CConstaterende datBaarle-Nassau
Koppel je AI →
Document · PDF

3.5 - Bijlage 3 - Regels ontwerp omgevingsplan

Gemeenteraad (openbaar) 18 februari 2026, gemeente Baarle-NassauBij agendapunt: Categorie 3: Raadsinformatiebrieven voor kennisgeving aannemen9.848 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Groeske 11 Castelré

bestemmingsplan Groeske 11 Castelré

Inhoudsopgave

Regels

3

Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2 Artikel 3

Algemene bepalingen Begripsbepalingen Meet- en rekenbepalingen Toepassingsbereik

4 4 5 6

Hoofdstuk 2 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9

Functies Agrarisch met natuurwaarden - Landelijke gebieden Landschappelijke inpassing - Landelijke gebieden Wonen - Landelijke gebieden Waarde - Archeologie 2 Waarde - Archeologie 3 Waarde - Cultuurhistorie

7 7 12 14 17 22 27

Hoofdstuk 3 Artikel 10 Artikel 11

Thema's Gebruik Bouwen

28 28 29

Hoofdstuk 4 Artikel 12 Artikel 13

Procesregels Algemene bepalingen Algemene aanduidingsregels

31 31 32

Hoofdstuk 5 Artikel 14

Overgangsrecht en slotbepalingen Overgangsrecht

33 33

2

bestemmingsplan "Groeske 11 Castelré" (concept)

bestemmingsplan Groeske 11 Castelré

Regels Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het mogelijk maken van een woonfunctie ter plaatse van een voormalig agrarisch bedrijf in het landelijk gebied. Juridisch is het plan een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22f) in het omgevingsplan van de gemeente Baarle-Nassau. Technisch is het nog vormgegeven en gepubliceerd als een bestemmingsplan. Dus is het niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen. Daarom moeten de hoofdstukken van dit plan worden gelezen als paragrafen van hoofdstuk 22f van het omgevingsplan van de gemeente Baarle-Nassau. Dus: hoofdstuk 1 (Algemene bepalingen) moet worden gelezen als hoofdstuk 22f, paragraaf 1; hoofdstuk 2 (Functies) moet worden gelezen als hoofdstuk 22f, paragraaf 2; hoofdstuk 3 (Thema's) moet worden gelezen als hoofdstuk 22f, paragraaf 3; hoofdstuk 4 ( Procesregels) moet worden gelezen als hoofdstuk 22f, paragraaf 4; hoofdstuk 5 (Overgangsrecht en slotbepalingen) moet worden gelezen als hoofdstuk 22f, paragraaf 5. bijlage 1 moet worden gelezen als bijlage 22f.1

bestemmingsplan "Groeske 11 Castelré" (concept)

3

bestemmingsplan Groeske 11 Castelré

Hoofdstuk 1 Artikel 1

Algemene bepalingen

Begripsbepalingen

1. Bijlage 1 bevat begripsbepalingen voor de toepassing van dit TAM-omgevingsplan. 2. De bijlage bij de Omgevingswet, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van overeenkomstige toepassing op dit TAM-omgevingsplan, tenzij in Bijlage 1 daarvan is afgeweken.

4

bestemmingsplan "Groeske 11 Castelré" (concept)

bestemmingsplan Groeske 11 Castelré

Artikel 2

Meet- en rekenbepalingen

In dit TAM-omgevingsplan gelden de volgende meet- en rekenbepalingen: 1. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens: de kortste afstand van het verticale vlak in de zijdelingse perceelsgrens tot enig punt van het op dat bouwperceel voorkomende bouwwerk. 2. de afstand tot de weg: de afstand tot de bebouwing en de as van de weg. 3. het bebouwd oppervlak van een bouwperceel: de oppervlakte van alle op een bouwperceel aanwezige bouwwerken tezamen. 4. het bebouwingspercentage: het oppervlak dat met bouwwerken is bebouwd, uitgedrukt in procenten van de oppervlakte van het bouwperceel, voor zover dat is gelegen binnen de bestemming, of binnen een in de regels nader aan te duiden gedeelte van die bestemming. 5. de breedte, diepte c.q. lengte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse hoofdgevelvlakken en/of de harten van scheidingsmuren. 6. de dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 7. de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 8. de inhoud van een bouwwerk: tussen de bovenzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 9.

de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 10. de bouwhoogte van een windmolen: vanaf het peil tot en met de as van de molen. 11. de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of de harten van scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 12. peil: a. voor gebouwen, waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan een weg grenst: de hoogte van de kruin van de weg; b. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte terrein.

bestemmingsplan "Groeske 11 Castelré" (concept)

5

bestemmingsplan Groeske 11 Castelré

Artikel 3

Toepassingsbereik

1. De besluiten op grond van artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet zijn niet van toepassing op de locatie bedoeld in het derde lid. 2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk. 3. De regels in dit TAM-omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie Groeske 11 Castelré, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0744.TAMGroeske11-CO01 zoals vastgelegd op https://omgevingswet.overheid.nl/home.

6

bestemmingsplan "Groeske 11 Castelré" (concept)

bestemmingsplan Groeske 11 Castelré

Hoofdstuk 2 Artikel 4 4.1

Functies

Agrarisch met natuurwaarden - Landelijke gebieden

Toepassingsbereik

Dit artikel is van toepassing op gebruiksactiviteiten en bouwactiviteiten binnen 'Agrarisch - Landelijke gebieden'.

4.2

Toegestane gebruiksactiviteiten

De voor ‘Agrarisch met natuurwaarden - Landelijke gebieden’ op de verbeelding aangewezen gronden zijn bestemd voor de volgende doeleinden: 1. Het nemen van landschapsmaatregelen overeenkomstig het landschappelijk inpassings- en inrichtingsplan als opgenomen in Bijlage 2, 2. agrarisch grondgebruik; 3. behoud en/of herstel en ontwikkeling van de ecologische, landschappelijke en natuurwaarden van de gronden zoals poelen, waterlopen, heide en graslanden; 4. het behoud van voorkomende abiotische, natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische en aardkundige waarden; 5. extensief dagrecreatief medegebruik. Een en ander met bijbehorende voorzieningen.

4.3

Bouwregels

4.3.1

Toegestane bouwwerken

Op de gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden opgericht ten dienste van de in de functieomschrijving aangegeven functie. Daarbij geldt dat het oprichten van bouwwerken ten behoeve van teeltondersteunende voorzieningen niet is toegestaan, tenzij een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is verleend overeenkomstig het bepaalde in lid 4.3.5

4.3.2

Bouwwerken t.b.v. extensief recreatief medegebruik

Het oprichten van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van het extensief recreatief medegebruik is toegestaan. Het gaat hierbij om banken, bewegwijzering, picknicktafels e.d.

4.3.3

Bouwhoogte

De bouwhoogte van de in 4.3.1 en 4.3.2 bedoelde bouwwerken bedraagt maximaal 4 m

4.3.4

Maximale oppervlak te bouwwerken

De oppervlakte van de in 4.3.1 en 4.3.2 bedoelde bouwwerken bedraagt maximaal 12 m² tenzij de oppervlakte ten tijde van het ter visie leggen van het ontwerp van dit plan meer bedraagt, in welk geval de bestaande oppervlakte als maximum geldt.

bestemmingsplan "Groeske 11 Castelré" (concept)

7

bestemmingsplan Groeske 11 Castelré

4.3.5 Omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit t.b.v de bouw van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit te verlenen van het bepaalde in 4.3.1 teneinde het oprichten van bouwwerken ten behoeve van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen met een hoogte van maximaal 5 meter mogelijk te maken tot een maximum oppervlak van 2500 m².

Bij toepassing van deze bevoegdheid nemen burgemeester en wethouders de volgende bepalingen in acht: 1. uit voorafgaand onderzoek dient te zijn gebleken dat er geen belemmeringen zijn met betrekking tot Artikel 5.21 van de Omgevingswet; 2. er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de aanwezige waarden zoals aangegeven op de verbeelding en in Artikel 9; 3. de oprichting van de gewenste bouwwerken of de omschakeling moet uit een oogpunt van doelmatige agrarische bedrijfsvoering of –ontwikkeling noodzakelijk zijn. Omtrent dit onderwerp vragen burgemeester en wethouders voorafgaand aan het nemen van een besluit advies aan een ter zake deskundige commissie of instantie 4. er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing op basis van een beplantingsplan 5. het recht om teeltondersteunende voorzieningen te mogen uitbreiden of om te schakelen op basis van bestaand gebruik mag niet aan derden zijn of worden overgedragen via afzonderlijk percelen. 4.3.6

Omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit schuilgelegenheden

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit te verlenen van het bepaalde in 4.3.1 met inachtneming van het navolgende: 1. 2. 3. 4.

de noodzaak voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering dient te worden aangetoond; de oppervlakte van de veldkavel dient ten minste 5 ha te bedragen de oppervlakte mag niet meer dan 50 m2 bedragen; de bouwhoogte mag niet meer dan 3 m bedragen.

4.3.7

Procedure bij een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit

Bij de voorbereiding van een besluit tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in 4.3.5 en 4.3.6 is de in Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing.

4.4

Specifieke gebruiksregels

4.4.1

Algemene verbodsbepalingen

Het is verboden de in dit plan opgenomen gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de aan de gronden gegeven functie.

4.4.2

Specifiek strijdig gebruik (tabel bijlage 1)

Onder strijdig gebruik als bedoeld in 4.4.1 worden in ieder geval die vormen van gebruik verstaan welke met betrekking tot de binnen deze bestemming aanwezige waarden in de als bijlage achter deze regels ingevoegde ‘Tabel Aanlegvergunningen/Strijdig gebruik’ als zodanig zijn aangegeven.

8

bestemmingsplan "Groeske 11 Castelré" (concept)

bestemmingsplan Groeske 11 Castelré

4.4.3

Overig strijdig gebruik

Onder strijdig gebruik als bedoeld in 4.4.1 wordt voorts in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor: 1. het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest, behoudens voor zover dat noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte gebruik van de grond; 2. het aanbrengen van foliemestbassins en het aanbrengen dan wel oprichten van permanente teeltondersteunende voorzieningen; 3. (motor)crossen; 4. detailhandelsactiviteiten, behoudens detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit in ter plaatse geteelde producten; 5. grootschalige openluchtevenementen en andere vormen van intensief dagrecreatief medegebruik; 6. een seksinrichting; 7. het houden van een kampeerterrein, waaronder tevens de beoefening van kleinschalig kamperen en natuurkamperen wordt verstaan, maar niet de beoefening van paalkamperen; 8. parkeerterrein. 4.4.4

Omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit kleinschalig kamperen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit te verlenen van het bepaalde in 4.4.1 jo 4.4.3, sub 7 voor recreatief medegebruik in de vorm van kleinschalig kamperen, met inachtneming van het navolgende: 1. uit voorafgaand onderzoek dient te zijn gebleken dat er geen belemmeringen zijn met betrekking tot de afstemmingsaspecten bedoeld in Artikel 5.21 van de Omgevingswet; 2. er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de aanwezige waarden zoals aangegeven op de verbeelding; 3. het betreft uitsluitend recreatief medegebruik voor kleinschalig kamperen bij agrarische bedrijven, direct aansluitend op de op de verbeelding met 'Agrarisch met natuurwaarden - Landelijke gebieden' aangevezen gronden; 4. binnen het betreffende functie ‘Agrarisch met natuurwaarden - Landelijke gebieden’, moet kleinschalig kamperen in relatie tot een doelmatige bedrijfsvoering redelijkerwijs niet (meer) mogelijk zijn; 5. op basis van een beplantingsplan dient een zorgvuldige landschappelijke inpassing verzekerd te zijn, waarbij een groenstrook rondom, ten behoeve van de visuele afscherming naar de omgeving toe, een minimale breedte van 5 m dient te hebben; 6. indien het gaat om een nieuwe locatie voor kleinschalig kamperen geldt dat de activiteiten een verrijking c.q. verbreding moeten zijn van het toeristisch product in de streek; 7.

de afstand van kampeermiddelen tot de perceelgrens bedraagt minimaal 5 m; 8. de afstand van kampeermiddelen tot de as van de weg bedraagt minimaal 20 m; 9. het parkeren ten behoeve van het kleinschalig kamperen dient plaats te vinden op het terrein voor kleinschalig kamperen of op de bijbehorende functie ‘Agrarisch met natuurwaarden - Landelijke gebieden’; 10. de afstand tot ten tijde van de aanvraag reeds aanwezige locaties waar verblijfs- of dagrecreatie plaatsvindt, dient minimaal 250 m te bedragen; 11. burgemeester en wethouders trekken de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit in, indien de aangeduide functie Agrarisch met natuurwaarden - Landelijke gebieden’ wordt gewijzigd in een niet-agrarische bestemming. 4.4.5

Algemene bevoegdheid voor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit

Burgemeester en wethouders verlenen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit van het onder 4.4.1 vervatte verbod, indien strikte toepassing zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik die niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.

bestemmingsplan "Groeske 11 Castelré" (concept)

9

bestemmingsplan Groeske 11 Castelré

4.4.6

Procedure bij een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit

Bij het voorbereiden van een besluit tot een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit zoals omschreven in 4.4.4 en 4.4.5 nemen burgemeester en wethouders de in 4.3.7 omschreven procedure in acht.

4.5

Omgevingsvergunningen

4.5.1

Verbodsbepalingen

Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en/of werkzaamheden uit te voeren: 1. werken en werkzaamheden welke met betrekking tot de binnen deze functie aanwezige waarden in de als bijlage achter deze regels ingevoegde ‘Tabel Aanlegvergunningen/Strijdig gebruik’ als zodanig zijn aangegeven; 2. werken en werkzaamheden welke gericht zijn op het oprichten van teeltondersteunende voorzieningen; en voor zover gelegen binnen beschermingszone natte natuurparel: 3. het verzetten van grond van meer dan 100 m³ of op een diepte van meer dan 60 centimeter onder maaiveld een en ander voor zover geen vergunning vereist is in het kader van de Ontgrondingenwet; 4. de aanleg van drainage ongeacht de diepte tenzij het gaat om vervanging van een reeds bestaande drainage; 5. het verlagen van de waterstand anders dan door middel van het graven van sloten of het toepassen van drainagemiddelen, met uitzondering van grondwateronttrekkingen; 6. het aanbrengen van niet-omkeerbare verhardingen en/of verharde oppervlakten van meer dan 100 m² anders dan een bouwwerk. 4.5.2

Met vergunning toelaatbare werken

Werken en/of werkzaamheden als bedoeld in 4.5.1 onder a zijn slechts toelaatbaar, indien: 1. deze verband houden met de doeleinden, die aan de betreffende bestemming of dubbelbestemming zijn toegekend; 2. hierdoor dan wel door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen de aanwezige en op verbeelding 2a en 2b en in artikel 23, lid 23.2 aangegeven waarden van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind; 3. uit voorafgaand onderzoek is gebleken dat er geen belemmeringen zijn met betrekking tot de afstemmingsaspecten bedoeld in artikel 23, lid 23.3. 4.5.3

met vergunning toelaatbare werken (teeltondersteunende voorzieningen)

Werken en/of werkzaamheden als bedoeld in 4.5.1 onder 2 zijn slechts toelaatbaar, indien deze als tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen kunnen worden aangemerkt en aan de volgende voorwaarden is voldaan: 1. uit voorafgaand onderzoek is gebleken dat er geen belemmeringen zijn met betrekking tot de afstemmingsaspecten bedoeld in artikel 23, lid 23.3 2. er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de aanwezige waarden zoals aangegeven op de verbeelding en in artikel 23, lid 23.2; 3. de werken of werkzaamheden zijn: a. in geen geval toegestaan op gronden die zijn gelegen in een op verbeelding 2a weergegeven ‘leefgebied weidevogels, zwanen en ganzen’, ‘leefgebied amfibieën en reptielen’ of ‘leefgebied planten en plantengemeenschappen’; b. in beginsel niet toegestaan op gronden die zijn gelegen in een op verbeelding 2a weergegeven ‘leefgebied struweelvogels’, maar niet zijn gelegen in een onder 1 genoemd gebied, tenzij de aanvrager aantoont dat de te verwachten nadelige effecten voor struweelvogels worden beperkt door het nemen van specifieke mitigerende c.q. compenserende maatregelen en dat daardoor het foerageergebied van deze vogels voldoende in stand blijft;

10

bestemmingsplan "Groeske 11 Castelré" (concept)

bestemmingsplan Groeske 11 Castelré 4. de werken en/of werkzaamheden moeten uit een oogpunt van doelmatige agrarische bedrijfsvoering of –ontwikkeling noodzakelijk of wenselijk zijn. Omtrent dit onderwerp vragen burgemeester en wethouders voorafgaand aan het nemen van een besluit advies aan een ter zake deskundige commissie of instantie; 4.5.4

Uitzonderingen op het verbod

Het onder 4.5.1 vervatte verbod geldt niet voor het uitvoeren van: 1. werken en/of werkzaamheden, die van geringe omvang zijn dan wel het normale onderhoud en beheer betreffen; 2. legale werken en/of werkzaamheden, welke op het tijdstip waarop het plan rechtskracht verkrijgt, in uitvoering zijn; 3. afgravingen die vergunningsplichtig zijn op grond van de provinciale ontgrondingenverordening en waarvoor een ontgrondingenvergunning is afgegeven; 4. de werken en/of werkzaamheden ‘aanbrengen van houtgewas’ en ‘rooien van houtgewas’ voor wat betreft erfbeplantingen.

bestemmingsplan "Groeske 11 Castelré" (concept)

11

bestemmingsplan Groeske 11 Castelré

Artikel 5 5.1

Landschappelijke inpassing - Landelijke gebieden

Toepassingsbereik

Dit artikel is van toepassing op gebruiksactiviteiten, bouwactiviteiten en werken en werkzaamheden binnen 'Landschappelijke inpassing - Landelijke gebieden'.

5.2

Toegestane gebruiksactiviteiten

1. Het is toegestaan de volgende gebruiksactiviteiten te verrichten of te laten verrichten: a. het nemen van landschapsmaatregelen overeenkomstig het landschappelijk inpassingsplan als opgenomen in Bijlage 2, ter bescherming van landschappelijke waarden door inpassing van gebouwen, verhardingen en andere voorzieningen in het landschap; b. zich verplaatsen; en, c. extensief recreatief verblijven. 2. De volgende voorzieningen ten behoeve van deze gebruiksactiviteiten zijn toegestaan: a. groenvoorzieningen; b. water, watergangen en waterhuishoudkundige voorzieningen. 5.3

Vergunningplichtige gebruiksactiviteiten

1. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag andere landschapsmaatregelen te treffen dan de landschapsmaatregelen zoals bedoeld in 5.2 lid 1 onder a. 2. De omgevingsvergunning voor ander landschapsmaatregelen wordt verleend als: a. de landschapsmaatregelen minimaal gelijk zijn aan de in het landschappelijk inpassingplan opgenomen landschapsmaatregelen en voorzien in een minimaal gelijk beschermingsniveau van de landschappelijke waarden waarvoor de in het inpassingsplan genoemde landschapsmaatregelen zijn bepaald; b. hetgeen onder a beschreven kan worden aangetoond met een waardeberekening inclusief toelichting en beplantingsplan; c. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in de omgeving aanwezige waarden. 5.4

Verboden gebruiksactiviteiten

Gebruik dat afwijkt van de gebruiksactiviteiten in 5.2 en 5.3 is verboden. In ieder geval omvat het verbod: 1. het lozen en/of opslaan van (afgedankte) goederen, stoffen en materialen; 2. activiteiten gericht op intensieve verblijfsrecreatie en recreatief nachtverblijf; en, 3. het gebruik voor parkeren. 5.5

Vergunningplichtige bouwactiviteiten

De omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit wordt verleend als: 1. sprake is van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, ten behoeve van de gebruiksactiviteiten als bedoeld in 5.2; 2. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 1 meter; 3. de bouwhoogte voor erf- en terreinafscheidingen niet meer bedraagt dan 1 meter voor de voorgevelrooilijn en 2 meter achter de voorgevelrooilijn; 4. erf- en terreinafscheidingen als open constructie worden opgericht;. 5.6

Verboden bouwactiviteiten

1. Het is verboden een bouwactiviteit te verrichten en het bouwwerk in stand te houden en te gebruiken, anders dan de bouwactiviteiten als bedoeld in 5.5 ten behoeve van de woonfunctie als bedoeld in dit artikel. 12

bestemmingsplan "Groeske 11 Castelré" (concept)

bestemmingsplan Groeske 11 Castelré 2. Het verbod omvat in ieder geval het oprichten, in stand houden en gebruiken van: a. paardenbakken; en, b. kassen.

bestemmingsplan "Groeske 11 Castelré" (concept)

13

bestemmingsplan Groeske 11 Castelré

Artikel 6 6.1

Wonen - Landelijke gebieden

Toepassingsbereik

Dit artikel is van toepassing op gebruiksactiviteiten en bouwactiviteiten binnen 'Wonen - Landelijke gebieden'.

6.2

Toegestane gebruiksactiviteiten

6.2.1

Aanwijzing toegestane gebruiksactiviteiten

De voor ‘Wonen - Landelijke gebieden’ op de verbeelding aangewezen gronden zijn bestemd voor de volgende doeleinden: 1. woningen met bijbehorende voorzieningen 2. behoud en herstel van het gemeentelijke monument ter plaaste van de aanduiding 'gemeentelijk monument'. 3. behoud en herstel van de cultuurhistorische waarden ter plaaste van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden'. met als ondergeschikte functie 4. aan huis gebonden beroepen of bedrijven onder de voorwaarden als omschreven in 6.4.2 met de daarbij behorende: 5. bouwwerken, tuinen, erven en terreinen 6. een Bed and Breakfast met een oppervlakte van maximaal 100 m2 een en ander met bijbehorende voorzieningen

6.2.2

Voorwaardelijk verplichting

1. Het (doen/laten) gebruik(en) voor wonen als bedoeld in 6.2 is uitsluitend toegestaan indien de landschappelijke inpassing, zoals bedoeld in Artikel 5 overeenkomstig het landschappelijk inpassingsplan zoals opgenomen in Bijlage 2 van deze regels, maximaal na 1 jaar na onherroepelijk worden van dit TAM-omgevingsplan is uitgevoerd en kwalitatief en kwantitatief in stand wordt gehouden; 2. Het (doen/laten) gebruik(en) voor wonen als bedoeld in 6.2 is uitsluitend toegestaan indien het oppervlak aan bijgebouwen wordt teruggebracht tot maximaal 543 m2, maximaal na 1 jaar na onherroepelijk worden van dit TAM-omgevingsplan. 3. Het (doen/laten) gebruik(en) voor wonen als bedoeld in 6.2 is uitsluitend toegestaan indien de vigerende milieutoestemming binnen een half jaar na onherroepelijk worden van dit TAM-omgevingsplan is ingetrokken; 6.3

Vergunningsplichtige gebruiksactiveiten

1. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een bed en breakfast te exploiteren met een oppervlakte groter dan zoals bedoeld in 6.2.1, onder 6. 2. De omgevingsvergunning voor het exploiteren van een bed en breakfast wordt verleend onder de volgende voorwaarden: a. de woonfunctie dient zowel visueel als qua aard primair te blijven en de activiteit mag niet leiden tot verstoring van het woongenot ter plaatse en in de directe omgeving. Ook dient de ruimtelijke uitstraling in overeenstemming te zijn met de woonfunctie; b. de oppervlakte aan bebouwing welke wordt aangewend voor de Bed and Breakfast mag per bestemmingsvlak niet meer dan 40% van het oppervlak aan gebouwen bedragen met dien verstande dat het maximale oppervlakte niet meer mag bedragen dan 150 m²; c. De activiteit mag niet leiden tot onevenredige publieksaantrekkende werking; d. De activiteit mag geen nadelige invloed hebben op de verkeersafwikkeling en op de parkeerbalans. Dit betekent onder meer dat binnen de aanduiding ‘Wonen - Landelijk gebieden’

14

bestemmingsplan "Groeske 11 Castelré" (concept)

bestemmingsplan Groeske 11 Castelré moet worden voorzien in de voor de activiteit benodigde parkeerruimte; e. het verblijfsrecreatief medegebruik is uitsluitend toegestaan indien dit wordt geëxploiteerd door de bewoner van de woning; 6.4

Verboden gebruiksactiviteiten

6.4.1

Algemene verbodsbepaling

Het is verboden de in dit plan opgenomen gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de aan de gronden gegeven gebruiksfunctie.

6.4.2

Specifiek strijdig gebruik

Onder strijdig gebruik als bedoeld in 6.4.1 wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor: 1. Het bedrijfsmatig vervaardigen, opslaan, verwerken of herstellen van goederen en het opslaan en beof verwerken van producten; 2. Het opslaan, storten of bergen van materialen en producten behoudens voor zover dat noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte gebruik van de grond; 3. (motor)crossen; 4. Grootschalige openluchtevenementen en andere vormen van intensief dagrecreatief medegebruik; 5. Een kampeerterrein 6. Een seksinrichting 7. Het gebruik van de woning en/of al dan niet vrijstaande bijgebouwen als afhankelijke woonruimte; 8. Het gebruik van vrijstaande bijgebouwen als zelfstandige woning; 9. Het gebruik van de woning en aan- en bijgebouwen voor de uitoefening van een aan huis gebonden bedrijf/beroep indien die activiteit op andere wijze wordt uitgeoefend dan begrepen onder de volgende voorwaarden: a. de woonfunctie dient zowel visueel als qua aard primair te blijven en de activiteit mag niet leiden tot verstoring van het woongenot ter plaatse en in de directe omgeving; b. het voor de activiteit te gebruiken oppervlakte mag maximaal 60 m² bedragen; c. de activiteit in of het gebruik van de woning mag niet leiden tot onevenredige publieksaantrekkende werking; d.

de activiteit in of het gebruik van de woning mag geen nadelige invloed hebben op de verkeersafwikkeling en op de parkeerbalans. Dit betekent onder meer dat binnen de aanduiding ‘Wonen - Landelijke gebieden’ moet worden voorzien in de voor de activiteit benodigde parkeerruimte; e. de activiteit of het gebruik mag in de woning en/of een bijgebouw worden uitgeoefend; f. degene die de activiteit zal uitvoeren dient tevens de bewoner van de woning te zijn; g. geen detailhandel plaatsvindt, uitgezonderd een beperkte verkoop van ter plaatse vervaardigde producten als ondergeschikte activiteit en wel in verband met het aan huis gebonden bedrijf of beroep; h. geen activiteit of gebruik mag worden uitgeoefend welke onevenredige hinder voor het woonmilieu mag opleveren; voor zover het een inrichting betreft in de zin van de Wet milieubeheer zijn slechts bedrijven toegestaan welke voorkomen onder categorie 1 en 2 zoals opgenomen in de bij deze regels behorende Staat van bedrijven, mits het niet betreft geluidszoneringsplichtige inrichtingen; 10. De uitoefening van nevenactiviteiten behoudens de nevenactiviteit zoals omschreven in de volgende staat: a. Bed and Breakfast op adres Maaijkant 17: maximale oppervlakte 150 m2. b. Educatieve ruimte op adres Maaijkant 17: maximale oppervlakte 200 m2.

bestemmingsplan "Groeske 11 Castelré" (concept)

15

bestemmingsplan Groeske 11 Castelré

6.5

Vergunningsplichtige bouwactiviteiten

6.5.1

Alleen bouwen ten dienste van de aanduiding

De met 'Wonen - Landelijke gebieden' op de verbeelding aangeduide grond mag uitsluitend worden bebouwd ten dienste van de in 6.2.1 aangegeven omschrijvingen. Daarbij gelden per aanduiding de in 6.5.2 en 6.5.3 gestelde voorwaarden

6.5.2

Toegestane bouwwerken

Per bouwvlak mag worden opgericht: 1. Maximaal één woning, waarbij geldt dat algehele herbouw van een burgerwoning uitsluitend mag plaatsvinden op de bestaande fundamenten. 2. Vrijstaande bijgebouwen 3. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de woning; 4. Ondergronds bouwen is toegestaan in de vorm van kelders met dien verstande dat: a. de kelder uitsluitend is toegestaan onder de woning en de aanbouw mag worden gebouwd. b. de diepte beneden peil niet meer mag bedragen dan 3 meter. 6.5.3

Maatvoering van de bouwwerken

Voorts gelden voor alle aanduidingen de volgende maatvoeringseisen: 1. woning met aanbouwen: a. Goothoogte: maximaal 4,5 meter b. Bouwhoogte: maximaal 10 meter c. Inhoud: 600 m3, voor zover de inhoud ten tijde van het ter visie leggen van het ontwerp van dit plan meer bedraagt geldt de bestaande inhoud als maximum d. Dakhelling: minimaal 12° tot maximaal 60° 2. Vrijstaande bijgebouwen: a. Goothoogte: maximaal 3,5 meter b. Bouqhoogte: maximaal 6 meter c. Oppervlakte per woning: maximaal 80 m2 d. Afstand tot woning met aanbouw: minimaal 2 meter tot maximaal 10 meter e. Afstand achter de naar de weg gekeerde gevel(s) van de woning met aanbouw dan wel in of achter het verlengde daarvan: minimaal 3 meter. f. Dakhelling: minimaal 0° tot maximaal 60° 6.6

Verboden Bouwactiviteiten

Het bouwen van bijbehorende bouwwerken, erfinrichting of andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is niet toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - aan- en bijgebouwen uitgesloten'. Deze aanduiding is opgenomen ter bescherming van de cultuurhistorische waarde van de bestaande bebouwing en erfstructuur. De betreffende gronden mogen niet worden ingericht ten dienste van het gebruik van het hoofdgebouw.

16

bestemmingsplan "Groeske 11 Castelré" (concept)

bestemmingsplan Groeske 11 Castelré

Artikel 7 7.1

Waarde - Archeologie 2

Toepassingsbereik

De voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functie('s), mede aangewezen voor de bescherming van de archeologische (verwachtings)waarden en archeologische vindplaatsen, waarbij de functie 'Waarde - Archeologie 2' voorrang heeft op de andere daar voorkomende functiegebieden.

7.2

Toegestane bouwactiviteiten

Voor het bouwen gelden de volgende regels:

7.2.1

Verbod

Het is verboden om te bouwen of te laten bouwen op de mede voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden.

7.2.2

Uitzonderingen

Het in lid 7.2.1 genoemde verbod is niet van toepassing op: a. bouwwerken waarvoor bij de bouw geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd met een oppervlakte groter dan 100 m² en die kunnen worden gebouwd krachtens de andere daar voorkomende functie's, of; b. bouwwerken waarvoor bij de bouw geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd dieper dan 0,40 meter onder het bestaande maaiveld, dan wel dieper dan 0,10 meter onder het bestaande maaiveld ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - bosgebied' en die kunnen worden gebouwd krachtens de andere daar voorkomende bestemming(en), of; c. de verbouwing en/of sloop- en nieuwbouw van bestaande bouwwerken krachtens de andere daar voorkomende bestemming(en), mits: 1. de bestaande fundering wordt gebruikt; 2. de bestaande oppervlakte niet wordt uitgebreid; d. gronden waar naar oordeel van het bevoegd gezag reeds verstoring heeft plaatsgevonden die dieper reikt dan de te verwachten archeologische vondstlaag; bij de beoordeling hiervan laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige. 7.3

Nadere eisen

7.3.1

Behoud archeologische waarden in situ

Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen ten aanzien van de situering van bouwwerken, de inrichting en het gebruik van gronden, indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De nadere eisen zijn erop gericht dat de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) worden behouden.

7.4

Vergunningsplichtige bouwactiviteiten

7.4.1

Afwijken voor bouwen ten dienste van andere bestemming

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het verbod in lid 7.2.1 voor de bouw van bouwwerken ten dienste van de andere geldende aanduiding(en), mits: a. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat er geen archeologische waarden bestemmingsplan "Groeske 11 Castelré" (concept)

17

bestemmingsplan Groeske 11 Castelré aanwezig zijn, of; b. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden geschaad, of; c. één of meerdere van de volgende voorschriften worden verbonden aan de omgevingsvergunning indien op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten kunnen worden verstoord: 1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd behoudsmaatregelenplan, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, of; 2. een verplichting tot het doen van opgravingen door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE), of; 3. een verplichting de uitvoering van de bouwactiviteiten te laten begeleiden door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE). 7.4.2

Archeologisch rapport

Indien het bevoegd gezag niet beschikt over een voor de beoordeling van de aanvraag toereikend archeologisch onderzoek voor de gronden waarop een aanvraag om omgevingsvergunning wordt gedaan, dient de aanvrager ten behoeve van de beoordeling van archeologische waarden van de gronden een archeologisch rapport te overleggen.

7.4.3

Advies

Bij de beoordeling van een archeologisch rapport en de verlening van een afwijking als bedoeld in lid 7.4.1, laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige.

7.5 Omgevingsplanactiviteit voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 7.5.1

Verbod

Het is verboden om op de voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegde gezag: d. het uitvoeren van grondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend het afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen), woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het aanbrengen van heipalen; e. het wijzigen van de waterhuishouding, zoals het aanleggen van drainage en het uitdiepen, graven en/of verleggen van waterlopen; f. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; g. het verlagen of verhogen van het waterpeil; h. het aanleggen of uitbreiden van oppervlakteverhardingen, zoals wegen, paden, banen of parkeergelegenheden; i. het aanbrengen of rooien van diepwortelende bomen en/of beplanting, waarbij de stobben worden verwijderd; j. het ophogen van gronden. 7.5.2

Uitzonderingen

Het in lid 7.5.1 genoemde verbod is niet van toepassing indien: a. het werken of werkzaamheden betreft waarvan de oppervlakte niet meer bedraagt dan 100 m², of;

18

bestemmingsplan "Groeske 11 Castelré" (concept)

bestemmingsplan Groeske 11 Castelré b. het werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 7.5.1 onder a t/m f betreft die niet dieper reiken dan 0,40 meter onder het bestaande maaiveld; c. de werken en of werkzaamheden het normale onderhoud en beheer betreffen, waaronder begrepen onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels, leidingen en rioleringen waarbij niet dieper gegraven wordt dan de reeds uitgegraven diepte, of; d. de werken of werkzaamheden reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan, of; e. de werken of werkzaamheden mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning, of; f. de werken en werkzaamheden gericht zijn op archeologisch onderzoek, waaronder begrepen het doen van opgravingen door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE), of; g. het gronden betreft waar naar oordeel van het bevoegd gezag reeds verstoring heeft plaatsgevonden die dieper reikt dan de te verwachten archeologische vondstlaag. Bij de beoordeling hiervan laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige, of; h. het werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 7.5.1 onder g betreft, waarbij: 1.

de bodem als gevolg van het ophogen niet meer wordt belast dan 0,8 ton/m²; 2. het ophogen plaatsvindt op gronden die naar het oordeel van het bevoegd gezag niet zettingsgevoelig zijn; bij de beoordeling hiervan laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige. 7.5.3

Toetsingscriteria

De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 7.5.1 wordt slechts verleend indien: a. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn, of; b. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de werken en werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad, of; c. één of meerdere van de volgende voorschriften worden verbonden aan de omgevingsvergunning indien op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de werken en werkzaamheden kunnen worden verstoord: 1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd behoudsmaatregelenplan, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, of; 2. een verplichting tot het doen van opgravingen door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE), of; 3.

een verplichting de uitvoering van de werken en werkzaamheden te laten begeleiden door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE). 7.5.4

Archeologisch rapport

Indien het bevoegd gezag niet beschikt over een voor de beoordeling van de aanvraag toereikend archeologisch onderzoek voor de gronden waarop een aanvraag om omgevingsvergunning wordt gedaan, dient de aanvrager ten behoeve van de beoordeling van archeologische waarden van de gronden een archeologisch rapport te overleggen.

7.5.5

Advies

Bij de beoordeling van een archeologisch rapport en de verlening van een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 5.5.1, laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige.

bestemmingsplan "Groeske 11 Castelré" (concept)

19

bestemmingsplan Groeske 11 Castelré

7.6

Omgevingsplanactiviteit voor het slopen van een bouwwerk

7.6.1

Verbod

Het is verboden om op de voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden bouwwerken te slopen of te laten slopen zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegde gezag.

7.6.2

Uitzonderingen

Het in lid 7.6.1 genoemde verbod is niet van toepassing indien: a. het sloopwerkzaamheden betreft waarvan de oppervlakte niet meer bedraagt dan 100 m², of; b. het sloopwerkzaamheden betreft die niet dieper reiken dan 0,40 meter onder het bestaande maaiveld, dan wel niet dieper reiken dan 0,10 meter onder het bestaande maaiveld ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - bosgebied', of; c. de sloopwerkzaamheden reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan, of; d. de sloopwerkzaamheden mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning, of; e. het sloopwerkzaamheden betreft op gronden waar naar oordeel van het bevoegd gezag reeds verstoring heeft plaatsgevonden die dieper reikt dan de te verwachten archeologische vondstlaag; bij de beoordeling hiervan laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige. 7.6.3

Toetsingscriteria

De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 7.6.1 wordt slechts verleend indien: a. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn, of; b. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de sloopwerkzaamheden niet onevenredig worden geschaad, of; c. één of meerdere van de volgende voorschriften worden verbonden aan de omgevingsvergunning indien op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de sloopwerkzaamheden kunnen worden verstoord: 1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd behoudsmaatregelenplan, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, of; 2. een verplichting tot het doen van opgravingen door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE), of; 3.

een verplichting de uitvoering van de sloopwerkzaamheden te laten begeleiden door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE). 7.6.4

Archeologisch rapport

Indien het bevoegd gezag niet beschikt over een voor de beoordeling van de aanvraag toereikend archeologisch onderzoek voor de gronden waarop een aanvraag om omgevingsvergunning wordt gedaan, dient de aanvrager ten behoeve van de beoordeling van archeologische waarden van de gronden een archeologisch rapport te overleggen.

20

bestemmingsplan "Groeske 11 Castelré" (concept)

bestemmingsplan Groeske 11 Castelré

7.6.5

Advies

Bij de beoordeling van een archeologisch rapport en de verlening van een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 5.6.1, laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige.

7.7

Delegatiebesluit

7.7.1

Wijziging op basis van archeologisch onderzoek

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen en de functie 'Waarde - Archeologie 2' geheel of gedeeltelijk laten vervallen, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat ter plaatse geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn.

7.7.2

Advies

Alvorens de in lid 7.7.1 bedoelde wijziging wordt toegepast, laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige.

bestemmingsplan "Groeske 11 Castelré" (concept)

21

bestemmingsplan Groeske 11 Castelré

Artikel 8 8.1

Waarde - Archeologie 3

Toepassingsbereik

De voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functie('s), mede aangewezen voor de bescherming van de archeologische (verwachtings)waarden en archeologische vindplaatsen, waarbij de functie 'Waarde - Archeologie 3' voorrang heeft op de andere daar voorkomende functie.

8.2

Toegestane bouwactiviteiten

Voor het bouwen gelden de volgende regels:

8.2.1

Verbod

Het is verboden om te bouwen of te laten bouwen op de mede voor 'Waarde - Archeologie 3' bestemde gronden.

8.2.2

Uitzonderingen

Het in lid 8.2.1 genoemde verbod is niet van toepassing op: a. bouwwerken waarvoor bij de bouw geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd met een oppervlakte groter dan 500 m² en die kunnen worden gebouwd krachtens de andere daar voorkomende bestemmingen, of; b. bouwwerken waarvoor bij de bouw geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd dieper dan 0,40 meter onder het bestaande maaiveld, dan wel dieper dan 0,10 meter onder het bestaande maaiveld ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - bosgebied' en die kunnen worden gebouwd krachtens de andere daar voorkomende bestemming(en), of; c. de verbouwing en/of sloop- en nieuwbouw van bestaande bouwwerken krachtens de andere daar voorkomende bestemming(en), mits: 1. de bestaande fundering wordt gebruikt; 2. de bestaande oppervlakte niet wordt uitgebreid; d. gronden waar naar oordeel van het bevoegd gezag reeds verstoring heeft plaatsgevonden die dieper reikt dan de te verwachten archeologische vondstlaag; bij de beoordeling hiervan laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige. 8.3

Nadere eisen

8.3.1

Behoud archeologische waarden in situ

Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen ten aanzien van de situering van bouwwerken, de inrichting en het gebruik van gronden, indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De nadere eisen zijn erop gericht dat de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) worden behouden.

8.4

Vergunningsplichtige bouwactiviteiten

8.4.1

Afwijken voor bouwen ten dienste van andere functie

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het verbod in lid 8.2.1 voor de bouw van bouwwerken ten dienste van de andere geldende bestemming(en), mits: a. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat er geen archeologische waarden 22

bestemmingsplan "Groeske 11 Castelré" (concept)

bestemmingsplan Groeske 11 Castelré aanwezig zijn, of; b. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden geschaad, of; c. één of meerdere van de volgende voorschriften worden verbonden aan de omgevingsvergunning indien op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten kunnen worden verstoord: 1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd behoudsmaatregelenplan, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, of; 2. een verplichting tot het doen van opgravingen door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE), of; 3. een verplichting de uitvoering van de bouwactiviteiten te laten begeleiden door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE). 8.4.2

Archeologisch rapport

Indien het bevoegd gezag niet beschikt over een voor de beoordeling van de aanvraag toereikend archeologisch onderzoek voor de gronden waarop een aanvraag om omgevingsvergunning wordt gedaan, dient de aanvrager ten behoeve van de beoordeling van archeologische waarden van de gronden een archeologisch rapport te overleggen.

8.4.3

Advies

Bij de beoordeling van een archeologisch rapport en de verlening van een afwijking als bedoeld in lid 6.4.1, laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige.

8.5 Omgevingsplanactiviteitvoor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 8.5.1

Verbod

Het is verboden om op de voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegde gezag: a. het uitvoeren van grondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend het afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen), woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het aanbrengen van heipalen; b. het wijzigen van de waterhuishouding, zoals het aanleggen van drainage en het uitdiepen, graven en/of verleggen van waterlopen; c. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; d. het verlagen of verhogen van het waterpeil; e. het aanleggen of uitbreiden van oppervlakteverhardingen, zoals wegen, paden, banen of parkeergelegenheden; f. het aanbrengen of rooien van diepwortelende bomen en/of beplanting, waarbij de stobben worden verwijderd; g. het ophogen van gronden. 8.5.2

Uitzonderingen

Het in lid 8.5.1 genoemde verbod is niet van toepassing indien: a. het werken of werkzaamheden betreft waarvan de oppervlakte niet meer bedraagt dan 500 m², of;

bestemmingsplan "Groeske 11 Castelré" (concept)

23

bestemmingsplan Groeske 11 Castelré b. het werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 6.5.1 onder a t/m f betreft die niet dieper reiken dan 0,40 meter onder het bestaande maaiveld, dan wel niet dieper reiken dan 0,10 meter onder het bestaande maaiveld ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - bosgebied', of; c. de werken en of werkzaamheden het normale onderhoud en beheer betreffen, waaronder begrepen onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels, leidingen en rioleringen waarbij niet dieper gegraven wordt dan de reeds uitgegraven diepte, of; d. de werken of werkzaamheden reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan, of; e. de werken of werkzaamheden mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning, of; f. de werken en werkzaamheden gericht zijn op archeologisch onderzoek, waaronder begrepen het doen van opgravingen door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE), of; g. het gronden betreft waar naar oordeel van het bevoegd gezag reeds verstoring heeft plaatsgevonden die dieper reikt dan de te verwachten archeologische vondstlaag. Bij de beoordeling hiervan laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige, of; h.

het werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 6.5.1 onder g betreft, waarbij: 1. de bodem als gevolg van het ophogen niet meer wordt belast dan 0,8 ton/m²; 2. het ophogen plaatsvindt op gronden die naar het oordeel van het bevoegd gezag niet zettingsgevoelig zijn; bij de beoordeling hiervan laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige. 8.5.3

Toetsingscriteria

De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 6.5.1 wordt slechts verleend indien: a. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn, of; b. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de werken en werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad, of; c. één of meerdere van de volgende voorschriften worden verbonden aan de omgevingsvergunning indien op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de werken en werkzaamheden kunnen worden verstoord: 1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd behoudsmaatregelenplan, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, of; 2. een verplichting tot het doen van opgravingen door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE), of; 3.

een verplichting de uitvoering van de werken en werkzaamheden te laten begeleiden door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE). 8.5.4

Archeologisch rapport

Indien het bevoegd gezag niet beschikt over een voor de beoordeling van de aanvraag toereikend archeologisch onderzoek voor de gronden waarop een aanvraag om omgevingsvergunning wordt gedaan, dient de aanvrager ten behoeve van de beoordeling van archeologische waarden van de gronden een archeologisch rapport te overleggen.

24

bestemmingsplan "Groeske 11 Castelré" (concept)

bestemmingsplan Groeske 11 Castelré

8.5.5

Advies

Bij de beoordeling van een archeologisch rapport en de verlening van een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 8.5.1, laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige.

8.6

Omgevingsplanactiviteit voor het slopen van een bouwwerk

8.6.1

Verbod

Het is verboden om op de voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden bouwwerken te slopen of te laten slopen zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegde gezag.

8.6.2

Uitzonderingen

Het in lid 8.6.1 genoemde verbod is niet van toepassing indien: a. het sloopwerkzaamheden betreft waarvan de oppervlakte niet meer bedraagt dan 500 m², of; b. het sloopwerkzaamheden betreft die niet dieper reiken dan 0,40 meter onder het bestaande maaiveld, dan wel niet dieper reiken dan 0,10 meter onder het bestaande maaiveld ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - bosgebied', of; c. de sloopwerkzaamheden reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan, of; d. de sloopwerkzaamheden mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning, of; e. het sloopwerkzaamheden betreft op gronden waar naar oordeel van het bevoegd gezag reeds verstoring heeft plaatsgevonden die dieper reikt dan de te verwachten archeologische vondstlaag; bij de beoordeling hiervan laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige. 8.6.3

Toetsingscriteria

De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 8.6.1 wordt slechts verleend indien: a. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn, of; b. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de sloopwerkzaamheden niet onevenredig worden geschaad, of; c. één of meerdere van de volgende voorschriften worden verbonden aan de omgevingsvergunning indien op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de sloopwerkzaamheden kunnen worden verstoord: 1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd behoudsmaatregelenplan, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, of; 2. een verplichting tot het doen van opgravingen door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE), of; 3.

een verplichting de uitvoering van de sloopwerkzaamheden te laten begeleiden door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE). 8.6.4

Archeologisch rapport

Indien het bevoegd gezag niet beschikt over een voor de beoordeling van de aanvraag toereikend archeologisch onderzoek voor de gronden waarop een aanvraag om omgevingsvergunning wordt gedaan, dient de aanvrager ten behoeve van de beoordeling van archeologische waarden van de gronden een archeologisch rapport te overleggen.

bestemmingsplan "Groeske 11 Castelré" (concept)

25

bestemmingsplan Groeske 11 Castelré

8.6.5

Advies

Bij de beoordeling van een archeologisch rapport en de verlening van een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 8.6.1, laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige.

8.7

Delegatiebesluit

8.7.1

Wijziging op basis van archeologisch onderzoek

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen en de bestemming 'Waarde - Archeologie 3' geheel of gedeeltelijk laten vervallen, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat ter plaatse geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn.

8.7.2

Advies

Alvorens de in lid 8.7.1 bedoelde wijziging wordt toegepast, laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige.

26

bestemmingsplan "Groeske 11 Castelré" (concept)

bestemmingsplan Groeske 11 Castelré

Artikel 9 9.1

Waarde - Cultuurhistorie

Toepassingsbereik

De voor 'Waarde - Cultuurhistorie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functie's, mede bestemd voor het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden, waarbij de functie 'Waarde - Cultuurhistorie' voorrang heeft op de andere daar voorkomende functie('s).

9.2

Toegestane bouwactiviteiten

In afwijking van de regels opgenomen bij de andere voor deze gronden aangewezen bestemmingen geldt voor het bouwen van bouwwerken dat niet is toegestaan: 1. de bestaande bebouwing aangeduid met de functieaanduiding 'cultuurhistorische waarden' te vergroten en/of veranderen. 9.3

Vergunningsplichtige bouwactiviteiten

Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 9.2, nadat advies is ingewonnen bij de Commissie ruimtelijke kwaliteit en indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de cultuurhistorische waarde van de gebouwen en of de inrichting van het aangewezen gebied: a. zoals blijkt uit de redengevende beschrijving genoemde cultuurhistorische waarden van de gebouwen en/of de inrichting van het aangewezen gebied; en b. deze verandering of vergroting in overeenstemming is met de regels opgenomen in de andere voor deze gronden aangewezen bestemmingen. 9.4

Omgevingsvergunning tot sloop

a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het college van Burgemeester en Wethouders bouwwerken gelegen binnen de functie 'Waarde - Cultuurhistorie' en aangeduid met de functieaanduiding 'cultuurhistorische waarde' geheel of gedeeltelijk te slopen. b. Een omgevingsvergunning als bedoeld onder a is slechts toelaatbaar, indien door die werkzaamheden de cultuurhistorische waarden, zoals beschreven in de redengevende omschrijving, niet in onevenredige mate worden aangetast. c. Over een dergelijke vergunning beslist het college van Burgemeester en Wethouders dan, nadat advies is ingewonnen bij de Commissie ruimtelijke kwaliteit. d. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op werkzaamheden van geringe omvang, gericht op en noodzakelijk voor het normale onderhoud of de instandhouding, waaronder normale beheerswerkzaamheden.

bestemmingsplan "Groeske 11 Castelré" (concept)

27

bestemmingsplan Groeske 11 Castelré

Hoofdstuk 3 Artikel 10

T hema's

Gebruik

1. Gebruiksactiviteiten die in strijd zijn met de aan locatie toegedeelde functie(s) in hoofdstuk 2 zijn verboden, een en ander behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de functie gerichte gebruik van de gronden en bouwwerken. 2. Het verbod in het eerste lid omvat in ieder geval het gebruik van gronden en/of bouwwerken voor niet-bestaande activiteiten die voldoen aan de omschrijvingen in kolom 1 (type projecten) en aan de bijbehorende omschrijvingen in kolom 2 (mer-plicht) van bijlage V bij het Omgevingsbesluit. 3. Gebruiksactiviteiten die op grond van dit hoofdstuk niet zijn toegestaan - rechtstreeks danwel na melding of middels een omgevingsvergunning - zijn verboden.

28

bestemmingsplan "Groeske 11 Castelré" (concept)

bestemmingsplan Groeske 11 Castelré

Artikel 11 11.1

Bouwen

Algemene bepalingen

11.1.1 Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

11.1.2 Bestaande maatvoering toegestaan 1. Indien afstanden tot, en bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken meer bedragen dan ingevolge dit artikel danwel hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als maximaal toegestaan worden aangehouden. 2. In die gevallen dat afstanden tot, en bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken, minder bedragen dan ingevolge dit artikel danwel hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als minimaal toegestaan worden aangehouden. 3. In het geval van (her)oprichting van gebouwen is dit uitsluitend van toepassing indien het geschiedt op dezelfde plaats. 11.2

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16496347/1