Bijlage 1 - Toelichting bestemmingsplan
Tekst van het document
Bestemmingsplan “Tommel 10, Baarle-Nassau” Gemeente Baarle-Nassau
datum projectnummer
14 juni 2022 203918
Bestemmingsplan “Tommel 10, Baarle-Nassau”
Aveco de Bondt BV Boschstraat 35, 4811 GB Breda Postbus 64, 7450 AB Holten T +31 88 004 82 12
Gemeente Baarle-Nassau
www.avecodebondt.nl
Toelichting
project projectnummer projectleider
versie fase auteur
Tommel 10 Baarle-Nassau 203918 Toby van Baast
v3.0 ontwerp Toby van Baast
paraaf gecontroleerd
ing. Marcel Volbeda
datum referentie
14 juni 2022 203918_AdB_RAP_0001_v3.0
datum referentie
14 juni 2022 203918_AdB_RAP_0001_v3.0
Inhoudsopgave 1 1.1 1.2 1.3 1.4
Inleiding Aanleiding en doel Ligging en begrenzing plangebied Vigerend bestemmingsplan Leeswijzer
1 1 1 2 3
2 2.1 2.2 2.3 2.4
Planbeschrijving Inleiding Beschrijving huidige situatie Beoogde situatie plangebied Parkeren & verkeer 2.4.1 Parkeren 2.4.2 Verkeer
5 5 5 7 8 8 9
3 3.1 3.2
Beleidskader Inleiding Rijksbeleid 3.2.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI), 2020 3.2.2 Besluit en ministeriële regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, Rarro), 2012 3.2.3 Ladder voor duurzame verstedelijking (art. 3.1.6 lid 2 Bro) Provinciaal beleid 3.3.1 Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant, Visie op de leefomgeving’, 2018 3.3.2 Structuurvisie Ruimtelijke Ordening (SVRO) – partiële herziening 2014, 2014 3.3.3 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant 3.3.3.1 Artikel 3.5, 3.6, 3.7 en 3.8: Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies 3.3.3.2 Artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap 3.3.3.3 Artikel 3.69 Afwijkende regels (burger)woningen Gemeentelijk beleid 3.4.1 Omgevingsvisie Baarle-Nassau 3.4.2 Woonvisie Baarle-Nassau
11 11 11 11 12 13 14 14 15 16 17 19 20 21 21 22
Planologisch relevante (milieu)aspecten Inleiding Bodem Waterhuishouding Cultuurhistorie Archeologie Ecologie 4.6.1 Natuurgebieden 4.6.2 Stikstof 4.6.3 Flora en fauna Wegverkeerslawaai Bedrijven en milieuzonering Geurhinder en veehouderijen Externe veiligheid 4.10.1 Inrichtingen en externe veiligheid 4.10.2 Transport en externe veiligheid 4.10.3 Buisleidingen en externe veiligheid
23 23 23 24 27 29 31 31 31 32 32 34 35 38 38 39 39
3.3
3.4
4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6
4.7 4.8 4.9 4.10
datum referentie
14 juni 2022 203918_AdB_RAP_0001_v3.0
4.11 4.12 4.13
Luchtkwaliteit Kabels en leidingen Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling
40 42 42
5 5.1 5.2 5.3
Juridische plantoelichting Inleiding Opbouw van de regels Regels 5.3.1 Hoofdstuk 1 ‘Inleidende regels’ 5.3.2 Hoofdstuk 2 ‘Bestemmingsregels’ 5.3.3 Hoofdstuk 3 ‘Algemene regels’ 5.3.4 Hoofdstuk 4 ‘Overgangs- en slotregels’
45 45 45 45 45 46 46 47
6 6.1 6.2 6.3
Economische uitvoerbaarheid Inleiding Toepassing Grondexploitatiewet Economische uitvoerbaarheid
49 49 49 49
7 7.1 7.2 7.3
Maatschappelijke uitvoerbaarheid Omgevingsdialoog Vooroverleg Zienswijzen
51 51 51 51
asd
Bijlagen Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7
Cultuurhistorisch rapport Aanvullende quickscan cultuurhistorische waardebepaling Verkennend bodemonderzoek AERIUS-berekening Quickscan Wet natuurbescherming Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Verslag omgevingsdialoog
Uitsnede topografische kaart omgeving Baarle-Nassau. Met de gele ster is globaal het plangebied aangeduid. Bron: Topotijdreis.nl, 2021.
datum referentie
14 juni 2022 203918_AdB_RAP_0001_v3.0
1
Inleiding
1.1
Aanleiding en doel
Aanleiding Aan de Tommel 10 te Baarle-Nassau is sprake van een agrarisch bouwperceel met daarop gelegen een Vlaamse schuur. Het voornemen bestaat deze cultuurhistorisch waardevolle schuur om te vormen tot wooneenheid en de resterende gronden op het perceel aan te wenden als bijbehorende tuin. Binnen het vigerende bestemmingsplan is het gebruik van de Vlaamse schuur als woning niet toegestaan. Om de woning te kunnen realiseren dient derhalve te worden afgeweken van het bestemmingsplan. In principe geldt dat geen nieuwe woningen toegevoegd mogen worden in het buitengebied. Op basis van artikel 3.69 van de Interim omgevingsverordening NoordBrabant bestaat de mogelijkheid om een woonbestemming toe te kennen als er sprake is van een cultuurhistorisch waardevol pand. Deze mogelijkheid kan alleen worden benut als het toevoegen van een woning bijdraagt aan het behoud of herstel van waardevolle bebouwing. Hiervan is met onderhavig planvoornemen sprake. Doel Op basis van het bestemmingsplan “Buitengebied 2008” zijn aan de gronden in het plangebied de bestemmingen ‘Agrarisch – agrarisch bedrijf’ en ‘Extensiveringsgebied – overig’ toegekend met daarbinnen een bouwvlak. Binnen deze bestemmingen is het gebruik van de Vlaamse schuur voor wonen niet toegestaan. Om het voorgenomen initiatief mogelijk te maken dient een nieuw juridisch-planologisch kader te worden opgesteld.
Onderhavig bestemmingsplan voorziet hierin. 1.2
Ligging en begrenzing plangebied
Het plangebied is gelegen in het buurtschap Tommel, onderdeel van het dorp Baarle-Nassau in de gemeente Baarle-Nassau, aan de weg genaamd Tommel. De locatie staat kadastraal bekend als gemeente Baarle-Nassau, sectie C, perceelnummer 3646. Het plangebied heeft een grootte van 1.289 m2. De Vlaamse schuur heeft een oppervlakte van 182 m2 (inclusief uitbouw). De ligging en begrenzing van het plangebied is nader aangeduid op de volgende afbeelding.
Uitsnede satellietfoto omgeving Tommel met het plangebied rood omkaderd. Bron: Cyclomedia Technology B.V., 2021.
datum referentie
14 juni 2022 203918_AdB_RAP_0001_v3.0
P 1/52
1.3
Vigerend bestemmingsplan
Toetsingskader Het vigerende ruimtelijke regime betreft het bestemmingsplan “Buitengebied 2008”, zoals vastgesteld door de gemeenteraad van Baarle-Nassau op 16 juli 2009. In dit bestemmingsplan kennen de gronden binnen het plangebied de bestemmingen ‘Agrarisch – agrarisch bedrijf’ en ‘Extensiveringsgebied – overig’.
Uitsnede van het bestemmingsplan “Buitengebied 2008” (Verbeelding 1, Blad 5) van de gemeente Baarle-Nassau. Het plangebied is rood omkaderd. Bron: Ruimtelijkeplannen.nl, 2021.
Uitsnede van het bestemmingsplan “Buitengebied 2008” (Verbeelding 3: Integrale zonering intensieve veehouderij) van de gemeente Baarle-Nassau. Het plangebied is rood omkaderd. Bron: Ruimtelijkeplannen.nl, 2021.
datum referentie
14 juni 2022 203918_AdB_RAP_0001_v3.0
P 2/52
Beoordeling De voor ‘Agrarisch – agrarisch bedrijf’ aangewezen gronden in het vigerend bestemmingsplan zijn bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijfsdoeleinden, waarbij geldt dat per bestemmingsvlak één agrarisch bedrijf is toegestaan, met als ondergeschikte functie woondoeleinden in bedrijfswoningen, aan huis gebonden beroepen of bedrijven als ondergeschikte functie en onder de voorwaarden met de daarbij behorende bouwwerken, tuinen, erven en terreinen, zorgvuldige landschappelijke inpassing in de vorm van een erfbeplanting met een visueel afschermende of maskerende functie naar het omliggende gebied. In de voor ‘Extensiveringsgebied – overig’ aangewezen gronden is daarbij uitbreiding (waaronder moet worden verstaan vergroting van het bestemmingsvlak ‘agrarisch bedrijf’), hervestiging of nieuwvestiging van intensieve veehouderij onmogelijk. De realisatie van het planvoornemen om de Vlaamse schuur om te vormen tot wooneenheid is derhalve niet mogelijk op basis van het vigerende ruimtelijke regime.
Het college van B&W van de gemeente Baarle-Nassau heeft per principebesluit te kennen gegeven planologische medewerking te willen verlenen aan het initiatief om in de Vlaamse schuur aan de Tommel 10 in Baarle-Nassau een wooneenheid te realiseren, mits voldaan kan worden aan een aantal voorwaarden, waaronder: • er mag in de cultuurhistorisch waardevolle schuur maximaal één wooneenheid worden toegevoegd; • bij een eventuele verbouwing van de schuur moeten de adviezen van het cultuurhistorisch rapport zoveel mogelijk worden gevolgd. Dit betekent in feite dat het pand in zijn traditionele vorm hersteld moet worden; • aan de voorwaarden zoals gesteld in het procesvoorstel Cultuurhistorisch waardevolle bebouwing moet worden voldaan. Een woning in het betreffende pand is alleen mogelijk als er sprake is van een aantoonbare hoge cultuurhistorische waarde; • er dient sprake te zijn van een goede ruimtelijke ordening; • voldaan dient te worden aan de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant en de afspraken uit de 'Kwaliteitsverbetering van landschap in de regio West-Brabant’. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling binnen het plangebied niet mogelijk is op basis van het vigerende bestemmingsplan. Het onderhavige bestemmingsplan voorziet in een nieuwe juridisch-planologische regeling om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken. 1.4
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van de huidige en de nieuwe situatie. Hoofdstuk 3 beschrijft de relevante beleidsdocumenten die door de te onderscheiden overheden zijn gepubliceerd. In hoofdstuk 4 komen de planologisch relevante milieuaspecten (zoals bodem, water, flora en fauna en milieuzonering) aan de orde. In hoofdstuk 5 wordt de juridische vormgeving van het plan toegelicht. Hierna komen in hoofdstuk 6 en 7 de economische uitvoerbaarheid en de maatschappelijke toetsing/overleg aan de orde.
datum referentie
14 juni 2022 203918_AdB_RAP_0001_v3.0
P 3/52
datum referentie
14 juni 2022 203918_AdB_RAP_0001_v3.0
P 4/52
2
Planbeschrijving
2.1
Inleiding
Voor het opstellen van het bestemmingsplan is het van belang dat de uitgangspunten en de huidige situatie van het plangebied goed in beeld worden gebracht. Het plangebied is om deze reden geïnventariseerd en geanalyseerd. In dit hoofdstuk wordt de huidige en beoogde situatie binnen het plangebied beschreven. Ook wordt ingegaan op stedenbouwkundige inpassing en parkeren. 2.2
Beschrijving huidige situatie
Het plangebied is gelegen in het buurtschap Tommel, onderdeel van het dorp Baarle-Nassau, en maakt deel uit van het voormalig agrarisch complex Tommel 21 te Baarle-Hertog. De rijksgrens loopt door de tuin tussen de voormalige langgevelboerderij (in België) en de Vlaamse schuur (in Nederland). Derhalve kent de schuur het adres Tommel 10 in Baarle-Nassau. Deze bijzondere situatie waarbij een hoofdgebouw en bijgebouw aan weerszijden van de landsgrens staan is illustratief voor de situatie in Baarle-Nassau/Baarle-Hertog en stamt reeds uit de middeleeuwen.
Luchtfoto Tommel 10 met de Vlaamse schuur op Nederlands grondgebied rood omcirkeld. Bron: Google maps, 2021.
Het plangebied heeft een oppervlakte van 1.289 m2 en kent behalve de Vlaamse schuur diverse groene historische elementen. Aan de zuidrand langs de Tommel is een bomenrij gelegen bestaande uit zes Hollandse linden, die ongeveer 100 jaar oud zijn en waarvan de stamdikte varieert van 150 tot 270 cm. Het erf bestaat voor het overige deel uit grasland.
datum referentie
14 juni 2022 203918_AdB_RAP_0001_v3.0
P 5/52
Plangebied in vogelvluchtperspectief vanuit noordelijke richting. Bron: Cyclomedia Technology B.V., 2021.
De voormalige landbouwschuur heeft een oppervlakte van 182 m 2. De schuur is na de Tweede Wereldoorlog gebouwd ter vervanging van een eerdere schuur op dezelfde plaats die verwoest was tijdens de bevrijding in 1944. De herbouw vond plaats in traditionele stijl, overeenkomstig de wederopbouwstijl die destijds in zwang was. De hoofdopzet van het gebouw is waarschijnlijk overgenomen van de voorheen bestaande schuur. Het betreft een zogenaamde ‘Vlaamse schuur’, een gebouwtype dat in de Nederlandse provincie Noord-Brabant en in de Belgische provincie Antwerpen voorkomt. De Vlaamse schuur staat los van het woongedeelte van de boerderij. De schuur bestaat uit een langwerpig bakstenen gebouw onder zadeldak met wolfseinden. Aan de noordzijde is het wolfseind verlengd tot een lager dakschild boven de paardenstal. De muren zijn gebouwd van fabrieksmatig vervaardigde grijs-rode stenen in kruisverband. Het dak is gedekt met rode muldenpannen. Aan de zuid- en de noordzijde bevinden zich getoogde toegangsdeuren die afwisselend zwart-wit geschilderd zijn. De uitbouw aan de noordzijde is voorzien van een getoogde toegangsdeur naar de paardenstal en twee oorspronkelijke gietijzeren venstertjes. De houten draagconstructie van het dak bestaat uit drie zogenaamde Duitse spanten. De spanten rusten op kolommen die aangebouwd zijn aan de buitenmuren.
Door de toepassing van deze spanten, die een veel grotere overspanning hebben dan de traditionele gebinten, ontstond er een open schuurruimte zonder indeling. Alleen aan de noordzijde is een paardenstal ingebouwd. Uit het cultuurhistorisch rapport van Cuijpers Advies blijkt dat de voormalige agrarische Vlaamse schuur Tommel 10 te Baarle-Nassau als cultuurhistorisch waardevol beschouwd mag worden. De volledige rapportage is als bijlage 1 gevoegd bij deze toelichting. De schuur bevat bouwkundige waarden, architectuurhistorische waarden, ensemblewaarden en belevingswaarden. Het is een voorbeeld van de herbouw van een traditioneel agrarisch gebouw in de wederopbouwperiode.
datum referentie
14 juni 2022 203918_AdB_RAP_0001_v3.0
P 6/52
Gevelaanzicht Vlaamse schuur noordzijde. Bron: Cultuurhistorisch rapport Cuijpers advies, 2020.
De aanvullende quickscan van het Monumentenhuis van de gemeente Baarle-Nassau, opgenomen in bijlage 2, heeft voorts aangetoond dat er sprake is van een hoge cultuurhistorische waarde. Aan de hand van beoordelingscriteria als gaafheid, zeldzaamheid, kenmerkendheid en ensemblewaarde is tot deze waardebepaling gekomen. 2.3
Beoogde situatie plangebied
In de beoogde situatie wordt aan de gronden behorend bij het plangebied de bestemming ‘Wonen’ toegekend en verkrijgt de Vlaamse schuur een woonfunctie. Uit het voornoemde cultuurhistorisch onderzoek en de aanvullende quickscan is gebleken dat de bouwtechnische kwaliteit van de Vlaamse schuur zorgwekkend is. De schuur is nog grotendeels in oorspronkelijke staat, maar verkeert constructief in mindere staat. In de bakstenen gevels komen diverse brede scheuren voor. Ook de boog boven de poort aan de zuidzijde is gescheurd. Verder is het dak plaatselijk verzakt, waardoor de dakvorsen plaatselijk losgekomen en afgevallen zijn. Het behoud op termijn is derhalve niet verzekerd. Het toevoegen van een woonfunctie kan derhalve zorgen voor de middelen voor groot onderhoud en de nodige reparaties. Op die manier kan de toevoeging van de woonfunctie zorgdragen voor het behoud van de aanwezige cultuurhistorische waarden. In artikel 3.69 van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant is bepaald dat een extra woonfunctie gevestigd mag worden in cultuurhistorisch waardevolle bebouwing als dat bijdraagt aan het behoud of herstel van die bebouwing. In paragraaf 3.3 wordt nader op (toetsing aan) deze bepaling ingegaan.
datum referentie
14 juni 2022 203918_AdB_RAP_0001_v3.0
P 7/52
2.4
Parkeren & verkeer
2.4.1
Parkeren
Toetsingskader Met de inwerkingtreding van de “Reparatiewet BZK” op 29 november 2014 is het verplicht om het parkeren te reguleren middels de bestemmingsregeling. In de bestemmingsregeling kan worden opgenomen dat bij aanvraag om omgevingsvergunning (voor het bouwen en / of afwijken) dient te worden aangetoond dat wordt voldaan aan de van toepassing zijnde parkeernormen. In het kader van ‘een goede ruimtelijke ordening’ dient echter al bij vaststelling van een bestemmingsplan inzichtelijk te worden gemaakt dat redelijkerwijs in de aldus benodigde parkeerplaatsen feitelijk duurzaam kan worden voorzien (ECLI:NL:RVS:2017:1036, r.o. 5.3). Het aantal benodigde parkeerplaatsen wordt bepaald door het geldende parkeerbeleid. Beoordeling Door de gemeente Baarle-Nassau zijn in de ‘Nota Parkeernormen 2011’ parkeernormen gesteld waarbij zo veel als mogelijk aansluiting is gezocht bij de parkeernormen zoals die gesteld zijn in de destijds geldende publicaties van het CROW. De gemeente Baarle-Nassau kan wat betreft verstedelijkingsgraad worden aangemerkt als ‘weinig stedelijk’ en onderhavig plangebied is gelegen buiten het aangeduide centrumgebied. In de bijlage bij de gemeentelijke nota zijn de parkeernormen per functie benoemd. Voor de functie woningen gelden de volgende parkeercijfers:
Afhankelijk van de daadwerkelijke oppervlakte van de woning dient het benodigde aantal parkeerplaatsen te worden bepaald. De Vlaamse schuur heeft in de huidige situatie een oppervlakte van 182 m2. Wanneer deze locatie volledig omgevormd wordt tot wooneenheid dienen derhalve twee parkeerplaatsen op eigen terrein te worden gerealiseerd. Het kavel beschikt ruimschoots over voldoende oppervlakte om op eigen terrein in de parkeerbehoefte te kunnen voorzien. De gemeentelijke Nota Parkeernomen 2011 vormt een rechtstreeks toetsingskader bij de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouw ten behoeve van de woning. Conclusie Om te borgen dat voorzien wordt in voldoende parkeerplaatsen overeenkomstig de parkeernota wordt in de regels van het bestemmingsplan, waarmee onderhavig planvoornemen juridisch-planologisch mogelijk wordt gemaakt, een dynamische parkeerregeling opgenomen. Ten tijde van de aanvraag van de omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’ zal concreet inzichtelijk moeten worden gemaakt waar de parkeerplaatsen worden gerealiseerd.
datum referentie
14 juni 2022 203918_AdB_RAP_0001_v3.0
P 8/52
2.4.2 Verkeer Teneinde de verkeersgeneratie te bepalen die gepaard gaat met de omzetting naar een woonfunctie, dienen de kengetallen uit de ASVV 2012 van het CROW te worden geraadpleegd. Het plangebied is gelegen in het buitengebied en is te typeren als ‘weinig stedelijk’. Voor grondgebonden vrijstaande woningen geldt een maximaal aantal voertuigbewegingen per etmaal (vpe) van 8,6 per woning. Derhalve genereert het plan maximaal 8,6 vpe. Het plangebied wordt ontsloten via de Tommel. De huidige intensiteit van deze weg bedraagt 250 mvt/etmaal. Aangenomen kan worden dat een erfontsluitingsweg minimaal 3.000 verkeersbewegingen per etmaal kan verwerken. De verkeerssituatie rondom het perceel beschikt daarmee over voldoende capaciteit voor de afwikkeling van de verkeersbewegingen van één extra huishouden. Een dergelijk lage toename aan vpe vanwege onderhavig planvoornemen vormt derhalve geen probleem ten aanzien van afwikkeling van verkeersstromen.
datum referentie
14 juni 2022 203918_AdB_RAP_0001_v3.0
P 9/52
datum referentie
14 juni 2022 203918_AdB_RAP_0001_v3.0
P 10/52
3
Beleidskader
3.1
Inleiding
De beleidscontext voor het plangebied wordt gevormd door landelijke, provinciale en gemeentelijke beleidsrapportages. In dit hoofdstuk is het relevante beleid samengevat en wordt het initiatief hieraan getoetst. 3.2
Rijksbeleid
3.2.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI), 2020
Toetsingskader Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie vastgesteld. De Nationale Omgevingsvisie vervangt integraal de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Tegelijkertijd met het vervallen van de SVIR vervalt ook het Nationaal Milieubeleidsplan. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving. Hiermee wordt ingespeeld op de grote uitdagingen in de komende jaren. Allerlei trends en ontwikkelingen hebben invloed op de leefomgeving. Veranderende en groeiende steden, de overgang naar een duurzame en circulaire economie en het aanpassen aan de gevolgen van de klimaatverandering vormen slechts een deel van de opgave. Dit biedt kansen, maar vraagt wel om zorgvuldige keuzes. Want de ruimte, zowel boven-, als ondergronds, is een schaars goed. Het combineren van al die opgaven vraagt een nieuwe manier van werken. Niet van bovenaf opgelegd, maar in goede samenwerking tussen overheden, bedrijven, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en burgers. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt.
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2. Duurzaam economisch groeipotentieel; 3. Sterke en gezonde steden en regio's; 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Beoordeling De NOVI dient op regionaal niveau uitgewerkt te worden zodat een gebiedsgerichte aanpak en maatwerk mogelijk is. Deze uitwerking heeft nog niet plaatsgevonden en is bovendien op een schaalniveau die het onderhavig plangebied overstijgt. Conclusie Het planvoornemen is passend binnen het Rijksbeleid.
datum referentie
14 juni 2022 203918_AdB_RAP_0001_v3.0
P 11/52
3.2.2
Besluit en ministeriële regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, Rarro), 2012
Toetsingskader Het Rijk heeft voor een beperkt aantal onderwerpen vastgesteld dat de bevoegdheid om algemene regels te stellen zou moeten worden ingezet. Deze kaderstellende uitspraken zijn zodanig geformuleerd dat deze beperkingen stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op provinciaal en gemeentelijk niveau. Ten aanzien daarvan is een borging door middel van normstelling, gebaseerd op de Wet ruimtelijke ordening, gewenst. Die uitspraken onderscheiden zich in die zin dat van de provincies en de gemeenten wordt gevraagd om de inhoud daarvan te laten doorwerken in de ruimtelijke besluitvorming. Zij zijn dus concreet normstellend bedoeld en worden geacht direct of indirect door te werken tot op het niveau van de lokale besluitvorming, zoals de vaststelling van bestemmings- en wijzigingsplannen. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Op 30 december 2011 is het Barro in werking getreden met daarin een regeling voor een beperkt aantal onderwerpen. Op 1 oktober 2012 is het besluit aangevuld met regels voor de andere beleidskaders uit de SVIR en tevens uit het Nationaal Waterplan en het Derde Structuurschema Elektriciteitsvoorziening.
Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. Een aantal onderwerpen is geregeld in de bij het Barro behorende Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro).
Ligging van het plangebied (aangeduid met rode aanwijzer) binnen het radarverstoringsgebied van Woensdrecht en Herwijnen. Bron: ruimtelijkeplannen.nl, 2021.
Beoordeling Volgens de kaarten behorende bij het Rarro is het plangebied gelegen binnen het radarverstoringsgebied van de radarstations op de locaties Herwijnen en Woensdrecht. In een gebied rondom deze radarstations moet rekening worden gehouden met de functionele bruikbaarheid daarvan. Rondom het radarstation mogen geen bestemmingen opgenomen worden die het oprichten van bouwwerken mogelijk maken die door hun hoogte onaanvaardbare gevolgen kunnen hebben voor de werking van de radar. In het radarverstoringsgebied van Herwijnen is de maximale hoogte van windturbines gesteld op 90 meter ten opzichte van NAP. In het onderhavige plan worden geen windturbines mogelijk gemaakt en ook geen nieuwe bebouwing boven de ter plaatse geldende
datum referentie
14 juni 2022 203918_AdB_RAP_0001_v3.0
P 12/52
maximale hoogtemaat. Het initiatief heeft daarmee geen gevolgen voor het radarstation Herwijnen. Vanuit het radarstation Woensdrecht gelden eveneens geen belemmeringen nu de maximale bouwhoogte 113 meter bedraagt voor alle bouwwerken. Deze bouwhoogte wordt niet bereikt met onderhavig planvoornemen. Voor het overige zijn er ten aanzien van het onderhavige plangebied geen regels uit het Barro en het Rarro van toepassing, aangezien er bij de onderhavige ontwikkeling geen nationale belangen of nationaal aangewezen gebieden zijn gemoeid. Conclusie Het plangebied is niet gelegen in een gebied waarvoor op basis van het Barro en het Rarro een relevante ruimtereservering geldt. Geconcludeerd kan worden dat de onderhavige ontwikkelingen passend zijn binnen de regels zoals gesteld in het Barro en de Rarro. 3.2.3
Ladder voor duurzame verstedelijking (art. 3.1.6 lid 2 Bro)
Toetsingskader Op 1 oktober 2012 is art. 3.1.6, lid 2 toegevoegd aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro); dit artikel bevat de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’. Met de toevoeging van dit artikel in het Bro is beoogd vanuit een oogpunt van ruimtelijke ordening ongewenste leegstand te vermijden en zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren (ECLI:NL:RVS:2017:353, r.o. 18.5). Op 1 juli 2017 is een wijziging van art. 3.1.6, lid 2 Bro in werking getreden. Het Bro regelt thans dat ‘de verantwoording van een juridisch verbindend ruimtelijk besluit van een decentrale overheid dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving dient te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling. Tevens is geregeld dat indien het ruimtelijk besluit die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, de verantwoording een motivering dient te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien’. De definiëring van enkele van de in het artikel genoemde begrippen in art. 1.1.1 Bro laat onverlet dat de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ als een ‘open norm’ is te kwalificeren. Dit houdt in dat de norm inhoudelijk open is en onder verschillende omstandigheden nader ingevuld moet worden.
Sinds de inwerkingtreding van het artikel heeft de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State (ABRvS) in haar jurisprudentie de norm veelvuldig ingevuld en daardoor verder begrensd. Op 28 juni 2017 heeft de ABRvS een zogenoemde ‘overzichtsuitspraak’ gedaan (ECLI:NL:RVS:2017:1724, r.o. 2 t/m 12.8), waarin de dan geldende en op basis van de voornoemde wijziging te behouden jurisprudentielijnen nader uit een worden gezet. Op basis van deze jurisprudentielijnen kan de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ concreet worden toegepast. Beoordeling Toepassing van de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ houdt een antwoord op de volgende rechtsvragen in. Indien een rechtsvraag positief kan worden beantwoord, dient de ‘ladder’ verder te worden doorlopen. Indien een rechtsvraag negatief wordt beantwoord, dan is de ‘ladder’ niet (verder) van toepassing dan wel kan niet aan de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ worden voldaan. a. Voorziet het onderhavige besluit in een stedelijke ontwikkeling? b. Voorziet het onderhavige besluit in een nieuwe stedelijke ontwikkeling? c. Is er sprake van een behoefte aan de voorziene ontwikkeling? d. Is de voorziene ontwikkeling gelegen buiten bestaand stedelijk gebied? e. Is het mogelijk om de voorziene ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied te realiseren? a.
Voorziet het onderhavige besluit in een stedelijke ontwikkeling?
Uit de ‘overzichtsuitspraak’ van de ABRvS blijkt dat wanneer een ruimtelijk besluit voorziet in méér dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie zijn aan te merken, deze ontwikkeling in beginsel als een stedelijke ontwikkeling dient te worden aangemerkt. Ten aanzien van andere vormen van
datum referentie
14 juni 2022 203918_AdB_RAP_0001_v3.0
P 13/52
gebruik van gronden dan ten behoeve van het wonen geldt dat indien het ruimtelijk besluit voorziet in een terrein met een ruimtebeslag van meer dan 500 m² of in een gebouw met een bruto-vloeroppervlakte groter dan 500 m², deze ontwikkeling in beginsel als een stedelijke ontwikkeling dient te worden aangemerkt. Onderhavig initiatief voorziet in de toevoeging van één woning binnen bestaand ruimtebeslag en is daarom niet als ‘stedelijke ontwikkeling’ te classificeren. De ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ hoeft niet verder te worden doorlopen. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het voorliggende initiatief onder de gestelde ondergrens uit de jurisprudentie is gelegen en dat derhalve niet behoeft te worden getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking. 3.3
Provinciaal beleid
3.3.1
Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant, Visie op de leefomgeving’, 2018
Toetsingskader De Omgevingsvisie Noord-Brabant 'De Kwaliteit van Brabant, Visie op de Brabantse leefomgeving', is vastgesteld door Provinciale Staten op 14 december 2018. Aan de hand van de Omgevingsvisie geven Provinciale Staten aan wat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren zijn. De Omgevingsvisie geldt als opvolger van de strategische elementen van eerdere provinciale plannen, zoals de structuurvisie, het verkeersen vervoersplan, het milieu-en waterplan en de natuurvisie. Voor wat betreft sectorale beleidsdoelen blijven de huidige plannen, waaronder de SVRO, vooralsnog gelden. In de aankomende Omgevingswet staan de waarden veiligheid, gezondheid en duurzame omgevingskwaliteit centraal. De Brabantse Omgevingsvisie voegt daar ambities aan toe voor vier hoofdopgaven: de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. Voor elk van deze opgaven geeft de Omgevingsvisie aan wat de ambities op lange termijn zijn, te weten wat is er nodig om Brabant in 2050 een gezonde, veilige en prettige leefomgeving te laten zijn. Ook is een concreet tussendoel geformuleerd voor het jaar 2030, om zo te kijken wat in dat jaar minimaal bereikt moet zijn om het lange termijndoel te kunnen halen.
De Omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. Het bereiken van een gezonde leefomgeving is essentieel. Om die doelstelling kracht bij te zetten wordt de Brabantse Omgevingsscan vanaf de vaststelling van de Omgevingsvisie geïmplementeerd in de nieuwe werkwijze onder de Omgevingswet. Deze omgevingsscan is een instrument om invulling te geven aan de positie van gezondheid in de nieuwe bestuurspraktijk onder de Omgevingswet. Beoordeling Met de omgevingsvisie kiest de provincie er voor om haar rol te veranderen. Waar zij eerst concreet richting en sturing gaf aan de hand van min of meer concrete regels en uitgangspunten, gaat het nu meer om het beoordelen van initiatieven in ruimer verband en gericht op het behalen van doelen voor de leefomgeving waarbij een belangrijke rol voor de gemeente is weggelegd. Het voorliggend initiatief betreft het realiseren van een woonfunctie in een voormalige landbouwschuur. Op basis van cultuurhistorisch onderzoek is gebleken dat de bouwtechnische kwaliteit van de schuur zorgwekkend is. Het toevoegen van een woonfunctie zorgt voor de middelen voor groot onderhoud en de nodige reparaties. Op deze wijze kan de toevoeging van de woonfunctie zorgdragen voor het behoud van de aanwezige cultuurhistorische waarden.
Tevens wordt met onderhavig initiatief door middel van herbestemming van bestaande bebouwing een bijdrage geleverd aan een duurzame omgevingskwaliteit. Daarmee is het initiatief passend binnen de omgevingsvisie.
datum referentie
14 juni 2022 203918_AdB_RAP_0001_v3.0
P 14/52
Conclusie De beoogde ontwikkeling past binnen de Omgevingsvisie van de provincie Noord-Brabant. 3.3.2
Structuurvisie Ruimtelijke Ordening (SVRO) – partiële herziening 2014, 2014
Toetsingskader De Structuurvisie Ruimtelijke Ordening (SVRO) is vastgesteld door Provinciale Staten op 1 oktober 2010 en geeft de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). Belangrijke beleidslijnen in de SVRO zijn het principe van concentratie van verstedelijking, zorgvuldig ruimtegebruik, verantwoord omgaan met de natuurlijke basis en het streven naar robuuste en aaneengeschakelde natuurgebieden. Sinds de vaststelling in 2010 hebben Provinciale Staten diverse besluiten genomen die een verandering brengen in de provinciale rol en sturing, of van provinciaal beleid. Deze besluiten zijn vertaald in de partiële herziening van de structuurvisie in 2014, vastgesteld op 7 februari 2014 en in werking op 19 maart 2014. De, met de partiële herziening ongewijzigde, provinciale sturingsfilosofie is gebaseerd op vijf rollen: ontwikkelen, ordenen, beschermen, regionaal samenwerken en stimuleren. Twee rollen zijn relevant voor onderhavig plan: de ordenende en de beschermende rol. De ordenende rol gaat uit van het behartigen van ruimtelijke belangen en keuzes. Deze zijn geordend in vier ruimtelijke structuren. De structuren geven een hoofdkoers aan: een ruimtelijk ontwikkelingsperspectief voor een combinatie van functies. Maar ook waar functies worden uitgesloten of welke randvoorwaarden de provincie aan functies stelt.
Binnen de structuren is ruimte voor regionaal maatwerk. De vier onderscheidde structuren zijn: de groenblauwe structuur, het landelijk gebied, de stedelijke structuur en de infrastructuur. Het uitgangspunt van de beschermende rol is zorgvuldig ruimtegebruik. Bij ruimtelijke afwegingen betekent dat eerst gekeken wordt naar mogelijkheden voor intensivering of hergebruik op of binnen bestaand bebouwd gebied. De provincie wil nieuw stedelijk ruimtebeslag zoveel mogelijk voorkomen. Voor het plangebied nabij de kern Baarle-Nassau geldt met name het accent dat de provincie in het ruimtelijk beleid legt op zorgvuldig ruimtegebruik; de provincie wil de groei en de spreiding van het stedelijk ruimtebeslag afremmen. Voor de ‘kernen in het landelijke gebied’ waar de kern Baarle-Nassau onder valt en waar het plangebied nabij gelegen is, betekent dat het voorkomen van verdere aantasting van het buitengebied centraal staat. Dit houdt in dat het accent op inbreiden en herstructureren ligt. Het aansnijden van nieuwe ruimte voor verstedelijking is pas aan de orde, als gebleken is dat de bouwopgave voor wonen en werken niet binnen bestaand bebouwd gebied kan worden gerealiseerd, ook niet in andere kernen of op andere bedrijventerreinen binnen de betreffende gemeente, wat betreft wonen, en binnen de betreffende landelijke regio, wat betreft werken.
Als toch nieuw ruimtebeslag nodig is, kan dit alleen daar waar, gelet op de ruimtelijke kwaliteiten binnen dat gebied, verantwoorde uitbreidingsmogelijkheden liggen. Ruimtelijke karakteristieken en kwaliteiten worden dus meer bepalend voor de wijze waarop de (economische) dynamiek in de landelijke regio’s haar plek krijgt. Dit heeft tot gevolg dat de bouwmogelijkheden per kern verschillen en dat niet iedere gemeente of iedere kern een nieuwe locatie kan ontwikkelen.
datum referentie
14 juni 2022 203918_AdB_RAP_0001_v3.0
P 15/52
Uitsnede uit de Structurenkaart van de SVRO - partiële herziening 2014. Het plangebied is globaal aangeduid met een gele ster. Bron: Ruimtelijkeplannen.nl, 2021.
Beoordeling Onderhavig plangebied is op de structurenkaart van de SVRO – partiële herziening 2014 gelegen binnen de structuur ‘Landelijk gebied’ met als perspectief ‘Gemengd landelijk gebied’. Dit betreft de gebieden waarbinnen verschillende functies in evenwicht met elkaar worden ontwikkeld. Agrarische functies worden in samenhang met andere functies (in de omgeving) uitgeoefend. In het gemengd landelijk gebied wordt voldaan aan de vraag naar kleinschalige stedelijke voorzieningen, recreatie, toerisme en ondernemen in een groene omgeving. Het plangebied is gelegen in de kernrandzone van Baarle-Nassau in het gemengd landelijk gebied. Binnen het gemengd landelijk gebied is de ontwikkeling van woon-, recreatie- en werkfuncties mogelijk. Ontwikkelingen passen qua aard, schaal en functie in de omgeving en houden rekening met de omgevingskwaliteiten. Binnen het plangebied wordt het gebruik van de voormalige schuur gewijzigd naar een woonfunctie. De aanwezige cultuurhistorisch waarden kunnen daardoor behouden worden, waarmee een bijdrage wordt geleverd aan de aanwezige omgevingskwaliteit. Deze ontwikkeling is gezien omvang en schaal passend in het gemengde landelijke gebied. De (ontwikkelingsmogelijkheden van) omliggende bestaande functies worden daarbij tot slot niet beperkt. Conclusie De gewenste ontwikkeling is passend binnen de provinciale Structuurvisie. 3.3.3
Interim omgevingsverordening Noord-Brabant
Toetsingskader In de Omgevingsvisie zijn de strategische doelen van het provinciale beleid voor de langere termijn aangegeven. Het beleid en de daartoe te treffen maatregelen zijn uitgewerkt in programma’s en waarden worden beschermd via de omgevingsverordening. Per 25 oktober 2019 is de nieuwe Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (Iov N-B) vastgesteld. Provincies zijn verplicht om een omgevingsverordening te hebben voordat de Omgevingswet
datum referentie
14 juni 2022 203918_AdB_RAP_0001_v3.0
P 16/52
ingaat. Met een Interim omgevingsverordening zet de provincie Noord-Brabant een eerste stap op weg naar de definitieve omgevingsverordening. De Interim omgevingsverordening bevat geen nieuwe regels, maar voegt bestaande regels uit zes bestaande verordeningen samen, waaronder de Verordening Noord-Brabant. Met de Interim omgevingsverordening zet de provincie een eerste stap om de regels beter te laten aansluiten bij de werkwijze van de Brabantse Omgevingsvisie en de Omgevingswet. De Interim omgevingsverordening zorgt ervoor dat de provincie en partijen waar ze mee samenwerkt ervaring kunnen opdoen met die nieuwe werkwijze, waarbij er meer ruimte is om goede initiatieven van inwoners, ondernemers en andere overheden te ondersteunen en maatwerk toe te passen. Beoordeling Voorliggend plangebied is binnen de Omgevingsverordening gelegen binnen het ‘Gemengd landelijk gebied’. Een kaartbeeld van de ‘Instructieregels voor gemeenten: basiskaart Landelijk gebied’ is navolgend weergegeven. Ten aanzien van onderhavig initiatief zijn er meerdere sporen die gevolgd moeten worden in het kader van toetsing aan de Omgevingsverordening. Voldaan moet worden aan de algemene regels voor de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving uit artikel 3.5 t/m 3.8 Iov.
Gezien het realiseren van een woonfunctie in landelijk gebied dient tevens getoetst te worden aan artikel 3.9 en artikel 3.69. Deze toetsing wordt hierna uitgevoerd.
Uitsnede kaart 6 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant: Instructieregels gemeenten: basiskaart Landelijk gebied. Het plangebied is aangeduid met een gele ster. Bron: Ruimtelijkeplannen.nl, 2021.
3.3.3.1
Artikel 3.5, 3.6, 3.7 en 3.8: Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies
Toetsingskader In de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies (paragraaf 3.1.2 Iov) is in artikel 3.5 opgenomen dat een bestemmingsplan bij de evenwichtige toedeling van functies invulling geeft aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving wordt rekening gehouden met: a. zorgvuldig ruimtegebruik;
datum referentie
14 juni 2022 203918_AdB_RAP_0001_v3.0
P 17/52
b. c.
de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering; meerwaardecreatie.
Ad a) - Zorgvuldig ruimtegebruik: 1. Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat: a. de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing, behalve in de gevallen dat: 1) nieuwvestiging mogelijk is op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk; 2) er feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte is en uitbreiding, al dan niet gelijktijdig met de vestiging van een functie, op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk is toegestaan; b. bij stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking); c. gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. 2. Onder bestaand ruimtebeslag voor bebouwing wordt verstaan bestaand stedelijk gebied of een bestaand bouwperceel. Ad b) – Toepassing van de lagenbenadering (artikel 3.7) 1. De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd. 2. De lagenbenadering omvat de effecten op: a. de ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden; b. de netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. c.
de bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu. 3. Door de factor tijd actief te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde, vanuit het verleden, de (on)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid. Ad c) – Meerwaarderecreatie (artikel 3.8) 1. Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder: a. de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat; b. de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. 2. De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie. Beoordeling Voorwaarden ad a: a. De toedeling van functies dient in beginsel plaats te vinden binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing. In onderhavig geval is hiervan sprake gezien de herontwikkeling van een bestaande schuur naar een wooneenheid.
datum referentie
14 juni 2022 203918_AdB_RAP_0001_v3.0
P 18/52
b.
c.
Bij een stedelijke ontwikkeling dient toepassing te worden gegeven aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Hieraan is in paragraaf 3.2.3 getoetst. Onderhavig initiatief voorziet in de toevoeging van één woning binnen bestaand ruimtebeslag en is daarom niet als ‘stedelijke ontwikkeling’ te classificeren. De bestaande bebouwing wordt geconcentreerd binnen een bouwperceel.
Voorwaarden ad b: a. Toepassing van de lagenbenadering omvat de effecten op de ondergrond. In hoofdstuk 4 van onderhavige toelichting wordt ingegaan op deze effecten. b. Toepassing van de lagenbenadering omvat de effecten op de netwerklaag. Voor onderhavig initiatief behoeft geen nieuwe infrastructuur te worden aangelegd. Voor het overige heeft het planvoornemen geen negatief effect op een natuurnetwerk, het energienetwerk en waterwegen. De afwikkeling van het verkeer is beschreven in hoofdstuk 2, paragraaf 2.4. c. Toepassing van de lagenbenadering omvat de effecten op de bovenste laag. De effecten op het milieu zijn beschreven in hoofdstuk 4. Voorwaarden ad c: Er dient rekening te worden gehouden met meerwaardecreatie. Hiervoor geldt dat met onderhavige herontwikkeling invulling wordt gegeven aan restauratie en behoud van de cultuurhistorisch waardevolle Vlaamse schuur. Voorzien wordt hiermee tevens in de woonbehoefte van de gemeente Baarle-Nassau binnen bestaand ruimtebeslag, waardoor sprake is van een duurzaam ruimtegebruik. Vanwege het combineren van deze opgaven wordt meerwaarde gecreëerd en een nieuwe kwaliteitsimpuls voor de leefomgeving bewerkstelligd. Conclusie Er wordt invulling gegeven aan een goede omgevingskwaliteit. 3.3.3.2
Artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap
Toetsingskader 1. Een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in Landelijk Gebied bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving. 2. Het bestemmingsplan motiveert dat de verbetering past binnen de gewenste ontwikkeling van het gebied én op welke wijze de uitvoering is geborgd door dat: a. dit financieel, juridisch en feitelijk is geborgd in het plan; of b. de afspraken uit het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken, worden nagekomen. 3. Een verbetering van de landschappelijke kwaliteit kan mede de volgende aspecten omvatten: a. de op grond van deze verordening verplichte landschappelijke inpassing; b. het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur of de relatie stad-land; c. het behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen; d. het wegnemen van verharding; e. het slopen van bebouwing; f. de realisering van het Natuur Netwerk Brabant en ecologische verbindingszones; g. het aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden. 4.
Ingeval er toepassing wordt gegeven aan het tweede lid onder b geldt dat een passende financiële bijdrage in een landschapsfonds is verzekerd én over de besteding van dat fonds periodiek verslag wordt gedaan in het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken.
datum referentie
14 juni 2022 203918_AdB_RAP_0001_v3.0
P 19/52
Beoordeling In het kader van artikel 3.9 ‘Kwaliteitsverbetering landschap’ geldt dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in Landelijk Gebied bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving. Deze verbetering van de landschappelijke kwaliteit kan mede betreffen: het behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen (3.9, 3c). In onderhavig initiatief is hiervan sprake. Voorts wordt op basis van het ‘Afsprakenkader Kwaliteitsverbetering van het landschap in de regio West-Brabant’ een herbestemming naar ‘Wonen’ vanwege behoud van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing beschouwd als een ‘categorie 1’ ontwikkeling. Dit betekent dat dit een ruimtelijke ontwikkeling betreft met nauwelijks tot geen landschappelijke invloed en waarbij geen (extra) kwaliteitsverbetering van het landschap wordt geëist. Conclusie Met onderhavig initiatief wordt toepassing gegeven aan verbetering van de landschappelijke kwaliteit door het behoud en herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. Het initiatief voldoet daarmee aan de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant met bijbehorend regionaal afsprakenkader.
3.3.3.3 Artikel 3.69 Afwijkende regels (burger)woningen Voor een aantal veel voorkomende ontwikkelingen zijn in dit artikel regels opgenomen die afwijking mogelijk maken van het uitgangspunt dat alleen bestaande burgerwoningen zijn toegestaan. Het gaat om: 1. vervangende bouw binnen het bouwperceel als overtollige bebouwing wordt gesloopt en de bestaande woning feitelijk en juridisch wordt opgeheven; 2. de vestiging of splitsing van een of meer woonfuncties in cultuurhistorisch waardevolle bebouwing (waaronder karakteristieke boerderijen); 3. bestemmingswijziging van een voormalige bedrijfswoning naar burgerwoning. Cultuurhistorisch waardevolle bebouwing De mogelijkheid is ingegeven vanuit het belang van het behoud of herstel van deze waardevolle bebouwing. Het plan verschaft inzicht in de cultuurhistorische waarde van de bebouwing, bijvoorbeeld aan de hand van een gemeentelijke erfgoedkaart of de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant (informatielaag: overige cultuurhistorische informatie). Omzetting naar burgerwoning In het algemeen is er geen sprake van een voormalige bedrijfswoning indien op het perceel nog een agrarische of niet- agrarische functie wordt uitgeoefend. In zo'n geval is publiekrechtelijke afsplitsing van de bedrijfswoning in beginsel ook niet wenselijk.
Als de bedrijfswoning feitelijk door derden wordt bewoond, biedt de Wet Plattelandswoning de mogelijkheid om burgerbewoning van de bedrijfswoning toe te staan. De bestemming blijft dan bedrijfswoning. Soms is verdergaand maatwerk gewenst, bijvoorbeeld in geval van een tweede bedrijfswoning die niet langer nodig is. Ook kan het vanwege een historisch gegroeide situatie wenselijk zijn om een eerste bedrijfswoning om te zetten naar burgerwoning. Een splitsing in meerdere woonfuncties plaatsvinden is in beginsel niet mogelijk en er geldt als eis dat overtollige bebouwing wordt gesloopt. Gelet op de toenemende problematiek van leegkomende en leegstaande bebouwing in het Landelijk gebied, verwachten wij van gemeenten dat zij hier stringent op toezien en de sloop handhaven. De gemeente bepaalt in het bestemmingsplan welke bebouwing overtollig is. In het algemeen geldt dat als er geen concrete gebruiksfunctie voor bebouwing aanwezig is gerelateerd aan de woonfunctie, dat er dan sprake is van overtollige bebouwing. In het geval er tevens sprake is van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing is het beleid gericht op behoud van de bebouwing en is sloop niet gewenst.
datum referentie
14 juni 2022 203918_AdB_RAP_0001_v3.0
P 20/52
Beoordeling Met onderhavig voornemen wordt toepassing gegeven aan de afwijkingsmogelijkheid zoals bepaald in dit artikel: ‘de vestiging of splitsing van een of meer woonfuncties in cultuurhistorisch waardevolle bebouwing’. Deze mogelijkheid is ingegeven vanuit het belang van het behoud of herstel van deze waardevolle bebouwing. In bijlage 1 is het cultuurhistorisch rapport van Cuijpers Advies opgenomen, waaruit blijkt dat de voormalige agrarische Vlaamse schuur Tommel 10 te Baarle-Nassau als cultuurhistorisch waardevol beschouwd mag worden. In hoofdstuk 3 van bijlage 1 is een cultuurhistorische waardering opgenomen. In hoofdstuk 4 van bijlage 1 worden overzichtstekeningen gepresenteerd met de wijze waarop de cultuurhistorische waarden van het gebouw worden hersteld of behouden. In bijlage 2 is de aanvullende quickscan van het Monumentenhuis namens de gemeente Baarle-Nassau opgenomen. Uit deze quickscan is gebleken dat er sprake is van een hoge cultuurhistorische waarde. Conclusie Vanwege het belang van het behoud en herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing kan met onderhavig initiatief afgeweken worden van het uitgangspunt dat alleen bestaande burgerwoningen zijn toegestaan. Het planvoornemen voldoet daarmee aan de ruimtelijk beleid van de provincie Noord-Brabant. 3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1
Omgevingsvisie Baarle-Nassau
Toetsingskader De omgevingsvisie is 26 juni 2019 vastgesteld door de gemeenteraad en geeft aan wat Baarle-Nassau de komende 20 jaar wil bereiken binnen de gemeentegrenzen. Hiervoor heeft de gemeente doelen geformuleerd. Die zijn niet voor ieder gebied hetzelfde. De gemeente onderscheidt 11 deelgebieden waarvoor doelen zijn geformuleerd. Als er zich een nieuw initiatief aandient, dienen de volgende vier vragen worden gesteld: 1. In hoeverre draagt het initiatief bij aan de gestelde doelen? 2. Wat vindt de samenleving van het initiatief (is er draagvlak)? 3. Wat draagt het initiatief bij aan ruimtelijke kwaliteit? 4. Hoe kan het initiatief voldoen aan andere wet- en regelgeving? De omgevingsvisie geeft vorm aan de fysieke leefomgeving. Een visie waarin onderscheid wordt gemaakt in deelgebieden, met ieder haar eigen kwaliteiten, kansen en ambities, die weer leiden tot verschillende ontwikkelingsmogelijkheden. Beoordeling Het plangebied is gelegen binnen het deelgebied ‘Oude landschappen’ in het buitengebied van Baarle-Nassau. De oude landschappen zijn die delen van Baarle-Nassau die pakweg voor 1840 ontgonnen zijn. Ze bestaan uit de oude bouwlanden, aangevuld met de oude kampontginningen. Ze zijn door hun ruimtelijke opbouw en hun dichtheid aan bebouwing nog steeds herkenbaar ten opzichte van de jonge heideontginningen.
Eén van de opgave voor dit type landschap luidt ‘Bij verdere verstening door dorpsuitbreiding of vergroten van (agrarische) bedrijven in het buitengebied, aansluiten bij de landschappelijke opbouw: Hou de omvang van de buurtschappen compact’. Met onderhavig voornemen wordt voorzien in herbestemming van bestaande bebouwing waardoor middels duurzaam ruimtegebruik verdere verstening voorkomen wordt, de omvang van buurtschap Tommel compact wordt gehouden en de bouwlanden rond de kern en de buurtschappen open blijven. Gezien de hedendaagse eisen op het gebied van woningbouw, wordt de geprojecteerde woning duurzaam en energiezuinig uitgevoerd. Het initiatief draagt derhalve bij aan het gestelde doel van energiezuinig bouwen in de Omgevingsvisie. Op de
datum referentie
14 juni 2022 203918_AdB_RAP_0001_v3.0
P 21/52
maatschappelijke uitvoerbaarheid van het planvoornemen wordt nader ingegaan in hoofdstuk 7, waarmee het draagvlak voor het initiatief wordt toegelicht. Door het herbestemmen kunnen aanwezige cultuurhistorisch waarden van de Vlaamse schuur hersteld en behouden worden, waardoor tevens een bijdrage geleverd wordt aan de ruimtelijke kwaliteit. Het initiatief voldoet tot slot ook aan andere wet- en regelgeving, blijkt uit overige beleidstoetsen in dit hoofdstuk. Conclusie Het initiatief is passend binnen de Omgevingsvisie van de gemeente Baarle-Nassau. 3.4.2
Woonvisie Baarle-Nassau
Toetsingskader Met de woonvisie, vastgesteld door de gemeenteraad op 19 september 2018, schetst Baarle-Nassau een toekomstperspectief voor het wonen in de gemeente. Dit perspectief vraagt om samenwerking met de markt, woningcorporaties, huurdersorganisaties, de dorpsraad, zorg- en welzijnsinstellingen en andere partners. Samen zullen deze belangengroepen ervoor zorgen dat het goed wonen is in Baarle-Nassau. Als gevolg van verschillende (demografische) trends en ontwikkelingen blijven oudere inwoners langer zelfstandig thuis wonen en kunnen zij niet terecht in een intramurale zorginstelling. Ook stijgen de huurprijzen en wordt wonen onbetaalbaar voor huishoudens met een laag- en middeninkomen. De gemeente Baarle-Nassau komt tot vijf thema’s die in de komende jaren (2018-2023) prioriteit verdienen. De vijf thema’s zijn: • Identiteit van het wonen in Baarle-Nassau; • Demografie en de woningbehoefte; • Betaalbaar wonen; • Kwaliteit van de woningvoorraad; • Wonen met zorg en welzijn. Beoordeling Uit de woonvisie van Baarle-Nassau ʺBaarle Bruist, in Baarle kom je thuisʺ blijkt dat de gemeente zich wil richten op het geschikt maken van woningen voor verschillende doelgroepen, kwaliteitsverbetering en het strategisch benutten van bestaand vastgoed. Bijvoorbeeld door het transformeren van vrijkomende agrarische bebouwing of leegstaande panden.
In de omgevingsvisie Baarle-Nassau wordt tevens gestuurd op duurzaam ruimtegebruik. Met onderhavig initiatief wordt hierop ingespeeld. Enerzijds door het benutten van vrijkomende agrarische bebouwing, anderzijds doordat gebruik wordt gemaakt van een bestaand gebouw en zodoende bijdraagt aan het uitgangspunt ‘duurzaam ruimtegebruik’. Daarnaast blijkt uit het woningmarktonderzoek van Fakton (2017) dat de woningvoorraad in Baarle-Nassau gekenmerkt wordt door een hoge toekomstwaarde. Dit wil zeggen dat het aanbod redelijk goed aansluit op de (verwachte) vraag. In de nieuwbouw liggen volgens het onderzoek vooral kansen in de toevoeging van dure woningen in de koopsector (vanaf € 275.000 á € 300.000). De beoogde woning in onderhavig initiatief betreft een dure gezinswoning in de koopsector. Tevens wordt de woning duurzaam en energiezuinig uitgevoerd. Daarmee is de nieuwe woning passend binnen de woonvisie. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het voornemen passend is in de woonvisie van de gemeente Baarle-Nassau.
datum referentie
14 juni 2022 203918_AdB_RAP_0001_v3.0
P 22/52
4
Planologisch relevante (milieu)aspecten
4.1
Inleiding
Toetsing juncto art. 3.1.6 Bro Met betrekking tot een (ontwerp-)bestemmingsplan staat in artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht vermeld: 'bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen'. Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat rekening moet worden gehouden met de uitkomsten van het met toepassing van artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht verrichte onderzoek. Daarnaast moet ook worden getoetst aan het Besluit m.e.r. Ten behoeve van het onderhavige plan heeft onderzoek plaatsgevonden naar een aantal uitvoeringsaspecten. Hieronder wordt verslag gedaan van de uitkomsten van het gepleegde onderzoek. De onderzoeksrapporten zijn als bijlagen gevoegd bij dit bestemmingsplan. Achtereenvolgens worden behandeld: • bodem; • waterhuishouding; • cultuurhistorie; • archeologie; • ecologie; • akoestiek wegverkeerslawaai; • bedrijven en milieuzonering; • spuitzones; • geurhinder; • externe veiligheid; • luchtkwaliteit; • kabels en leidingen; • milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling. 4.2
Bodem
Toetsingskader Op basis van art. 3.1.6, lid 1 onder f Bro geldt dat in een toelichting op een ruimtelijk besluit de inzichten over de uitvoerbaarheid van dat besluit worden neergelegd. Ten aanzien van het aspect bodemkwaliteit staat, op basis van vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State (ABRvS), voorop dat de vaststelling van de aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem, de noodzaak van sanering van verontreinigde locaties en de wijze waarop deze saneringen moeten worden uitgevoerd, zijn geregeld in afzonderlijke wetgeving met eigen procedures. Dat doet er niet aan af dat het bevoegd gezag het ruimtelijk besluit pas kan nemen indien, voor zover redelijkerwijs valt in te zien, een eventuele bodemverontreiniging niet aan de uitvoerbaarheid in de weg staat (22 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO8297, r.o. 2.18.4; 27 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW9569, r.o. 2.10.3). Daarbij geldt als uitgangspunt dat de bodem in principe geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. De bodemkwaliteit mag geen onaanvaardbaar risico vormen voor de gebruikers van de bodem. Beoordeling In april 2021 is door MILON bv een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van het plangebied om inzicht te krijgen in de bodemopbouw en de actuele milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater. Rapportage hiervan is als bijlage 3 gevoegd bij deze toelichting.
Navolgend worden de resultaten kort toegelicht.
datum referentie
14 juni 2022 203918_AdB_RAP_0001_v3.0
P 23/52
Op of nabij het plangebied zijn geen verdachte locaties aanwezig of aanwezig geweest en zijn geen potentieel bodembelastende activiteiten uitgevoerd. Op basis van het vooronderzoek wordt ter plaatse geen bodemverontreiniging verwacht. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn in de bodem geen bodemvreemde bijmengingen waargenomen of waarnemingen gedaan die kunnen duiden op een bodemverontreiniging. Het onderzoek heeft geleid tot een goed beeld van de bodemkwaliteit. Ter plaatse zijn geen verhoogde gehalten in de grond en licht verhoogde concentraties (nikkel, barium en xylenen) in het grondwater aangetoond. Vervolgonderzoek wordt niet zinvol geacht. Op basis van de vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit wordt geacht dat geen belemmeringen aanwezig zijn voor het huidige en toekomstige gebruik van de locatie. Conclusie Op basis van de bevindingen uit het verkennend bodemonderzoek zijn er vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen c.q. beperkingen voor de beoogde ontwikkeling. De bodem is geschikt voor het beoogde gebruik. 4.3
Waterhuishouding
Toetsingskader In ruimtelijke plannen dient aandacht besteed te worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop. Water moet altijd bekeken worden in het licht van het watersysteem of stroomgebied waarin een stad of een dorp ligt. Een goede afstemming van waterbeleid en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is daarom noodzakelijk. De integratie van water in ruimtelijke plannen vindt plaats via de zogenaamde watertoets. Concreet betekent de watertoets, dat een plan een zogenaamde waterparagraaf dient te bevatten, die keuzes ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd beschrijft. Daarin dient een wateradvies van de waterbeheerder te worden meegenomen. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 3.1.6 lid 1, sub b Bro. Beleid provincie Noord-Brabant Vigerend is het Provinciale Milieu- en Waterplan 2016 – 2021 (PWMP) van 18 december 2015. Het PMWP is de structuurvisie voor onder andere het aspect water op grond van de Wet ruimtelijke ordening. Het plan bevat de verplichte onderdelen vanuit de Europese Kaderrichtlijn Water. Behalve dat het PMWP de uitgangspunten aangeeft voor het waterbeleid van waterschappen en gemeenten, toetst de provincie aan de hand van dit plan ook of de plannen van de waterschappen passen in het provinciale beleid.