3.5 - Bijlage 5g - Ecologische quickscan
Tekst van het document
ECOLOGISCHE QUICKSCAN Onderzoek naar beschermde natuurwaarden ten behoeve van ruimtelijke ontwikkeling
Locatie: Groeske 11 Castelré Rapportnummer: 2025-BE-1617 In opdracht van: Van Dun Advies BV Raadhuisstraat 32 5126 CJ Gilze
Ecologische quickscan Groeske 11 Castelré, BE-1617
Colofon Rapportage Brabant Eco Rapportnummer 2025-BE-1617 Opdrachtgever Van Dun Advies BV Contactpersoon De heer M. Gerards Locatie Groeske 11 Castelré Auteur Sofie de Wolf Collegiale controle Freek Rovers Opleverdatum 12 november 2025
De Lange Kant 27 5061 PX Oisterwijk 06-24218274 www.brabanteco.nl
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
Overname, verveelvoudiging of openbaarmaking van dit rapport is niet toegestaan zonder vermelding van bron.
Dit rapport is met de grootste zorg samengesteld. Desondanks aanvaardt Brabant Eco geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek door toepassing van adviezen.
1
Ecologische quickscan Groeske 11 Castelré, BE-1617
Inhoudsopgave SAMENVATTING ................................................................................................................... 3 1.
INLEIDING EN ONDERZOEK ........................................................................................... 4 1.1 Aanleiding ............................................................................................................................. 4 1.2 Doelstelling ........................................................................................................................... 4 1.3 Criteria................................................................................................................................... 4 1.4 Geldigheid onderzoek........................................................................................................... 4
2.
PROJECTGEGEVENS ....................................................................................................... 5 2.1 Ligging van het plangebied .................................................................................................. 5 2.2 Omschrijving van het invloedsgebied ................................................................................. 5 2.3 Voorgenomen ontwikkeling ................................................................................................. 6
3.
PRAKTIJK ECOLOGISCHE QUICKSCAN ............................................................................ 9 3.1 Bureauonderzoek ................................................................................................................. 9 3.2 Veldonderzoek ...................................................................................................................... 9 3.3 Beschrijving plangebied ten tijde van het veldbezoek..................................................... 10
4.
BESCHERMDE NATUURWAARDEN .............................................................................. 14 4.1 Gebiedsbescherming .......................................................................................................... 14 4.2 Houtopstanden ................................................................................................................... 16 4.3 Soortenbescherming .......................................................................................................... 17
5.
RESULTATEN EN ADVIES ............................................................................................. 30 5.1 Resultaten en advies beschermde gebieden en houtopstanden ..................................... 30 5.2 Resultaten en advies beschermde soorten ....................................................................... 30 5.3 Aanbevelingen .................................................................................................................... 32
6.
BRONNEN ................................................................................................................... 34
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
2
Ecologische quickscan Groeske 11 Castelré, BE-1617
SAMENVATTING
Initiatiefnemer is voornemens om de bestemming van het plangebied Groeske 11 te Castelré te wijzigen. De’ agrarische’ bestemming zal worden gewijzigd in ‘wonen’. De bebouwing zal deels worden gesloopt en het bouwvlak verkleind. Bij deze werkzaamheden is de opdrachtgever gebonden aan de Omgevingswet. Omdat overtreding van de Omgevingswet in het kader van ecologie op voorhand niet uitgesloten kan worden is aan Brabant Eco de opdracht gegeven voor het uitvoeren van een ecologische quickscan in het plangebied in het kader van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling. Dit voorliggend rapport geeft een beschrijving van het plangebied en het uitgevoerde onderzoek. Daarnaast geeft dit rapport inzicht in de mogelijke knelpunten in het kader van de natuurwetgeving en -beleid en de mogelijke effecten op beschermde flora en fauna en op beschermde natuurgebieden als gevolg van het project. Het rapport kan voor de opdrachtgever als bewijsstuk dienen voor het verrichtte natuuronderzoek. Op basis van uitgevoerd onderzoek zijn geen effecten met werkzaamheden te verwachten die van negatieve invloed zijn op de mogelijk aanwezige beschermde soorten en hun functioneel leefgebied. Hoewel er binnen het plangebied geen (nesten van) huismussen zijn waargenomen bieden de daken van het woonhuis en het bakhuisje in theorie potentie als nestplaats voor huismussen.
Gezien enkel de dakpannen van het woonhuis vervangen zullen worden en het leefgebied van de huismus voor en na de werkzaamheden dus gelijk zal blijven, kan gebruik gemaakt worden van de provinciale regeling die stelt dat een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit niet noodzakelijk is indien het leefgebied aantoonbaar gelijk zal blijven. Wel dient tijdens de werkzaamheden rekening gehouden te worden met mogelijk aanwezige dieren, door in secties te werken zodat er altijd schuilmogelijkheden zijn en door eventueel aangetroffen nesten of nestmateriaal te behouden. Om verstoring van algemene Vogelrichtlijnsoorten te voorkomen, dient buiten het broedseizoen gewerkt te worden. Indien werkzaamheden binnen het broedseizoen gewenst zijn, dient kort voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelcheck uitgevoerd te worden, door een deskundig ecoloog. Indien rekening gehouden wordt met lichtverstoring van vleermuizen, zowel tijdens de werkzaamheden als in de gebruiksfase, zijn negatieve effecten op de soortgroep uit te sluiten. Nader onderzoek of een omgevingsvergunning in het kader van de ecologie is niet nodig. De zorgplicht is altijd van toepassing. Natuurinclusief bouwen wordt aanbevolen. Sofie de Wolf Brabant Eco November 2025
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
3
Ecologische quickscan Groeske 11 Castelré, BE-1617
1. INLEIDING EN ONDERZOEK In dit hoofdstuk staan de aanleiding en doelstelling van deze ecologische quickscan beschreven. Ook staan de criteria en de geldigheid van dit onderzoek vermeld. Op enkele uitzonderingen na, zijn de provincies het bevoegd gezag van de wet. De provincies organiseren de vergunningverlening en handhaving. Zie bijlage 2.
1.1 Aanleiding Volgens opdrachtgever Van Dun Advies BV is het voornemen om de bestemming van het plangebied Groeske 11 te Castelré te wijzigen. De’ agrarische’ bestemming zal worden gewijzigd in ‘wonen’. Daarnaast zal de bebouwing deels worden gesloopt, worden de dakpannen van het woonhuis vervangen en zal het bouwvlak worden verkleind. Bij deze werkzaamheden is opdrachtgever gebonden aan de Omgevingswet. In opdracht heeft Brabant Eco een ecologische quickscan uitgevoerd voor het plangebied en directe omgeving in het kader van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling.
1.2 Doelstelling Het doel van dit verkennend onderzoek is om vast te stellen of de geplande ontwikkeling mogelijk effect heeft op beschermde flora en fauna en op beschermde natuurgebieden. Ingeschat wordt of er binnen het invloedsgebied van de voorgenomen ingreep mogelijk planten- en diersoorten aanwezig zijn, die volgens de Omgevingswet een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloeden kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Omgevingswet zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. De centrale vraag luidt: Is de voorgenomen ontwikkeling in strijd met de natuurwetgeving en dienen eventuele vervolgstappen genomen te worden voordat met de uitvoering gestart kan worden? Als blijkt dat de ingreep leidt tot een mogelijke overtreding van de Omgevingswet, wordt bepaald naar welke soorten en functies eventueel aanvullend onderzoek nodig is en of nadere toetsing in het kader van beschermde gebieden noodzakelijk is.
1.3 Criteria Op dit natuuronderzoek zijn de volgende criteria van toepassing: o Het onderzoek is uitgevoerd door ecologisch deskundigen. Een ecologisch deskundige heeft aantoonbare specifieke ecologische kennis en ervaring en geeft ecologisch advies en/of begeleidt werkzaamheden op het gebied van habitats en soorten. o Het onderzoek is uitgevoerd door een onafhankelijk bureau. Brabant Eco verklaart hierbij geen enkel belang te hebben in de uitkomst van dit onderzoek. o De resultaten zijn zo objectief en betrouwbaar mogelijk verkregen. o Het onderzoek voldoet aan de interne proces- en kwaliteitseisen van Brabant Eco.
1.4 Geldigheid onderzoek Dit onderzoek is uitgevoerd conform de landelijk geldende richtlijnen. Onderzoeksgegevens mogen maximaal drie jaar oud zijn in gebieden waar weinig of geen ruimtelijke of kwalitatieve veranderingen zijn opgetreden in de afgelopen drie jaar. In gebieden waarvoor dit niet geldt, moeten de gegevens recenter zijn.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
4
Ecologische quickscan Groeske 11 Castelré, BE-1617
2. PROJECTGEGEVENS
In dit hoofdstuk worden de belangrijkste gegevens ten aanzien van de voorgenomen ontwikkelingen weergegeven. Allereerst wordt ingegaan op de geografische ligging van het plangebied en de kenmerken van het invloedsgebied. Vervolgens worden de voorgenomen ontwikkelingen en het toekomstige gebruik beschreven.
2.1 Ligging van het plangebied Het plangebied is westelijk gelegen aan het Groeske, in het buitengebied ten noordwesten van de kern van Castelré. Castelré is een dorp behorende tot de gemeente Baarle-Nassau in de provincie Noord-Brabant. Ten noorden van het dorp is natuurgebied en rivier het Merkske gelegen, in het zuiden rivier de Hollandse Loop en in het westen rivier de Mark. De ligging van het plangebied in de wijdere omgeving is weergegeven in onderstaande afbeelding.
Castelré
Afbeelding 1: Ligging plangebied (rode pin) in de wijdere omgeving. Bron: Google Earth.
2.2 Omschrijving van het invloedsgebied In het plangebied is een voormalig agrarisch bedrijf gevestigd. Bestaande uit bebouwing, verharding, gras, bomen en struiken. Het invloedsgebied bestaat uit agrarische bedrijven en agrarische percelen vooral bestaande uit weilanden. Op circa 500 meter afstand naar het noorden ligt de grens met België. Op onderstaande afbeelding wordt het plangebied globaal aangegeven.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
5
Ecologische quickscan Groeske 11 Castelré, BE-1617
Afbeelding 2: Globaal omlijnd plangebied in blauw. Bron: Google Earth.
Afbeelding 3: Globaal omlijnd plangebied in blauw. Bron: Google Earth.
2.3 Voorgenomen ontwikkeling Het initiatief bestaat uit een bestemmingswijziging van het plangebied Groeske 11 te Castelré. Het voornemen is om de ‘agrarische’ bestemming te wijzigen in wonen. De bestaande bedrijfswoning zal worden omgezet in een burgerwoning. De berging/opslag zal deels worden gesloopt. Het bakhuisje,
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
6
Ecologische quickscan Groeske 11 Castelré, BE-1617 dwarsdeelschuur en de open hooischuur bevatteen cultuurhistorische waarden en blijven behouden. Wel zullen de dakpannen van het monumentaal woonhuis worden vervangen. Het bakhuisje wordt behouden ten behoeve van opslag van (hobbymatige) landbouwmachines, een garage, opslag van kachelhout en privéopslag. Het bijgebouw zal worden verbouwd tot een (tijdelijke) mantelzorgwoning. Daarnaast zal het bouwvlak worden verkleind. Het geheel zal landschappelijk worden ingepast.
Afbeelding 4: Bestaande situatie. Bron: Van Dun ontwerp & planologie.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
7
Ecologische quickscan Groeske 11 Castelré, BE-1617
Afbeelding 5: Landschappelijk inpassingsplan. Bron: Van Dun ontwerp & planologie.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
8
Ecologische quickscan Groeske 11 Castelré, BE-1617
3. PRAKTIJK ECOLOGISCHE QUICKSCAN
Een aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt getoetst aan de Omgevingswet. In het kader van deze wet is het noodzakelijk te weten welke flora- en faunasoorten potentieel voorkomen in het plangebied en of er met de voorgenomen ingreep negatieve effecten te verwachten zijn op de kwaliteit van beschermde natuurgebieden in de omgeving. De ecologische quickscan, ook wel quickscan flora en fauna genoemd, is de eerste stap van ecologisch onderzoek en geeft de mogelijke effecten van een ruimtelijke ingreep weer op beschermde planten, dieren en natuurgebieden. De ecologische waarden worden in kaart gebracht middels bureau- en veldonderzoek. De volgende vragen worden beantwoord: o Welke beschermde soorten zijn potentieel aanwezig binnen het invloedsgebied van de beoogde ingreep? o Wat zijn de effecten van de voorgenomen plannen op deze aanwezige soorten? o Wordt de Omgevingswet ten aanzien van het onderdeel ecologie overtreden? o Welke mogelijkheden zijn er om negatieve effecten op de beschermde soorten te minimaliseren of te voorkomen? o Is er een aanvullend onderzoek nodig naar soorten of functies? o Is het noodzakelijk om voor de voorgenomen plannen een omgevingsvergunning in het kader van de ecologie aan te vragen bij de provincie Noord-Brabant? Een ecologische quickscan is een momentopname en betreft geen volwaardig specifiek soortenonderzoek.
Er zijn in dit verkennend onderzoek geen nadere inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een nadere inventarisatie bestaat uit meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode(n) van het jaar.
3.1 Bureauonderzoek Het bureauonderzoek heeft zich gericht op bekende ruimtelijke plannen, zowel lokaal, provinciaal, als nationaal. Door middel van literatuuronderzoek is onderzocht of zich in de nabijheid van het plangebied gebieden bevinden die beschermd zijn in het kader van de natuurwetgeving en is er een inschatting gemaakt op het voorkomen van beschermde soorten. Hierbij is gebruik gemaakt van de database van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF), zie bijlage 1, aangevuld met gegevens uit relevante recente verspreidingsatlassen en actuele websites, onder andere RAVON, Sovon, FLORON en Waarneming.nl. NDFF Verspreidingsatlas is een naslagwerk met afbeeldingen en informatie over duizenden soorten die in de Nederlandse natuur voorkomen. De verspreidingskaarten worden gemaakt met gevalideerde gegevens uit de Nationale Databank Flora en Fauna. De inhoud van de atlas wordt mede verzorgd door zes verenigingen en stichtingen: de Nederlandse Mycologische Vereniging (NMV), FLORON, het Landelijk Informatiecentrum Kranswieren (LIK) en stichting ANEMOON, stichting RAVON en de Zoogdiervereniging. Voor de gebiedsgerichte bescherming is onderzoek uitgevoerd naar aanwezigheid van relevante natuurterreinen in de omgeving, het betreft de Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Daarvoor is o.a.
gebruik gemaakt van de website van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en die van de provincie Noord-Brabant.
3.2 Veldonderzoek Op maandagochtend 3 november 2025 hebben ecologen Freek Rovers en Sofie de Wolf in het kader van het natuurwaardenonderzoek het veldonderzoek uitgevoerd aan het plangebied en de directe omgeving. De weersomstandigheden waren droog en bewolkt met een zuidenwind met windkracht 3. De gemiddelde temperatuur lag rond de 10 graden Celsius. Tijdens het veldonderzoek werd de ecologische potentie van het invloedsgebied in relatie met het mogelijk voorkomen van beschermde soorten onderzocht. In het plangebied en omgeving is zoveel mogelijk informatie verzameld over de aan- of afwezigheid van beschermde soorten. Hierbij zijn waarnemingen, Brabant Eco; ecologische dienstverlening
9
Ecologische quickscan Groeske 11 Castelré, BE-1617 zowel visueel als auditief, en sporenonderzoek cruciaal. Er is gekeken naar de aanwezigheid van vraat-, loop- en veegsporen, nesten, holen, uitwerpselen, prooiresten en haren. Daarnaast is op basis van terreinkenmerken beoordeeld of het plangebied geschikt is voor de in de regio voorkomende beschermde soorten. De aanwezige habitats tijdens het veldbezoek en de waarnemingen uit de NDFF werden vergeleken met de habitatvereisten van beschermde planten- en diersoorten. Op basis van deze vergelijking en expert judgement is beoordeeld welke van deze soorten in het plangebied kunnen voorkomen.
3.3 Beschrijving plangebied ten tijde van het veldbezoek Het plangebied is gelegen aan Groeske 11 te Castelré en wordt omringd door agrarische percelen. De straat Groekse loopt door het plangebied heen. Het plangebied bevat een bakhuisje, een monumentaal woonhuis, een berging/opslag, een berging/houtopslag, een berging/garage en een berging. Het bakhuisje bevindt zich in het oosten van het plangebied en is opgetrokken uit steense wanden met een zadelvormig pannendak. De dakpannen hangen over de zijgevels van het huisje en de kopgevels zijn aangesmeerd met cement. De wanden zijn voorzien van meerdere muurankers en aan de oostzijde bevindt zich een aanbouw van houten en glazen wanden. Het monumentale woonhuis ligt op circa 13 meter afstand ten westen van het bakhuisje en is tevens opgetrokken uit steense wanden. Het zadelvormige pannendak is voorzien van meerdere schoorstenen, de zijgevels zijn voorzien van dakgoten en de kopgevels zijn aangesmeerd met cement. Aan de westzijde van het woonhuis is een aanbouw gelegen, bestaande uit bakstenen wanden en een damwand dak. Op circa 5 meter afstand ten noorden van het woonhuis ligt de berging/opslag. Deze is opgetrokken uit bakstenen wanden met daarin meerdere raampartijen en (stal)deuren. Het dak is deels bedekt met dakpannen en deels met golfplaten, en is niet voorzien van dakbeschot.
Het dak is enkel aan de binnenzijde op sommige plaatsen voorzien van een afdekzeil. De berging/houtopslag ligt op circa 4 meter afstand ten westen van het woonhuis en bestaat uit bakstenen wanden met een zadelvormig pannendak. De dakpannen lopen op de zuidwestelijke hoek door tot aan de grond, hieronder is de houtopslag gelegen. Het dak heeft meerdere gaten en is niet voorzien van dakbeschot. De berging/garage ligt in het midden van het plangebied en heeft brandschade opgelopen en is daardoor deels ingestort. Het gebouw bestaat nog uit 2 bakstenen wanden en één damwand wand. Het dak is voor ongeveer de helft bedekt met dakpannen. De berging is gelegen in het westen van het plangebied en bestaat uit strak aangesloten houten wanden en een zadelvormig dak dat is bedekt met dakleer met daarop strak aangesloten dakpannen. Ten slotte staan in het westen van het plangebied meerdere bomen en struiken, waaronder berk, eik, hulst, laurier en een mispelboom.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
10
Ecologische quickscan Groeske 11 Castelré, BE-1617
Foto 1: Groeske, vanaf het noorden.
Foto 2: Bakhuisje, vanaf het noordwesten.
Foto 3: Bakhuisje, vanaf het zuidoosten.
Foto 4: Woonhuis, vanaf het noordoosten.
Foto 5: Woonhuis, vanaf het zuidoosten.
Foto 6: Woonhuis, vanaf het noordoosten.
Foto 7: Berging/opslag, vanaf het noordoosten.
Foto 8: Berging/opslag, vanaf het zuidwesten.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
11
Ecologische quickscan Groeske 11 Castelré, BE-1617
Foto 9: Berging/opslag, vanaf het westen.
Foto 10: Berging/opslag, vanaf het zuidoosten.
Foto 11: Binnenzijde berging/opslag.
Foto 12: Binnenzijde berging/opslag.
Foto 13: Berging/houtopslag, vanaf het noordoosten.
Foto 14: Berging/houtopslag, vanaf het noorden.
Foto 15: Binnenzijde berging/houtopslag.
Foto 16: Binnenzijde berging/houtopslag.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
12
Ecologische quickscan Groeske 11 Castelré, BE-1617
Foto 17: Berging, vanaf het zuiden.
Foto 18: Berging, vanaf het oosten.
Foto 19: Berging, vanaf het zuidwesten.
Foto 20: Vegetatie ten oosten berging.
Foto 21: Vegetatie ten oosten berging.
Foto 22: Vegetatie ten noorden berging.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
13
Ecologische quickscan Groeske 11 Castelré, BE-1617
4. BESCHERMDE NATUURWAARDEN In dit hoofdstuk worden de beschermde gebieden en soorten beschreven die zich (mogelijk) in de nabijheid van het plangebied bevinden. Er wordt aangegeven of de voorgenomen ingreep mogelijk negatieve effecten heeft op deze beschermde gebieden en soorten en of er met de werkzaamheden beschermde houtopstanden verdwijnen.
4.1 Gebiedsbescherming Door middel van bureaustudie is onderzocht of het plangebied binnen of in de nabijheid van beschermde natuurgebieden gelegen is. Daarbij is gebruikgemaakt van de gegevens van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu en de provincie NoordBrabant.
4.1.1 Natura 2000 Het plangebied ligt op minimaal 3 kilometer afstand van zuidoostelijk gelegen gronden behorend tot Natura 2000-gebied ‘Heesbossen, Vallei van Marke en Merkske en Ringven’. Op ongeveer 8 kilometer afstand naar het zuidoosten ligt Natura 2000-gebied ‘Vennen, heiden en moerassen rond Turnhout’ en zuidwestelijk op 12 kilometer Natura 2000-gebied ‘De Maatjes, Wuustwezelheide en Groot Schietveld’. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied weergegeven. De ligging van het plangebied wordt met een rode pin aangegeven. Natura 2000-gebieden zijn in groen aangegeven.
Minimaal 3 kilometer tussen het plangebied en gronden behorend tot Natura 2000
Afbeelding 6: Natura 2000-gebieden. De afstand tussen het plangebied en Natura 2000 is met een pijl aangegeven. Bron: Natura2000.eea.europa.eu.
Doordat het plangebied buiten het Natura 2000-gebied ligt kunnen alleen effecten optreden als gevolg van externe werking. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden dient er o.a. zekerheid geboden te worden
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
14
Ecologische quickscan Groeske 11 Castelré, BE-1617 betreffende het niet optreden van een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten. Gezien de aard en omvang van het voornemen, de locatie, de effectafstand tot Natura 2000-gebieden en het effectbereik, zijn externe effecten op voorhand uit te sluiten. Een Aerius-berekening kan dit staven.
4.1.2 Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt op minimaal 50 meter afstand van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren: het Merkske. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied weergegeven. De ligging van het plangebied wordt met een rode pin aangegeven. De NNN-gebieden in diverse kleuren.
Minimaal 50 meter tussen het plangebied en gronden behorend tot Natuurnetwerk Nederland
Afbeelding 7: Natuurnetwerk Nederland-gebieden. De afstand tussen het plangebied en NNN is met een pijl aangegeven. Bron: Kaartbank Brabant.
In of in de directe nabijheid van een NNN-gebied zijn geen ontwikkelingen toegestaan die de ‘wezenlijke kenmerken of waarden’ aantasten. De significante aanpassing van en negatieve effecten door externe werking op de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN zijn, gezien de omvang, de aard, het effectbereik en de locatie van het voornemen, op voorhand uit te sluiten.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
15
Ecologische quickscan Groeske 11 Castelré, BE-1617
4.1.3 Vlaams Ecologisch Netwerk (VEN) en Integraal Verwevings- en Ondersteunend Netwerk (IVON) Het plangebied ligt op minder dan een kilometer afstand van de grens van België. De natuurlijke structuur in Vlaanderen bestaat in de eerste plaats uit de gebieden van het Vlaams Ecologisch Netwerk (VEN) en de natuurverwevingsgebieden en natuurverbindingsgebieden van het Integraal Verwevings- en Ondersteunend Netwerk (IVON). Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Vlaams Ecologisch Netwerk in de omgeving van het plangebied weergegeven. De ligging van het plangebied wordt met een rode cirkel aangegeven, de VEN-gebieden in groen en paars.
Minimaal 1,6 km tussen het plangebied en gronden behorend tot Vlaams Ecologisch Netwerk Afbeelding 8: Vlaams Ecologisch Netwerk (VEN) in paars en groen. De afstand tussen het plangebied en VEN is met een pijl aangegeven. Bron: Geopunt.be.
Het plangebied ligt niet in, of direct aangrenzend aan het VEN-gebied. De significante aantasting van en negatieve effecten door externe werking op de wezenlijke kenmerken en waarden van de VEN zijn, gezien de omvang, de aard, het effectbereik en de locatie van het voornemen, niet te verwachten.
4.1.4 Conclusie Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland, het Vlaams Ecologisch Netwerk of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland en Vlaams Ecologisch Netwerk, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. De voorgenomen activiteiten hebben mogelijk geen negatief effect op instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden. Een Aerius-berekening kan dit staven.
4.2 Houtopstanden Volgens artikel 11.111 van het Besluit activiteiten leefomgeving in de Omgevingswet is het verboden een houtopstand (bos, houtwallen, heester- en struikhagen, struwelen en bosplantsoenen) geheel of gedeeltelijk te vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaande melding daarvan bij de Gedeputeerde Staten. Het betreft hier houtopstanden van tenminste 10 are of rijbeplanting van minimaal 20 bomen. Verder geldt er ook een herplantplicht voor gekapte houtopstanden. Indien de totale oppervlakte of het aantal bomen kleiner is dan deze 10 are of 20 bomen, dan gelden de rijksregels over het vellen en herplanten niet. Het plangebied ligt buiten de bebouwingscontour houtkap waardoor de Omgevingswet houtopstanden van toepassing is. In het noordwestelijke deel van het plangebied zullen enkele bomen worden gekapt. De kwalitatieve bomen zullen behouden blijven en gezien het bosplantsoen langs de zuidwestelijke grens van
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
16
Ecologische quickscan Groeske 11 Castelré, BE-1617 het plangebied uitgebreid wordt en er meerdere bomengroepen worden aangeplant binnen het plangebied, wordt voldoen aan de herplantplicht. Overtreding van de Omgevingswet op dit punt kan uitgesloten worden. Om een overtreding van de gemeentelijke uitzonderingsregels te voorkomen dient altijd alvorens tot kap over te gaan bij het gemeenteloket een nacheck gedaan te worden of voor de betreffende boom of houtopstand een omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden noodzakelijk is.
4.3 Soortenbescherming Bijlage 1, project Groeske met nummer BE-1617 d.d. 14 oktober 2025 geeft een overzicht van de waargenomen planten- en diersoorten in en in de omgeving van het plangebied volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF. De NDFF, Nationale Databank Flora en Fauna is de meest omvangrijke landelijke informatiebron van verspreidingsgegevens en bevat betrouwbare waarnemingen van planten en dieren in Nederland. Nieuwe gegevens worden met regelmaat toegevoegd. Alle gegevens in de NDFF zijn door soortexperts gevalideerd. Bijlage 3 betreft een lijst van beschermde soorten onder de Habitatrichtlijn. Deze soorten zijn beschermd onder bijlage IV van de Habitatrichtlijn. Dit betreft soorten wiens voortplantings- en rustplaatsen beschermd dienen te worden en waarvoor Nederland tot het natuurlijke verspreidingsgebied behoort. Bijlage 4 betreft een lijst aan soorten van nationaal belang welke verder niet in de Vogel- of Habitatrichtlijn zijn opgenomen maar waarvoor wel rijksregels gelden om ze te beschermen. Per soortgroep wordt in onderstaande paragrafen beschreven welke soorten worden verwacht in het plangebied, welke soorten er zijn waargenomen tijdens veldbezoek, welke soorten voorkomen in de omgeving, en welke effecten (mogelijk) aan de orde zijn.
4.3.1 Flora De beschermde plantensoorten die volgens de NDFF de laatste vijf jaar zijn waargenomen binnen een straal van twee kilometer rond het plangebied zijn te vinden in de onderstaande tabel. Beschermde plantensoort Akkerogentroost
Korensla
Habitat Zonnige, open plaatsen op matig voedselarme, vochtige en kalkrijke grond (krijt, leem en zandige klei). Akkerogentroost is een halfparasiet, die woekert op de wortels van grassen en cypergrassen Zonnige, open plaatsen op droge, matig voedselarme tot matig voedselrijke, kalkarme zandgrond
Tabel 1: Waargenomen beschermde plantensoorten binnen een straal van twee kilometer.
Akkerogentroost Akkerogentroost groeit voornamelijk in akkers (akkerranden en graanakkers), is te vinden op zonnige, open plaatsen op matig voedselarme, vochtige en kalkrijke grond. Korensla Korensla prefereert open, zonnige, droge, stikstofarme, matig voedselrijke, kalkarme, zure zandgrond, nooit op veen of klei. Ze groeit op heiden, op zandstrandjes langs rivieren, in akkers (m.n. wintergraan) en moestuinen, in bermen en op braakliggende terreinen. In Nederland is ze beperkt tot akkers, maar soms treedt ze onbestendig op in bermen en op bouwterreinen. De plant is zeer zeldzaam in het oosten en midden van het land. Veldbezoek flora Het veldbezoek vond plaats in de herfst, wanneer slechts een deel van de aanwezige planten zichtbaar is. Tijdens het veldbezoek zijn er binnen het plangebied geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Onder de Omgevingswet beschermde planten komen voornamelijk voor in voedselarme biotopen met specifieke standplaatscondities. Dit soort locaties worden voornamelijk gevonden in natuurgebieden, zoals de duingebieden langs de Noordzeekust en in de provincie Limburg, alsmede op bedrijfsterreinen als de
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
17
Ecologische quickscan Groeske 11 Castelré, BE-1617 Maasvlakte. Op basis van de ligging, de aard en het beheer van de locatie is het onwaarschijnlijk dat er hier beschermde vaatplantsoorten voorkomen. Wel zijn er tijdens het veldbezoek meerdere exemplaren van de azijnboom (Rhus typhina) aangetroffen in het zuidwesten van het plangebied. Dit is een invasieve exoot en deze vermenigvuldigt zich snel via wortelstokken. Met zijn snelle groei en volle kruin neemt deze boom licht weg voor ontwikkeling van de kruidlaag waardoor vegetatiesuccessie en regeneratie verhinderd worden. Advies is om deze boom uit het plangebied te verwijderen.
Foto 23: Meerdere exemplaren Azijnboom, in zuidwesten plangebied.
Deelconclusie flora Binnen het plangebied zijn geen beschermde soorten aangetroffen, noch geschikt biotoop dat bewijs zou leveren dat deze soorten er aanwezig zouden kunnen zijn. Er is geen vervolgonderzoek noodzakelijk. Er kan volstaan worden met de zorgplicht. Advies is om de exemplaren van de invasieve exoot Azijnboom binnen het plangebied te verwijderen.
4.3.2 Vleermuizen Alle soorten vleermuizen vallen onder de groep strikt beschermde soorten. Dit betekent dat ze beschermd zijn tegen verstoring van vaste rust- en verblijfplaatsen. Onder deze vaste rust- en verblijfplaatsen wordt verstaan: ‘het gehele systeem waarvan een populatie gebruik maakt tijdens de jaarcyclus van de soort’. Dit houdt in dat niet alleen verblijfplaatsen, maar ook belangrijke verbindingen hiertussen (vlieg- en foerageerroutes) beschermd zijn. Voor alle vleermuissoorten geldt geen vrijstelling of vergunningverlening indien het puur gaat om een ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. De checklist Vleermuisprotocol 2021 geeft voor gebouwen de volgende drie aandachtspunten: Zijn er potentieel aanwezige ruimtes voor winter-, kraam-, zomer- en paarverblijfplaatsen, zijn er sporen van aanwezigheid en is er sprake van een foerageergebied? De vleermuissoorten die volgens de NDFF de laatste vijf jaar zijn waargenomen binnen een straal van twee kilometer rond het plangebied zijn te vinden in de onderstaande tabel. Vleermuissoort Franjestaart
Verblijfplaatsen in Vooral bomen
Tabel 2: Waargenomen vleermuizen binnen een straal van twee kilometer.
Veldbezoek vleermuizen Het plangebied is beoordeeld op de geschiktheid als vleermuishabitat. Er zijn vleermuizen die in bomen hun verblijfplaatsen onderhouden en soorten die in gebouwen verblijven. De in het plangebied staande bomen met geschikte stamdiameter zijn tijdens het veldbezoek geïnspecteerd op holtes, gaten of loshangende schors waarin vleermuizen mogelijk verblijfplaatsen kunnen hebben. Hiervan zijn geen waarnemingen gedaan.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
18
Ecologische quickscan Groeske 11 Castelré, BE-1617 Eén boom van circa 2 meter hoogte, in het zuidwesten van het plangebied, is bijna geheel open gescheurd. Gezien de boom aan de bovenzijde kapot is en de stam een grote opening bevat, is er geen beschutte holte aanwezig die zou kunnen dienen als verblijfplaats voor vleermuizen.
Foto 25 + 26: Opengescheurde boom in zuidwesten plangebied.
Vleermuisverblijfplaatsen in bebouwing kunnen aangetroffen worden onder dakpannen, tussen dakbeschot, boeiboorden, onder gevelbekleding, in spleten en kieren in muren of in de spouw door open stootvoegen. Alle gebouwen binnen het plangebied zijn opgebouwd uit steense wanden, of enkele houten of damwand wanden, zonder tussenruimte zoals een holle spouw waarin vleermuizen mogelijk hun verblijfplaatsen zouden kunnen maken. De daken van de berging/opslag, berging/garage en de berging/houtopslag bevatten geen dakbeschot, waardoor ook hier geen geschikte tussenruimte is die zou kunnen dienen als verblijfplaats voor vleermuizen. Bij deze gebouwen zitten er tevens meerdere gaten en kieren in het dak waardoor het van binnen erg tochtig is en er geen geschikt microklimaat aanwezig is voor vrijhangende vleermuissoorten. Het bakhuisje heeft aan de oostzijde enkele stootvoegen (foto ). Deze zitten dicht met cement en leiden dus niet naar een tussenruimte die zou kunnen dienen als verblijfplaats voor vleermuizen. De ruimte tussen het dak en het dakbeschot van het bakhuisje is niet toegankelijk voor vleermuizen, gezien de dakpannen over de zijgevels heen hangen waardoor er geen geschikt landoppervlak of aanvliegroute is naar de tussenruimte. De ruimte tussen het dak en dakbeschot van het monumentale woonhuis is tevens niet toegankelijk voor vleermuizen.
De dakpannen zitten strak op elkaar aangesloten en de kopgevels zijn aangesmeerd met cement. Doordat de dakpannen aan de zijgevels steil uitkomen in de dakgoot is er geen geschikt landoppervlak of aanvliegroute naar de tussenruimte. De westelijk gelegen berging biedt geen potentiële verblijfplaatsen voor vleermuizen. De wanden zitten strak op elkaar aangesloten, evenals de dakleer elementen op de kopgevels en de dakpannen op het dakleer. In de bebouwing in het plangebied zijn dus geen potentiële verblijfplaatsen voor vleermuizen aanwezig.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
19
Ecologische quickscan Groeske 11 Castelré, BE-1617
Foto 27: Stootvoegen aan oostzijde bakhuisje.
Foto 28: Detailfoto stootvoeg aan oostzijde bakhuisje.
Foto 29: Kopgevel woonhuis, aangesmeerd met cement.
Foto 30: Strak aangesloten wanden en dakrand berging.
Foto 31: Strak aangesloten dakleer elementen op kopgevel berging.
Foto 32: Strak aangesloten dakpannen op dakleer berging.
Vleermuizen foerageren op plaatsen met veel insecten, zoals graslanden, water en bossen. Het is mogelijk dat vleermuizen het plangebied passeren of hier foerageren. De nabije omgeving van het plangebied is ook geschikt als foerageergebied, waardoor het plangebied geen onderdeel uitmaakt van een essentieel foerageergebied. Vleermuizen maken gebruik van vliegroutes die uit lineaire lijnen bestaan om zich naar foerageergebieden te oriënteren. De vegetatie in het westen van het plangebied ligt niet in een strikte lineaire lijn, maar zou mogelijk wel kunnen fungeren als vliegroute. Gezien deze vegetatie behouden blijft en uitgebreid wordt, zal de potentiële vliegroute behouden blijven en enkel verbeterd worden. Vleermuizen worden snel verstoord door verlichting. Soms kunnen vleermuizen door verlichting een verblijfplaats, vliegroute of foerageergebied niet meer gebruiken. De mate waarin het licht vleermuizen verstoord is afhankelijk van de hoeveelheid licht en de gevoeligheid van de soort voor licht. Om de verstoring van mogelijk foeragerende en passerende vleermuizen in het plangebied en de directe omgeving te voorkomen dient zo veel mogelijk bij daglicht gewerkt te worden en dient eventueel kunstlicht van omliggende groenstructuren afgericht te worden.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
20
Ecologische quickscan Groeske 11 Castelré, BE-1617 Deelconclusie vleermuizen Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord, verwond of gedood en wordt er geen rust- of verblijfplaats beschadigd of vernield. Er is dus geen omgevingsvergunning nodig voor deze soortgroep. In de omgeving van het plangebied is en blijft voldoende geschikt foerageergebied aanwezig voor vleermuizen. De werkzaamheden hebben geen significante negatieve effecten op foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen. De uitbreiding van de vegetatie in het plangebied zal enkel een positief effect hebben op foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen. Voorkom lichtverstoring van vleermuizen door zo veel mogelijk bij daglicht te werken en eventueel kunstlicht van omliggende groenstructuren af te richten.
4.3.3 Marterachtigen Marterachtigen hebben voor hun overleving drie zaken nodig: dekking, verbinding en rustplaatsen. Deze dieren zijn vooral ’s nachts actief waardoor het fysiek aantreffen van individuen tijdens een veldbezoek zeer onwaarschijnlijk is. De marterachtigen die volgens de NDFF de laatste vijf jaar zijn waargenomen binnen een straal van twee kilometer rond het plangebied zijn te vinden in de onderstaande tabel. Martersoort Boommarter Bunzing Steenmarter
Bescherming Beschermd Beschermd Beschermd
Tabel 3: Waargenomen marterachtigen binnen een straal van twee kilometer.
Boommarter De schuilplaats en nestplek van de boommarter bestaat meestal uit een holle boom en hun leefgebied bestaat doorgaans uit bos, zowel loof- als naaldbos en gemengd bos, jong en oud. Toch wagen ze zich ook buiten bosgebieden, maar bomen zijn nooit ver weg. De dieren leven solitair en kunnen goed zwemmen. ’s Nachts legt een boommarter 2 tot 20 kilometer af. Bunzing Doordat ze niet kieskeurig zijn wat betreft hun voedsel, komen bunzings voor in vele verschillende landschapstypen. Ze komen vooral voor in bebost laagland nabij water, waaronder rivieroevers en moerassen. In de winter worden bebouwde gebieden opgezocht en is de bunzing te vinden in de buurt van boerderijen. Deze zoogdieren verplaatsen zich vooral via lijnvormige landschapselementen zoals hagen die tot aan de grond komen (geen opgesnoeide hagen) of greppels, en vinden er hun voedsel. Landschapselementen in een geschikt habitat voor kleine marterachtigen zijn o.a. struwelen, hoge graslandvegetatie, houtstapels, holle bomen, houtwallen, takkenrillen of stapels stenen of puin. Voor de bunzing is water in de nabijheid van belang. Steenmarter De steenmarter is een soort van steenachtige biotopen en schuilplaatsen. De soort komt met name voor aan de rand van dorpen en steden, maar is ook te vinden nabij boerderijen en kleinschalige cultuurlandschappen.
De steenmarter vindt vaste verblijfplaatsen in oude schuurtjes met weinig menselijke activiteit of woningen met toegankelijke zolder-, en of kruipruimten. Veldbezoek marterachtigen Tijdens het veldbezoek is gelet op sporen van aanwezigheid van marterachtigen, zoals uitwerpselen, prooiresten en stank. Deze sporen zijn niet aangetroffen binnen het plangebied. Het bakhuisje, woonhuis en de berging zijn volledig gesloten, waardoor hier geen schuilplaatsen van marterachtigen aanwezig kunnen zijn. De berging/opslag wordt bezemschoon gehouden en hier zijn geen ruigtehoekjes aanwezig om te schuilen. De berging/houtopslag is bijna helemaal leeg van binnen, waardoor ook hier geen ruigtehoekjes aanwezig zijn om te schuilen. Het hout onder de zuidwestelijk gelegen overkapping wordt gebruikt als brandhout en ligt hier ten overslag. Gezien de regelmatige verstoring hier, en het gebrek aan sporen, valt dus uit te sluiten dat hier een verblijfplaats van marterachtigen aanwezig is.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
21
Ecologische quickscan Groeske 11 Castelré, BE-1617 De vegetatie in het westen van het plangebied zou schuilplaatsen of foerageergelegenheden kunnen herbergen voor kleine marterachtigen zoals de bunzing of wezel. Doordat de vegetatie behouden zal blijven en uitgebreid zal worden, zal het potentieel leefgebied van marterachtigen binnen het plangebied behouden blijven of zelfs verbeteren. Deelconclusie marterachtigen De beoogde werkzaamheden zullen geen negatieve effecten hebben op (het leefgebied van) marterachtigen. Door het uitbreiden van de vegetatie binnen het plangebied zal dit mogelijk zelfs verbeteren. Nader onderzoek is niet aan de orde en er kan worden volstaan met de zorgplicht.
4.3.4 Overige grondgebonden zoogdieren De overige grondgebonden zoogdieren omvatten alle verder in het wild levende zoogdieren, waaronder vooral knaagdieren, evenhoevigen en insecteneters. Sommige van deze soorten zijn beschermd, maar een aantal van deze soorten vallen er in de provincie Noord-Brabant tot de vrijgestelde soorten. Voor soorten uit deze categorie betekent dat bij ruimtelijke ontwikkeling er geen omgevingsvergunning hoeft te worden gevraagd en dat rust- of verblijfplaatsen verwijderd mogen worden, wanneer geen andere bevredigende oplossing bestaat. Het is echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. In de onderstaande tabel zijn de overige grondgebonden zoogdieren te vinden die volgens de NDFF de laatste vijf jaar zijn waargenomen binnen een straal van twee kilometer rond het plangebied. Overige zoogdiersoort Eekhoorn
Bescherming Beschermd
Tabel 4: Waargenomen beschermde grondgebonden zoogdieren binnen een straal van twee kilometer.
Eekhoorn Eekhoorns zijn te vinden in verschillende bosomgevingen, waaronder loof-, naald- en gemengd bos. Ze komen ook voor in tuinen, parken en houtwallen. Als er voldoende voedsel beschikbaar is, kunnen ze ook in bebouwde gebieden worden aangetroffen. Hun voedsel bestaat hoofdzakelijk uit boomzaden, zoals eikels, noten en zaden uit kegels van naaldbomen. Ook eten ze als aanvulling daarop (afhankelijk van het jaargetijde) knoppen, bladeren, bessen, paddenstoelen, rupsen, vogeleieren en jonge vogels. Specifieke voedselbomen kunnen zijn: eiken-, beuken-, walnoot-, hazelnoten- en pijnbomen. Eekhoorns bouwen nesten in bomen. Naast één hoofdnest zijn ook vaak vijf tot zes bijnesten aanwezig. Veldbezoek overige grondgebonden zoogdieren Binnen het plangebied zijn veel bomen aanwezig, waaronder geschikte voedselbomen voor eekhoorns. Tijdens het veldbezoek zijn er geen nesten van eekhoorns in deze bomen waargenomen. Daarnaast zullen de bomen behouden blijven en zullen er meer bomen bijgeplant worden, waardoor er geen negatieve effecten te verwachten zijn op het leefgebied van de eekhoorn. Het is mogelijk dat er vrijgestelde soorten in het plangebied kunnen worden aangetroffen, zoals egel, mol, veldmuis en bepaalde spitsmuizen. Hiervoor is de zorgplicht van toepassing.
Deelconclusie overige grondgebonden zoogdieren Negatieve effecten van de werkzaamheden op overige grondgebonden zoogdieren vallen uit te sluiten. Nader onderzoek is niet aan de orde en er kan worden volstaan met de zorgplicht.
4.3.5 Vogels In de Omgevingswet worden alle broedende vogels strikt beschermd op grond van de Vogelrichtlijn waardoor alle bewoonde nesten in het broedseizoen vallen onder de bescherming van deze wet. De Omgevingswet hanteert geen standaardperiode voor het broedseizoen, maar voor de volledigheid wordt vaak gesproken van half maart tot half juli. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Men dient daarom gedurende kap- en sloopwerkzaamheden rekening te houden met het
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
22
Ecologische quickscan Groeske 11 Castelré, BE-1617 broedseizoen van vogels. Overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels wordt voorkomen door bepaalde werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Van een aantal vogelsoorten worden de nesten ook buiten het broedseizoen beschermd. De zogenaamde ‘Jaarrond beschermde nesten’. Als deze nesten door een ruimtelijke ontwikkeling verdwijnen, kan afhankelijk van de soort die het nest gebruikt, een vergunningsaanvraag noodzakelijk zijn. De bescherming van vogels in Noord-Brabant kan worden opgedeeld in 5 categorieën. Categorie 1-4 De eerste 4 categorieën betreffen vogels welke zeer honkvast broeden (1-4) of welke zelf niet of nauwelijks in staat zijn om een eigen nest te bouwen (4). De vogelsoorten uit deze categorieën die volgens de NDFF de laatste vijf jaar zijn waargenomen in een straal van twee kilometer rond het plangebied zijn te vinden in de onderstaande tabel. Vogelsoort
Beschermingscategorie*
Nestplaats
Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart Havik Huismus Kerkuil Oehoe Ooievaar Roek Slechtvalk Sperwer Steenuil Wespendief
4 4 2 3 4 2 3 3 3 2 3 4 1 4
In bomen In bomen In gebouwen en nestkasten Op de grond, in gebouwen en nestkasten In bomen In gebouwen en nestkasten In gebouwen en nestkasten In bomen en op de grond In bomen, op gebouwen en nestpalen In bomen In gebouwen, bomen en nestkasten In bomen In gebouwen, boomholtes en nestkasten In bomen
Tabel 5: Waargenomen vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten binnen een straal van twee kilometer. *Categorie 1: Jaarrond gebruikte nesten (steenuil). *Categorie 2: Zeer honkvaste koloniebroeders of afhankelijk van bebouwing. *Categorie 3: Zeer honkvaste broeders of afhankelijk van bebouwing (geen kolonie). *Categorie 4: Vogels die ieder jaar terugkeren naar een specifiek nest.
Categorie 5 Categorie 5-soorten zijn honkvaste broeders, maar voldoende flexibel. Hun nesten zijn alleen jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. In het algemeen geldt niet zozeer de bescherming van de nestplek zelf, maar meer de schaarste van dit type nestgelegenheid. Het betreft voornamelijk holenbroeders of vogels die een groot nest bouwen als zwarte kraai of ekster, waarvan enkele andere soorten vogels gebruik maken die niet in staat zijn om zelfstandig een nest te bouwen (bijv. ransuil, torenvalk en boomvalk). De vogelsoorten uit deze categorie die volgens de NDFF de laatste vijf jaar zijn waargenomen in een straal van twee kilometer rond het plangebied zijn te vinden in de onderstaande tabel. Vogelsoort Blauwe reiger Boerenzwaluw Bonte vliegenvanger Boomklever Boomkruiper Bosuil Ekster Gekraagde roodstaart
Nestplaats In bomen In gebouwen In boomholtes en nestkasten In boomholtes In boomholtes en nestkasten In boomholtes, nestkasten en gebouwen In bomen In boomholtes, nestkasten en holen
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
23
Ecologische quickscan Groeske 11 Castelré, BE-1617 Grauwe vliegenvanger Groene specht Grote bonte specht Huiszwaluw IJsvogel Kleine bonte specht Koolmees Oeverzwaluw Pimpelmees Spreeuw Tapuit Torenvalk Zwarte kraai Zwarte mees Zwarte roodstaart Zwarte specht
In boomholtes en tegen gebouwen In boomholtes In boomholtes Tegen gebouwen In steile wanden In boomholtes In boomholtes en nestkasten In steile wanden In boomholtes en nestkasten In boomholtes, gebouwen en nestkasten In konijnenholen In gebouwen, bomen en nestkasten In bomen In boomholtes, nestkasten en muizengangen In gebouwen In boomholtes
Tabel 6: Waargenomen vogelsoorten waarvan de nesten alleen jaarrond beschermd zijn als er sprake is van ecologisch zwaarwegende redenen.
Gierzwaluw De gierzwaluw is voor zijn voortplanting bijna uitsluitend gebonden aan menselijke bewoning en daarom komt hij in de zomer veelal in grotere dorpen en steden voor. Omdat ze moeilijk van de grond kunnen opstijgen hebben ze een sterke voorkeur voor hoge nestplaatsen met een ruime aan- en uitvliegroute, zo kunnen ze makkelijk in vlucht komen door zich eruit te laten vallen. Deze koloniebroeders gebruiken het liefst elk jaar hetzelfde nest. Uilen Steenuil en kerkuil schuwen de menselijke omgeving niet en broeden ook onder daken en op zolders van huizen, loodsen en schuren, maar waarbij de aanwezigheid van geschikt foerageergebied in de directe omgeving noodzakelijk is. Nest- en rustplaatsen van steenuil en kerkuil zijn jaarrond beschermd. Soms maken ze gebruik van nestkasten die speciaal voor hen zijn opgehangen. De oehoe is een grote uilensoort die een breed scala aan habitats bewoont, variërend van rotsachtige berggebieden tot bosrijke gebieden en zelfs open landschappen. Oehoes maken vaak gebruik van bestaande nesten van andere grote vogels, zoals arenden of roofvogels, maar ze kunnen ook hun eigen nesten bouwen op rotsrichels, in bomen of zelfs op de grond. Huismus Vanwege de beperkte actieradius (enkele honderden meters) van de huismus (Baijens et al.
2005) zijn drie essentiële onderdelen van het leefgebied van belang voor de huismus: nestlocatie, habitat met voedselaanbod en beschutting. Alle voorzieningen dienen dichtbij elkaar te liggen. Gewoonlijk binnen een straal van enkele honderden meters van de nestlocatie. Deze uitgesproken standvogels nestelen bij voorkeur onder dakpannen, in gaten en kieren van gebouwen en mussenkasten. Ooievaar Als carnivoor eet de ooievaar een breed scala aan dierlijke prooien, inclusief insecten, vissen, amfibieën, reptielen, kleine zoogdieren en kleine vogels. Hij pakt het meeste voedsel van de grond, tussen lage vegetatie en uit ondiep water. Het is een monogame broeder, maar vormt geen paar voor het leven. Het paar bouwt een nest bestaande uit grote takken, dat soms jaren wordt gebruikt. Roek Het leefgebied van de roek is open akker- en weideland, afgewisseld met bomen, bosjes, bomenrijen en heggen. De vogel gedijt goed in menselijk cultuurland als hij niet wordt bejaagd. Vooral de aanwezigheid van akkers is gunstig. Roeken hebben voorkeur voor hoge bomen, bij voorkeur niet in een bos maar een losse opstand. Het boomtype maakt niet zoveel uit. Als in het voorjaar de boomkruinen nog kaal zijn, zijn alle nesten van een roekenkolonie goed zichtbaar.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
24
Ecologische quickscan Groeske 11 Castelré, BE-1617
Grote gele kwikstaart In het voorjaar en 's zomers is de grote gele kwikstaart te vinden in de buurt van waterstroompjes, vooral in de bergen en heuvels. De vogel nestelt in holten in de buurt van water. 's Winters bevinden ze zich bij lagergelegen water en aan de kust. Roofvogels De habitat van roofvogels bestaat, afhankelijk van de soort, uit een bos of een grote (half)open vlakte waar de vogels kunnen jagen. Daarnaast hebben ze in hun leefgebied een geschikte boom nodig waarin een nest gebouwd kan worden. Boerenzwaluw/Huiszwaluw De boerenzwaluw staat op de Rode Lijst van Nederlandse broedvogels en de nestplaatsen ervan zijn jaarrond beschermd. Broedvogels keren jaarlijks terug naar dezelfde kolonie, al zijn vooral de vrouwtjes minder plaats trouw. Jonge vogels zoeken een geschikte nestplek in de omgeving van hun ouderlijk nest. Boerenzwaluwen zijn in Nederland van maart tot in oktober, incidentele waarnemingen daargelaten. De meerderheid der broedvogels arriveert in april of begin mei, soms echter later vanwege ongunstige trekomstandigheden. De Boerenzwaluw nestelt in het hele land in boerenland, met een voorkeur voor gemengde bedrijven. Het gros van de paren huist in koeien-, varkens- of paardenstallen. De huiszwaluw is een kleine zangvogel die bekend staat om zijn gevorkte staart en zijn voorkeur om te nestelen onder de overhangende daken van gebouwen.
Ze worden vaak aangetroffen in open landschappen, zoals agrarische gebieden en weilanden, in de buurt van waterlichamen zoals meren en rivieren. Huiszwaluwen zijn sterk geassocieerd met menselijke nederzettingen en nestelen graag onder dak overstekken van gebouwen. Hun nestplaatsen moeten beschut zijn tegen regen en roofdieren en zich boven open ruimtes bevinden waar ze gemakkelijk kunnen jagen op insecten, hun belangrijkste voedselbron. Het behoud van geschikte nestlocaties en het minimaliseren van verstoringen zijn cruciaal voor het behoud van huiszwaluwpopulaties. Overige Vogelrichtlijnsoorten Overige Vogelrichtlijnsoorten zijn vogels wiens nesten alleen tijdens het broedseizoen beschermd zijn. De Omgevingswet hanteert geen standaardperiode voor het broedseizoen, maar voor de volledigheid wordt vaak gesproken van half maart tot half juli. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Men dient daarom gedurende kap- en sloopwerkzaamheden rekening te houden met het broedseizoen van vogels. Overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels wordt voorkomen door bepaalde werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Veldbezoek vogels Tijdens het veldbezoek is er uitgekeken naar sporen van aanwezigheid van kerkuil en steenuil zoals braakballen, krijtsporen tegen muren of rui veren. Dit soort sporen zijn niet aangetroffen.
Er valt uit te sluiten dat het plangebied deel uitmaakt van essentieel leefgebied of nestplaats van uilen. Ook zijn er in de bomen in het plangebied geen grote nesten van uilen of roofvogels aangetroffen. Het is mogelijk dat uilen of roofvogels foerageren op de agrarische percelen in de omgeving van het plangebied, maar het plangebied zelf zal geen deel uitmaken van essentieel leefgebied van de soorten. Daarnaast zijn er binnen het plangebied geen geschikte holtes voor gierzwaluwen aanwezig. Volgens NDFF is er één waarneming van een huismus geregistreerd binnen het plangebied, in mei 2024, oostelijk van de berging/opslag. Tijdens het veldbezoek is uitgekeken naar sporen en nesten van huismussen, maar deze zijn binnen het gehele plangebied niet waargenomen. De daken van de berging/opslag, berging/garage en de berging/houtopslag bevatten geen dakbeschot, en zijn daardoor niet geschikt voor (de nesten van) huismussen. Het dak van de berging is niet geschikt voor huismussen, gezien de dakpannen strak op het dakleer liggen en er dus geen ruimte voor (nesten van) huismussen onder de dakpannen is. De daken van het bakhuisje en van het monumentale woonhuis zou in theorie geschikt kunnen zijn voor huismussen, hoewel er tijdens het veldbezoek geen (nesten van) huismussen zijn waargenomen. Echter zullen beide gebouwen geheel behouden blijven.
Bij het woonhuis zullen enkel de dakpannen worden
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
25
Ecologische quickscan Groeske 11 Castelré, BE-1617 vervangen. Het leefgebied van de huismus zal voor en na de werkzaamheden dus gelijk blijven. Er kan hier dus gebruik worden gemaakt van de provinciale regeling die stelt dat een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit niet noodzakelijk is indien het leefgebied aantoonbaar gelijk zal blijven. Wel dient bij de werkzaamheden in secties gewerkt te worden, zodat mogelijk aanwezige dieren de kans krijgen om zich onder het nog bedekte gedeelte van het dak te bevinden. Daarnaast dienen eventueel aangetroffen nesten of nestmateriaal behouden te worden. In het plangebied zijn mogelijkheden voor nestgelegenheid voor overige Vogelrichtlijnsoorten waarvan de nesten alleen gedurende het broedseizoen beschermd zijn. Bijvoorbeeld in het opgaand groen in het zuidwesten van het plangebied. Om verstoring van deze soorten te voorkomen, dient buiten het broedseizoen gewerkt te worden. Indien werkzaamheden binnen het broedseizoen gewenst zijn, dient kort voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelcheck uitgevoerd te worden, door een deskundig ecoloog. Alleen als wordt geconstateerd dat er geen broedgevallen op de locatie aanwezig zijn, kunnen de werkzaamheden starten.
Deelconclusie vogels Hoewel er binnen het plangebied geen (nesten van) huismussen zijn waargenomen bieden de daken van het woonhuis en het bakhuisje in theorie potentie als nestplaats voor huismussen. Gezien enkel de dakpannen van het woonhuis vervangen zullen worden en het leefgebied van de huismus voor en na de werkzaamheden dus gelijk zal blijven, kan gebruik gemaakt worden van de provinciale regeling die stelt dat een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit niet noodzakelijk is indien het leefgebied aantoonbaar gelijk zal blijven. Wel dient tijdens de werkzaamheden rekening gehouden te worden met mogelijk aanwezige dieren, door in secties te werken zodat er altijd schuilmogelijkheden zijn en door eventueel aangetroffen nesten of nestmateriaal te behouden. Om verstoring van algemene Vogelrichtlijnsoorten te voorkomen, dient buiten het broedseizoen gewerkt te worden. Indien werkzaamheden binnen het broedseizoen gewenst zijn, dient kort voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelcheck uitgevoerd te worden, door een deskundig ecoloog. Alleen als wordt geconstateerd dat er geen broedgevallen op de locatie aanwezig zijn, kunnen de werkzaamheden starten. Nader onderzoek of een vergunningaanvraag is dus niet noodzakelijk.
4.3.6 Amfibieën, vissen en reptielen Amfibieën en vissen zijn gedurende een groot deel van hun leven afhankelijk van waterstructuren. Vooral tijdens het voortplantingsseizoen is het erg belangrijk om waterstructuren in plangebieden te onderzoeken op de aanwezigheid amfibieën die de waterstructuren als voortplantingslocatie gebruiken. Hierbij gaat het bij amfibieën om een waterstructuur van maximaal 1,5 meter diep. Nederlandse reptielen komen met name voor op hogere zandgronden, met name bij stuwwallen, kust- en rivierduingordels. De soorten die volgens de NDFF de laatste vijf jaar zijn waargenomen in een straal van twee kilometer rond het plangebied zijn te vinden in de onderstaande tabel. Soort Alpenwatersalamander Boomkikker Kamsalamander Knoflookpad Levendbarende hagedis Poelkikker
Soortgroep en bescherming Amfibieën, beschermd Amfibieën, beschermd Amfibieën, beschermd Amfibieën, beschermd Reptielen, beschermd Amfibieën, beschermd
Tabel 7: Waargenomen amfibieën, vissen en reptielen binnen een straal van twee kilometer.
Alpenwatersalamander De Alpenwatersalamander overwintert voornamelijk op het land. Er zijn ook waarnemingen van kleine aantallen dieren die de hele winter in het water verblijven. Vanaf januari trekken ze naar het water met een piek begin maart. De meeste volwassen dieren worden tot en met juni waargenomen met een piek in april en de eerste heft van mei. Daarna nemen het aantal volwassen dieren in het water snel af. De eerste
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
26
Ecologische quickscan Groeske 11 Castelré, BE-1617 juveniele dieren kruipen medio juni het land op. De eerste drie jaar, tot ze geslachtsrijp zijn, verblijven ze op het land. De Alpenwatersalamander is niet kieskeurig wat betreft zijn voortplantingsbiotoop. In het voorjaar is hij in allerlei typen water te vinden, zolang het niet snel stromend of rijk aan vis is. Agrarische gronden worden gemeden als landhabitat. Boomkikker De boomkikker heeft een voorkeur voor het landschapstype ‘bos en struweel’ en stelt hoge eisen aan zijn leefgebied. Als landhabitat zijn vooral zonnig gelegen zoom- en mantelvegetaties, vegetaties van meerjarige kruiden en braamstruwelen van belang. De boomkikker plant zich voort in visvrije, zonnig gelegen en matig voedselrijke wateren met een goed ontwikkelde oever- en watervegetatie. Kamsalamander Het landschap waarin de kamsalamander wordt aangetroffen is bosrijk, bevat houtwallen of struweel en wordt vaak gekenmerkt door kleinschaligheid in de directe omgeving van het voortplantingswater. Kamsalamanders komen zelden in akkerbouwgebieden voor. Ze komen relatief veel voor langs de grote rivieren, in beekdalen en op landgoederen. Kamsalamanders komen voor in een verscheidenheid aan typen visvrije wateren. Op de zandgronden en in beekdalen leeft de soort in poelen, vijvers, matig voedselrijke vennen en in leemputten.