vorm van contouren rond een risicobron. Het groepsrisico wordt weergegeven in een grafiek: de fN-curve.
Deze curve geeft aan hoe groot de kans is op een ongeval met een bepaald aantal slachtoffers. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans dat iemand die zich op een bepaalde plaats bevindt, komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het rijk heeft als maatgevende risicocontour de kans op overlijden van 10-6 per jaar gegeven (indien een persoon zich gedurende een jaar binnen deze contour bevindt is de kans op overlijden groter dan één op een miljoen jaar). Ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan het plaatsgebonden risico 10-6. Het plaatsgebonden risico 10-6 is voor ruimtelijke besluiten vertaald naar grenswaarden en richtwaarden. De wetgeving is erop gericht om voor bestaande situaties geen personen in kwetsbare objecten (zoals woningen, scholen, ziekenhuizen en grote kantoren) en zo min mogelijk personen in beperkt kwetsbare objecten (zoals kleine kantoren en sportcomplexen) bloot te stellen aan een plaatsgebonden risico dat hoger is dan 10-6 per jaar. Nieuwe ontwikkelingen van kwetsbare objecten binnen de risicocontour van 10-6 per jaar zijn niet toegestaan. Nieuwe ontwikkelingen van beperkt kwetsbare objecten zijn ongewenst, maar wel toegestaan indien gemotiveerd kan worden waarom dit noodzakelijk is.
Daarnaast dient aangetoond te worden dat afdoende maatregelen worden genomen om de risico's en de gevolgen van een eventueel ongeval te beperken. Groepsrisico Het groepsrisico is een maat voor de kans dat een bepaald aantal mensen overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De hoogte van het groepsrisico hangt af van: ▪ de kans op een ongeval; ▪ het effect van het ongeval; Bestemmingsplan toelichting 211620 I 11-05-2022
Pagina 32 van 39
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
▪ ▪
het aantal personen dat in de omgeving van de bron(inrichting of transportroute) verblijft; de mate waarin de personen in de omgeving beschermd zijn tegen de gevolgen van een ongeval.
Het groepsrisico kan worden weergegeven in een grafiek met op de horizontale as het aantal dodelijke slachtoffers en op de verticale as de kans per jaar op tenminste dat aantal slachtoffers. Het groepsrisico wordt bepaald binnen het zogenaamde invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Hoe meer personen in het invloedsgebied aanwezig zijn, hoe groter het aantal (potentiële) slachtoffers is, en hoe hoger het groepsrisico. Inrichtingen De verantwoordingsplicht groepsrisico is van toepassing binnen het invloedsgebied van een risicovolle inrichting waarop het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van toepassing is. In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle inrichtingen. Voor de toepassing van het Bevi, wordt een ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie. Uit de risicokaart blijkt dat er binnen een straal van 1.000 meter van de planlocatie geen risicovolle inrichtingen zijn gelegen. De dichtstbijzijnde inrichting bevindt zich op camping De Paddock, Bredaseweg 14, waar de opslag van propaan (8 m3) plaatsvindt. Voor deze activiteit geldt een risico-afstand van 15 meter. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er op grond van het Bevi geen belemmeringen zijn voor de beoogde ontwikkeling op de planlocatie. Een verantwoording van het groepsrisico is hierop niet van toepassing.
Transport Naast de invloed van de risicovolle inrichtingen speelt de verantwoordingsplicht groepsrisico een rol bij transportassen waarop Beluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), van toepassing is. Dit besluit verplicht het bevoegd gezag om een beoordeling en afweging van de externe veiligheid mee te nemen bij ruimtelijke plannen die in de directe nabijheid zijn gelegen van een transportas waarover gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Op basis van het Bevt, welke vanaf 1 april 2015 van kracht is, dient bij nieuwe ontwikkelingen welke zijn gelegen binnen 200 meter van een transportas, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt, rekening te worden gehouden met de ruimtelijke ontwikkeling. De planlocatie ligt buiten het invloedsgebied van 200 meter van een transportas. Er is geen overschrijding van het groepsrisico externe veiligheid. Buisleidingen Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van kracht geworden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. In de directe omgeving (in een straal van > 500 meter) van de planlocatie zijn geen buisleidingen gelegen die van invloed zijn op het plangebied. Een verantwoording van het groepsrisico op grond van het Bevb is dus niet aan de orde.
Conclusie De risicokaart toont in de directe omgeving (binnen een straal van > 250 meter) van de planlocatie Fransebaan 4 geen risicovolle inrichtingen, risicorelevante transportassen of risicorelevante buisleidingen. Er is geen overschrijding van het groepsrisico externe veiligheid. 4.10
Kabels en leidingen
Op of in de directe nabijheid van het plangebied, zijn geen transportleidingen dan wel andere belangrijke kabels en leidingen of straalpaden gelegen welke van invloed kunnen zijn op het initiatief en/of een regeling in het bestemmingsplan noodzakelijk maken. 4.11
Luchtkwaliteit
Wettelijk toetsingskader Conform de Wet Luchtkwaliteit kan elk project dat NIBM (niet in betekenende mate) bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Als het plan NIBM aan de luchtkwaliteit bijdraagt, hoeft geen uitgebreid luchtonderzoek meer uitgevoerd te worden. Bestemmingsplan toelichting 211620 I 11-05-2022
Pagina 33 van 39
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Op 1 augustus 2009 is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Het NSL zorgt ervoor dat Nederland binnen de door Europa gestelde termijn zal voldoen aan de Europese grenswaarden op het gebied van fijnstof en stikstofdioxide. In het NSL is een lijst met ruimtelijke infrastructurele projecten opgenomen met een maatregelenpakket, dat ervoor gaat zorgen dat de huidige overschrijdingen van de luchtkwaliteit worden opgelost en de negatieve effecten van geplande ruimtelijke ontwikkelingen worden gecompenseerd. Beoordeling Een plan is vanaf 1 augustus 2009 NIBM als het een toename van de concentratie van fijnstof (PM10) of stikstofdioxide (NO2) veroorzaakt die niet meer bedraagt dan 3 % van de jaargemiddelde concentratie van die stof. Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 microgram/m³ voor zowel PM10 en NO2. De categorieën die altijd NIBM zijn, de volgende: Woningbouw: ▪ 1500 woningen (netto) bij minimaal één ontsluitingsweg; ▪ 3000 woningen (netto) bij minimaal twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Een project wat NIBM bijdraagt omvat maximaal een toevoeging van 1500 woningen bij minimaal één ontsluitingsweg plaats. Gesteld kan worden dat het project op de planlocatie een ‘niet in betekenende mate’ bijdrage levert die beschouwd kan worden als verslechtering van de luchtkwaliteit.
Omdat bij de beoogde ontwikkeling sprake is van de legalisatie van de woonfunctie, dient ook een beoordeling plaats te vinden of voldaan wordt aan de wettelijke luchtkwaliteitseisen c.q. inzicht te worden gegeven in de heersende concentraties. De coördinaten van de woning aan de Fransebaan 4 zijn bij benadering: ▪ x = 121636 ▪ y = 384616 De Grootschalige Concentratie- en Depositiekaart Nederland (GCN) van het RIVM tonen ter hoogte van deze coördinaten, de volgende achtergrondconcentraties: 2020: PM10: 15.06 µg/m3 en NO2: 10.41 µg/m3 2025: PM10: 15.29 µg/m3 en NO2: 10.61 µg/m3 2030: PM10: 13.21 µg/m3 en NO2: 8.609 µg/m3 Deze waarden liggen ruim beneden de grenswaarde van PM10 en NO2 van 40 µg/m3. Hiermee vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de ontwikkeling van de planlocatie. Conclusie Uit het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat de planontwikkeling ‘niet in betekenende mate’ bijdrage levert die beschouwd kan worden als verslechtering van de luchtkwaliteit. 4.12
Toetsing besluit milieueffecten rapportage
Wettelijk toetsingskader Bij besluit van 21 februari 2011 heeft de wetgever het Besluit milieueffectrapportage en het Besluit omgevingsrecht gewijzigd. De belangrijkste wijziging betreft het meer 'in lijn brengen' van het Besluit m.e.r. met de Europese richtlijn m.e.r. Dit houdt in dat onder andere de zogenaamde drempelwaarde voor activiteiten een indicatief karakter heeft gekregen. Met dit wijzigingsbesluit is bepaald dat voor activiteiten die op de bij het besluit behorende C‐ en D‐lijst zijn opgenomen, altijd aandacht aan m.e.r. geschonken dient te worden. Op hoofdlijnen komt het erop neer dat voor activiteiten die behoren tot de C‐lijst een m.e.r.‐plicht volgt en voor activiteiten op de D‐lijst volgt dan wel een m.e.r.‐ beoordelingsplicht dan wel een motivering dat geen m.e.r.(beoordeling) nodig is. Beoordeling Bestemmingsplan toelichting 211620 I 11-05-2022
Pagina 34 van 39
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
De beoogde activiteiten binnen het plangebied vallen niet binnen de C- of D-lijst, een m.e.r. - beoordeling of m.e.r – plicht is niet benodigd. m.e.r-plicht is niet van toepassing. Conclusie Er zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten en daarom is het niet noodzakelijk om een m.e.r.beoordeling uit te voeren.
Bestemmingsplan toelichting 211620 I 11-05-2022
Pagina 35 van 39
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische aspecten
Algemeen
Het onderhavige bestemmingsplan is, in navolging van de vigerende bestemmingsplannen ‘Bestemmingsplan Buitengebied 2008’ en ‘Bestemmingsplan Buitengebied 2008, Herziening 1a’, een gedetailleerd bestemmingsplan. In de regels behorende bij de onderhavige herziening, is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de juridische regelgeving, zoals deze in die plannen is gehanteerd. In paragraaf 5.2 zal een algemene toelichting van de verbeelding worden gegeven. Daarna wordt in paragraaf 5.3 een algemene toelichting van de regels beschreven. 5.2
Algemene toelichting verbeelding
De verbeelding is getekend uitgaande van het rapport ‘Digitaal Uitwisselbare Ruimtelijke Plannen’ (DURP) en het rapport ‘Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012’ (SVBP2012). Hierdoor wordt het mogelijk met toevoeging van een codering de plannen digitaal uit te wisselen. De verbeelding is getekend op een kadastrale ondergrond. Op de verbeelding zijn vrijwel alle functies apart bestemd, waardoor het direct mogelijk is om met het bijbehorende renvooi te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen de planlocatie gegeven zijn. In de bijbehorende regels zijn de bestemmingsomschrijving en de bouwregels te vinden. 5.3
Algemene toelichting regels
De regels zijn gebaseerd op het rapport ‘Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen’ (SVBP) van 2012. Hierin zijn afspraken en aanbevelingen opgenomen met betrekking tot de opbouw en de presentatie van het bestemmingsplan (digitaal en analoog). De bestemmingsplanregels bestaan uit vier hoofdstukken: ▪ Hoofdstuk 1 Inleidende regels; ▪ Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels; ▪ Hoofdstuk 3 Algemene regels; ▪ Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels 5.3.1
Hoofdstuk 1
Inleidende regels
Artikel 1 Begrippen In dit artikel worden de begrippen die van toepassing zijn op de regels verklaard. Een en ander voorkomt dat er bij de uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde begrippen. Artikel 2 Wijze van meten In het artikel 'wijze van meten' is een regeling opgenomen waarin bepaald is hoe de voorgeschreven maatvoering in het plan gemeten moet worden 5.3.2
Hoofdstuk 2
Bestemmingsregels
Artikel 3 Natuur De voor 'Natuur' aangewezen gronden zijn bestemd voor behoud en/of herstel en ontwikkeling van de ecologische, landschappelijke en natuurwaarden van zowel beboste als niet beboste gronden zoals poelen, waterpartijen, waterlopen, heide en graslanden, het behoud van voorkomende abiotische, natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische en aardkundige waarden, versterking van cultuurhistorische landschapswaarden, extensief dagrecreatief medegebruik, instandhouding van in het bos- en natuurgebied aanwezige onverharde wegen en een en ander met bijbehorende voorzieningen.
Bestemmingsplan toelichting 211620 I 11-05-2022
Pagina 36 van 39
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Artikel 4 Wonen De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor het wonen in één vrijstaande woning met een inhoud van maximaal 750 m³. Binnen de bestemming ‘Wonen’ gelden voor het bouwen drie verschillende regimes. Ten eerste mag uitsluitend binnen het bouwvlak een hoofdgebouw worden opgericht. Ten tweede geldt dat de gronden zonder de aanduiding ‘tuin’ en ‘landschapswaarden’, hebben te gelden als erf. Hier mogen vergunningvrije bouwwerken worden gebouwd en kunnen de gronden – zonder aanvullende beperkingen – worden ingericht ten behoeve van het gebruik van het hoofdgebouw. Ten derde geldt dat ter plaatse van de aanduidingen ‘tuin’ en ‘landschapswaarden’ de gronden geen erf zijn als bedoeld in Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht. Hier mag niet vergunningvrij worden gebouwd. Ook staat het bestemmingsplan hier geen bebouwing toe, op 2 uitzonderingen na. De eerste uitzondering betreft het realiseren van terreinafscheidingen op of 3 meter uit de bestemmingsgrens. De tweede uitzondering betreft het mogen behouden van de ten tijde van de terinzagelegging van het plan aanwezige tennisbaan en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Als de tennisbaan en bijbehorende bouwwerken, weergegeven op een bijlage bij de regels, worden geamoveerd, dan geldt dat deze niet meer opnieuw mogen worden opgericht.
Ter plaatse van de aanduidingen ‘tuin’ en ‘landschapswaarden’ is ook een omgevingsvergunningenstelsel opgenomen, om te waarborgen dat het groene karakter van de gronden behouden blijft. Artikel 5 Waarde - Archeologie De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van de archeologische waarden. 5.3.3
Hoofdstuk 3
Algemene regels
Artikel 6 Anti-dubbeltelregel Het artikel 'Anti-dubbeltelregel' bevat bepalingen om te voorkomen dat met het bestemmingsplan strijdige situaties ontstaan of worden vergroot. De redactie is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening en overeenkomstig opgenomen. Artikel 7 Algemene bouwregels In dit artikel is een aantal aanvullende bouwregels opgenomen die voor alle bestemmingen kunnen gelden, zoals een regeling voor ondergronds bouwen. Artikel 8 Algemene aanduidingsregels In dit artikel zijn regels gegeven ten behoeve van de op de verbeelding opgenomen gebiedsaanduidingen. Artikel 9 Algemene afwijkingsregels In dit artikel is een aantal algemene afwijkingsmogelijkheden opgenomen. Het betreft hier een standaardregeling die het mogelijk maakt om bij de uitvoering van bouwplannen beperkte afwijkingen van het plan mogelijk te maken. Artel 10 Overige regels In dit artikel zijn de regels opgenomen die niet onder een andere regel zijn te vatten. 5.3.4
Hoofdstuk 4
Overgangs- en slotregels
Artikel 11 Overgangsrecht In de overgangsrechtregel is een regeling opgenomen voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het inwerking treden van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd. De redactie is wettelijk vastgelegd en overeenkomstig opgenomen. Artikel 12 Slotregel In de slotregel wordt de officiële naam van het plan weergegeven. Onder deze naam kan het bestemmingsplan aangehaald worden.
Bestemmingsplan toelichting 211620 I 11-05-2022
Pagina 37 van 39
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Hoofdstuk 6 6.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
De ontwikkeling op de locatie Fransebaan 4 te Ulicoten is een particulier initiatief. De in deze toelichting beschreven ontwikkeling zullen dan ook volledig vanuit particulier initiatief gerealiseerd en gefinancierd worden. Het gehele terrein is particulier eigendom. Investeringen vanuit de gemeente zijn derhalve niet noodzakelijk. Gemeentelijke kosten worden verhaald via de legesverordening. Via een hypotheekconstructie is geborgd dat wordt geinvesteerd in de kwaliteit van het landschap. 6.2
Omgevingsdialoog
Een omgevingsdialoog is een zorgvuldige afstemming tussen de initiatiefnemer van een (bouw)plan en de omgeving. Met de ‘omgeving’ wordt bedoeld iedereen waarop het plan effect kan hebben, zoals bijvoorbeeld omwonenden, scholen en aangrenzende bedrijven. De omgevingsdialoog is er specifiek op gericht om alle wensen, belangen en bezwaren van de omgeving te kunnen betrekken in het verdere ontwerp van het plan. Doel van de omgevingsdialoog is niet om ‘overeenstemming’ over het plan te verkrijgen. Aanleiding voor het starten van een (omgevings)dialoog is het moment dat een initiatiefnemer een ruimtelijk ontwikkelingsproject wil uitvoeren dat niet past in het geldende bestemmingsplan. Bij het initiatief op de Fransebaan 4 te Ulicoten is gekozen voor het toepassen van een mondelinge omgevingsdialoog. Er is aan de bewoners van de benaderde adressen een informatieblad verstrekt met daarop onder andere in het kort een uitleg over het initiatief en de te lopen procedure. Daarnaast zijn de plannen mondeling toegelicht. Het verslag van de omgevingsdialoog is toegevoegd aan bijlage 1. 6.3
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.3.1
Vooroverleg
Op grond van artikel 3.1.1 van het Bro wordt bij de voorbereiding van een bestemminsplan overleg gepleegd met het waterschap, diensten van het rijk en provincie die betrokken zijn bij de ruimtelijke ordening en eventueel andere gemeenten. Het plan is in het kader van het vooroverleg beschikbaar gesteld aan de volgende partners: ▪ Provincie Noord-Brabant. ▪ Waterschap Brabantse Delta. Reactie provincie Noord-Brabant In april 2020 is een concept bestemmingsplan ter vooroverleg aangeboden aan de provincie Noord-Brabant. Gelijktijdig heeft het college van burgemeester en wethouders een verzoek om ontheffing van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant gedaan aan Gedeputeerde Staten, omdat het bestemmingsplan op enkele onderdelen in strijd is met de provinciale verordening. Op 12 mei 2020 heeft Gedeputeerde Staten dit verzoek om ontheffing geweigerd. Uit de vooroverlegreactie volgt daarom dat het plan in strijd blijft met de provinciale verordening. De Provincie geeft aan dat deze strijdigheid kan worden weggenomen als in afdoende mate in omgevingskwaliteit wordt voorzien. In dat geval kan een nieuw verzoek om ontheffing worden gedaan.
Reactie waterschap Brabantse Delta In april 2022 heeft het Waterschap Brabantse Delta in het kader van het vooroverleg een positief advies uitgebracht op de ontwikkelingen op de planlocatie aangezien de belangrijkste uitgangspunten voor het waterschap naar wens zijn opgenomen. 6.3.2
Ontwerp
p.m. Bestemmingsplan toelichting 211620 I 11-05-2022
Pagina 38 van 39
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
6.3.3
Vaststelling
p.m.
Bestemmingsplan toelichting 211620 I 11-05-2022
Pagina 39 van 39