CConstaterende datBaarle-Nassau
Koppel je AI →
Document · PDF

3.6-Bijlage Toelichting ontwerp bestemmingsplan Fransebaan 4 Ulicoten

Gemeenteraad (openbaar) 29 juni 2022, gemeente Baarle-NassauBij agendapunt: Reeds geagendeerd tijdens commissievergaderingen13.693 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Toelichting

Bestemmingsplan “Fransebaan 4, Ulicoten” Planstatus: Datum: Plan identificatie:

ontwerp 2022-05-11 NL.IMRO.0744.BPFransebaan4-ON01

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Colofon

Titel:

Bestemmingsplan “Fransebaan 4, Ulicoten”

Ontwerp:

Molenzicht 2 4881 BW ZUNDERT Tel: 076-5990340 www.schoenmakersadvies.nl Contactpersoon:

A. Tuijtelaars anne@schoenmakers-ontwerp.nl

Projectnummer:

211620

Rapportnummer:

211620.01

Datum:

11 mei 2022

Status:

ontwerp

Bestemmingsplan toelichting 211620 I 11-05-2022

Pagina 2 van 39

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Toelichting Bestemmingsplan toelichting 211620 I 11-05-2022

Pagina 3 van 39

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Inleiding ................................................................................................................................. 5 1.1 Aanleiding .............................................................................................................................................. 5 1.2 Ligging en begrenzing van het plangebied ............................................................................................ 6 1.3 Vigerend bestemmingsplan ................................................................................................................... 6 1.4 Planvorm................................................................................................................................................ 8 1.5 Leeswijzer .............................................................................................................................................. 8 Hoofdstuk 2 Beschrijving plangebied .......................................................................................................... 9 2.1 Inleiding ................................................................................................................................................. 9 2.2 Ruimtelijke structuur .............................................................................................................................

9 2.2 Functionele structuur ............................................................................................................................ 9 2.3 Toekomstige situatie ........................................................................................................................... 10 Hoofdstuk 3 Beleidskader......................................................................................................................... 11 3.1 Algemeen ............................................................................................................................................. 11 3.2 Beleid rijksniveau ................................................................................................................................. 11 3.3 Beleid provinciaal niveau ..................................................................................................................... 12 3.4 Beleid gemeentelijk niveau ................................................................................................................. 18 Hoofdstuk 4 Milieu en overige aspecten .................................................................................................. 21 4.1 Inleiding ...............................................................................................................................................

21 4.2 Algemeen ............................................................................................................................................. 21 4.3 Bodem ................................................................................................................................................. 21 4.4 Water ................................................................................................................................................... 21 4.5 Cultuurhistorie en archeologie ............................................................................................................ 24 4.6 Natuur.................................................................................................................................................. 26 4.7 Wegverkeerslawaai ............................................................................................................................. 29 4.8 Bedrijven en milieuzonering ................................................................................................................ 29 4.9 Externe veiligheid ................................................................................................................................ 32 4.10 Kabels en leidingen ..............................................................................................................................

33 4.11 Luchtkwaliteit ...................................................................................................................................... 33 4.12 Toetsing besluit milieueffecten rapportage ........................................................................................ 34 Hoofdstuk 5 Juridische aspecten .............................................................................................................. 36 5.1 Algemeen ............................................................................................................................................. 36 5.2 Algemene toelichting verbeelding ....................................................................................................... 36 5.3 Algemene toelichting regels ................................................................................................................ 36 Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid ................................................................................................................... 38 6.1 Economische uitvoerbaarheid ............................................................................................................. 38 6.2 Omgevingsdialoog ...............................................................................................................................

38 6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ..................................................................................................... 38 Afzonderlijke bijlagen 1. Omgevingsdialoog

Bestemmingsplan toelichting 211620 I 11-05-2022

Pagina 4 van 39

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Ondanks dat op het perceel Fransebaan 4 te Ulicoten al lange tijd wordt gewoond, geldt voor deze locatie de bestemming ‘Natuur’. Deze bestemming is een direct gevolg van een reactieve aanwijzing van de provincie Noord-Brabant. In het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2008’ was door de gemeenteraad van Baarle-Nassau weliswaar een woonbestemming opgenomen, maar de provincie heeft die bestemming voor het perceel Fransebaan 4, wegens strijd met het provinciaal ruimtelijk beleid, buiten het bestemmingsplan gehouden. Door middel van intensief en langdurig overleg in de afgelopen jaren is alsnog aangetoond dat de woonfunctie op het perceel Fransebaan 4 sinds lange tijd aanwezig is. Op grond hiervan is de provincie Noord-Brabant (ambtelijk en bestuurlijk) alsnog bereid om een woonbestemming toe te staan. Om de ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk te kunnen maken is gekozen voor een bestemmingsplanprocedure ex artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening, waarmee het ter plaatse vigerende bestemmingsplan partieel wordt herzien. Onderhavig bestemmingsplan voorziet in het juridisch-planologisch kader.

Figuur 1: Uitsnede topografische kaart met de planlocatie

Bestemmingsplan toelichting 211620 I 11-05-2022

Pagina 5 van 39

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Figuur 2: Planlocatie aangegeven op luchtfoto

1.2

Ligging en begrenzing van het plangebied

De planlocatie Fransebaan 4 ligt in het buitengebied van Ulicoten, aan de noordwestzijde van de bebouwde kom van Baarle-Nassau. Westelijk van het plangebied ligt de kern van Ulicoten. De planlocatie behoort tot de gemeente Baarle-Nassau. De gemeente Baarle-Nassau is gelegen in de provincie Noord-Brabant. De locatie is bekend onder de kadastrale gemeente Baarle-Nassau (BLE), sectie M met nummer 414. 1.3

Vigerend bestemmingsplan

Op de planlocatie Fransebaan 4 vigeren twee bestemmingsplannen. Voor het gedeelte ter plaatse van de woning geldt het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2008, Herziening 1a’, dat werd vastgesteld door de gemeenteraad op 11 december 2013. Deze herziening is vastgesteld, nadat de reactieve aanwijzing van de provincie, waarbij de woonbestemming werd geschrapt, onherroepelijk was geworden. Via deze herziening zijn de betreffende gronden, die een deel van het totale perceel Fransebaan 4 beslaan, bestemd voor ‘Natuur’ en ‘Waarde - Archeologie middel’.

Bestemmingsplan toelichting 211620 I 11-05-2022

Pagina 6 van 39

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Figuur 3: Uitsnede verbeelding bestemmingsplan ‘Buitengebied 2008, Herziening 1a’

De andere gronden, behorend tot de planlocatie Fransebaan 4, liggen in het bestemmingsplan "Buitengebied 2008", vastgesteld op 16 juli 2009. Voor deze gronden geldt eveneens de bestemming "Natuur".

Figuur 4: Uitsnede verbeelding bestemmingsplan ‘Buitengebied 2008’

Bestemmingsplan toelichting 211620 I 11-05-2022

Pagina 7 van 39

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

1.4

Planvorm

Het bestemmingsplan ‘Fransebaan 4, Ulicoten’ is vervat in een verbeelding en regels en gaat vergezeld met een toelichting. 1.5

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de huidige en toekomstige situatie van het plangebied, waarbij onder andere de ruimtelijke en functionele structuur wordt beschreven. In hoofdstuk 3 wordt hetrelevante vigerende beleid op Europees-, rijks-, provinciaal- en gemeentelijk niveau beschreven. De relevante milieuaspecten komen in hoofdstuk 4 aan bod hierbij worden onder andere de gevolgen van de ontwikkeling op het gebied van water, natuur, luchtkwaliteit, archeologie en bodem beschreven. In hoofdstuk 5 wordt een toelichting op de bestemmingsplanregels gegeven. Ten slotte wordt in hoofdstuk 6 de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid beschreven.

Bestemmingsplan toelichting 211620 I 11-05-2022

Pagina 8 van 39

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Hoofdstuk 2 2.1

Beschrijving plangebied

Inleiding

In voorliggend hoofdstuk wordt het plangebied beschreven. Er wordt ingegaan op de bestaande situatie. De bestaande situatie wordt zowel ruimtelijk als functioneel geanalyseerd. Daarna wordt kort ingegaan op de verkeerstructuur en het parkeren en de toekomstige situatie. 2.2

Ruimtelijke structuur

2.1.1

Bebouwingsstructuur

De planlocatie is gelegen in het buitengebied van de gemeente Baarle-Nassau, in een bosrijk gebied. In de directe omgeving van de planlocatie bevinden zich de percelen Fransebaan 2 en 2a. Deze percelen vormen samen met de planlocatie drie aaneengesloten woonpercelen. In de verdere omgeving bevindt zich nog een recreatiewoning en ‘Het Goordonk’, dit betreft een kleinschalig villapark. 2.1.2

Wegenstructuur

De planlocatie is gelegen aan de Fransebaan, dit betreft een onverharde weg gelegen tussen de Hoogstratensebaan en Boschoven. De planlocatie is gelegen aan een zijtak van de Fransebaan, dit betreft een onverharde bosweg van circa 250 meter. 2.1.3

Groen- en waterstructuur

De planlocatie Fransebaan 4 ligt aan de noordrand van een bosrijk gebied, dat bekend staat onder de naam ‘Het Goordonk’. Aan de noordoost- en westzijde grenst de planlocatie aan agrarische gronden. In de directe omgeving van de planlocatie bevinden zich geen waterlopen. Iets noordelijker bevindt zich een categorie A watergang, genaamd ‘Het Groot Vergoor’. 2.1.4

Bestaande situatie planlocatie

De planlocatie heeft een oppervlakte van circa 12.678 m2. Op het perceel is een woning met tuin aanwezig. In de tuin bevindt zich een hardcourt tennisbaan. De rest van het perceel is bos. Het huidige hoofdgebouw is in 1974 gebouwd en in eerste instantie in gebruik geweest als schuur. Later heeft in de jaren '80 van de vorige eeuw een ingrijpende renovatie en verbouwing tot woonhuis plaatsgevonden. Sindsdien is het pand in gebruik geweest als woning met bijbehorende ruimten. 2.2

Functionele structuur

2.2.1

Wonen

De functie wonen is veelal aanwezig als burgerwoningen. Hoofdzakelijk zijn de woningen vrijstaand gesitueerd en bestaan ze voornamelijk uit één tot anderhalve bouwlaag met kap. 2.2.2

Maatschappelijke voorzieningen

In de directe omgeving van de planlocatie zijn geen maatschappelijke voorzieningen gevestigd. Deze zijn in de kern van Baarle-Nassau gevestigd. 2.2.3

Bedrijven, horeca en detailhandel

Bestemmingsplan toelichting 211620 I 11-05-2022

Pagina 9 van 39

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

In de omgeving van de planlocatie zijn geen bedrijven aanwezig. Het dichtstbijzijnde agrarische bedrijf is gelegen op een afstand van circa 640 meter. In de directe omgeving van de planlocatie is geen horeca en detailhandel gevestigd. Zie voor de functies, figuur 5.

Figuur 5: Functiekaart

2.3

Toekomstige situatie

De voorliggende herziening brengt het bestemmingsplan in overeenstemming met de al lange tijd bestaande gebruikssituatie. Feitelijk verandert er met deze wijziging van het bestemmingsplan niets. Door de planlocatie te bestemmen met de bestemming ‘Wonen’ een gedeelte met bouwvlak en een gedeelte zonder bouwvlak gaan de op grond van de woonbestemming geldende bouw- en gebruiksmogelijkheden ook voor de locatie Fransebaan 4 gelden. Het gedeelte zonder bouwvlak mag uitsluitend gebruikt worden als tuin, bestaande bouwwerken en verhardingen, die aanwezig zijn ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp bestemmingsplan mogen behouden blijven. Indien de aanwezige tennisbaan en bouwwerken, geen gebouwen zijnde in de tuin worden geamoveerd, mogen deze niet meer opnieuw worden opgericht.

Bestemmingsplan toelichting 211620 I 11-05-2022

Pagina 10 van 39

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Hoofdstuk 3 3.1

Beleidskader

Algemeen

Bij het opstellen van een bestemmingsplan worden de beleidskaders van het rijk, provincie en gemeente uiteengezet. In het onderhavige bestemmingsplan is het relevante ruimtelijke beleid voor de locatie Fransebaan 4 te Ulicoten opgenomen. 3.2

Beleid rijksniveau

3.2.1

Nationale Omgevingsvisie

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: • Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; • Duurzaam economisch groeipotentieel; • Sterke en gezonde steden en regio's; • Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen.

Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: • Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte; • Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; • Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. In het plangebied zijn geen nationale belangen in het geding. Het nationale ruimtelijke beleid heeft geen consequentie voor het plangebied. 3.2.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordering (Barro) in werking getreden. In het Barro wordt een aantal projecten die van Rijksbelang zijn, met name genoemd en met behulp van digitale kaartbestanden exact ingekaderd. Per project worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen. In het Barro zijn voorlopig zes projecten beschreven: Mainport ontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, grote rivieren, Waddenzee en Waddengebied, Defensie, Erfgoederen van uitzonderlijk universele waarde. Binnenkort volgen nog: hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, ecologische hoofdstructuur, primaire waterkeringen buiten het kustfundament en het IJsselmeergebied. Bestemmingsplan toelichting 211620 I 11-05-2022

Pagina 11 van 39

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

In het plangebied zijn geen nationale belangen in het geding. Het nationale ruimtelijke beleid heeft geen consequentie voor het plangebied. 3.2.3

Ladder voor duurzame verstedelijking

Op 1 oktober 2012 is de in artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geregelde "Ladder voor duurzame verstedelijking" opgenomen. Dit instrument moet, indien sprake is van nieuwe stedelijke ontwikkelingen, worden toegepast bij de vaststelling of wijziging van een bestemmingsplan. Met ingang van 1 juli 2017 is genoemd artikel gewijzigd en luidt sindsdien als volgt: "De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien." Het doel van de Ladder is zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik, met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en ontwikkelingen in de omgeving. De Ladder geeft daarmee invulling aan het nationaal ruimtelijk belang gericht op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten. Dit belang staat beschreven in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte binnen een breder kader van een goede ruimtelijke ordening. De Laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In artikel 1.1.1 onder i van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling vastgelegd.

Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd: "ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen" In de regelgeving is niet bepaald vanaf welke omvang van een project sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Er ontbreekt dus een ondergrens. Sinds het van kracht worden van het instrument "Ladder" is in ruime mate jurisprudentie over de reikwijdte daarvan ontstaan. In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 juni 2017 (2017-1724) wordt een overzicht van de hoofdlijnen van de rechtspraak gegeven. Uit deze overzichtsuitspraak blijkt dat 'in beginsel' sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen gerealiseerd worden. Conclusie Het betreft de legalisatie van één woning. Er is naar aard en omvang evenmin sprake van een zodanige functiewijziging, dat alsnog van een nieuwe stedelijke ontwikkeling gesproken zou moeten worden. 3.3

Beleid provinciaal niveau

3.3.1

Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2014 Noord- Brabant

Op 19 maart 2014 is de Structuurvisie ruimtelijke ordening 2014 (hierna: SVRO) in werking getreden. Deze structuurvisie is een actualisatie van de visie die in 2010 werd vastgesteld. De SVRO geeft aan welke ambities de provincie heeft en hoe zij deze wil realiseren. In de SVRO geeft de provincie aan hoe zij omgaat met de ruimtelijke opgave voor de periode tot 2025, met een doorkijk naar 2040. De provincie heeft als sturingsfilosofie ‘samenwerken aan kwaliteit’: samen met andere overheden, marktpartijen en maatschappelijke organisaties vormgeven aan een duurzame ruimtelijke ontwikkeling van Noord-Brabant.

Bestemmingsplan toelichting 211620 I 11-05-2022

Pagina 12 van 39

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Figuur 6: Uitsnede structurenkaart locatie Fransebaan 4, Structuurvisie Ruimtelijke Ordening Noord-Brabant

Uit figuur 6 blijkt dat de planlocatie gedeeltelijk gelegen is in het Gemengd landelijk gebied. Gemengd landelijk gebied Het gemengd landelijk gebied biedt een multifunctionele gebruiksruimte voor land- en tuinbouw, natuur, water, recreatie, toerisme en kleinschalige stedelijke functies. Land- en tuinbouw zijn de grootste ruimtegebruikers. De provincie beschouwt het hele landelijk gebied als een gebied waarbinnen een menging van functies aanwezig is. De mate van menging varieert daarbij van de gebieden waarbinnen meerdere functies in evenwicht naast elkaar bestaan tot gebieden waar de land- en tuinbouw de dominante functie is. Binnen het gemengd agrarisch gebied is naast ruimte voor de land- en tuinbouw ook ruimte voor de ontwikkeling van niet-agrarische functies. Dit kan door verbreding van agrarische activiteiten maar ook als zelfstandige functie, bijvoorbeeld op vrijkomende locaties. In de gebieden rondom steden en dorpen is daarbij meer ruimte voor de ontwikkeling van functies die zich richten op de inwoners van die kernen, in de gebieden Bestemmingsplan toelichting 211620 I 11-05-2022

Pagina 13 van 39

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

rondom de Groenblauwe mantel is de ontwikkeling van functies meer afgestemd op het ondernemen in een groene omgeving en de versterking van natuur- en landschapswaarden. Binnen gemengd agrarisch gebied zijn sterke agrarische clusters aanwezig zoals voor de intensieve veehouderij, glasconcentratiegebieden, boomteelt en vollegrondsgroente. Bestaande ontwikkelingsmogelijkheden worden in beginsel gerespecteerd. In deze clusters wil de provincie de aanwezige agrarische functie behoeden voor verstoring. Daarom wil de provincie dat de menging van functies in deze agrarische clusters beperkt blijft. Conlusie De woning is gelegen binnen het Gemengd landelijk gebied. De legalisatie van één bestaande woning past bij het ontwikkelingsperspectief en houdt rekening met omliggende waarden. De beoogde ontwikkeling is niet in strijd met de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening Noord-Brabant. 3.3.2

Omgevingsvisie Noord-Brabant 2018

Op 14 december 2018 stelde Provinciale Staten van Noord-Brabant de Brabantse Omgevingsvisie vast. De omgevingsvisie is opgesteld volgens de uitgangspunten van de nieuwe Omgevingswet, welke in 2022 in werking zal treden. De Brabantse Omgevingsvisie beschrijft de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Er wordt vanuit meerdere invalshoeken gekeken naar een ontwikkeling door de provincie: ▪ Een 'diepe' manier van kijken: niet alleen kijken naar effecten op de bovenste laag in het hier en nu, maar de dynamiek en randvoorwaarden betrekken die de onderste lagen meegeven. Kijken op verschillende schaalniveaus en actief benutten van de factor tijd. Hierbij ook kijken naar het verleden, de geschiedenis van de lagen op een plek. ▪ Een 'ronde' manier van kijken: niet sectoraal kijken, maar combineren van opgaven en kansen zodat ontwikkelingen optimaal bijdragen aan een circulair, sterk en sociaal Brabant, waarin alle Brabanders zich prettig voelen. Kijken vanuit een gebiedsgerichte insteek, naar een balans tussen people, planet en profit. ▪ Een 'brede' manier van kijken: niet kijken vanuit één gezichtspunt, maar het betrekken van veel partijen, met al hun gezichtspunten, meningen, wensen, ideeën en belangen. In de omgevingsvisie is één basisopgave benoemd: het werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit.

Daarnaast zijn er vier hoofdopgaven benoemd: ▪ werken aan de Brabantse energietransitie; ▪ werken aan een klimaatproof Brabant; ▪ werken aan Brabant als slimme netwerkstad; ▪ werken aan een concurrerende, duurzame economie. De omgevingsvisie gaat over de hele fysieke leefomgeving, heeft een integraal karakter en bevat geen sectorale beleidsdoelen. Concrete doelen voor bijvoorbeeld natuur, water, veiligheid, milieu, mobiliteit en ruimtelijke kwaliteit staan nog in de bestaande plannen van de provincie, bijvoorbeeld in de Structuurvisie ruimtelijke ordening en het provinciale verkeers- en vervoersplan. De kwaliteit van de omgeving voor mens en natuur staat onder druk in verschillende delen van het landelijk gebied door meerdere factoren. Er is er sprake van een toenemende leegstand en bevolkingskrimp. Dat leidt tot economische, sociaal-culturele en ecologische schade. Er is extra aandacht voor een steeds verder toenemende leegstand doordat boeren stoppen, de leegkomende gebouwen verpauperen of een bron voor criminaliteit zijn. De sociale cohesie komt in het gedrang in het landelijk gebied. Conclusie De strekking van het bestemmingsplan reikt niet verder dan het alsnog geven van een woonbestemming aan een locatie waar al geruime tijd wordt gewoond. In de omgevingsvisie staan geen specifieke regels, de visie is doorvertaald naar de omgevingsverordening.

Wel wordt met het plan voldaan aan het principe van diep, rond en breed kijken.

Bestemmingsplan toelichting 211620 I 11-05-2022

Pagina 14 van 39

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

3.3.3

Interim omgevingsverordening Noord-Brabant

Algemeen In de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening (SVRO) zijn de hoofdlijnen van het provinciale ruimtelijke beleid voor de komende periode aangegeven. Daarin is voor de doelen en ambities die bereikt moeten worden per onderwerp aangegeven welke instrumenten de provincie wil inzetten. In een aantal gevallen is gekozen voor het instrument ‘planologische verordening’, bekend als de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (Iov N-B). In deze verordening is, vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet en daarmee het in werking treden van de definitieve Omgevingsverordening, de juridische doorwerking van al het provinciale beleid met betrekking tot de fysieke leefomgeving geregeld. Op 11 maart 2022 stelden Provinciale Staten laatstelijk wijzigingen vast in de regels van deze verordening. In april 2022 is de meest recente versie van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (Iov N-B) in werking getreden. In figuur 7 zijn de uitsneden van de kaarten behorende bij de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant weergegeven voor de planlocatie.

Figuur 7: Uitsneden kaarten, Interim omgevingsverordening Noord-Brabant

Voor het onderhavige bestemmingsplan zijn de volgende thema’s, met de daarbij behorende artikelen, relevant: • Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies (artikel 3.5 t/m artikel 3.9); • Natuur Netwerk Brabant (artikel 3.15, artikel 3.26); • Ontwikkeling van niet agrarische functies (artikel 3.68); Navolgend zal aan deze artikelen uit de Iov N-B worden getoetst. Vooruitlopend hierop stellen wij vast dat niet aan alle artikelen kan worden voldaan. Dienaangaande geldt dat de Iov N-B een mogelijkheid biedt om toestemming te vragen aan Gedeputeerde Staten om af te mogen wijken van deze artikelen. Deze mogelijkheid is als volgt geclausuleerd, waarop navolgend wordt ingegaan: • Maatwerk in concreet geval (artikel 5.15); • Ontheffing instructieregels uit hoofdstuk 3 (artikel 6.6). Bestemmingsplan toelichting 211620 I 11-05-2022

Pagina 15 van 39

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies Eén van de basisprincipes houdt in dat sprake moet zijn van zorgvuldig ruimtegebruik (art. 3.6 Iov N-B). Dit houdt zoveel in dat toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing, tenzij de verordening in een specifiek geval (als uitzondering) nieuwvestiging toestaat. Onder ‘bestaand ruimtebeslag’ wordt verstaan het werkingsgebied Stedelijk Gebied of een bestaand bouwperceel. Op grond van art. 9.9, tweede lid, onder a Iov N-B is een ‘bestaand bouwperceel’ datgene dat het geldende bestemmingsplan toestaat. Ter plaatse van het plangebied gelden de bestemmingsplannen “Buitengebied 2008” en “Buitengebied 2008, Herziening 1a”. In deze bestemmingsplannen is aan de Fransebaan 4, Ulicoten geen bouwperceel opgenomen. Ook bevat de Iov N-B geen bepaling om, in het voorliggende geval, nieuwvestiging toe te staan. Vanwege deze strijdigheid, heeft het college van burgemeester en wethouders van Baarle-Nassau (verder: het college) op 22 december 2022 het college van Gedeputeerde Staten (GS) verzocht om ontheffing van deze bepaling te verlenen. Zorgvuldig ruimtegebruik houdt ook in dat bebouwing binnen een bouwperceel wordt geconcentreerd. De bebouwingsregeling als opgenomen in het voorliggende bestemmingsplan voorziet in concentratie van bebouwing binnen een bouwperceel.

Eén van de basisprincipes houdt in dat rekening wordt gehouden met de waarden in een gebied, met toepassing van de lagenbenadering (art. 3.7 Iov N-B). In hoofdstuk 2 ‘Beschrijving plangebied’ en hoofdstuk 4 ‘Milieu en overige aspecten’ zijn de waarden in het plangebied en omgeving beschreven alsmede het effect van de voorgestane bestemmingswijziging op deze waarden. Gezien deze omschrijvingen is rekening gehouden met de waarden in het gebied. Eén van de basisprincipes houdt in dat rekening wordt gehouden met meerwaardecreatie (art. 3.8 Iov N-B). Dit principe omvat onder meer de regel dat moet worden bezien hoe een ontwikkeling kan bijdragen aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. In dit verband is relevant dat het college eerder, in april 2020, een aanvraag om ontheffing van de Iov N-B heeft gedaan aan GS. Op 12 mei 2020 heeft GS geweigerd om ontheffing te verlenen, onder meer omdat het plan toen niet voorzag in een substantiële verbetering van de omgevingskwaliteit. Naar aanleiding van dit besluit is het plan zodanig aangepast, en de nieuwe aanvraag om ontheffing d.d. 22 december 2021 zodanig opgesteld, dat wel een substantiële verbetering van de omgevingskwaliteit plaatsvindt. Deze verbetering ziet toe op een bijdrage aan ander opgaven en belangen dan die belangen die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn.

Navolgend wordt hier op ingegaan. Gelet hierop voorziet het plan in meerwaardecreatie. Eén van de basisprincipes houdt in dat een ruimtelijke ontwikkeling in het Landelijk Gebied gepaard moet gaan met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving (art. 3.9 Iov N-B). Het plangebied is gelegen in het Landelijk Gebied en het plan houdt een ruimtelijke ontwikkeling in, zodat in beginsel aan deze bepaling moet worden getoetst. Het college heeft GS op 22 december 2021 verzocht om ontheffing te verlenen van deze bepaling, omdat anders een ongewenste samenloop / stapeling plaatsvindt met de door GS verlangde ‘substantiële verbetering van de omgevingskwaliteit’. Hierbij kan een vergelijk worden gemaakt met bijvoorbeeld de provinciale ruimte-voor-ruimte regeling, welke ook een substantiële verbetering van de omgevingskwaliteit vereist en als gevolg waarvan art. 3.9 Iov N-B niet van toepassing is (zie: art. 3.79, derde lid, aanhef en onder b Iov N-B). Natuur Netwerk Brabant Een bestemmingsplan dat van toepassing is op het Natuur Netwerk Brabant (NNB) strekt tot het behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van ecologische waarden en kenmerken en stelt daartoe regels (art. 3.15 Iov N-B). In het onderhavige bestemmingsplan zijn de gronden die zijn gelegen in het NNB, dit zijn de randen van het plangebied, bestemd als ‘Natuur’.

Binnen deze bestemming mogen gronden worden gebruikt voor het behoud, herstel en ontwikkeling van de ecologische, landschappelijke en natuurwaarden. Ook wordt rekening gehouden met het behoud van onder meer cultuurhistorische waarden. Bebouwing is niet toegestaan en er geldt een omgevingsvergunningenstelsel voor werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden. Hiermee wordt het NNB afdoende beschermd. Een bestemmingsplan dat van toepassing is op een Attentiezone waterhuishouding strekt tot bescherming van de waterhuishouding en sluit hiermee strijdige functies uit. Ook stelt het bestemmingsplan regels met betrekking tot werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden te bescherming van de waterhuishouding en hydrologische instandhoudingsdoelen van het hierbinnen gelegen NNB (art. 3.26 Iov N-B). Het plangebied is Bestemmingsplan toelichting 211620 I 11-05-2022

Pagina 16 van 39

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

gelegen in een Attentiezone waterhuishouding. In het voorliggende bestemmingsplan is daarom een omgevingsvergunningenstelsel opgenomen met betrekking tot de in de verordening opgenomen werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden. Hiermee is de attentiezone afdoende beschermd. Ontwikkeling van niet agrarische functies Een bestemmingsplan dat van toepassing is op Landelijk gebied dient te bepalen dat alleen bestaande burgerwoningen zijn toegestaan en dat zelfstandige bewoning van niet voor bewoning bestemde gebouwen is uitgesloten (art. 3.68 Iov N-B). Op grond van art. 9.9, tweede lid, onder a Iov N-B is een ‘bestaande burgerwoning’ (bestaande gebruiksactiviteit) datgene wat het geldende bestemmingsplan toestaat. Het plangebied is gelegen in het Landelijk Gebied. Ter plaatse van het plangebied gelden de bestemmingsplannen “Buitengebied 2008” en “Buitengebied 2008, Herziening 1a”. In deze bestemmingsplannen is aan de Fransebaan 4, Ulicoten geen burgerwoning als zodanig bestemd. Het voorliggende bestemmingsplan, waarin een burgerwoning wordt toegelaten, is dan ook in strijd met het verbod als opgenomen in art. 3.68 Iov N-B. De verordening bevat diverse bepalingen om, onder voorwaarden, af te wijken van dit verbod (artt. 3.69, 3.78 en 3.79 Iov N-B). Het voorliggende plan kan niet aan deze voorwaarden voldoen.

Om die reden heeft het college op 22 december 2021 GS verzocht om ontheffing te verlenen van deze bepaling. Maatwerk in concreet geval GS kan op aanvraag van het college ontheffing verlenen van de regels als opgenomen in hoofdstuk 3 van de Iov N-B, voor zover de verwezenlijking van het gemeentelijk ruimtelijk beleid wegens bijzondere omstandigheden onevenredig wordt belemmerd in verhouding tot de met die regels te dienen provinciale belangen. Op 22 december 2021 heeft het college een aanvraag ingediend bij GS om ontheffing te verlenen van de bepalingen als opgenomen in artt. 3.5 / 3.6 Iov N-B, art. 3.9 Iov N-B en art. 3.68 Iov N-B. In de aanvraag is uitgebreid ingegaan op de bijzondere omstandigheden ter plaatse van de Fransebaan 4, Ulicoten, het gemeentelijke ruimtelijke beleid en de verhouding tot het provinciale beleid / provinciale belangen. In de aanvraag wordt onder meer geconstateerd dat de provinciale belangen zijn gelegen in de omstandigheid dat indien woningen aan het Landelijk gebied worden toegevoegd, een aanzienlijke winst van de omgevingskwaliteit moet worden bewerkstelligd. Dit volgt uit de in de Iov N-B opgenomen mogelijkheden tot afwijking van het verbod als opgenomen in art. 3.68 Iov N-B en uit de eerdere weigering tot het verlenen van ontheffing (d.d. 12 mei 2020) vanwege het ontbreken van een substantiële verbetering van de omgevingskwaliteit.

Gelet hierop is in de aanvraag om ontheffing van 22 december 2021 een voorstel opgenomen tot verbetering van de omgevingskwaliteit, gelijk aan de investering die wordt gevergd indien gebruik zou worden gemaakt van een van de regelingen om af te wijken van art. 3.68 Iov N-B. Het betreft een investering van € 125.000,- in verbetering van de kwaliteit van het landschap. De eigenaren van de gronden aan de Fransebaan 4, Ulicoten beschikken op het moment van vaststellen en onherroepelijk worden van het bestemmingsplan nog niet over deze middelen. Deze middelen komen beschikbaar na verkoop van het in het plangebied aanwezige pand als burgerwoning. Daarnaast leent het perceel aan de Fransebaan 4, Ulicoten zich niet voor het realiseren van deze investering. Om die reden hebben de initiatiefnemer en de gemeente Baarle-Nassau een hypothecaire overeenkomst gesloten. Uit die overeenkomst volgt de gemeente Baarle-Nassau het te investeren bedrag binnen 2 jaar na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan van initiatiefnemer ontvangt. In de aanvraag om ontheffing stelt het college van burgemeester en wethouders aan GS voor aan de ontheffing een voorschrift te verbinden, waaruit volgt dat de middelen binnen een periode van 5 jaar worden geïnvesteerd in kwaliteitsverbetering van het landschap in Baarle-Nassau.

Ontheffing instructieregels uit hoofdstuk 3 Op de voorbereiding van een ontheffing is afdeling 3.4 Awb van toepassing, met dien verstande dat deze voorbereiding deel uitmaakt van de voorbereiding van het bestemmingsplan waarop het verzoek betrekking heeft. Gelet hierop ligt de aanvraag (het verzoek) om ontheffing zoals dat op 22 december 2021 bij GS is ingediend gelijktijdig met het ontwerp bestemmingsplan ter inzage. Tegen het voornemen om ontheffing te verlenen kunnen zienswijzen worden ingebracht. Eventuele tegen het voornemen ingebrachte zienswijzen worden doorgestuurd aan Gedeputeerde Staten.

Bestemmingsplan toelichting 211620 I 11-05-2022

Pagina 17 van 39

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Conclusie Indien en voor zover Gedeputeerde Staten ontheffing verlenen van de Interim omgevingsverordening NoordBrabant kan het bestemmingsplan voldoen aan de provinciale regels. 3.4

Beleid gemeentelijk niveau

3.4.1

Bestemmingsplan Buitengebied 2008

De planlocatie Fransebaan 4 te Ulicoten is gelegen in twee verschillende bestemmingsplannen. De gronden ter plaatse van de tuin en het bosgebied, behorend tot de planlocatie Fransebaan 4, liggen in het bestemmingsplan "Buitengebied 2008", vastgesteld op 16 juli 2009. Voor deze gronden geldt eveneens de bestemming "Natuur".

Figuur 8: Uitsnede verbeelding bestemmingsplan ‘Buitengebied 2008’

3.4.2

Bestemmingsplan Buitengebied 2008, Herziening 1a

Voor het gedeelte ter plaatse van de woning vigeert het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2008, Herziening 1a’, dat werd vastgesteld door de gemeenteraad op 11 december 2013. Deze herziening is vastgesteld, nadat de reactieve aanwijzing van de provincie, waarbij de woonbestemming werd geschrapt, onherroepelijk was geworden. Via deze herziening zijn de betreffende gronden, die een deel van het totale perceel Fransebaan 4 beslaan, bestemd voor ‘Natuur’ en ‘Waarde - Archeologie middel’.

Bestemmingsplan toelichting 211620 I 11-05-2022

Pagina 18 van 39

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Figuur 9: Uitsnede verbeelding bestemmingsplan ‘Buitengebied 2008, Herziening 1a’

3.4.3

Omgevingsvisie gemeente Baarle-Nassau

De 'Omgevingsvisie Baarle-Nassau' is vastgesteld bij besluit van 26 juni 2019. Hierin is de visie van de gemeente op de ruimtelijke toekomst van de dorpen en het buitengebied vervat. De toekomstige leefomgeving komt namelijk anders tot stand dan in het verleden. Transformatie en hergebruik hebben de plaats van uitbreiding en groei ingenomen. Om initiatieven mogelijk te maken wordt daarom het 'ja mits' beleid aangehouden in plaats van een 'nee tenzij' beleid.

Figuur 10: Uitsnede kaart Omgevingsvisie gemeente Baarle-Nassau Bestemmingsplan toelichting 211620 I 11-05-2022

Pagina 19 van 39

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

In de Omgevingsvisie gemeente Baarle-Nassau zijn deelgebieden aangewezen waarvoor afzonderlijke doelen zijn gesteld. Onderhavige locatie is gelegen in het deelgebied 'jonge ontginningen'. In het algemeen moeten de landschappelijke karakteristieken en de herkenbaarheid van de verschillende landschapstypen behouden blijven en versterkt worden. Om dit doel te bereiken wordt bij nieuwe ontwikkeling een bijdrage gevraagd. Deze bijdrage kan variëren van landschappelijke inpassing tot een kwaliteitsbijdrage elders, als die niet op de locatie van de ontwikkeling zelf realiseerbaar is. Daarnaast is instelling van een landschaps- of groenfonds ook een mogelijkheid. Ontwikkelingen in het buitengebied suggereren vaak nieuwbouw. Het toevoegen van nieuwe burgerwoningen is afweegbaar, zolang aan de eisen van gezondheid en milieu kan worden voldaan. Uiteraard moet het eindresultaat een positieve balans voor het karakteristiek landschap opleveren. Een onderdeel van de omgevingsvisie is de landschapsapsanalyse. In de analyse zijn de kwaliteiten van het buitengebied beschreven en in beeld gebracht. In de landschapsanalyse is een indeling gemaakt van landschapstype. Daarnaast is een opgaven per gebied aangegeven en inspirerende voorbeelden. De planlocatie Fransebaan 4 ligt in het deelgebied ‘Ulicootsche heide’.

Binnen dit deelgebied is de opgaven: het behouden van de kenmerkende richting van het gebied door het verdicht houden van de lange lijnen en het open houden van de ruimtes daar tussen en daar langs, het herkenbaar houden van de grens tussen de jonge heideontginning en het oude landschap van de kampontginningen rond Ulicoten, het handhaven en versterken van beplanting langs wegen en het handhaven van het kenmerkende reliëf gebonden aan de waterlopen.

Figuur 11: Deelgebied Ulicootsche heide

Onderhavig initiatief voorziet in de legalisatie van een reeds bestaande woning en is kleinschalig van aard. Er vindt geen extra verstening plaats en er kan worden voldaan aan de gestelde eisen voor gezondheid en milieu. De legalisatie wordt gecombineerd met een financiële impuls in het landschapsfonds.

Bestemmingsplan toelichting 211620 I 11-05-2022

Pagina 20 van 39

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Hoofdstuk 4 4.1

Milieu en overige aspecten

Inleiding

Ruimtelijke ordening en milieu zijn twee beleidsvelden die met elkaar te maken hebben, rekening met elkaar moeten houden en elkaar kunnen versterken. Het gemeenschappelijke doel dat aan beide beleidsvelden ten grondslag ligt, is het creëren van een goede kwaliteit van het leefmilieu (de omgevingskwaliteit). Om dit te bereiken geldt voor bestemmingsplannen dat toetsing plaats dient te vinden aan specifieke ruimtelijke milieunormen zoals afstandsnormen en normen ten aanzien van geluid, bodem en luchtkwaliteit. 4.2

Algemeen

In de onderstaande paragrafen zijn de ruimtelijke-milieuhygiënische aspecten verder uiteengezet. De aspecten die worden behandeld zijn: - Bodem - Water - Cultuurhistorie en Archeologie - Natuur - Wegverkeerslawaai - Bedrijven en milieuzonering - Externe veiligheid - Kabels en leidingen - Luchtkwaliteit - Toetsing besluit milieueffecten rapportage 4.3

Bodem

Wettelijk toetsingskader Het nationale bodembeleid is geregeld in de Wet bodembescherming (Wbb). Het doel van de Wbb is om te voorkomen dat nieuwe gevallen van bodemverontreinigingen ontstaan. Voor bestaande bodemverontreinigingen is aangegeven in welke situaties (omvang en ernst van verontreiniging) en op welke termijn sanering moet plaatsvinden. Het beleid gaat uit van het principe dat de bodem geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. De gewenste functie bepaalt als het ware de gewenste bodemkwaliteit. In voorliggend bestemmingsplan is de wonen de te realiseren functie waar rekening mee gehouden moet worden. Conclusie In dit bestemmingsplan krijgt bebouwing die al meer dan 30 jaar wordt bewoond alsnog een woonbestemming. Het plan voorziet derhalve in legalisering van al lange tijd bestaand gebruik. Er is om die reden van een nieuwe ontwikkeling geen sprake. In verband hiermee is actueel onderzoek naar de bodemkwaliteit niet benodigd. 4.4

Water

Algemeen Het Rijk, de VNG, het IPO en de Unie van Waterschappen hebben in februari 2001 de startovereenkomst Waterbeleid 21ste eeuw ondertekend. Deze startovereenkomst is in 2003 omgezet in het Nationaal Bestuursakkoord Water. Hiermee hebben deze partijen elkaar gecommitteerd om een watertoets toe te passen bij het opstellen van ruimtelijke plannen. In mei 2011 hebben partijen het Bestuursakkoord Water ondertekend. Doelstelling van dit vernieuwde akkoord is te blijven zorgen voor veiligheid tegen overstromingen, een goede kwaliteit water en voldoende zoet water. Het Nationaal Waterplan 2009-2015 geeft in hoofdlijnen aan welk beleid het rijk in die periode voert om te komen tot duurzaam waterbeheer en is in het bijzonder gericht op het beschermen tegen overstromingen, Bestemmingsplan toelichting 211620 I 11-05-2022

Pagina 21 van 39

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

voldoende schoon water en de maatregelen die hiervoor nodig zijn. Inmiddels is een ontwerp voor het Nationaal Waterplan 2016-2021 beschikbaar. Hierin wordt ook vooruit geblikt naar het jaar 2050. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 3.1.6 lid 1, sub b Bro. Beleid waterschap Brabantse Delta Het waterschap Brabantse Delta Is verantwoordelijk voor het waterbeheer In de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer, waaronder grondwater, heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen In het waterbeheerplan 2016-2021, wat tot stand is gekomen In samenspraak met de waterpartners. Zo zijn bijvoorbeeld relevante waterthema's gekoppeld aan de belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen in de regio. Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2021-2025 De gemeente Baarle-Nassau heeft een Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2021-2025 opgesteld. Het plan beschrijft hoe de gemeente in de komende jaren invulling zal geven aan haar zorgplichten voor afvalwater, hemelwater en grondwater en hoe deze invulling wordt gefinancierd.

Uitgangspunten gemeente Baarle-Nassau: - Gescheiden afvoer hemelwaterafvoer bij herontwikkeling en nieuwbouw. Beoordeling Grondwaterbeschermingsgebied Het plangebied is gelegen binnen het grondwaterbeschermingsgebied. Er zijn geen waterlopen en/of waterpartijen in de directe nabijheid aanwezig. Dit heeft geen gevolgen voor de beoogde ontwikkeling. De ontwikkelingen hebben geen invloed op het attentiegebied.

Bestemmingsplan toelichting 211620 I 11-05-2022

Pagina 22 van 39

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Figuur 12: Uitsnede keur- en leggerkaart, waterschap Brabantse Delta

Riolering en infiltratie Uitgangspunt voor de waterhuishouding in met name nieuwbouwprojecten, is een duurzaam gescheiden systeem. Dit betekent dat schoon hemelwater, wat valt op daken en terreinverharding, zoveel mogelijk in het plangebied opgevangen en geïnfiltreerd dient te worden en alleen het vervuilde afvalwater via het riool wordt afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie. De hoeveelheid afvalwater, die getransporteerd wordt naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie zal hiermee afnemen, wat uit het oogpunt van milieu een positieve ontwikkeling betekend. Het waterschap is geen voorstander van het toepassen van uitlogende bouwmaterialen zoals lood, koper, zink en zacht PVC. Er wordt binnen het plangebied gekozen om het schone regenwater en het afvalwater gescheiden aan te leveren en aan te sluiten op het gescheiden rioolstelstel. Het Waterschap Brabantse Delta heeft in het beleid aangegeven dat voor het toevoegen van verharding, minder dan 500 m², geen infiltratie danwel retentie toegepast hoeft te worden. Er zal naar verwachting geen toename van verhard oppervlak plaats vinden. Aangezien het plangebied buiten de beschermde gebieden van de Keur van het waterschap is gelegen en de uitbreiding van de verharding kleiner is dan 500 m², is het niet nodig om te voorzien in een infiltratie of retentie op basis van het beleid van Waterschap Brabantse Delta.

Watertoets Verbreed gemeentelijk Rioleringsplan In de plantoelichting moet een waterparagraaf worden opgenomen, waarin wordt aangegeven op welke manier rekening is gehouden met de (eventuele) gevolgen van het plan voor de waterhuishouding in het plangebied. De watertoets is een belangrijk instrument om te verzekeren dat de waterhuishouding vanaf het begin van de planvorming integraal onderdeel uitmaakt van de ontwikkeling. In de bestaande situatie is de planlocatie verhard ter plaatse van de woning. Er zal naar verwachting geen toename van verhard oppervlak plaats vinden. Bij een toename van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd, er is in deze situatie geen sprake van toename van verhard oppervlak. Onderzoek Het bestemmingsplan voor Fransebaan 4 voorziet niet in het mogelijk maken van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, maar het na lange tijd alsnog legaliseren van een bestaande situatie, zodat vanwijzigingen, die de waterhuishouding raken, geen sprake is. Watertoets Het watertoetsproces is een belangrijk instrument om het waterbelang in ruimtelijke plannen en besluiten te waarborgen. Het gaat daarbij om alle waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: rijkswateren, regionale wateren en grondwater.

De watertoets zorgt er voor dat bij alle ruimtelijke plannen aandacht is voor de kwaliteit én Bestemmingsplan toelichting 211620 I 11-05-2022

Pagina 23 van 39

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

kwantiteit van water. De watertoets is verplicht bij alle plannen voor landelijk én stedelijk gebied. De gemeente doorloopt met het waterschap het watertoetsproces, dat bestaat uit advisering, toetsing en goedkeuring door het waterschap. Dit bestemmingsplan wordt voorgelegd aan het waterschap Brabantse Delta. Die zal in het kader van het overleg ex. artikel 3.1.1 Bro het wateradvies uitbrengen. 4.5

Cultuurhistorie en archeologie

4.5.1

Cultuurhistorie

Wettelijk Toetsingskader Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Op 5 juli 2011 is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2012 moet ieder nieuw bestemmingplan een analyse van cultuurhistorische waarden bevatten. In aansluiting op de vaststelling van de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in mei 2011 zijn op 17 juni 2011 het Bro, het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz) aangepast. Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen.

Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De wetgever wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De Erfgoedwet, van kracht sinds 1 juli 2016, bundelt wet- en regelgeving op het gebied van behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland in één nieuwe wet. Een groot deel van de bestaande wet- en regelgeving (Monumentenwet, Wet ruimtelijke ordening) is overgenomen in de Erfgoedwet, bijvoorbeeld de aanwijzing van rijksmonumenten, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend.

Voor het eerst is er nu één integrale wet die betrekking heeft op onze museale objecten, musea, monumenten en archeologie op het land en onder water. Voorheen was het behoud en beheer van ons erfgoed geregeld in zes verschillende wetten met elk hun eigen procedures en beschermingsmaatregelen. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Daarnaast worden aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Samen met de Omgevingswet die naar verwachting in 2021 wordt ingevoerd, wordt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleid provincie Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven, zie figuur 13.

Bestemmingsplan toelichting 211620 I 11-05-2022

Pagina 24 van 39

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Figuur 13: Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart

Beoordeling De planlocatie ligt voor een gedeelte in het gebied 'Archeologische landschappen'. In regionaal verband ligt de planlocatie in het gebied ‘Baronie’. Cultuurhistorisch landschap: Baronie De planlocatie valt binnen het cultuurhistorisch landschap ‘Baronie’. Het gebied bevat tal van sporen van vroegere turfwinning, onder meer in de vorm van tal van turfvaarten. De Baronie is onderdeel van het dekzandplateau dat doorsneden wordt door beken. Het gebied wordt gekenmerkt door een oud, plaatselijk goed bewaard gebleven cultuurlandschap met tal van oudere en jongere landgoederen. De planlocatie betreft geen landgoed en er zijn ook geen beken of turfvaarten in de directe omgeving aanwezig. Op de planlocatie vinden geen ontwikkelingen plaats die van invloed kunnen zijn op de cultuurhistorische landschappen. Conclusie De beoogde planontwikkeling geeft geen belemmering voor de cultuurhistorie van de nabije omgeving en zal de cultuurhistorische waarden niet aantasten. 4.5.2

Archeologie

Wettelijk toetsingskader Het is verplicht om in nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologisch waarden. Het beleid van de gemeente Baarle-Nassau ten aanzien van archeologie is vervat in de ‘Nota Archeologie’, aldus vastgesteld in december 2011. In combinatie met de archeologische beleidskaart vormt deze het beleidsinstrumentarium voor de gemeente om haar wettelijke taak als bevoegde overheid voor archeologie uit te kunnen voeren. In figuur 14 is een uitsnede van deze archeologische beleidskaart te zien ter plaatse van de planlocatie. Beoordeling Uit de archeologische beleidskaart van de gemeente Baarle-Nassau is op te maken dat de planlocatie is gelegen ter plaatse van de archeologische kaarteenheid ‘archeologische verwachtingswaarde middelhoog: laag jv, middelhoog lb’, ‘archeologische verwachtingswaarde laag: laag jv, laag lb’ (voor een klein gedeelte), en ‘bosgebied: goede voorwaarden voor de gaafheid van archeologische vindplaatsen’(gedeeltelijk) Hieruit volgt dat op gronden met een archeologische verwachtingswaarde die behoort tot categorie 4 (Waarde – Archeologie middelhoog) maximaal 1000 m2 tot een diepte van 40 cm beneden maaiveld geroerd mag Bestemmingsplan toelichting 211620 I 11-05-2022

Pagina 25 van 39

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

worden. En voor een klein gedeelte de archeologische verwachtingswaarde die behoort tot categorie 6, voor deze categorie zijn geen verdere restricties ten aanzien van ruimtelijke ontwikkelingen.

Figuur 14: Uitsnede Archeologische beleidskaart gemeente Baarle-Nassau

Er wordt binnen het plangebied geen nieuwe bebouwing opgericht. Er is sprake van een bestaande woning. Voldaan wordt aan de uitgangspunten van de Archeologische beleidsnota. Conclusie De geldende archeologische bescherming (op grond van het Bestemmingsplan Buitengebied 2008 en het Bestemmingsplan Buitengebied 2008, herziening 1a) houdt een omvang-ondergrens van 2500 m² en een diepte-ondergrens van 40 cm in. Op grond van de archeologische beleidskaart van Baarle-Nassau (vastgesteld na Bp Buitengebied 2008) wordt de omvang-ondergrens verlaagd naar 1000 m² voor het grootste deel van het plangebied. Ter plaatse van dit gebied wordt de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ opgenomen. Voor het uiterste noordoostelijke deel van het plangebied geldt geen archeologische bescherming meer, omdat hier geen archeologische waarden worden verwacht. 4.6

Natuur

Voorafgaand aan de beoogde wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van de groene wet- en regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven. Natuurnetwerk Nederland (NNN) In de twintigste eeuw is veel Nederlandse natuur verdwenen. De overgebleven gebieden zijn vaak klein en liggen veelal ver uit elkaar. Hierdoor hebben bepaalde organismen moeite om gebieden te bereiken en zich er te handhaven, waardoor de diversiteit van planten, dieren en micro-organismen (de biodiversiteit) ook sterk achteruit gaat. Om de biodiversiteit te behouden en te versterken is het Natuurnetwerk Nederland opgericht. De Natuurnetwerk Nederland is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. In het NNN liggen: ▪ Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; ▪ Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; ▪ Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ▪ Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van Noordzee en de Waddenzee; ▪ Alle Natura 2000-gebieden. Bestemmingsplan toelichting 211620 I 11-05-2022

Pagina 26 van 39

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgelegd. Op grond van artikel 2.10.2 van het Barro moeten provincies bij provinciale verordening de NNN-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van artikel 2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen. Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in de NNN aan. Elk NNN-gebied heeft een zogenaamd natuurdoel. Een natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied. Natuur Netwerk Brabant (NNB) Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijke voor de begrenzing en de ontwikkeling van het NNN. De provincie Noord-Brabant heeft in zijn Verordening de gebieden opgenomen als Natuur Netwerk Brabant. Men wil in 2027 alle gaten in het netwerk hebben gedicht met nieuwe natuur. Ongeveer 90% van het Natuur Netwerk Brabant wordt gevormd door bestaande natuurgebieden. Tussen deze gebieden is men voornemens om verbindingen te leggen in de vorm van Ecologische verbindingszones. Door deze verbindingen tussen natuurgebieden kunnen dieren van het ene gebied naar het andere foerageren. De concrete ambities van de provincie Noord-Brabant staan in het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2016. De begrenzing van het netwerk is daarnaast ook opgenomen in de Verordening ruimte.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11609855/1