3.3 - Bijlage 2 - TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22i Maaijkant 2 Regels
Tekst van het document
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22i Maaijkant 2
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22i Maaijkant 2
Inhoudsopgave
Regels
3
Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2 Artikel 3
Algemene bepalingen Begripsbepalingen Meet- en rekenbepalingen Toepassingsbereik en voorrangsbepaling
4 4 5 6
Hoofdstuk 2 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7
Functies Wonen - Landelijke gebieden Agrarisch - Landelijke gebieden Groen - Landschappelijke inpassing Waarde - Archeologie 2
7 7 10 12 14
Hoofdstuk 3 Artikel 8 Artikel 9
Thema's Gebruik Bouwen
18 18 19
Hoofdstuk 4 Artikel 10
Procesregels Algemene bepalingen
21 21
Hoofdstuk 5 Artikel 11
Overgangsrecht en slotbepalingen Overgangsrecht
22 22
2 2i Maaijkant 2" (ontwerp)
bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 2
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22i Maaijkant 2
Regels Pre-ambule Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het mogelijk maken van een woonfunctie ter plaatse van een voormalige agrarische functie in het landelijk gebied. Juridisch is het plan een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22i) in het omgevingsplan van de gemeente Baarle-Nassau. Technisch is het nog vormgegeven en gepubliceerd als een bestemmingsplan. Dus is het niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen. Daarom moeten de hoofdstukken van dit plan worden gelezen als paragrafen van hoofdstuk 22i van het omgevingsplan van de gemeente Baarle- Nassau. Dus: hoofdstuk 1 (Algemene bepalingen) moet worden gelezen als hoofdstuk 22i, paragraaf 1; hoofdstuk 2 (Functies) moet worden gelezen als hoofdstuk 22i, paragraaf 2; hoofdstuk 3 (Thema's) moet worden gelezen als hoofdstuk 22i, paragraaf 3; hoofdstuk 4 ( Procesregels) moet worden gelezen als hoofdstuk 22i, paragraaf 4; hoofdstuk 5 (Overgangsrecht en slotbepalingen) moet worden gelezen als hoofdstuk 22i, paragraaf 5. bijlage 1 moet worden gelezen als bijlage 22i.1
bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22i Maaijkant 2" (ontwerp) 3
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22i Maaijkant 2
Hoofdstuk 1 Artikel 1
Algemene bepalingen
Begripsbepalingen
a. Bijlage 1 bevat begripsbepalingen voor de toepassing van dit TAM-omgevingsplan. b. De bijlage bij de Omgevingswet, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van overeenkomstige toepassing op dit TAM-omgevingsplan, tenzij in bijlage 1 daarvan is afgeweken.
4 2i Maaijkant 2" (ontwerp)
bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 2
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22i Maaijkant 2
Artikel 2
Meet- en rekenbepalingen
In dit TAM-omgevingsplan gelden de volgende meet- en rekenbepalingen: a. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens: de kortste afstand van het verticale vlak in de zijdelingse perceelsgrens tot enig punt van het op dat bouwperceel voorkomende bouwwerk. b. de afstand tot de weg: de afstand tot de bebouwing en de as van de weg. c. het bebouwd oppervlak van een bouwperceel: de oppervlakte van alle op een bouwperceel aanwezige bouwwerken tezamen. d. het bebouwingspercentage: het oppervlak dat met bouwwerken is bebouwd, uitgedrukt in procenten van de oppervlakte van het bouwperceel, voor zover dat is gelegen binnen de functie, of binnen een in de regels nader aan te duiden gedeelte van die functie. e. de breedte, diepte c.q. lengte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse hoofdgevelvlakken en/of de harten van scheidingsmuren. f. de dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. g. de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. h. de inhoud van een bouwwerk: tussen de bovenzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. i.
de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. j. de bouwhoogte van een windmolen: vanaf het peil tot en met de as van de molen. k. de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of de harten van scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. l. peil: 1. voor gebouwen, waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan een weg grenst: de hoogte van de kruin van de weg; 2. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte terrein.
bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22i Maaijkant 2" (ontwerp) 5
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22i Maaijkant 2
Artikel 3 3.1
Toepassingsbereik en voorrangsbepaling
Toepassingsbereik
a. De besluiten op grond van artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet zijn niet van toepassing op de locatie bedoeld in het derde lid. b. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk. c. De regels in dit TAM-omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie Maaijkant 2 te Ulicoten, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0744.TAMmaaijkant2-ON01 zoals vastgelegd op https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart/.
6 2i Maaijkant 2" (ontwerp)
bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 2
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22i Maaijkant 2
Hoofdstuk 2 Artikel 4 4.1
Functies
Wonen - Landelijke gebieden
Toepassingsbereik
a. Dit artikel is van toepassing op gebruiksactiviteiten en bouwactiviteiten binnen 'Wonen - Landelijke gebieden'. 4.2
Toegestane gebruiksactiviteiten
4.2.1
Aanwijzing toegestane gebruiksactiviteiten
a. Het is toegestaan de volgende gebruiksactiviteiten te verrichten of te laten verrichten: 1. wonen in een woning; 2. de oppervlakte aan bebouwing welke wordt aangewend voor de Bed and Breakfast mag per functievlak niet meer dan 40% van het oppervlak aan gebouwen bedragen met dien verstande dat het maximale oppervlakte niet meer mag bedragen dan 150 m². b. De volgende voorzieningen ten behoeve van deze gebruiksactiviteiten zijn toegestaan: 1. tuinen en erven; 2. in- en uitritten; 3. parkeervoorzieningen 4. water, watergangen en waterhuishoudkundige voorzieningen; en, 5. groen- en speelvoorzieningen c. Het is ter plaatse van de locatie Maaijkant 2 toegestaan de activiteit wonen in een woning te verrichten of te laten verrichten. 4.2.2
Voorwaardelijke verplichtingen
a. Sloop bestaande bebouwing; 1. Het (doen/laten) gebruik(en) van de functie 'Wonen' als bedoeld in subsubparagraaf 4.2.1 is uitsluitend toegestaan indien de voormalige bedrijfsbebouwing, ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding - sloop bedrijfsbebouwing zoals weergegeven op de verbeelding, maximaal 2 jaar na het onherroepelijk worden van dit TAM-omgevingsplan is gesloopt. 2. Voorafgaand aan de activiteit zoals bedoeld onder 1 dient, overeenkomstig met het advies uit het in Bijlage 2 weergegeven archeologisch onderzoek, een proefsleuvenonderzoek te zijn uitgevoerd en goedgekeurd door de gemeente Baarle-Nassau. b. Landschappelijke inpassing; 1. Het (doen/laten) gebruik(en) voor wonen als bedoeld in 4.2.1 is uitsluitend toegestaan indien de landschappelijke inpassing, zoals bedoeld in artikel 6 overeenkomstig het landschappelijk inpassingsplan zoals opgenomen in bijlage 3 van deze regels, maximaal na 2 jaar na onherroepelijk worden van dit TAM-omgevingsplan is uitgevoerd en kwalitatief en kwantitatief in stand wordt gehouden; c. Bodemonderzoek; 1.
Het (doen/laten) gebruik(en) van de functie 'Wonen' als bedoeld in subsubparagraaf 4.2.1 is uitsluitend toegestaan als ter plaatse van de bouwaanduiding ‘specifieke bouwaanduiding sloop bedrijfsbebouwing' een (historisch) bodemonderzoek conform de NEN 5740 heeft plaatsgevonden en is beoordeeld en goedgekeurd door de gemeente Baarle-Nassau. d. Waterberging; 1. Het (doen/laten) gebruik(en) van de gronden met de functie 'Wonen' is uitsluitend toegestaan indien een waterberging met een capaciteit van 7,7 m³, binnen 24 maanden na het onherroepelijk worden van voorliggend plan, is gerealiseerd en kwalitatief en kwantitatief in stand wordt gehouden.
bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22i Maaijkant 2" (ontwerp) 7
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22i Maaijkant 2
4.3
Vergunningsplichtige gebruiksactiviteiten
4.3.1
Aanwijzing vergunningsplichtige gebruiksactiviteiten
a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende gebruiksactiviteiten te verrichten of te laten verrichten: 1. bedrijfsactiviteiten aan huis, voor zover niet verboden op basis van 4.4. 4.3.2
Aanvraagvereisten en beoordelingsregels bedrijfsactiviteit aan huis
a. Onverminderd het bepaalde in 10.1, verstrekt de aanvrager bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bedrijfsactiviteit aan huis de volgende gegevens en bescheiden: 1. informatie over de parkeervoorziening, de ruimte en voorzieningen voor laden en lossen en de verkeersafwikkeling. b. De omgevingsvergunning voor een bedrijfsactiviteit aan huis wordt verleend als: 1. degene die de activiteit uitvoert, een eenmanszaak heeft en de bewoner van de woning is; 2. voor de activiteit maximaal 40% van de vloeroppervlakte van het hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken met een (gezamenlijk) maximum van in totaal 60 m² wordt aangewend; 3. geen buitenopslag en buitenactiviteiten; 4. de activiteit niet leidt tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer of tot een onevenredige parkeerdruk op de openbare ruimten; en, 5. de activiteit niet leidt tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat en geen onevenredige afbreuk doet aan het woonkarakter van de wijk of buurt. 4.4
Verboden gebruiksactiviteiten
Gebruik dat afwijkt van de gebruiksactiviteiten in 4.2 en 4.3 is verboden. In ieder geval omvat het verbod: a. het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken als zelfstandige woning en/of afhankelijke woonruimte; b. het gebruik van gebouwen en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding uitgesloten - voor bewoning bedoelde bouwwerken' indien deze voor bewoning bedoelde doeleinden worden gebruikt. c. het wonen en verblijven in kampeermiddelen; d. activiteiten gericht op verblijfsrecreatie en recreatief nachtverblijf, met uitzondering van het exploiteren van een bed and breakfast; e. het exploiteren van een groothandels-, horeca- en/of detailhandelsbedrijf; f. het exploiteren van een seks- en/of pornobedrijf en het uitoefenen van prostitutie; g. het parkeren voor de voorgevellijn van het hoofdgebouw, met uitzondering van in- /uitritten behorende bij een woning, tenzij op de kaart anders geregeld; en, h. het opslaan van (afgedankte) goederen, stoffen en materialen, met uitzondering van de (tijdelijke) opslag in het kader van de verwezenlijking van de toegedeelde functie en het bijbehorende beheer en onderhoud. 4.5
Vergunningsplichtige bouwactiviteiten
4.5.1
Algemene beoordelingsregels
De omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit wordt verleend als: a. gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van erfafscheidingen, binnen een bouwvlak worden gebouwd; b. indien de bestaande bebouwing buiten het bouwvlak ligt of een grotere maatvoering heeft dan in 4.6.2 of 4.6.3 is aangegeven: geen verdere uitbreiding plaatsvindt. Gebruik ten behoeve van het wonen en algehele herbouw van een woning op bestaande fundamenten is toegestaan;
8 2i Maaijkant 2" (ontwerp)
bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 2
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22i Maaijkant 2
4.5.2
Beoordelingsregels hoofdgebouwen
De omgevingsvergunning voor het bouwen van een hoofdgebouw wordt verleend als: a. per bouwvlak maximaal 1 hoofdgebouw wordt gebouwd, tenzij ter plaatse op de kaart een ander aantal is aangegeven, dan geldt dit aantal woningen; b. de inhoud van een woning niet meer bedraagt dan 750 m3; c. het hoofdgebouw wordt afgedekt door een hellend dakvlak, met dien verstande dat de helling minimaal 12 en maximaal 60 graden bedraagt, tenzij ter plaatse op de kaart een vlak dak is aangegeven, dan geldt dat een vlak dak verplicht is; d. de goothoogte niet meer bedraagt dan 4,5 meter; e. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 10 meter; en, f. de minimale afstand tot de weg 15 meter bedraagt. 4.5.3
Beoordelingsregels bijbehorende bouwwerken
De omgevingsvergunning voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij een woning wordt verleend als: a. de afstand tot de voorgevellijn van het hoofdgebouw niet minder bedraagt dan 2 meter en de afstand tot de woning niet minder dan 1 meter; b. de goothoogte niet meer bedraagt dan 3,5 meter en de bouwhoogte niet meer dan 6 meter, tenzij ter plaatse op de kaart een andere goot- en/of bouwhoogte is aangegeven, dan geldt deze gooten/of bouwhoogte; c. de goothoogte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk niet meer bedraagt dan de bovenkant van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw; en, d. de bebouwde oppervlakte van de vrijstaande bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 80 m² per woning; indien sprake is van amovering van voormalige bedrijfsgebouwen kan een bebouwde oppervlakte aan vrijstaande bijgebouwen worden toegestaan van 80 m² vermeerderd met 20% van de bebouwde oppervlakte van de geamoveerde gebouwen tot een totaal maximum bebouwde oppervlakte van 200 m²; 4.5.4
Beoordelingsregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde
De omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt verleend als: a. voor de voorgevellijn van het hoofdgebouw de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen niet meer bedraagt dan 1 meter; b. achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen niet meer bedraagt dan 2 meter; c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer bedraagt dan 3 meter; d. de bouwhoogte van windturbines en antennes niet meer bedraagt dan 15 meter. 4.6
Verboden bouwactiviteiten
a. Het is verboden een bouwactiviteit te verrichten en het bouwwerk in stand te houden en te gebruiken, anders dan de bouwactiviteiten als bedoeld in 4.5 ten behoeve van het wonen als bedoeld in dit artikel.
bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22i Maaijkant 2" (ontwerp) 9
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22i Maaijkant 2
Artikel 5
5.1
Agrarisch - Landelijke gebieden
Toepassingsbereik
a. Dit artikel is van toepassing op gebruiksactiviteiten en bouwactiviteiten binnen 'Agrarisch Landelijke gebieden'. 5.2
Toegestane gebruiksactiviteiten
a. Het is toegestaan de volgende gebruiksactiviteiten te verrichten of te laten verrichten: 1. het telen van gewassen in de vorm van akkerbouw- en vollegrondstuinbouw ten behoeve van een agrarisch bedrijf; 2. beweiden van landbouwhuisdieren; en, 3. extensief recreatief verblijven. b. De volgende voorzieningen ten behoeve van deze gebruiksactiviteiten zijn toegestaan: 1. wegen; 2. voet- en rijwielpaden; 3. verkeervoorzieningen; 4. straatmeubilair; 5. openbare nutsvoorzieningen; 6. water, watergangen en waterhuishoudkundige voorzieningen 7. groen- en speelvoorzieningen; en, 8. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing' de landschappelijke inpassing conform bijlage 3 bij deze regels. 5.3
Verboden gebruiksactiviteiten
Gebruik dat afwijkt van de gebruiksactiviteiten in 5.2 geval omvat het verbod: a. b. c. d. e. f. 5.4
het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest; motorcrossen; grootschalige openluchtevenementen; activiteiten gericht op intensieve verblijfsrecreatie en recreatief nachtverblijf; het stallen van kampeermiddelen; het gebruik voor parkeren. Vergunningsplichtige bouwactiviteiten
De omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit wordt verleend als: a. sprake is van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de gebruiksactiviteiten als bedoeld in 5.2 b. de bouwhoogte van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen niet meer bedraagt dan 2,5 meter en wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: 1. De in de gebruiksactiviteiten omschreven waarden mogen niet onevenredig worden aangetast. 2. De oppervlakte aan tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen mag niet meer dan 2,5 ha bedragen. c. de bouwhoogte van overige bouwwerken niet meer bedraagt dan 3 m 5.5
Verboden bouwactiviteiten
a. Het is verboden een bouwactiviteit te verrichten en het bouwwerk in stand te houden en te gebruiken, anders dan de bouwactiviteiten als bedoeld in 5.4 ten behoeve van de agrarische functie als bedoeld in dit artikel. b. Het verbod omvat in ieder geval het oprichten, in stand houden en gebruiken van: 10 2i Maaijkant 2" (ontwerp)
bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 2
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22i Maaijkant 2 1. 2. 3. 4. 5.
paardenbakken; trayvelden; permanente teeltondersteunende voorzieningen; foliemestbassins; en, kassen.
bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22i Maaijkant 2" (ontwerp) 11
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22i Maaijkant 2
Artikel 6 6.1
Groen - Landschappelijke inpassing
Toepassingsbereik
a. Dit artikel is van toepassing op gebruiksactiviteiten, bouwactiviteiten en werken en werkzaamheden binnen Groen - Landschappelijke inpassing. 6.2
Toegestane gebruiksactiviteiten
a. Het is toegestaan de volgende gebruiksactiviteiten te verrichten of te laten verrichten: 1. het nemen van landschapsmaatregelen overeenkomstig het landschappelijk inpassingsplan als opgenomen in bijlage 3, ter bescherming van landschappelijke waarden door inpassing van gebouwen, verhardingen en andere voorzieningen in het landschap; 2. extensief recreatief verblijven. b. De volgende voorzieningen ten behoeve van deze gebruiksactiviteiten zijn toegestaan: groenvoorzieningen; 1. voetpaden; 2. water, watergangen en waterhuishoudkundige voorzieningen. 6.3
Vergunningplichtige gebruiksactiviteiten
a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag andere landschapsmaatregelen te treffen dan de landschapsmaatregelen zoals bedoeld in 6.2 onder a. b. De omgevingsvergunning voor ander landschapsmaatregelen wordt verleend als: 1. de landschapsmaatregelen minimaal gelijk zijn aan de in het landschappelijk inpassingplan opgenomen landschapsmaatregelen en voorzien in een minimaal gelijk beschermingsniveau van de landschappelijke waarden waarvoor de in het inpassingsplan genoemde landschapsmaatregelen zijn bepaald; 2. hetgeen onder a beschreven kan worden aangetoond met een waarde berekening inclusief toelichting en beplantingsplan; 3. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in de omgeving aanwezige waarden. 6.4
Verboden gebruiksactiviteiten
Gebruik dat afwijkt van de gebruiksactiviteiten in 6.2 en 6.3 is verboden. In ieder geval omvat het verbod: a. het lozen en/of opslaan van (afgedankte) goederen, stoffen en materialen; b. activiteiten gericht op intensieve verblijfsrecreatie en recreatief nachtverblijf; en, c. het gebruik voor parkeren. 6.5
Vergunningplichtige bouwactiviteiten
De omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit wordt verleend als: a. sprake is van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, ten behoeve van de gebruiksactiviteiten als bedoeld in 6.2; b. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 1 meter; c. de bouwhoogte voor erf- en terreinafscheidingen niet meer bedraagt dan 1 meter voor de voorgevelrooilijn en 2 meter achter de voorgevelrooilijn; d. erf- en terreinafscheidingen als open constructie worden opgericht. 6.6
Verboden bouwactiviteiten
a. Het is verboden een bouwactiviteit te verrichten en het bouwwerk in stand te houden en te gebruiken, anders dan de bouwactiviteiten als bedoeld in 5.5 ten behoeve van de woonfunctie als bedoeld in dit artikel. 12 2i Maaijkant 2" (ontwerp)
bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 2
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22i Maaijkant 2 b. Het verbod omvat in ieder geval het oprichten, in stand houden en gebruiken van: 1. paardenbakken; en, 2. kassen.
bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22i Maaijkant 2" (ontwerp) 13
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22i Maaijkant 2
Artikel 7 7.1
Waarde - Archeologie 2
Toepassingsbereik
a. De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als Waarde – Archeologie 2. 7.2
Functieomschrijving
a. De voor Waarde - Archeologie 2 aangewezen locaties zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s) en activiteiten, bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze locatie voorkomende en te verwachten archeologische waarden. De functie Waarde Archeologie 2 gaat voor op de overige aan deze locaties toegekende functies en activiteiten. 7.3
Beoordelingsregels bouwwerken
7.3.1
Verbod
a. Het is verboden om te bouwen of te laten bouwen op de gronden ter plaatse van de functie 'Waarde - Archeologie 2'. 7.3.2
Uitzonderingen
Het in lid 7.3.1 genoemde verbod is niet van toepassing op: a. bouwwerken waarvoor bij de bouw geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd met een oppervlakte groter dan 100 m² en die kunnen worden gebouwd krachtens de andere daar geldende bouwregels, of; b. bouwwerken waarvoor bij de bouw geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd dieper dan 0,40 meter onder het bestaande maaiveld, dan wel dieper dan 0,10 meter onder het bestaande maaiveld ter plaatse van het besluitsubvlak 'overige zone - bosgebied' en die kunnen worden gebouwd krachtens de andere daar geldende bouwregels, of; c. de verbouwing en/of sloop- en nieuwbouw van bestaande bouwwerken krachtens de andere daar geldende bouwregels, mits: 1. de bestaande fundering wordt gebruikt; 2. de bestaande oppervlakte niet wordt uitgebreid; d. gronden waar naar oordeel van het bevoegd gezag reeds verstoring heeft plaatsgevonden die dieper reikt dan de te verwachten archeologische vondstlaag; bij de beoordeling hiervan laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige. 7.3.3
Afwijken voor bouwen ten dienste van andere functie
Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het verbod in lid 7.3.1 voor de bouw van bouwwerken ten dienste van de andere geldende bouw- en gebruiksregels, mits: a. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn, of; b. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden geschaad, of; c. één of meerdere van de volgende voorschriften worden verbonden aan de omgevingsvergunning indien op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten kunnen worden verstoord: 1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen conform een door het bevoegd gezag 14 2i Maaijkant 2" (ontwerp)
bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 2
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22i Maaijkant 2 goedgekeurd behoudsmaatregelenplan, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, of; 2. een verplichting tot het doen van opgravingen door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE), of; 3. een verplichting de uitvoering van de bouwactiviteiten te laten begeleiden door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE). 7.3.4
Archeologisch rapport
a. Indien het bevoegd gezag niet beschikt over een voor de beoordeling van de aanvraag toereikend archeologisch onderzoek voor de gronden waarop een aanvraag om omgevingsvergunning wordt gedaan, dient de aanvrager ten behoeve van de beoordeling van archeologische waarden van de gronden een archeologisch rapport te overleggen. 7.3.5
Advies
a. Bij de beoordeling van een archeologisch rapport en de verlening van een afwijking als bedoeld in lid 7.3.1, laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige. 7.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk,geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 7.4.1
Verbod
Het is verboden om op de gronden ter plaatse van het besluitvlak 'Waarde - Archeologie 2' de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegde gezag: a. het uitvoeren van grondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend het afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen), woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het aanbrengen van heipalen; b. het wijzigen van de waterhuishouding, zoals het aanleggen van drainage en het uitdiepen, graven en/of verleggen van waterlopen; c. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; d. het verlagen of verhogen van het waterpeil; e. het aanleggen of uitbreiden van oppervlakteverhardingen, zoals wegen, paden, banen of parkeergelegenheden; f. het aanbrengen of rooien van diepwortelende bomen en/of beplanting, waarbij de stobben worden verwijderd; g. het ophogen van gronden. 7.4.2
Uitzonderingen
Het in lid 7.4.1 genoemde verbod is niet van toepassing indien: a. het werken of werkzaamheden betreft waarvan de oppervlakte niet meer bedraagt dan 100 m², of; b. het werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 6.4.1 onder a t/m f betreft die niet dieper reiken dan 0,40 meter onder het bestaande maaiveld, dan wel niet dieper reiken dan 0,10 meter onder het bestaande maaiveld ter plaatse van het besluitsubvlak 'overige zone - bosgebied', of; c. de werken en of werkzaamheden het normale onderhoud en beheer betreffen, waaronder begrepen onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels, leidingen en rioleringen waarbij niet dieper gegraven wordt dan de reeds uitgegraven diepte, of; d. de werken of werkzaamheden reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van de verordening, of; e. de werken of werkzaamheden mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22i Maaijkant 2" (ontwerp) 15
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22i Maaijkant 2 omgevingsvergunning, of; de werken en werkzaamheden gericht zijn op archeologisch onderzoek, waaronder begrepen het doen van opgravingen door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE), of; g. het gronden betreft waar naar oordeel van het bevoegd gezag reeds verstoring heeft plaatsgevonden die dieper reikt dan de te verwachten archeologische vondstlaag. Bij de beoordeling hiervan laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige, of; h. het werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 7.4.1 onder g betreft, waarbij: 1. de bodem als gevolg van het ophogen niet meer wordt belast dan 0,8 ton/m²; 2. het ophogen plaatsvindt op gronden die naar het oordeel van het bevoegd gezag niet zettingsgevoelig zijn; bij de beoordeling hiervan laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige. f.
7.4.3
Toetsingscriteria
De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 7.4.1 wordt slechts verleend indien: a. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn, of; b. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de werken en werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad, of; c. één of meerdere van de volgende voorschriften worden verbonden aan de omgevingsvergunning indien op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de werken en werkzaamheden kunnen worden verstoord: 1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd behoudsmaatregelenplan, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, of; 2. een verplichting tot het doen van opgravingen door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE), of; 3.
een verplichting de uitvoering van de werken en werkzaamheden te laten begeleiden door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE). 7.4.4
Archeologisch rapport
a. Indien het bevoegd gezag niet beschikt over een voor de beoordeling van de aanvraag toereikend archeologisch onderzoek voor de gronden waarop een aanvraag om omgevingsvergunning wordt gedaan, dient de aanvrager ten behoeve van de beoordeling van archeologische waarden van de gronden een archeologisch rapport te overleggen. 7.4.5
Advies
a. Bij de beoordeling van een archeologisch rapport en de verlening van een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 7.4.1, laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige. 7.5
Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk
7.5.1
Verbod
a. Het is verboden om op de gronden ter plaatse van het besluitvlak 'Waarde - Archeologie 2' bouwwerken te slopen of te laten slopen zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegde gezag.
16 2i Maaijkant 2" (ontwerp)
bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 2
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22i Maaijkant 2
7.5.2
Uitzonderingen
Het in lid 7.5.1 genoemde verbod is niet van toepassing indien: a. het sloopwerkzaamheden betreft waarvan de oppervlakte niet meer bedraagt dan 100 m², of; b. het sloopwerkzaamheden betreft die niet dieper reiken dan 0,40 meter onder het bestaande maaiveld, dan wel niet dieper reiken dan 0,10 meter onder het bestaande maaiveld ter plaatse van het besluitsubvlak 'overige zone - bosgebied', of; c. de sloopwerkzaamheden reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van de verordening, of; d. de sloopwerkzaamheden mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning, of; e. het sloopwerkzaamheden betreft op gronden waar naar oordeel van het bevoegd gezag reeds verstoring heeft plaatsgevonden die dieper reikt dan de te verwachten archeologische vondstlaag; bij de beoordeling hiervan laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige. 7.5.3
Toetsingscriteria
De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 7.5.1 wordt slechts verleend indien: a. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn, of; b. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de sloopwerkzaamheden niet onevenredig worden geschaad, of; c. één of meerdere van de volgende voorschriften worden verbonden aan de omgevingsvergunning indien op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de sloopwerkzaamheden kunnen worden verstoord: 1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd behoudsmaatregelenplan, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, of; 2. een verplichting tot het doen van opgravingen door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE), of; 3.
een verplichting de uitvoering van de sloopwerkzaamheden te laten begeleiden door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE). 7.5.4
Archeologisch rapport
a. Indien het bevoegd gezag niet beschikt over een voor de beoordeling van de aanvraag toereikend archeologisch onderzoek voor de gronden waarop een aanvraag om omgevingsvergunning wordt gedaan, dient de aanvrager ten behoeve van de beoordeling van archeologische waarden van de gronden een archeologisch rapport te overleggen. 7.5.5
Advies
a. Bij de beoordeling van een archeologisch rapport en de verlening van een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 7.5.1, laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige.
bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22i Maaijkant 2" (ontwerp) 17
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22i Maaijkant 2
Hoofdstuk 3 Artikel 8
T hema's
Gebruik
a. Gebruiksactiviteiten die in strijd zijn met de aan locatie toegedeelde functie(s) in hoofdstuk 2 zijn verboden, een en ander behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de functie gerichte gebruik van de gronden en bouwwerken. b. Het verbod in het eerste lid omvat in ieder geval het gebruik van gronden en/of bouwwerken voor niet-bestaande activiteiten die voldoen aan de omschrijvingen in kolom 1 (type projecten) en aan de bijbehorende omschrijvingen in kolom 2 (mer-plicht) van bijlage V bij het Omgevingsbesluit. c. Gebruiksactiviteiten die op grond dit hoofdstuk niet zijn toegestaan - rechtstreeks danwel na melding of middels een omgevingsvergunning - zijn verboden.
18 2i Maaijkant 2" (ontwerp)
bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 2
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22i Maaijkant 2
Artikel 9
Bouwen
9.1
Algemene bepalingen
9.1.1
Anti-dubbeltelregel
a. Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing. 9.1.2
Bestaande maatvoering toegestaan
a. Indien afstanden tot, en bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken meer bedragen dan ingevolge dit artikel danwel hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als maximaal toegestaan worden aangehouden. b. In die gevallen dat afstanden tot, en bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken, minder bedragen dan ingevolge dit artikel danwel hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als minimaal toegestaan worden aangehouden. c. In het geval van (her)oprichting van gebouwen is dit uitsluitend van toepassing indien het geschiedt op dezelfde plaats. d. Het bepaalde 9.1.2 onder a en b is niet van toepassing op oppervlakte bijbehorende bouwwerken bij de functie 'Wonen', waarop meer dan 200 m² bijbehorende bouwwerken aanwezig is, voor zover in overeenstemming met verleende vergunning(en) tot stand gekomen. 9.2
Vergunningsplichtige bouwactiviteiten
9.2.1
Algemene beoordelingsregels vergunningplichtige bouwactiviteiten
a. In afwijking van de bouwregels in hoofdstuk 2 wordt de omgevingsvergunning voor het verrichten van bouwactiviteiten ook verleend als de daar voorgeschreven maatvoerings- en situeringseisen met ten hoogste 10% worden overschreden mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de woonsituatie, het straat- en bebouwingsbeeld, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. b. Onverminderd de bouwregels in hoofdstuk 2 wordt de omgevingsvergunning voor het verrichten van ondergrondse bouwwerken verleend als: 1. onder bovengrondse bebouwing, met uitzondering van ondergeschikte bouwdelen en direct aansluitende inritconstructies; 2. met een ondergrondse bouwdiepte van maximaal 3,5 meter onder peil. c. Bij de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het verrichten van bouwactiviteiten worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatie- en rookkanalen, voorzieningen voor (hemel)waterafvoer, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, galerijen, reclamevoorzieningen, schoorstenen, balkons en overstekende daken, te realiseren, in stand te houden en te gebruiken buiten beschouwing gelaten mits de overschrijding van maatvoeringsnormen niet meer dan 1 meter bedraagt en plaatsvindt binnen het bouwperceel. 9.2.2
Inwinning advies welstand
a. Voordat op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit wordt beslist, wint het bevoegd gezag advies in bij de gemeentelijke adviescommissie ruimtelijke kwaliteit over de welstandsaspecten. 9.3
Verboden bouwactiviteiten
a. Het is verboden een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken, anders dan de toegelaten en vergunningplichtige bouwactiviteiten bedoeld in hoofdstuk bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22i Maaijkant 2" (ontwerp) 19
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22i Maaijkant 2 2 en 3.
20 2i Maaijkant 2" (ontwerp)
bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 2
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22i Maaijkant 2
Hoofdstuk 4 Artikel 10 10.1
Procesregels
Algemene bepalingen
Algemene indienings- en aanvraagvereisten melding en omgevingsvergunning
a. De aanvrager van een omgevingsvergunning draagt er zorg voor dat de aanvraag betrekking heeft op alle onlosmakelijke activiteiten binnen het betrokken project. b. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit of een melding op grond van dit plan worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: c. het e-mailadres (voor zover beschikbaar) van de melder of aanvrager; en, d. de verwachte datum van het begin van de activiteit ingeval van een melding.
bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22i Maaijkant 2" (ontwerp) 21
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22i Maaijkant 2
Hoofdstuk 5 Artikel 11 11.1
Overgangsrecht en slotbepalingen
Overgangsrecht
Overgangsrecht bouwwerken
a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan op de betreffende locatie aanwezig of in uitvoering is, of gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van dit TAM- omgevingsplan mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk met maximaal 10%. c. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan, maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd met het daarvoor geldende omgevingsplan van rechtswege, daaronder begrepen de overgangsbepalingen. 11.2
Overgangsrecht gebruik ten dienste van functie
a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan op de betreffende locatie en dat als gevolg van dit TAM-omgevingsplan in strijd is met de gebruiksregels in hoofdstuk 2 ten 3, mag worden voortgezet. b. Het is verboden het met dit TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit TAM-omgevingsplan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. c. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAMomgevingsplan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. d. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik, dat al in strijd was met de voorheen geldende gebruiksregels voor die locatie in het omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen. 11.3
Eerbiedigende werking overige activiteiten
a. Zodra een regeling in dit TAM-omgevingsplan een activiteit als vergunning- of meldingsplichtig aanwijst, dan geldt een onherroepelijke ontheffing of vergunning zoals die luidde direct voor die regeling als een omgevingsvergunning respectievelijk melding voor die activiteit. b. Zodra een regeling in dit TAM-omgevingsplan een activiteit als meldingsplichtig aanwijst, dan geldt een melding of kennisgeving zoals ingediend voor die regeling als een melding voor die activiteit. c. Op activiteiten anders dan bedoeld in de artikelen 11.1 en 11.2 die op het moment van de inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan krachtens de tot dan geldende wetgeving en voorschriften plaatsvinden, zijn de bepalingen van dit TAM-omgevingsplan direct van toepassing.
22 2i Maaijkant 2" (ontwerp)
bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 2