Bijlage 1 - Bestemmingsplan “Paraplubestemmingsplan Baarle-Nassau 2023” (toelichting en regels)
Tekst van het document
Paraplubestemmingsplan Baarle-Nassau 2023 Gemeente Baarle-Nassau Vaststelling
Paraplubestemmingsplan Baarle-Nassau 2023 Gemeente Baarle-Nassau Vaststelling
Rapportnummer:
P05277
IMRO-identificatienummer:
NL.IMRO.0744.BPBaarleNassau23-VG01
Datum:
6 februari 2025
Projectteam BRO:
JRi, JvdA
Concept:
juni 2023
Voorontwerp:
juli 2023
Ontwerp:
november 2023
Vaststelling:
maart 2025
Bron foto kaft:
BRO, abstract
Beknopte inhoud:
--
BRO Willemsplein 2 5211 AK ‘s-Hertogenbosch T +31 (0)73 208 91 55 E info@bro.nl
Toelichting
Hoofdstuk 6
50
Inhoudsopgave
pagina
1.INLEIDING 1.1Aanleiding 1.2Plangebied 1.3Vigerende ruimtelijke plannen 1.4Leeswijzer
4 4 7 8 9
2.Beleidskader 2.1Rijksbeleid 2.2Provinciaal beleid
10 10 12
2.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant 2.2.2 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant 2.3Gemeentelijk beleid
12 13 15
2.3.3 Parkeerbeleid Baarle-Nassau
16
3.Planbeschrijving
17
4.Omgevingsaspecten 4.1 Verkeer en parkeren
25 25
4.1.1 Toetsingskader 4.1.2 Onderzoek 4.1.3 Conclusie 4.2 Archeologie
25 26 28 28
4.2.1 Toetsingskader 4.2.2 Onderzoek 4.2.3 Conclusie 4.3Externe veiligheid 4.4Bedrijven en milieuzonering 4.5Overige omgevingsaspecten
28 35 37 37 41 45
5.Juridische planopzet 5.1Inleiding 5.2Plansystematiek 5.3Opbouw van het bestemmingsplan
Inhoudsopgave
46 46 46 46
2
6.UitVoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid
48 48
6.1.1 Financieel-economische haalbaarheid 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
48 48
Separate bijlagen Bijlage 1: Plangrens bestemmingsplan Bijlage 2: Rapportage externe veiligheid dorpen Baarle-Nassau Bijlage 3: Overzicht bestaande beperkt kwetsbare objecten Baarle-Nassau Bijlage 4: Akoestisch onderzoek gemeentewerf Bijlage 5: Locaties archeologisch onderzoek Bijlage 6: Locaties zonder selectiebesluit Bijlage 7: Nota van zienswijzen en staat van wijzigingen
Inhoudsopgave
3
1.
INLEIDING 1.1 Aanleiding Naar verwachting treedt de Omgevingswet in werking op 1 januari 2024. Vanaf de inwerkingtreding van deze wet beschikt de gemeente Baarle-Nassau over één omgevingsplan van rechtswege. Het betreft hier het zogenoemde tijdelijke deel van het omgevingsplan, als bedoeld in artikel 22.1 van de Omgevingswet. Alle regels uit de op 1 januari 2024 vigerende bestemmingsplannen gaan onderdeel uitmaken van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Op grond van artikel 22.6 van de Omgevingswet is het niet mogelijk om regels uit bestaande ruimtelijke plannen aan te passen dan wel gedeeltelijk te laten vervallen. Indien een regel uit het tijdelijke deel van het omgevingsplan voor een bepaalde locatie komt te vervallen, vervallen namelijk alle regels uit het tijdelijke deel van het omgevingsplan voor een bepaalde locatie. Aangezien de regels uit het tijdelijke deel van het omgevingsplan voor een locatie komen te vervallen als één regel voor betreffende locatie komt te vervallen, is het wenselijk om de juridisch-planologische kaders die betrekking hebben op het gehele gemeentelijke grondgebied en die geactualiseerd dienen te worden nog voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet te actualiseren. Het is in beginsel wel mogelijk om onderwerpen themagewijs op te nemen in het nieuwe deel van het omgevingsplan, mits dit niet leidt tot conflicten met het tijdelijke deel.
Voor de onderwerpen archeologie en parkeren geldt echter dat deze reeds geregeld zullen zijn in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Om die reden is het voor beide onderwerpen niet mogelijk om deze themagewijs op te nemen in het nieuwe deel van het omgevingsplan en het tijdelijke deel van het omgevingsplan tegelijkertijd volledig intact te laten. Er is daarom niet gekozen voor het themagewijs opnemen van beide onderwerpen in het nieuwe deel van het omgevingsplan. Onderdelen paraplubestemmingsplan Onderhavig paraplubestemmingsplan voorziet allereerst in de gewenste actualisatie ten aanzien van regels voor de onderwerpen archeologie en parkeren voor de gronden waarvoor binnen de gemeente Baarle-Nassau op dit moment bestemmingsplannen, uitwerkingsplannen of wijzigingsplannen gelden. Verder ziet dit paraplubestemmingsplan op twee andere onderdelen: 1. Het correct bestemmen van het noordelijk deel van de gemeentewerf aan de Smederijstraat 4 te Baarle-Nassau en van het aangrenzende gedeelte van de milieustraat op Nederlands grondgebied. De ter plaatse gevestigde gemeentewerf is hier niet in overeenstemming met het geldende bestemmingsplan. Daarnaast is de functieaanduiding ten behoeve van de milieustraat te klein opgenomen in het geldende bestemmingsplan. 2.
Het opnemen van een correcte regeling omtrent het onderdeel externe veiligheid binnen het plangebied van het bestemmingsplan ‘Dorpen’ (d.d. 11 april 2012) en enkele postzegelbestemmingsplannen binnen de contouren van het betreffende bestemmingsplan. Aanleiding hiertoe vormt een
Hoofdstuk 1
4
onderzoek van de provincie Noord-Brabant naar de borging van dit aspect in bestemmingsplannen. Reikwijdte paraplubestemmingsplan Voor de gebieden waar nu een beheersverordening geldt, kan volgens de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS; Afdeling) geen paraplubestemmingsplan worden vastgesteld 1. Een besluit tot wijziging van een bestemmingsplan op grond van artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening (Wro) kan een beheersverordening volgens de Afdeling niet wijzigen of aanvullen, omdat een beheersverordening een besluit is op een andere grondslag, namelijk op artikel 3.38 Wro. De gebieden waarvoor een beheersverordening het meest actuele juridisch-planologische kader vormt vallen daarom buiten de reikwijdte van dit paraplubestemmingsplan. Hiervoor is een separate paraplubeheersverordening in procedure gebracht. Gelet op het hiervoor beschrevene is alleen voor de gebieden waarvoor het meest actuele juridisch-planologische kader wordt gevormd door een bestemmings, wijzigings- of uitwerkingsplan het voorliggende paraplubestemmingsplan voorbereid dat ziet op de onderwerpen archeologie en parkeren. De overige twee onderwerpen zijn uitsluitend in het onderhavige paraplubestemmingsplan opgenomen. Archeologie Een eerste onderwerp ten aanzien waarvan onderhavig paraplubestemmingsplan een geactualiseerd juridisch-planologisch kader biedt is archeologie.
De gemeente Baarle-Nassau heeft een eigen archeologische beleidskaart vastgesteld. Aangezien hetgeen is opgenomen op deze beleidskaart slechts doorwerking heeft gevonden in enkele bestemmingsplanherzieningen van na de vaststelling van de archeologische beleidskaart, kan het meest recente archeologiebeleid niet volledig juridisch worden geëffectueerd. De gemeente Baarla-Nassau heeft daarom de wens om te komen tot een uniform en actueel planologisch toetsingskader met betrekking tot archeologie. Onderhavig paraplubestemmingsplan voorziet, gezamenlijk met de separaat vast te stellen paraplubebeheersverordening, in dit toetsingskader. Door het opnemen van dit kader in deze twee instrumenten wordt bewerkstelligd dat reeds in het tijdelijke deel van het omgevingsplan een adequate regeling omtrent archeologie is opgenomen. Parkeren Het tweede onderwerp ten aanzien, waarvan onderhavig paraplubestemmingsplan voorziet in een actueel juridisch-planologisch kader, is parkeren. Vanwege de inwerkingtreding van de Reparatiewet BZK 2014 op 29 november 2014 is de wettelijke grondslag voor het opnemen van stedenbouwkundige voorschriften in de gemeentelijke bouwverordening komen te vervallen.
Deze wet regelt dat gemeenten de stedenbouwkundige maatregelen uit de gemeentelijke bouwverordening voor 1 juli 2018 in hun reeds vastgestelde bestemmingsplannen en beheersverordeningen opgenomen moesten hebben om ze nog te kunnen effectueren. Deze overgangstermijn gold niet voor ruimtelijke plannen die werden vastgesteld vanaf de datum van inwerkingtreding van de Reparatiewet BZK 2014. Per 1 juli 2018 zijn alle stedenbouwkundige bepalingen uit de gemeentelijke bouwverordening definitief komen te vervallen. Aangezien parkeerregelingen kunnen worden aangemerkt als stedenbouwkundige bepalingen, is
1
ABRvS 28 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2519.
Hoofdstuk 1
5
ook de parkeerregeling uit de gemeentelijke bouwverordening van de gemeente Baarle-Nassau definitief komen te vervallen. In niet alle ruimtelijke plannen van de gemeente Baarle-Nassau is een regeling omtrent parkeren opgenomen. Gelet op het vervallen van de parkeerregeling uit de gemeentelijke bouwverordening is het binnen de plangebieden en besluitgebieden van betreffende ruimtelijke plannen niet mogelijk om het gemeentelijke parkeerbeleid te effectueren. Tevens zijn er ruimtelijke plannen die weliswaar een parkeerregeling bevatten, maar dat als gevolg van een fixatie in de regels of een statische verwijzing in de regels enkel verouderd parkeerbeleid kan worden toegepast. Tot slot gelden er ook ruimtelijke plannen waarin wel een dynamische verwijzing is opgenomen naar het gemeentelijke parkeerbeleid. De gemeente Baarle-Nassau heeft de wens om te komen tot een uniform en actueel toetsingskader voor het parkeren en laden en lossen. Aangezien het hiervoor noodzakelijk is de bestaande parkeerregeling in een aantal ruimtelijke plannen te laten vervallen, is het niet mogelijk om dit onder het stelsel van de Omgevingswet te doen zonder ook alle regels voor betreffende locaties te laten vervallen. Dit heeft aanleiding gegeven om middels onderhavig paraplubestemmingsplan te voorzien in een juridisch-planologisch kader omtrent parkeren.
Externe veiligheid Op 11 april 2012 is het bestemmingsplan ‘Dorpen’ vastgesteld. Dit bestemmingsplan ziet – kort gezegd – op de bebouwde kom van Baarle-Nassau en Ulicoten. Daarna zijn diverse postzegelbestemmingsplannen vastgesteld die zijn gebaseerd op de regeling als opgenomen in het bestemmingsplan ‘Dorpen’. In 2016 heeft de provincie Noord-Brabant onderzoek uitgevoerd naar de borging van het aspect externe veiligheid in bestemmingsplannen. Uit dat onderzoek volgde dat dit aspect in de regeling van het bestemmingsplan ‘Dorpen’ (en daarmee ook in een aantal gelijkluidende postzegelbestemmingsplannen) niet goed is geborgd. Hierdoor is er sprake van een latente saneringssituatie op grond van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Ook ontbreekt een verantwoording van het groepsrisico, wat wel verplicht is op grond van het Bevi. De Provincie heeft de gemeente Baarle-Nassau verzocht om het bestemmingsplan ‘Dorpen’ te repareren voor zover dit bestemmingsplan in strijd is met het Bevi. Dit paraplubestemmingsplan geeft hieraan invulling. Om te voldoen aan het Bevi is in dit paraplu-bestemmingsplan een regeling opgenomen die er toe strekt dat (nieuwe) risicovolle inrichtingen enerzijds en kwetsbare objecten en (nieuwe) beperkt kwetsbare objecten anderzijds niet op korte afstand van elkaar kunnen worden gesitueerd.
Tevens is aan de bijlagen bij de toelichting op het paraplu-bestemmingsplan een studie externe veiligheid toegevoegd. Voor meer informatie over dit onderwerp en deze regeling wordt verwezen naar hoofdstuk 3 en paragraaf 4.3 van deze toelichting.
Hoofdstuk 1
6
Reparatie gemeentewerf Smederijstraat 4 en milieustraat te Baarle-Nassau Aan de Smederijstraat 4 te Baarle-Nassau is de gemeentewerf gelegen. In het geldende bestemmingsplan ‘Dorpen’ (11 april 2012) is uitsluitend het zuidelijke deel daarvan correct bestemd als ‘milieustraat’. In het noordelijke deel zijn alleen bedrijven tot en met milieucategorie 2 toegestaan. Een gemeentewerf is ingedeeld in milieucategorie 3.1. Daarmee is het noordelijke deel van de gemeentewerf in strijd met het bestemmingsplan gevestigd. Op 15 februari 2007 is een bouwvergunning verleend voor de ter plaatse aanwezige garage en open loods. Het is gewenst om dit noordelijke deel alsnog op de correcte wijze als gemeentewerf te bestemmen in het paraplubestemmingsplan. In dit kader is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage bij de toelichting opgenomen. In dit paraplubestemmingsplan wordt voor de gemeentewerf een specifieke regeling opgenomen.
Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de gemeentewerf ter plaatse kan functioneren, met dien verstande dat de volgende randvoorwaarden in het bestemmingsplan worden vastgelegd: Er moet een muur in de meest noordwestelijke hoek van de gemeentewerf worden gerealiseerd; Bepaalde activiteiten die stofhinder kunnen veroorzaken moeten worden uitgesloten in het noordwestelijke deel van de gemeentewerf; Bepaalde activiteiten die geurhinder kunnen veroorzaken moeten worden uitgesloten in het noordwestelijke deel van de gemeentewerf; De aanduiding ‘bedrijfswoning’ ter plaatse van de Oordeelsestraat 18 moet worden verkleind. Hier is feitelijk geen woning aanwezig, zodat dit niet op overwegende bezwaren stuit. Voor meer informatie over dit onderwerp wordt verwezen naar hoofdstuk 3 en paragraaf 4.4 van deze toelichting. Op de gronden ten zuiden van de gemeentewerf is de milieustraat Baarle-Hertog aanwezig. Deze ligt gedeeltelijk op Nederland en gedeeltelijk op Belgisch grondgebied. Uit een inventarisatie door de gemeente is gebleken dat het noordelijke gedeelte van de milieustraat in het vigerende bestemmingsplan ‘Dorpen’ niet correct is bestemd. De functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – milieustraat’ is te klein opgenomen. Dit wordt conform de bestaande situatie gecorrigeerd in het paraplubestemmingsplan.
1.2 Plangebied Dit paraplubestemmingsplan betreft een overkoepelend bestemmingsplan voor die delen van de gemeente Baarle-Nassau waarvoor het meest actuele juridisch-planologische kader op dit moment niet wordt gevormd door een beheersverordening maar door een bestemmings-, wijzigings- of uitwerkingsplan. Dit betreft verreweg het grootste deel van het gemeentelijk grondgebied. Uit de navolgende figuur volgt welke gronden het plangebied van dit paraplubestemmingsplan beslaat. Een beter leesbare versie hiervan is opgenomen in de bijlagen bij deze toelichting.
Hoofdstuk 1
7
Figuur 1: plangebied paraplubestemmingsplan
Opgemerkt wordt dat de exacte begrenzing van het plangebied volgt uit de verbeelding die onderdeel uitmaakt van onderhavig paraplubestemmingsplan.
1.3 Vigerende ruimtelijke plannen Binnen het plangebied gelden momenteel diverse ruimtelijke plannen. Deze plannen zijn onderliggend aan onderhavig paraplubestemmingsplan en in beginsel nog steeds van toepassing. Onderhavig paraplubestemmingsplan betreft een partiële herziening van deze plannen op bepaalde onderdelen. In dit geval betreft het de regels rondom parkeren, archeologie en externe veiligheid (voor een deel van het plangebied). Hierbij worden de diverse ruimtelijke plannen welke gelegen zijn binnen de planbegrenzing van het paraplubestemmingsplan aangepast of aangevuld met specifieke regels en/of aanduidingen met betrekking tot de thema’s waarop dit paraplubestemmingsplan ziet. Voor het overige blijven de desbetreffende ruimtelijke plannen van kracht. Alleen die onderdelen van deze plannen waarover expliciet iets over wordt gezegd in de planregels van onderhavig paraplubestemmingsplan worden hierbij dus gewijzigd of aangevuld. Dit is onder meer voor de gemeentewerf aan de Smederijstraat 4 te Baarle-Nassau het geval.
Hoofdstuk 1
8
1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk volgt hoofdstuk 2 waarin relevant rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid wordt beschreven. In hoofdstuk 3 wordt een beschrijving van de onderwerpen in dit paraplubestemmingsplan gegeven. Hoofdstuk 4 geeft inzicht in diverse milieukundige en planologische aspecten die van belang zijn in het kader van dit paraplubestemmingsplan. In hoofdstukken 3 en 5 is de (juridische) toelichting op de opzet van het paraplubestemmingsplan gegeven. In het laatste hoofdstuk komt de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid aan de orde.
Hoofdstuk 1
9
2.
BELEIDSKADER In dit hoofdstuk wordt het beleidskader dat relevant is voor het paraplubestemmingsplan toegelicht. Het paraplubestemmingsplan wordt tevens aan dit beleidskader getoetst. Er is sprake van een doorwerking van beleid dat is vastgesteld op verschillende niveaus van bestuur.
2.1 Rijksbeleid In onderhavig paraplubestemmingsplan zijn de volgende zaken juridisch-planologisch geregeld: een uniform en actueel planologisch toetsingskader met betrekking tot archeologie; een uniform en actueel toetsingskader ten aanzien van parkeren en laden en lossen; het opnemen van een correcte regeling met betrekking tot externe veiligheid binnen de kom van Baarle-Nassau; het correct bestemmen van de bestaande gemeentewerf en de milieustraat in Baarle-Nassau. Door het middels onderhavig paraplubestemmingsplan voorzien in een uniform en actueel planologisch toetsingskader met betrekking tot archeologie en parkeren en laden en lossen worden geen nieuwe (hoofd)functies mogelijk gemaakt. Ook vindt er hiermee geen verruiming plaats van de gebruiksmogelijkheden van bestaande functies. In zoverre voorziet onderhavig paraplubestemmingsplan, ten opzichte van de reeds voor het plangebied vigerende bestemmings- uitwerkings- en wijzigingsplannen, niet in nieuwe planologische mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen. Dat betekent dat in zoverre tevens niet wordt voorzien in extra mogelijkheden voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Gezien de aard van onderhavig paraplubestemmingsplan zijn er in beginsel geen rijksbelangen in het geding. Een aantal specifieke onderdelen van het paraplubestemmingsplan behoeft echter nadere bespreking.
Externe veiligheid Ten aanzien van de externe veiligheidsregeling geldt dat de nieuwe regeling waarborgt dat alsnog wordt voldaan aan de wetgeving op het gebied van externe veiligheid (specifiek: het Besluit externe veiligheid inrichtingen). Deze regeling voorziet niet in nieuwe planologische mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen, maar in een nadere inkadering daarvan. Daarom zijn er geen rijksbelangen in het geding. Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt.
Hoofdstuk 2
10
Met het repareren van de planologische regeling voor de gemeentewerf en de milieustraat in BaarleNassau wordt de planologische situatie in overeenstemming met de bestaande feitelijke situatie gebracht. De betreffende gronden hebben reeds een stedelijke bestemming, maar in planologische zin is er gedeeltelijk sprake van een functiewijziging, namelijk het toevoegen van de functie gemeentewerf en het uitbreiden van de functie milieustraat. Gezien de aard van de functiewijziging, is er sprake van een ‘stedelijke ontwikkeling’. De vraag die vervolgens dient te worden beantwoord, is of er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Uit een overzichtsuitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 2, voorziet een bestemmingsplan dat bij recht een stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, ten opzichte van het voorgaande planologische regime niet voorziet in een nieuw planologisch ruimtebeslag maar alleen in een planologische functiewijziging, in beginsel niet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Van dit uitgangspunt wordt afgeweken indien die planologische functiewijziging een zodanige aard en omvang heeft dat desalniettemin sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.3 Hierbij komt betekenis toe aan de ruimtelijke uitstraling van de in het nieuwe plan voorziene functie en die van hetgeen onder het vorige plan mogelijk was.
In onderhavig geval zijn de gronden in het vigerende bestemmingsplan bestemd voor bedrijven in milieucategorie 1 en 2 en is een groot gedeelte van de milieustraat specifiek bestemd als milieustraat. De totale omvang van de bestemming ‘Bedrijventerrein’ blijft gelijk. Ook het bouwvlak en de daarbij behorende bouwmogelijkheden wordt niet vergroot. Het toegestane ruimtebeslag aan stedelijke functies in de vorm van bedrijvigheid blijft dus gelijk. De gemeentewerf en milieustraat betreffen relatief kleinschalige terreinen waar over het algemeen lichte categorieën afval worden verwerkt. Ook vinden er activiteiten plaats, zoals een strooidienst, storingsdienst, e.d. De ruimtelijke uitstraling van deze activiteiten is, mede beschouwd op basis van de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’, vergelijkbaar met de reeds toegestane bedrijfsactiviteiten in milieucategorie 1 en 2. Zie over dit onderwerp ook nader par. 4.4 van deze toelichting. De ruimtelijke impact op de omgeving zal daarom niet groter zijn dan de aard en omvang en de ruimtelijke uitstraling die de vormen van bedrijvigheid hebben die grond van het vigerende bestemmingsplan op deze percelen al zijn toegestaan.
De planologische functiewijziging is, gezien de aard en omvang van de planologisch toe te voegen/uit te breiden functies ten opzichte van de vigerende bestemming, daarom niet van een zodanige aard dat deze als een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gekwalificeerd. Gezien het voorgaande is het niet noodzakelijk in het kader van onderhavig paraplubestemmingsplan een toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking te doorlopen. Besluit en Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Barro/Rarro) Binnen het plangebied, aan de Haldijk te Ulicoten, is het Complex Ulicoten gelegen. Dit betreft een explosievencomplex, dat conform de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) als civiele inrichting met explosieven is aangewezen. Artikel 2.6.6 van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bepaalt dat in een bestemmingsplan voor een dergelijk terrein geen bestemmingen 2 3
ABRvS 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724, onder 7.2 en 7.4. ABRvS 20 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1075, ABRvS 24 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2550.
Hoofdstuk 2
11
mogen worden opgenomen, die een belemmering kunnen vormen voor de functionele bruikbaarheid van dergelijke terreinen. Met het oog op deze bepaling, wordt de werking van de regeling voor parkeren en laden en lossen op dit terrein uitgesloten in de planregels. Op de verbeelding is hiertoe een zone opgenomen (aanduiding ‘overige zone – explosieven complex’). Op deze wijze wordt voldaan aan het Barro en het Rarro.
2.2 Provinciaal beleid 2.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op 14 december 2018 de Brabantse Omgevingsvisie De kwaliteit van Brabant: Visie op de Brabantse Leefomgeving vastgesteld. Tot de invoering van de Omgevingswet heeft dit document de status van structuurvisie onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet zal de visie officieel de juridische status van omgevingsvisie krijgen. Voor het handelen van de provincie zijn kernwaarden geformuleerd. Het gaat achtereenvolgens om de volgende kernwaarden: gaan voor meerwaarde-creatie; gaan voor technische én sociale innovatie; gaan voor kwaliteit boven kwantiteit; gaan voor steeds beter; gaan voor proactief en preventief boven gevolgbeperking en herstel. De provincie heeft tevens een basisopgave opgenomen in haar omgevingsvisie. Centraal hierbij staat het werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit. Hoewel er gesproken wordt over één basisopgave, is deze opgave in feite tweeledig, aangezien voor zowel het jaar 2030 als voor het jaar 2050 een basisopgave geformuleerd is. Een en ander is als volgt geformuleerd: Doel 2050: “Brabant heeft een goede leefomgevingskwaliteit doordat wij op alle aspecten beter presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald.
Brabant staat met zijn TOP-landschap van oude en nieuwe landschappen in de top 5 van Europa. De biodiversiteit binnen en buiten de natuurgebieden is op orde, de lucht- en waterkwaliteit voldoet en de bodem is vitaal”. Doel 2030: “Brabant heeft een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit doordat wij voor alle aspecten voldoen aan de wettelijke normen. Natuurgebieden zijn ingericht, de afname van biodiversiteit is naar een positieve trend omgebogen, waardevolle cultuurhistorische landschappen zijn behouden en er is breed draagvlak voor de nieuwe energie- en klimaatadaptieve landschappen door de ontwerpende aanpak”. De basisopgave ligt – zoals al in de naam besloten ligt – aan de basis van vier hoofdopgaven. De volgende hoofdopgaven worden benoemd: werken aan de Brabantse energietransitie; werken aan een klimaatproof Brabant;
Hoofdstuk 2
12
werken aan de slimme netwerkstad; werken aan een concurrerende, duurzame economie.
Doorwerking plangebied Door het middels onderhavig paraplubestemmingsplan voorzien in een uniform en actueel planologisch toetsingskader met betrekking tot archeologie en parkeren en laden en lossen worden geen nieuwe (hoofd)functies mogelijk gemaakt. Ook vindt er hiermee geen verruiming plaats van de gebruiksmogelijkheden van bestaande functies. In zoverre voorziet onderhavig paraplubestemmingsplan, ten opzichte van de reeds voor het plangebied vigerende bestemmings-, uitwerkings- en wijzigingsplannen, niet in nieuwe planologische mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen. Dat betekent dat in zoverre tevens niet wordt voorzien in extra mogelijkheden voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Ten aanzien van de externe veiligheidsregeling geldt dat de nieuwe regeling waarborgt dat alsnog wordt voldaan aan de wetgeving op het gebied van externe veiligheid (specifiek: het Besluit externe veiligheid inrichtingen). Dit gebeurt op basis van een eerdere onderzoek door en verzoek van de provincie. Ook deze regeling voorziet niet in nieuwe planologische mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen, maar in een nadere inkadering daarvan. Tot slot wordt in dit bestemmingsplan een correcte juridisch-planologische regeling voor de gemeentewerf en de milieustraat te Baarle-Nassau opgenomen. Hiervoor zijn in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (zie navolgend par.
2.2.2) specifieke bepalingen opgenomen, waaraan de wijziging wordt getoetst. Het paraplubestemmingsplan is in overeenstemming met de Omgevingsvisie Noord-Brabant. 2.2.2 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Op 25 oktober 2019 is de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld. De Interim omgevingsverordening vormt het toetsingskader voor nieuwe ontwikkelingen in de provincie Noord-Brabant. De provincie wil met haar regels aansluiten op de werkwijze die gevraagd wordt in de Omgevingsvisie en de Omgevingswet. Daarom is ervoor gekozen om de verschillende provinciale verordeningen voor de fysieke leefomgeving samen te voegen tot de Interim omgevingsverordening. Er wordt expliciet gesproken van een interim omgevingsverordening, om zo te benadrukken dat dit een tussenstap is naar de definitieve omgevingsverordening gebaseerd op de Omgevingswet. De Interim omgevingsverordening is gebaseerd op de huidige wetgeving, moet aan de wettelijke bepalingen van die wetgeving voldoen en dient ter vervanging van zes provinciale verordeningen, waaronder de Verordening ruimte Noord-Brabant. Doorwerking plangebied Een belangrijk deel van de planregels van onderhavig paraplubestemmingsplan ziet op het bieden van een uniform en actueel planologisch toetsingskader met betrekking tot archeologie, parkeren en laden
Hoofdstuk 2
13
en lossen. Door het bieden van een toetsingskader ten aanzien van archeologie en archeologische waarden wordt vormgegeven aan de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit als bedoeld in artikel 3.5 van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. Specifiek wordt bijgedragen aan het behoud van de waarden als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, van dit artikel. Hierbij is sprake van toepassing van de lagenbenadering als bedoeld in artikel 3.7 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. In onderhavig geval heeft de toepassing van deze lagenbenadering specifiek betrekking op de effecten als beschreven in artikel 3.7, tweede lid, onderdeel a (effecten op de ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden). Hiermee wordt met onderhavig paraplubestemmingsplan aangesloten bij de principes als verwoord in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Ten aanzien van de externe veiligheidsregeling geldt dat de nieuwe regeling waarborgt dat alsnog wordt voldaan aan de wetgeving op het gebied van externe veiligheid (specifiek: het Besluit externe veiligheid inrichtingen). Dit gebeurt op basis van een eerder onderzoek door en verzoek van de provincie. Ook deze regeling voorziet niet in nieuwe planologische mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen, maar in een nadere inkadering daarvan.
Het paraplubestemmingsplan is wat betreft deze onderdelen in overeenstemming met de Omgevingsverordening Noord-Brabant. Gemeentewerf en milieustraat Baarle-Nassau Met het repareren van de planologische regeling voor de gemeentewerf en de milieustraat in BaarleNassau wordt de planologische situatie in overeenstemming met de bestaande feitelijke situatie gebracht. De betreffende gronden hebben reeds een stedelijke bestemming, maar in planologische zin is er gedeeltelijk sprake van een functiewijziging, namelijk het toevoegen van de functie gemeentewerf en het uitbreiden van de functie milieustraat. Gezien de aard van de functiewijziging, is er sprake van een ‘stedelijke ontwikkeling’. Artikel 3.42 van de Interim omgevingsverordening ziet op stedelijke ontwikkelingen (wonen, werken en voorzieningen) binnen stedelijk gebied. De betreffende locatie ligt binnen stedelijk gebied.
Artikel 3.42, lid 2, luidt als volgt: Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen: bevordert een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving; bevordert zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden; geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie; houdt rekening met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water; geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit; draagt bij aan een duurzame, concurrerende economie. Lid 3 luidt als volgt: Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen op een bedrijventerrein, bevat het bestemmingsplan regels over:
Hoofdstuk 2
14
een bij de aard van het bedrijventerrein en de toe te laten functies passende kavelomvang; het beperken van ontwikkelingen die een effectief gebruik van het bedrijventerrein beperken, waaronder: o bedrijfswoningen; o bedrijven die doelmatig gevestigd kunnen worden in gemengde gebieden tenzij deze bedrijven concept-versterkend werken en geclusterd worden; o voorzieningen die gelet op hun publieksaantrekkende werking thuishoren in centrumgebieden tenzij deze concept-versterkend werken en geclusterd worden.
In dit geval is er enerzijds sprake van een planologisch bestaande functie (milieustraat), waarvan de begrenzing abusievelijk incorrect is vertaald in het vigerende bestemmingsplan en anderzijds van een reeds lange tijd feitelijk bestaande functie, die abusievelijk niet als zodanig is bestemd in het vigerende bestemmingsplan (gemeentewerf). Het betreft hier voorzieningen ten dienste van het algemeen belang, die doelmatig bij elkaar geclusterd zijn en waarvan de omvang optimaal is voor de benodigde ruimte. Deze voorzieningen zijn op een passende locatie gevestigd. Benutting van deze locatie draagt bij aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. Ten aanzien van de gemeentewerf is onderzoek verricht naar de effecten op de omgevingskwaliteit (woon- en leefklimaat) in de omgeving; zie nader par. 4.4. Ter waarborging hiervan zijn in het bestemmingsplan tevens nadere voorwaarden gesteld en is de bestaande mogelijkheid om nabij de gemeentewerf een bedrijfswoning op te richten nader ingekaderd. Hierdoor worden belemmeringen tussen het bedrijfsterrein enerzijds en de omliggende functies anderzijds voorkomen. Samenvattend kan in redelijkheid worden gesteld dat de juridisch-planologische verankering van de gemeentewerf en de milieustraat te Baarle-Nassau aansluit bij de uitgangspunten en ambities van de provincie voor stedelijke ontwikkelingen.
2.3 Gemeentelijk beleid 2.3.1 Omgevingsvisie gemeente Baarle-Nassau Op 26 juni 2019 heeft de gemeenteraad van de gemeente Baarle-Nassau de ‘Omgevingsvisie gemeente Baarle-Nassau’ vastgesteld. Deze omgevingsvisie bevat: een beschrijving van de hoofdlijnen van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving; de hoofdlijnen van de voorgenomen ontwikkeling, het gebruik, het beheer, de bescherming en het behoud van het grondgebied; en de hoofdzaken van het voor de fysieke leefomgeving te voeren integrale beleid. In de omgevingsvisie is geen concreet archeologisch beleid vastgelegd. Wel is een checklist opgenomen voor initiatieven in de fysieke leefomgeving. Hierbij is verwoord dat rekening moet worden gehouden met de diverse randvoorwaarden die zijn vastgelegd in beleidsstukken en wettelijke kaders, waar-
Hoofdstuk 2
15
onder archeologiebeleid. Er is tevens geen concreet beleid omtrent parkeren opgenomen. Het gemeentelijke parkeerbeleid is vastgelegd in de ‘Nota Parkeernormen 2011’, zie hierna onder ‘Parakeerbeleid Baarle-Nassau’. 2.3.2 Archeologisch beleid Baarle-Nassau De gemeente Baarle-Nassau beschikt over eigen archeologisch beleid. Voor een beschrijving van dit beleid wordt verwezen naar paragraaf 4.2. Zoals beschreven in paragraaf 1.1 heeft het gemeentelijke archeologische beleid slechts in een beperkt deel van de vigerende ruimtelijke plannen doorwerking gevonden. Dit leidt ertoe dat het meest recente archeologische beleid niet volledig juridisch kan worden geëffectueerd. Voorliggend paraplubestemmingsplan bevat een uniform en actueel planologisch toetsingskader met betrekking tot archeologie aan de hand waarvan het archeologische beleid wel adequaat kan worden geëffectueerd. 2.3.3 Parkeerbeleid Baarle-Nassau De gemeente Baarle-Nassau heeft haar parkeernormen vastgelegd in de ‘Nota Parkeernormen 2011’. In niet alle gevallen kunnen de parkeernormen als opgenomen in deze nota worden geëffectueerd. Hiervoor bestaan verschillende redenen, als beschreven in paragraaf 1.1. Om ervoor te zorgen dat het gemeentelijke parkeerbeleid wel in alle gevallen kan worden geëffectueerd, voorziet onderhavig paraplubestemmingsplan in een regeling omtrent parkeren.
Hierbij is gebruikgemaakt van een dynamische verwijzing naar het gemeentelijke parkeerbeleid. In hoofdstuk 3 van deze toelichting wordt de gekozen regeling nader toegelicht.
Hoofdstuk 2
16
3.
PLANBESCHRIJVING Binnen de gemeentegrenzen van de gemeente Baarle-Nassau geldt een veelheid aan ruimtelijke plannen, waaronder een verscheidenheid aan bestemmings-, uitwerkings- en/of wijzigingsplannen en enkele beheersverordeningen. De binnen op dit moment binnen de gemeentegrenzen geldende bestemmings-, uitwerkings- en wijzigingsplannen zijn onderliggend aan voorliggend paraplubestemmingsplan. Voor de gronden waarvoor het meest actuele juridisch-planologische kader wordt gevormd door een beheersverordening is reeds een separate paraplubeheersverordening opgesteld. Onderhavig paraplubestemmingsplan bevat: een uniform en actueel planologisch toetsingskader met betrekking tot archeologie; een uniform en actueel toetsingskader ten aanzien van parkeren en laden en lossen; het opnemen van een correcte regeling met betrekking tot externe veiligheid binnen de kom van Baarle-Nassau; het correct bestemmen van de bestaande gemeentewerf in Baarle-Nassau. In het vervolg van dit hoofdstuk is een nadere toelichting opgenomen ten aanzien van beide toetsingskaders zoals deze zijn opgenomen in onderhavig paraplubestemmingsplan. Archeologie De gemeente Baarle-Nassau beschikt over eigen beleid op het gebied van archeologie. Onderdeel van dit archeologische beleid is een archeologische beleidskaart.
Op de archeologische beleidskaart zijn meerdere archeologische kaarteenheden, variërend van een hoge archeologische verwachting tot een lage archeologische verwachting en archeologische waarden, weergegeven. In totaal zijn er 15 verschillende archeologische waarden en verwachtingszones op de beleidskaart opgenomen. Deze zijn onderverdeeld in 6 verschillende beleidscategorieën. Deze beleidscategorieën zijn vertaald naar 4 verschillende archeologische dubbelbestemmingen in dit paraplubestemmingsplan. In navolgend overzicht is aangegeven op wijze de beleidscategorieën zijn vertaald naar archeologische dubbelbestemmingen.
Hoofdstuk 3
17
Figuur 2: vertaling archeologische beleidscategorieën naar dubbelbestemmingen (bron: BAAC/BRO)
Voor specifieke locaties binnen de gemeente Baarle-Nassau geldt dat reeds archeologisch onderzoek is uitgevoerd, maar dat dit onderzoek nog niet is afgerond. Dat wil zeggen dat op basis van het vooronderzoek nog vervolgonderzoek noodzakelijk is. Voor betreffende locaties zijn in onderhavig paraplubestemmingsplan maatwerkregimes opgenomen. Dit is in beginsel gebeurd middels het opnemen van aanduidingen op de verbeelding van onderhavig paraplubestemmingsplan, tenzij een beoogd maatwerkregime voor een locatie overeenkwam met het regime voor één van de archeologische dubbelbestemmingen. Wanneer dit laatste het geval was, is ervoor gekozen voor een dergelijke locatie geen aanduiding op de verbeelding op te nemen maar om hiervoor een archeologische dubbelbestemming te hanteren. Daarnaast zijn er locaties waarvoor na vaststelling van de archeologische beleidskaart archeologisch onderzoek is uitgevoerd en die naar aanleiding van het uitgevoerde onderzoek zijn vrijgegeven. Ook in deze gevallen wordt een maatwerkregime gehanteerd, in die zin dat geen archeologische dubbelbestemming (meer) wordt gehanteerd voor de vrijgegeven locaties. Aangezien het archeologisch onderzoek voor de locaties waarvoor een maatwerkregime is opgenomen pas is uitgevoerd na vaststelling van de archeologische beleidskaart, zijn de maatwerkregimes niet als zodanig te herkennen op de archeologische beleidskaart.
BAAC heeft geïnventariseerd en inzichtelijk gemaakt voor welke locaties maatwerkregimes dienen te worden gehanteerd. In onderstaand overzicht (figuur 3) is aangegeven welke locaties het betreft. Hierbij is tevens aangegeven welke vertaalslag er heeft plaatsgevonden. In de bijlagen is een (beter leesbare) versie van deze kaart opgenomen.
Hoofdstuk 3
18
Figuur 3: Inventarisatiekaart maatwerkregimes (bron: BAAC/BRO).
Vanwege het hanteren van maatwerkregimes voor locaties waar reeds archeologisch onderzoek is uitgevoerd maar waar dit onderzoek nog niet is afgerond is er is er, aanvullend op de archeologische dubbelbestemmingen die een vertaling zijn van de beleidscategorieën uit de archeologische beleidskaart, ook een bestemming ‘Waarde – Archeologie 5’ opgenomen in de regels van onderhavig paraplubestemmingsplan. Tot slot zijn er locaties waarvoor weliswaar archeologisch onderzoek is uitgevoerd, maar waarbij het archeologisch onderzoek nooit is voorgelegd aan de gemeente. Daarom heeft de gemeente BaarleNassau nooit een selectiebesluit ten aanzien van de locaties kunnen nemen. In de bijlagen is aange-
Hoofdstuk 3
19
geven om welke locaties het gaat. Een uitsnede uit de in de bijlagen opgenomen kaart is weergegeven in de navolgende figuur. Zie tevens de bijlage bij deze toelichting voor een beter leesbare versie van deze kaart.
Figuur 4: Locaties waarvoor wel archeologisch onderzoek is uitgevoerd maar geen selectiebesluit is genomen (in blauw; bron: BAAC).
Zoals vermeld in de tabel met daarin de vertaling van beleidscategorieën uit de archeologische beleidskaart naar archeologische dubbelbestemmingen zijn er geen archeologische dubbelbestemmingen opgenomen voor archeologische monumenten. De reden hiervoor is dat deze archeologische monumenten anderszins worden beschermd. Archeologische monumenten komen binnen het plangebied overigens ook niet voor. Parkeren De gemeente Baarle-Nassau beschikt over eigen beleid omtrent parkeren en laden en lossen. Dit beleid is vastgelegd in de ‘Nota Parkeernormen 2011’ (hierna ook: Nota). In de Nota zijn parkeernormen voor verschillende functies opgenomen. Ook is bepaald welke correctiefactor moet worden toegepast voor de berekening van de parkeernormen ten behoeve van woningen. Uitgangspunt is dat op eigen terrein voldoende parkeerplaatsen moeten worden gerealiseerd. Op basis van de Nota kan van dit uitgangspunt onder omstandigheden worden afgeweken en kan in het uiterste geval ontheffing van de parkeereis worden verleend. De initiatiefnemer dient in dat laatste geval aan te tonen dat realisatie
Hoofdstuk 3
20
van (voldoende) parkeerplaatsen op eigen terrein of minder bouwvolume niet mogelijk zijn en dat de parkeerbehoefte niet elders kan worde gecompenseerd. Het is niet in alle gevallen mogelijk om het meest recente parkeerbeleid te effectueren. De redenen hiervoor zijn reeds benoemd in paragraaf 1.1. Om het meest recente parkeerbeleid in alle gevallen te kunnen effectueren, is daarom een uniforme regeling omtrent parkeren en laden en lossen opgenomen in onderhavig paraplubestemmingsplan. Concreet gezien is geregeld dat bij de uitoefening van de bevoegdheid voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen ten behoeve van het bouwen van een bouwwerk waarvan een behoefte aan parkeergelegenheid wordt verwacht of een omgevingsvergunning voor het afwijken van het planologisch regime moet worden verzekerd dat in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien. Dit betekent ten minste dient te worden voldaan aan de parkeernormen en uitgangspunten als opgenomen in de ‘Nota Parkeernormen 2011’. Dit kan al dan niet door middel van het toepassen van de in de Nota opgenomen mogelijkheden tot maatwerk. De afweging om de mogelijkheden tot maatwerk al dan niet toe te passen wordt dan op dezelfde wijze en volgens dezelfde criteria (zoals opgenomen in de Nota) gedaan als thans het geval is. Hiervoor is geen separate omgevingsvergunning om af te wijken van het paraplubestemmingsplan nodig.
Het kan in bepaalde gevallen wenselijk zijn om, indien er concrete omstandigheden aan de orde zijn en de mogelijkheden tot maatwerk uit de Nota niet toereikend zijn, toch een omgevingsvergunning te kunnen verlenen zonder dat aan de gestelde parkeernorm op eigen terrein wordt voldaan. Daarom is het wenselijk om in de parkeerregeling in het paraplubestemmingsplan een mogelijkheid op te nemen om in bijzondere omstandigheden van het parkeerbeleid te kunnen afwijken. Als voorwaarde wordt hiervoor gesteld dat moet worden onderbouwd dat dit de bereikbaarheid niet onevenredig aantast. Ook geldt in een dergelijk geval altijd de eis dat er sprake moet zijn van een goede ruimtelijke ordening. Tot slot is bepaald dat indien het gemeentelijke parkeerbeleid gedurende de werking van onderhavig paraplubestemmingsplan wordt gewijzigd, bij de verlening van de omgevingsvergunning rekening wordt gehouden met deze wijziging. Het opnemen van deze laatste bepaling maakt de verwijzing naar het gemeentelijke parkeerbeleid dynamisch. Zodoende kan altijd het meest actuele beleid worden toegepast en kan worden ingespeeld op toekomstige trends, ontwikkelingen en inzichten, zonder dat hiervoor telkens van het planologisch regime moet worden afgeweken. Regeling externe veiligheid bebouwde kom Baarle-Nassau Op 11 april 2012 is het bestemmingsplan ‘Dorpen’ vastgesteld.
Dit bestemmingsplan ziet – kort gezegd – op de bebouwde kom van Baarle-Nassau en Ulicoten. Daarna zijn diverse postzegelbestemmingsplannen vastgesteld die zijn gebaseerd op de regeling als opgenomen in het bestemmingsplan ‘Dorpen’. In 2016 heeft de provincie Noord-Brabant onderzoek uitgevoerd naar de borging van het aspect externe veiligheid in bestemmingsplannen. Uit dat onderzoek volgde dat dit aspect in de regeling van het
Hoofdstuk 3
21
bestemmingsplan ‘Dorpen’ (en daarmee ook in een aantal gelijkluidende postzegelbestemmingsplannen) niet goed is geborgd. Het bestemmingsplan ‘Dorpen’ (en de hierop gebaseerde postzegelbestemmingsplannen) voorziet namelijk in de eerste plaats niet in een verbod op risicovolle inrichtingen binnen de bestemmingen ‘Bedrijf’ en ‘Bedrijventerrein’. Anderzijds voorzien deze plannen ook niet in een verbod op kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten binnen de plaatsgebonden risicocontour 10 -6 per jaar van risicovolle inrichtingen. Bij kwetsbare objecten gaat het bijvoorbeeld om gebouwen waarin doorgaans grote aantallen personen gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig zijn (meer dan 50 personen). Bij beperkt kwetsbare objecten gaat het bijvoorbeeld om overige bedrijfs- en kantoorgebouwen. Kort gezegd betekent dit dat het bestemmingsplan er niet aan in de weg staat dat een kwetsbaar object of een beperkt kwetsbaar object (zonder gewichtige motivering) op te korte afstand tot een risicovolle inrichting gerealiseerd wordt. Dat is niet in overeenstemming met het Besluit externe veiligheid inrichtingen. In de toelichting op het bestemmingsplan ‘Dorpen’ ontbreekt eveneens een inventarisatie van risicobronnen en een verantwoording van het groepsrisico.
De Provincie heeft de gemeente Baarle-Nassau verzocht om het bestemmingsplan ‘Dorpen’ te repareren voor zover dit bestemmingsplan in strijd is met het Bevi. Dit paraplubestemmingsplan geeft hieraan invulling. Om te voldoen aan het Bevi is in dit paraplubestemmingsplan een regeling opgenomen die er toe strekt dat (nieuwe) risicovolle inrichtingen enerzijds en kwetsbare objecten en (nieuwe) beperkt kwetsbare objecten anderzijds niet op korte afstand van elkaar kunnen worden gesitueerd. Deze regeling is als volgt opgebouwd: Op de verbeelding van het paraplubestemmingsplan is een zone aangegeven (‘overige zone – externe veiligheid’), waar aanvullende regels omtrent het onderdeel externe veiligheid worden gesteld. Deze regels gelden dus aanvullend op de vigerende bestemmingsplannen. Deze zone komt overeen met het plangebied van het bestemmingsplan ‘Dorpen’ en de postzegelbestemmingsplannen, waarin de externe veiligheidsborging evenmin voldoet. Binnen de bedoelde zone zijn nieuwe risicovolle inrichtingen alleen toegestaan als de plaatsgebonden risicocontour 10-6 per jaar binnen de grenzen van de inrichting blijft. Voor bestaande risicovolle inrichtingen geldt een uitzondering. Door middel van een omgevingsvergunning kan een verandering van het gebruik van een bestaande risicovolle inrichting worden vergund.
De plaatsgebonden risicocontouren 10-6 van de bestaande risicovolle inrichtingen binnen het betreffende gebied zijn op de verbeelding van het paraplubestemmingsplan weergeven door middel van de aanduiding ‘veiligheidszone – Bevi’. Kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten zijn niet toegestaan binnen de aanduiding ‘veiligheidszone – Bevi’, met uitzondering van bestaande beperkt kwetsbare objecten. Door middel van een omgevingsvergunning kan een verandering van het gebruik van een bestaand beperkt kwetsbaar object binnen de veiligheidszone onder strikte voorwaarden worden toegestaan. Tevens is aan de bijlagen bij de toelichting op het paraplubestemmingsplan een studie externe veiligheid toegevoegd. Voor een beschouwing van deze studie en een verantwoording van het aspect externe veiligheid wordt verwezen naar paragraaf 4.3 van deze toelichting.
Hoofdstuk 3
22
Reparatie planologische regeling gemeentewerf Smederijstraat 4 te Baarle-Nassau en correctie begrenzing milieustraat Baarle-Hertog Gemeentewerf Aan de Smederijstraat 4 te Baarle-Nassau is de gemeentewerf gelegen. In het geldende bestemmingsplan ‘Dorpen’ is uitsluitend het zuidelijke deel daarvan correct bestemd als ‘milieustraat’. In het noordelijke deel zijn alleen bedrijven tot en met milieucategorie 2 toegestaan binnen de ter plaatse geldende bestemming ‘Bedrijventerrein’. Een gemeentewerf is ingedeeld in milieucategorie 3.1. Daarmee is het noordelijke deel van de gemeentewerf in strijd met het bestemmingsplan aanwezig. Op 15 februari 2007 is een bouwvergunning verleend voor de ter plaatse aanwezige garage en open loods. Het is gewenst om dit noordelijke deel alsnog als ‘gemeentewerf’ te bestemmen in dit paraplubestemmingsplan. In dit paraplubestemmingsplan wordt voor de gemeentewerf een specifieke regeling opgenomen. De gemeentewerf behoudt de bestemming ‘Bedrijventerrein’, inclusief het bestaande bouwvlak en krijgt een functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – gemeentewerf’. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de gemeentewerf ter plaatse kan functioneren (zie par. 4.4), zodat het positief bestemmen van de bestaande gemeentewerf passend is.
Voorwaarde hiervoor is wel dat de volgende randvoorwaarden in het bestemmingsplan worden vastgelegd: Er moet een muur in de meest noordwestelijke hoek van de gemeentewerf worden gerealiseerd. Bepaalde activiteiten die stofhinder kunnen veroorzaken moeten worden uitgesloten in het noordwestelijke deel van de gemeentewerf. Bepaalde activiteiten die geurhinder kunnen veroorzaken moeten worden uitgesloten in het noordwestelijke deel van de gemeentewerf. De aanduiding ‘bedrijfswoning’ ter plaatse van de Oordeelsestraat 18 moet worden verkleind. Hier is feitelijk geen woning aanwezig, zodat dit niet op overwegende bezwaren stuit. De begrenzing van de aanduiding ‘bedrijfswoning’ is aangepast, zodat er geen belemmeringen over en weer ontstaan, wanneer in de toekomst een bedrijfswoning ter plaatse wordt gerealiseerd. Hiervoor blijft voldoende ruimte over. Daartoe is de volgende regeling opgenomen, welke aanvullend op de bepalingen uit de vigerende bestemmingsplannen geldt: k. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - gemeentewerf' tevens voor een gemeentewerf, met dien verstande dat: 1. de opvang van groenafval uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - opvang groenafval'; [Deze aanduiding is opgenomen in het noordwestelijk deel van de gemeentewerf] 2.
de opvang van veegvuil uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - opvang veegvuil'; [Deze aanduiding is opgenomen aan de zuidkant van de gemeentewerf] 3. het gebruik van de gronden en bebouwing voor een gemeentewerf uitsluitend is toegestaan, voor zover ter plaatse van de aanduiding 'geluidscherm' een geluidwerende voorziening met een hoogte van ten minste 2 meter is gerealiseerd en in stand wordt gehouden. [Deze aanduiding is aan de noordwestelijke randen van de gemeentewerf opgenomen] In figuur 5 is een uitsnede van de verbeelding met de herziene planologische regeling voor de gemeentewerf opgenomen.
Hoofdstuk 3
23
Milieustraat Op de gronden ten zuiden van de gemeentewerf is de milieustraat Baarle-Hertog aanwezig. Deze ligt gedeeltelijk op Nederland en gedeeltelijk op Belgisch grondgebied. Uit een inventarisatie door de gemeente is gebleken dat het noordelijke gedeelte van de milieustraat in het vigerende bestemmingsplan ‘Dorpen’ niet correct is bestemd. De functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – milieustraat’ is te klein opgenomen. Dit wordt conform de bestaande situatie gecorrigeerd in het paraplubestemmingsplan. Op figuur 5 is de aangepaste begrenzing van de milieustraat zichtbaar.
Figuur 5: uitsnede verbeelding milieustraat en noordelijk deel gemeentewerf
Hoofdstuk 3
24
4.
OMGEVINGSASPECTEN In dit hoofdstuk worden de diverse omgevingsaspecten aangehaald. Het paraplubestemmingsplan wordt aan deze elementen getoetst. Een en ander dient ter onderbouwing waarom er sprake is van een goede ruimtelijke ordening bij de in onderhavig paraplubestemmingsplan opgenomen planologische mogelijkheden. Door het middels onderhavig paraplubestemmingsplan voorzien in een uniform en actueel planologisch toetsingskader met betrekking tot archeologie en parkeren en laden en lossen worden geen nieuwe (hoofd)functies mogelijk gemaakt. Ook vindt er hiermee geen verruiming plaats van de gebruiksmogelijkheden van bestaande functies. In zoverre voorziet onderhavig paraplubestemmingsplan, ten opzichte van de reeds voor het plangebied vigerende bestemmings- uitwerkings- en wijzigingsplannen, niet in nieuwe planologische mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen. Ten aanzien van de externe veiligheidsregeling geldt dat de nieuwe regeling waarborgt dat alsnog wordt voldaan aan de wetgeving op het gebied van externe veiligheid (specifiek: het Besluit externe veiligheid inrichtingen). Dit gebeurt op basis van een eerder onderzoek door een verzoek van de provincie. Ook deze regeling voorziet niet in nieuwe planologische mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen, maar in een nadere inkadering daarvan.
Gelet op het hiervoor beschrevene is de aard van onderhavig bestemmingsplan hoofdzakelijk consoliderend. Dit betekent dat op voorhand kan worden gesteld dat de meeste omgevingsaspecten, met uitzondering van verkeer en parkeren, archeologie en externe veiligheid, minder relevant zijn in het kader van onderhavig paraplubestemmingsplan. Met het repareren van de planologische regeling voor de gemeentewerf in Baarle-Nassau wordt de planologische situatie in overeenstemming met de bestaande feitelijke situatie gebracht. Dit betreft in planologische zin wél een ruimtelijke ontwikkeling, omdat de gebruiksmogelijkheden worden verruimd. Ten aanzien van deze wijziging is specifiek het aspect bedrijven en milieuzonering van belang. Overige omgevingsaspecten spelen voor deze wijziging in beginsel geen rol, omdat er reeds sprake is van een feitelijk bestaande situatie, waardoor er geen fysieke wijzigingen aan de orde zijn, de betreffende locatie al een Bedrijfsbestemming heeft en er geen nieuwe gevoelige functie mogelijk wordt gemaakt.
4.1 Verkeer en parkeren 4.1.1 Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bepaald wat de effecten van onderhavig paraplubestemmingsplan op de verkeersaantrekkende werking van de functies binnen het plangebied zijn. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van CROW-publicatie 381. Deze kengetallen geven een indicatie van de met het paraplubestemmingsplan gepaard gaande extra verkeersgeneratie. Ook
Hoofdstuk 4
25
bieden ze richtlijnen voor het aantal te realiseren parkeerplaatsen. Gemeenten kunnen er echter ook voor kiezen om zelf parkeernormen vaststellen. De gemeente Baarle-Nassau heeft ervoor gekozen om zelf parkeernormen vast te stellen. De meest actuele gemeentelijke parkeernormen voor de gemeente Baarle-Nassau zijn opgenomen in de ‘Nota Parkeernormen Baarle-Nassau 2011’. De doelstelling waarmee deze nota is opgesteld is het bieden van een toetsingskader voor het bepalen van de parkeerbehoefte van ruimtelijke plannen en ontwikkelingen in de gemeente Baarle-Nassau om daarmee de bereikbaarheid en leefbaarheid te waarborgen. Met behulp van dit toetsingskader moet worden voorkomen dat als gevolg van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen parkeerproblemen in de openbare ruimte ontstaan. De parkeernormen voor diverse functies zijn opgenomen in bijlage 1 bij deze nota. Er wordt hierbij een onderscheid gemaakt tussen parkeernormen voor twee verschillende gebiedstypen: ‘centrum’ en ‘overig’. In de nota is ten aanzien hiervan een gebiedsindeling opgenomen. Vermeld dient te worden dat de opgenomen parkeernormen minimale parkeernormen zijn en dat de parkeerbehoefte in beginsel op eigen terrein dient te worden gerealiseerd.
4.1.2 Onderzoek Verkeer Door het middels onderhavig paraplubestemmingsplan voorzien in een uniform en actueel planologisch toetsingskader met betrekking tot archeologie, externe veiligheid, parkeren en laden en lossen worden geen nieuwe (hoofd)functies mogelijk gemaakt. Ook vindt er hiermee geen verruiming plaats van de gebruiksmogelijkheden van bestaande functies. In zoverre voorziet onderhavig paraplubestemmingsplan, ten opzichte van de reeds voor het plangebied vigerende bestemmings- uitwerkings- en wijzigingsplannen, niet in nieuwe planologische mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het opnemen van een toetsingskader met betrekking tot archeologie en parkeren en laden en lossen leidt dan ook niet tot veranderingen in de verkeersgeneratie van de functies binnen het plangebied van onderhavig paraplubestemmingsplan. Met het correct bestemmen van de gemeentewerf is er wel sprake van een ruimtelijke ontwikkeling. Echter is er geen sprake van een uitbreiding van de bestaande bestemming ‘Bedrijventerrein’, noch van de bouwmogelijkheden. De planologische wijziging leidt daarmee niet tot een wijziging in het te verwachten aantal verkeersbewegingen. Gelet op het hiervoor beschrevene kan een verdere kwantitatieve onderbouwing ten aanzien van het deelaspect verkeer achterwege blijven.
Bij de realisatie van nieuwe functies en/of het toestaan van nieuwe rechtstreekse gebruiksmogelijkheden zal per specifiek geval moeten worden bekeken of sprake is van een mogelijke toename in de verkeersgeneratie.
Hoofdstuk 4
26
Parkeren Onderhavig paraplubestemmingsplan is onder andere opgesteld omdat het parkeerbeleid van de gemeente Baarle-Nassau, als vastgelegd in de Nota Parkeernormen Baarle-Nassau 2011, op dit moment niet in alle gevallen kan worden geëffectueerd. Hiervoor zijn, indien dit laatste het geval is, verschillende redenen. Het gaat hierbij om één of meerdere van de volgende redenen: In niet alle ruimtelijke plannen van de gemeente Baarle-Nassau is een regeling omtrent parkeren opgenomen. De parkeerregeling uit de gemeentelijke bouwverordening is per 1 juli 2018 komen te vervallen. Hierdoor kan niet worden teruggevallen op deze regeling. In sommige ruimtelijke plannen is weliswaar een parkeerregeling opgenomen, maar als gevolg van een fixatie of een statische verwijzing in de regels van deze plannen kan enkel verouderd parkeerbeleid worden toegepast. Onderhavig paraplubestemmingsplan draagt ertoe bij dat het meest recente parkeerbeleid kan worden geëffectueerd op locaties waarvoor bestemmings-, uitwerkings- of wijzigingsplan het meest actuele juridisch-planologische kader vormt. De effectuering van het meest recente gemeentelijke parkeerbeleid op locaties waarvoor een beheersverordening als meest actueel juridisch-planologisch kader geldt, zal plaatsvinden middels een nieuwe paraplubeheersverordening.
Deze paraplubeheersverordening heeft onder andere betrekking op de onderwerpen waarop onderhavig paraplubestemmingsplan ziet, namelijk archeologie en parkeren. Door het middels onderhavig paraplubestemmingsplan voorzien in een uniform en actueel planologisch toetsingskader met betrekking tot archeologie en parkeren en laden en lossen worden geen nieuwe (hoofd)functies mogelijk gemaakt. Ook vindt er hiermee geen verruiming plaats van de gebruiksmogelijkheden van bestaande functies. In zoverre voorziet onderhavig paraplubestemmingsplan, ten opzichte van de reeds voor het plangebied vigerende bestemmings- uitwerkings- en wijzigingsplannen, niet in nieuwe planologische mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het opnemen van een toetsingskader met betrekking tot archeologie en parkeren en laden en lossen leidt dan ook niet tot veranderingen in de parkeerbehoefte van de functies binnen het plangebied van onderhavig paraplubestemmingsplan. Met het correct bestemmen van de gemeentewerf is er wel sprake van een ruimtelijke ontwikkeling. Echter is er geen sprake van een uitbreiding van de bestaande bestemming ‘Bedrijventerrein’, noch van de bouwmogelijkheden. De juridisch-planologische situatie wordt in overeenstemming gebracht met de feitelijke situatie. Dit betekent dat door deze reparatie ook geen feitelijke toename in de parkeerbehoefte wordt veroorzaakt.
Bij de realisatie van nieuwe functies en/of het toestaan van nieuwe rechtstreekse gebruiksmogelijkheden zal per specifiek geval moeten worden bekeken in hoeverre wordt voldaan aan het gemeentelijke parkeerbeleid.
Hoofdstuk 4
27
4.1.3 Conclusie Er is geen sprake van belemmeringen met betrekking tot het aspect verkeer en parkeren.
4.2 Archeologie 4.2.1 Toetsingskader Europese Unie (voormalig: Raad van Europa) Verdrag van Malta Het Europese verdrag betreffende de bescherming van het archeologische erfgoed is in 1992 in Valletta (Malta) ondertekend door de ministers van Cultuur van de landen aangesloten bij de Raad van Europa. Dit verdrag wordt het ‘Verdrag van Malta’ of ‘Verdrag van Valletta’ genoemd. Het ‘Verdrag van Malta’ heeft als doel archeologische resten in Europa te beschermen als onvervangbaar onderdeel van het culturele erfgoed. Uitgangspunt van dit verdrag is om het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk in situ (ter plekke in de bodem) te behouden. Sindsdien geldt dat waar dit niet mogelijk is, het bodemarchief met zorg ontsloten dient te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de planologische besluitvormingsprocessen. De veroorzaker van de bodemverstoring is verantwoordelijk voor het vroegtijdig (laten) uitvoeren van archeologisch onderzoek en de financiering daarvan (het ‘veroorzaker betaalt principe’). Onderzoek moet worden uitgevoerd door een daarvoor gecertificeerde instantie en worden afgesloten met een schriftelijke wetenschappelijke verslaglegging. Een informatieplicht is vastgelegd in de vorm van verplichte uitwisseling van informatie en het actueel houden van een databank met archeologische gegevens.