CConstaterende datBaarle-Nassau
Koppel je AI →
Document · PDF

3.9 - Bijlage 2 - toelichting ontwerp bestemmingsplan Gierlestraat 1

Gemeenteraad (openbaar) 7 februari 2024, gemeente Baarle-NassauBij agendapunt: Categorie 3: Raadsinformatiebrieven ter kennisgeving16.397 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Toelichting

Bestemmingsplan “Gierlestraat 1 te Baarle-Nassau” Planstatus: Datum: Plan identificatie:

ontwerp 2023-12-04 NL.IMRO.0744.BPGierlestraat1-ON01

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Colofon

Titel:

Bestemmingsplan “Gierlestraat 1 te Baarle-Nassau”

Ontwerp: Molenzicht 2 4881 BW ZUNDERT Tel: 076-5990340 www.schoenmakersadvies.nl Projectnummer:

191040

Rapportnummer

191040.01

Datum:

4 december 2023

Copyright © Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, elektronisch of op welke wijze dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de auteurs.

Bestemmingsplan toelichting 191040

Pagina 2 van 48

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Toelichting Bestemmingsplan toelichting 191040

Pagina 3 van 48

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Inleiding ................................................................................................................................. 5 1.1 Aanleiding .............................................................................................................................................. 5 1.2 Ligging en begrenzing van de planlocatie .............................................................................................. 5 1.3 Vigerende bestemmingsplannen ........................................................................................................... 6 1.4 Leeswijzer .............................................................................................................................................. 6 Hoofdstuk 2 Bestaande situatie .................................................................................................................. 7 2.1 Beschrijving plangebied ......................................................................................................................... 7 2.2 Ruimtelijke structuur ............................................................................................................................. 7 2.3 Verkeer en parkeren ..............................................................................................................................

7 2.4 Groen- en waterstructuur...................................................................................................................... 7 2.5 Functionele structuur ............................................................................................................................ 7 2.6 Bestaande situatie planlocatie .............................................................................................................. 8 Hoofdstuk 3 Toekomstige situatie ............................................................................................................ 10 3.1 Algemeen ............................................................................................................................................. 10 3.2 Verkeer en parkeren ............................................................................................................................ 11 3.3 Landschappelijke inpassing ................................................................................................................. 12 Hoofdstuk 4 Beleidskader......................................................................................................................... 13 4.1 Algemeen .............................................................................................................................................

13 4.2 Beleid Europees en Rijksniveau ........................................................................................................... 13 4.3 Beleid provinciaal niveau ..................................................................................................................... 14 4.4 Beleid gemeentelijk niveau ................................................................................................................. 21 Hoofdstuk 5 Relevante (milieu)aspecten .................................................................................................. 24 5.1 Algemeen ............................................................................................................................................. 24 5.2 Bodem ................................................................................................................................................. 24 5.3 Water ................................................................................................................................................... 24 5.4 Cultuurhistorie en archeologie ............................................................................................................ 27 5.5 Ecologie ...............................................................................................................................................

30 5.6 Wegverkeerslawaai ............................................................................................................................. 33 5.7 Bedrijven en milieuzonering ................................................................................................................ 34 5.8 Externe veiligheid ................................................................................................................................ 38 5.9 Kabels en leidingen .............................................................................................................................. 41 5.10 Luchtkwaliteit ...................................................................................................................................... 41 5.11 Toetsing besluit milieueffectrapportage ............................................................................................. 42 Hoofdstuk 6 Juridische aspecten .............................................................................................................. 44 6.1 Inleiding ............................................................................................................................................... 44 6.2 Algemene toelichting verbeelding .......................................................................................................

44 6.3 Algemene toelichting regels ................................................................................................................ 44 Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid ................................................................................................................... 47 7.1 Economische uitvoerbaarheid ............................................................................................................. 47 7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ...................................................................................................... 47

Bestemmingsplan toelichting 191040

Pagina 4 van 48

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Van oudsher is de locatie Turnhoutseweg 55 en Gierlestraat 1-3 als één locatie (agrarisch bedrijf) in gebruik. De locatie ligt deels op Nederlands en Belgisch grondgebied. De locatie Gierlestraat 1-3 is op dit moment in gebruik als een niet-agrarisch bedrijf. Om de locatie een kwalitatieve herbestemming te geven is het uitgangspunt om het ensemble van het boerenerf te behouden en te versterken. De eigenaar van Gierlestraat 1 heeft het voornemen om een gedeelte van de locatie te herbestemmen naar de woonbestemming. In het vigerende bestemmingsplan ‘Gierlestraat 1-3 te Baarle-Nassau’ heeft de locatie Gierlestraat 1 de bestemming ‘Bedrijf’ met de functieaanduidingen ‘specifieke vorm van bedrijf – industriële en agroautomatisering’, ‘cultuurhistorische waarden’ en ‘parkeerterrein’. De initiatiefnemer heeft het voornemen om in de Vlaamse schuur, die de aanduiding ‘cultuurhistorische waarden’ heeft, een woning te realiseren. De redengevende omschrijving ten aanzien van de cultuurhistorische waarden van de schuur is bijgevoegd in bijlage 3. De locatie Gierlestraat 1 leent zich voor een woning in de cultuurhistorisch waardevolle schuur, het perceel is van voldoende grootte. De nieuwe woning wordt gerealiseerd in de Vlaamse schuur. De nieuwe woning zal een landelijke uitstraling krijgen die passend is de omgeving, het buitengebied.

Het college heeft op 26 februari 2020 het principebesluit genomen onder randvoorwaarden medewerking te verlenen aan het realiseren van een woning in de Vlaamse schuur. Om het mogelijk te maken een woning in de Vlaamse schuur te realiseren dient het bestemmingsplan gewijzigd te worden. Er is geen wijzigingsbevoegdheid opgenomen in het vigerende bestemmingsplan. Daarom is er gekozen om het bestemmingsplan ‘Gierlestraat 1-3 te Baarle-Nassau’ te herzien middels voorliggend bestemmingsplan. 1.2

Ligging en begrenzing van de planlocatie

De planlocatie ligt aan de Gierlestraat, in de gemeente Baarle-Nassau. Het perceel is bij de gemeente kadastraal bekend onder de kadastrale gemeente BLE, sectie F, onder de nummers 1551 en 1552. In figuur 1 en 2 is de planlocatie weergegeven.

Figuur 1: Ligging planlocatie op luchtfoto Bestemmingsplan toelichting 191040

Pagina 5 van 48

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Figuur 2: Ligging planlocatie op topografische kaart

1.3

Vigerende bestemmingsplannen

De planlocatie Gierlestraat 1 te Baarle-Nassau ligt in het bestemmingsplan ‘Gierlestraat 1-3 te Baarle-Nassau’. Het bestemmingsplan is vastgesteld op 1 juli 2020. 1.4

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de huidige situatie van de planlocatie. De toekomstige situatie wordt behandeld in hoofdstuk 3. In hoofdstuk 4 van de toelichting wordt het vigerende beleid op Europees, Rijks, provinciaal en gemeentelijk niveau beschreven dat voor ontwikkeling van de planlocatie relevant is. Hoofdstuk 5 beschrijft vervolgens de uitgangspunten en randvoorwaarden, die van belang zijn voor de ontwikkeling van de planlocatie. Hierbij worden onder andere de gevolgen van de ontwikkeling op het gebied van water, natuur, luchtkwaliteit, archeologie en bodem beschreven. In hoofdstuk 6 en hoofdstuk 7 wordt respectievelijk de juridische aspecten en de uitvoerbaarheid beschreven.

Bestemmingsplan toelichting 191040

Pagina 6 van 48

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Hoofdstuk 2 2.1

Bestaande situatie

Beschrijving plangebied

Van oudsher is de locatie Turnhoutseweg 55 en Gierlestraat 1-3 als één locatie (agrarisch bedrijf) in gebruik. De locatie ligt deels op Nederlands en Belgisch grondgebied. Om de locatie een kwalitatieve herbestemming te geven is het uitgangspunt om het ensemble van het boerenerf te behouden en te versterken. Over het boerenerf loopt de grens van Nederland en België. Op deze locatie zijn talloze verhalen over ‘de grens’ te vertellen, zoals het smokkelen. Om dit niet verloren te laten gaan, is het initiatief om het boerenerf ensemble te behouden. 2.2

Ruimtelijke structuur

De planlocatie ligt ten zuiden van de kern Baarle-Nassau. De bebouwing langs de Gierlestraat wordt voornamelijk gekenmerkt door vrijstaande woningen en enkele agrarische gebouwen. De woningen bestaan voornamelijk uit één of anderhalve bouwlaag met een kap. De kaprichting wisselt van haaks tot evenwijdig aan de weg. 2.3

Verkeer en parkeren

De planlocatie ligt aan de Gierlestraat in Baarle-Nassau. De Gierlestraat is een lokale verbindingsweg aan de rand van de bebouwde kom en sluit aan op de Turnhoutseweg, de verbindingsweg tussen Baarle-Nassau en Baarle-Hertog en de stad Turnhout. De Gierlestraat heeft ter plaatse van de planlocatie een snelheidsregime van 60 km/h. Dit jaar worden een aantal bebouwde komgrenzen verplaatst in de gemeente Baarle-Nassau. De Gierlestraat zal dan binnen de bebouwde kom komen te vallen en krijgt daarmee een maximum snelheid van 50 km/h. Het parkeren vindt plaats op eigen terrein. 2.4

Groen- en waterstructuur

Rondom de planlocatie bevinden zich voornamelijk agrarische gronden en tuinpercelen. Het groen op de planlocatie bestaat voornamelijk uit tuin- en erfbeplanting. 2.5

Functionele structuur

2.5.1

Wonen

In de directe omgeving van de planlocatie komen woonfuncties en (agrarische)bedrijfsfuncties voor. Zowel (agrarische)bedrijfswoningen als burgerwoningen zijn in de omgeving te vinden. Hoofdzakelijk zijn de woningen vrijstaand. 2.5.2

Maatschappelijke voorzieningen

In de directe omgeving van de planlocatie zijn geen maatschappelijke voorzieningen gevestigd. De maatschappelijke voorzieningen zijn gelegen in de kern van Baarle-Nassau. 2.5.3

Bedrijven, horeca en detailhandel

Rondom het plangebied bevinden zich enkele agrarisch bedrijven en niet-agrarische bedrijven. In de omgeving is geen detailhandel aanwezig, de dichtstbijzijnde detailhandel is in de kern van Baarle-Nassau gevestigd.

Bestemmingsplan toelichting 191040

Pagina 7 van 48

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Figuur 3: functiekaart

2.6

Bestaande situatie planlocatie

Op de planlocatie staan twee gebouwen, die van cultuurhistorische waarde zijn, dit betreft de langgevelboerderij en de Vlaamse schuur naast de langgevelboerderij. De redengevende omschrijving voor de cultuurhistorische waarden van deze gebouwen staat vermeld in bijlage 3 van dit bestemmingsplan. De langgevelboerderij en de varkensstallen staan op Belgisch grondgebied, de overige bebouwing staat op Nederlands grondgebied. De Vlaamse schuur heeft een omvang van 250 m2. Rechts van de schuur is een tuinmuur met betonnen afdekplaat gelegen, in afwijkende steensoort en metselverband. Deze ommuuring van het erf, met twee poorten door middel van penanten met accenten in de muur zijn aangebracht, is in 1926 gebouwd tussen de boerderij en toenmalige graanschuur en loopt door tot de boerderij. Daarnaast is er op de planlocatie recent een nieuw bedrijfspand gerealiseerd van circa 500 m² ten behoeve van de bedrijfsbestemming. Het betreft een dienstverlenend bedrijf op het gebied van industriële- en agroautomatisering. Het bedrijfsgebouw wordt op een afstand van 10 meter van de cultuurhistorische schuur en het perceel van de naastgelegen woning aan de Gierlestraat gepositioneerd. Het voornemen is om de langgevelboerderij te splitsen in twee woongedeelten en daarnaast de cultuurhistorische schuur om te bouwen naar een woning.

De Vlaamse schuur is een cultuurhistorisch waardevol gebouw vanwege de cultuurhistorische, architectuurhistorische en situationele waarde in relatie tot de gaafheid en herkenbaarheid. De schuur is opgetrokken in baksteen en voorzien van een keramisch mulden pannendak in een oranje herfstkleur. Inpandig is de oorspronkelijke houten gebintsconstructie behouden gebleven. De architectuur van de gebouwen, die herbestemd worden, dienen qua vorm, maat, schaal en uitstraling te passen in het ensemble van het boerenerf. Het nieuwe bedrijfspand ter hoogte van de ligboxenstal, heeft een uitstraling van een boerenschuur, waarbij het uitgangspunt ligt op natuurlijke kleuren en materialen. Dit pand versterkt hiermee het boerenerf-ensemble. De percelen hebben een gezamenlijke omvang van 3.686 m2. Onderstaand zijn enkele foto’s van de bebouwing op het perceel weergegeven. In figuur 5 is een overzicht van de huidige situatie afgebeeld. Bestemmingsplan toelichting 191040

Pagina 8 van 48

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Vlaamse schuur Gierlestraat 1

Bedrijfsgebouw Gierlestraat 3 Figuur 4: Foto’s planlocatie

Woning Turnhoutseweg 55

Figuur 5: Bestaande situatie Bestemmingsplan toelichting 191040

Pagina 9 van 48

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Hoofdstuk 3 3.1

Toekomstige situatie

Algemeen

Het initiatief op de planlocatie betreft het behouden van een samenhangend boerenerf. Het voornemen is om de langgevelboerderij op de locatie Turnhoutseweg 55 te splitsen in twee woongedeelten. In de toekomst zullen de varkensstallen, gelegen achter de langgevelboerderij, worden gesloopt. Op de locatie Gierlestraat 3 wordt ter plaatse van de ligboxenstal een bedrijfsgebouw opgericht voor een dienstverlenend bedrijf op het gebied van industriële- en agro-automatisering. De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling op de planlocatie Gierlestraat 1 omvat het realiseren van een woning in de Vlaamse schuur. Planologisch wordt de situatie aangepast aan de feitelijke situatie. De enkelbestemming blijft ‘Bedrijf’. De Vlaamse schuur krijgt de functieaanduiding ‘cultuurhistorische/beeldbepalende woning’. De gronden rondom de Vlaamse schuur krijgen de functieaanduiding ‘Wonen’. De functieaanduiding ‘Wonen’ krijgt een oppervlakte van ca. 692 m². De werkomschrijving voor het behoud en herstel van de Vlaamse schuur is als bijlage 2 toegevoegd aan de bestemmingsplanregels. Het bedrijfsgebouw op de locatie Gierlestraat 3 wordt op een afstand van minimaal 10 meter van de cultuurhistorische schuur geplaatst. In figuur 6 en 7 is de nieuwe situatie weergegeven.

Figuur 6: Nieuwe situatie

Bestemmingsplan toelichting 191040

Pagina 10 van 48

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Figuur 7: Nieuwe situatie 3D

Op bovenstaande afbeeldingen is te zien dan het boerenerf op de locatie Turnhoutseweg 55 en Gierlestraat 1-3 een samenhangend geheel vormt. Midden in het ensemble is een erf aanwezig, waardoor de aanwezige bebouwing met elkaar in verbinding komt te staan. Voor de aanwezige verharding op het boerenensemble is het uitgangspunt semi-verharding en gebakken materialen, welke passend zijn bij een boerenerf uit de tijd van de langgevelboerderij en de schuur. Op de locatie wordt voor de cultuurhistorische schuur een boomgaard aangeplant. Door op deze locatie de boomgaard aan te planten en de bestaande beplanting uit te dunnen, ontstaat er een doorzicht vanuit de Turnhoutseweg. Hierdoor wordt vanuit het openbare gebied zichtbaarheid gegeven aan het boerenerf. Verder worden er extra doorzichten gecreëerd richting het openbaar gebied, waardoor het zicht op de cultuurhistorische schuur en het gehele boerenerfensemble benadrukt wordt. 3.2

Verkeer en parkeren

De planlocatie wordt rechtstreeks ontsloten op de Gierlestraat. De gemeente Baarle-Nassau heeft een eigen parkeernota vastgesteld, dit betreft de ‘Nota parkeren 2011’. Deze nota gebruikt de normen uit de CROW (ASVV 2004) als basis, maar houdt rekening met de specifieke situatie in Baarle-Nassau en de wensen die er zijn voor wat betreft parkeren op het eigen en openbaar terrein. In de parkeernorm wordt een verdeling gemaakt in ‘centrum Baarle-Nassau’ en ‘overig gemeente Baarle-Nassau’. De locaties Gierlestraat 1 en 3 vallen onder ‘overig gemeente Baarle-Nassau’. Tabel 1: Berekening benodigde bruto aantal parkeerplaatsen Gierlestraat 1 Berekening aantal bruto benodigde parkeerplaatsen naar aanleiding van de uitgangspunten Overig gemeente Aantal woningen Baarle-Nassau Woning > 100 m2 Per woning 2.0 1 Totaal 1

Aantal pp. 2 2 pp.

Voor een woning met een oppervlakte groter dan 100 m2 geldt een parkeernorm van 2 parkeerplaatsen per woning. De 2 parkeerplaatsen worden bij de nieuwe woning gerealiseerd.

Bestemmingsplan toelichting 191040

Pagina 11 van 48

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Tabel 3: Berekening benodigde bruto aantal parkeerplaatsen Gierlestraat 3 Berekening aantal bruto benodigde parkeerplaatsen naar aanleiding van de uitgangspunten Overig gemeente Aantal m2 BVO Baarle-Nassau Loods, opslag, groothandel, Per 100 m2 BVO 0.8 192 transportbedrijf Garagebedrijf, laboratorium, Per 100 m2 BVO 2.3 440 werkplaats Totaal 632

Aantal pp. 1.536 10.12 11.66 pp = 12 pp

Het bedrijf op de locatie Gierlestraat 3 wordt deels ingericht als opslag en deels als werkplaats. Er wordt circa 192 m2 ingericht als opslag en circa 440 m2 ingericht als werkplaats. Voor het bedrijf geldt een parkeernorm van 12 parkeerplaatsen. Er zullen dan ook minimaal 12 parkeerplaatsen als zodanig worden ingericht. Op de locaties Gierlestraat 1 en 3 is voldoende ruimte om te voorzien in minimaal 14 parkeerplaatsen in totaal. 3.3

Landschappelijke inpassing

De groenstructuur van de planlocatie blijft zoveel mogelijk intact. Voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling op de locatie Gierlestraat is een landschappelijke inpassing gemaakt. De landschappelijke inpassing moet een kwaliteitsverbetering zijn voor het landschap. Gemeente BaarleNassau heeft in zijn structuurvisie voor dit deelgebied ‘Baarle’ landschapspakketten opgesteld, deze pakketten versterken het landschap. Op planlocatie Gierlestraat worden naast de al bestaande landschapselementen de landschapspakketten, ‘Bossingel’ en ‘Struweelhaag’ gerealiseerd. De Bossingel is aan de westzijde en deels zuidwestzijde aanwezig. Aan de Oostkant is er een struweelhaag aanwezig. Deze elementen zorgen ervoor dat de planlocatie uit het landschap wordt gehaald. Om de planlocatie te versterken wordt er aan de zuidwest kant een ‘Hoogstamfruitboomgaard’ aangeplant met daaronder een ‘Bloemenmengsel’. Een fruitboomgaard is onlosmakelijk verbonden met een ‘boerenerf’ en geeft de planlocatie een authentieke uitstraling.

Figuur 8: landschappelijke inpassing Gierlestraat 1 – 3

In paragraaf 4.3.3 wordt verder ingegaan op de verantwoording kwaliteitsverbetering van het landschap.

Bestemmingsplan toelichting 191040

Pagina 12 van 48

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Hoofdstuk 4 4.1

Beleidskader

Algemeen

Bij het opstellen van een bestemmingsplan worden de beleidskaders van het Rijk, provincie en gemeente uiteengezet. In het onderhavige bestemmingsplan is het relevante ruimtelijke beleid voor de planlocatie opgenomen. 4.2

Beleid Europees en Rijksniveau

4.2.1

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Voor een aanpak die Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig maakt, moet het roer in het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid om. In 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. De SVIR vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de Mobiliteits Aanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. Tevens vervangt het de ruimtelijke doelen en uitspraken in de PKB Tweede structuurschema Militaire terreinen, de agenda landschap, de agenda Vitaal Platteland en Pieken in de Delta. Het Rijk laat de verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal over aan provincies. Daarnaast wordt (boven)lokale afstemming en uitvoering van verstedelijking overgelaten aan (samenwerkende) gemeenten binnen provinciale kaders. De veranderde behoefte aan wonen en werken legt daarbij een extra druk op een markt waar de totale vraag afneemt: kwaliteit voor kwantiteit. De ambitie is dat in 2040 de woon- en werklocaties in steden en dorpen aansluiten op de (kwalitatieve) vraag en dat locaties voor transformaties en herstructurering zoveel mogelijk worden benut. In het SVIR zijn 13 nationale belangen opgenomen, hiermee geeft het Rijk aan waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken.

Het Rijk zal bestemmingsplannen niet (tijdens de vaststellingsprocedure) toetsen op een correcte doorwerking van nationale ruimtelijke belangen. Wel zal het Rijk door middel van systeem- of themagerichte onderzoeken achteraf nagaan of bestemmingsplannen aan nationale wet- en regelgeving voldoen. Door de ontwikkeling op de planlocatie komen geen nationale belangen in het geding. Het nationale ruimtelijke beleid heeft geen consequentie voor de planlocatie. 4.2.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. In het Barro wordt een aantal projecten, die van Rijksbelang zijn, met name genoemd en met behulp van digitale kaartbestanden exact ingekaderd. Per project worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen. In het Barro zijn zes projecten beschreven: ▪ Mainport ontwikkeling Rotterdam. ▪ Kustfundament. ▪ Grote rivieren. ▪ Waddenzee en Waddengebied. ▪ Defensie. ▪ Erfgoederen van uitzonderlijk universele waarde. Inmiddels is het aantal projecten uitgebreid met: ▪ Rijksvaarwegen. ▪ Hoofdwegen en landelijke spoorwegen. ▪ Elektriciteitsvoorziening. ▪ Ecologische hoofdstructuur. Bestemmingsplan toelichting 191040

Pagina 13 van 48

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

▪ ▪ ▪ ▪ ▪

Primaire waterkeringen buiten het kustfundament. IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte). Veiligheid rond Rijksvaarwegen. Verstedelijking in het IJsselmeer. Toekomstige rivierverruiming van de Maastakken.

Door de ontwikkeling op de planlocatie zijn geen nationale belangen in het geding. Het nationale ruimtelijke beleid heeft geen consequentie voor de planlocatie. 4.3

Beleid provinciaal niveau

4.3.1

Omgevingsvisie Noord-Brabant 2018

Op 14 december 2018 stelde Provinciale Staten van Noord-Brabant de Brabantse Omgevingsvisie vast. De omgevingsvisie is opgesteld volgens de uitgangspunten van de nieuwe Omgevingswet, welke in 2024 in werking zal treden. De Brabantse Omgevingsvisie beschrijft de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Er wordt vanuit meerdere invalshoeken gekeken naar een ontwikkeling door de provincie: ▪ Een 'diepe' manier van kijken: niet alleen kijken naar effecten op de bovenste laag in het hier en nu, maar de dynamiek en randvoorwaarden betrekken die de onderste lagen meegeven. Kijken op verschillende schaalniveaus en actief benutten van de factor tijd. Hierbij ook kijken naar het verleden, de geschiedenis van de lagen op een plek. ▪ Een 'ronde' manier van kijken: niet sectoraal kijken, maar combineren van opgaven en kansen zodat ontwikkelingen optimaal bijdragen aan een circulair, sterk en sociaal Brabant, waarin alle Brabanders zich prettig voelen. Kijken vanuit een gebiedsgerichte insteek, naar een balans tussen people, planet en profit. ▪ Een 'brede' manier van kijken: niet kijken vanuit één gezichtspunt, maar het betrekken van veel partijen, met al hun gezichtspunten, meningen, wensen, ideeën en belangen. In de omgevingsvisie is één basisopgave benoemd: het werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit.

Daarnaast zijn er vier hoofdopgaven benoemd: ▪ werken aan de Brabantse energietransitie; ▪ werken aan een klimaatproof Brabant; ▪ werken aan Brabant als slimme netwerkstad; ▪ werken aan een concurrerende, duurzame economie. De omgevingsvisie gaat over de hele fysieke leefomgeving, heeft een integraal karakter en bevat geen sectorale beleidsdoelen. Concrete doelen voor bijvoorbeeld natuur, water, veiligheid, milieu, mobiliteit en ruimtelijke kwaliteit staan nog in de bestaande plannen van de provincie, bijvoorbeeld in de Structuurvisie ruimtelijke ordening en het provinciale verkeers- en vervoersplan. 4.3.2

Structuurvisie Ruimtelijke Ordening Noord-Brabant

Op 19 maart 2014 is de Structuurvisie ruimtelijke ordening 2014 (hierna: SVRO) in werking getreden. Deze structuurvisie is een actualisatie van de visie die in 2010 werd vastgesteld. De SVRO geeft aan welke ambities de provincie heeft en hoe zij deze wil realiseren. In de SVRO geeft de provincie aan hoe zij omgaat met de ruimtelijke opgave voor de periode tot 2025, met een doorkijk naar 2040. De Brabantse omgevingsvisie is vastgesteld op 14 december 2018. De provincie heeft als sturingsfilosofie ‘samenwerken aan kwaliteit’: samen met andere overheden, marktpartijen en maatschappelijke organisaties vormgeven aan een duurzame ruimtelijke ontwikkeling van Noord-Brabant. Daarbij respecteert de provincie ieders rol. De provincie onderscheidt de volgende vier rollen: 1. Ontwikkelen De provincie focust in haar ontwikkelingsgerichte rol op een aantal thematische opgaven en op een aantal gebieden. In gebieden waar sprake is van grote ruimtelijke dynamiek, botsende belangen en waar de ontwikkelingen een (inter)provinciale impact hebben, kiest de provincie voor een actieve rol.

Bestemmingsplan toelichting 191040

Pagina 14 van 48

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

2. Ordenen De provincie wil de duurzame ruimtelijke ontwikkeling van Noord-Brabant ordenen in robuuste ruimtelijke structuren. Dit zijn de groenblauwe-, de agrarische-, de stedelijke- en de infrastructuur. 3. Beschermen De provincie wil belangrijke en onvervangbare waarden beschermen. Voor de Ecologische Hoofdstructuur, de cultuur- en aardkundige waarden en de bescherming van de kernkwaliteiten in de nationale landschappen in Noord-Brabant stelt de provincie een beschermingsregiem op. 4. Regionaal samenwerken De provincie kiest voor regionale samenwerking en afstemming in vier regio’s. De provincie stimuleert de samenwerking tussen de gemeenten, Rijk en waterschappen in deze regio’s en legt afspraken vast in een strategische regionale agenda. 5. Stimuleren Bij ruimtelijke ontwikkelingen gaat het niet alleen om de vraag waar welke ontwikkelingen gewenst zijn. Het gaat daarbij ook om de balans tussen de verschillende belangen, functies en kwaliteiten in een gebied. De provincie wil dat ontwikkelingen bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit van NoordBrabant.

Figuur 9: Uitsnede Structurenkaart, Structuurvisie Ruimtelijke Ordening Noord-Brabant Bestemmingsplan toelichting 191040

Pagina 15 van 48

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

In figuur 9 is een uitsnede van de structurenkaart van de SVRO weergegeven. De planlocatie ligt in het landelijk gebied ‘gemengd landelijk gebied’. Het landelijk gebied biedt een multifunctionele gebruiksruimte voor land- en tuinbouw, natuur, water, recreatie, toerisme en kleinschalige stedelijke functies. Land- en tuinbouw zijn de grootste ruimtegebruikers. De provincie wil het volgende bereiken in het landelijke gebied: 1. Ruimte voor een breed georiënteerde plattelandseconomie. 2. Ruimte voor agrarische ontwikkeling. 3. Een duurzame land- en tuinbouw. 4. Versterking van het landschap. Binnen het landelijk gebied onderscheidt de provincie twee perspectieven: 1. Gemengd landelijk gebied. 2. Accent agrarisch ontwikkeling. De provincie beschouwt het hele landelijk gebied als een gebied waarbinnen een menging van functies aanwezig is. De mate van menging varieert daarbij van de gebieden waarbinnen meerdere functies in evenwicht naast elkaar bestaan tot gebieden waar de land- en tuinbouw de dominante functie is. Binnen het gemengd landelijk gebied is multifunctioneel gebruik uitgangspunt. Uitzondering hierop zijn de primair agrarische gebieden, die door de gemeente zijn vastgelegd. Binnen die gebieden, worden (stedelijke) functies die de ruimte voor agrarische ontwikkeling beperken of functies die strijdig zijn met de landbouwfunctie geweerd.

Buiten de primair agrarische gebieden ontwikkelen functies zich in evenwicht met elkaar en de omgeving. In de kernrandzones is een toenemende menging van wonen, voorzieningen en kleinschalige bedrijvigheid mogelijk. Rondom natuurgebieden vinden ontwikkelingen plaats op vrijkomende locaties die passen in een groene omgeving. Bestaande ontwikkelingsmogelijkheden van in het gebied voorkomende functies worden gerespecteerd. Ontwikkelingen houden rekening met hun omgeving en dragen bij aan een versterking van de gebiedskwaliteiten. In de visiekaart van de SVRO is de planlocatie gelegen in het ‘mozaïeklandschap’. In de Structuurvisie wordt aangegeven dat het mozaïeklandschap versterkt wordt door menging van functies die afwisseling en kleinschaligheid versterken. De bestemming ‘Wonen’ past in het ‘gemengd landelijk gebied’ van de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening. 4.3.3

Interim omgevingsverordening Noord-Brabant

In 2024 treedt de Omgevingswet in werking. Deze wet vervangt 26 wetten en verschillende regelsystemen op nationaal niveau. Vanwege de Omgevingswet moet ook de provincie haar regelsysteem aanpassen. Straks heeft de provincie nog maar één verordening waarin alle regels zijn opgenomen over de fysieke leefomgeving. De Interim omgevingsverordening is een eerste stap op weg naar de definitieve omgevingsverordening. Hierin worden de bestaande verordeningen over de fysieke leefomgeving samengevoegd tot één Interim omgevingsverordening. Dit zijn de: - Provinciale milieuverordening, gebaseerd op artikel 1.2 Wet milieubeheer; - Verordening natuurbescherming, gebaseerd op diverse artikelen uit de Wet natuurbescherming; - Verordening Ontgrondingen, gebaseerd op artikel 5, tweede lid, en artikel 7, tweede lid, Ontgrondingenwet; - Verordening Ruimte, gebaseerd op artikel 4.1 Wet ruimtelijke ordening; - Verordening Water, gebaseerd op diverse artikelen in de Waterwet; - Verordening wegen, gebaseerd op artikel 57 Wegenwet en artikel 2a Wegenverkeerswet. De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid, zoals de omgevingsvisie.

Er heeft daarom ook geen expliciete afweging plaatsgevonden of de inzet van de verordening voor een bepaald onderwerp gecontinueerd moet worden. In beginsel zijn de huidige regels met het huidige Bestemmingsplan toelichting 191040

Pagina 16 van 48

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

beschermingsniveau gehandhaafd. Deze beleidsneutrale omzetting betekent overigens niet dat er helemaal geen wijzigingen ten opzichte van de huidige verordeningen zijn verwerkt. Op hoofdlijnen gaat het om: - een meer gebruiksvriendelijke opbouw met regels die per gebruikersgroep (burgers en bedrijven, gemeenten, waterschap) bij elkaar staan en minder losse bijlagen; - aanpassingen waardoor de regels straks beter passen in het systeem van de omgevingswet, bijvoorbeeld voor de grondwaterbeschermingsgebieden; - aanpassingen vanwege de vastgestelde omgevingsvisie, zoals de nieuwe manier van samenwerken en meer inzet op omgevingskwaliteit. Het ontwerp van de Interim omgevingsverordening is in april vastgesteld. De Provinciale Staten heeft de Interim omgevingsverordening op 25 oktober 2019 vastgesteld. In april 2022 heeft de provincie de laatste versie van de Interim omgevingsverordening vastgesteld. In figuur 10 zijn de uitsneden van de kaarten behorende bij de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant weergegeven voor de planlocatie Gierlestraat. Uit figuur 10 blijkt dat het plangebied is gelegen in het ‘Landelijk gebied, gemengd landelijk gebied’. Over het plangebied liggen de aanduidingen ‘Stalderingsgebied’ en ‘Beperkingen veehouderij’.

Bestemmingsplan toelichting 191040

Pagina 17 van 48

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Figuur 10: Uitsnede kaart behorende bij Interim omgevingsverordening Noord-Brabant

Landelijk gebied – Gemengd Landelijk gebied Binnen de afdeling ‘Vitaal platteland’ zijn de ontwikkelingsmogelijkheden geschetst voor het Landelijk gebied. In het landelijk gebied stimuleert de provincie het mengen van functies voor een sterke plattelandseconomie. Hierbij is vooral de ontwikkeling van landbouw van belang, naast andere vormen van bedrijvigheid, natuur, landschap, recreatie en wonen. Het landelijk gebied omvat een onderverdeling in de subzones ‘Gemengd landelijk gebied’ en ‘Groenblauwe mantel’. In veel gevallen bestaan er voor beide zones gelijke ontwikkelingsmogelijkheden. In die gevallen wordt gesproken over ‘Landelijk gebied’. Alleen als het nodig is onderscheid te maken, wordt in de betreffende regel gesproken over de subzones. In het landelijk gebied stimuleert de provincie het mengen van functies voor een sterke plattelandseconomie. Hierbij is vooral de ontwikkeling van landbouw van belang, naast andere vormen van bedrijvigheid, natuur, landschap, recreatie en wonen. Op de planlocatie is het voornemen om een extra wooneeheid te realiseren in de Vlaamse schuur. Binnen het ‘Gemengd landelijk gebied’ zijn regels opgenomen voor wonen in het landelijk gebied (artikel 3.68 en 3.69). Artikel 3.68 wonen in landelijk gebied Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied bepaalt dat: a.

alleen bestaande burgerwoningen en bedrijfswoningen zijn toegestaan; b. zelfstandige bewoning van bedrijfsgebouwen, recreatiewoningen en andere niet voor bewoning bestemde gebouwen is uitgesloten. Lid 2 Een bestemmingsplan kan bij een bestaande woning de vestiging van een andere functie toelaten, als: a. dit past binnen de voorwaarden die voor die functie zijn opgenomen in deze paragraaf; b. in geval nieuwe bebouwing wordt opgericht, er elders feitelijk en juridisch een gelijkwaardige oppervlakte aan gebouwen is gesloopt. Artikel 3.69 afwijkende regels wonen In afwijking van artikel 3.68 Wonen in Landelijk gebied kan een bestemmingsplan voorzien in: a. de bouw van een woning ter vervanging van een bestaande woning binnen het bouwperceel, als is verzekerd dat: 1. de bestaande woning feitelijk wordt opgeheven; 2. overtollige bebouwing wordt gesloopt. b. de vestiging van of de splitsing in meerdere woonfuncties in cultuurhistorisch waardevolle bebouwing als dat bijdraagt aan het behoud of herstel van deze bebouwing. c. in het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning, als is verzekerd dat: 1. er geen splitsing in meerdere woonfuncties plaatsvindt; 2. overtollige bebouwing wordt gesloopt.

Bestemmingsplan toelichting 191040

Pagina 18 van 48

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Op de locatie Gierlestraat 1 wordt in de cultuurhistorische Vlaamse schuur een woning gerealiseerd. De redengevende omschrijving ten aanzien van de cultuurhistorisch waardevolle schuur is bijgevoegd in bijlage 3. Wonen in het landelijk gebied is eigenlijk alleen toegestaan in bestaande burgerwoningen en bedrijfswoningen. In artikel 3.69 zijn regels opgenomen om vestiging van een woonfunctie in cultuurhistorisch waardevolle bebouwing mogelijk te maken. De gemeente heeft ervoor gekozen om de functieaanduiding ‘cultuurhistorische/beeldbepalende woning’ op de Vlaamse schuur te leggen. Door de schuur te herstellen en een woonfunctie op te richten, zorgt de financiële draagkracht ervoor dat de schuur wordt hersteld en behouden blijft. De cultuurhistorische waarden van de schuur worden hersteld en blijven behouden en beschermd. In bijlage 2 bij de regels is het behoud- en herstelplan opgenomen. Aanduiding: Stalderingsgebied Binnen de aanduiding ‘Stalderingsgebied’ gelden extra randvoorwaarden aan ontwikkeling van veehouderijen. Deze voorwaarden geven sturing aan het voorkomen van een verdere regionale concentratie van vee en richten zich daarnaast op het tegengaan van (verdere) leegstand. Vanwege deze extra randvoorwaarden is een toename van de oppervlakte dierenverblijf binnen een bouwperceel alleen mogelijk als er elders dierenverblijven verdwijnen; het zogenaamde stalderen.

Het initiatief betreft geen uitbreiding van een veehouderij. De aanduiding heeft verder geen betrekking op het voorliggende initiatief. Aanduiding: Beperkingen veehouderij Binnen het werkingsgebied ‘Beperkingen veehouderij’ is het beleid gericht op een afwaartse beweging van de veehouderij. Daarom is in deze gebieden geen toename van de bestaande gebouwen of bestaande bouwwerken toegestaan. Het vervangen van een bouwwerk door een gebouw (of andersom) is ook niet mogelijk. Het initiatief betreft geen uitbreiding van een veehouderij. De aanduiding heeft verder geen betrekking op het voorliggende initiatief. Het initiatief aan de Gierlestraat 1 past binnen het beleid van de Interim omgevingsverordening. Algemene regels, Bevordering ruimtelijke kwaliteit Artikel 3.5 zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit De provincie wil de omgevingskwaliteit van Brabant bevorderen, in combinatie met een veilige en gezonde leefomgeving. Bij omgevingskwaliteit gaat het om de kwaliteit van een plek of gebied, die bepaald wordt door een goed samenspel van herkomstwaarde, belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde. Voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving wordt rekening gehouden met: a. zorgvuldig ruimtegebruik; b. de waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering; c.

meerwaardecreatie; Artikel 3.6 zorgvuldig ruimtegebruik: Een plan moet een verantwoording bevatten dat het plan bijdraagt aan de zorg voor het behoud en bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van het daarbij betrokken gebied en de naaste omgeving, waaronder in ieder geval een goede landschappelijke inpasbaarheid en toepassing is gegeven aan het principe zorgvuldig ruimtegebruik. Doel van zorgvuldig ruimtegebruik is om bestaand bebouwd gebied zo goed mogelijk te benutten. Het optimaal benutten van de bestaande bebouwde omgeving draagt bij aan het behoud van de openheid en kwaliteit van het buitengebied en aan hergebruik van leegkomende of bebouwingslocaties in zowel stedelijk als landelijk gebied. Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in: ▪ dat een ruimtelijke ontwikkeling in beginsel plaatsvind binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing, tenzij in de verordening uitdrukkelijk anders is bepaald; ▪ ingeval van stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking); ▪ een bestemmingsplan buiten bestaand stedelijk gebied bepaalt dat gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen binnen het bouwperceel worden opgericht en daarbinnen worden geconcentreerd.

Bestemmingsplan toelichting 191040

Pagina 19 van 48

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Er wordt gebruik gemaakt van het bestaande bouwperceel en de bestaande bebouwing, er wordt daarmee invulling gegeven aan het principe zorgvuldig ruimtegebruik. Artikel 3.7 toepassing van de lagenbenadering De lagenbenadering omvat de effecten op: a. de ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden; b. de netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. c. de bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu. In hoofdstuk 5 ‘Relevante (milieu)aspecten’ worden effecten op bovenstaande waarden beschreven. Hieruit blijkt dat de relevante waarden op de planlocatie en het gebied niet worden aangetast. Artikel 3.8 meerwaardecreatie Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder: a. de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat; b. de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn.

Op de planlocatie wordt een woning gerealiseerd in de bestaande Vlaamse schuur, welke qua uitstraling past binnen het boerenerf. Door het realiseren van een woning binnen de bestaande schuur wordt leegstand in het gebied voorkomen. De verbetering van het boerenerf zorgt voor een levendigere omgeving en dus meerwaarde in het gebied. Artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering van het landschap Een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling in het landelijk gebied mogelijk maakt, bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving. De toelichting bij een bestemmingsplan bevat een motivering: a. van de wijze waarop de bedoelde verbetering financieel, juridisch en feitelijk is geborgd; b. dat de verbetering past binnen de hoofdlijnen van het te voeren ruimtelijk beleid voor dat gebied. De bedoelde verbetering kan mede betreffen: a. de landschappelijke inpassing van bebouwing, voor zover expliciet vereist op grond van deze verordening; b. het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur of de relatie stad-land; c. activiteiten, gericht op behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen; d. het wegnemen van verharding; e. het slopen van bebouwing; f.

een fysieke bijdrage aan de realisering van de het Natuur Netwerk Brabant en ecologische verbindingszones; g. het aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden. Om de kwaliteit van het landschap te versterken heeft de provincie Noord-Brabant in haar “Structuurvisie ruimtelijke ordening” en de “Interim omgevingsverordening” het principe van ‘kwaliteitsverbetering van het landschap’ geïntroduceerd. Over de uitvoering van kwaliteitsverbetering verdiende het aanbeveling dat regionaal eenduidige afspraken werden gemaakt. Deze regeling is de resultante van het regionale overleg hoe om te gaan met deze kwaliteitsverbetering. De notitie biedt: ▪ een eenduidig beleidskader voor de West-Brabantse gemeenten met instemming van de provincie NoordBrabant; ▪ de mogelijkheid tot maatwerk voor gemeenten blijft mogelijk om de ‘couleur locale’ te behouden, niet alles wordt dicht getimmerd; ▪ een eenduidige regionale methodiek; ▪ duidelijkheid over hoe de rood-met-groen koppeling kan worden opgenomen in te ontwikkelen bestemmingsplannen in overeenstemming met de Verordening Ruimte. Bestemmingsplan toelichting 191040

Pagina 20 van 48

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

In de notitie zijn een drietal categorieën opgesteld: ▪ Categorie 1: Ruimtelijke ontwikkelingen met nauwelijks tot geen landschappelijke invloed en waarbij geen (extra) kwaliteitsverbetering van het landschap wordt geëist. ▪ Categorie 2: Ruimtelijke ontwikkelingen met weinig landschappelijke invloed, dan wel ruimtelijke ontwikkelingen die van nature aan het buitengebied zijn gebonden, of plaatsvinden in hiervoor aangewezen gebieden. De kwaliteitsverbetering vindt plaats in de vorm van landschappelijke inpassingsmaatregelen. Deze categorie is niet limitatief. ▪ Categorie 3: Ruimtelijke ontwikkelingen welke niet tot categorie 1 of 2 behoren. De kwaliteitsverbetering wordt berekend op basis van de bestemmingswinst. Categorie Het initiatief op de planlocatie Gierlestraat 1 bestaat uit het toevoegen van een woonfunctie aan de cultuurhistorische schuur. In het afsprakenkader ‘Kwaliteitsverbetering van het landschap in de regio West-Brabant’ is een onderverdeling gemaakt in drie categorieën. Binnen de categorie 1 en 2 zijn specifieke ruimtelijke ontwikkelingen benoemd, die onder die categorie vallen. Alle overige ruimtelijke ontwikkelingen die niet specifiek benoemd zijn, vallen onder categorie 3. Het vestiging van of een woonfunctie in een cultuurhistorisch waardevolle pand valt in categorie 1, de ruimtelijke ontwikkeling heeft nauwelijks landschappelijke invloed.

De locatie wordt wel landschappelijk ingepast. In bijlage 1 is de landschappelijke inpassing toegevoegd aan onderhavig plan. Hierin wordt het beleidskader kwaliteitsverbetering van het landschap beschreven. Daarnaast wordt een motivatie gegeven over de toegepaste landschapspakketten voor de landschappelijke inpassing. De landschappelijke inpassing moet een kwaliteitsverbetering zijn voor het landschap. Er is met de inpassing aansluiting gezocht bij reeds aanwezige landschapselementen in de omgeving. Voor het borgen van het behoud en onderhoud van de bestaande en nieuwe landschapspakketten is op de planlocatie de bestemming ‘Groen – Landschappelijke inpassing’ toegevoegd. De beoogde ruimtelijke ontwikkeling voldoet hiermee aan de voorwaarde kwaliteitsverbetering van het landschap. Het plan is hierdoor niet in strijd met de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. 4.4

Beleid gemeentelijk niveau

4.4.1

Omgevingsvisie gemeente Baarle-Nassau

De gemeente Baarle-Nassau heeft op 14 december 2018 een omgevingsvisie vastgesteld. In deze omgevingsvisie van de gemeente Baarle-Nassau komen de hoofdlijnen van al hun plannen samen waardoor een integraal totaalbeeld ontstaat van de ruimtelijke keuzes. Volgens de Visiekaart Omgevingsvisie ligt het plangebied in een gebied dat is aangeduid als oude landschappen.

Bestemmingsplan toelichting 191040

Pagina 21 van 48

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Figuur 11: Uitsnede Visiekaart Omgevingsvisie gemeente Baarle-Nassau

De planlocatie ligt in het gebied ‘Oude landschappen’. Een belangrijk doel voor dit gebied is de karakteristiek van de oude landschappen in stand houden en versterken. De beoogde ontwikkeling zorgt voor de instandhouding van het vroegere boerenerf. Daarnaast is de planlocatie tegen het ‘Transformatiegebied’ gelegen. Een doel van het ‘Transformatiegebied’ is om aantrekkelijke dorpsentrees te realiseren. De planlocatie kan gezien worden als dorpsentree aan de zuidzijde van het dorp. De beoogde ontwikkeling past binnen de doelen van de Omgevingsvisie van Baarle-Nassau. 4.4.2

Bestemmingsplan

Op de planlocatie Gierlestraat 1 te Baarle-Nassau is het bestemmingsplan ‘Gierlestraat 1-3 te Baarle-Nassau’ van kracht. Dit bestemmingsplan is vastgesteld op 1 juli 2020 door de gemeenteraad van Baarle-Nassau. De locatie Gierlestraat 1 is in het voorgestane bestemmingsplan bestemd met de bestemming ‘Bedrijf’. In het bestemmingsplan is geen wijzigingsbevoegdheid opgenomen om wonen in cultuurhistorische bebouwing toe te staan.

Bestemmingsplan toelichting 191040

Pagina 22 van 48

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Figuur 12: Uitsnede plankaart, Bestemmingsplan Gierlestraat 1-3 te Baarle-Nassau, gemeente Baarle-Nassau

Bestemmingsplan toelichting 191040

Pagina 23 van 48

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Hoofdstuk 5 5.1

Relevante (milieu)aspecten

Algemeen

In de onderstaande paragrafen zijn de ruimtelijke-milieuhygiënische aspecten verder uiteengezet. 5.2

Bodem

Met het oog op een goede ruimtelijke ordening dient de bodemkwaliteit ter plaatse te worden onderzocht. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de betreffende functiewijziging. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Er worden geen grondroerende werkzaamheden uitgevoerd. In dit kader is geen bodemonderzoek nodig. Echter bij de bestemmingsplanprocedure in 2020 is een bodemonderzoek uitgevoerd. Uit dit bodemonderzoek blijkt dat er geen belemmeringen zijn ten aanzien van de bodemkwaliteit ten behoeve van de ruimtelijke ontwikkeling. Het volledige rapport is toegevoegd aan de afzonderlijke bijlagen van onderhavig plan. 5.3

Water

Het Nationaal Waterplan (NWP) Het Nationaal Waterplan (NWP) bevat de hoofdlijnen van het nationaal waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het ruimtelijk beleid. Het kabinet actualiseert het waterbeleid op een aantal terreinen. Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2009-2015 en vervangt dit plan én de partiële herzieningen hiervan (Wind op Zee buiten 12 nautische mijl en verankering rijksbeleid Deltabeslissingen). Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. Europese Kaderrichtlijn Water De Europese Kaderrichtlijn Water is sinds december 2010 van kracht en is gericht op het realiseren van duurzaam waterbeheer. De Europese Kaderrichtlijn Water beoogt de bescherming van aquatische ecosystemen en het duurzaam gebruik van water. Daarvoor wordt de Kaderrichtlijn eerst in landelijke wet- en regelgeving omgezet. Momenteel wordt hier hard aan gewerkt. De Europese Kaderrichtlijn heeft, waar het de gemeente betreft, consequenties voor riolering, afkoppelen, toepassing van bouwmaterialen en het ruimtelijke beleid. Er worden ecologische en fysisch-chemische doelen geformuleerd die afhankelijk zijn van de functie van een watergang. Watertoets Het watertoetsproces is een belangrijk instrument om het waterbelang in ruimtelijke plannen en besluiten te waarborgen.

Het gaat daarbij om alle waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: rijkswateren, regionale wateren en grondwater. De watertoets zorgt ervoor dat bij alle ruimtelijke plannen aandacht is voor de kwaliteit én kwantiteit van water. De watertoets is verplicht bij alle plannen voor landelijk én stedelijk gebied. De gemeente doorloopt met het waterschap het watertoetsproces, dat bestaat uit advisering, toetsing en goedkeuring door het waterschap. Dit bestemmingsplan wordt voorgelegd aan het waterschap Brabantse Delta. 5.3.1

Waterschap Brabantse Delta

Waterbeheerprogramma 2022-2027 Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Bestemmingsplan toelichting 191040

Pagina 24 van 48

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerprogramma 2022-2027, wat tot stand is gekomen in samenspraak met de waterpartners. Het programma brengt op strategisch niveau samenhang tussen de verschillende kerntaken en draagt zo bij aan integraal waterbeheer en duurzame ontwikkeling in de regio. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheerprogramma en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. De Keur is onder andere te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren.

De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de ‘beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak, en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater’. Hieromtrent is bij de Algemene regels van de keur het volgende opgenomen: • Bij een toename van het verharde oppervlak van minder dan 500 m² stelt het waterschap geen andere eisen aan de verwerking van het hemelwater; • Bij een toename van het verharde oppervlak van meer dan 500 m² moeten compenserende maatregelen ten aanzien van de verwerking van het hemelwater worden getroffen conform de rekenregel: benodigde compensatie (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in m²); • Bij een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m² is een watervergunning nodig. In alle gevallen geldt (ook) het gemeentelijke beleid. Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2021-2025 Het waterbeleid van de gemeente Baarle-Nassau is vastgelegd in het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2021-2025. In het waterbeleid zijn de zorgplichten uit de Waterwet verder ingevuld. Het gemeentelijke waterbeleid schrijft onder meer voor dat stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater op een deugdelijke manier moeten worden ingezameld, geborgen, getransporteerd en/of lokaal gezuiverd.

Alle nieuwe nieuwbouw- en herstructureringsprojecten dienen in principe hydrologisch neutraal te worden uitgevoerd waarbij de wettelijke voorkeursvolgorden gehanteerd worden. Hemelwater wordt daarom, ook als er geen toename is van het verhard oppervlak, bij voorkeur in de bodem geïnfiltreerd en schoon gehouden. Bij een toename van het verhard oppervlak (daken en bestrating) van minder dan 500 m² geldt alleen het gemeentelijk beleid en wordt alleen voor het oppervlak van de bouwwerken een opgave meegegeven. Bij grotere plannen wordt voor het oppervlak van daken en bestrating een opgave meegegeven. De gemeente rekent niet met een gevoeligheidsfactor. Voor het realiseren van nieuwbouw is een bergingseis voor hemelwater van minimaal 78 mm (liter/m²) voor het toekomstige nieuwe bebouwd oppervlak vastgesteld. Voor het aanpassen van bebouwd oppervlak geldt een bergingseis van minimaal 7 mm voor het vervangende oppervlak en minimaal 78 mm voor een eventuele toename van bebouwd oppervlak. Verhard oppervlak wat niet aangepakt wordt, hoeft niet gecompenseerd te worden. De bestaande watervoorzieningen zoals greppels en vijvers dienen gehandhaafd te blijven tenzij de bergende, afvoerende, infiltrerende en drainerende functie gecompenseerd wordt.

Grondwaterbeschermingsgebied De planlocatie ligt niet binnen een grondwaterbeschermingsgebied en/of waterwingebied en er zijn geen waterlopen en/of waterpartijen die relevant zijn voor de ontwikkeling in de directe nabijheid aanwezig.

Bestemmingsplan toelichting 191040

Pagina 25 van 48

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Riolering en infiltratie Uitgangspunt voor de waterhuishouding in met name nieuwbouwprojecten, is een duurzaam gescheiden systeem. Dit betekent dat schoon hemelwater, wat valt op daken en terreinverharding, zoveel mogelijk in het gebied opgevangen en geïnfiltreerd dient te worden en alleen het vervuilde afvalwater via het riool wordt afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie. De hoeveelheid afvalwater, die getransporteerd wordt naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie zal hiermee afnemen, wat uit het oogpunt van milieu een positieve ontwikkeling betekent. De woning zal worden aangesloten op het gemeentelijk riool. Het waterschap is geen voorstander van het toepassen van uitlogende bouwmaterialen zoals lood, koper, zink en zacht PVC. Het Waterschap Brabantse Delta heeft in haar beleid aangegeven dat indien er maximaal 500 m² aan verhard oppervlak wordt toegevoegd, er geen infiltratie dan wel retentie toegepast hoeft te worden. Door een woning op te richten in de bestaande Vlaamse schuur wordt er niet meer dan 500 m² aan verhard oppervlak toegevoegd. Het is derhalve niet nodig om te voorzien in infiltratie of retentie.

Figuur 13: Uitsnede keurkaart Waterschap Brabantse Delta

5.3.2

Watertoets Verbreed gemeentelijk Rioleringsplan

In de plantoelichting moet een waterparagraaf worden opgenomen, waarin wordt aangegeven op welke manier rekening is gehouden met de (eventuele) gevolgen van het plan voor de waterhuishouding in het plangebied. De watertoets is een belangrijk instrument om te verzekeren dat de waterhuishouding vanaf het begin van de planvorming integraal onderdeel uitmaakt van de ontwikkeling. In de bestaande situatie is de planlocatie grotendeels verhard. Er zal naar verwachting geen toename van verhard oppervlak plaats vinden. De tuinen zullen gedeeltelijk onverhard gemaakt worden. Bij een toename van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd, er is in deze situatie geen sprake van toename van verhard oppervlak. Volgens tabel B3.1 uit het VGR dient er voor bestaande situaties geen aanvullende retentie van hemelwater te worden voorzien.

Bestemmingsplan toelichting 191040

Pagina 26 van 48

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Conclusie Het initiatief op de planlocatie betreft het realiseren van een woning in de Vlaamse schuur. Met de ruimtelijke ontwikkeling neemt het verhard oppervlak niet toe. Het is dan ook niet nodig om te voorzien in een infiltratie of retentie. 5.4

Cultuurhistorie en archeologie

5.4.1

Cultuurhistorie

Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Op 5 juli 2011 is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2012 moet ieder nieuw project een analyse van cultuurhistorische waarden bevatten. In aansluiting op de vaststelling van de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in mei 2011 zijn op 17 juni 2011 het Bro, het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz) aangepast. Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en verlening van een omgevingsvergunning. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een omgevingsvergunning moet voldoen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13750464/1