CConstaterende datBaarle-Nassau
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Toelichting bestemmingsplan Hof van Bernardus fase 2 Ulicoten

Gemeenteraad (openbaar) 18 september 2024, gemeente Baarle-NassauBij agendapunt: Raadsvoorstel tot vaststellen bestemmingsplan Hof van Bernardus fase 2 Ulicoten18.689 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Conclusie verkennend bodemonderzoek De onderzoek locatie beperkt zich tot de percelen met nummers 4249 en 4251, immers daarbinnen zullen de nieuwe woningen worden opgericht. De locatie is momenteel in gebruik als tuin. Uit de resultaten van het vooronderzoek (inclusief locatie-inspectie) blijkt dat de locatie als onverdacht beschouwd dient te worden ten aanzien van bodemverontreiniging. Wel is er aanvullend een OCB onderzoek uitgevoerd. Uit de veld- en analyseresultaten kan het volgende worden geconcludeerd: ▪ In de bovengrond (MB1), ter plaatse van de voormalige kwekerij, verhogingen van cadmium, lood, zink en drins ten opzichte van de achtergrondwaarden worden aangetroffen. ▪ In bovengrond (MB2) van de onverdachte locatie worden cadmium, koper, kwik, lood en zink ten opzichte van de achtergrondwaarden worden aangetroffen. ▪ In de ondergrond worden geen verhogingen aangetroffen ten opzichte van de achtergrondwaarden. ▪ In het grondwater worden geen verhogingen aangetroffen ten opzichte van de streefwaarden.

Toelichting bestemmingsplan 222230 I 17-04-2024

Pagina 27 van 49

Ruimtelijke ontwikkeling

De locatie kan daarom niet meer als onverdacht worden beschouwd, de resultaten van het bodemonderzoek geven echter geen aanleiding om een nieuw onderzoek met een gewijzigde onderzoeksstrategie uit te voeren. Verhogingen ten opzichte van de achtergrondwaarden worden vaker aangetroffen tijdens bodemonderzoeken en geven geen bezwaar voor het geplande gebruik van de locatie. Op basis van de resultaten van dit bodemonderzoek zijn er geen bezwaren voor het huidige en/of toekomstige gebruik van de locatie. 5.4

Water

Wettelijk toetsingskader De watertoets is met ingang van 1 november 2003 wettelijk verplicht voor bestemmingsplannen van de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) heeft het vooroverleg, op grond van artikel 3.1.1 Bro, met het waterschap geregeld. Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2021-2025 De gemeente Baarle-Nassau heeft een Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2021-2025 opgesteld. Het plan beschrijft hoe de gemeente in de komende jaren invulling zal geven aan haar zorgplichten voor afvalwater, hemelwater & grondwater en hoe deze invulling wordt gefinancierd. De gemeente hanteert de voorkeursvolgorde van infiltreren waar het kan, bufferen waar mogelijk en als het niet anders kan, dan pas afvoeren. In openbaar gebied uit zich dit in het afkoppelen van regenwater, het benutten van kansen van infiltratie, de aanleg van groenvoorzieningen waarin overtollig hemelwater tijdelijk wordt geborgen en aanpassing van waterpartijen. De perceel eigenaar draagt een steentje bij door op eigen terrein voorzieningen te treffen voor infiltratie, buffering en/of opslag van hemelwater en/of opvang van overtollig grondwater. De bestaande watervoorzieningen zoals greppels en vijvers dienen gehandhaafd te blijven, tenzij de bergende, afvoerende en infiltrerende en drainerende functie gecompenseerd wordt.

Uitgangspunten gemeente Baarle-Nassau: ▪ Gescheiden afvoer hemelwaterafvoer bij herontwikkeling en nieuwbouw. Het beleid is erop gericht een versnelde of vergrote afvoer van hemelwater zoveel mogelijk te voorkomen door infiltratie of retentie. Het beleid richt zich vooral op de perceeleigenaar of ontwikkelaar, daar ligt immers de verantwoordelijkheid voor de verwerking van hemelwater. Voor nieuwbouw is het uitgangspunt hydrologisch neutraal ontwikkelen tot t=100 (een bui die eens in de 100 jaar voorkomt). Dat komt overeen met retentie van 78 mm. Beoordeling Gelet op de bouw van de nieuwe woningen en de aanleg van erfverharding/halfverharding, zal het nieuw verhard oppervlak per woning circa 130 m2 betreffen. Op basis van deze bergingseis bedraagt de waterbergingsopgave per woning (130 m2 x 0,078) = circa 10 m3. Naast de verharding van de woningbouw zal er ook een nieuw woonstraatje worden aangelegd inclusief enkele parkeerplaatsen. Het is op dit moment nog niet exact duidelijk hoe de infrastructuur wordt aangelegd. Eventueel kan een gedeelte worden aangelegd met waterdoorlatende verharding, zodat de retentieopgave kan worden verkleind.

Ten aanzien van de benodigde retentieomvang van het hemelwater zijn meerdere mogelijkheden van toepassing, waaronder het regenwater (deels) opvangen in een regenton/regenzuil, regenwater bergen en laten infiltreren in de tuin door aanleg van een buffer/grindbed/vijver/zaksloot of door de aanleg van halfverharding of waterdoorlatende klinkers. Ook kunnen infiltratiekoffers onder het verhard oppervlak zorgen voor de benodigde retentiecapaciteit. De daadwerkelijke opgave en de realisatie van voldoende waterberging kan door een voorschrift worden geborgd aan de omgevingsvergunning. Op die manier kan ook exact worden bepaald wat er wordt verhard en wat daarbij de opgave voor verwerking van hemelwater is. Het bouwplan is in strijd zodra er niet voldoende verwerking van hemelwater plaatsvindt. Initiatiefnemer heeft ter kennis gesteld graag een bezinkput voor het hemelwater in te graven, in overleg met de waterschap/gemeente kan worden bepaald hoe groot deze moet zijn. Beleid waterschap Brabantse Delta

Toelichting bestemmingsplan 222230 I 17-04-2024

Pagina 28 van 49

Ruimtelijke ontwikkeling

Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer In de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen In het waterbeheerplan 2016-2021, wat tot stand is gekomen In samenspraak met de waterpartners. Zo zijn bijvoorbeeld relevante waterthema's gekoppeld aan de belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen in de regio. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de Legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken plus bijbehorende beschermingszones liggen, aan welke afmetingen en vorm die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen vallen de werkzaamheden onder een Algemene regel.

Dan kan er onder voorwaarden sprake zijn van vrijstelling van de vergunningsplicht. De Keur en de Algemene regels zijn te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen In de 'beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen'. Grondwaterbeschermingsgebied Het plangebied is niet gelegen binnen een grondwaterbeschermingsgebied en/of waterwingebied en er zijn geen waterschap waterlopen en/of waterpartijen in de directe nabijheid aanwezig. De bestaande waterlopen in de omgeving blijven behouden en worden niet belemmerd door de beoogde ontwikkeling op de locatie.

Figuur 12: Uitsnede keurkaart Waterschap Brabantse Delta

Riolering en infiltratie Uitgangspunt voor de waterhuishouding in met name nieuwbouwprojecten, is een duurzaam gescheiden systeem. Dit betekent dat schoon hemelwater, wat valt op daken en terreinverharding, zoveel mogelijk in het gebied opgevangen en geïnfiltreerd dient te worden en alleen het vervuilde afvalwater via het riool wordt

Toelichting bestemmingsplan 222230 I 17-04-2024

Pagina 29 van 49

Ruimtelijke ontwikkeling

afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie. Het waterschap is geen voorstander van het toepassen van uitlogende bouwmaterialen zoals lood, koper, zink en zacht PVC. Voor de geprojecteerde bebouwing geldt derhalve dat het realiseren van een gescheiden stelsel uitgangspunt is, het huishoudelijke afvalwater van de geprojecteerde bebouwing wordt aangesloten op het bestaande rioolstelsel. Dit betekent dat schoon hemelwater, wat valt op daken en terreinverharding, in het gebied opgevangen en geïnfiltreerd dient te worden en alleen het vervuilde afvalwater wordt afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie. Het vuilwater zal aangesloten worden op het gemeentelijk rioolsysteem wat is aangelegd voor de woningen aan Hof van Bernardus. De toename zal geen probleem opleveren voor het rioolsysteem. Het Waterschap Brabantse Delta heeft in de Keur opgenomen dat in principe verboden is om zonder vergunning hemelwater door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Dit verbod is van toepassing tenzij: a. het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m² is, of; b. de toename van verhard oppervlak maximaal 500 m² is, of; c. de toename van verhard oppervlak bestaat uit een sedum dak. d.

de toename van verhard oppervlak tussen de 500 m² en 10.000 m² is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel: Benodigde retentiecapaciteit (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06. Het Waterschap Brabantse Delta heeft in haar beleid aangegeven dat bij afgekoppeld verhardoppervlak voor locaties kleiner dan 500 m², het is toegestaan het water direct af te voeren op het oppervlaktewater of op het in de omgeving aanwezige bestaande rioolstelsel. Er hoeft dan geen infiltratie dan wel retentie toegepast te worden. De factor 0,06 vertegenwoordigt een waterschijf van 60 mm (600 m³ / ha) die het verschil aangeeft tussen de hoeveelheid neerslag en enkele verliesposten op het maaiveld. De gevoeligheidsfactor is afhankelijk van kenmerken van het beïnvloedingsgebied, deze gevoeligheidsfactor is terug te vinden op de kaart behorende bij de Keur. De gevoeligheidsfactor binnen het plangebied is 1. Het initiatief bestaat uit het realiseren van vier woningen binnen stedelijk gebied op de planlocatie. Er wordt vanuit gegaan dat circa 130 m2 aan verharding wordt aangelegd (bebouwing en verharding) per woning en dat het overige zal bestaan uit onder andere tuin.

Daarmee wordt de grenswaarde van 500 m2 naar alle waarschijnlijkheid overschreden. Tevens zal er ten behoeve van de nieuwbouw ook een nieuw straatje met parkeervakken worden aangelegd, wat grotendeels zal bestaan uit verharding. Hoe de infrastructuur exact wordt aangelegd, is op dit moment nog niet bekend. De grenswaarde van toename aan verharding van meer dan 500 m2 zal worden overschreden. In overleg in de uitvoerende fase kan worden bepaald of het aanleggen van waterdoorlatende verharding tot de opties behoort, om de retentieopgave en de druk op het watersysteem daarmee te verkleinen. Initiatiefnemer heeft de wenst om voor de retentieopgave van het hemelwater een bezinkput in te graven, zodat hemelwater naar deze put geleid kan worden en het water hier de bodem in kan sijpelen. Wat de exacte inhoud en locatie van deze put zal zijn, is vooralsnog niet bekend en dient te worden afgestemd met gemeente en/of waterschap. De concrete invulling van de retentievoorzieningen of infiltratievoorzieningen wordt in overleg met Waterschap Brabantse Delta bepaald. Dit kan ten tijde van de omgevingsvergunningen voor de activiteit bouw en werken en werkzaamheden. 5.5

Cultuurhistorie en archeologie

5.5.1

Cultuurhistorie

Wettelijk Toetsingskader Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een

Toelichting bestemmingsplan 222230 I 17-04-2024

Pagina 30 van 49

Ruimtelijke ontwikkeling

verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Op 5 juli 2011 is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2012 moet ieder nieuw bestemmingplan een analyse van cultuurhistorische waarden bevatten. In aansluiting op de vaststelling van de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in mei 2011 zijn op 17 juni 2011 het Bro, het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz) aangepast. Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen. Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De wetgever wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald.

In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De Erfgoedwet, van kracht sinds 1 juli 2016, bundelt wet- en regelgeving op het gebied van behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland in één nieuwe wet. Een groot deel van de bestaande wet- en regelgeving (Monumentenwet, Wet ruimtelijke ordening) is overgenomen in de Erfgoedwet, bijvoorbeeld de aanwijzing van rijksmonumenten, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Voor het eerst is er nu één integrale wet die betrekking heeft op onze museale objecten, musea, monumenten en archeologie op het land en onder water. Voorheen was het behoud en beheer van ons erfgoed geregeld in zes verschillende wetten met elk hun eigen procedures en beschermingsmaatregelen.

Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Daarnaast worden aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Samen met de Omgevingswet die naar verwachting in 2021 wordt ingevoerd, wordt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleid provincie Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven, zie figuur 13. Uit de cultuurhistoriekaart van de provinciale Interim omgevingsverordening Noord-Brabant blijkt dat het plangebied niet gelegen is in een cultuurhistorisch vlak of een aardkundig waardevol gebied. Daarnaast kent de locatie geen complexen van cultuurhistorisch belang. Beoordeling CHW kaart Op de Cultuurhistorische Waardenkaart is te zien dat er ter plaatse van het plangebied sprake is van de aanduiding (gedeeltelijk) ‘historische stedenbouw’ en regio ‘de Baronie’. Ter plaatse van de aangrenzende woningen (Dorpsstraat 83, 85 en 87) geldt nog een overige bouwkunst aanduiding.

Aangezien deze cultuurhistorische woonhuizen buiten het plangebied liggen is, zijn ze niet van toepassing op het bouwvoornemen binnen het plangebied.

Toelichting bestemmingsplan 222230 I 17-04-2024

Pagina 31 van 49

Ruimtelijke ontwikkeling

Figuur 13: Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart

Cultuurhistorische landschappen Het plangebied valt binnen het cultuurhistorisch landschap ‘Baronie’. Het gebied bevat tal van sporen van vroegere turfwinning, onder meer in de vorm van tal van turfvaarten. De Baronie is onderdeel van het dekzandplateau dat doorsneden wordt door beken. Het gebied wordt gekenmerkt door een oud, plaatselijk goed bewaard gebleven cultuurlandschap met tal van oudere en jongere landgoederen. Het plangebied betreft geen landgoed en er zijn ook geen beken of turfvaarten in de directe omgeving aanwezig. Binnen het plangebied vinden geen ontwikkelingen plaats die van invloed kunnen zijn op de cultuurhistorische landschappen. Historische stedenbouw Het plangebied is (gedeeltelijk) gelegen binnen een gebied van historische stedenbouw, betreffende de ‘Oude dorpskern Ulicoten’. De cultuurhistorische waarden van de ‘Oude dorpskern Ulicoten’ worden met name toegekend aan de lintbebouwde straat ‘Dorpsstraat’ met bebouwingsbeeld uit overwegend 1900-1930. Onderhavig initiatief doet geen afbreuk aan de ter plaatse toegekende cultuurhistorische waarden. Met de beoogde ontwikkeling op de planlocatie worden de cultuurhistorische waarden en historische geografie niet aangetast. 5.5.2

Archeologie

Voor archeologie geldt de nationale wetgeving die afkomstig is uit Europees beleid. Het Verdrag van Valletta (of wel: ‘Verdrag van Malta’) regelt hoe er omgegaan moet worden met het Europees archeologisch erfgoed. Nederland heeft het verdrag in 1992 mede ondertekend. De uitgangspunten van dit Europese verdrag zijn in de Nederlandse wet- en regelgeving verankerd door middel van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). De Wamz is in werking getreden op 1 september 2007 en wijzigt hiermee de Monumentenwet uit 1988, de Ontgrondingenwet (Ow), de Wet milieubeheer (Wm), de Woningwet (Ww) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Sinds de invoering van deze wet zijn gemeenten belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Vanaf 1 juli 2016 is dit op dezelfde wijze als via de Wamz verwerkt in de Erfgoedwet en in de toekomst zal dit verwerkt worden in de Omgevingswet. Tot de Omgevingswet ingaat gelden voor onderdelen, die gaan over de fysieke leefomgeving, de bepalingen uit de Monumentenwet. Dit is opgenomen in de overgangsregeling van de Erfgoedwet. Het uitgangspunt is dat er verplicht rekening gehouden moet worden met het behoud van het archeologisch erfgoed in de bodem. Waar dit niet mogelijk is, dient het

Toelichting bestemmingsplan 222230 I 17-04-2024

Pagina 32 van 49

Ruimtelijke ontwikkeling

bodemarchief met zorg ontsloten te worden door middel van archeologisch onderzoek. Bij het ontwikkelen van ruimtelijke plannen moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. In het vigerend bestemmingsplan ‘Dorpen’ van de gemeente Baarle-Nassau is voor het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ opgenomen. De uitwerking van het archeologisch beleid is uitgewerkt in de ‘Nota Archeologie’, aldus vastgesteld in december 2011. In combinatie met de archeologische beleidskaart vormt deze het beleidsinstrumentarium voor de gemeente om haar wettelijke taak als bevoegde overheid voor archeologie uit te kunnen voeren. In figuur 14 is een uitsnede van deze archeologische beleidskaart te zien ter plaatse van de planlocatie. Beoordeling Uit de archeologische beleidskaart van de gemeente Baarle-Nassau is op te maken dat de planlocatie gedeeltelijk is gelegen ter plaatse van de archeologische kaarteenheid ‘historische kern, randzone’ en gedeeltelijk ter plaatse van ‘archeologische verwachting middelhoog: laag jv, middelhoog lb’. In dit gebied dient bij voorkeur geen werkzaamheden te worden uitgevoerd die tot fysieke aantasting van de (verwachte) archeologische resten leiden.

Hieruit volgt dat op de meest noordelijk gelegen gronden tot de archeologische verwachtingswaarde van categorie 3 behoren, waarbij tot een grenswaarde van maximaal 500 m2 tot een diepte van 40 cm beneden maaiveld geroerd mag worden zonder archeologisch onderzoek. Op de zuidelijke gronden geldt de archeologische verwachtingswaarde van categorie 4, waarbij tot een grenswaarde van maximaal 1.000 m2 tot een diepte van 40 cm beneden maaiveld geroerd mag worden zonder archeologisch onderzoek.

Figuur 14: Uitsnede Archeologische beleidskaart gemeente Baarle-Nassau.

Advies Het initiatief bestaat uit het realiseren van vier woningen met bijgebouw. Tevens wordt er nieuwe infrastructuur aangelegd ten behoeve van de woningen en nieuw straatwerk. De totale toename oppervlakte aan bebouwing en infrastructuur en daarmee de te ontgraven gronden zijn nog niet exact bekend. Om te kunnen beoordelen of de beoogde ontwikkeling onevenredige schade kan opleveren aan mogelijke archeologische waarden in de bodem, is er een archeologisch bureau- en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd door onderzoeksbureau Transect. In mei 2023 is dit onderzoek uitgevoerd, in de bijlage is de volledige rapportage van het onderzoek toegevoegd. De vraagstelling van het onderzoek richt zich op het vaststellen en toetsen van de archeologische verwachting en de bepaling in hoeverre de voorgenomen

Toelichting bestemmingsplan 222230 I 17-04-2024

Pagina 33 van 49

Ruimtelijke ontwikkeling

ingrepen in het kader van de planvorming effect hebben op eventuele archeologische resten in het gebied. Het plangebied heeft een hoge verwachting op het aantreffen van archeologische resten uit de periodes Midden-Paleolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Deze verwachting is gebaseerd op de waarschijnlijke ligging van het plangebied op een terrasafzettingswelving (Formatie van Stramproy) met een dunne laag dekzand (Formatie van Boxtel) op de overgang naar een beekdal. Dergelijke locaties waren aantrekkelijke plekken voor bewoning vanwege de nabijheid van water, terwijl er toch hoog gewoond kon worden. Vanaf de Late Middeleeuwen of gedurende de Vroege Nieuwe tijd is een oud bouwlanddek aangelegd. Hierdoor kunnen eventuele archeologische resten goed beschermd zijn. Er zijn echter op basis van historische kaarten geen aanwijzingen voor bebouwing uit de Midden en Late Nieuwe tijd. Tijdens het veldonderzoek is in het plangebied vanaf 60-110 cm -Mv (16,3-16,1 m NAP) verspoeld dekzand aanwezig. Mogelijk betreft het ook een beekbedding. Hier bovenop ligt beekleem. Op het leem ligt tot slot een ophooglaag, die bestaat uit humeus zand. In de top van het dekzand (mogelijk beekbedding) zijn geen sporen van bodemvorming aangetroffen en de bovengrens is scherp. De roestvlekken zijn indicaties voor zeer natte omstandigheden.

Als gevolg van de landschappelijke ligging en de zeer natte omstandigheden in het gebied is de hoge verwachting op archeologische resten uit de periode Midden-Paleolithicum – Nieuwe Tijd uit het bureauonderzoek naar laag bij te stellen. Gezien de ligging binnen een beekdal, zijn watergerelateerde resten uit deze periode niet geheel uit te sluiten op basis van het vooronderzoek. Uit het bureauonderzoek en de veldwaarnemingen bleek een deel van het plangebied afgegraven. Bij een naburig onderzoek is vastgesteld dat het esdek 75-120 cm dik is. Hieruit blijkt dat minstens 25-70 cm van het esdek in het plangebied is afgegraven. Een deel van het plangebied is niet onderzocht tijdens het veldbezoek (gemeentegrond en parkeerplaats). Dit gedeelte ligt op het AHN even hoog als het oosten van het plangebied. Aangezien in het plangebied is vastgesteld dat de omstandigheden te nat waren voor bewoning en dit gedeelte even hoog ligt als het plangebied, wordt niet verwacht dat hier het landschap wel gunstig was voor bewoning. De archeologische verwachting voor de periode Midden-Paleolithicum – Nieuwe Tijd kan hier ook op laag worden gesteld. Voor het plangebied zijn in het kader van de voorgenomen nieuwbouw geen aanvullende maatregelen nodig. Geadviseerd wordt het plangebied voor wat betreft archeologie vrij te geven.

De dubbelbestemming ten aanzien van archeologie is dan ook ter plaatse van het onderzoeksgebied uit het bestemmingsplan gehaald. Op het moment dat onverhoopt toch archeologische zaken worden aangetroffen, geldt een wettelijke meldingsplicht conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10 en 5.11, deze vondsten te melden bij de bevoegde overheid (gemeente Baarle-Nassau). Bovenstaande vormt een advies. 5.6

Natuur

5.6.1

Algemeen

Vanuit Europa is de bescherming van (plant en dier) soorten en gebieden geregeld in de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. In Nederland is de natuurwetgeving verankerd in de Wet Natuurbescherming zie paragraaf 4.2.6. Bij ruimtelijke ontwikkelingen kunnen wettelijk beschermde dieren en plantensoorten in hun algemeenheid of wettelijk beschermde gebieden in het geding zijn. Om de natuurwaarden van de projectlocatie te kunnen beoordelen moet er getoetst worden aan wat beschreven staat in de Wet natuurbescherming. Daarnaast is het beleid aangaande het Natuurnetwerk van belang. 5.6.2

Gebiedsbescherming

Op grond van de Wet natuurbescherming is het verboden activiteiten te verrichten die leiden tot aantasting van wettelijk beschermde soorten en van hun voortplantingsplaats, vaste rustplaats of vaste verblijfplaats. De Wet natuurbescherming regelt de bescherming van gebieden die om hun ecologische waarde beschermd moeten worden. Daaronder vallen onder andere de zogenaamde Natura 2000 gebieden. De planlocatie ligt niet in een speciale beschermingszone als bedoeld in de Wet natuurbescherming of binnen het Natuurnetwerk Nederland/ EHS. De planlocatie ligt op circa 10,5 kilometer van het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied op Nederlands grondgebied ‘Ulvenhoutse Bos’. Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied op

Toelichting bestemmingsplan 222230 I 17-04-2024

Pagina 34 van 49

Ruimtelijke ontwikkeling

Belgisch grondgebied ligt op circa 4 kilometer, het betreft het gebied ‘Heesbossen, Vallei van Marke en Merkske en Ringven met valleiregio’. Op de planlocatie wordt binnen de huidige bestemming ‘Wonen’ een bouwvlak toegevoegd voor de bouw van vier woningen (twee twee-onder-een-kappers). Externe werking op korte afstand Alle Natura 2000 gebieden liggen op voldoende ruime afstand waardoor geen negatieve invloeden verwacht worden van factoren met een externe werking die met een korte reikwijdte op afstand werken, als bodemtrillingen, geluids- en lichtbelasting. Redelijkerwijs en op basis van alle raadpleegbare natuurwetenschappelijk literatuur kan met volle zekerheid gesteld worden dat de geluids- en lichtbelasting die de planontwikkeling in zowel de uitvoerende als gebruiksfase genereert, niet van een dusdanige reikwijdte is die tot 4 km ver, de afstand tot de meest nabije Natura 2000-gebieden, reiken en daar tot een verslechtering leiden. Bodemtrillingen zijn in dit geval alleen relevant indien sprake zou zijn van heiwerkzaamheden. Zover bekend is dit niet het geval. Zover bekend is eveneens geen sprake van grondwateronttrekking, diepe graafwerkzaamheden, lozen van afvalstoffen of van andere zaken die van invloed kunnen zijn op de waterhuishouding binnen Natura 2000-gebied gedurende en na de uitvoerende fase.

Stikstof De factor stikstofuitstoot is in dit geval de enige mogelijke factor die een externe werking op grotere afstand kan genereren. In de uitvoerende fase kan een tijdelijke verhoging van de factor stikstofdepositie plaats vinden ten gevolge van uitstoot van het bouwverkeer en machines die tijdens de bouw van de nieuwe woning gebruikt worden. Om aan te tonen dat de uitvoerende en gebruiksfase van het woningbouwproject geen negatieve gevolgen heeft voor omliggende Natura 2000-gebieden voor wat betreft het aspect stikstof, is een berekening uitgevoerd middels de AERIUS-calculator. De berekening inclusief invoergegevens is aan de bijlage toegevoegd. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling geen depositie heeft op omliggende Natura 2000gebieden. Het aspect stikstof vormt dan ook geen belemmering voor het toevoegen van vier woningen binnen het plangebied. Overige gebieden Het plangebied ligt op afdoende afstand om effecten die de wezenlijke waarden en kenmerken van NNBgebied aantasten of van negatieve invloed op de waterhuishouding binnen NNB-gebied kunnen zijn, geheel uit te sluiten. Een toetsing aan het NNN/EHS-beleid wordt niet noodzakelijk geacht. Ditzelfde geldt voor de provinciale beschermingszone van de Groenblauwe mantel.

Op basis van de aard van de voorgenomen ontwikkelingen kunnen negatieve effecten op de landschappelijke provinciale beschermingszone van Groenblauwe mantel en overtredingen van de Interim omgevingsverordening NB uitgesloten worden. 5.6.3

Beschermde soorten

Het is in theorie mogelijk dat op de locatie dier- en plantensoorten van de Habitatrichtlijnen voorkomen of dier- en plantensoorten die beschermd zijn op grond van de Wet natuurbescherming. Dit kunnen verschillende dier- en plantensoorten betreffen, bijvoorbeeld zoogdiersoorten, amfibieën, reptielen, vissen, vogels en vleermuizen. De locatie waar de nieuwe woning zal worden gerealiseerd is in gebruik als tuin en grotendeels bedekt met anti-worteldoek. Er zijn geen waterbiotopen of kruidenrijke vegetaties aanwezig ten behoeve van vissen, amfibieën of reptielen. Er is binnen het plangebied geen sprake van bebouwing waarbinnen vleermuizen kunnen verblijven. Dit initiatief betreft dan ook niet sloop waarbij aantasting van verblijfsplaatsen van vleermuizen en jaarrond beschermde vogels aanwezig kan zijn. De oppervlakte van het plangebied is gering waardoor er geen negatieve onevenredige effecten ontstaan op de foerageermogelijkheden en verblijfsmogelijkheden voor beschermde soorten in de omgeving. Desalniettemin is het verstandig om bij ingrepen binnen het plangebied rekening te houden met het broedseizoen indien niet voldoende kan worden gegarandeerd dat nesten van broedende vogels niet beschadigd of vernietigd kunnen worden. Als aanbeveling geldt, om bij wijze van voorzorgsmaatregel elke

Toelichting bestemmingsplan 222230 I 17-04-2024

Pagina 35 van 49

Ruimtelijke ontwikkeling

schade aan broedgevallen uit te sluiten, ingrepen geheel buiten het broedseizoen plaats te laten vinden. Als broedseizoen wordt de periode half maart-half juni aangemerkt. Ook als na die periode nog broedende vogels of nestjongen worden waargenomen dan geldt dat het broedseizoen nog niet afgelopen is. Als men binnen het broedseizoen wil werken geldt de aanbeveling om de locatie voorafgaande het broedseizoen ongeschikt te maken voor broedende vogels en vervolgens voorafgaande de werkzaamheden het plangebied te controleren op broedende vogels. Hierbij bestaat het risico dat de werkzaamheden uitgesteld dienen te worden als een broedgeval geconstateerd wordt. Voor aanwezigheid onbeschermde en vrijgestelde zoogdieren en amfibieën dient de algemene zorgplicht in acht genomen te worden. Dit wil zeggen dat men verstoring, verwonding en doden van deze diersoorten zoveel mogelijk tracht te voorkomen. De zorgplicht houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, en ook voor hun directe leefomgeving. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk. De functionaliteit van het leefgebied van vleermuizen komt met de ontwikkeling niet in gevaar, in de omgeving van de planlocatie zijn voldoende alternatieven aanwezig om te dienen als vaste rust- en verblijfplaats.

Een nader onderzoek naar soortenbescherming is niet benodigd. 5.7

Wegverkeerslawaai

Wettelijk toetsingskader Bij het ontwikkelen van een ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan. De beoordeling van het aspect geluid in ruimtelijke plannen vindt zijn grondslag in vooral de Wet geluidhinder en daarnaast in de Wet ruimtelijke ordening, op basis van het voorzien in een goed woon- en leefklimaat. In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) is een woning een geluidsgevoelig object. Langs alle wegen - met uitzondering van 30 km/h-wegen en woonerven- bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van een binnen- of buitenstedelijke ligging. Het berekenen van de geluidbelasting heeft tot doel te bepalen of de voorkeursgrenswaarde van Lden – 48 dB uit de Wet geluidhinder wordt overschreden. Is dit het geval dan dient een hogere waarde verleend te worden om realisatie van het bouwplan mogelijk te maken en dienen bouwkundige voorzieningen te worden bepaald om aan de binnen niveaus van de Wet geluidhinder en de geluidweringseisen van het Bouwbesluit te voldoen. Beoordeling Het plangebied is op enige afstand van de Bernardusstraat, Dorpsstraat en Hof van Bernardus gelegen.

Ter plaatse van de omliggende wegen rondom het plangebied geldt een maximum snelheidsregime van 30 km/h. Dit geldt overigens voor alle wegen in het dorp van Ulicoten. Op basis van de Wet geluidhinder hoeft derhalve geen onderzoek naar de geluidbelasting op de toekomstige woning te worden uitgevoerd. Wel dient een goed woon- en leefklimaat te worden aangetoond. Om vanuit de afweging van een goed woon- en leefklimaat toch een eerste inschatting te kunnen geven van het geluid afkomstig van de omliggende wegen in kaart te brengen, wordt gebruik gemaakt van de kaart ‘Geluid in Nederland van wegverkeer (Lden)’ van Atlas van de Leefomgeving. Deze kaart geeft een ruwe inschatting van de geluidkwaliteit rondom alle rijkswegen, provinciale en gemeentelijke wegen in Nederland. Op basis van deze kaart, zie de volgende figuur, blijkt dat het geluid afkomstig van het omliggende wegverkeer met leidt tot een geluidbelasting lager dan 45 dB ter plaatse van het plangebied. De geluidkwaliteit is hiermee te typeren als ‘zeer goed’. In het kader van ‘een goede ruimtelijke ordening’ kan worden geconcludeerd dat hiermee het geluidsniveau aanvaardbaar is. Gelet op voorgaande is een akoestisch onderzoek niet benodigd.

Toelichting bestemmingsplan 222230 I 17-04-2024

Pagina 36 van 49

Ruimtelijke ontwikkeling

Figuur 15: Uitsnede kaart Atlas van de Leefomgeving – geluid wegverkeer

5.8

Bedrijven en milieuzonering

Wettelijk toetsingskader Bij de ontwikkeling van woningen dient rekening te worden gehouden met eventuele milieuhinder als gevolg van (bedrijfs)activiteiten. Uitgangspunt daarbij is dat bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt en dat ter plaatse van de woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstand geldt tussen enerzijds de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningsvrij bouwen mogelijk is. De gegeven afstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. In de VNG-publicatie is een gebied ingedeeld in twee typen: rustige woonwijk/rustig buitengebied of gemengd (buiten)gebied.

Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied beschouwd worden. Indien sprake is van een gemengd gebied kan de richtafstand met één afstandsstap worden verlaagd. Omgevingstype De planlocatie ligt in het, door de VNG-publicatie aangegeven, ‘gemengd gebied’. Aan de Dorpsstraat is sprake van een overwegende gemengde functie en enkele bedrijven aan een lint met bebouwing. De planlocatie ligt in een transformatiegebied waarin de overgang van gemengde functies overloopt naar een overwegende woonfunctie. Daarnaast kan worden opgemerkt dat bij het plan Hof van Bernardus fase 1 ook de typering van gemengd gebied is aangehouden. Tot slot ligt het bedrijf De Kneut op relatieve korte afstand, wat een verhoging van de geluidbelasting betekend. Daarmee is het acceptabel om voor het plangebied uit te gaan van de typering ‘gemengd gebied’.

Toelichting bestemmingsplan 222230 I 17-04-2024

Pagina 37 van 49

Ruimtelijke ontwikkeling

5.8.1

Richtafstanden bedrijven

Alle bedrijven in een straal van 100 meter van de planlocatie zijn beoordeeld. In onderstaande tabel is de afstand weergegeven ten opzichte van de planlocatie. Daarnaast dient te worden opmerkt dat binnen de kern van Ulicoten veel woningen de bestemming ‘Gemengd – 2’ kennen. Binnen dit gebied zijn voorzieningen zoals detailhandel en dienstverlening toegestaan, inclusief woningen. Detailhandel en dienstverlening behoren doorgaans tot milieucategorie 1. De locaties binnen deze bestemming bestaan momenteel enkel uit de woonfunctie, echter wordt er vanuit een worst-case benadering toch gekeken de richtafstand behorende bij milieucategorie 1. Gelet op het huidige gebruik van deze locaties is het niet de verwachting dat hier nieuwe voorzieningen worden gevestigd of dat er een zwaardere milieucategorie dient te worden aangehouden. In onderstaande tabel is voor de afstandsbepalingen uitgegaan van het nieuw in te richten bouwvlak. Immers, binnen dit nieuwe bouwvlak is enkel de nieuwe woning (gevoelig object) toegestaan. De woonbestemming is feitelijk al aanwezig, dus de beschermstatus van de woonbestemming ten opzichte van omliggende bedrijven veranderd niet. Tabel 2: Richtafstanden bedrijven, omgevingstype ‘gemengd gebied Adres

Dorpsstraat 79 Dorpsstraat nr 69, 96a, 71A t/m 71G, 73, 75 en 77 Dorpsstraat 60

Omschrijving

Milieucat.

Afstand in meters geur stof geluid

gevaar

Afstand van bouwvlak woning tot bestemmingsvlak 11 meter *

De Kneut – restaurant, cafe, feestzaal en terras Bestemming gemengd

1 en 2

0m

0m

10m

10m

Max 1

0m

0m

0m

10m

Minimaal 41 meter tot 93 meter

constructiewerkplaats

3.1

0m

10m

30m

10

72 meter

Uit tabel 2 blijkt dat er geen milieuzonering over de planlocatie is gelegen. Desalniettemin wordt in relatie tot De Kneut toch vanuit een worst-case benadering extra onderzoek uitgevoerd op basis van geluid om dit bedrijf niet in haar ontwikkelingsmogelijkheden te belemmeren en dat tegelijkertijd sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuw te bouwen woningen. Hieronder worden de resultaten van dat onderzoek kort behandeld. Langtijdgemidddeld beoordelingsniveau Uit de rekenresultaten blijkt dat voldaan wordt aan de geluidnormen en richtwaarden van 50 dB(A) in de dag-, 45 dB(A) in de avond- en 40 dB(A) in de nachtperiode uit het Activiteitenbesluit milieubeheer en de VNGpublicatie “Bedrijven en milieuzonering”. Dit betekent dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en het bedrijf niet in zijn bedrijfsvoering wordt belemmerd. Maximaal geluidniveau Uit de berekeningsresultaten blijkt dat de geluidnormen en richtwaarden van 70 dB(A) in de dag-, 65 dB(A) in de avond- en 60 dB(A) in de nachtperiode uit het Activiteitenbesluit milieubeheer en de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering worden overschreden in de dag- en nachtperiode. De overschrijding in de dagperiode vindt plaats op de oostelijke voor- en noordelijke zijgevel en wordt veroorzaakt door de vrachtwagen.

De overschrijding in de nachtperiode vindt plaats op de oostelijke voorgevel en wordt veroorzaakt door het wegrijden van personenauto’s. De geluidnormen en geluid richtwaarden uit het Activiteitenbesluit milieubeheer respectievelijk de VNGpublicatie “Bedrijven en milieuzonering” worden in de nachtperiode overschreden op twee toetspunten. In de dagperiode is er op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer geen sprake van een overschrijding van de geluidnormen, omdat maximale geluidniveaus die ontstaan ten gevolge van laad- en losactiviteiten met bijbehorende voertuigbewegingen niet worden getoetst aan de geluidnormen. Deze uitzondering kent de VNGpublicatie niet. Op grond van de VNG-publicatie is er in de dagperiode wel sprake van een overschrijding van de richtwaarde.

Toelichting bestemmingsplan 222230 I 17-04-2024

Pagina 38 van 49

Ruimtelijke ontwikkeling

Advies en vervolg Uit de rekenresultaten blijkt dat er sprake is van een overschrijding van de geluidnormen c.q. geluidrichtwaarden uit het Activiteitenbesluit milieubeheer en de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering”. De overschrijding heeft alleen betrekking op het maximaal geluidniveau. Onderzocht is welke maatregelen redelijkerwijs genomen kunnen worden om het maximaal geluidniveau op het bouwblok te verlagen en zodoende een beter woon- en leefklimaat te krijgen en het horecabedrijf niet in zijn bedrijfsvoering te belemmeren. Hierbij dient er rekening mee gehouden te worden dat de bestaande Hof van Sint Bernardus aangesloten wordt op de planlocatie. Er wordt éénrichtingsverkeer ingesteld vanaf het Kerkepad via het Hof van Bernardus en de planlocatie naar de Bernardusstraat. Door het plaatsen van een absorberend geluidscherm van 2 meter hoog, zoals weergegeven in onderstaande figuur wordt het maximaal geluidniveau in de dagperiode gereduceerd tot 70 dB(A) en wordt dus voldaan aan de geluidrichtwaarde van 70 dB(A) uit de VNG-publicatie. De locatie van dit geluidscherm is vastgelegd in de verbeelding van het bestemmingsplan, binnen de bestemming ‘Verkeer’ en ‘Tuin’. Daarnaast dient het scherm geheel gesloten zijn en dient de massa minimaal 10 kg/m2 te zijn. Een dergelijk scherm reduceert 2 tot 8 dB(A), waarmee het woon- en leefklimaat aanzienlijk wordt verbeterd.

Door dit scherm wordt ook de geluidbelasting in de nachtperiode op toetspunt 2 gereduceerd tot 60 dB(A). Alleen op toetspunt 1 blijft het maximaal geluidniveau in de nachtperiode 63 dB(A). Hier blijft dus sprake van een overschrijding van 3 dB(A) van de geluidnorm c.q. richtwaarde van 60 dB(A). Om te kunnen voldoen aan de geluidnorm c.q. richtwaarde dient het scherm 3,5 meter hoog te worden. Een dergelijk hoog scherm is vanuit stedenbouwkundig oogpunt niet wenselijk. In het bestemmingsplan wordt een voorwaardelijke verplichting opgenomen die bepaald dat de oostgevel van het bouwblok bij punt 1 als ‘dove gevel’ wordt uitgevoerd of een gelijkwaardige voorziening waarbij wordt voldaan aan de akoestische regelgeving. Bij de aanvraag van de Omgevingsvergunning “Bouwen” zal dit door middel van een berekening moeten worden aangetoond, mits er wordt gekozen voor een alternatieve maatregel. Daarmee wordt in voldoende mate het woon- en leefklimaat, alsmede de ontwikkelingsmogelijkheden van De Kneut gewaarborgd. Gelet op bovenstaande conclusies en met het nemen van de maatregelen (in combinatie met het eventueel uitvoeren van een herberekening) kan worden bepaald dat de beoogde ruimtelijke ontwikkeling het naastgelegen horecabedrijf niet in hun bedrijfsontwikkeling belemmerd en er is sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat. 5.9

Geurhinder en veehouderij

Toetsingskader De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) betreft een wet waarmee de nationale regels inzake geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld staan. De Wet geurhinder en veehouderij heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting, onder andere als gevolg van emissies door veehouderijen. Met minimumafstanden en maximale waarden voor geurbelasting krijgen geurgevoelige objecten bescherming tegen geurhinder. Met de in de Wet geurhinder en veehouderij opgenomen grenswaarden moet rekening gehouden worden bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zoals het wijzigen van een bestemming. De Wet geurhinder en veehouderij vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning. Indirect heeft de Wet geurhinder en veehouderij ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt ‘omgekeerde werking’ genoemd. Voor wat betreft geurhinder van veehouderijen betekent dit dat de volgende aspecten in oogschouw moeten worden genomen: ▪ Wordt er een onevenredige inbreuk gemaakt op de mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling van de nabijgelegen veehouderijen? ▪ Is ter plaatse van het plangebied een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd?

Toelichting bestemmingsplan 222230 I 17-04-2024

Pagina 39 van 49

Ruimtelijke ontwikkeling

Een geurgevoelig object is een gebouw dat is bestemd voor en geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf. Het gebouw moet hiervoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze worden gebruikt. De nieuwe woning aan Den Dries kan gezien worden als een geurgevoelig object. Voor de planlocatie dient te worden uitgegaan van een goed woon- en leefklimaat. Bij de beoordeling of het leefklimaat ter plaatse van het plangebied acceptabel is, dient de geurbelasting veroorzaakt door alle in de buurt gelegen veehouderijen samen (achtergrondbelasting) en de geurbelasting op de planlocatie door de individuele bedrijven (voorgrondbelasting en vaste afstand) veroorzaakt in beeld te worden gebracht. Beoordeeld moet worden of de belasting acceptabel is. De Wet geurhinder en veehouderij geeft de gemeenten de bevoegdheid om, binnen gestelde marges, bij verordening afwijkende geurnormen op te stellen in een gebiedsvisie. De ABG organisatie heeft een geurgebiedsvisie opgesteld met daarin een beleidsregel voor het beoordelen van de geurbelasting op geurgevoelige objecten. Bij ruimtelijke initiatieven en plannen waar sprake is van een nieuw voor geurhinder gevoelig object dient te worden getoetst aan deze beleidsregel.

Woon- en leefklimaat op basis van geuremissie In de beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder is een vertaling van het criterium ‘een aanvaardbaar woon- en leefklimaat’ voor het aspect cumulatieve geurhinder vertaalt naar geurwaarden. Hierbij wordt tevens een onderverdeling in deelgebieden en soorten ontwikkelingen opgenomen. Het plangebied is gelegen in deelgebied A (dorpskern Ulicoten). Er is sprake van het type ‘wonen’. Voor een dergelijk geurgevoelig object geldt dat een achtergrondbelasting van minder dan 10,00 odour units wordt gezien als voldoende. Bij de beoordeling als voldoende zijn er vanuit het deelaspect cumulatieve geurhinder geen belemmeringen om mee te werken aan een ruimtelijk initiatief.

Figuur 16: Uitsnede achtergrondbelastingkaart, Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant

Het woon- en leefklimaat als het gevolg van de geurbelasting van omliggende veehouderijen is in bovenstaande afbeelding weergegeven. De Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant heeft voor heel Noord-Brabant, op basis van een export van de bronnen uit Web-BVB met behulp van V-Stacks Gebied, de achtergrondbelasting bepaald. De gehanteerde emissiegegevens dateren van het jaar 2022 en zijn daarmee actueel. De emissie van elk bedrijf is geconcentreerd op de x- en y-coördinaat zoals die in het Web-BVB is ingevoerd. Hierdoor geeft de onderstaande kaart een indicatie van het woon- en leefklimaat. Opgemerkt dient te worden dat in de directe nabijheid van een veehouderij de achtergrondbelasting net anders kan zijn. Als uit

Toelichting bestemmingsplan 222230 I 17-04-2024

Pagina 40 van 49

Ruimtelijke ontwikkeling

deze kaart blijkt dat er overbelaste situaties aan de orde zijn, is een gedetailleerde achtergrondberekening benodigd. Uit voorgaande figuur, een uitsnede van de achtergrondbelastingkaart van de Omgevingsdienst ZuidoostBrabant, blijkt dat de kwaliteit van de leefomgeving op basis van de achtergrond belasting als ‘goed’ is aan te merken. Op de planlocatie is sprake van een achtergrondbelasting geur van circa 3 tot 7 ouE. Een aanvullende berekening voor het bepalen van de achtergrondbelasting of voorgrondbelasting is in deze situatie dan ook niet noodzakelijk. Tevens kan worden opgemerkt dat voldaan wordt aan de beleidsregel uit de geurgebiedsvisie van de gemeente, waardoor er geen belemmeringen zijn vanuit het aspect cumulatieve geurhinder. Binnen het plangebied is de achtergrondbelasting zo laag dat niet te verwachten is dat er op basis van de voorgrondbelasting van een afzonderlijke veehouderij belemmeringen optreden. Woon- en leefklimaat op basis van vaste afstanden In de Wet geurhinder en veehouderij worden eisen gesteld aan de afstand tussen een veehouderij met dieren zonder geuremissiefactor en een geurgevoelig object. Conform artikel 4.1 van de Wet geurhinder en veehouderij gelden voor agrarische bedrijven met dieren zonder geuremissiefactor vaste afstanden tussen het dierverblijf en geurgevoelige objecten.

Voor de planlocatie is gekeken naar de vaste afstanden welke gelden voor binnen de bebouwde kom. De minimale afstand binnen de bebouwde kom betreft 100 meter. Daarnaast dient op grond van artikel 5.1 van de Wet geurhinder en veehouderij een minimale afstand aangehouden te worden van 50 meter (binnen de bebouwde kom) van de gevel van het dierenverblijf tot het geurgevoelig object. Het dichtstbijzijnde veehouderijbedrijf waarbij de vaste afstanden van toepassing zijn, is het bedrijf aan Molenstraat 10 waarbij paarden worden gehouden. Het bedrijf ligt op circa 166 meter ten zuidwesten van het plangebied. Alle overige locaties met dieren waarbij de vaste afstanden gelden zijn op een grotere afstand vanaf de planlocatie gelegen. De ontwikkelingen binnen het plangebied vinden hierdoor plaats op een ruime afstand van bestaande veehouderijbedrijven. De hiervoor genoemde afstanden, worden hiermee ruimschoots behaald. Er is derhalve sprake van een goed woon- en leefklimaat op basis van de vaste afstanden. Gelet op voorgaande kan geconcludeerd worden dat het aspect geur geen belemmering vormt voor de ontwikkelingen binnen het plangebied, en andersom ook geen beperkende werking hebben op eventuele toekomstige uitbreiding mogelijkheden van veehouderijbedrijven in de omgeving. 5.10

Externe veiligheid

Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten en regelingen. De belangrijkste zijn: ▪ Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); ▪ Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); ▪ Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. De risico's dienen te worden beoordeeld op het plaatsgebonden en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. Hoe hoger het groepsrisico, hoe groter deze kans. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven in de vorm van contouren rond een risicobron. Het groepsrisico wordt weergegeven in een grafiek: de fN-curve.

Deze curve geeft aan hoe groot de kans is op een ongeval met een bepaald aantal slachtoffers. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans dat iemand die zich op een bepaalde plaats bevindt, komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het rijk heeft als maatgevende risicocontour de kans op overlijden van 10-6 per jaar gegeven (indien een persoon zich gedurende een jaar binnen deze contour bevindt

Toelichting bestemmingsplan 222230 I 17-04-2024

Pagina 41 van 49

Ruimtelijke ontwikkeling

is de kans op overlijden groter dan één op een miljoen jaar). Ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan het plaatsgebonden risico 10-6. Het plaatsgebonden risico 10-6 is voor ruimtelijke besluiten vertaald naar grenswaarden en richtwaarden. De wetgeving is erop gericht om voor bestaande situaties geen personen in kwetsbare objecten (zoals woningen, scholen, ziekenhuizen en grote kantoren) en zo min mogelijk personen in beperkt kwetsbare objecten (zoals kleine kantoren en sportcomplexen) bloot te stellen aan een plaatsgebonden risico dat hoger is dan 10-6 per jaar. Nieuwe ontwikkelingen van kwetsbare objecten binnen de risicocontour van 10-6 per jaar zijn niet toegestaan. Nieuwe ontwikkelingen van beperkt kwetsbare objecten zijn ongewenst, maar wel toegestaan indien gemotiveerd kan worden waarom dit noodzakelijk is. Daarnaast dient aangetoond te worden dat afdoende maatregelen worden genomen om de risico's en de gevolgen van een eventueel ongeval te beperken. Groepsrisico Het groepsrisico is een maat voor de kans dat een bepaald aantal mensen overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen.

De hoogte van het groepsrisico hangt af van: ▪ de kans op een ongeval; ▪ het effect van het ongeval; ▪ het aantal personen dat in de omgeving van de bron(inrichting of transportroute) verblijft; ▪ de mate waarin de personen in de omgeving beschermd zijn tegen de gevolgen van een ongeval. Het groepsrisico kan worden weergegeven in een grafiek met op de horizontale as het aantal dodelijke slachtoffers en op de verticale as de kans per jaar op tenminste dat aantal slachtoffers. Het groepsrisico wordt bepaald binnen het zogenaamde invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Hoe meer personen in het invloedsgebied aanwezig zijn, hoe groter het aantal (potentiële) slachtoffers is, en hoe hoger het groepsrisico. Bij het opstellen van een bestemmingsplan, waarvan het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van een risicobron, geldt een verantwoordingsplicht.

Figuur 17: Uitsnede risicokaart Atlas van de Leefomgeving

Inrichtingen

Toelichting bestemmingsplan 222230 I 17-04-2024

Pagina 42 van 49

Ruimtelijke ontwikkeling

De verantwoordingsplicht groepsrisico is van toepassing binnen het invloedsgebied van een risicovolle inrichting waarop het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van toepassing is. In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle inrichtingen. Voor de toepassing van het Bevi, wordt een ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie. Uit de risicokaart, zie figuur 17, blijkt dat er binnen een straal van 770 meter van de planlocatie één risicovolle inrichtingen is gelegen. Het gaat om de inrichting waarbinnen propaan wordt opgeslagen. Het plangebied ligt buiten de PR 10-6 contour van deze locatie. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er op grond van het Bevi geen belemmeringen zijn voor de beoogde ontwikkeling op de planlocatie. Een verantwoording van het groepsrisico is hierop niet van toepassing. Transport Naast de invloed van de risicovolle inrichtingen speelt de verantwoordingsplicht groepsrisico een rol bij transportassen waarop Beluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), van toepassing is. Dit besluit verplicht het bevoegd gezag om een beoordeling en afweging van de externe veiligheid mee te nemen bij ruimtelijke plannen die in de directe nabijheid zijn gelegen van een transportas waarover gevaarlijke stoffen plaatsvinden.

Op basis van het Bevt, welke vanaf 1 april 2015 van kracht is, dient bij nieuwe ontwikkelingen welke zijn gelegen binnen 200 meter van een transportas, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt, rekening te worden gehouden met de ruimtelijke ontwikkeling. De planlocatie ligt buiten het invloedsgebied van omliggende transportassen. Er is geen overschrijding van het groepsrisico externe veiligheid. Buisleidingen Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van kracht geworden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. In de directe omgeving (in een straal van > 3 kilometer) van de planlocatie zijn geen buisleidingen gelegen die van invloed zijn op het plangebied. Een verantwoording van het groepsrisico op grond van het Bevb is dus niet aan de orde. Conclusie Uit de uitgevoerde risico-inventarisatie blijkt dat de planlocatie niet ligt binnen een invloedsgebied van een Bevi bedrijf, risicovolle transportroute of buisleidingen. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor het toevoegen van vier nieuwe woningen binnen het plangebied. 5.11

Kabels en leidingen

Op of in de directe nabijheid van het plangebied, zijn geen transportleidingen dan wel andere belangrijke kabels en leidingen of straalpaden gelegen welke van invloed kunnen zijn op het initiatief en/of een regeling in het bestemmingsplan noodzakelijk maken. 5.12

Luchtkwaliteit

Wettelijk toetsingskader Conform de Wet Luchtkwaliteit kan elk project dat NIBM (niet in betekenende mate) bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Als het plan NIBM aan de luchtkwaliteit bijdraagt, hoeft geen uitgebreid luchtonderzoek meer uitgevoerd te worden. Op 1 augustus 2009 is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Het NSL zorgt ervoor dat Nederland binnen de door Europa gestelde termijn zal voldoen aan de Europese grenswaarden op het gebied van fijnstof en stikstofdioxide. In het NSL is een lijst met ruimtelijke infrastructurele projecten opgenomen met een maatregelenpakket, dat ervoor gaat zorgen dat de huidige overschrijdingen van de luchtkwaliteit worden opgelost en de negatieve effecten van geplande ruimtelijke ontwikkelingen worden gecompenseerd.

Toelichting bestemmingsplan 222230 I 17-04-2024

Pagina 43 van 49

Ruimtelijke ontwikkeling

Beoordeling Een plan is vanaf 1 augustus 2009 NIBM als het een toename van de concentratie van fijnstof (PM10) of stikstofdioxide (NO2) veroorzaakt die niet meer bedraagt dan 3 % van de jaargemiddelde concentratie van die stof. Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 microgram/m³ voor zowel PM10 en NO2. De categorieën die altijd NIBM zijn, de volgende: Woningbouw: ▪ 1500 woningen (netto) bij minimaal één ontsluitingsweg; ▪ 3000 woningen (netto) bij minimaal twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Het plan maakt de toevoeging van vier nieuwe woningen binnen stedelijk gebied mogelijk. Een project wat NIBM bijdraagt omvat maximaal een toevoeging van 1500 woningen bij minimaal één ontsluitingsweg plaats. Gesteld kan worden dat het project op de planlocatie een ‘niet in betekenende mate’ bijdrage levert die beschouwd kan worden als verslechtering van de luchtkwaliteit. Omdat bij de beoogde ontwikkeling sprake is van vier nieuwe woonfuncties, dient ook een beoordeling plaats te vinden of voldaan wordt aan de wettelijke luchtkwaliteitseisen c.q. inzicht te worden gegeven in de heersende concentraties.

De coördinaten van de woning binnen het plangebied zijn bij benadering: ▪ x = 118 031 ▪ y = 385 495 De Grootschalige Concentratie- en Depositiekaart Nederland (GCN) van het RIVM tonen ter hoogte van deze coördinaten, de volgende achtergrondconcentraties: 2022: PM10: 17.34 µg/m3, PM2,5: 8.951 en NO2: 10.78 µg/m3 2025: PM10: 15.68 µg/m3, PM2,5: 8.402 en NO2: 10.56 µg/m3 2030: PM10: 14.69 µg/m3, PM2,5: 7.205 en NO2: 8.822 µg/m3 Deze waarden liggen ruim beneden de grenswaarde van PM10 en NO2 van 40 µg/m3 en 25 µg/m3 voor PM2,5. Hiermee vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de ontwikkeling van de planlocatie. . Conclusie Uit het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat de planontwikkeling ‘niet in betekenende mate’ bijdrage levert die beschouwd kan worden als verslechtering van de luchtkwaliteit. 5.13

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14238663/2