CConstaterende datBaarle-Nassau
Koppel je AI →
Document · PDF

3.2 - Bijlage 1 -Toelichting - regels - bijlagen bij regels Paraplubestemmingsplan Baarle-Nassau 2023

Gemeenteraad (openbaar) 20 december 2023, gemeente Baarle-NassauBij agendapunt: Categorie 3 'Raadsinformatiebrieven'28.967 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Dit is een taak die bij het Rijk is belegd. Rijk Monumentenwet 1988 en Wet op de archeologische monumentenzorg 2007 Het ‘Verdrag van Malta’ is in 1998 door Nederland geratificeerd (Monumentenwet 1988) en op 1 september 2007 via de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) geïmplementeerd. De Wamz wijzigt onder andere de Monumentenwet 1988, waardoor overheden bij bodemingrepen verplicht rekening moesten gaan houden met in de bodem (te verwachten) archeologische waarden. Sinds de invoering van de Wamz zijn gemeenten belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Het doel van de Wamz is om archeologische resten waar nodig te beschermen, zonder daarbij meer maatschappelijke lasten in het leven te roepen dan strikt noodzakelijk. Vergeleken met de doelstelling van het ‘Verdrag van Malta’ kent de Wamz een nuancering. De wetgever geeft namelijk aan dat de bescherming van archeologie naar verhouding dient te zijn. Dit geeft ruimte voor een belangenafweging. De uitgangspunten van de Wamz sluiten veelal aan bij het ‘Verdrag van Malta’. Zo wordt veel waarde gehecht aan behoud en beheer in de bodem. Ook het ‘veroor-

Hoofdstuk 4

28

zaker-betaalt-principe’ is integraal overgenomen. Daarnaast geldt vanuit de wet 100 m² als vrijstellingsgrens ten aanzien van de onderzoeksverplichting voor ‘projecten', wel met dien verstande dat de gemeenteraad een hiervan afwijkende beargumenteerde andere oppervlakte kan vaststellen. De bevoegdheid ten aanzien van de omgang met het bodemarchief is sindsdien dus in de meeste gevallen bij de gemeentelijke overheden komen te liggen. Gemeenten moeten sindsdien bij het vaststellen van een bestemmingsplan en bij de bestemming van de in het plan begrepen grond rekening houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische monumenten. Erfgoedwet Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden: één integrale wet die betrekking heeft op museale objecten, musea, monumenten en archeologie op het land en onder water. De Erfgoedwet bundelt eerdere wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden tenminste worden gehandhaafd. De Erfgoedwet vormt samen met de toekomstige Omgevingswet de opvolger van de Monumentenwet 1988 en daarmee ook van de Wamz. Laatstgenoemde twee wetten zijn derhalve met de inwerkingtreding van de Erfgoedwet grotendeels vervallen.

Voor het aspect archeologie is er met de komst van de Erfgoedwet vrijwel niets veranderd. De grootste impact van de wet is het feit dat archeologische bedrijven niet meer werken onder een opgravingsvergunning van de Minister van OC&W, maar dat ze zich voor verschillende werkzaamheden moeten certificeren. Zolang de Omgevingswet nog niet in werking getreden is, is er ten aanzien van de archeologische erfgoedzorg sprake van een overgangsregeling. Deze overgangsregeling is opgenomen in artikel 9.1 van de Erfgoedwet. De regeling houdt in dat de bepalingen uit de Monumentenwet 1988 met betrekking tot archeologie van toepassing blijven, tot het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet. Provincie In het kader van het cultuurbeleid zet de provincie Noord-Brabant in op versterking van de Brabantse identiteit. Onderdeel hiervan is het behoud van het Brabantse ruimtelijk erfgoed. De inzet van dit erfgoed is gericht op verhoging van de ruimtelijke kwaliteit van de leefomgeving en het verbinden van dit erfgoed met Noord-Brabant en haar inwoners. De provincie heeft de erfgoedwaarden van provinciaal belang zorgvuldig afgebakend op de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) en gedeeltelijk juridisch geborgd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (IOV).

In totaal zijn er 21 cultuurhistorische landschappen met daarbinnen historisch landschappelijke vlakken en 16 archeologische landschappen geselecteerd en beschreven. Het betreffen oude bewoningsarealen die de huidige gemeentegrenzen overschrijden en waarvan het bodemarchief een hoge mate van gaafheid heeft. Een van deze landschappen betreft het Dekzandeiland Alphen-Baarle. De archeologische landschappen zijn niet opgenomen in de IOV. Er zijn dus geen instructieregels voor het aspect archeologie vanuit provinciaal oogpunt. De reden hiervoor is dat borging reeds plaatsvindt via de landelijke wet- en regelgeving en via het gemeentelijke archeologiebeleid.

Hoofdstuk 4

29

Verder geldt de provincie als bevoegde overheid bij ontgrondingen en sommige gemeentegrensoverschrijdende projecten. Voorts heeft de provincie een stimulerende rol in de bescherming van het archeologisch belang. Tot slot zet de provincie in op het belang van het regionaal samenwerken wanneer er ruimtelijke plannen bestaan binnen de archeologische landschappen die gemeentegrenzen overstijgen. Gemeente Nota Archeologie Om invulling te kunnen geven aan de gemeentelijke archeologische taken die met de inwerkingtreding van de Wamz in 2007 zijn ontstaan, besloot de gemeente Baarle-Nassau om gemeentelijk beleid ten aanzien van de archeologische monumentenzorg op te stellen. Om te komen tot dit beleid is in 2011 in opdracht van de gemeente door Archeologisch Adviesbureau RAAP een archeologische waardenen verwachtingskaart plus beleidsadvieskaart met uitgebreide toelichting opgesteld. Hieruit vloeide het gemeentelijk archeologiebeleid voort dat bestaat uit een gemeentelijke archeologische beleidsnota, beleidskaart en archeologieverordening. Dit beleid is tot nu toe vertaald in bestemmingsplannen die na 2011 zijn vastgesteld. Archeologische beleidskaart Op de archeologische beleidskaart zijn meerdere archeologische kaarteenheden, variërend van een hoge archeologische verwachting tot een lage archeologische verwachting en archeologische waarden, weergegeven.

In totaal zijn er 15 verschillende archeologische waarden en verwachtingszones op de beleidskaart opgenomen. Deze zijn onderverdeeld in 6 verschillende beleidscategorieën. Deze beleidscategorieën zijn vertaald naar 4 verschillende archeologische dubbelbestemmingen. Een uitsnede uit betreffende archeologische beleidskaart inclusief bijbehorende legenda is opgenomen in de navolgende figuur. Ten aanzien van de archeologische beleidskaart dient bedacht te worden dat op basis van de archeologische verwachting geen uitspraken kunnen worden gedaan over concrete aan- of afwezigheid van archeologische vindplaatsen op een specifieke locatie. Deze concrete uitspraken kunnen enkel worden gedaan met betrekking tot gebieden waarvoor een archeologische waarde is opgenomen. Het betreft bij dit laatste archeologische monumententerreinen, historische kernen en vindplaatsen. Voor de archeologische verwachting geldt dat sprake is van een weerslag van een verwachtingsmodel dat nader is onderbouwd met onderzoeksresultaten uit een veelheid aan archeologische onderzoeken.

Hoofdstuk 4

30

Figuur 6: Archeologische verwachtingen- en beleidskaart gemeente Baarle-Nassau, inclusief bijbehorende legenda (bron: RAAP).

Hoofdstuk 4

31

Categorie 1 Archeologische monumenten (beleidskaart: purper) Wettelijk beschermde archeologische monumenten komen in de gemeente Baarle-Nassau niet voor, maar kunnen in de toekomst eventueel wel aangewezen worden door het rijk. Daarom wordt hier toch een korte toelichting gegeven. De beschermde monumenten omvatten gebieden waar archeologische resten van nationaal belang zijn vastgesteld met onder meer een zeer hoge kwaliteit, zeldzaamheid en contextwaarde. Voor wettelijk beschermde terreinen is behoud van de bestaande situatie vereist en dient aantasting van de archeologische resten vermeden te worden. Deze terreinen komen slechts na uitzonderlijke toestemming van de minister (via de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed) voor een bestemmingswijziging in aanmerking. Dit gebeurt volgens een aparte procedure. Categorie 2 Historische kern (beleidskaart: oranje) De historische bewoningskernen zijn veelal vanaf de Middeleeuwen bewoond geweest en dat heeft zijn weerslag op het archeologisch bodemarchief. Vanwege de (verwachte) rijkdom aan archeologische resten kunnen de historische kernen elk afzonderlijk beschouwd worden als één grote archeologische vindplaats. In deze zones dienen bij voorkeur geen werkzaamheden te worden uitgevoerd die tot fysieke aantasting van de (verwachte) archeologische resten leiden.

Het beleid is dus gericht op behoud van de bestaande situatie: behoud in situ. Indien verstoring niet vermeden kan worden, dient in een vroege fase van de planvorming archeologisch onderzoek plaats te vinden. Archeologische vindplaatsen (beleidskaart: rood) Op archeologische vindplaatsen is de aanwezigheid van archeologische resten vastgesteld. Hoewel de afzonderlijke waarnemingen puntlocaties betreffen, omvatten de resten zelf veelal een groter oppervlak. Om daarmee rekening te kunnen houden, is rond vindplaatsen een zone aangeduid waarbinnen de archeologische resten zich kunnen uitstrekken. Daarbij is onderscheid gemaakt tussen vindplaatsen van jager-verzamelaars (zone met een straal van 50 m) en vindplaatsen van landbouwers (zone met een straal van 150 m). In deze zones dienen bij voorkeur geen werkzaamheden te worden uitgevoerd die tot fysieke aantasting van de (verwachte) archeologische resten leiden. Het beleid is dus gericht op behoud van de bestaande situatie: behoud in situ. Indien verstoring niet vermeden kan worden, dient in een vroege fase van de planvorming archeologisch onderzoek plaats te vinden. (Diverse) zones met een hoge archeologische verwachting (beleidskaart: diverse bruine tinten) In zones met een hoge archeologische verwachting wordt een hoge dichtheid aan archeologische vindplaatsen verwacht.

Bij de oppervlaktegrens van deze verwachtingszones is onderscheid gemaakt tussen een hoge verwachting op jager-verzamelaars en landbouwers. Omdat de archeologische resten van jager-verzamelaars kleinschaliger zijn dan de archeologische resten van landbouwers (zie categorie 3), geldt voor de eerstgenoemde een strakkere oppervlaktegrens en is daarom onder categorie 2 opgenomen. In deze gebieden dienen bij voorkeur geen werkzaamheden te worden uitgevoerd die tot fysieke aantasting van de (verwachte) archeologische resten leiden. Het beleid is dus gericht op behoud van de

Hoofdstuk 4

32

bestaande situatie: behoud in situ. Indien verstoring niet vermeden kan worden, dient in een vroege fase van de planvorming archeologisch onderzoek plaats te vinden. Categorie 3 Historische kernen – randzone (beleidskaart: licht oranje) Rondom de bewoningskernen is een randzone aangewezen, waarin naar verwachting randactiviteiten en incidentele bewoning hebben plaatsgevonden. In deze zones dienen bij voorkeur geen werkzaamheden te worden uitgevoerd die tot fysieke aantasting van de (verwachte) archeologische resten leiden. Het beleid is dus gericht op behoud van de bestaande situatie: behoud in situ. Indien verstoring niet vermeden kan worden, dient in een vroege fase van de planvorming archeologisch onderzoek plaats te vinden. Zone met een hoge archeologische verwachting; landbouwers (beleidskaart: bruin) In zones met een hoge archeologische verwachting op resten van alleen landbouwers wordt een hoge dichtheid aan archeologische vindplaatsen verwacht. In deze gebieden dienen bij voorkeur geen werkzaamheden te worden uitgevoerd die tot fysieke aantasting van de (verwachte) archeologische resten leiden. Het beleid is dus gericht op behoud van de bestaande situatie: behoud in situ. Indien verstoring niet vermeden kan worden, dient in een vroege fase van de planvorming archeologisch onderzoek plaats te vinden.

Zones in een natte context met kans op het voorkomen van een bijzondere dataset (beleidskaart: blauw) In de natte gebiedsdelen met een kans op het voorkomen van een bijzondere dataset worden specifieke aan de natte omstandigheden gerelateerde archeologische resten verwacht. Dergelijke resten kenmerken zich veelal als puntlocaties, waarvan de aard en locatie (deels) bepaald worden door de landschappelijke context en de aanwezige archeologische en historisch-geografische waarden in de directe omgeving. In deze gebieden liggen bij uitstek mogelijkheden voor het verwerven van nieuwe inzichten op archeologisch gebied. In deze gebieden dienen bij voorkeur geen werkzaamheden te worden uitgevoerd die tot fysieke aantasting van de (verwachte) archeologische resten leiden. Het beleid is daarom gericht op behoud van de bestaande situatie: behoud in situ. Indien verstoring niet vermeden kan worden, dient in een vroege fase van de planvorming archeologisch onderzoek plaats te vinden. Categorie 4 Zones met een middelhoge archeologische verwachting (beleidskaart: geel) In zones met een middelhoge archeologische verwachting worden archeologische vindplaatsen van landbouwers verwacht, maar in een lagere dichtheid dan in zones met een hoge archeologische verwachting.

In deze gebieden dienen bij voorkeur geen werkzaamheden te worden uitgevoerd die tot fysieke aantasting van de (verwachte) archeologische resten leiden. Het beleid is dus gericht op behoud van de bestaande situatie: behoud in situ. Indien verstoring niet vermeden kan worden, dient in een vroege fase van de planvorming archeologisch onderzoek plaats te vinden.

Hoofdstuk 4

33

Gebieden met een onbekende archeologische verwachting (beleidskaart: grijs) Een onbekende verwachting geldt voor de gebieden waar de benodigde gegevens voor het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting ontbreken. Dat wil echter niet zeggen dat er geen archeologische resten voor kunnen komen. Zodoende is het beleid gericht op behoud van de bestaande situatie: behoud in situ. Indien verstoring niet vermeden kan worden, dient in een vroege fase van de planvorming archeologisch onderzoek plaats te vinden. Categorie 5 Onderzoeksmeldingen: lopend AMZ-proces (beleidskaart: paars) In reeds onderzochte gebieden kan sprake zijn van twee situaties: 1. Het reeds uitgevoerde onderzoek is nog niet afgerond. Dat wil zeggen dat op basis van het vooronderzoek nog vervolgonderzoek noodzakelijk is. Ten behoeve van het parapluplan zijn de vrijstellingsgrenzen van deze gebieden o.b.v. de (tussentijdse) resultaten aangepast en verwerkt in een nieuwe of bestaande WR-a. De zones zoals opgenomen op de beleidskaart zijn daarom niet als zodanig te herkennen op de verbeelding. Er kan sprake zijn van de volgende situaties:  Indien alleen een bureauonderzoek of een bureauonderzoek aangevuld met een booronderzoek is uitgevoerd waaruit blijkt dat vervolgonderzoek noodzakelijk is maar (nog) niet is uitgevoerd dan is er sprake van een hoge verwachting.

Er wordt dan aangesloten bij deze categorie van de beleidskaart.  Indien uit een proefsleuvenonderzoek blijkt dat er een vindplaats aanwezig is maar deze blijkt (nog) niet verder onderzocht dan is hiervoor een oppervlakte- en dieptegrens opgenomen van 0 m² en 0 cm minus maaiveld. Daar waar geen vindplaats aanwezig bleek te zijn, is het onderzochte gebied uiteraard vrijgegeven. 2. Er is onderzoek uitgevoerd dat nooit aan de gemeente is voorgelegd ter beoordeling en besluitvorming. Er ontbreekt van deze gebieden een besluit over het plangebied. Deze gebieden zijn op een separate kaart opgenomen die als bijlage in het parapluplan is opgenomen zodat wel duidelijk is om welke gebieden het gaat. Zo maakt de gemeente inzichtelijk van welke gebieden wel een archeologische rapportage bestaat. Deze rapportages zijn op te vragen bij de RCE. De zones zoals opgenomen op de beleidskaart zijn daarom niet als zodanig te herkennen op de verbeelding. Deze situaties zijn niet (te) onderscheiden op de beleidskaart. Ze zijn wel nader uitgewerkt ten behoeve van het parapluplan. Ook zijn, in dit kader, de onderzoeken die zijn uitgevoerd sinds de opstelling van de archeologiekaart meegenomen en op de verbeelding verwerkt.

Categorie 6 Gebieden met een lage archeologische verwachting (beleidskaart: lichtgroen) In gebieden met een lage archeologische verwachting wordt de kans op het voorkomen van archeologische vindplaatsen klein geacht. In deze gebieden gelden in principe geen restricties ten aanzien van

Hoofdstuk 4

34

ruimtelijke planvorming. Losse archeologische resten kunnen echter niet worden uitgesloten en bovendien bestaat de kans dat (geïsoleerde) archeologische resten vanwege de kaartschaal van de beleidskaart niet geïnventariseerd zijn. Grote ruimtelijke ontwikkelingen vallen onder de m.e.r.-plicht. In deze studies dient hoe dan ook archeologie meegewogen te worden, dat geldt ook voor zones met een lage archeologische verwachting. Op deze wijze wordt ook bij zeer grootschalige ruimtelijke ontwikkelingen aan de archeologische zorgplicht voldaan. Onderzoeksmeldingen: afgerond of vrijgegeven AMZ-proces (beleidskaart: lila) In reeds onderzochte gebieden is de beleidslijn afhankelijk van de resultaten van het reeds uitgevoerde onderzoek. In dit geval is het onderzoek afgerond en is er geen vervolgonderzoek nodig: in principe gelden geen verdere restricties ten aanzien van ruimtelijke ontwikkelingen. Ontgronde en afgegraven gebieden (beleidskaart: groen) Voor alle gebieden die op de kaart zijn aangegeven als ontgrond of afgegraven, geldt dat eventuele archeologische resten vernietigd zijn. In deze gebieden gelden in principe geen restricties ten aanzien van ruimtelijke planvorming. Archeologische resten mogen in deze gebieden door bodemingrepen in het verleden redelijkerwijs niet meer als aanwezig worden geacht.

Overig - Bosgebied Voor alle gebieden die op de beleidskaart zijn weergegeven als ‘bosgebied’ geldt de onderliggende beleidscategorie, met dien verstande dat de maximale ontgravingsdiepte 10 centimeter bedraagt. Het gaat om gebieden met ‘oerbos’ en waar voor zover bekend nooit bodembewerking heeft plaatsgevonden. Dit zijn de gebieden waar nog de Keltische raatakkers intact aanwezig kunnen zijn. 4.2.2 Onderzoek Door het middels onderhavig paraplubestemmingsplan voorzien in een uniform en actueel planologisch toetsingskader met betrekking tot archeologie en parkeren en laden en lossen worden geen nieuwe (hoofd)functies mogelijk gemaakt. Ook vindt er hiermee geen verruiming plaats van de gebruiksmogelijkheden van bestaande functies. In zoverre voorziet onderhavig paraplubestemmingsplan, ten opzichte van de reeds voor het plangebied vigerende bestemmings- uitwerkings- en wijzigingsplannen, niet in nieuwe planologische mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen. Er komen hiermee geen archeologische waarden in het geding. Eén van de redenen om over te gaan tot het opstellen van onderhavig paraplubestemmingsplan was dat het huidige archeologische beleid van de gemeente Baarle-Nassau kan op dit moment onvoldoende kan worden geëffectueerd.

De reden daarvoor is dat hetgeen is opgenomen op deze archeologische beleidskaart louter doorwerking heeft gevonden in enkele herzieningen van ruimtelijke plannen van na de vaststelling van de archeologische beleidskaart. Naast onderhavig paraplubestemmingsplan is er ook een er ook een paraplubeheersverordening opgesteld voor de gronden binnen de gemeente waarvoor een beheersverordening geldt. Ook deze paraplubeheersverordening ziet mede op het thema archeologie.

Hoofdstuk 4

35

Zoals reeds aangegeven in hoofdstuk 3 wordt op de archeologische beleidskaart van de gemeente Baarle-Nassau een onderscheid gemaakt tussen verschillende archeologische kaarteenheden, varierend van een hoge archeologische verwachting tot een lage archeologische verwachting en archeologische waarden. Op de archeologische beleidskaart zijn meerdere archeologische kaarteenheden, variërend van een hoge archeologische verwachting tot een lage archeologische verwachting en archeologische waarden, weergegeven. In totaal zijn er 15 verschillende archeologische waarden en verwachtingszones op de beleidskaart opgenomen. Deze zijn onderverdeeld in 5 verschillende beleidscategorieën. Deze beleidscategorieën zijn vertaald naar 4 verschillende archeologische dubbelbestemmingen. Het betreft hierbij de archeologische dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 1’, ‘Waarde – Archeologie 2’, ‘Waarde – Archeologie 3’ en ‘Waarde – Archeologie 4’. In de hierna weergegeven tabel is aangegeven op wijze de beleidscategorieën zijn vertaald naar archeologische dubbelbestemmingen.

Voor elk van deze categorieën is een separaat beschermingsregime opgenomen in de planregels van onderhavig paraplubestemmingsplan. Ditzelfde geldt voor het aan onderhavige plan gerelateerde paraplubeheersverordening. Gronden met betreffende archeologische dubbelbestemmingen (besluitvlakken) zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van de archeologische (verwachtings)waarden en archeologische vindplaatsen. Vanwege het hanteren van maatwerkregimes voor locaties waar reeds archeologisch onderzoek is uitgevoerd maar waar dit onderzoek nog niet is afgerond is er is er, aanvullend op de archeologische dubbelbestemmingen die een vertaling zijn van de beleidscategorieën uit de archeologische beleidskaart, ook een bestemming ‘Waarde – Archeologie 5’ opgenomen in de regels van onderhavig paraplubestemmingsplan. Het is op grond van de planregels voor de in onderhavig paraplubestemmingsplan opgenomen archeologische dubbelbestemmingen in beginsel verboden om op de betreffende gronden te bouwen, te

Hoofdstuk 4

36

laten bouwen, bepaalde werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning of bouwwerken te slopen of te laten slopen. Op deze hoofdregels gelden wel uitzonderingen. Deze uitzonderingen zijn opgenomen in de planregels van onderhavig paraplubestemmingsplan. 4.2.3 Conclusie Er is geen sprake van belemmeringen met betrekking tot het aspect archeologie. Het paraplubestemmingsplan voorziet, in samenhang met de paraplubeheersverordening voor de rest van het gemeentelijk grondgebied, in een adequaat en actueel beschermingsregime.

4.3 Externe veiligheid Toetsingskader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met:  activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen;  transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen;  transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd.

Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer.

Hoofdstuk 4

37

Onderzoek Dit paraplubestemmingsplan maakt gezien de aard van het plan geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk, uitgezonderd de reparatie van de bestemming van de gemeentewerf aan de Smederijstraat 4 te Baarle-Nassau. De gemeentewerf betreft geen risicobron, noch een (beperkt) kwetsbaar object. Deze wijziging is vanuit externe veiligheidsoogpunt dan ook niet relevant. Niettemin is het onderdeel externe veiligheid voor onderhavig paraplubestemmingsplan van belang. Naar aanleiding van een onderzoek van de provincie is namelijk gebleken dat het bestemmingsplan ‘Dorpen’ (en een aantal hierop gebaseerde postzegelbestemmingsplannen) thans onvoldoende waarborgen biedt om te voldoen aan de regelgeving op het gebied van externe veiligheid, specifiek het Bevi. Binnen het betreffende plangebied liggen risicovolle inrichtingen, waarop het Bevi van toepassing is. De betreffende bestemmingsplannen voorzien echter niet in een verbod op risicovolle inrichtingen binnen de bestemmingen ‘Bedrijf’ en ‘Bedrijventerrein’, maar ook niet in een verbod op kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten binnen de plaatsgebonden risicocontour 10 -6 per jaar van risicovolle inrichtingen.

De huidige bestemmingsplannen staan daardoor niet aan in de weg dat een kwetsbaar object of een beperkt kwetsbaar object (zonder gewichtige motivering) op te korte afstand tot een risicovolle inrichting gerealiseerd wordt. Dat is niet in overeenstemming met het Besluit externe veiligheid inrichtingen. In de toelichting op het bestemmingsplan “Dorpen” ontbreekt eveneens een inventarisatie van risicobronnen en een verantwoording van het groepsrisico. De gemeente Baarle-Nassau heeft besloten om deze gebreken te herstellen in het onderhavige paraplubestemmingsplan. Daarom is een extern veiligheidsonderzoek uitgevoerd door AVIV. Dit onderzoek is opgenomen in de bijlagen bij deze toelichting. Hierna worden de voornaamste bevindingen besproken. Inventarisatie risicobronnen In het onderzoek zijn allereerst de aanwezig risicobronnen geïnventariseerd en beschouwd. Binnen de contouren van het bestemmingsplan ‘Dorpen’ (inclusief de postzegelbestemmingsplannen) zijn 4 risicobronnen (Bevi-inrichtingen) in Baarle-Nassau aanwezig en één Bevi-inrichting in Ulicoten. De plaatsgebonden risicocontouren 10-6 per jaar van deze risicobronnen liggen bij 4 van de 5 inrichtingen gedeeltelijk buiten de grenzen van de eigen inrichting. In figuur 7 zijn deze weergegeven.

In het onderzoek is vervolgens geïnventariseerd of binnen de betreffende risicocontouren (beperkt) kwetsbare objecten zijn gesitueerd of mogen worden opgericht. Dit is alleen het geval bij de inrichting Mardenkro (Geerstraat 8 te Baarle-Nassau) en de inrichting Haagen (Industrieweg 5 te Baarle-Nassau). Ten aanzien van de inrichting Mardenkro is nader onderzoek uitgevoerd en een verantwoording opgesteld. Ten aanzien van de inrichting Haagen betreft het slechts beperkte delen van twee naastgelegen panden (groothandel en kringloopwinkel).

Hoofdstuk 4

38

Figuur 7: weergave Bevi-inrichtingen en plaatsgebonden risicocontouren 10-6 per jaar (Bron: AVIV)

Verantwoording externe veiligheid Mardenkro Mardenkro, gevestigd aan de Geerstraat 8 te Baarle-Nassau is een productie- en formuleringsbedrijf van reinigings- en beschermingsmiddelen die hoofdzakelijk bestemd zijn voor de (glas)tuinbedrijven. In het bedrijf vindt opslag en fabricage van reinigings- en beschermingsmiddelen plaats alsmede de opslag die daarvoor nodig zijn. Plaatsgebonden risico De plaatsgebonden risicocontour 10-6 per jaar heeft een omvang van 75 meter. Deze contour is op figuur 8 weergegeven en reikt voor een aanzienlijk deel buiten de grens van de inrichting. Binnen de betreffende contour is een aantal panden gelegen. Een overzicht van de bestaande beperkt kwetsbare objecten binnen de plaatsgebonden risicocontour 10-6 is in de bijlage bij deze toelichting opgenomen. Er zijn geen kwetsbare objecten binnen de genoemde contour gelegen. De bestaande situatie kan aanvaardbaar worden geacht. Zoals eerder al aangegeven biedt het huidige planologische regime echter geen waarborging tegen de vestiging van nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten binnen de plaatsgebonden risicocontour. Dit wordt in het onderhavige paraplubestemmingsplan hersteld. Er wordt een regeling opgenomen, waarmee de vestiging van nieuwe kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten binnen de plaatsgebonden risicocontour 10-6 wordt uitgesloten.

Voor de bestaande beperkt kwetsbare objecten geldt dat deze qua gebruik

Hoofdstuk 4

39

mogen worden voortgezet. Voor een wijziging in het gebruik kan onder strikte voorwaarden een omgevingsvergunning worden verleend. Groepsrisico Het invloedsgebied van de inrichting Mardenkro heeft een omvang van 275 meter (zie figuur 9). In het onderzoek is de personendichtheid bepaald. Deze bedraagt 34 personen/hectare. Het groepsrisico ligt daarmee ruimschoots onder de oriëntatiewaarde.

Figuur 8: plaatsgebonden risicocontour en invloedsgebied rondom Bevi-inrichting Mardenkro (bron; AVIV)

Conform het Bevi (artikel 13) moet het groepsrisico worden verantwoord. Deze verantwoording is in het onderzoek in de bijlagen opgenomen. De Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant heeft advies uitgebracht over de zelfredzaamheid en rampbestrijding om zo de gevolgen van een ongeval te bestrijden en de mogelijkheden voor aanwezigen in het invloedsgebied om zichzelf in veiligheid te brengen te verbeteren. Op basis van de verantwoording van he groepsrisico en het advies van de Veiligheidsregio wordt de hoogte van het groepsrisico aanvaardbaar geacht. De hoogte van het groepsrisico ligt ruimschoots onder de oriëntatiewaarde en wijzigt niet als gevolg van dit paraplubestemmingsplan. De zelfredzaamheid van personen kan voldoende worden gewaarborgd met aanvullende maatregelen. Ook worden de mogelijkheden om de gevolgen van een ongeval te bestrijden niet negatief beïnvloed. De mogelijkheden tot zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid worden als voldoende beschouwd.

Hoofdstuk 4

40

Conclusie Het aspect externe veiligheid is verantwoord voor het gedeelte van het plangebied waar de huidige planologische regimes onvoldoende waarborg bieden om aan de regelgeving van het Bevi te voldoen. De huidige situatie wordt acceptabel geacht. Het paraplubestemmingsplan zorgt alsnog voor waarborging dat er geen nieuwe risicovolle inrichtingen kunnen worden opgericht en binnen de bestaande plaatsgebonden risicocontouren geen nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten kunnen worden gerealiseerd. Het paraplubestemmingsplan zorgt hiermee voor betere waarborging van het aspect externe veiligheid.

4.4 Bedrijven en milieuzonering Toetsingskader Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de plantontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeente (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).

Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijk gebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid.

Hoofdstuk 4

41

Onderzoek Dit paraplubestemmingsplan maakt gezien de aard van het plan geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk, uitgezonderd de reparatie van de bestemming van de gemeentewerf aan de Smederijstraat 4 te Baarle-Nassau. Ter plaatse van de gemeentewerf geldt de bestemming ‘Bedrijventerrein’ volgens het geldende bestemmingsplan ‘Dorpen’. Ter plaatse zijn bedrijfsactiviteiten tot en met milieucategorie 2 toegestaan. De gemeentewerf is volgens de VNG-brochure aan te merken als een bedrijf in milieucategorie 3.1. De wens is dit te herstellen in het paraplubestemmingsplan. De verhoging van de planologisch toegestane milieucategorie, betekent dat dit voor de omgeving mogelijk relevante gevolgen heeft. De richtafstand wordt hiermee verhoogd van 30 naar 50 meter in een rustige woonwijk. Het aspect geluid is hierbij maatgevend. Binnen de richtafstand liggen diverse gevoelige bestemmingen. Daarom is een akoestisch onderzoek uitgevoerd in het kader van deze planologische wijziging. Dit onderzoek is opgenomen in de bijlagen. Hierna worden de voornaamste bevindingen besproken. In het onderzoek is de representatieve bedrijfssituatie van de gemeentewerf bepaald. Verder zijn de meest nabijgelegen geluidsgevoelige objecten in de omgeving in beeld gebracht.

Hierbij is ook rekening gehouden met de planologische mogelijkheid om ter plaatse van Oordeelsestraat 18, ten noorden van de gemeentewerf, een bedrijfswoning op te richten. Hier is feitelijk geen bedrijfswoning aanwezig, maar met deze mogelijkheid moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening wel rekening worden gehouden. Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau Uit het onderzoek blijkt dat op alle bestaande woningen wordt voldaan aan het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau uit het Activiteitenbesluit. Ook wordt voldaan aan de richtwaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde uit stap 2 van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering. Ter plaatse van de maximale planologische contouren van de bedrijfswoning aan de Oordeelsestraat 18 wordt de richtwaarde uit het Activiteitenbesluit overschreden (dagperiode en etmaalwaarde). Ook wordt hier de richtwaarde van stap 2 van de Handreiking overschreden (dag-, nacht- en etmaalwaarden). Maximale geluidniveaus Ten aanzien van de maximale geluidniveaus wordt de grenswaarde van 70 dB(A) uit het Activiteitenbesluit overschreden bij de bestaande woning Oordeelsestraat 14. Deze overschrijdingen worden veroorzaakt door activiteiten met tractor en/of loader, die niet te maken hebben met laden en lossen.

Ook ter plaatse van de maximale planologische contouren van de bedrijfswoning aan de Oordeelsestraat 18 wordt de grenswaarde (in dat geval 75 dB(A) vanwege de ligging op een bedrijfsterrein) uit het Activiteitenbesluit overschreden. Ter plaatse van alle overige woningen wordt aan de grenswaarde voldaan. De richtwaarde uit stap 2 van de Handreiking voor de dagperiode wordt eveneens overschreden bij de woning Oordeelsestraat 14 en de planologische contouren van de bedrijfswoning Oordeelsestraat 18. Hier wordt ook niet voldaan aan de richtwaarde van stap 3 van de Handreiking (70 dB(A)). De overschrijdingen worden enkel veroorzaakt door pieken tijdens het laden/lossen of overige werkzaamheden met de loader en/of de tractor op het buitenterrein (met name noordwesthoek, ter plaatse van de groenopslag).

Hoofdstuk 4

42

Ter plaatse van de (bedrijfs)woning aan de Weverstraat 4 (totaal 3 beoordelingspunten, noord- en westgevel) en de mogelijke bedrijfswoning aan de Oordeelsestraat 18 (totaal 4 beoordelingspunten) wordt niet aan de richtwaarde van 65 dB(A) in de avondperiode uit stap 2 van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering voldaan. De overschrijdingen worden enkel veroorzaakt door pieken tijdens het wegrijden/aankomen (inrit) en op het terrein rijden van zwaar verkeer ten behoeve van de strooidienst. Er wordt wel voldaan aan de richtwaarde uit stap 3 van de Handreiking. Ter plaatse van de (bedrijfs)woning aan de Weverstraat 4, woning aan de Oordeelsestraat 14, woning aan de Oordeelsestraat 12, (bedrijfs)woning aan de Oordeelsestraat 24 en de mogelijke bedrijfswoning aan de Oordeelsestraat 18 wordt niet aan de richtwaarde van 60 dB(A) in de nachtperiode uit stap 2 van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering voldaan. De overschrijdingen worden enkel veroorzaakt door pieken tijdens het wegrijden/aankomen (inrit en op het buitenterrein) van zwaar verkeer ten behoeve van de strooidienst. Ter plaatse van alle beoordelingspunten wordt wel voldaan aan de grenswaarde van 60 dB(A) in de nachtperiode uit stap 3 van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering. Indirecte hinder Tot slot is de indirecte hinder vanwege de gemeentewerf onderzocht.

Ter plaatse van alle woningen in de omgeving wordt aan de richtwaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde uit stap 2 van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering voldaan. In dit opzicht is er zonder meer sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van alle omliggende woningen. Tussenconclusie Omdat niet overal aan de richtwaarde (dag, avond- en nachtperiode) en/of grenswaarde (dagperiode) voor piekniveaus kan worden voldaan, moeten mogelijke maatregelen worden beschouwd. Deze overschrijdingen vinden plaats bij de woningen Oordeelsestraat 12, 14, 18 (planologische mogelijkheid tot oprichten van een bedrijfswoning) en 24 en Weverstraat 4. Ter plaatse van de planologische contouren voor de bedrijfswoning Oordeelsestraat 18 wordt tevens niet voldaan aan de richtwaarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau. Ter plaatse van de woningen die hiervoor niet zijn genoemd wordt voldaan aan de richtwaarden uit stap 2 van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering. Geconcludeerd wordt dat ter plaatse van deze woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Maatregelen/waarborging Vanwege de berekende overschrijdingen is in het onderzoek ingegaan op mogelijke maatregelen. Bronmaatregelen worden niet doelmatig geacht. Overdrachtsmaatregelen zijn wél mogelijk.

De meeste overschrijdingen van de richt- en grenswaarden vinden plaats bij de woning aan de Oordeelsestraat 14 en de (mogelijke) bedrijfswoning aan de Oordeelsestraat 18. Overdrachtsmaatregelen om de overschrijdingen van de richt- en grenswaarden vanwege het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en de maximale geluidniveaus zijn denkbaar voor de begane grond (beoordelingshoogte van 1,5 meter). De overschrijdingen op deze beoordelingspunten

Hoofdstuk 4

43

worden met name veroorzaakt door het laden/lossen en overige werkzaamheden op het buitenterrein met de loader en/of tractor ter plaatse van de opslag van snoeiafval. Door middel van een testberekening is bepaald wat minimaal nodig is (afschermende voorziening) om, ten minste, de overschrijdingen bij de woning aan de Oordeelsestraat 14 in de dagperiode weg te nemen. Hiervoor is een geluidwerende voorziening met een hoogte van 2 meter nodig aan de noord- en westkanten van deze hoek met een lengte van minimaal 7 meter (noordzijde) en 9,2 meter (westzijde). Dit wordt met een voorwaardelijke verplichting in het paraplubestemmingsplan geborgd. Ook zijn in het bestemmingsplan specifieke zones opgenomen, waar de activiteiten met de meeste geluidhinder mogen plaatsvinden. Hiermee wordt voorkomen dat in de toekomst elders onevenredige hinder ontstaat. Ter plaatse van het perceel Oordeelsestraat 18 is onderzocht binnen welke zone een bedrijfswoning, met inachtname van de voorgaande borging, zonder belemmeringen kan worden gerealiseerd. Hiertoe moet het aanduidingsvlak ‘bedrijfswoning’ worden verkleind. Dit is in onderhavig paraplubestemmingsplan meegenomen. Er blijft voldoende ruimte over om een bedrijfswoning te realiseren op dit perceel.

Na het treffen van de bovengenoemde maatregelen wordt voldaan aan de grenswaarde uit het Activiteitenbesluit (langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en piekniveaus). Ter plaatse van de Oordeelsestraat 18 wordt niet geheel voldaan aan de richtwaarden van stap 2 van de Handreiking. Wel wordt voldaan aan de richtwaarde van stap 3. Ook wordt ten aanzien van de optredende piekniveaus niet voldaan aan de richtwaarden van stap 2 van de Handreiking. Wel wordt voldaan aan de richtwaarden van stap 3. De overschrijdingen van de richtwaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en de piekniveaus worden met name veroorzaakt door werkzaamheden met een tractor en/of loader op het buitenterrein. Daarnaast speelt de wasplaats en het vullen van de silo’s een mogelijke rol voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en het wegrijden/aankomen van zwaar verkeer ten behoeve van de strooidienst voor de piekniveaus. De verwachting is dat deze geluidbronnen niet tegelijkertijd aanwezig zullen zijn op één dag waardoor de werkelijke geluidbelastingen lager zullen uitvallen. Daarnaast is in de huidige situatie (nog) geen sprake van een woning op deze locatie. Wanneer er op deze locatie alsnog een woning wordt gerealiseerd dan gelden de eisen uit het Bouwbesluit 2012 (minimale gevelwering van 20 dB). Deze gevelwering is voldoende om een aanvaardbaar binnenniveau te garanderen.

De betreffende overschrijding kan om deze reden dan ook acceptabel worden geacht. Met de hiervoor beschreven combinatie van overdrachtsmaatregelen, planologische waarborgen en maatregelen bij de ontvanger, kan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor alle woningen voldoende worden geborgd. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering in het kader van dit paraplubestemmingsplan. Ter waarborging hiervan zijn in de regels en op de verbeelding van het bestemmingsplan enkele waarborgen getroffen. In hoofdstuk 3 is deze regeling al nader beschreven.

Hoofdstuk 4

44

4.5 Overige omgevingsaspecten Onderhavig paraplubestemmingsplan voorziet ten opzichte van het vigerende juridisch-planologische regime niet in (mogelijkheden tot het realiseren van) nieuwe functies. Er zijn om die reden geen belemmeringen te verwachten ten aanzien van overige omgevingsaspecten, zoals geluid, luchtkwaliteit en ecologie. Met het repareren van de planologische regeling voor de gemeentewerf in Baarle-Nassau wordt de planologische situatie in overeenstemming met de bestaande feitelijke situatie gebracht. Dit betreft in planologische zin wél een ruimtelijke ontwikkeling, omdat de gebruiksmogelijkheden worden verruimd. Ten aanzien van deze wijziging is specifiek het aspect bedrijven en milieuzonering van belang; dit is in de voorgaande paragraaf uitvoerig beschouwd. Overige omgevingsaspecten spelen voor deze wijziging in beginsel geen rol, omdat er reeds sprake is van een feitelijk bestaande situatie, waardoor er geen fysieke wijzigingen aan de orde zijn, de betreffende locatie al een Bedrijfsbestemming heeft en er geen nieuwe gevoelige functie mogelijk wordt gemaakt. Gezien de aard van deze wijziging, die als reparatie van een omissie moet worden beschouwd, is een nadere toetsing aan de overige omgevingsaspecten voor deze wijziging niet aan de orde. Er treden geen milieu-hygiënische belemmeringen op, noch is er sprake van aantasting van waarden.

Hoofdstuk 4

45

5.

JURIDISCHE PLANOPZET In dit hoofdstuk wordt de juridische opzet van het bestemmingsplan beschreven.

5.1 Inleiding Een bestemmingsplan is een juridisch bindend plan dat bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en dat vergezeld gaat van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan, waarbij de regels de gebruiks- en bouwmogelijkheden van de gronden regelen en de verbeelding de rol heeft van visualisering van de bestemmingen. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave, verantwoording en onderbouwing van het bestemmingsplan en als uitleg bij de verbeelding en regels. Het bestemmingsplan wordt overeenkomstig de Wro langs elektronische weg beschikbaar gesteld. Hierbij wordt aangesloten bij de wettelijke standaarden, die zijn vastgelegd in de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012). Vanwege het karakter van dit paraplubestemmingsplan bevat het bestemmingsplan echter niet alle onderdelen die een bestemmingsplan normaliter omvat. Dit wordt in de volgende paragraaf nader toegelicht.

5.2 Plansystematiek Op eenzelfde locatie kunnen nimmer een beheersverordening en een bestemmingsplan gelijktijdig van toepassing zijn (art. 3.39 Wro). Om die reden ziet dit bestemmingsplan niet op het gehele grondgebied van de gemeente Baarle-Nassau, maar alleen op de gronden waar op dit moment geen beheersverordening van toepassing is. Dit paraplubestemmingsplan is thematisch opgezet en voorziet in aanvullende regels ten opzichte van de geldende ruimtelijke plannen. Deze aanvullende regels zijn in deze toelichting al uitvoerig toegelicht. De onderliggende bestemmingsplannen (en uitwerkings- en wijzigingsplannen) blijven voor het overige van overeenkomstige toepassing en worden met het voorliggende paraplubestemmingsplan niet gewijzigd, dit met uitzondering van enkele begripsbepalingen en de anti-dubbeltelregel. In art. 2 van het bestemmingsplan is een en ander in een van toepassing verklaring bepaald.

5.3 Opbouw van het bestemmingsplan Het paraplubestemmingsplan bestaat uit de volgende hoofdstukken.

Hoofdstuk 5

46

Hoofdstuk 1 Inleidende regels. In dit hoofdstuk is een aantal relevante begrippen opgenomen (art. 1). Daarnaast is een van toepassing verklaring opgenomen (art. 2, voorgaand al toegelicht). De begripsbepalingen zijn aanvullend op de begrippen in de onderliggende ruimtelijke plannen. In geval van onderlinge tegenstrijdigheid prevaleert de bepaling in onderhavig paraplubestemmingsplan. Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels. Op de verbeelding van het bestemmingsplan is een aantal dubbelbestemmingen opgenomen. Aan een dubbelbestemming zijn bepaalde regels gekoppeld. Deze locatiegebonden regels zijn opgenomen in hoofdstuk 2. Naast de betreffende dubbelbestemmingen blijven de onderliggende bestemmingen uit de geldende ruimtelijke plannen van toepassing. Hoofdstuk 2 bevat een aantal artikelen voor de verschillende opgenomen dubbelbestemmingen, te weten ‘Waarde – Archeologie 1’ tot en met ‘Waarde – Archeologie 5’. Elke dubbelbestemming is gekoppeld aan een specifiek archeologisch regime conform de gemeentelijke archeologische beleidskaart. De dubbelbestemmingen stellen aanvullende regels voor het bebouwen van de betreffende gronden, het slopen van bouwwerken en het uitvoeren van bepaalde werken en werkzaamheden. Hierbij geldt per dubbelbestemming een drempelwaarde in diepte en oppervlakte.

Binnen de bestemming ‘Waarde – Archeologie 5’ is een onderverdeling in enkele gebiedsaanduidingen gemaakt, waarbinnen verschillende regimes gelden. Hierbij gaat het om maatwerk op basis van uitgevoerde archeologische onderzoeken. Pas bij overschrijding van een drempelwaarde is een omgevingsvergunningplicht en een archeologische onderzoeksverplichting aan de orde. Op de locatie van de gemeentewerf (Smederijstraat 4 te Baarla-Nassau) is de bestemming ‘Bedrijventerrein’ opgenomen. Zoals eerder in deze toelichting al is aangegeven, betreft dit een reparatie van de planologische regeling uit het huidige bestemmingsplan. Op de bestemming ‘Bedrijventerrein’ zijn de regels van de bestemmingsplannen ‘Dorpen’ en ‘Dorpen, 1e herziening’ van overeenkomstige toepassing verklaard. Dit met inachtneming van het voor het overige bepaalde in dit paraplubestemmingsplan en met de specifiek in de bestemming opgenomen aanvullende regeling voor de gemeentewerf. Deze regeling is in hoofdstuk 3 nader toegelicht. Hoofdstuk 3 Algemene regels. De regels uit dit hoofdstuk zijn in beginsel van toepassing binnen het gehele plangebied. Naast de standaard anti-dubbeltelregel is in dit hoofdstuk een parkeerregeling opgenomen. Ook deze regeling geldt aanvullend op de onderliggende ruimtelijke plannen. Tot slot is in dit hoofdstuk een regeling opgenomen met betrekking tot het onderdeel externe veiligheid.

Hiervoor is een werkingsgebied aangegeven door middel van de gebiedsaanduiding ‘overige zone – externe veiligheid’. De regels die op dit gebied van toepassing zijn, gelden aanvullend op de overige geldende bestemmingsplannen. Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels In dit hoofdstuk is het overgangsrecht voor bouwwerken en gebruik opgenomen. Tevens is in dit hoofdstuk de citeertitel van het bestemmingsplan opgenomen.

Hoofdstuk 5

47

6.

UITVOERBAARHEID In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat een ruimtelijk plan vergezeld gaat van een toelichting waarin de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan zijn neergelegd. Dit hoofdstuk gaat in op de uitvoerbaarheid, waarbij eerst de economische uitvoerbaarheid aan bod komt en vervolgens de maatschappelijke uitvoerbaarheid.

6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.1.1 Financieel-economische haalbaarheid Dit paraplubestemmingsplan maakt geen bouwplannen, zoals bedoeld in artikel 6.2.1 van het Bro, mogelijk. Dit betekent dat er geen verplichting tot kostenverhaal bestaat in het kader van voorliggend paraplubestemmingsplan. De economische uitvoerbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Er zijn wettelijke eisen met betrekking tot de voorbereiding en totstandkoming van een bestemmingsplan. Artikel 3.8 Wro bepaalt dat op de voorbereiding van een bestemmingsplan de in afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geregelde uniforme openbare voorbereidingsprocedure (uov) van toepassing is. Dit houdt in dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Dientengevolge zijn de volgende stappen te onderscheiden:  Vooroverleg;  Vaststellingsprocedure. 6.2.1 Vooroverleg Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Het paraplubestemmingsplan is in het kader van het wettelijke vooroverleg aangeboden aan de vaste vooroverlegpartners. De Provincie Noord-Brabant heeft aangegeven dat het plan in overeenstemming is met de provinciale belangen.

Waterschap Brabantse Delta heeft aangegeven dat een wateradvies

Hoofdstuk 6

48

niet noodzakelijk is, omdat er geen wijzigingen of effecten t.a.v. de waterhuishouding zijn. Ook waterschap De Dommel heeft aangegeven dat het plan geen effect heeft op de waterhuishoudkundige situatie. Tot slot heeft de Brandweer / Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant aangegeven het paraplubestemmingsplan positief te kunnen waarderen. Van de overige overlegpartners is geen reactie ontvangen. De vooroverlegreacties hebben geen aanleiding gegeven tot aanpassing van het paraplubestemmingsplan. 6.2.2 Vaststellingsprocedure De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan zal plaatsvinden volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Als onderdeel van deze procedure wordt het bestemmingsplan gedurende een termijn van 6 weken ter inzage gelegd voor zienswijzen. Met de kennisgeving van de terinzagelegging van het ontwerp van voorliggend bestemmingsplan wordt de formele procedure voor de vaststelling gestart. Als onderdeel van deze procedure zal het ontwerp van dit bestemmingsplan gedurende 6 weken ter inzage liggen voor het inbrengen van zienswijzen. Gelijktijdig met de plaatsing van de kennisgeving wordt het ontwerpbestemmingsplan langs elektronische weg toegezonden aan de reeds betrokken gemeenten, provincie, waterschappen en uitvoeringsdiensten van het Rijk.

Hoofdstuk 6

49

SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Plangrens bestemmingsplan Bijlage 2: Rapportage externe veiligheid dorpen Baarle-Nassau Bijlage 3: Overzicht bestaande beperkt kwetsbare objecten Baarle-Nassau Bijlage 4: Akoestisch onderzoek gemeentewerf Bijlage 5: Locaties archeologisch onderzoek Bijlage 6: Locaties zonder selectiebesluit

Hoofdstuk 6

51

Paraplubestemmingsplan Baarle-Nassau 2023

Inhoudsopgave

Regels

3

Hoofdstuk 1

Inleidende regels

4

Artikel 1 Artikel 2

Begrippen Van toepassing verklaring

4 7

Hoofdstuk 2

Bestemmingsregels

8

Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8

Bedrijventerrein Waarde - Archeologie 1 Waarde - Archeologie 2 Waarde - Archeologie 3 Waarde - Archeologie 4 Waarde - Archeologie 5

8 9 14 19 24 29

Hoofdstuk 3

Algemene regels

34

Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11

Anti-dubbeltelregel Algemene aanduidingsregels Overige regels

34 35 36

Hoofdstuk 4

Overgangs- en slotregels

37

Artikel 12 Artikel 13

Overgangsrecht Slotregel

37 38

2

Bestemmingsplan "Paraplubestemmingsplan Baarle-Nassau 2023" (ontwerp)

Regels

Hoofdstuk 6

52

Hoofdstuk 1 Artikel 1 1.1

Inleidende regels

Begrippen

plan

het bestemmingsplan Paraplubestemmingsplan Baarle-Nassau 2023 met identificatienummer NL.IMRO.0744.BPBaarleNassau23-ON01 van de gemeente Baarle-Nassau; 1.2

bestemmingsplan

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen; 1.3

archeologisch deskundige

een door burgemeester en wethouders aangewezen deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan de geldende kwaliteitscriteria VTH en adviseert en beoordeelt conform de ten tijde van het advies of beoordeling geldende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA); 1.4

archeologisch onderzoek

onderzoek naar de (aanwezigheid en/of waarde van) archeologische relicten door een gecertificeerde instantie werkend volgens de ten tijde van het onderzoek geldende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Plan van Aanpak (PvA) (bij booronderzoek) of Programma van Eisen (PvE) (bij gravend onderzoek); 1.5

archeologisch rapport

rapport waarin de resultaten van archeologisch onderzoek zijn vastgelegd en dat is opgesteld conform de ten tijde van het onderzoek geldende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA); 1.6

archeologische waarde

de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende archeologische sporen en relicten; 1.7

behoudsmaatregelen

document waarin maatregelen zijn geformuleerd die getroffen worden om archeologische resten in de bodem te behouden en te beschermen tijdens de uitvoering van werkzaamheden en het gebruik van de gronden nadien; 1.8

beperkt kwetsbaar object

beperkt kwetsbaar object zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid en onder b van het Besluit externe veiligheid inrichtingen of de rechtsopvolger hiervan;

4

Bestemmingsplan "Paraplubestemmingsplan Baarle-Nassau 2023" (ontwerp)

1.9

bestaand beperkt kwetsbaar object

het gebruik van een beperkt kwetsbare object zoals dat ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan legaal ter plaatse aanwezig was; 1.10

bestaande risicovolle inrichting

het gebruik van een risicovolle inrichting zoals dat ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan legaal ter plaatse aanwezig was; 1.11

bestemmingsgrens

de grens van een bestemmingsvlak; 1.12

bestemmingsvlak

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.13

eigen terrein

ruimte in, op of onder een gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort; 1.14

gecertificeerde instantie

instantie die beschikt over een certificaat als bedoeld in artikel 5.1 van de Erfgoedwet; 1.15

kwetsbaar object

kwetsbaar object zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid en onder l van het Besluit externe veiligheid inrichtingen of de rechtsopvolger hiervan; 1.16

Plan van Aanpak (PvA)

document waarin onderzoeksvragen en uitvoeringseisen voor het uit te voeren archeologisch onderzoek in de vorm van booronderzoek (verkennende of karterende boringen) staan geformuleerd conform de ten tijde van het onderzoek geldende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). Voor aanvang van het onderzoek dient het PvA door het bevoegd gezag te zijn goedgekeurd; 1.17

Programma van Eisen (PvE);

document waarin onderzoeksvragen en uitvoeringseisen voor het uit te voeren archeologisch onderzoek in de vorm van gravend onderzoek (proefsleuven, opgraving of archeologische begeleiding) staan geformuleerd conform de ten tijde van het onderzoek geldende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). Voor aanvang van het onderzoek dient het PvE door het bevoegd gezag te zijn goedgekeurd; 1.18

risicovolle inrichting

een inrichting bij welke volgens wettelijke regelingen een grenswaarde, richtwaarde dan wel een risicoafstand te gelden heeft inzake het in het bestemmingsplan toelaten van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten;

Bestemmingsplan "Paraplubestemmingsplan Baarle-Nassau 2023" (ontwerp)

5

1.19

voorwaardelijke verplichting

een regel in een ruimtelijk plan die een plicht omvat tot uitvoering van in het ruimtelijk plan bepaalde voorwaarden, ingaande zodra grondgebruiker op eigen initiatief een gebruiksvorm wijzigt dan wel op een ander in het ruimtelijk plan vastgesteld tijdstip, op initiatief van die grondgebruiker.

6

Bestemmingsplan "Paraplubestemmingsplan Baarle-Nassau 2023" (ontwerp)

Artikel 2 2.1

Van toepassing verklaring

Toepassingsbereik

Met dit bestemmingsplan worden de ruimtelijke plannen als genoemd in 1, die gelden ten tijde van de vaststelling van dit bestemmingsplan, aangevuld en gedeeltelijk vervangen. 2.2

Wijze van toepassen

a. De in artikelen 1.3 tot en met 1.19, 4 tot en met 8 en 11 opgenomen regels gelden in aanvulling op de in artikel 2.1 bedoelde ruimtelijke plannen en laten de overige regels uit die ruimtelijke plannen ongewijzigd; b. In afwijking van het bepaalde onder a geldt dat indien in de in artikel 2.1 bedoelde ruimtelijke plannen reeds een regeling is opgenomen ten aanzien van de regelingen die in dit bestemmingsplan zijn opgenomen (parkeren, laden en lossen als bedoeld in artikel 11 en archeologie als bedoeld in artikelen 4 tot en met 8), de regeling uit dit bestemmingsplan dan strekt ter vervanging van de regeling in de in artikel 2.1 ruimtelijke plannen; c. In afwijking van het bepaalde onder a en b geldt dat indien in de in artikel 2.1 bedoelde ruimtelijke plannen parkeerbepalingen bevatten bestaande uit een voorwaardelijke verplichting, dit bestemmingsplan de werking van die bepalingen dan onverlet laat.

Bestemmingsplan "Paraplubestemmingsplan Baarle-Nassau 2023" (ontwerp)

7

Hoofdstuk 2 Artikel 3

Bestemmingsregels

Bedrijventerrein

Ter plaatse van de bestemming 'Bedrijventerrein' zijn de regels van de bestemmingsplannen: 'Dorpen', met identificatienummer NL.IMRO.0744.BSPDorpen-d001; en 'Dorpen, 1e herziening' met identificatienummer NL.IMRO.0744.BSPDorpenherz1-VS01 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:

a. aan artikel 7.1 een nieuw sub k. wordt toegevoegd. De navolgende subleden worden vernummerd. Sub k. komt als volgt te luiden: k. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - gemeentewerf' tevens voor een gemeentewerf, met dien verstande dat: 1. de opvang van groenafval uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - opvang groenafval'; 2. de opvang van veegvuil uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - opvang veegvuil'; 3. het verkleinen en/of composteren van groenafval niet is toegestaan; 4. het gebruik van de gronden en bebouwing voor een gemeentewerf uitsluitend is toegestaan, voor zover ter plaatse van de aanduiding 'geluidscherm' een geluidwerende voorziening met een hoogte van ten minste 2 meter is gerealiseerd en in stand wordt gehouden; b. het bepaalde in artikel 2.2 onverminderd van toepassing is.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13609985/1