3.10-Bijlage Gebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten
Tekst van het document
Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten
57
P200734.007
Figuur 4.1: Indicatie milieuruimte geur (voorgrondbelasting) intensieve veehouderijen ABG-gemeenten (Kaart H)
58
Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten
P200734.007
4.2
Scenario-onderzoek ontwikkeling geurbelasting huidige geurnormen
4.2.1 Uitgangspunten scenario’s Er zijn voor de intensieve veehouderijen (bedrijven met dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn vastgesteld) twee ontwikkelscenario’s uitgewerkt op basis van de vergunde situatie in 2020: 1. Uitgangspunten trendmatig scenario (stoppers, blijvers en groeiers): - 245 locaties zonder dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn vastgesteld; - Voort 123 locaties met een beperkte omvang (<70 Nge intensieve veehouderij) is verondersteld dat deze stoppen met de tak intensieve veehouderij. 1 bedrijf met een concreet plan om te stoppen is ook aangemeld als stopper; - Locaties gelegen in de zone beperkingen veehouderij met een grotere omvang dan >70 nge, zijn aangemerkt als blijver (in omvang gelijk). Net als voor locaties met enkel schapen. - 118 locaties met >70 Nge. 2. Uitgangspunten groei scenario (alleen blijvers en grotere groeiers, geen stoppers): - 245 bedrijven zonder dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn vastgesteld; - 108 locaties <40 Nge intensieve veehouderij, locaties met enkel schapen en locaties in de Zone beperking veehouderij zijn aangemerkt als blijver; - 133 locaties >40 Nge intensieve veehouderij zijn aangemerkt als groeier (waarvan 76 bedrijven op basis van de indicatieve analyse geen ruimte hebben om die groei gepaard te laten gaan met een toename van de geurbelasting. Vergund 2020 (512 veehouderijen)
Scenario trendmatig
Scenario groei
Aantal veehouderijen zonder dieren met geuremissiefactor
245
245
245
Veehouderijen met geuremissie, onderdeel scenario
267
267
267
Geuremissie (2020 = 100%)
100%
96%
111%
Aantal stoppers scenario
n.v.t.
124
0
Aantal blijvers
n.v.t.
25
134
Aantal groeiers zonder geurruimte (indicatief)
n.v.t.
72
76
Aantal groeiers met geurruimte (indicatief)
n.v.t.
46
57
Tabel 4.1: Uitgangsgegevens trendmatig scenario en groeiscenario
Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten
59
P200734.007
Er is in de analyse geen rekening gehouden met de beperkte milieuruimte die er is op het gebied van de emissie en –depositie van stikstof (mede naar aanleiding van de PAS-uitspraak van de Raad van State in mei 2019). Stikstofdepositie op Natura2000 gebieden beperkt de feitelijke mogelijkheden voor uitbreiding van de emissies (van ammoniak en daarmee indirect ook qua geur) van veehouderijen. Uitbreiding van emissies lijkt vooralsnog alleen mogelijk op basis van interne of externe saldering. Dit omdat de Brabantse Natura2000 gebieden qua stikstofdepositie sterk zijn overbelast en een relevante toename van de stikstofdepositie door uitbreiding van een veehouderij niet is toegestaan, tenzij een andere emissiebron wordt gesaneerd (inclusief afroming bij externe saldering). Daarnaast stelt de provincie Noord-Brabant eisen ten aanzien van de ammoniakemissie per de IOV en moeten verouderde stallen aangepast worden in de periode 2024-2028 (Verordening natuurbescherming). Verder is per 1 januari 2020 is de landelijke stoppersregeling i.k.v. het Actieplan ammoniak en veehouderij beëindigd en zijn alle locaties die deelnamen aan deze gedoogregeling inmiddels gestopt of aangepast zodat op 1 januari 2020 voldaan werd aan de maximale emissiewaarden voor ammoniak in het Besluit emissiearme huisvesting.
Momenteel wordt er nog uitvoering gegeven aan de landelijke regeling Sanering varkenshouderij, waarin er mogelijkheden zijn geboden aan varkensbedrijven om hun locaties te beëindigen tegen een vergoeding van de varkensrechten en voor de sloop van de gebouwen. Daarnaast is er op rijksen op een opkoopregeling voor piekbelasters op Natura2000 gebieden om de emissie – en depositie van stikstof vanuit veehouderijen te beperken. Gezien voornoemde ontwikkelingen zal het aandeel groeiers waarvan de groei gepaard gaat met een toename van de geuremissie waarschijnlijk aanzienlijk lager liggen dan is verondersteld. In figuur 4.2 is een indicatie opgenomen van de milieuruimte t.a.v. de ammoniakemissie op een aantal locaties, uitgaande van de grenswaarde van maximaal 0,005 mol/ha/jaar op een voor stikstof overbelast habitat of leefgebied binnen de Nederlandse Natura2000-gebieden (Aerius 2020). De ruimte om uit te breiden qua ammoniakemissie is zeer beperkt. Dat zal ook consequenties hebben voor de praktische mogelijkheden voor veehouderij om te ontwikkelen. Dit kan vaak niet gepaard gaan met een toename van de emissie van ammoniak. Maar omdat er gebruik kan worden gemaakt van saldering of eerder vergunde ruimte kan worden benut, is groei van emissies op bepaalde locaties niet uitgesloten.
60
Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten
P200734.007
Figuur 4.2: Indicatie milieuruimte ammoniak (grenswaarde maximaal 0,005 mol/ha/jr. op een voor stikstof overbelast Nederlands Natura2000-gebied) op enkele locaties binnen het grondgebied van de ABG-gemeenten
Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten
61
P200734.007
4.2.2
Ontwikkeling geurbelasting scenario’s
Trendmatig scenario Om een beeld te kunnen geven van de potentiele risico’s op toename van de geurbelasting door groei van (intensieve) veehouderijen in de ABG-gemeenten, is voor het trendmatig scenario de indicatieve achtergrondbelasting berekend en vergeleken met de vergunde situatie in 2020. Uit de analyse volgt dat een uitbreiding van de geuremissie en geurbelasting, kijkend naar de geldende geurnormen, niet is uit te sluiten. Een afname van de geurbelasting op basis van de wettelijke geurnormen (Wgv) is ook geen zekerheid. Kaart I in de bijlagen laat de indicatieve achtergrondbelasting in het trendmatig scenario zien. Kaart J in de bijlagen laat de trendmatige ontwikkeling zien door het verschil in beeld te brengen tussen de indicatieve achtergrondbelasting in het trendmatig scenario en in de vergunde situatie in 2020. Navolgend is per gemeente een uitsnede van deze kaart opgenomen. De scenario’s zijn berekend aan de hand van defaultwaarden per veehouderijbedrijf. De werkelijke geursituatie zal hierdoor op locatieniveau afwijken van de theoretische geursituatie op gebiedsniveau. De paarse en rode bolletjes in figuur 4.3, 4.5 en 4.7 (Kaart J in de bijlagen) geven de geurgevoelige objecten weer waar in het trendmatig scenario de achtergrondbelasting van geur hoger is dan de norm, rekening houdend met de huidige geurnormen.
Groei scenario Kaart K in de bijlagen laat de indicatieve achtergrondbelasting in het groei scenario zien. Kaart L in de bijlagen laat de worstcase ontwikkeling zien door het verschil in beeld te brengen tussen de indicatieve achtergrondbelasting in het groei scenario en in de vergunde situatie in 2020. De paarse en rode bolletjes in figuur 4.4, 4.6 en 4.8 (Kaart L in de bijlagen) geven de geurgevoelige objecten weer waar in het groei scenario de achtergrondbelasting van geur hoger is dan de norm, rekening houdend met de huidige geurnormen. Als er sprake is van een cluster van overbelaste objecten en dit het gevolg is van de ontwikkeling van meerdere grotere intensieve veehouderijen dan is sprake van een aandachtsgebied.
62
Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten
P200734.007
Gemeente Alphen-Chaam – trendmatig scenario
Figuur 4.3: Vergelijking indicatieve achtergrondbelasting vergund 2020 en trendmatig scenario, gemeente Alphen-Chaam (Kaart J)
Gemeente Alphen-Chaam – groei scenario
Figuur 4.4: Vergelijking indicatieve achtergrondbelasting vergund 2020 en groei scenario, gemeente Alphen-Chaam (Kaart L)
In de gemeente Alphen-Chaam zien we bij het trendmatig scenario en het groei scenario dat de overbelaste situatie bij Strijbeek, Druisdijk en in het voormalige LOG Oostflank Boslust-HondseindTerover blijft voortbestaan. In het voormalige LOG Oostflank kunnen volgens de analyse ook nieuwe knelpunten ontstaan ten aanzien van geur. In de gemeente Alphen-Chaam zijn de volgende mogelijke aandachtsgebieden te onderscheiden: 1. Voormalig LOG Oostflank: Boslust, Hondseind, Terover en Het Sas. 2. Druisdijk, ten noordoosten van Alphen; 3. Strijbeek, ten zuidoosten van Galder;
Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten
63
P200734.007
Gemeente Baarle-Nassau – trendmatig scenario
Figuur 4.5: Vergelijking indicatieve achtergrondbelasting vergund 2020 en trendmatig scenario, gemeente Baarle-Nassau (Kaart J)
Gemeente Baarle-Nassau groei scenario
Figuur 4.6: Vergelijking indicatieve achtergrondbelasting vergund 2020 en groei scenario, gemeente Baarle-Nassau (Kaart L)
In de gemeente Baarle-Nassau worden in het groeiscenario meer rode stippen in Hoogeind en voormalig LOG Oostflank zichtbaar ten opzichte van het trendmatig scenario. Dit betekent dat in deze gebieden overbelaste objecten bij kunnen komen en nieuwe knelpunten kunnen ontstaan. De situatie bij Maaijkant in Ulicoten en ten westen van Molenschot is hetzelfde als in het trendmatig scenario.
64
Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten
P200734.007
Ten zuiden van Nieuwe Strumpt, bij Groot-Bedaf en Maaijkant in Ulicoten zijn ook locaties aanwezig waar de achtergrondbelasting te hoog is in het trendmatig scenario, maar hier is het aantal overbelaste objecten beperkt. Dit zijn vrijwel allemaal voormalige bedrijfswoningen van veehouderijen die gestopt zijn na 19 maart 2000. In de gemeente Baarle-Nassau zijn de volgende mogelijke aandachtsgebieden te onderscheiden: 1. Voormalig LOG Oostflank: Kapelstraat, Nijhoven, Veldbraak; 2. Voormalig LOG Oostflank: Driehuizen, Klein-Bedaf; 3. Loveren; 4. Hoogeind. Gemeente Gilze en Rijen
Figuur 4.7: Vergelijking indicatieve achtergrondbelasting vergund 2020 en trendmatig scenario, gemeente Gilze en Rijen (Kaart J)
Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten
65
P200734.007
Figuur 4.8: Vergelijking indicatieve achtergrondbelasting vergund 2020 en groei scenario, gemeente Gilze en Rijen (Kaart L)
Ten westen van Molenschot en ten noordoosten van Rijen (Molsstraat) zijn overbelaste objecten in beide scenario’s. In Molenschot gaat het om één veehouderij en twee voormalige bedrijfswoningen van veehouderijen die zijn gestopt na 19 maart 2000. In Rijen gaat het om meerdere veehouderijen, maar slechts twee overbelaste objecten. Omdat in de gemeente Gilze en Rijen weinig milieuruimte beschikbaar is ten aanzien van geur, wijkt het groeiscenario niet wezenlijk af van het trendmatig scenario. De analyse laat zien dat de overbelaste situatie in Raakeind en ten oosten van Gilze blijft voortbestaan en verder geen knelpunten ten aanzien van geur te verwachten zijn. In de gemeente Gilze en Rijen zijn de volgende mogelijke aandachtsgebieden te onderscheiden: 1. Raakeind 2. Vossenberg, ten oosten van Gilze
66
Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten
P200734.007
Aantallen geurgevoelige objecten NIET behorend bij een (voormalige) veehouderij Ingedeeld o.b.v. klassen achtergrondbelasting binnen en buiten bebouwde kom, ABG-gemeenten Geurbelasting [Ou/m3]
Vergund 2010
%
Vergund 2020
%
Trendmatig scenario
%
Groei scenario (worstcase)
%
0-5
14.564
86%
16.122
95%
16.446
97%
15.979
94%
5-10
2.163
13%
797
5%
478
3%
932
5%
10-20
216
1%
37
0%
46
0%
40
0%
>=20
38
0%
25
0%
11
0%
30
0%
Totaal
16.981
Bebouwde kom
16.981
16.981
16.981
Buiten bebouwde kom 0-5
2.209
59%
2.786
75%
2.896
78%
2.659
72%
5-10
869
23%
500
13%
430
11%
606
16%
10-20
416
11%
280
8%
243
7%
271
7%
>=20
220
6%
148
4%
145
4%
][
5%
Totaal
3.714
3.714
3.714
3.714
Tabel 4.2: Geurgevoelige objecten NIET behorend bij een (voormalige) veehouderij (incl. objecten zonder woon- of logiesfunctie), naar klasse achtergrondbelasting, totaal ABG-gemeenten
Aantallen geurgevoelige objecten behorend bij een (voormalige) veehouderij ingedeeld o.b.v. klassen achtergrondbelasting binnen en buiten bebouwde kom, ABG-gemeenten Geurbelasting [Ou/m3]
Vergund 2010
%
Vergund 2020
%
Trendmatig scenario
%
Groei scenario (worstcase)
%
0-5
12
40%
18
60%
20
67%
18
60%
5-10
13
43%
11
37%
10
33%
11
37%
10-20
4
13%
1
3%
0
0%
1
30%
>=20
1
3%
0
0%
0
0%
0
0%
Totaal
30
Bebouwde kom
30
30
30
Buiten bebouwde kom 0-5
80
25%
154
48%
164
51%
144
44%
5-10
59
18%
49
15%
41
13%
50
15%
10-20
67
21%
67
21%
65
20%
68
21%
>=20
118
36%
54
17%
54
17%
62
19%
Totaal
324
324
324
324
Tabel 4.3: Aantallen geurgevoelige objecten behorend bij een (voormalige) veehouderij (incl. objecten zonder woon- of logiesfunctie), naar klasse achtergrondbelasting, totaal ABG-gemeenten
Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten
67
P200734.007
In voorgaande tabellen 4.2 en 4.3 is uitgegaan van de totale aantallen objecten in de ABG-gemeenten, ongeacht of deze een woon- en logiesfunctie hebben. Objecten zonder woon- of logiesfunctie zijn met name bedrijfsgebouwen:
Van de 16.981 objecten in de bebouwde kom - niet behorend bij een (voormalige) veehouderijhebben 15.884 objecten een woon- en logiesfunctie.
Van de 3.714 objecten buiten de bebouwde kom - niet behorend bij een (voormalige) veehouderijhebben 3.311 objecten een woon- en logiesfunctie.
Van de 30 objecten in de bebouwde kom - behorend bij een (voormalige) veehouderij- hebben 27 objecten een woon- en logiesfunctie.
Van de 324 objecten buiten de bebouwde kom - behorend bij een (voormalige) veehouderijhebben 298 objecten een woon- en logiesfunctie.
Uit tabellen 4.2 en 4.3 kan het volgende afgeleid worden: In de woonkernen (bebouwde kom) neemt het aantal objecten waar de standaard norm van 10 Ou wordt overschreden af in het trendmatig scenario en blijft deze ongeveer gelijk in het groei scenario. Het aantal objecten waar de gezondheidskundige advieswaarde van 5 Ou wordt overschreden neemt in het trendmatig scenario af, maar neemt toe in het (worstcase) groei scenario. Bij (voormalige) bedrijfswoningen bij veehouderijen in de bebouwde kom zijn er in de scenario’s geen wezenlijke wijzigingen, vanwege de kleine aantallen objecten. In het buitengebied blijft het aantal objecten waar de standaard norm van 20 Ou wordt overschreden ongeveer gelijk in het trendmatig scenario, maar neemt deze toe in het groeiscenario. Het aantal objecten waar de gezondheidskundige advieswaarde van 10 Ou wordt overschreden neemt in het trendmatig scenario licht af en het aantal objecten in de klasse 0-5 Ou neemt in dat scenario toe ten gevolge van stoppende veehouderijen, Maar in het (worstcase) groei scenario neemt het aantal objecten met een geurbelasting >10 Ou licht toe. Bij de (voormalige) bedrijfswoningen is een vergelijkbaar beeld te zien.
4.3
Conclusies onderzoek ontwikkeling geurbelasting
In het voorgaande is ingegaan op de ontwikkeling van de geurbelasting uit stallen van veehouderijen. In de periode tussen 2000 en 2020 (hoofdstuk 3) en de mogelijke ontwikkeling van de geurbelasting in de komende jaren, bij handhaving van de huidige geurnormen (hoofdstuk 4). De drie gemeenten kennen samen ruim 500 veehouderij-locaties (op basis van de registratie van vergunningen, waarvan ongeveer de helft een locatie betreft waarin dieren worden gehuisvest waarvoor wettelijk een geuremissiefactor is vastgesteld, zoals varkens, pluimvee, vleeskalveren en geiten. Tussen 2000 en 2020 is het aantal locaties met ongeveer 30% afgenomen, is de economische omvang van de vergunde dierplaatsen gegroeid met ongeveer 20% en is de vergunde/berekende geuremissies uit stallen ongeveer gelijk gebleven. Deze ontwikkeling sluit aan bij de ontwikkeling van schaalvergroting in de landbouw: concentratie van de productie en arealen in een steeds kleiner aantal bedrijven die gemiddeld qua grootte zijn toegenomen.
68
Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten
P200734.007
Verwacht mag worden dat die ontwikkeling zich in de komende decennia voort zal zetten. O.a. vanwege de autonome trend tot schaalvergroting in combinatie met eisen van de overheid (landelijk, provinciaal, gemeentelijk) worden stallen gemoderniseerd, in combinatie met uitbreiding van het aantal dieren per locatie bij de zogenaamde “groeiers”. Echter, voor wat betreft de vergunde geuremissie uit de stallen van de veehouderijen is er nauwelijks sprake geweest van een afname van de geuremissie door modernisering van stallen. Dit wordt deels veroorzaakt door tussentijdse aanpassing van de geuremissiefactoren van gecombineerde luchtwassers die in de varkenshouderij veel toegepast worden bij nieuwe stallen (van 70-85% geurreductie naar 30-45% geurreductie). De nu berekende geuremissie is daardoor hoger dan de ten tijde van vergunningverlening veronderstelde geuremissie. De veranderingen in de vergunde dierplaatsen en huisvestingssystemen zijn gepaard gegaan met toepassing van betere stallen met lagere emissies per dierplaats. Met name vanwege de bijstelling van de geuremissiefactoren voor combiwassers en de toename van het aantal vergunde dierplaatsen is de vergunde, berekende geuremissie per saldo nauwelijks afgenomen: een daling van 4%.
Daarnaast is er door de ABG- gemeenten tot dusverre geen gebruik gemaakt van het vaststellen van strengere geurnormen om bij bedrijfsontwikkeling van (intensieve) veehouderijen te sturen op een afname van de geurbelasting door geur uit stallen. Wel stuurt de provincie sinds 2014 via regels bij ontwikkeling van intensieve veehouderijen op een afname van de geurbelasting in overbelaste gebieden. De ABG-gemeenten hebben geen eigen doelen of normen m.b.t. de geuremissie of geurbelasting uit stallen van veehouderijen vastgelegd in beleidsregels of vergelijke beleidsdocumenten. Daarom is de ontwikkeling van de cumulatieve geurbelasting vergeleken met de normen die de provincie NoordBrabant sinds 2014 heeft opgenomen in de voorwaarden die gelden bij de ontwikkeling van veehouderijen. Deze regels leiden er toe dat als er sprake is van uitbreidingen van intensieve veehouderijen in gebieden met een te hoge geurbelasting, o.b.v. provinciale normen), die uitbreiding gepaard moet gaan met een afname van de geurbelasting. Naar rato van de bijdrage van die veehouderij aan de overbelasting. Bij een vergelijking van de ontwikkeling van de geurbelasting in de ABG-gemeenten aan de provinciale geurnormen, komt het beeld naar voren dat er in de bebouwde kom van de ABGgemeenten in het algemeen wordt voldaan aan de provinciale norm voor de bebouwde kom (een maximale achtergrondbelasting van 10 Ou).
Ook in grote delen van het buitengebied wordt voldaan aan de provinciale norm voor het buitengebied (een maximale achtergrondbelasting van 20 Ou, maar er zijn ook delen in het buitengebied waar er sprake is van een overschrijding van de provinciale norm voor het buitengebied. Er zijn in de ABG-gemeenten ruim 200 voor geurhinder gevoelige objecten waar er sprake is van een overschrijding van de provinciale geurnorm. Deze liggen vooral in het buitengebied van Baarle-Nassau en Alphen-Chaam (zie hst 3). Wanneer de geurbelasting uit stallen wordt vergeleken met de strengere GGD-adviezen t.a.v. de cumulatieve geurbelasting, dan is er vooral in grote delen van het buitengebied van Baarle-Nassau en Alphen-Chaam sprake van een te hoge geurbelasting (meer dan 10 Ou). In het overgrote deel van de bebouwde kommen in de ABG-gemeenten voldoet de achtergrondbelasting aan de advieswaarde van de GGD voor de bebouwde kom (maximaal 5 Ou). In delen van kernen, zoals Ulicoten en BaarleNassau is sprake van een hogere geurbelasting.
Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten
69
P200734.007
Figuur 4.9: Berekende geurbelasting eind 2020 in relatie tot advieswaarden van de GGD: maximaal 5 Ou/m3 voor de bebouwde kom en maximaal 10 Ou/m3 voor het buitengebied (Kaart B)
70
Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten
P200734.007
Onderzoek naar de mogelijke ontwikkeling van de geurbelasting, bij zowel een trendmatige ontwikkeling als bij een sterkere groei en concentratie, laten zien dat de bestaande knelpunten/overbelasting bij ongewijzigd beleid slechts beperkt verminderen. Het risico op toename van de geurbelasting op deze woningen door uitbreidende veehouderijen wordt als relatief beperkt ingeschat. Dit komt vooral door de provinciale geurnormen, de doorwerking van de regels voor het gebied “beperkingen veehouderij”, eisen van de provincie m.b.t. stalruimte (staldering) en stikstofregels en –jurisprudentie (Europese bescherming delen van de natuurgebieden in combinatie met een hoge stikstofbelasting, provinciale eisen t.a.v. de maximale ammoniakemissie per dierplaats en de uitwerking van de landelijke en provinciale regels die gericht zijn op de afname van de stikstofbelasting van Natura2000 gebieden). Groei van veehouderijen zal in veel gevallen gepaard moeten gaan met een afname van de geurbelasting. Of in ieder geval niet gepaard mogen gaan met een toename van emissies (ammoniak) en de berekende geurbelasting op omliggende woningen. Risico op nieuwe geuroverlast is vooral te verwachten voor nieuwe woningen c.q. functieveranderingen op locaties van stoppers / reeds gestopte veehouderijen, gelegen nabij blijvende of ontwikkelende intensieve veehouderijen.
En door opvulling van de zogenaamde latente ruimte op veehouderijlocaties nabij woningen in buitengebied, bij (zijwaartse) uitbreidingen van veehouderijen. Er zal vooral sprake zijn van afname van geuroverlast door stoppende veehouderijen (autonoom en op basis van regelingen van rijk en provincie) en door modernisering van bestaande stallen vanwege de provinciale eisen vanaf 1 januari 2024. Aanvullend kan er sprake zijn van emissiereductie vanwege de werking van gemeentelijke en provinciale geurnormen en innovatieregelingen. Verwachte ontwikkeling op de langere termijn Op de langere termijn (2030 – 2050) zal de impact van de klimaatopgave (een sterke reductie van de broeikasgassen) doorwerken in de emissies vanuit de veehouderij en zeer waarschijnlijk ook op de omvang van de veehouderij. Uitgaande van een verwachte krimp van de veestapel in de periode tot 2030, in combinatie met eisen van de overheid t.a.v. het beperken van emissies (stikstof, broeikasgassen, fijn stof en geur) in huisvestingssystemen en bij de aanwending van mest, zal de geurbelasting afnemen en het aantal stoppende c.q. gestopte veehouderijen verder toenemen. De landbouw neemt in 2017 ongeveer 14% van de emissies van broeikasgassen in Nederland voor haar rekening.
Daarbij gaat het om vooral om emissies door veehouderij (dieren en mestopslagen), gewasteelt (door bemesting van landbouwbodems, zowel kunstmest als dierlijke mest) en glastuinbouw (gasverbruik bij verwarming van kassen). De helft van de emissie van broeikasgassen uit de Nederlandse landbouwsector komt uit de veehouderij (dieren en mestopslagen). Circa 70% van de broeikasgasemissies uit de Nederlandse veehouderij komt van de rundveehouderij en circa 20% uit de varkenshouderij. De Brabantse melkkoeien en varkens hebben beiden een aandeel van ongeveer 10% in de broeikasgasemissies van de Nederlandse veehouderij. Voor wat betreft de reductie van broeikasgassen door aanpassing van stallen, ligt het meeste perspectief bij stalsystemen waar de mest bij de bron gescheiden wordt, de verse mest uit de stal wordt verwijderd en ter plaatse wordt vergist of afgevoerd naar een centrale mestverwerker om daar verder te worden bewerkt.
Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten
71
P200734.007
Het PBL heeft becijferd dat bij de huidige omvang van de veestapel een reductie van de broeikasgassen uit de veehouderij tot 10 Mton in 2050 maximaal haalbaar is, mits alle nu bekende mogelijke technische en overige maatregelen maximaal en effectief te worden ingezet. In dat scenario zou de veehouderij verantwoordelijk zijn voor de volledige maximale jaarlijkse broeikasgasuitstoot in Nederland, uitgaande van de afgesproken klimaatdoelen. Dit is geen reëel perspectief, omdat elders in de maatschappij de emissies dan naar nul teruggebracht zouden moeten worden. Een verdere reductie van uitstoot uit de veehouderij (en andere sectoren) is noodzakelijk en bij de huidige stand van de technologie zal de veestapel moeten krimpen om de klimaatdoelen te halen. Toepassing van nieuw te ontwikkelen kennis en technologie kan dat wellicht deels opvangen, maar hoeveel dat oplevert blijft onzeker. Het is zeer waarschijnlijk dat ook dan een krimp van de veestapel noodzakelijk zal zijn om de klimaatdoelen op de langere termijn te halen. Bronnen: - www.emissieregistratie.nl. - Rapport Duurzaam en gezond, Raad voor de leefomgeving en infrastructuur, 2018. - Rapport Effect aanpassingen stallen van veehouderijen op emissies van broeikasgassen, provincie NoordBrabant (Pouderoyen, WUR en Connecting Agri&Food, 2019).
72
Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten
P200734.007
5 Overwegingen t.a.v. gemeentelijke geurnormen 5.1
Ontwikkeling veehouderij en de geurbelasting uit stallen
Het onderzoek dat is uitgevoerd ten behoeve van deze geurgebiedsvisie geeft inzicht in de geurbelasting van meerdere veehouderijen samen en de verwachte relatie tussen die cumulatieve geurbelasting en kans op hinder voor andere functies. Op basis van de berekende en vergunde cumulatieve geurbelasting op basis van de vergunde situatie in 2020 wordt het woon- en leefklimaat binnen de bebouwde kom in de ABG-gemeenten overwegend beoordeeld goed tot redelijk goed. In het buitengebied is dat voor een deel van de woningen ook het geval. Maar voor een aantal woningen in het buitengebied is er sprake van een matig, slecht of zeer slecht woon en leefklimaat. Op basis van de geldende gemeentelijke geurnormen voor het buitengebied is een toename van de geurbelasting ten gevolge van geur uit stallen van veehouderijen niet uit te sluiten. Echter, de beperkte milieuruimte die er is op het gebied van de emissie en depositie van stikstof (mede naar aanleiding van de PAS-uitspraak van de Raad van State in mei 2019) beperken de feitelijke mogelijkheden voor uitbreiding van de emissies van veehouderijen (van ammoniak en daarmee indirect ook qua geur en in planologische zin). Daarnaast stelt de provincie Noord-Brabant grenzen aan de cumulatieve geurbelasting door veehouderijen en stelt zij eisen aan de maximale ammoniakemissie per dierplaats voor bestaande stallen (per 2024 en daarna).
Al sinds langere tijd gelden er op basis van regels van het rijk en de provincie eisen voor nieuwe stallen. De modernisering van stallen ten gevolge van deze eisen leidt naar verwachting ook tot een afname van de geuremissie per dierplaats en tot een afname van het aantal veehouderijlocaties. Ook door het per 1 januari 2020 aflopen van de gedoogregeling (stoppersregeling) voor veehouderijen die niet voldeden aan de landelijke eisen voor stallen en de verwachte deelname van veehouderijen aan de nu lopende en aangekondigde stoppers- en innovatieregelingen voor veehouderijen, zal er naar verwachting sprake zijn van een afname van het aantal intensieve veehouderijen en wordt een afname van de geurbelasting uit stallen verwacht. De invloed van de klimaatafspraken om de broeikasgassen zeer sterk terug te brengen, zal vooral in de periode tussen 2030 en 2050 leiden tot een kleinere veestapel en minder locaties waar vee wordt gehouden.
5.2
Overwegingen m.b.t. bijstellingen van de voorgrondnormen
Strengere voorgrond geurnormen voor het buitengebied zijn op basis van adviezen van de GGD en de knelpunten m.b.t. de geurbelasting vooral in delen van het buitengebied te overwegen. Strengere voorgrond geurnormen bieden extra bescherming tegen geurhinder en extra sturing op afname van de geurbelasting bij ontwikkelingen van (intensieve) veehouderijen in overbelaste situaties.
Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten
73
P200734.007
Strengere geurnormen beperken de ontwikkeling van veehouderijen en kunnen een kostprijsverhogende werking hebben voor veehouderijen. Strengere geurnormen kunnen ook leiden tot extra beperkingen voor functieveranderingen in de omgeving van veehouderijen.
Figuur 5.1: Afwegingen bij gemeentelijke geurnormen voorgrondbelasting
Strengere geurnormen, met name voor het buitengebied, zijn op basis van eerdere adviezen van de GGD en de knelpunten m.b.t. de geurbelasting in delen van het buitengebied te overwegen. Bijvoorbeeld een voorgrondnorm van 8 Ou of 5 Ou voor delen van het buitengebied of een strengere norm voor delen van de bebouwde kom, met name voor die delen waar er sprake is van een hogere geurbelasting (hoger dan de advieswaarden van de GGD). Dit om bij ontwikkeling (uitbreiding van veehouderijen) extra te sturen op afname van de geuroverlast. Strengere geurnormen leiden wel tot een grotere omgekeerde werking. In figuur 5.2 (tevens opgenomen in de bijlagen als Kaart M) zijn de geurhindercontouren op basis van de vaste wettelijke geurnormen en afstanden rondom bouwvlakken geprojecteerd. Het betreft de standaard norm voor de bebouwde kom (norm 3 Ou, de gele zones) en de standaard norm voor het buitengebied (norm 14 Ou, de blauwe zones).
74
Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten
P200734.007
Figuur 5.2 Indicatie omgekeerde werking: geurcontouren rondom bouwblokken, o.b.v. vergunde rechten van veehouderijen 2020 (Kaart M)
Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten
75
P200734.007
Bij een aanscherping van de geurnormen, bijvoorbeeld van 14 Ou naar 8 of 5 Ou voor het buitengebied, wordt de omgekeerde werking vergroot. Hierdoor wordt het risico groter dat gewenste functieveranderingen in de omgeving van veehouderijen worden geblokkeerd. Omdat, zoals ook is geconstateerd door de commissie Verdaas (2016) en de commissie Biesheuvel (2019), de Wgv in de huidige vorm onvoldoende handvatten biedt om bestaande geuroverlast terug te dringen (vanwege de 50%-regeling en het feit dat bestaande overlast niet hoeft te worden beperkt als een veehouderij niet ontwikkelt), is het mogelijk dat er per saldo weinig effect sorteert van de strengere normen, terwijl gewenste ruimtelijke ontwikkelingen wel worden geblokkeerd. Daarnaast is de wet- en regelgeving sterk in ontwikkeling (Aanpak stikstof, Omgevingswet). Tenslotte kunnen generiek strengere normen tot gevolg hebben dat veehouderijen die al emissiereducties hebben bereikt weinig tot geen mogelijkheden meer hebben om te ontwikkelen, terwijl veehouderijen die nog weinig emissiereducties hebben gerealiseerd, juist nog wel kunnen uitbreiden met toepassing van de 50% regeling. Binnen de ABG-gemeenten waren in augustus 2020 bijna 140 Vab-locaties aanwezig en dit aantal zal naar verwachting sterk toenemen in de komende jaren.
Op deze Vab-locaties moet op termijn een geschikte herontwikkeling en herbestemming plaatsvinden om leegstand in het buitengebied te voorkomen. Veel ingediende principeverzoeken voor functieveranderingen op deze locaties zien toe op een woonbestemming of een bestemming waarbij wonen een nadrukkelijk onderdeel uitmaakt van het beoogde gebruik. Vooral in gebieden met een sterke concentratie aan intensieve veehouderijen bepaalt de geurbelasting of een wijziging naar een woonfunctie (of met wonen vergelijkbare functie) mogelijk is. Strengere voorgrondnormen kunnen leiden tot extra beperkingen voor deze functieveranderingen, vanwege de zogenaamde ‘omgekeerde werking’. Maar bieden tegelijkertijd bescherming tegen een toename van de geurbelasting. De bestaande (soepele) voorgrond geurnomen bieden minder bescherming. Maar de (cumulatieve) geurnormen van de provincie beperken het risico op een hoge achtergrondbelasting. Omdat de provinciale (cumulatieve) geurnormen soepeler zijn dan de GGD-advieswaarden, is geuroverlast niet uit te sluiten. Daarnaast bieden de provinciale geurnormen geen (directe) bescherming tegen een hoge achtergrondbelasting ter plaatse van voormalige bedrijfswoningen en zogenaamde ruimte-voor-ruimte woningen. Deze woningen worden niet wettelijk beschermd door de voorgrondnormen (de geurbelasting van individuele veehouderijen), maar alleen door minimale afstanden.
De Crisis- en Herstelwet biedt voor de ABG-gemeenten voor de komende jaren extra wettelijke mogelijkheden om gericht te sturen op de afname van geurbelasting in knelpuntsituaties. Het is vooral van belang om via een maatwerkaanpak voor specifieke situaties die daar aanleiding voor geven (vooral in de verschillende aandachtsgebieden zoals die zijn benoemd in hoofdstuk 3 en 4) te sturen op vermindering van de te hoge blootstelling aan geur uit stallen op reguliere woningen en voormalige bedrijfswoningen. De sturing door aanpassing van gemeentelijke voorgrondnormen alleen is in dergelijke aandachtsgebieden relatief beperkt, maar strengere normen bieden wel bescherming tegen een toename van de geurbelasting in de nu al zwaarder belaste gebieden.
76
Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten
P200734.007
Voor andere gebieden in het buitengebied kan een gedeeltelijke aanscherping van de gemeentelijke geurnormen (voorgrondnormen) meer bescherming bieden tegen een hoge geurbelasting op bestaande woningen en nieuw te realiseren woningen en te beperken tot een aanvaardbaar hinderniveau. Dit gelet op de advieswaarden van de GGD, de transitie van het buitengebied (die leidt tot een toename van de woon- en verblijfsfuncties in het buitengebied) en de ontwikkeling van de woonkernen op de langere termijn.
5.3
Overwegingen bij gemeentelijke normen t.a.v. de achtergrondbelasting
Het is noodzakelijk om bij ontwikkelingen gericht op nieuwe functies en uitbreidingen van veehouderijen te toetsen aan de cumulatieve geuroverlast en de eigen bijdrage van die ontwikkeling aan een (mogelijk) cumulatief overbelaste situatie. Onder de huidige wet- en regelgeving kan dit alleen bij nemen van nieuwe ruimtelijke besluiten. De Omgevingswet biedt straks meer mogelijkheden om ook bij de vergunningverlening hierop te toetsen dan de huidige wetgeving. Het is aan een gemeente om een afweging te maken over de geaccepteerde geurhinder. Bij de beoordeling van de vraag of er bij de realisatie van een nieuw voor geurhinder gevoelig object of de ontwikkeling van een veehouderij sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, is een afweging met betrekking tot de hoogte van de geurbelasting (en de daarmee samenhangende kans op hinder) in relatie tot de aard van het gebruik van belang. Ook de te verwachten ontwikkeling van de geurbelasting dient hierbij betrokken te worden. In het algemeen geldt dat de gemeenteraad de nodige beleidsvrijheid heeft bij die afweging, mits die voldoende onderbouwd is. De ABG-gemeenten maken dergelijke overwegingen wel, bijvoorbeeld in ruimtelijke procedures en bij het beoordelen van principeverzoeken om medewerking te geven aan functieveranderingen. Er zijn echter geen beleidsregels o.i.d.
door de gemeenten vastgesteld waarin is aangegeven welke streefwaarden (doelen ten aanzien van een goed woon- en leefklimaat) en toetswaarden (grenswaarden bij de beoordeling van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat) worden gehanteerd. In deze geurgebiedsvisie is een voorstel opgenomen voor de toetswaarden met betrekking tot de achtergrondbelasting van geur (de cumulatieve geurhinder van alle veehouderijen samen). De toetswaarden zijn van belang in het kader van ruimtelijke procedures, zoals bestemmingsplannen en soortgelijke plannen voor nieuwe woningen en andere voor geurhinder gevoelige functies. En voor procedures onder de Omgevingswet, waarin een toets op de cumulatieve geurbelasting aan de orde is. Hiermee geeft de gemeenteraad aan welk niveau van geurhinder, geur uit stallen van alle veehouderijen samen, als acceptabel wordt aangemerkt. Daarnaast is het ook van belang dat de gemeenteraad streefwaarden vaststelt. Streefwaarden zijn van belang om de ontwikkeling van de geurbelasting te monitoren en te beoordelen. Het voorstel is om voor de langere termijn de streefwaarden te baseren op de advieswaarden van de GGD (maximaal 5 Ou voor geurgevoelige objecten in de woonkernen, maximaal 10 Ou voor geurgevoelige objecten in het buitengebied).
Maar daarbij ook erkennen dat deze streefwaarden voor delen van het buitengebied (vooral in Alphen-Chaam en Baarle-Nassau) op de korte en middellange termijn buiten beeld blijven. Voor deze gebieden is een streefwaarde van maximaal 20 Ou (achtergrondbelasting) passender.
Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten
77
P200734.007
Daarnaast zal de transitie in het buitengebied gepaard gaan met een verdere toename van het aantal Vab-locaties. Daar waar hergebruik of ontwikkelingsmogelijkheden van Vab-locaties nabij veehouderijen wenselijk worden geacht, zal dit gepaard kunnen gaan met een hogere geurbelasting. In het voorstel is ruimte voor maatwerk opgenomen. Een maatwerk-benadering in de vorm van het (mogelijk) stellen van aanvullende eisen voor veehouderijen die een relevante bijdrage hebben in een hoge geuroverlast op omliggende woningen en die ook mogelijkheden hebben om de geuroverlast te verminderen, sluit aan op de situatie ten aanzien van knelpunten in een aantal aandachtsgebieden. Het ligt daarbij voor de hand dat die aanpak (het stellen van aanvullende eisen bij ontwikkelingen en eventueel eisen van reductie van de geurbelasting bij de zogenaamde ‘stilzitters’) primair te richten op die veehouderijen die tot dusverre weinig tot geen stappen hebben gezet met betrekking tot de reductie van hun eigen geurbelasting naar de omgeving en waarbij sprake is van overschrijding van de huidige geurnormen. Ook kan door de gemeenten, samen met andere partijen zoals veehouders, leveranciers, de rijks en provinciale overheid en kennisinstellingen, gewerkt worden aan het beter laten functioneren van de combi-luchtwassers die in gebruik zijn voor wat betreft de reductie van geur- en ammoniakemissie.
De Commissie Geurhinder en Veehouderij (Commissie Biesheuvel) heeft o.a. geadviseerd meer inzicht te bieden in de effectiviteit van luchtwassers en hierbij de geurproductie in de stal te betrekken. In opdracht van het ministerie voert de WUR een onderzoek uit naar de mogelijkheden om de geur- en ammoniakrendementen van gecombineerde luchtwassers te verbeteren.
5.4
Gebiedsgericht geurbeleid
Om te komen tot een voorstel voor een gedeeltelijke bijstelling van de gemeentelijke voorgrondnormen en normen voor de cumulatieve geurbelasting uit stallen van veehouderijen, is gebruik gemaakt van een typering van gebieden op basis van aanwezigheid van woningen en veehouderijen. Met deze benadering zijn vier gebiedstyperingen te onderscheiden: 1. Gebieden met relatief weinig woningen en weinig veehouderijen Hier kan volstaan worden met de reguliere wettelijke geurnormen en het reguliere ruimtelijke beleid. De wettelijke voorgrondnormen en voldoende afstand tussen veehouderij en woningen is bepalend om knelpunten te voorkomen. Deze gebieden zijn geen specifieke aandachtsgebieden voor het gemeentelijke geurbeleid. 2. Gebieden met relatief weinig woningen en veel veehouderijen In een gebied met relatief veel veehouderijen en weinig woningen is de aanwezige ontwikkelingsruimte voor de veehouderij een belangrijk aandachtpunt. Zeker in gebieden waar er om meerdere redenen ruimte is c.q. wordt geboden voor de intensieve veehouderij is behoud van ontwikkelingsruimte van belang. In dit type gebied dient bij voorkeur terughoudend te worden omgegaan met nieuwe woningen. Daar waar deze woningen al aanwezig zijn of wenselijk worden geacht is een lagere bescherming tegen geurhinder te overwegen.
78
Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten
P200734.007
3. Gebieden met veel woningen en weinig veehouderijen In een gebied met veel woningen en weinig veehouderijen is een goed woon- en leefklimaat een belangrijk aandachtspunt. In dit type gebied moet terughoudend worden omgegaan met het bieden van ontwikkelruimte voor de intensieve veehouderij en kunnen vanuit het aspect geurhinder mogelijkheden voor nieuwe woningen of functieverandering naar wonen worden geboden. 4. Gebieden met relatief veel woningen en veel veehouderijen In dit type gebied is een gebiedsgerichte aanpak c.q. maatwerkaanpak nodig. Deze huidige situatie is over een langere periode ontstaan. Aanvankelijk was het een gebied met sterke concentratie aan intensieve veehouderijen die in de jaren 70, 80 en 90 hebben kunnen groeien in de trend van schaalvergroting. De laatste 20 jaar zijn er veehouderijen gestopt en zijn er op sommige locaties op het voormalig erf nieuwe woningen gebouwd, heeft de voormalige bedrijfswoning vaak een woonbestemming gekregen of is aangeduid als plattelandswoning. Op sommige locaties heeft een functieverandering naar nietagrarische bedrijvigheid plaatsgevonden. Dit gebiedstype heeft vandaag de dag een grote menging aan functies, waardoor knelpunten zijn (en kunnen) ontstaan ten aanzien van geur. Voor het oplossen van knelpunten is een lange adem nodig en is maatwerk vereist.
In deze gebieden moeten op locatieniveau gerichte keuzes gemaakt worden ten aanzien van de gewenste ontwikkeling van het gebied en hier moet het geurbeleid de ruimte bieden om hier op in te kunnen spelen en instrumenten bieden om de gewenste ontwikkeling te kunnen faciliteren.
Figuur 5.3: Voorbeelden van de vier te onderscheiden gebiedstyperingen
Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten
79
P200734.007
Figuur 5.4: Hoofdlijnen voorstel gebiedsgericht geurbeleid
De gebiedsindeling in figuur 5.4 is vertaald in de deelgebieden A t/m D. Hierbij is aangesloten bij het onderscheid tussen bebouwde kom en het buitengebied (uit de Wet geurhinder en veehouderij en de Omgevingswet) en de gebieden die sinds 2005 worden gehanteerd door provincie en gemeenten m.b.t. de ontwikkeling van de intensieve veehouderij.
Deelgebied A: Bebouwde kom conform de Wgv c.q. de bebouwingscontour conform de Ow; Deelgebied B: Zone beperkingen veehouderij (ZBV) rond kernen; Deelgebied C: Zone beperkingen veehouderij (ZBV) rond natuur; Deelgebied D: Agrarisch kerngebied en overig buitengebied.
Deelgebieden A en B (bestaande en toekomstige concentraties van woningen; roze in figuur 5.4) zijn gebieden met weinig veehouderijen en veel woningen. Vooral in de kernrandzones dient terughoudend te worden omgegaan met het bieden van ontwikkelruimte voor de intensieve veehouderij, moet een toename van de geurbelasting worden voorkomen en is in delen een afname van de geurbelasting gewenst. Deelgebied B is gerelateerd aan de Zone Beperking Veehouderij (ZBV) rond kernen. Deelgebied C is ook gerelateerd aan de provinciale Zone Beperking Veehouderij (ZBV), maar dan rondom natuurgebieden. In de ZBV hebben intensieve veehouderijen ‘het bouwblok op de muur’ en is geen uitbreiding in stallen toegestaan. Een geurnorm van 8 Ou overeenkomstig de standaard geurnorm voor het buitengebied in ‘niet-concentratiegebieden’ is in deelgebied C beter passend dan de huidige geurnorm van 14 Ou. Deelgebied D is het deelgebied met veel veehouderijen, waaronder de voormalige landbouwontwikkelingsgebieden en het overige buitengebied. In dit deelgebied is voor de veehouderij behoud van ontwikkelingsruimte van belang en dient bij voorkeur terughoudend te worden omgegaan met toevoegen van nieuwe woningen. In deze gebieden is de standaard norm voor het buitengebied in concentratiegebieden 14 Ou en wordt een geurnorm van 10 OU voorgesteld.
80
Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten
P200734.007
Een maximaal hinderpercentage van 20% wordt in het algemeen voor het buitengebied als aanvaardbaar geacht. Voor de bebouwde kom ligt dat percentage lager (maximaal 12%, dit komt overeen met de richtwaarde uit de Nederlandse Emissie Richtlijn, dat het geurbeleid voor industriële inrichtingen bevat). De waarde van 20% voor het buitengebied is ontleend aan de milieukwaliteitscriteria van het RIVM zoals die zijn opgenomen in de handleiding bij de Wet geurhinder en Veehouderij. Voor het concentratiegebied (zoals het grondgebied van de ABGgemeenten) ligt een hinderpercentage van 20% op de grens van een matige geursituatie. Deze grenswaarde is voor de industrie door jurisprudentie al geaccepteerd. Daarnaast wordt het buitengebied als een dynamisch gebied gezien, waarbij verschillende functies mogelijk moeten zijn en dus een hogere hinderpercentage als aanvaardbaar wordt geacht. Een hinderpercentage van 20% voor het buitengebied komt in het concentratiegebied (zoals de ABG gemeenten) overeen met een voorgrondnorm van 10 Ou. Een voorgrondnorm van 14 Ou komt overeen met een hinderpercentage van 25%. Voor reguliere woningen, zoals een burgerwoning in het buitengebied, is een norm van 14 Ou dus relatief hoog (14 Ou komt overeen met een tamelijk slecht woon- en leefklimaat, 25% hinderpercentage).
Voor een consequent geurbeleid in het buitengebied is het logisch om het maximaal hinderpercentage van 20%, dat ook door de provincie Noord-Brabant wordt gehanteerd in de (interim) omgevingsverordening als grens voor de cumulatieve geurbelasting van veehouderijen, ook te hanteren voor de voorgrondbelasting (individuele geurbelasting van veehouderijen) in het buitengebied. Het hinderpercentage van de provincie van maximaal 20% in het buitengebied komt overeen met een voorgrondbelasting van maximaal 10 Ou. Voor voormalige bedrijfswoningen van veehouderijen of woningen die worden gerealiseerd op het bouwblok van een veehouderij gelden de reguliere voorgrondnormen niet, dus is een voorgrondnorm van 10 Ou of 14 Ou niet aan de orde. Voor deze woningen gelden alleen vaste (minimum) afstanden. Dus intensieve veehouderijen worden niet geraakt door een normaanpassing van 14 Ou naar 10 Ou als het gaat om dergelijke (bedrijfs)woningen of woningen op Vab-locaties van een gestopte veehouderij. Veel woningen in de voormalige LOG-gebieden zijn voormalige bedrijfswoningen van gestopte veehouderijen. In het voorstel voor de maximale cumulatieve geurbelasting is voor deze categorie een hinderpercentage van 25% (cumulatief 28 Ou) gehanteerd. Dit is soepeler dan voor reguliere woningen in het buitengebied. Bij uitbreiding binnen bestaande stallen is alleen de voorgrondnorm van toepassing.
Bij geurnorm 10 Ou is de ruimte om de geuremissie toe te laten nemen in niet-overbelaste situaties kleiner dan bij norm 14 Ou. Een lagere geurnorm biedt daardoor meer bescherming tegen een toename van geur. Veehouderijen die nu de geurnormen overschrijden zitten niet ‘op slot’, maar zullen bij ontwikkeling wel meer inspanningen moeten leveren om de geurbelasting op geurgevoelige objecten te verminderen. Dit kan via de inzet van emissiearme stalsystemen en emissie reducerende technieken, maar ook door aanpassing van de emissiepunten; zoals een gunstiger gelegen plek voor de emissiepunten waar de geur wordt uitgestoten (locatie van de emissiepunten) en/of beïnvloeding van de verspreiding van uitgestoten geur in de buitenlucht (het verhogen van de uitstroomhoogte en de uitstroomsnelheid zorgt voor meer verdunning en verspreiding van de uitgestoten geur in de buitenlucht en heeft daardoor een positieve invloed op de geurbelasting in de omgeving).
Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten
81
P200734.007
De blijvende veehouderijen hebben meestal nog mogelijkheden om de geurbelasting verder te verlagen door aanpassen van emissiepunten. Zij kunnen bij een overschrijding van de norm van 10 Ou nog steeds ontwikkelen, maar zullen de geurbelasting wel verder moeten beperken. Dit is een gewenst effect. Als door de gemeente geen aanhoudingsbesluit wordt genomen zullen lopende plannen/initiatieven voorafgaand aan het moment van aanscherping niet verstoord worden. Dit betekent dat ondernemers die al vergevorderde bedrijfsontwikkelingsplannen hebben niet ineens geconfronteerd worden met een strengere geurnorm. In de meeste ontwikkelplannen wordt ook uitgebreid in stallen waardoor de veehouders al te maken hebben met de provinciale norm voor de achtergrondbelasting van 20 Ou op basis van de norm van maximaal 20% gehinderden. In onderstaand overzicht (figuur 5.5) is een voorstel opgenomen ten aanzien van het aanpassen van de gemeentelijke normen voor de voorgrondbelasting en de toetswaarden voor de achtergrondbelasting.
Bij de toetswaarden voor de achtergrondbelasting is een onderscheid gemaakt tussen: woningen en functies met een vergelijkbaar gebruik (kans op langdurige blootstelling aan geurhinder) die op basis van de huidige Wgv als voor geurhinder gevoelig object worden aangemerkt (hieronder vallen ook ruimte voor ruimte woningen op nieuwe kavels), en voormalige bedrijfswoningen van een veehouderij en nieuwe woningen op een voormalige locatie van een veehouderij (veehouderij op of na 19 maart 2000 gestopt), ruimte voor ruimte woningen op de kavel van een voormalige veehouderij (als bedoeld in de Wgv) en overige geurgevoelige functies waar er gezien de aard van het gebruik (niet-wonen) een hogere blootstelling aanvaardbaar wordt geacht.
Figuur 5.5: Voorstel normstelling gebiedsgericht geurbeleid. Geurnorm en kans op hinder, concentratiegebied, handleiding Wgv
Om inzicht te geven in de uitwerking van dit voorstel in een ontwerp geurverordening en beleidsregel, is hiervan een uitwerking opgenomen in hoofdstuk 6.
82
Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten
P200734.007
6 Uitwerking concept gebiedsgericht geurbeleid 6.1
Ontwerp geurverordening 2021
Deelgebied A Bebouwde kom B Zone beperkingen veehouderij rond kernen C Zone beperkingen veehouderij rond natuur D Agrarisch kerngebied en overig buitengebied
Geurnorm (voorgrondbelasting) 3,0 Ou 5,0 Ou 8,0 Ou 10,0 Ou
In de kaart die als bijlage bij de geurverordening wordt gevoegd, zijn deze gebieden begrensd. Hiermee is ook de bebouwde kom aangegeven (deelgebied A). In de geurverordening is voor de definitie van een geurgevoelig object aangesloten bij de Wet geurhinder en veehouderij en, na inwerkingtreding van de Omgevingswet, de definitie van een geurgevoelig object zoals deze is opgenomen in de uitvoeringsregels van de Omgevingswet (i.c. het Besluit Kwaliteit Leefomgeving). Verordening geurhinder en veehouderij gemeente X Artikel 1 Begripsomschrijvingen Deze verordening verstaat onder: a) Geurgevoelig object: een object zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij en na inwerkingtreding van de Omgevingswet, zoals bedoeld in het Besluit Kwaliteit Leefomgeving b) Geurbelasting: de waarde ter plaatse van de gevel van het gevoelige object, berekend met V-Stacks, uitgedrukt in Europese odour units per tijdseenheid. c) Odour units: geurconcentratie als aantallen Europese odour units in een volume-eenheid lucht (ouE/m3), gemeten volgens de NEN-EN 13725:2003. Hierbij wordt voor de geurbelasting uitgegaan van het gebruikelijke 98-percentiel geurconcentratie. Hetgeen betekent dat de – met een verspreidingsmodel – berekende geurconcentratie gedurende 98 procent van de tijdseenheid niet wordt overschreden.
d) Veehouderij: een inrichting die tot een krachtens artikel 1.1, derde lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht aangewezen categorie behoort en is bestemd voor het fokken, mesten, houden, verhandelen, verladen of wegen van dieren; e) Wet: de Wet geurhinder en veehouderij; Artikel 2 Aanwijzing gebieden Als gebied als bedoeld in artikel 6 van de Wet worden de gebieden aangewezen die zijn aangegeven op de bij deze verordening behorende en als zodanig gewaarmerkte kaart. Artikel 3 Bebouwde kom Als bebouwde kom zoals bedoeld in de Wet alsmede de bebouwingscontour geur zoals bedoeld in het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (Omgevingswet), wordt aangewezen het gebied zoals aangegeven op de bij deze verordening behorende en gewaarmerkte kaart, voor zover aangeduid als deelgebied A
Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten
83
P200734.007
Artikel 4 Waarden voor de maximale geurbelasting In afwijking van artikel 3, lid 1 van de Wet bedraagt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object in het gebied zoals aangegeven op de bij deze verordening behorende en gewaarmerkte kaart, als volgt: • Deelgebied A: 3,0 odour units • Deelgebied B: 5,0 odour units. • Deelgebied C: 8,0 odour units • Deelgebied D: 10,0 odour units Artikel 5 Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op de dag na de datum van bekendmaking. Artikel 6 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening geurhinder en veehouderij gemeente xx
84
Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten
P200734.007
Figuur 6.1: Kaart behorend bij ontwerp geurverordening ABG-gemeenten. Zie kaart N in de bijlagen.
Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten
85
P200734.007
6.2
Beleidsregel beoordelen cumulatieve geurbelasting 2021
Met deze beleidsregel wordt invulling gegeven aan de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin de afdeling aangeeft dat bij ruimtelijke ontwikkelingen een beoordeling van de geurhinder moet plaatsvinden in het kader van een goed woon- en leefklimaat en alleen een toets aan de normen uit de Wgv niet volstaat. De beleidsregel ziet toe op de beoordeling van de cumulatieve geurbelasting uit stallen van veehouderijen op geurgevoelige objecten (zoals bedoeld in de Wgv) en voor andere functies waar er sprake is van langdurige blootstelling aan geurhinder in gebouwen, zoals voormalige bedrijfswoningen. In de beleidsregel wordt voor de begripsbepalingen en berekeningswijze van de geurbelasting verwezen naar de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv), de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Omgevingswet en bijbehorende uitvoeringsbesluiten waar de Wgv en Wro in op gaan.
Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder, gemeente x Artikel 1 Toepassingsbereik De beleidsregel ziet toe op de beoordeling van de cumulatieve geurbelasting uit stallen van veehouderijen op geurgevoelige objecten. Artikel 2 Begripsbepalingen In deze beleidsregel wordt verwezen naar:
de begripsbepalingen en berekeningswijze van de geurbelasting uit de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv);
de beoordeling of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in het kader van “een goede ruimtelijke ordening”, zoals bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening (Wro)
de overeenkomstige bepalingen in de Omgevingswet (Ow) en haar uitvoeringsregels, waaronder het Besluit Kwaliteit Leefomgeving, na inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Artikel 3 Bij de beoordeling van de cumulatieve geurbelasting op voor geurhinder gevoelige functies is in artikel 5 een onderscheid gemaakt tussen: wonen: woningen en functies met een vergelijkbaar gebruik (kans op langdurige blootstelling aan geurhinder) Vab/niet-wonen: woningen op een voormalige locatie van een veehouderij (op of na 19 maart 2020 gestopt), ruimte voor ruimte woningen (als bedoeld in de Wgv) en geurgevoelige functies waar er gezien de aard van het gebruik (niet-wonen) een hogere blootstelling aanvaardbaar wordt geacht. Artikel 4 Toetswaarden Bij het beoordelen van:
ruimtelijke initiatieven en plannen voor uitbreiding van veehouderijen met dieren waar een geuremissiefactor is vastgesteld en
ruimtelijke initiatieven en plannen waar er sprake is van een nieuw voor geurhinder gevoelig object zoals aangeduid in de Wgv c.q. de uitvoeringsregels van de Omgevingswet
86
Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten
P200734.007
wordt als vertaling van het criterium ‘een aanvaardbaar woon- en leefklimaat’ voor het aspect cumulatieve geurhinder uit stallen van veehouderijen, onderstaande waarden gehanteerd Deelgebied
Type object
Voldoende
Onvoldoende
< 10,0 Ou
>= 10,0 Ou
wonen
< 13,0 Ou
>= 13,0 Ou
Vab/niet-wonen
< 20,0 Ou
>= 20,0 Ou
Wonen
< 20,0 Ou
>= 20,0 Ou
wonen
< 20,0 Ou
>= 20,0 Ou
Vab/niet-wonen
< 28,0 Ou
>= 28,0 Ou
conform artikel 3 Deelgebied A
Wonen Vab—niet-wonen
Deelgebied B
Deelgebied C
Vab/niet-wonen Deelgebied d
Voor de aanduiding van de begrenzing van de deelgebieden wordt verwezen naar de bij de “Verordening geurhinder en veehouderij gemeente x ” behorende kaart Artikel 5 Achtergrondbelasting ‘voldoende’ (toetswaarde) Als de achtergrondbelasting geclassificeerd kan worden als ‘voldoende’ dan zijn er vanuit het deelaspect ‘cumulatieve geurhinder uit stallen van veehouderijen’ geen belemmeringen om mee te werken aan een ruimtelijk initiatief. Artikel 6 Achtergrondbelasting ‘onvoldoende’ Als de achtergrondbelasting geclassificeerd kan worden als ‘onvoldoende’ (zoals beschreven in artikel 3) dan is er in beginsel geen sprake van een ‘aanvaardbaar woon- en leefklimaat’. Artikel 7 Afwijkingsbevoegdheid bij overschrijding van de toetswaarde
Indien bij een ruimtelijk initiatief, met uitzondering van de toetswaarde in deze beleidsregel, de beoordeling van de overige omgevingsaspecten wel positief uitvalt, kan overwogen worden om gemotiveerd van deze toetswaarde af te wijken ten einde via een procedure mee te werken aan het ruimtelijke initiatief. Bijvoorbeeld omdat er concreet zicht is op een verbetering van de achtergrondbelasting of er vanwege het gebruik van het geurgevoelige object weinig hinder te verwachten is of de hinder acceptabel wordt geacht. Een nadere motivering en besluitvorming, is dan wel nodig.
Bij het toetsen van ruimtelijke initiatieven of plannen van veehouderijen wordt de absolute en relatieve bijdrage van de betreffende veehouderij aan de achtergrondbelasting en de verandering van die bijdrage in de afweging, betrokken. Ook wordt hierbij meegenomen of de op dat moment best beschikbare en betaalbare technieken onderdeel zijn van het initiatief:
Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten
87
P200734.007
technieken die leiden tot een beperkte milieubelasting, rekening houdend met het type en grootte van het bedrijf en de plaatselijke achtergrondbelasting Artikel 8 Inwerkingtreding Deze beleidsregel treedt in werking op de dag na de datum van bekendmaking. Artikel 9 Citeertitel Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder gemeente x
6.3
Plattelandswoningen
Een plattelandswoning is een voormalige agrarische bedrijfswoning die door derden, die geen functionele binding hebben met het bedrijf, mag worden bewoond. Dit is juridisch-planologisch mogelijk omdat aan de plattelandswoning een lager beschermingsniveau wordt toegekend dan aan een burgerwoning. In een bestemmingsplan, omgevingsvergunning of de opvolgers daarvan onder de Omgevingswet, blijft de bestemming van de woning agrarisch, maar krijgt een aanduiding als 'specifieke vorm van agrarisch: plattelandswoning'. De versoepelde normen voor geur (en geluid) van een plattelandswoning gelden voor het 'eigen' (agrarische) bedrijf, maar niet voor omliggende bedrijven. Voor plattelandswoningen gelden geen soepelere normen ten aanzien van luchtkwaliteit (met name fijnstof PM10). Voorstel Voorgesteld wordt om voor wat betreft geur uit stallen de aanvaardbaarheid van een verzoek tot aanwijzing van een plattelandswoning als volgt te beoordelen:
88
De afstand tussen de plattelandswoning en de ‘eigen stallen’ (stallen op hetzelfde bouwblok) is minimaal 25 meter (minimum afstand Wgv) De cumulatieve geurbelasting, exclusief de geur uit de ‘eigen stallen’ is gelijk aan de toetswaarde m.b.t. de geurbelasting per deelgebied. Dus lager dan 10,0 Ou voor deelgebied A, lager dan 13,0 Ou voor deelgebied B en lager dan 20,0 Ou voor overige delen van het buitengebied. Dit om bij een eventuele beëindiging van de veehouderij de woning te kunnen blijven gebruiken. De cumulatieve geurbelasting, inclusief de geur uit de ‘eigen stallen’ is lager dan 28,0 Ou, gelijk aan de hoogste toetswaarde voor Vab-locaties en niet-woonfuncties in het buitengebied. Dit met het oog op een basis beschermingsniveau voor deze woningen. Geen medewerking te geven aan de aanduiding van plattelandswoningen in de gebieden met een sterke concentratie van grotere intensieve veehouderijen: de voormalige landbouwontwikkelingsgebieden binnen deelgebied D (gebieden met relatief weinig woningen en veel grotere intensieve veehouderijen). Via een hardheidsclausule de mogelijkheid op te nemen om in bijzondere situaties van bovenstaande af te wijken en een daartoe een onderbouwd voorstel aan de raad te kunnen voorleggen.
Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij ABG-gemeenten
P200734.007
Het voorstel ten aanzien van toetsing van geur voor plattelandswoningen laat onverlet dat er voor diverse andere aspecten een beoordeling van de aanvaardbaarheid c.q. wenselijkheid dient plaats te vinden, zoals de luchtkwaliteit, concentratie endotoxinen, ruimtelijke kwaliteit en de aspecten t.a.v. volkshuisvesting.