Bijlage 1 Toelichting - Het Goordonk 6, Baarle-Nassau
Tekst van het document
Het Goordonk 6, Baarle-Nassau
bestemmingsplan Het Goordonk 6, Baarle-Nassau
Inhoudsopgave
Toelichting
3
2 (vastgesteld)
bestemmingsplan "Het Goordonk 6, Baarle-Nassau"
bestemmingsplan Het Goordonk 6, Baarle-Nassau
Toelichting
bestemmingsplan "Het Goordonk 6, Baarle-Nassau" (vastgesteld) 3
Toelichting Bestemmingsplan
Het Goordonk 6, Baarle-Nassau
Colofon
Gemeente:
Baarle-Nassau
Projectlocatie:
Het Goordonk 6, 5111 GG Baarle-Nassau
Datum:
07-05-2024
Status:
Vastgesteld
IMRO-Code:
NL.IMRO.0744.BPGoordonk6-VS01
Opgesteld door:
Van Dun Ontwerp & Planologie Raadhuisstraat 32 5126 CJ Gilze T. 013 519 94 58 Postel 8 5711 ET Someren T. 0493 745 015 E. info@ontwerp-planologie.nl I. www.ontwerp-planologie.nl
Projectnummer:
20158.003 / BK
Pagina 2 van 44
Inhoudsopgave 1. Inleiding ........................................................................................................... 5 1.1.
Aanleiding en doel ........................................................................................... 5
1.2.
Ligging plangebied ........................................................................................... 5
1.3.
Geldend planologisch regime ............................................................................ 6
1.4.
Procedure ....................................................................................................... 6
1.5.
Leeswijzer ....................................................................................................... 7
2. Planbeschrijving............................................................................................... 8 2.1.
Bestaande situatie............................................................................................ 8
2.2.
Beoogde situatie .............................................................................................. 9
3. Beleidskader................................................................................................... 11 3.1.
Provinciaal beleid ............................................................................................ 11
3.1.1. 3.1.2. 3.2.
Omgevingsvisie Noord-Brabant .................................................................. 11 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant ........................................... 11
Gemeentelijk beleid......................................................................................... 18
3.2.1. 3.2.2.
Omgevingsvisie Baarle-Nassau .................................................................. 18 Bestemmingsplan ..................................................................................... 20
4. Milieuhygiënische en planologische aspecten ................................................ 21 4.1.
Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling ...................................... 21
4.2.
Waterhuishouding ........................................................................................... 21
4.2.1. 4.2.2. 4.2.3. 4.2.4. 4.2.5. 4.3.
Natuur ........................................................................................................... 24
4.3.1. 4.3.2. 4.4.
Provincie ................................................................................................. 22 Waterschap Brabantse Delta ..................................................................... 23 Gemeente ................................................................................................ 23 Bestaande waterhuishoudkundige situatie .................................................. 24 Beoogde waterhuishoudkundige situatie ..................................................... 24 Natuurnetwerk Nederland (NNN) ............................................................... 24 Wet natuurbescherming ............................................................................ 27
Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie......................................................... 29
4.4.1. 4.4.2.
Cultuurhistorie en aardkunde..................................................................... 29 Archeologie .............................................................................................. 31
4.5.
Bodemkwaliteit ............................................................................................... 33
4.6.
Spuitzones ..................................................................................................... 33
4.7.
Bedrijven en milieuzonering ............................................................................. 33
4.8.
Geur .............................................................................................................. 34
4.8.1. 4.8.2. 4.9.
Omgekeerde werking ................................................................................ 34 Woon- en leefklimaat ................................................................................ 34
Luchtkwaliteit ................................................................................................. 35
Pagina 3 van 44
4.9.1. 4.9.2.
Niet in betekenende mate ......................................................................... 36 Woon- en leefklimaat ................................................................................ 36
4.10.
Geluid ......................................................................................................... 38
4.11.
Verkeer en parkeren .................................................................................... 38
4.12.
Externe veiligheid ........................................................................................ 39
4.12.1. 4.13.
Regelgeving ............................................................................................. 39 Volksgezondheid .......................................................................................... 39
5. Juridische planbeschrijving ............................................................................ 41 5.1.
Juridische achtergrond .................................................................................... 41
5.2.
Toelichting verbeelding.................................................................................... 41
5.3.
Toelichting regels............................................................................................ 41
6. Uitvoerbaarheid ............................................................................................. 42 6.1.
Financiële uitvoerbaarheid ............................................................................... 42
6.2.
Maatschappelijke uitvoerbaarheid ..................................................................... 42
6.2.1.
Zienswijzen en beroep .............................................................................. 42
7. Bijlagen .......................................................................................................... 43
Pagina 4 van 44
1. Inleiding In dit hoofdstuk komen de aanleiding en het doel, de ligging van het plangebied, het geldend planologisch regime en de procedure aan bod. Daarnaast is in dit hoofdstuk een leeswijzer opgenomen. 1.1. Aanleiding en doel Eigenaar van Het Goordonk 6, 5111 GG te Baarle-Nassau heeft in 2018 een nieuw bijgebouw geplaatst binnen het plangebied met een oppervlakte van 32 m2, met daaraan een overkapping van 30,67 m2. Het bijgebouw wordt gebruikt als garage. Aan de hand van een handhavingsprocedure is gebleken dat circa 30 m2 van het bijgebouw is gesitueerd buiten de woonbestemming en daarmee illegaal is. Op 17 januari 2022 heeft de gemeente Baarle-Nassau besloten om een last onder dwangsom op te leggen om een overtreding op het perceel Het Goordonk 6 te beëindigen. In de brief last onder dwangsom is door de gemeente aangegeven dat door middel van een herziening van het bestemmingsplan de illegale situatie kan worden gelegaliseerd, waardoor het handhavingstraject wordt stopgezet. Op 7 maart 2022 is een principeverzoek ingediend voor het legaliseren van de geconstateerde strijdigheid met het bestemmingsplan. In de brief van de gemeente Baarle-Nassau de dato 10 mei 2023 wordt door de gemeente gevraagd om een ontwerpbestemmingsplan aan te leveren, waardoor geconcludeerd wordt dat de gemeente bereidt is medewerking te verlenen aan het legaliseren van het bestaande bijgebouw.
1.2. Ligging plangebied Het plangebied is gelegen aan Het Goordonk 6, 5111 GG te Baarle-Nassau, in het buitengebied van de gemeente Baarle-Nassau. De locatie is kadastraal bekend als gemeente Baarle-Nassau, sectie B, nummer 3032 en heeft een totale grootte van 4.860 m2. Op onderstaande Afbeelding 1 is een luchtfoto met het plangebied weergegeven.
Afbeelding 1: Ligging van het plangebied in de omgeving, de locatie is rood omlijnd
Pagina 5 van 44
1.3. Geldend planologisch regime Het vigerend planologisch regime ter plaatse van het plangebied is vervat in het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2008’, vastgesteld door de raad van de gemeente Baarle-Nassau op 16 september 2009. Conform het bestemmingsplan zijn de volgende bestemmingen van toepassing op het plangebied, zie Afbeelding 2: - Enkelbestemming: ‘Natuur- en bos’; - Enkelbestemming: ‘Wonen’.
Afbeelding 2: Uitsnede bestemmingsplan ‘Buitengebied 2008’ Het legaliseren van het bestaande bijgebouw is niet rechtstreeks mogelijk op grond van het vigerende bestemmingsplan. Derhalve wordt met onderhavig bestemmingsplan het bestaande bijgebouw gelegaliseerd. 1.4. Procedure Voor het beoogde initiatief dient een bestemmingsplan te worden vastgesteld, conform artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Het plan doorloopt als volgt de procedure. Allereerst wordt er een voorontwerpbestemmingsplan opgesteld waarin onderbouwd wordt dat het initiatief voldoet aan het gemeentelijk en provinciaal beleid en aan alle relevante milieu- en ruimtelijke ordeningsaspecten. In deze fase wordt overleg gevoerd met de gebruikelijke overlegpartners zoals gemeente, provincie en waterschap. Eventuele opmerkingen worden verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan. Volgens artikel 3.8 Wro is op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing. Dit houdt in dat het ontwerpbestemmingsplan gedurende 6 weken voor iedereen ter inzage wordt gelegd. Tijdens deze periode van 6 weken kan eenieder zienswijzen kenbaar maken.
Pagina 6 van 44
Binnen 12 weken nadat het ontwerpbestemmingsplan ter inzage heeft gelegen, moet de gemeente beslissen over de vaststelling van het bestemmingsplan. Hierbij worden eventuele zienswijzen in acht genomen. Nadat het bestemmingsplan is vastgesteld, wordt deze opnieuw 6 weken ter inzage gelegd. Binnen deze 6 weken kan eenieder die óf tijdig een zienswijze kenbaar heeft gemaakt bij het ontwerp óf belanghebbenden is, beroep indienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als er geen beroep wordt ingesteld, dan is het bestemmingsplan daags na afloop van de beroepsperiode onherroepelijk. 1.5. Leeswijzer In deze toelichting zijn in het eerste hoofdstuk een inleiding op het initiatief gegeven, waarin de aanleiding, het doel, het geldend planologische regime en de te doorlopen procedure zijn beschreven. In hoofdstuk 2 worden de bestaande en beoogde situatie omschreven. Het van toepassing zijnde provinciaal en gemeentelijk beleid wordt uiteengezet in hoofdstuk 3. Hierna worden in hoofdstuk 4 de milieu-hygiënische en planologische aspecten beschreven. De juridische achtergrond van het bestemmingsplan, een toelichting op de verbeelding en een toelichting op de regels wordt gegeven in hoofdstuk 5. De financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het initiatief wordt verantwoord in hoofdstuk 6.
Pagina 7 van 44
2. Planbeschrijving In dit hoofdstuk worden de bestaande en beoogde situatie beschreven. Hierin komt naar voren welke veranderingen er plaatsvinden binnen de planlocatie. 2.1. Bestaande situatie De enclavesituatie die Baarle-Nassau deelt met het Vlaamse Baarle-Hertog is ontstaan rond 1198, toen een tweedeling ontstond tussen de bezitten van de hertog van Brabant en de heer van Breda (de graaf van Nassau). Halverwege de zeventiende eeuw werden de bezittingen van de heer van Breda in de noordelijke- en de bezittingen van de hertog van Brabant in de zuidelijke Nederlanden ondergebracht. Zo ontstond de in Baarle-Nassau en in Baarle-Hertog versnipperde kern Baarle. In 1995 zijn deze grenzen als officiële Rijksgrenzen vastgesteld. Baarle is een typerend dorp voor de regio. De kern is te beschrijven als een kerkakker of tiendakkerdorp. Dit soort dorpen bestaan uit een centrale kern (met in dit geval een parochiekerk) en daaromheen verspreid een aantal kleine gehuchten en buurtschappen. In Baarle zijn twee kransen van zulke buurtschappen en gehuchten te onderscheiden. De eerste krans wordt gevormd door Loveren, Hoogbraak, Boschoven, Nijhoven, Reth, Schaluinen en Tommel, de tweede krans uit Gorpeind, Eikelenbosch, Hoogeind, Heesboom, Reuth, Liefkenshoek, Veldbraak, Keizershoek, Heikant, Voske en Driehuizen.
Het plangebied is gelegen aan Het Goordonk 6 te Baarle-Nassau en is kadastraal bekend als gemeente Baarle-Nassau, sectie B, nummer 3032 en heeft een grootte van 4.860 m2. De locatie is, zoals omschreven, gelegen in het buitengebied van Baarle-Nassau, binnen de tweede krans. In de omgeving van het plangebied zijn voornamelijk bosgronden, natuurgronden en woningen gelegen. Op het plangebied is een woning aanwezig met een oppervlakte van 271 m2. Bij deze woning is een tuinhuisje aanwezig met een oppervlakte van 18,7 m2. Daarnaast is in 2018 een nieuw bijgebouw gerealiseerd met een oppervlakte van 32 m2. Aan dit nieuwe bijgebouw is tevens een overkapping van 30,67 m2 gerealiseerd. Dit bijgebouw wordt gebruikt als garage. Aan de hand van een handhavingsprocedure is gebleken dat circa 30 m2 van het bijgebouw is gesitueerd buiten de enkelbestemming ‘Wonen’ en binnen het Natuur Netwerk Brabant en daarmee illegaal aanwezig is. Legalisatie van deze 30 m2 van het bijgebouw is alleen mogelijk via een wijziging/aanpassing van het vigerend bestemmingsplan. Deze wijziging/aanpassing komt er op neer dat de grens van de enkelbestemming ‘Wonen’ zodanig wordt verlegd dat ook de 30 m2 als hiervoor bedoeld, binnen de enkelbestemming ‘Wonen’ komt te liggen.
Afbeelding 3: Desbetreffend bijgebouw met overkapping
Pagina 8 van 44
2.2. Beoogde situatie Zoals hiervoor reeds kort omschreven betreft de beoogde ontwikkeling het legaliseren van het bestaand bijgebouw. Het plangebied heeft gedeeltelijk een woonbestemming en gedeeltelijk de bestemming ‘Natuur- en bos’. Een gedeelte van het bijgebouw, zoals aangeduid op Afbeelding 3, is gelegen binnen de bestemming ‘Natuur- en bos’. Zoals blijkt uit de regels van de bestemming ‘Natuur- en bos’ mag op deze gronden niet worden gebouwd, met uitzondering van erfafscheidingen en andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, uitsluitend ten dienste van natuurbeheer en extensief recreatief medegebruik. Het is wenselijk dat het bestaande bijgebouw wordt gelegaliseerd. Dit is mogelijk door een vergroting van de woonbestemming. Aangezien de locatie al jarenlang in gebruik is voor woondoeleinden (en dit ook is toegestaan volgens het vigerende bestemmingsplan) en de omliggende gronden ook al jaren lang in gebruik is geweest als tuingrond, wordt geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling niet zal leiden tot een aantasting van de omliggende natuur- en bosgronden. Echter zijn er door de jaren heen wel verschillende bomen gekapt en struiken verwijdert. Dit heeft wel geleid tot een kleine aantasting van de omliggende natuur- en bosgronden.
Zoals blijkt uit het landschappelijk inpassingsplan, opgenomen als Afbeelding 5, wordt deze aantasting in de beoogde situatie gecompenseerd met nieuw aan te planten bomen. Het te legaliseren bijgebouw, zoals weergegeven op Afbeelding 4, is gedeeltelijk gelegen binnen de bestemming ‘Wonen’ en gedeeltelijk binnen de bestemming ‘Natuur- en bos’. Het betreffende bijgebouw dat gedeeltelijk is gelegen binnen de bestemming ‘Natuur- en bos’ is illegaal aanwezig, omdat het binnen de bestemming ‘Natuur- en bos’ niet is toegestaan bouwwerken te realiseren. De eigenaar van de locatie aan Het Goordonk 6 wenst het bijgebouw te legaliseren. Om deze reden wordt middels onderhavig bestemmingsplan de bestemming ‘Wonen’ vergroot. De bestemming ‘Wonen’ zal in de beoogde situatie worden vergroot van 2.618 m2 naar 2.845 m2. Daarnaast zal een her begrenzing plaats vinden van het Natuur Netwerk Brabant.
Afbeelding 4: Situatietekening beoogde situatie
Pagina 9 van 44
Het plangebied zal ook landschappelijk worden ingepast. Het landschappelijk inpassingsplan is opgenomen als Afbeelding 5. Het landschappelijk inpassingsplan is tevens, op schaal, bijgevoegd als Bijlage 1 bij onderhavige toelichting.
Afbeelding 5: Landschappelijk inpassingsplan Zoals te zien op het landschappelijk inpassingsplan, zie Afbeelding 5, is er een duidelijk onderscheid gemaakt tussen de kwaliteitsverbetering van het landschap, de extra investering in het NNB (naast de financiële compensatie) en de herplantplicht van de in het verleden gekapte bomen. Ter compensatie van de in het verleden gekapte bomen zullen er in de beoogde situatie twee nieuwe bomen worden aangeplant. Er dient rekening te worden gehouden met het Natuurnetwerk Brabant. Hiervoor is een extra investering gedaan bovenop de kwaliteitsbijdrage van het landschap. De investering wordt gesitueerd aan de noordzijde van de locatie. De investering verbindt twee bestaande groenelementen met elkaar door de aanplant van struweel met bovenstaanders.
Pagina 10 van 44
3. Beleidskader In dit hoofdstuk wordt het relevante beleid uiteengezet. Het initiatief wordt getoetst aan het provinciaal en gemeentelijk beleid. Gezien het initiatief dusdanig klein van aard is dat het geen invloed heeft op nationaal beleid, wordt dit beleidskader niet beschreven. 3.1. Provinciaal beleid Het geldende ruimtelijke beleid van de provincie Noord-Brabant is omschreven in de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening Noord-Brabant.
3.1.1. Omgevingsvisie Noord-Brabant
De provincie Noord-Brabant heeft op 14 december 2018 de omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld. De omgevingsvisie vindt zijn legitimatie in de Omgevingswet. Vanzelfsprekend staan de achterliggende doelen van de Omgevingswet dan ook centraal in de positiebepaling van de Brabantse Omgevingsvisie. Onder het motto ‘eenvoudig beter’, doelt de Omgevingswet op meer inzichtelijkheid, en een grotere voorspelbaarheid en gebruiksgemak van het Omgevingsrecht. Ook beoogt de wet meer bestuurlijke afwegingsruimte en een meer samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving in beleid, besluitvorming en regelgeving. Het doel van de omgevingsvisie is om de kwaliteit van de leefomgeving voor alle Brabanders te verbeteren. In de visie is voor verschillende programma’s de ambitie geformuleerd hoe de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit moet zien. Daarbij zijn mobiliserende tussendoelen gesteld voor 2030 om het einddoel te kunnen bereiken. De uitwerking in programma’s is een opgave die de visie volgt en die in opeenvolgende bestuursperiodes de opdracht en ruimte geeft om dat met eigen accenten in te vullen. Het belangrijkste programma dat hier een rol speelt is ‘omgevingskwaliteit’. Het Brabantse doel voor 2050 in dit programma is:
‘Brabant heeft een goede leefomgevingskwaliteit doordat wij op alle aspecten beter presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald. Brabant staat met zijn TOP-landschap van oude en nieuwe landschappen in de top 5 van Europa. De biodiversiteit binnen en buiten de natuurgebieden is op orde, de lucht- en waterkwaliteit voldoet en de bodem is vitaal.’ Het tussendoel voor 2030 in dit programma is:
‘Brabant heeft een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit doordat wij voor alle aspecten voldoen aan de wettelijke normen. Natuurgebieden zijn ingericht, de afname van biodiversiteit is naar een positieve trend omgebogen, waardevolle cultuurhistorische landschappen zijn behouden en er is breed draagvlak voor de nieuwe energie- en klimaatadaptieve landschappen door de ontwerpende aanpak.’ Deze basisopgave is veelomvattend en gaat over milieuaspecten zoals een schone bodem, schoon water (ondergrond) en schone lucht. Maar ook om landschappelijke- en cultuurhistorische aantrekkelijkheid, een goede woon- en werkomgeving met een aantrekkelijk aanbod aan voorzieningen, stilte en een natuurrijke omgeving, waarin biodiversiteit en recreatie hand in hand gaan. Het initiatief voldoet aan het tussendoel voor 2030 omdat aan alle milieu wet- en regelgeving wordt voldaan. De strekking van het bestemmingsplan reikt niet verder dan het vergroten van een woonbestemming aan een locatie die reeds geruime tijd wordt gebruikt als tuingrond. In de omgevingsvisie staan geen specifieke regels, de visie is doorvertaald naar de omgevingsverordening.
3.1.2. Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant
De Interim omgevingsverordening (Iov) betreft een samenvoeging van verschillende regelingen op provinciaal niveau met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. De Iov is daarbij een eerste stap op weg naar een definitieve omgevingsverordening, die op grond van de op handen zijnde Omgevingswet moet worden vastgesteld en die verplicht is voor provincies.
Pagina 11 van 44
De Iov is opgesteld vanuit een doelgroepenbenadering. Dit is ook het systeem dat de Omgevingswet, en de daaronder liggende wetgeving, hanteert. Dit betekent dat de regels in de Iov zijn gegroepeerd in hoofdstukken waarbij de doelgroep van de regel, de zogenaamde normadressaat, leidend is. Regels waar gemeenten bij vaststelling van een bestemmingsplan rekening mee moeten houden zijn opgenomen in hoofdstuk 3. Deze regels zijn in de vorm van instructieregels opgenomen waarbij de verschillende niveaus zijn opgedeeld in meerdere afdelingen. Voor elke ruimtelijke ontwikkeling geldt dat toepassing moe t worden gegeven aan de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies zoals deze zijn opgenomen in paragraaf 3.1.2. Voor het overige dient getoetst te worden aan de regels die van toepassing zijn op het werkingsgebied waarin de planlocatie ligt. In dit geval ligt de planlocatie in de werkingsgebieden ‘Attentiezone waterhuishouding’, ‘Natuur Netwerk Brabant’, ‘Beperkingen veehouderij’ en ‘Stalderingsgebied’, zie Afbeelding 6.
Afbeelding 6: Uitsnede Interim omgevingsverordening Noord-Brabant In artikel 3.15 zijn regels ten aanzien van de aanduiding ‘Natuur Netwerk Brabant’ opgenomen. Deze regels zijn ter bescherming van de ecologische waarden en kenmerken, aangezien de planlocatie binnen deze aanduiding is gelegen zal getoetst worden aan de belangrijkste regels voor deze aanduiding. In artikel 3.26 zijn regels ten aanzien van de aanduiding ‘Attentiezone waterhuishouding’ opgenomen. Deze regels zijn ter bescherming van de waterhuishouding, aangezien de planlocatie binnen deze aanduiding is gelegen zal worden getoetst aan artikel 3.26 voor ‘Attentiezone waterhuishouding’. In artikel 3.51 zijn de afwijkende regels ten aanzien van de aanduiding ‘beperkingen veehouderij’ opgenomen. Deze regels beperken de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijen. Met het initiatief wordt de legalisatie van een bestaand bijgebouw bij de bestaande woning mogelijk gemaakt, er wordt derhalve geen veehouderij opgericht, waardoor geen bedrijfsmatige veehouderijactiviteiten plaatsvinden binnen het plangebied. Het artikel is derhalve niet van toepassing op het initiatief.
Pagina 12 van 44
Verder bevat artikel 5.66 aanvullende regels ten aanzien van het stalderingsgebied. Deze regels hebben betrekking op een toename in de oppervlakte dierenverblijven voor hokdieren. Met het initiatief wordt geen veehouderij gerealiseerd. De regels met betrekking tot het stalderingsgebied zijn derhalve niet van toepassing. Verder bevat artikel 3.52 aanvullende regels ten aanzien van het stalderingsgebied. Deze regels hebben betrekking op een toename in de oppervlakte dierenverblijven voor hokdieren. Met het initiatief wordt geen veehouderij gerealiseerd. De regels met betrekking tot het stalderingsgebied zijn derhalve niet van toepassing. Aan de relevante artikelen zal hierna worden getoetst. Eisen herplanting (artikel 2.63) In artikel 2.63 zijn regels opgenomen inzake de herplantplicht van de in het verleden gekapte bomen.
‘Een bosbouwkundig verantwoorde herbeplanting als bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, Wet natuurbescherming voldoet in elk geval aan de volgende eisen: a. de oppervlakte van de herbeplanting is tenminste even groot als de oppervlakte van de gevelde houtopstand;
Op locatie zijn in het verleden een tweetal bomen gekapt. Deze bomen zullen in de beoogde situatie worden herplant, zoals weergegeven op het landschappelijk inpassingsplan. Dit is tevens geborgd in de regels van het bestemmingsplan.
b. de nieuwe houtopstand kan, gelet op de bodemkwaliteit en de waterhuishouding ter plaatse, uitgroeien tot een volwaardige en duurzame houtopstand;
Gelet op de bodemkwaliteit en de waterhuishouding ter plaatse van het plangebied kunnen de nieuwe houtopstanden uitgroeien tot een volwaardige en duurzame houtopstand.
c. de nieuwe houtopstand kan binnen een periode van 5 à 10 jaar een gesloten kronendak vormen;
De nieuwe houtopstanden kunnen binnen een periode van 5 á 10 jaar een gesloten kronendak vormen.
d. het gebruik van sierheesters, tuinsoorten en soorten die naar het oordeel van Gedeputeerde Staten een gevaar vormen voor de natuurlijke biodiversiteit ter plaatse, is niet toegestaan;
Er zullen op locatie geen sierheesters, tuinsoorten en soorten die naar het oordeel van Gedeputeerde Staten een gevaar vormen voor de natuurlijke biodiversiteit worden gerealiseerd.
e. herplant binnen Natura 2000 gebieden vindt plaats op een wijze en met soorten die de natuurlijke kenmerken en de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied, bedoeld in artikel 2.1, vierde lid, Wet natuurbescherming niet aantasten; De herplant van de betreffende bomen zal niet plaatsvinden binnen een Natura 2000 gebied.
f.
de herbeplante houtopstand kan op termijn tenminste vergelijkbare ecologische en landschappelijke waarden vertegenwoordigen.’
Aangezien er in de beoogde situatie dezelfde soort houtopstanden worden gerealiseerd als de gekapte houtopstanden, zullen de herbeplante houtopstanden op termijn tenminste vergelijkbare ecologische landschappelijke waarden vertegenwoordigen als de gekapte houtopstanden. Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies (paragraaf 3.1.2) Onder een evenwichtige toedeling van functies wordt verstaan dat invulling wordt gegeven aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Hiervoor moet rekening worden gehouden met: ▪ zorgvuldig ruimtegebruik;
Pagina 13 van 44
▪ ▪
de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering; meerwaardecreatie.
Deze aspecten zijn in de Iov nader uitgewerkt in de artikel 3.6 t/m 3.8. Daarnaast geldt voor ontwikkelingen in het landelijk gebied ook dat er sprake moet zijn van kwaliteitsverbetering (zie artikel 3.9). Deze artikelen worden hieronder nader toegelicht. Zorgvuldig ruimtegebruik (artikel 3.6) Conform artikel 3.6 houdt zorgvuldig ruimtegebruik in dat in beginsel gebruik wordt gemaakt van een bestaand ruimtebeslag. Een bestaand ruimtebeslag ligt binnen het werkingsgebied ‘Stedelijk gebied’ of een bestaand bouwperceel. Wanneer er sprake is van een stedelijke ontwikkeling dient toepassing te worden gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking). Alle gebouwen, bijbehorende bouwwerken en ander permanente voorzieningen dienen te worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. Het initiatief betreft het legaliseren van een bestaand bouwwerk. Er zullen in de beoogde situatie dus geen nieuwe gebouwen worden gerealiseerd, waardoor het aantal vierkante meters aan bouwwerken niet zal toenemen. De bebouwing is, zoals omschreven, reeds gerealiseerd in strijd met het bestemmingsplan, echter wel nabij een bestaand bouwperceel wat reeds in gebruik was als tuingrond. Hierdoor is sprake van een zorgvuldig ruimtegebruik. De ontwikkeling heeft geen betrekking op een stedelijke ontwikkeling die voorziet in een regionale behoefte.
Toepassing van de ladder is daarom niet nodig. Toepassing van de lagenbenadering (artikel 3.7) De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op verschillende lagen. Hierbij dient onderzocht te worden wat de effecten zijn op: ▪ de ondergrond ▪ de netwerklaag ▪ de bovenste laag Met het effect op de ondergrond worden o.a. de aspecten bodem, grondwater en archeologische waarden bedoeld. De netwerklaag omvat aspecten zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. In de beschouwing van de bovenste laag dienen aspecten zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu aan bod te komen. Hierbij dient te worden gekeken naar het verleden, heden en toekomst. De beoogde ontwikkeling mag geen negatieve effecten hebben op de waarden in de omgeving en dient ook in de toekomst geen beperkingen op te leveren voor de omgeving. De toetsing van de gevolgen van het initiatief op bovengenoemde aspecten is uitgebreid uiteengezet in hoofdstuk 4 van deze toelichting.
Meerwaardecreatie (artikel 3.8) Het aspect meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken. Het biedt de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren, waardoor er meerwaarde ontstaat. Daarnaast ontstaat een bijdrage aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit zoals bedoeld in artikel 3.9 van de Iov kan deel uit maken van de meerwaardecreatie. Middels dit bestemmingsplan wordt meerwaarde gecreëerd door het plan te combineren met de aanleg van zorgvuldig gekozen landschappelijke inpassing.
Pagina 14 van 44
Kwaliteitsverbetering (artikel 3.9) Een bestemmingsplan in landelijk gebied moet gepaard gaan met een fysieke verbetering van het landschap. Daarnaast moet worden aangetoond hoe deze fysieke verbetering financieel, juridisch en feitelijk wordt verzekerd. Een verbetering kan o.a. bestaan uit een landschappelijke inpassing, behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen, het slopen van bebouwing of aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden. Deze vormen van kwaliteitsverbetering moeten worden geborgd in het bestemmingsplan. Over de exacte invulling van de kwaliteitsverbetering zijn in het regionaal ruimtelijk overleg tussen gemeenten en provincie afspraken gemaakt. Binnen de gemeente Baarle-Nassau is het ‘Afsprakenkader Kwaliteitsverbetering van het landschap in de regio West-Brabant’ van toepassing. Hierin is de ontwikkeling aangemerkt als een categorie 3 ontwikkeling wat betekent dat het een ontwikkeling betreft waar vanwege de aard van de ontwikkeling niet meer te onderbouwen is dat deze tot categorie 1 of 2 behoort. Aangezien de bestemming ‘Wonen’ in deze situatie wordt vergroot waardoor de bestemming ‘Natuur’ wordt verkleind, heeft de ontwikkeling een beduidende invloed op de omgeving. Om deze reden dient 20% van de waardestijging geïnvesteerd te worden in het landschap.
Zoals blijkt uit de berekening kwaliteitsverbetering, zie Bijlage 2, dient voor een bedrag ad € 4.494,60 geïnvesteerd te worden in het landschap. Deze investering zal plaatsvinden in de vorm van beheerskosten van de toe te voegen bomen en de aanplant van een aantal nieuwe solitaire bomen, zoals aangegeven op het landschappelijk inpassingsplan opgenomen als Bijlage 1. Bescherming Natuur Netwerk Brabant (artikel 3.15) In artikel 3.15 zijn regels opgenomen voor een bestemmingsplan wat van toepassing is op het Natuur Netwerk Brabant.
‘Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Natuur Netwerk Brabant: a. strekt tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken; b. bevat regels gericht op de bescherming van de ecologische waarden en kenmerken en houdt daarbij ook rekening met andere aanwezige waarden en kenmerken, zoals rust, stilte, cultuurhistorische waarden en kenmerken; c. staat, zolang het Natuur Netwerk Brabant niet is gerealiseerd, bestaande bebouwing en bestaande planologische gebruiksactiviteiten toe.’ Het bestemmingsplan heeft slechts betrekking op het Natuur Netwerk Brabant, voor zover het de gronden betreft waarop het bestaande bijgebouw en de bestaande oprit zijn gesitueerd buiten het bestemmingsvlak ‘Wonen’. Als gevolg van de realisatie van het bijgebouw en de oprit is het areaal NNB op het plangebied beperkt afgenomen. Er is 227 m2 oppervlak verloren gegaan ten behoeve van de realisatie van het bijgebouw en de aanleg van de oprit. Dit verloren areaal wordt financieel gecompenseerd, zie toetsing aan artikel 3.21. De regels in Lid 1 zijn niet van toepassing. Er wordt gebruik gemaakt van een kleinschalige herbegrenzing. Voor het te compenseren deel van het Natuur Netwerk Brabant door areaalverlies geldt 1 op 1 compensatie met een toeslag van 2/3 in oppervlak.
Externe werking Natuur Netwerk Brabant (Artikel 3.16) In artikel 3.16 is bepaalt dat een bestemmingsplan dat een ontwikkeling toelaat, die een aantasting geeft van de ecologische waarden en kenmerken in het Natuur Netwerk Brabant, de negatieve effecten waar mogelijk beperkt.
‘Lid 1 In aanvulling op de Wet natuurbescherming bepaalt een bestemmingsplan dat een ontwikkeling toelaat in Stedelijk Gebied of in Landelijk Gebied, die een aantasting geeft van de ecologische waarden en kenmerken in het Natuur Netwerk Brabant, dat de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt
Pagina 15 van 44
en de overblijvende, negatieve effecten worden gecompenseerd, overeenkomstig Artikel 3.22 Compensatie.’ Op 7 september 2023 is door Brabant Eco een effectenonderzoek en historische QuickScan uitgevoerd. Het effectenonderzoek en de historische QuickScan zijn bijgevoegd als Bijlage 3 bij onderhavige toelichting. Op basis van het veldonderzoek en de analyse van de bestaande situatie kan het voorkomen van beschermde flora en fauna worden uitgesloten. Hierdoor wordt dan ook niet aanbevolen om een nadere inventarisatie door middel van extra veldonderzoek uit te voeren. Afwijkende regels ontwikkelingen in Natuur Netwerk Brabant (artikel 3.17) In artikel 3.17 lid 1 onder d is opgenomen dat een bestemmingsplan van toepassing op Natuur Netwerk Brabant een ontwikkeling kan toelaten.
‘Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Natuur Netwerk Brabant kan een ontwikkeling toelaten als is voldaan aan de voorwaarden gesteld voor: a. nieuwe ontwikkelingen in het Natuur Netwerk Brabant, overeenkomstig Artikel 3.18; b. het nee, tenzij-principe, overeenkomstig Artikel 3.19; c. de saldo-benadering, overeenkomstig Artikel 3.20; d. een kleinschalige uitbreiding, overeenkomstig Artikel 3.21.’ Op het plangebied is sprake van een kleinschalige herbegrenzing overeenkomstig artikel 3.21. Hierna zal getoetst worden aan artikel 3.21. Kleinschalige herbegrenzing (artikel 3.21) Een kleinschalige herbegrenzing van het Natuur Netwerk Brabant is mogelijk op grond van artikel 3.21, mits voldaan wordt aan de gestelde voorwaarden uit dit artikel
‘Lid 1 Een bestemmingsplan kan een ontwikkeling binnen Natuur Netwerk Brabant mogelijk maken in het geval dat: a. de aantasting van areaal Natuur Netwerk Brabant kleinschalig is;
Zoals omschreven is het betreffende bijgebouw (de garage) voor circa 30 m2 buiten de woonbestemming gelegen, in de enkelbestemming ‘Natuur- en bos’. Ook een gedeelte van de oprit en de tuin is buiten de woonbestemming gelegen. In totaal betreft de aantasting van het Natuur Netwerk Brabant 227 m2. Dit gedeelte van het plangebied is al jaren in gebruik als tuingrond. Daarnaast is het betreffende bijgebouw reeds aanwezig hierdoor zal geen sprake zijn van het kappen van bomen of het anderszins verstoren van natuurwaarden. De aantasting van het areaal Natuur Netwerk Brabant is kleinschalig.
b. de ontwikkeling slechts leidt tot een beperkte aantasting van de ecologische waarden en kenmerken van het Natuur Netwerk Brabant;
Zoals omschreven onder a zal geen sprake zijn van het kappen van bomen of het anderszins verstoren van natuurwaarden. De gronden zijn reeds jaren in gebruik als tuingrond, waardoor de ecologische waarden en kenmerken van het Natuur Netwerk Brabant niet zullen worden aangetast. Echter zijn er in het verleden enkele bomen gekapt, zoals blijkt uit het effectenonderzoek, zoals opgenomen als Bijlage 3. Ter compensatie zullen er bomen worden terug geplant.
c. de ontwikkeling leidt tot een kwalitatieve of kwantitatieve versterking van de ecologische waarden en kenmerken van het Natuur Netwerk Brabant als geheel;
Aangezien de gewenste ontwikkeling op het plangebied niet leidt tot een aantasting van de ecologische waarden en kenmerken van het Natuur Netwerk Brabant en het plangebied landschappelijk zal worden ingepast, zal een kwalitatieve versterking van de ecologische waarden en kenmerken van het Natuur Netwerk Brabant ontstaan.
Pagina 16 van 44
d. er een afweging van alternatieven heeft plaatsgevonden;
Zoals omschreven is het betreffende bijgebouw gerealiseerd in 2018. Alvorens het bijgebouw is gebouwd is heeft overleg plaatsgevonden tussen de eigenaar van het plangebied de gemeente. Door de eigenaar van het plangebied is in dit overleg aangegeven waar dit bijgebouw geplaatst zou gaan worden. Door de gemeente is destijds aangegeven dat het realiseren van het bijgebouw vergunningsvrij mogelijk was. Het bijgebouw is vervolgens opgenomen binnen de BAG-registratie na controle van de zijde van de gemeente. Kortom, het bijgebouw is reeds aanwezig, waardoor een ander alternatief niet mogelijk is.
e. er sprake is van een goede landschappelijke en natuurlijke inpassing;
Het plangebied zal landschappelijk worden ingepast. Het landschappelijk inpassingsplan is opgenomen als Afbeelding 5 en bijgevoegd als Bijlage 1 bij onderhavige toelichting. Geconcludeerd wordt dat er sprake is van een goede landschappelijke en natuurlijke inpassing.
f.
er bij verlies van ecologische waarden en kenmerken wordt voldaan aan Artikel 3.22 Compensatie; en Het verlies aan ecologische waarden wordt financieel gecompenseerd. Uit de ecologische QuickScan, bijgevoegd als Bijlage 3, blijkt dat er sprake is van areaalverlies van het NNB. Voor het te compenseren deel van het Natuurnetwerk door areaalverlies geldt 1 op 1 compensatie met een toeslag van 2/3 in oppervlak. De totale financiële compensatieopgave bedraagt € 3.783,33, dit blijkt uit het natuurcompensatieplan zoals opgenomen als Bijlage 4. Dit bedrag dient uiterlijk zes weken na de vaststelling van het bestemmingsplan gestort te worden in de provinciale compensatie-voorziening ter uitvoering van de geformuleerde compensatietaakstelling. Hiermee wordt voldaan aan artikel 5.37 compensatie.
g. op welke wijze de uitvoering en monitoring zijn verzekerd.
Zoals blijkt uit het natuurcompensatieplan bedraagt de financiële bijdrage voor het areaalverlies van 227 m2 € 3.783,33, zie Bijlage 4. Dit bedrag dient uiterlijk zes weken na de vaststelling van het bestemmingsplan gestort te worden in de provinciale compensatie-voorziening ter uitvoering van de geformuleerde compensatie-taakstelling.
Achteraf herbegrenzen Natuur Netwerk Brabant (hoofdstuk 8 Omgevingsverordening) In de Omgevingsverordening Noord-Brabant zijn onder andere instructieregels opgenomen voor het omgevingsplan van gemeenten. Het omgevingsplan mag niet in strijd met de instructieregels vastgesteld worden. In de voorgaande Interim omgevingsverordening betekende dit dat sommige gebieden aangepast moesten worden voor de vaststelling van het bestemmingsplan. De Wet ruimtelijke ordening bood de mogelijkheid om de procedures voor het gemeentelijke plan en de provinciale wijziging af te stemmen en in elkaar te schuiven. Hierdoor kon de benodigde kaartwijziging tijdens de gemeentelijke procedure, voor de raadsvergadering over het bestemmingsplan, vastgesteld worden. Onder de Omgevingswet is dat door gewijzigde termijnen en inspraakregels niet langer mogelijk. In deze Omgevingsverordening is daarom een andere opzet gekozen. Er is in de instructieregels aangegeven wanneer c.q. onder welke voorwaarden een ontwikkeling kan worden toegelaten in een gebied, waarbij afgeweken kan worden van de ‘hoofdregel’. Een wijziging van het omgevingsplan dat aan deze vereisten voldoet is dan niet in strijd met de Omgevingsverordening en kan zonder grenswijziging vastgesteld worden. De gemeente moet in het wijzigingsbesluit onderbouwen waarom of hoe aan de randvoorwaarden voor de afwijking is voldaan.
Een vergelijkbare insteek geldt voor het Natuur Netwerk Brabant (NNB). Ook daar hoeft voorafgaand aan de vaststelling van het omgevingsplan niet eerst een wijziging van het NNB plaats te vinden, mits in de wijziging van het omgevingsplan wordt aangetoond dat voldaan wordt aan de regels waaronder ontwikkelingen in het NNB mogelijk zijn en aan de compensatieregels. Voor Natuur Netwerk Brabant ecologische verbindingszones is daartoe een nieuw derde lid opgenomen. Als aan de bepalingen wordt voldaan kan een omgevingsplan rechtstreeks activiteiten of functies binnen de locatie mogelijk maken.
Pagina 17 van 44
De noodzakelijke herbegrenzing van het NNB is op het moment van schrijven meegenomen in de ontwerp kaart aanpassingsronde. Deze ligt vanaf 3 mei 2024 ter inzage. Attentiezone waterhuishouding (artikel 3.26)
Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Attentiezone waterhuishouding strekt tot bescherming van de waterhuishouding en sluit functies en activiteiten uit die een negatief effect hebben op de hydrologische instandhoudingsdoelen van het hierbinnen gelegen Natuur Netwerk Brabant. Lid 2 Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid stelt in ieder geval regels over: a. het verzetten van grond van meer dan 100 m³ of op een diepte van meer dan 60 centimeter beneden maaiveld, voor zover geen vergunning is vereist op grond van de Ontgrondingenwet; b. de aanleg van drainage ongeacht de diepte, tenzij het gaat om vervanging van een bestaande drainage; c. het verlagen van de grondwaterstand anders dan door middel van het graven van sloten of het toepassen van drainagemiddelen, met uitzondering van grondwateronttrekkingen; het beperken van het buiten een agrarisch bouwperceel aanbrengen van oppervlakteverhardingen of verharde oppervlakten. Lid 3 Het tweede lid is niet van toepassing op werkzaamheden die behoren tot het normale beheer en onderhoud van de gronden. Het plan betreft het vergroten van de woonbestemming ter legalisatie van het bijgebouw. De beoogde ontwikkeling heeft geen negatief effect op de hydrologische instandhoudingsdoelen van het Natuur Netwerk Brabant.
Daarnaast worden er met de beoogde ontwikkelingen geen activiteiten uitgevoerd zoals in artikel 3.26 lid 2 zijn genoemd. Tevens is in de regels van onderhavig bestemmingsplan ‘Het Goordonk 6, Baarle-Nassau’ door middel van de aanduiding ‘overige zone – attentiegebied Natuur Netwerk Brabant’ geborgd dat er rekening gehouden dient te worden met de waterhuishoudkundige situatie binnen het plangebied. Door het opnemen van regels inzake de attentiezone waterhuishouding kan derhalve worden geconcludeerd dat de voorwaarden voor ‘Attentiezone waterhuishouding’ worden verankerd in onderhavig bestemmingsplan. Conclusie Gelet op bovenstaande voldoet de ontwikkeling aan de voorwaarden die zijn opgenomen in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. 3.2. Gemeentelijk beleid Het gemeentelijk beleid is omschreven in de gemeentelijke omgevingsvisie en het bestemmingsplan.
3.2.1. Omgevingsvisie Baarle-Nassau
De gemeenteraad van de gemeente Baarle-Nassau heeft op 26 juni 2019 de omgevingsvisie vastgesteld. De omgevingsvisie geeft aan wat de gemeente Baarle-Nassau de komende 20 jaar wil bereiken binnen de gemeentegrenzen. Hiervoor heeft de gemeente doelen geformuleerd. Die zijn niet voor ieder gebied hetzelfde. De gemeente onderscheidt 11 deelgebieden waarvoor doelen zijn geformuleerd. Als er zich een nieuw initiatief aandient, dienen de volgende vier vragen worden te gesteld: 1. In hoeverre draagt het initiatief bij aan de gestelde doelen? 2. Wat vindt de samenleving van het initiatief (is er draagvlak)? 3. Wat draagt het initiatief bij aan ruimtelijke kwaliteit? 4. Hoe kan het initiatief voldoen aan andere wet- en regelgeving? De omgevingsvisie geeft vorm aan de fysieke leefomgeving. Een visie waarin onderscheid wordt gemaakt in deelgebieden, met ieder haar eigen kwaliteiten, kansen en ambities, die weer leiden tot verschillende ontwikkelingsmogelijkheden.
Pagina 18 van 44
Zoals blijkt uit de omgevingsvisiekaart, zoals opgenomen als Afbeelding 7, is het plangebied gelegen binnen het deelgebied ‘jonge landschappen’ in het buitengebied van Baarle-Nassau. Karakteristiek voor de jonge landschappen is de grotere schaal, het rechtlijnige karakter van de ontginningen en het beperkter voorkomen van bebouwing. Enkele jonge ontginningslandschappen, zoals de Bedafse heide, de Tommelsche heide en de Strumptsche heide kenmerken zich door een open karakter. De andere jonge ontginningen hebben een meer besloten karakter door bosaanplant. Naast de algemene principes die we hanteren voor het buitengebied, gelden de volgende doelen specifiek voor de jonge landschappen: • De karakteristiek van de jonge ontginningslandschappen in stand houden en versterken, met name door de open jonge heideontginningen open te houden. • De meer besloten jonge ontginningen bieden in principe opnamecapaciteit voor nieuwe ontwikkelingen, waarbij bestaande bossen decor bieden en afscherming naar de omgeving.
Plangebied
Afbeelding 7: Uitsnede Omgevingsvisie waarop de ligging van het plangebied is aangeduid
Pagina 19 van 44
De gewenste ontwikkeling voorziet in de legalisatie van een reeds bestaand bijgebouw en is kleinschalig van aard. Er vindt geen extra verstening plaats en er kan worden voldaan aan de gestelde eisen voor gezondheid en milieu. Hierdoor wordt aangesloten bij de omgevingsvisie van de gemeente BaarleNassau. De bestaande bossen nabij het plangebied bieden decor en afscherming naar de omgeving. Met inachtneming van het plangebied wordt aangesloten bij de typering ‘jonge landschappen’. De ontwikkeling is passend binnen de omgevingsvisie van de gemeente Baarle-Nassau.
3.2.2. Bestemmingsplan
Zoals al in de inleiding van deze toelichting beschreven is voor de planlocatie het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2008’ geldend. Hier zijn de volgende aanduidingen opgenomen, zie Afbeelding 2: - Enkelbestemming: ‘Natuur- en bos’; - Enkelbestemming: ‘Wonen’. Conform de voorschriften van het bestemmingsplan mogen binnen de enkelbestemming ‘Wonen’ met ‘woonlocatie Goordonk’ bijgebouwen worden gebouwd. Het gedeelte van het bijgebouw wat binnen deze enkelbestemming is gebouwd, is dus terecht vergunningsvrij gebouwd. Conform de voorschriften van het bestemmingsplan mogen binnen de enkelbestemming ‘Natuur- en bos’ geen gebouwen worden gebouwd. Derhalve is de aanwezigheid van de circa 30 m2 bijgebouw binnen deze bestemming strijdig met het bestemmingsplan. Binnen de voorschriften van het bestemmingsplan zijn geen afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden opgenomen om het gedeelte van het bijgebouw te legaliseren. Het legaliseren van het bestaande bijgebouw is niet rechtstreeks mogelijk op grond van het vigerende bestemmingsplan. Derhalve wordt met onderhavig bestemmingsplan het bestaande bijgebouw gelegaliseerd. Om deze reden wordt een herziening van het bestemmingsplan voorbereid.
Pagina 20 van 44
4. Milieuhygiënische en planologische aspecten Op grond van het bepaalde in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het verplicht om inzicht te bieden in de relevante milieu-hygiënische en planologische aspecten. In dit hoofdstuk worden deze aspecten beschreven. 4.1. Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming over plannen en projecten. Het gaat hierbij enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waardoor het milieu mogelijk nadelig wordt beïnvloed. Als uitgangspunt gelden voor plannen, waaronder partiële herzieningen, onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: ▪ Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden. ▪ Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten; Ten aanzien van het eerste criterium geldt dat er in deze situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. In paragraaf 4.3.2 is een uitgebreide toelichting opgenomen voor de mogelijke effecten van het plan op de Natura 2000-gebieden.
Op basis van deze paragraaf kan worden geconcludeerd dat de legalisatie van het bestaande bijgebouw geen negatieve effecten voor Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft. Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. Onder de grenzen uit de C- en D-lijst van het Besluit m.e.r. geldt sinds 7 juli 2017 een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht. Dit houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. De legalisatie van een bestaand bijgebouw komt in de C- en D-lijst van het Besluit m.e.r. niet voor. Er geldt voor het initiatief derhalve geen (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsplicht. 4.2. Waterhuishouding Sinds 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets toe te passen. Deze verplichting is wettelijk geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Door middel van deze watertoets moet inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente voorafgaand aan de procedure het voornemen van de ruimtelijke ingreep aan het waterschap te verzenden.
De gemeente en het waterschap kunnen afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen. In deze waterparagraaf komen de volgende onderdelen aan bod: ▪ Beschrijving waterrelevant beleid; ▪ Bestaande waterhuishoudkundige situatie; ▪ Beoogde waterhuishoudkundige situatie. Waterrelevant beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. De Nederlandse regering heeft invulling aan de KRW gegeven door middel van de Waterwet, die in werking is getreden op 22 december 2009. De Waterwet regelt het beheer van het oppervlakte- en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen het waterbeleid en ruimtelijke ordening. De visies met betrekking tot het waterbeleid worden door de verschillende bestuurslagen in diverse plannen beschreven.
Pagina 21 van 44
4.2.1. Provincie
Het beleid van de provincie Noord-Brabant richt zich op het bereiken en in stand houden van watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens, dier en plant. Daarbij zijn economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht en is het hebben en houden van een veilige en bewoonbare provincie een randvoorwaarde. Dit beleid is vertaald in de Omgevingsvisie en Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. De belangrijkste aspecten zijn: ▪ Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem; ▪ Een betere waterveiligheid door preventie; ▪ Koppeling van waterberging en droogtebestrijding. In de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant zijn ook instructieregels opgenomen voor waterschappen. Op de kaart behorende bij deze instructieregels is te zien dat de planlocatie is gelegen binnen de aanduiding ‘Attentiezone waterhuishouding, zie Afbeelding 8. Zoals reeds uiteengezet in paragraaf 3.1.3 wordt er voldaan aan de instructieregels grondwaterbescherming zoals opgenomen in de Iov.
Afbeelding 8: Uitsnede Interim omgevingsverordening Noord-Brabant De wijze waarop de provincie omgaat met water is beschreven in het Regionaal Water en Bodem Programma (2022-2027). Provinciale Staten hebben op 3 december 2021 het Regionaal Water en Bodem Programma (2022-2027) vastgesteld (RWP). Hiermee is de RWP de opvolger van het Provinciaal Milieu en waterplan (PMWP). Het RWP is op 22 december 2021 inwerking getreden. Door middel van het RWP wordt beleid vastgesteld om te komen tot een klimaat robuust water en bodemsysteem in 2050 en zorg te dragen voor veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem in de provincie Noord-Brabant. Belangrijk uitgangspunt van het RWP is de Europese Kader Richtlijn Water (KRW) als een mijlpaal op weg naar een klimaatrobuust en veerkrachtig water- en bodemsysteem in 2050. In dit programma ligt de focus op zuinig zijn op water en de bodem, en het water- en bodemsysteem moet toegerust zijn op natte én droge tijden (systeemgericht). Vele generaties lang had het waterbeleid als doel wateroverlast te voorkomen en water zo snel mogelijk af te voeren. Inmiddels weten we dat het moet worden gewijzigd; we moeten zuinig zijn op ons water en de bodem.
Doel van RWP: ▪ Voldoende water ▪ Schoon water ▪ Veilig water ▪ Vitale bodem ▪ Klimaatadaptatie Gemeenten en waterschappen dienen hun waterbeleid te baseren op de uitgangspunten die de provincie in haar RWP stelt. De RWP is enkel voor de provincie Noord-Brabant zelf bindend.
Pagina 22 van 44
4.2.2. Waterschap Brabantse Delta
Waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het Waterbeheerprogramma 2022-2027. De doelstelling van het waterprogramma luidt als volgt: Met het Waterbeheerprogramma werkt het waterschap samen met andere organisaties aan een klimaatbestendig en veerkrachtig waterbeheer. Dat waterbeheer draagt bij aan een duurzame ontwikkeling van het werkgebied en daarbuiten. In 2050 is Nederland aangepast om de negatieve gevolgen van klimaatverandering op te vangen. De ambitie van het waterschap is samen met de omgeving te werken aan een klimaatbestendig en veerkrachtig waterlandschap voor de regio Midden- en West-Brabant. Het realiseren van deze ambitie wordt bereikt aan de had van zes beleidskeuzes: 1. Water als drager voor een vitale regio 2. Evenwicht in het water- en bodemsysteem 3. We werken samen 4. We werken duurzaam 5. We werken veerkrachtig en vernieuwend 6. We prioriteren op basis van verplichtingen en mogelijkheden Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie.
Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de ‘beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Door middel van de Keur van Waterschap Brabantse Delta, die in werking is getreden op 1 maart 2015, kan worden bepaald bij welke ontwikkelingen mitigerende maatregen getroffen moeten worden. Deze mitigerende maatregelen kunnen onder andere bestaan uit het realiseren van een retentievoorziening. De Keur van Waterschap Brabantse Delta schrijft per 1 april 2021 voor dat voor een toename van minder dan 500 m2 verhard oppervlak geen mitigerende maatregelen nodig zijn. De keur en de legger van het waterschap zijn te vinden in het DSO in de waterschapsverordening.
4.2.3. Gemeente
De gemeenteraad van Baarle-Nassau heeft op 4 november 2020 het nieuw verbreed gemeentelijke rioleringsplan (vGRP) 2021-2025 vastgesteld. Hierin staat hoe de gemeenten Baarle-Nassau en Baarle Hertog de watertaken uitvoeren. Op basis van de voorgeschreven wettelijke taken, de regionale en gemeentelijke visie in de afvalwaterketen en de gemeentelijke ambitie zijn voor dit vGRP drie hoofddoelen omschreven. - het duurzaam beschermen van de volksgezondheid; - Het op peil houden van de kwaliteit van de leefomgeving; - Het duurzaam beschermen van natuur en milieu (bodem, grond- en oppervlaktewater). Binnen deze doelen worden ook de activiteiten voor het beheer en onderhoud van de hemelwatervoorzieningen en het opvangen van regenwater in bergingsvijvers opgepakt en gefinancierd. Daarnaast valt ook het onderhouden van sloten achter de overstort tot de werkzaamheden. De overige activiteiten voor oppervlaktewater, ecologische verbindingszones, sloten en bermen vallen niet binnen het vGRP, maar worden wel onderling afgestemd om een integrale benadering te behouden. De drie algemene hoofddoelen zijn verder uitgewerkt in zeven thematische doelen: 1. Doelmatig inzamelen en transporteren van stedelijk afvalwater;
Pagina 23 van 44
2. Doelmatig inzamelen en verwerken van hemelwater(daar waar de perceelseigenaar redelijkerwijs niet in staat is dit zelf te doen); 3. Voorkomen dat grondwater de bestemming van een gebied structureel nadelig beïnvloedt; 4. Zo min mogelijk overlast voor de omgeving veroorzaken (in de breedste zin van het woord); 5. Doelmatig beheer en een goed gebruik van de riolering; 6. Zo mogelijk infiltratie van regenwater in de bodem.; 7. Ongewenste emissies naar oppervlaktewater, bodem en grondwater zoveel mogelijk voorkomen. In het waterbeleid zijn de zorgplichten uit de Waterwet verder ingevuld. Het gemeentelijke waterbeleid schrijft onder meer voor dat stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater op een deugdelijke manier moeten worden ingezameld, geborgen, getransporteerd en/of lokaal gezuiverd. Alle nieuwe nieuwbouwen herstructureringsprojecten dienen in principe hydrologisch neutraal te worden uitgevoerd waarbij de wettelijke voorkeursvolgorden gehanteerd worden. Hemelwater wordt daarom, ook als er geen toename is van het verhard oppervlak, bij voorkeur in de bodem geïnfiltreerd en schoon gehouden. Voor het realiseren van nieuwbouw is een bergingseis voor hemelwater van minimaal 60 mm (60 liter/m²) voor de toekomstige nieuwe verhard oppervlak (daken en bestrating) vastgesteld, zonder gevoeligheidsfactor.
Voor het aanpassen van verhard oppervlak geldt een bergingseis van minimaal 7 mm voor het vervangende oppervlak en minimaal 60 mm voor een eventuele toename van verhard oppervlak. Verhard oppervlak wat niet aangepakt wordt, hoeft niet gecompenseerd te worden.
4.2.4. Bestaande waterhuishoudkundige situatie
In de directe nabijheid van de planlocatie zijn geen watergangen aanwezig. In de bestaande waterhuishoudkundige situatie wordt het afvalwater van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk riool. Voor het overige wordt er uit de inrichting enkel niet-verontreinigd hemelwater geloosd. Dit hemelwater is afkomstig van regenwater dat op de daken en erfverharding valt. Gemiddeld valt er jaarlijks 0,8 m3 niet-verontreinigd hemelwater per m2 verhard oppervlak. Dit hemelwater wordt door middel van afschot van daken en erfverharding geïnfiltreerd in de bodem.
4.2.5. Beoogde waterhuishoudkundige situatie
In de beoogde waterhuishoudkundige situatie wordt het afvalwater van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk riool. Dit blijft onveranderd ten opzichte van de bestaande waterhuishoudkundige situatie. Het initiatief bestaat uit het legaliseren van het bestaande bijgebouw. Voor de beoogde ontwikkeling is door de realisatie van het bijgebouw een toename aan verharding ontstaan ter grootte van 62,67 m2. Op grond van het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2021-2025 van de gemeente Baarle-Nassau dient er echter voor het reeds gerealiseerde bijgebouw (van 62,67 m2) een retentievoorziening gerealiseerd te worden. De grootte van de retentievoorziening moet op grond van het gemeentelijk beleid 0,06 (m) x 62,67 = (afgerond) 4 m3 bedragen. Het realiseren van mitigerende maatregelen is als verplichting opgenomen in de regels van het bestemmingsplan, waardoor de opvang van hemelwater gewaarborgd is. De opvang van het hemelwater zal plaatsvinden middels het realiseren van een greppel, vijver of opvangvoorziening. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er ten aanzien van het aspect water geen belemmeringen zijn voor het initiatief. 4.3. Natuur Voorafgaand aan de beoogde wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van de groene wet- en regelgeving.